Skip to content

Emile Verhaeren en andermans verlangen. Nostalgie in de praktijk.

Graf2kerk

Aan een meander van de Schelde, op de rechteroever, ligt het dorp Sint-Amands, de geboorteplaats van Emile Verhaeren. En omdat de dichter in L’Escaut de wens uitte om aan de stroom begraven te worden, vindt men hier ook zijn graftombe.

In een tijd de televisiekoks veel meer media-aandacht krijgen dan dichters, inspireert Verhaerens graf de bezoeker tot enige nostalgie.

Dat mag.

Maar nostalgie brengt het voorbije en het verre niet echt dichterbij. Ze vertroebelt onze blik erop. De dood en de opeenvolgende begrafenissen – drie in totaal – van Emile Verhaeren hebben niets heroïsch. Vooral des dichters stoffelijke resten waren de inzet van enkele typisch Belgische anekdotes.

2.25Sint-Amands is, of was, een afgelegen dorp van vissers en ambachtslui. Toen Verhaeren jong was, kostte het een dag om van hier Brussel of Antwerpen te bereiken. Er moeten ook welvarende mensen hebben geleefd. Dat bewijzen de grote oude huizen in het dorpscentrum en de omvang van de kerk.

Aan de overkant ligt, achter hoge dijken, het groene Castel. Wie vanuit Sint-Amands naar de overkant kijkt, ziet niets dan bomen, ziet hoe het vroeger op veel meer plaatsen aan weerszijden van de Schelde was.

Hop, daar is de nostalgie weer, nostalgie naar een tijdperk dat wij ons niet alleen harmonischer, rustiger en mooier voorstellen dan het onze, maar ook een waarin de natuur nog werd gerespecteerd.

Allemaal flauwekul, natuurlijk. Emile Verhaeren zelf schreef over armoede, de leegloop van het platteland, dronkenschap, vechtpartijen en ander onfraais. Hij was allesbehalve blind voor de miserie in zijn geboortedorp. Ja, er was nog meer groen, maar niet overal. Niet in de steden. Niet in de Borinage. Om maar iets te zeggen.

Alleen de miserie van toen vandaag onzichtbaar – onrecht wordt gauw vergeten en de kleine man laat weinig sporen na. Zo ook die uit Sint-Amands.

Verhaeren de socialist, Verhaeren de anarchist, de vriend van symbolisten en postimpressionisten, de verkondiger van de moderniteit. Ook hij stemt nostalgisch. Sommigen zien hem als een soort kampioen van de progressiviteit. Terecht? Ja en nee. Verhaeren was een overtuigde Belg en Europeaan. Maar hij was niet tegen kolonisatie en beleed de superioriteit van zijn ras.

Kind van zijn tijd, jawel.

Dam

Iedereen is een kind van zijn tijd, dat kan niet anders. Dat is, ondanks alles, een soort excuus.

De nostalgie naar het België van Verhaerens gaat in ieder geval voorbij aan nogal wat aspecten van de historische realiteit. Ze komt voor bij progressieve lieden die liever hadden dat er geen Vlaamsnationalisten waren geweest, geen collaboratie, geen Vlaams Blok en geen Bart De Wever.

Ik begrijp dat volkomen. Zoals men weet, kom ik niet uit een Vlaams nest. Maar dat ideële Belgique à papa heeft nooit bestaan, tenzij misschien in de hoofden van de toenmalige elites.

De Belgische realiteit was gebaseerd op de afwezigheid van sociale wetten, kinderarbeid, genadeloze uitbuiting van proletariaat, landarbeiders en kleine boeren. Het was een realiteit van honger, onwetendheid, machteloosheid, alcoholisme – de “plaag der dorpen, zoals Conscience schreef, maar ook die van de stad.

Martien_Beversluis_(1932)Wikipedia

Verhaerenvertaler en nazi Martien Beversluis (Wikipedia).

En de taal en cultuur van de Vlamingen werd niet gerespecteerd. Of dat in het geheel der dingen meer gewicht in de schaal legde dan de exploitatie waar ik net op wees, is natuurlijk de vraag. Het maakt weinig uit of je als proleet in het Frans of in het Nederlands wordt uitgebuit. Maar het was wel een bijkomende, secundaire vorm van verknechting.

Wat niet wegneemt dat de Vlaamse bewegers uit de middenklasse weinig oog hadden voor sociaal onrecht en zich onledig hielden met het bedenken van een ideaal verleden Vlaanderen dat nooit bestaan heeft.

L’histoire se répète. Niet altijd, maar toch.

En: une nostalgie peut en cache une autre.

Was Verhaeren dan zelf geen nostalgicus? Schreef hij niet in tal van gedichten over de morzel gronds waar zijn wiegje had gestaan? Sint-Amands, de Schelde, het ouderlijk huis, de mensen uit het dorp? Absoluut. Ze vormden het substraat van zijn inspiratie en hij kwam er keer op keer op terug.

Alleen was Verhaeren, zijn tekortkomingen ten spijt, een schrijver, een dichter, geen ideoloog van de lokale folklore – ook al putte hij daar zo nodig uit. Het beste bewijs is dat Verhaeren bewonderd werd door de grootsten onder zijn collega’s, van Mallarmé tot Rilke. En die kenden Sint-Amands en Klein-Brabant niet, ze kenden alleen Verhaerens gedichten.

emile-verhaeren-marthe-massin(MusEmVerg)

Emile Verhaeren en zijn vrouw Marthe Massin (Foto Provinciaal Emile Verhaerenmuseum).

Zij wisten niet hoe de kerktoren van Sint-Amands eruitzag en ook de plaatselijke molen was hun onbeked. Als ze de veerman of molenaar tegen het lijf waren gelopen, hadden ze hem niet herkend. Ze lazen over een kerktoren, een veerman, een molen en een molenaar. En wat ze zich daarbij voorstelden, had niets met de feitelijke omstandigheden uit de jeugd van Verhaeren te maken, maar met wat en hoe hij daarover dichtte. Waar hij zijn indrukken en herinneringen voor gebruikte, de emoties en ideeën die hij wilde uitdrukken.

Verhaeren dacht en dichtte in het Frans, in een Europees, zelfs niet in een Belgisch verband. Kende hij momenten van nostalgie? Ongetwijfeld. Maar hij moet ook gedacht hebben: liever heimwee dan Holland. Tenslotte woonde hij tot aan zijn dood in Parijs.

Dat zijn versbouw en zijn Frans de scherpslijpers van de Parijse kritiek niet altijd voldeden, verandert daaraan niets. Zeggen dat zijn vrije vers, zijn retoriek, zijn occasionele vertaling van Vlaamse wendingen van hem, in “laatste instantie” “toch” een Germaan of een Vlaming maken, is onzin. In die zin dat het geen zin heeft.

AloisGerlo(UGent)

Alois Gerlo (Foto UGent).

Pure nostalgie, zou je kunnen zeggen, terugverlangen naar iets dat niet is en ook niet is geweest.

Verhaeren was nog iets niet dat een waarachtig Vlaam moest zijn: een katholiek. Hij studeerde aan het Collège Sainte-Barbe van de jezuïeten in Gent en aan de universiteit van Leuven, maar hij verloor ergens onderweg zijn geloof. Dat hij gecharmeerd bleef door de katholieke liturgie, verandert daar niets aan. Is dat mogelijk? Ja, dat is mogelijk. Ik ben niet eens gedoopt; toch hou ik van de Mattheuspassie en de Kroningsmis.

Net als een halve eeuw later zijn streekgenoot Gerard Walschap werd Verhaeren door biografen, zoals kanunnik De ook uit Sint-Amands, trouwens – betuttelenderwijs voorgesteld als een afvallige, die vast niet gelukkig was. De dichter Jan Hammenecker uit Mariekerke, een tijdlang de boezemvriend en mentor van diezelfde Walschap, voerde Verhaeren als zodanig zelfs ten tonele in zijn enige roman.

IMG_0741Verhaerens biograaf Paul Servaes doet een en ander uitgebreid uit de doeken. Maar hij vindt minder aanstootgevend dan ik.

Verhaeren deed twee voorname dingen die de “goede” Vlamingen hem meer dan een eeuw kwalijk namen. Hij schreef in het Frans – ze verweten hem dat openlijk, terwijl ze het ook probeerden te relativeren (“toch een Germaan!”). En hij was geen christen. Dat laatste werd, dunkt mij, iets minder fel in de verf gezet in de hoop Verhaeren alsnog postuum te recupereren.

Paranoïa? Eind jaren 1980 kende ik een letterkundige pastoor die ambieerde om de toen al hoogbejaarde (en in de boosheid volhardende Walschap) alsnog neer te zetten als niet meer dan een afvallige katholiek. En afvalligen, wel, die zijn er om naar de stal terug te keren. Ik ben ook de zoon van een vrijzinnig schrijver die tijdens de tweede helft van zijn leven omstuwd werd door vrome lieden die zijn vriendje wilden worden (hij liet zich dat ook welgevallen).

Ja, zulke dingen gebeur(d)en. Dat vervult mij niet met nostalgie.

Verhaeren was geen streekdichter, geen chauvinist, hij cultiveerde geen nostalgie. Maar na zijn dood veranderde dat, alweer dankzij de goede zorgen van derden.

De eerste die een belangrijk deel van het oeuvre van de dichter in het Nederlands vertaalde, was de Nederlander Martien Beversluis. Beversluis publiceerde in 1935 een bloemlezing van vooraal “sociale” gedichten van Verhaeren. De schrijver  was toen nog communist, maar in 1939 vinden we hem bij een organisatie met de enigszins onheilspellende naam Zwart Front.

Emile_Verhaeren01Wikipedia)

Emile Verhaeren door Theo van Rysselberghe (Foto Wikipedia).

Dit belette niet dat zijn Verhaerenbloemezing in 1940 werd herdrukt.

In 1941 ontpopte Beversluis zich tot NSB’er en een jaar later trad hij toe tot de Germaanse SS. Weldra kreeg hij de functie van lector bij het Departement van Voorlichting en Kunsten.

Mede op basis van zijn leesverslagen bepaald men of een boek al dan niet mocht verschijnen in het bezette Nederland. Alsof dat niet genoeg was, werd hij ook nog eens burgemeester van Veere en Vrouwenpolder.

Jawadde.

En andere Verhaerenvertaler (op kleinere schaal) was dichter Bert Peleman uit Puurs die in 1942 Departementsleider voor Propaganda bij de Dietsche Militie-Zwarte Brigade werd en in augustus van dat jaar naar het Oostfront vertrok om de Vlamingen aldaar een “groet van de leider” te brengen en, mede doormiddel van grammofoonplaten, te getuigen van “den opgang van het Volk der Zuidelijke Nederlanden naar zijn algeheele bevrijding.” Zo staat het in Volk en Staat van 7 augustus 1942.

DorpenDam

In 1943 voerde Peleman het bevel over een groep leden van de Zwarte Brigades die een razzia hield in Sint-Kwintens-Lennik. Daarbij werd geïntimideerd, bedreigd en gestolen dat het een lust was. De Duitsers zaten zo met Pelemans fratsen verveeld dat ze de buit zelf ophaalden in het Vlaamsch Huis en ze aan de eigenaars terugbezorgde. De door Peleman gearresteerde oud-burgemeester, notaris Velghe, werd prompt in vrijheid gesteld.  Men vindt dit alles in de verrassend volledige Peleman-knipselmappen in het Letterenhuis.

Na dit voor hem vernederende incident legde de dichter zich tot het eind van de bezetting toe op de volkskundige vereniging De Meivis. Die cultiveerde de Klein-Brabantse gebruiken, ambachten en wat dies zij. Niet zo apolitiek als Peleman naderhand beweerde, want de bezetter (meerbepaald de SS) was verzot op folklore als overblijfsel van en wegwijzer naar een authentieke Germaanse oercultuur. Ja, de Duitsers hadden hun nostalgische kant.

Peleman-0bSchrijversgewijs

Bert Peleman (Foto Schrijversgewijs).

Wogen de feiten in Sint-Kwintens-Lennik zwaar genoeg om Peleman ter dood te veroordelen, zoals de Krijgsraad deed in 1947?

Ik ben tegen de doodstraf.

Peleman kwam er vanaf met zes jaar cel, om zich nadien opnieuw toe te leggen op folklore en streekgeschiedenis, wat hem “alom” erkenning opleverde.

Peleman koos herhaaldelijk gedichten van Verhaeren voor de bloemlezingen die hij samenstelde en occasioneel vertaalde hij daar zelf een stukje uit. Doorgaans ging het echter om d orginele Franse tekst of om vertalingen door bijv. Bert Decorte.

Peleman trok Verhaeren mee in het bad met figuren als hijzelf, de Frans-Vlaming Emmanuel Looten en andere Maurice Carêmes.

Maar ook streekgenoot, oud-communist en op dat moment socialist Aloïs Gerlo, prof aan de Vrije Universiteit Brussel, zei bij de Verhaerenhulde in 1966: “Naar zijn diepste wezen, naar zijn intiemste natuur is de auteur van Toute la Flandre een Vlaming. […] Om de originaliteit van Emile Verhaeren te begrijpen moet men hem situeren in het milieu en in het volk waaruit hij stamt.”

Twee opmerkingen hierbij: Gerlo was geboren in het zeer nabije Baasrode, en ik meen mij te herinneren dat hij, naarmate hij ouder werd, rechtser opvattingen verkondigde.

Nostalgie kan leiden tot het ontstaan van poëzie; gedichten kunnen (en mogen) nostalgie vertolken en ons helpen bij het omgaan met onze eigen nostalgie. Maar nostalgie, tenzij misschien in een algemene, existentiële zin, maakt niet het wezen uit van nostalgie. Een gedicht is in laatste instantie een ding van woorden en de manier waarop ze zijn gerangschikt.

Graf1

Wie poëzie reduceert tot nostalgie, doet aan reductie. En dat kan een soort schuldig verzuim zijn, maar ook bewuste manipulatie om gevaarlijke ideeën te promoten, te bevestigen of in te kleden.

Daarom ben ik blij dat Verhaeren honderd jaar na zijn geboorte vertalers heeft gevonden als Stefaan Van den Bremt, Benno Barnard en Koen Stassijns, die zich op een voorbeeldige, respectvolle en vooral virtuoze wijze over zijn oeuvre buigen. Ik heb gezegd.

En nu kan ik in Sint-Amands met een vol hart en een gerust geweten naar een van slechte smaak druipende zonsondergang kijken. Zoals in de tv-serie Stille Waters. Zelf die was met haar  streekliteratuur meets Marc Dutroux-achtig karakter via een omweg schatplichtig aan de dichter van Le Passeur d’eau.

 

 

 

De dood van een pelgrim. Het oudste toneelstuk van Europa.

01-Ruiters-800x600

Het oudste toneelstuk van Europa is het mysteriespel van de H. Evermarus dat de inwoners van het Haspengouwse dorp Rutten sedert de middeleeuwen iedere eerste mei opvoeren. Hoewel de huidige tekst uit 1924 dateert, gaat het Sint-Evermarusspel volgens de overlevering terug tot het jaar 968. Het herdenkt de marteldood van de Friese pelgrim Evermarus en zijn zeven gezellen, die het slachtoffer werden van de heidense roofridder Hacco.

Het Sint-Evermarusspel vormt de neerslag van een oeroude mondelinge traditie waarachter historici en archeologen interessante feiten ontwaren en waarin zowel christelijke als voorchristelijke elementen verweven zijn.

Volgens de Vita Sancti Evermari leefde de heilige tijdens de regering van hofmeier Pepijn van Herstal, na de dood van koning Dagobert II in 679 de machtigste man van Austrasië. De vita dateert van 1107, maar gaat terug op oudere bronnen; zij bevat zowel historische als legendarische elementen.

St-Evermaruskapel, Rutten

Evermarus was een Fries edelman die met zijn zeven gezellen bedevaartplaatsen bezocht. Op de terugweg van Compostella deden zij o.m. Nijvel, Stavelot en Sint-Truiden aan, waar zij de relieken van resp. de HH. Gertrudis, Remaclus en Trudo vereerden. Voor hij naar Friesland terugkeerde, wou Evermarus in Maastricht bidden op het graf van Sint-Servatius. Tussen Sint-Truiden en Maastricht belandden de pelgrims bij valavond in het bos van Rutten. Zij klopten aan bij het landgoed van de heidense edelman Hacco in het nabije dorpje Herstappe.

Hacco terroriseerde de hele streek. Vanuit de versterking Haccourt aan de Maas, waar hij in opdracht van Pepijn tol hief, maakte hij zelfs schippers het leven zuur. Omdat Hacco zich die avond in Haccourt bevond, durfde zijn vrouw de bedevaarders binnenlaten; zij vroeg hun voor zonsopgang te vertrekken opdat haar man niets zou merken. Maar een dienaar verried Evermarus aan Hacco, die in de loop van de ochtend thuiskwam en met zijn trawanten de achtervolging inzette.

Evermarus foto 1 - aangepast

Zij vermoordden de pelgrims die zich in de schaduw van enkele bomen te ruste hadden gelegd en lieten hun lijk onbegraven liggen. Toen Pepijn in de streek kwam jagen, werden de lichamen gevonden door een lid van zijn hofhouding. Een edelman brak zijn schild in twee; men legde er Evermarus’ lijk op de ene helft en bedekte het met de andere. Zo begroef men de heilige en zijn gezellen.

Volgens de Vita Sancti Evermari bleef de plaats van het graf onbekend tot Eraclius, bisschop van Luik, op een nacht in het jaar 986 bezoek kreeg van een engel, die hem de plaats meedeelde. Om de sceptische bisschop zover te krijgen dat hij het lichaam van de martelaar liet opgraven, waren nog twee engelachtige tussenkomsten nodig. Men ontdekte Evermarus’ graf tussen de wortels van een boom met weelderige kruin en heerlijke vruchten. Bij de ontgraving bleek het perfect bewaard. De kerkvorst liet het daarop overbrengen naar de Ruttense Sint-Maartenskerk. Volgens de plaatselijke traditie voert men het Sint-Evermarusspel sindsdien jaarlijks op.

seniorennet

Historici zijn nog sceptischer dan Eraclius. Zij nemen aan dat in het 10de-eeuwse Rutten relieken van ene Evermarus werden vereerden en dat de bisschop die op verzoek van de plaatselijke pastoor Ruzelinus verhief “tot de eer der altaren”, wat toen neerkwam op een heiligverklaring.

Rutten was toen eigendom van de Pepiniden; later kwam het in handen van de Karolingische vorsten. Zij schonken de kerkelijke goederen in en om het dorp aan de benedictijnenabdij van Seligenstadt aan de Main in Duitsland. Na een goederenruil kwamen ze in het bezit van de abdij van Burtscheidt bij Aken. De Vita Sancti Evermari vertelt hoe abt Wedericus in de 11de eeuw op het graf van Evermarus een bedevaartkerk liet bouwen, waaraan hij een klooster hechtte. Bisschop Theodwinus van Luik (1048-1075) wijdde het heiligdom.

HuisvanAlijnIn 1986 ondernam de Buitendienst van het Gallo-Romeins Museum in Tongeren o.l.v. archeoloog Vanvinckenroye opgravingen om de huidige Sint-Evermaruskapel, die van 1787 dateert. Zij staat in de zg. Heilige Weide, even buiten de dorpskern. De oudheidkundigen vonden fundamenten van een stenen kerkgebouw, opgetrokken in Karolingische stijl, die in het Rijn- en Maasgebied verspreid werd door de benedictijnen. Of de kerk van de 11de eeuw of van vroeger dateerde, konden zij niet bepalen. Men bouwde ze op de puinen van de bijgebouwen van een nabije Gallo-Romeinse villa en recycleerde daarbij bouwmateriaal. Wanneer en hoe de kerk werd gesloopt, is niet duidelijk. Een visitatieverslag van 1628 spreekt alleen van een toen al sterk vervallen houten kapel, wat erop wijst dat de Karolingische kerk al lange tijd verdwenen was.

Welke vorm de Sint-Evermarusviering aanvankelijk had, is niet te achterhalen. Het mysteriespel gaat zeker terug tot de late middeleeuwen. In de 17de eeuw gaf men met de stichting van de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Evermarus – zij bestaat uit de vertolkers van de heilige en zijn gezellen – een definitieve vorm aan een oud gebruik. Het lidmaatschap van de Broederschap gaat over op de mannelijke erfgenaam van een gestorven lid; pas wanneer deze geen mannelijke nakomelingen heeft, kan een andere Ruttenaar lid worden. Traditiegetrouw speelt de oudste en meest eerbiedwaardige broeder de rol van Evermarus.

Bij het gilde der Haccoeren, de Ruttenaren die Hacco en zijn trawanten uitbeelden, gaat het er anders toe. Ouders laten hun zoon rond zijn twaalfde inschrijven; hij maakt dan deel uit van Hacco’s bende. Na verloop van tijd kan hij “hoofdman” worden en deelnemen aan het eigenlijke martelarenspel. De langst ingeschreven Haccoer – meestel is hij de oudste van het gezelschap – vertolkt Hacco.

www.evermarus.beVroeger kenden alleen de leden van de Broederschap en de Haccoeren de woorden van het Sint-Evermarusspel, die zij voor de buitenwereld geheim hielden. Zulks blijkt o.m. uit de brochure De eerste Mei te Rutten van L. Van Ruckelingen, in 1858 verschenen bij de Antwerpse uitgever Dela Montagne.  De auteur heette in werkelijkheid Mathot en was de zoon van een inwonen van Rukkelingen die in 1830 uitweek naar de Scheldestad. Mathot jr. stichtte daar een vlechterij van strohoeden, maar keerde later naar Limburg terug. In zijn bokje beschrijft hij het mysteriespel. Over zij poging om de tekst van de liederen der pelgrims te bemachtigen, zegt hij:

“Ik heb, niettegenstaende al de moeite die ik my gegeven heb, my nooitb dit gezang, noch het voorgaende kunnen aenschaffen. Zoo het schynt werden geen van beide ooit in druk uitgegeven, zelfs bezit het niemand geschreven. De pelgrims leren het by overlevering en bewaren het slechts mondeling. Men hecht zoo groote prys eraen, dat het aen geenen vreemde mogelyk is zich deze liederen aen te eigenen; altoos, na vruchteloos verscheidene persoonen uit het dorp Rutten erom gevraegd te hebben, wendde ik my ten langen laetste tot den ouden Sint Evermaere zelven, met wien ik een liter of twee dronk, om onze kennis nauwe toe te halen. De ouden man nam zynen rol in ernst en ik bekwam welhaest de zekerheid, dat ik er my zou moeten mede getroosten, naer huis te keeren, zonder deze eigenaerdige volksgezangen te kunnen opschryven.”

phoca_thumb_l_rutten_evermarusspielKortom, de Ruttenaren verzwegen hem dat ene Johannes Frisson, over wie voorts niets bekend is, in 1809 de teksten optekende. De eerste jaren van de Franse overheersing was de opvoering van het spel verboden; pas na het concordaat mocht het opnieuw plaatsvinden. Omdat de protagonisten bij het ingaan van het verbod al oud waren, bestond het risico dat wat de overlevende zich herinnerden snel verloren ging. Wellicht liet men daartom Frisson zijn werk doen.

In 1921 stelde de pastoor van Rutten – hij vond de overgeleverde tekst onduidelijk – Frissons handschrift ter beschikking van de letterkundige August Cuppens, pastoor van Loksbergen, om er een eigentijds Sint-Evermarusspel van te maken. De in 1862 geboren Cuppens behoorde tot het toentertijd florerende slag der priester-dichters. Hij onderhield contacten met al wie meetelde in de katholieke literaire wereld (en met priester Danes). Zowel zijn grote voorbeeld Gezelle als de jongeren Hilda Ram, Alice Nahon, Marie Elisa Belpaire en Streuvels verbleven bij hem. Zijn bewondering voor Streuvels’ Lenteleven leverde de priester zelfs een bisschoppelijke berisping op. Later bewerkte Cuppens mee de fusie van de literaire tijdschriften Dietsche Warande en Belfort.

In Rutten tekende Cuppens de zangwijze van het lied van Evermarus en zijn gezellen op uit de mond van de oude Jan Werelds, die al zestig jaar meedeed aan het spel. Volgens musicologen stamt zij uit het gregoriaans zoals men dat op het einde van de middeleeuwen in het Germaanse taalgebied kende. Naast het Frisson-handschrift gebruikte Cuppens een ander Middelnederlands pelgrimslied, waarvan niet zeker is of het verband houdt met Evermarus. Aan de handeling van het spel veranderde de priester niets, maar hij laste een dialoog in tussen Evermarus en Hacco, schreef een voor- en een slotwoord voor de twee wildemannen die traditioneel deel uitmaken van de cast, en introduceerde een koor van acht engelbewaarders. Voor hun lied componeerde de Tongerse toondichter Edmond Jaminé nieuwe muziek.

Evermarus foto 3 - aangepast

De acteurs van het Sint-Evermarusspel stappen ‘s morgens op in de processie. Na het H. Sacrament komen de twee wildemannen, gehuld in en kostuum van (echte- klimopbladeren en met een indrukwekkende knuppel in de hand. Dan volgt het “graf” of reliekschrijn van Sint-Evermarus met de heilige en zijn gezellen. Evermarus draagt een kniebroek, witte kousen en een bruine pij; op zijn lederen kraag zijn grote St.-Jacobsschelpen bevestigd; hij heeft een pelgrimsstaf bij. Na de pelgrims verschijnen hun engelbewaarders. Op korte afstand volgen de als jagers uitgedoste Haccoeren die een bolhoed met linten dragen. Hacco is herkenbaar aan zijn sabel. De Haccoeren rijden op feestelijk opgeschikte trek- of rijpaarden.

In de vroege namiddag nodigt een der wildemannen de toeschouwers uit om het mysteriespel bij te wonen. Onder het zingen van een klaaglied trekken Evermarus en de pelgrims, gevolgd door hun engelbewaarders, rond de Heilige Weide Zij scharen zich om de miraculeuze bron en lopen dan naar de groep van acht bomen die men de “Rings” noemt en waar de handeling plaatsvindt.

Delcampe.net

Onder elke boom gaat een pelgrim liggen. Dan duiken de Haccoeren op en galopperen driemaal in wilde vaart om de wei. Vervolgens rijden Hacco en de hoofdmannen er binnen, draven driemaal om de kapel en stijgen vaf om de pelgrims te zoeken. Na een dialoog tussen Hacco en Evermarus zeggen de pelgrims hun laatste gebed en worden vermoord; alleen de jongste ontsnapt. Terwijl de tweede wildeman de toeschouwers dankt, volgen Hacco en de hoofdmannen de ontsnapte bedevaarder naar de nabije, heuvelachtige “Zwarte Wei” waar een spectaculair stokkengevecht plaatsvindt. Ten slotte schiet Hacco de pelgrim neer met zijn pistool.

[Literatuur] De priester, de papenvreter en hun plakboek.

 

antwerpen_sintandrieskerk_14__normal

Interieur van de Antwerpse Sint-Andrieskerk met de preekstoel vanwaar pastoor Visschers zijn parochianen toesprak (a).

Van acteurs en zangers is bekend dat zij recensies verzamelen in plakboeken. Het Letterenhuis bezit er heel wat. Maar in het verleden gingen ook schrijvers met schaar en lijmkwast aan het werk om hun publieke imago uit te knippen en op te plakken. Er is overigens geen wet van Meden en Perzen die bepaalt dat plakboeken alleen knipsels mogen bevatten. Sommige bevatten ook brieven en/of foto’s. Het zijn, zo men wil, hybride pakboeken.

De Antwerpse priester Pieter-Jozef Visschers (1804-1861), een productief auteur van religieuze en stichtende werkjes, vertelde heiligenlevens na en pleegde gelegenheidspoëzie bij plechtige communies, priesterwijdingen en jubilea.

VisschersDeBraekeleer

Pieter-Jozef Visschers.

Het uitgebreide netwerk van Visschers valt te reconstrueren aan de hand van zijn Brievenboek, een groot (42 x 27 cm.) in leer gebonden album, waarvan hij 316 pagina’s gebruikte. De priester plakte er de brieven in van zijn belangrijkste correspondenten uit kerkelijke, historische en literaire kringen. Bovendien transcribeerde hij (behalve op het einde) elk epistel in zijn eigen, duidelijke handschrift.

Uit heel ander hout was de liberale scheepsmakelaar, politicus, filantroop en toneelschrijver Frans Gittens (1842-1911) gesneden. Maar ook Gittens maakte voor zichzelf en het nageslacht een indrukwekkend plakboek. Het is ongeveer even groot als dat van de priester, maar ziet er met zijn linnen band bescheidener uit (al prijkt op de rug een etiket met in vergulde letters: ‘Souvenirs / Fr. Gittens’). Gittens verzamelde hoofdzakelijk krantenknipsels van en over zichzelf, maar laste ook affiches en een occasionele brief in.

Pastoor Visschers koesterde een levendige belangstelling voor de letteren – men veronderstelt dat hij hielp bij de ‘zuivering’ van Conscience’s Leeuw van Vlaenderen – en voor de geschiedenis. Of beter, voor historische monumenten. Hij was een antiquarian of liefhebber van oudheden (er bestaat geen accurate vertaling van de Engelse term).

Gittens3

Frans Gittens (foto Letterenhuis).

Hiermee bedoelt men de erudiete lieden die zich vanaf de 16de eeuw bezighielden met het verzamelen en bestuderen van ‘oude’ spullen, vaak Romeinse munten en cameeën, waarvan bijv. Rubens en zijn vriend Nicholaas Rockox er veel bezaten. Stilaan kregen de antiquarians ook interesse tonen voor vondsten uit ‘vaderlandse’ bodem en middeleeuwse overblijfselen (gebouwen, meubels, gebruiksvoorwerpen enz.).

Een ‘serieuze’ antiquarian bestudeerde dat alles grondig en publiceerde achteraf zijn bevindingen. In de 18de eeuw werd antiquarianism in Engeland een rage. De antiquarian groeide uit tot een type dat soms het voorwerp werd van spot en satire. Veel ‘filologen’ die begin 19de eeuw middeleeuwse teksten in de volkstaal opspoorden, zoals Jan-Frans Willems, waren niets anders dan ‘literaire’ antiquarians. Ze hadden meer aandacht voor het verzamelen, veiligstellen en bespreken van relieken uit het verleden dan voor het construeren van ‘grote’ historische verhalen.

Petrus Visschers schreef geen fictie – in de eerste helft van de 19de eeuw stond de clerus in Vlaanderen daar huiverig tegenover. Frans Gittens daarentegen, zag geen graten in verzonnen verhalen. Hij gebruikte ze zelfs als middel om geld op te halen voor het goede doel. Zo publiceerde hij (anoniem) de brochure Une Victime du Choléra met een tranerig verhaal. De opbrengst was bestemd voor steun aan families, getroffen door de gevreesde ziekte.

Gittens4

Frans Gittens (foto Letterenhuis).

Visschers beoefende de geschiedenis om haarzelf – al waren apologetische doelstellingen hem niet vreemd. Gittens beminde Clio omdat ze hem de stof leverde, niet zozeer voor verhalen als wel voor toneelstukken. Het was immers als dramatisch auteur dat de scheepsmakelaar succes oogstten. In 1843 werd Visschers pastoor van de Antwerpse Sint-Andriesparochie (eerder werkte hij in Heist-op-den-Berg).

Hij publiceerde oudheidkundige werkjes over grafzerken van leden van Antwerpse families in Rome, maar ook over zijn eigen kerk, zoals bijv. Aenteekening nopens het eergraf van Barbare Moubray en Elisabeth Curle, staetsdamen van […] Maria Stuart in St.-Andries kerk […] (1857).

Veel brieven in Visschers’ dagboek zijn dankbetuigingen van mensen die hij bedacht met een exemplaar van een of andere brochure.

Frans Gittens was, net als Visschers, Vlaamsgezind, maar hij leerde pas fatsoenlijk Nederlands op zijn 27ste. Zijn vader was een Engelsman, zijn moeder Waalse. Tijdens zijn leerjaren bereisde hij Europa en leverde artikelenreeksen over o.m. Engeland en Zweden aan de Franstalige liberale krant Le Précurseur. Onder het pseudoniem Dick O’The Flannel schreef hij ook verhalen voor het dagblad. Zijn artikels kwamen allemaal in het plakboek. De brieven die Gittens over zijn novellen kreeg van Conscience, aan wie hij er een opdroeg, liet hij in een exemplaar van hun uitgave in boekvorm (1870) binden.

300px-De_RamMechelen Mapt

P.F.X. de Ram (foto Mechelen Mapt).

Het album van pastoor Visschers bevat 161 brieven van sommiteiten als diezelfde Conscience, Jan-Frans Willems, Ferdinand Augustijn Snellaert, politicus Pierre De Decker provinciegouverneur Teichmann, rector P.F.X. de Ram van de universiteit van Leuven en andere figuren uit het intellectuele leven. De Antwerpse geschiedschrijvers Frederik Verachter en Pieter Génard ontbreken evenmin.

Voorts zijn er brieven van en over de Académie Royale d’Archéologie de Belgique (een Antwerpse vereniging) en de Commissie voor de Graf- en Gedenkschriften van de Provincie Antwerpen, waarvan de priester lid was.

Visschers stierf anderhalf decennium voor Gittens doorbrak met het antiklerikale historisch drama ‘in 8 [!] Bedrijven’ De Geuzen. Het stuk  ging op 24 februari 1875 in première in de ‘Schouwburg van Antwerpen’. De schrijver, maar ook het nieuwe stadsbestuur en zijn aanhang vereenzelvigden zichzelf met de 16de-eeuwe opstandelingen.

scannen0003

De Vlaamse Schouwburg aan de Kipdorpvest, oude prentbriefkaart (a).

De katholieke pers gewaagde met veel tremolo’s van geschiedenisvervalsing. De liberale ‘dagbladschrijvers’ konden hun vreugde niet op. Zij maakten De Geuzen tot een groot succes. Gittens plakte alle recensies in.

In 1883 kreeg de scheepsmakelaar de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Toneel voor zijn stuk Jane Shore over de minnares van de Engelse koning Edward IV. Inspiratie putte hij uit het stuk Edward IV van Thomas Heywood (1600) en misschien ook uit Richard III van Shakespeare, waarin Jane ter sprak komt.

1791_siddons_sarah

Sarah Siddons als Jane Shore in het stuk van Thomas Heywood (a).

Nog meer bijval genoot De Maire van Antwerpen (1891). De auteur voert burgemeester Jan Steven Werbrouck ten tonele die onder Napoleon wegens fraude in de gevangenis belandde.

Hij stelt Werbrouck voor als een ‘Vlaams’ slachtoffer van Franse willekeur. Het stuk dankte zijn populariteit ook aan het komische personage van de ‘dichter, muzikant en stadsbediende’ Van Blek, vertolkt door de gevierde acteur Hubert Laroche.

In de pers brak een kleine rel uit: de Franse consul woonde de creatie van De Maire bij; enkele lieden die het stuk een aanval tegen Frankrijk vonden, eisten dat hij naar Parijs werd teruggeroepen (wat niet gebeurde). Gittens liet niet na een en ander in zijn album te documenteren. Hij was trouwens niet te beroerd om ook ronduit slechte kritieken voor het nageslacht te bewaren.

In 1887 componeerde Edward Keurvels muziek bij Gittens’ libretto Parisina. Later schreef Emile Wambach de partituur voor Melusina. Beide zangspelen werden opgevoerd door het Nederlandsch Lyrisch Tooneel – de allereerste voorloper van de Vlaamse Opera. Beide muziekdrama’s leverden een pak knipsels op.

Gittens1

Frans Gittens, poserend à la Hamlet met een schedel (foto Letterenhuis).

Gittens, met enige zin voor overdrijving ‘de Antwerpsche Shakespeare’ genoemd, bemoeide zich als gemeenteraadslid – hij zetelde sinds 1879 namens de Liberale Vlaamsche Bond – met de heraanleg van de kaaien na de rectificatie van 1885. Hij bedacht de ‘wandelterrassen’ langs de stroom. Ook was hij een van de gangmakers van de Wereldtentoonstelling van 1885.

Jammer genoeg plakte hij hierover weinig of niets in. Stond het te ver af van zijn literair werk?

De filantropische ingesteldheid van de schrijver blijkt uit de stichting in 1867 van de kinderkribbe Marie-Henriëtte voor arbeiderskinderen. Het ging om een particulier initiatief, gefinancierd door leden van de liberale haute bourgeoisie.

De kribbe was gevestigd aan de Offerandestraat.  Beschermster was de vrouw van Leopold II, na haar dood opgevolgd door prinses Clémentine. Gittens’ kinderkribbe heeft in het Letterenhuis haar eigen dossier met foto’s en jaarverslagen.

Gittens2

Frans Gittens, zijn vrouw en een onbekende dame op het balkon van het nr. 20 van de Minderbroedersstraat (foto Letterenhuis).

In 1891 schokte Frans Gittens voor de zoveelste keer een deel van zijn medeburgers met het voorstel om op de stedelijke begraafplaats een ‘gebouw tot lijkverbranding’ op te richten.

‘Speelgoed voor ledige hersens’ meende het katholieke Handelsblad. Dit incident kreeg wel een plaatsje in Gittens’ plakboek.

Als vrijmetselaar ijverde de schrijver voor Nederlandstalige zittingen in de loge Les Élèves de Thémis waarvan hij lid was. Maar dat was natuurlijk top secret. Er werd niets over gepubliceerd dat in het album kon.

Frans Gittens eindigde zijn loopbaan als ambtenaar: in 1903 werd hij directeur van de Stadsbibliotheek (thans Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience). Hij richtte een zaaltje in voor bezoekers die kranten wilden lezen en legde de basis voor het Bestendig Dotatiefonds dat sponsors aantrok.

De laatste jaren van zijn leven – hij stierf in 1911 – bewoonde Gittens een appartement op de eerste verdieping van de Minderbroedersstraat 20 waar vandaag het Letterenhuis is gevestigd. Dat bewaart niet alleen zijn album, maar ook het handschrift van o.m. De Geuzen en vele documenten over de schrijver.

Visschers en Gittens – de verschillen tussen beiden springen veel in het oog dan hun overeenkomsten. Maar toch.

In 1849 publiceerde priester zijn Notice sur l’hospice et l’église de St. Julien des Belges à Rome. Bij die gelegenheid stuurde dichter en archivaris Prudens van Duyse hem een gedicht. De autograaf plakte Visschers in zijn album.

Toen zijn vrienden Frans Gittens vierden in 1894 lieten zowel Jef Van de Venne als Emmanuel Hiel een gedicht verschijnen in het blad Vlaamsch en Vrij. Of Gittens de originele handschriften kreeg, is niet duidelijk. Zijn plakboek bevat enkel de gedrukte versie.

 

Verschenen in “Zuuevrij” , berichtenblad van het Letterenhuis, van januari 2016.

 

[Longread] Maria Malibran (1808-1836). Leven en dood van een romantische diva.

Maria_Malabran_by_Henri_Decaisne

Maria Malibran door Henri Decaisne (a).

‘Schoonheid, vernuft en liefde waren de namen / die glommen in haar ogen, gegrift stonden in haar hart en klonken in haar stem. / Driewerf behoorde deze ziel de hemel toe / Ween, o wereld! / En gij, hemelen, ontvang haar nu ook driemaal.’ Deze woorden van de Franse dichter Alphonse de Lamartine staan gebeiteld in de grafzerk van de mezzosopraan Maria Malibran, de eerste grote operadiva van de 19de eeuw.

Sinds 1836 rust de zangeres onder een indrukwekkend mausoleum op het kerkhof van Laken bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk waar de leden van het Belgisch koningshuis begraven worden. Haar hedendaagse evenknie, de Italiaanse Cecilia Bartoli, nam in 2007 bij wijze van eerbetoon een cd op met aria’s die deel uitmaakten van het repertoire van La Malibran, die trouwens ook als rolmodel voor Maria Callas fungeerde.

GrafMalibran

Het mausoleum van Maria Malibran op het kerkhof van Laken (a).

‘La Malibran’, zoals haar bewonderaars haar noemden, had een prachtige stem met een verbazend groot bereik. Ze kon zowel alt- als mezzo- en sopraanpartijen aan. Bovendien deed ze met haar rijzige, slanke verschijning heel wat mannenharten sneller slaan.

Maria de la Felicidad García wordt op 24 maart 1808 geboren – Napoleon zwaait dan als keizer de scepter over Frankrijk – in de Parijse Rue de Condé. Haar vader, de Spanjaard Manuel García, is als tenor verbonden aan het Théâtre des Italiens. Ook haar moeder is operazangeres. Manuel beleeft zijn grootste artistieke triomf bij de feestelijkheden ter gelegenheid van de geboorte van het zoontje van Napoleon, de koning van Rome.

De zanger geniet dan ook de gunst van het hof. Weldra krijgt hij een aanstelling tot kapelmeester van de koning van Napels. Dat is Joachim Murat, een gewezen Franse legermaarschalk die als een soort vazalkoning heerst over uitgestrekte territoria in het zuiden van Italië. Samen met zijn vrouw treedt Manuel ook geregeld op in de San Carlo-opera. In Napels sluit de zanger vriendschap met de jonge componist Giacomo Rossini (1792-1868). De kinderen García, Maria en Manuel Jr., krijgen muzieklessen van de pianist Héron en de toondichter Panseron.

Manuel%20Garcia

De Spaanse tenor en componist Manuel Garcia, vader van Maria Malibran (a).

In 1815 komt er een eind aan het Franse keizerrijk. Ook Murat verliest zijn troon. Kapelmeester García reist met zijn gezin naar Rome. Rossini vergezelt hen. De toondichter geeft zijn vriend er de rol van graaf Almaviva in de wereldcreatie van zijn Barbieri di Sevilla.

Ondanks dat éclatante succes keert García het jaar daarop met zijn gezin terug naar Parijs. Hij vestigt zich als zangpedagoog en vormt heel wat latere sterren. Tussen de bedrijven door vindt hij de tijd voor een verblijf in Londen. Maria gaat mee; voor enkele maanden wordt ze ondergebracht in een katholieke een kostschool in Hammersmith waar ze alvast de basis van het Engels oppikt.

Met de zanglessen die Manuel vanaf 1818 of 1819 aan zijn dochter geeft, wil het niet bijzonder vlotten. Maria’s stem ontwikkelt zich vrij onvoorspelbaar. Bovendien heeft de tiener heeft een even groot ego als haar pa. Dat belet Manuel echter niet om zijn nieuwe zangpedagogische inzichten op haar uit te proberen.

Ego

Manuel wil dat zangers rechtop staan met hun handen op hun rug om ‘de borst te ontwikkelen en hun stem goed voor zich uit te laten klinken’. Waarschijnlijk begint Maria’s opleiding met langzame mesa di voce-oefeningen, gevolgd door steeds zwaarder en ingewikkelder oefeningen met toonladders en arpeggio’s en tenslotte uitgebreide vocalises.

García leert zijn dochter ook improviseren en haar partijen versieren, essentieel is voor het belcanto.

rossini

Giacomo Rossini op gevorderde leeftijd (a).

Op een dag lopen de componist Ferdinando Paer en een vriend voorbij het appartement van de Garcia’s. Plots horen ze een luide gil. ‘Maak je geen zorgen,’ zegt Paer, ‘dat is García die zijn dochter slaat zodat ze een triller produceert.’

Papa Manuel is echter niet de enige talentrijke tenor in de Franse hoofdstad. Hij krijgt concurrentie van de Italianen Donzelli en Rubini. Wanneer men hem een engagement aanbiedt om in de Londense King’s Opera op te treden in werk van Rossini, maakt hij van de nood een deugd en vertrekt.

Zijn succes op de planken (en in de salons van de Londense aristocratie) biedt meteen ook de kans om Maria’s carrière te lanceren. In 1824 debuteert ze tijdens een concert met haar vader en enkele gevestigde zangeressen. Ze voeren een cantate uit die speciaal gecomponeerd is n.a.v. de dood van de bekende en beruchte dichter Lord Byron in Griekenland. Geen spectaculair debuut, maar de toehoorders zijn wel erg te spreken over de stem en de schoonheid van de jonge Maria.

DaPonte

Lorenzo da Ponte (a).

Toch duurt het nog bijna een jaar voor ze echt doorbreekt. Directeur John Ebers van het King’s Theatre heeft de laatste grote Italiaanse castraatzanger, Giambattista Velluti, geëngageerd voor een concert. Velluti staat bekend voor zijn fraaie, hoge stem en briljante zangstijl.

Helaas heeft Ebers ook een sopraan nodig om samen met hem een duet te zingen, maar blijkt geen enkele zangeres de confrontatie met de Italiaanse vedette aan te durven. Tot Manuel dochter Maria naar voor schuift – zij is van niets of niemand bang, verzekert hij. En hij kan het weten..

De grote avond breekt aan. Het publiek luistert ademloos wanneer Velluti uitpakt met zijn canto fiorito – nuances, modulaties, vocalises en andere effecten waarmee hij de partituur van de zangstukken versiert.

Maria houdt intussen het hoofd koel en wanneer ze met de castraat het duet uit Romeo en Julia van Zingarelli inzet, doet ze dat met nog meer effecten dan hij. De Italiaan is woedend, maar de toehoorders gaan uit hun bol.

Pasta

Ebers biedt Maria stante pede een contract aan om Rosina in de Barbier van Rossini te zingen. Volgens een andere versie van het verhaal is Maria lid van het koor en krijgt ze de kans om te schitteren pas wanneer sopraan Giuditta Pasta (!) ziek wordt en vader Manuel van de gelegenheid gebruikt om haar als invalster naar voor te schuiven.

GrafDaPonte

Het graf van Lorenzo da Ponte in New York (a).

De opera trekt in ieder geval zes weken lang volle zalen. Elke opvoering maakt Maria populairder. Ook wanneer ze met het eigen gezelschap van haar vader voorstellingen geeft van Il Crociato en Egitto van Giacomo Meyerbeer in Londen, Manchester en Liverpool, scheert ze hoge toppen.

In Liverpool schepen de García’s en hun troep in voor New York. Ze zijn uitgenodigd door de directeur van het Park Theater. Dat wordt gefinancierd door de steenrijke operaliefhebber en wijnhandelaar Dominick Lynch.

Hij wil de Italiaanse opera in Amerika introduceren. Tot zijn kring behoort trouwens de librettist van enkele grote Mozartopera’s, Lorenzo de Ponte. Da Ponte.  Da Ponte woont al sinds 1805 in de Verenigde Staten.

Barbier

Een eerste opvoering van Il Barbiere de Sevilla brengt drieduizend dollar op – voor die tijd een enorm bedrag. Weldra volgen nog andere opera’s van Rossini, Zingarella, twee van Maria’s vader en tot slot Mozarts Don Giovanni – wat tekstschrijver Da Ponte veel plezier doet.

Intussen blijven er spanningen tussen Maria en haar tirannieke vader, die nu natuurlijk ook haar werkgever is. Volgens sommige bronnen is dat de reden waarom ze in 1826 instemt met een huwelijk met de veel oudere bankier Eugène Malibran (1781-1836). Malibran is een Fransman, maar woont en werkt in New York. Naar verluidt, belooft hij Maria’s vader 100.000 frank hebben in ruil voor diens instemming met het huwelijk.

Pauline Viardot depicted in an 1844 painting by Karl Bryullov.

Pauline Viardot door Karl Bryullov, 1844 (a).

Of de relatie tussen Eugène en Maria gelukkig is, valt te betwijfelen, maar Malibran leert zijn jonge bruid in ieder geval zwemmen en paardrijden. Vooral dat laatste wordt, naast zingen, haar grote passie. Vader Manuel en zijn operagezelschap zijn intussen naar Veracruz in Mexico vertrokken voor een nieuwe tournee. Maria blijft nog een seizoen in New York.

Dat is maar goed ook, want plots blijken de zaken van Eugène slecht gaan en vraagt hij het faillissement aan. Zijn vrouw wordt zo de enige kostwinner.

Gelukkig blijft het New Yorkse publiek Maria trouw. Haar populariteit wordt in de hand gewerkt door het feit dat ze Engels kent en niet te beroerd is om ook in die taal te zingen.

Ze stelt inderhaast een eigen gezelschap samen waarmee ze het Bowery Theatre bespeelt. ‘s Zondags luistert ze ook nog eens kerkdiensten op – voor haar natuurlijk een koud kunstje.

Maar omdat het publiek van het Bowery Theatre vooral het lichtere repertoire wil horen – in 1827 treedt Maria op in Love in a Village van de nog altijd erg populaire Engelse componist Thomas Arne (1710-1788) – voelt ze zich artistiek niet voldoende uitgedaagd.

Ondanks het protest van haar man besluit Maria naar Europa terug te keren.

Maria Malibran als Desdemona door François Bouchot (Louvre).

Onderweg heeft de zangeres last van zeeziekte en tijdens een hevige storm breekt een mast van het schip. Maar ze bereikt heelhuids Le Havre.

In Parijs trekt ze in bij haar twee schoonzussen met wie ze goed bevriend raakt. Maar in een brief aan haar man beklaagt Maria zich wel over het feit dat ze haar in zijn opdracht bespioneren.

Dankzij een oude vriend van Manuel treedt ze op tijdens benefietconcerten – goed voor haar reputatie.

Ze geeft ook recitals bij een vriendin die in haar salon Rossini en schrijvers als Balzac, George Sand en Prosper Mérimée ontvangt. Zo raakt de mezzosopraan bekend in de toonaangevende artistieke middens van de hoofdstad.

Op 14 januari 1828 debuteert Maria in de Opéra tijdens een benefietconcert ten voordele van de bas Galli. Ze zingt de titelrol in een fragment uit Sémiramide van Rossini en een bedrijf uit Romeo en Julia, samen met de alt Benedetta Pisarini en de Duitse sopraan Henriette Sontag.

In het begin is de zangeres nerveus en presteert slecht. Het publiek blijft onverschillig. Maar naarmate haar zelfvertrouwen terugkeert, worden Maria’s uitzonderlijke kwaliteiten als zangeres duidelijk.

Charles-Auguste de Bériot door Charles Baugniet (a).

De Franstalige Belgische muziekhistoricus en componist François-Joseph Fétis zit in de zaal en legt nadien zijn indrukken vast: ‘Het publiek raakte in haar ban en kille afwijzing maakte plaats voor ongebreidelde geestdrift’.

Een contract met de Opéra wijst Maria af, maar tegen de 75.000 frank die het Théâtre des Italiens biedt, zegt ze geen nee, ook al omdat haar broer Manuel daar in dienst komt.

Behalve in Sémiramide treedt ze er op in de Othello van Rossini en in zijn nog steeds erg populaire La Cenerentola (Assepoester).

‘La Malibran’, zoals ze voortaan genoemd wordt, groeit uit tot een ster van de eerste orde. Intussen is haar relatie met haar echtgenoot sterk bekoeld. Maria onderneemt pogingen om te scheiden en doet daarvoor zelfs een beroep op haar goede vriend, de militair en politicus  markies De La Fayette, een oudgediende van de Amerikaanse vrijheidsstrijd.

In 1829 onderneemt Maria een tournee die haar naar Londen en naar Brussel brengt. Op de terugweg stapt ze af in Chimay in Henegouwen. Daar treedt ze op in het prachtige privétheater in het kasteel van de prinsen.

Bériot

Ze ontmoet er de befaamde Charles de Bériot (1802-1870) die zich sinds enige tijd eerste violist van de koning der Nederlanden mag noemen. Die koning is Willem I, sinds Waterloo heerser over het huidige België en Nederland.

De Bériot, in 1802 geboren in Leuven, begint zijn loopbaan als wonderkind. Op zijn negende speelt hij in een concertzaal een van de moeilijkse solo’s van de Italiaanse componist Giovanni-Baptista Viotti (1755-1824).

Hij krijgt les van de Leuvense vioolleraar Tibi en studeert vanaf zijn twaalfde in Parijs. Nadien keert hij terug naar Leuven, maar als 21-jarige vertrekt hij opnieuw naar de Franse hoofdstad waar hij zich laat horen in de salons van de aristocratie. In 1822 geeft hij zijn eerste publieke concert.

John MacVicar Anderson

Gezicht op de Theems in Londen door John MacVicar Anderson (a).

Weldra bouwt De Bériot een repertoire uit met bewerkingen van aria’s van Rossini, zeer tot tevredenheid van de componist. Vanaf 1824 is hij actief in Londen, waar hij een prominente rol speelt in het concertleven.

Tussen de zangeres en de violist is het liefde op het eerste gezicht. Als volbloed romantici worden ze heel gauw minnaars.

Alternatief relaas

Allicht is dat de reden waarom Fétis enkele decennia later in zijn officiële levensbeschrijving van De Bériot in de Biographie Nationale van de Belgische Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten een ander verhaal opdist over hun eerste ontmoeting.

266px-Francois_joseph_fetis

De Belgische muziekhistoricus François-Joseph Fétis (a).

Volgens Fétis leren Charles-Auguste de Bériot en Maria Malibran elkaar door zijn toedoen kennen in Londen. Tijdens een studiereis naar Engeland verbleef Fétis in hetzelfde hotel als de violist. En die wilde, aldus de muziekhistoricus, samen met een beroemde zangeres een concert geven. Hij dacht meerbepaald aan Maria en omdat die een bekende van Fétis was, vroeg hij die om te bemiddelen.

‘Als vriend van haar vader had ik haar zien geboren worden,’ schrijft Fétis, ‘en hij [De Bériot] vroeg me om van haar de belofte te krijgen dat ze aan het concert zou deelnemen. […] Tijdens dat concert ontstond bij beide musici en wederzijdse affectie, die later bevestigd werd door een huwelijk waaraan de dood – helaas! – te vroeg een einde maakte.’

Een elegante manier om een affaire, een buitenechtelijk kind en een echtscheiding voor het preutse Belgische publiek te verzwijgen!

Tussen een tournee in Italië en een reis naar Londen bevalt Maria van een zoon, Charles-Wilfrid de Bériot die later een uitstekend pianist wordt en lesgeeft aan de componisten Granados en Ravel.

fayette

De Franse generaal en staatsman markies De la Fayette in zijn glorietijd (a).

Een rem op haar carrière zet het moederschap alvast niet: in 1834 en het jaar daarop is La Malibran alweer in Italië waar ze in de grootste operahuizen optreedt. In Napels hoort ze dat een Parijse rechtbank eindelijk haar echtscheiding heeft uitgesproken.

Enkele maanden later trouwt ze in de Franse hoofdstad met De Bériot. Felix Mendelsshohn componeert speciaal voor de gelegenheid een aria voor sopraan met vioolbegeleiding.

Intussen is Manuel García overleden. De laatste jaren van zijn leven heeft hij zich toegelegd op zanglessen aan Maria’s zestien jaar jongere zusje Pauline (1821-1910).

Het echtpaar De Bériot – Maria blijft de naam Malibran gebruiken – vestigt zich in Sint-Gillis in de nog landelijke omgeving van Brussel en wat later in Elsene waar De Bériot door architect Charles Vanderstraeten een landhuis laat bouwen (thans gemeentehuis aan het Fernand Cocqplein).

La Milibran is zo beroemd, dat haar verhuizing naar de ietwat provinciale hoofdstad van het jonge koninkrijk België haar carrière evenmin schaadt. Maar ze moet natuurlijk wel veel op reis.

Enkele maanden na haar huwelijk is ze alweer in Londen.

HuisBériot

Het landhuis van De Bériot en Maria Malibran in Elsene (a).

Op 5 juli 1836 maakt Maria met vrienden een rijtochtje in Regent’s Park. Haar paard slaat op hol. Maria schreeuwt om hulp. Een politieman die toevallig voorbijkomt, ziet wat er aan de hand is en slaagt erin de teugel te grijpen zodat het paard stopt.

Maar de zangeres wordt eraf geslingerd en komt tegen een houten paal terecht. Ondanks haar verwondingen en de pijn die ze lijdt, weigert ze haar engagementen in het bekende theater aan Drury Lane af te zeggen. Ze treedt er nog vijf avonden op, toegejuicht door een publiek dat nu zich nu ook door haar moed en toewijding laat charmeren.

Dood in Manchester

Twee maand later is Maria Malibran in Manchester voor een festival. Hoewel ze zich nog altijd beroerd voelt, geeft ze op 13 en 14 september een concert. Sommigen beweren zelfs dat ze krukken nodig heeft om overeind te blijven.

louis-haghe-1850-lg-folio-antique-print.-town-hall-brussels-belgium-[2]-92889-p

De Grote Markt van Brussel door Louis Haghe (a).

Maar ze blijft zich gedragen als de primadonna die ze is. De avond van 14 september zingt ze samen met haar collega Maria Caradori-Allan (1800-1865) een duet uit Andronico van Mercadante. De twee zangeressen gaan tot het uiterste om elkaar te overtroeven en, zoals verwacht, eisen de enthousiaste toehoorders een encore.

Aan dirigent Sir George Smart zegt Maria: ‘Als ik nu nog zing, ben ik dood’. ‘Doe het dan niet,’ antwoordt de ongeruste orkestleider. ‘Ik denk er niet aan, ik zing haar van de scène,’ repliceert de diva.

De volgende morgen laat Maria zich naar de kerk brengen waar ze een recital moet geven, maar daar geraakt ze niet. Haar entourage brengt haar terug naar haar hotel. Daar raakt ze in een coma en overlijdt om 23 u. 35 op 23 september 1836, vermoedelijk ten gevolge van een bloedklonter in de hersenen.

Pauline_Viardot_by_Timoleon_von_Neff

Pauline Viardot, geportretteerd door Timoleon von Neff (a).

De Bériot trekt zich enkele jaren uit het muziekleven terug, maar onderneemt dan een lange tournee door Duitsland en Oostenrijk. In 1840 hertrouwt hij met de Oostenrijkse Maria Hueber.

Drie jaar later krijgt hij een aanstelling tot hoofddocent viool aan het Conservatorium van Brussel. Hij legt er de basis voor wat de geschiedenis ingaat als de ‘Frans-Belgische’ vioolschool.

Hij schrijft een tiental vioolconcerti en een heleboel ‘kleiner’ werk. Vanaf 1858 gaan zijn ogen sterk achteruit en in 1858 wordt hij volledig blind. Maar dat belet hem niet om voort te componeren. Hij overlijdt in 1870 op achtenzestigjarige leeftijd in zijn geboortestad Leuven en wordt in Laken naast Maria begraven.

Maria’s zus Pauline die lange tijd gedroomd heeft van een carrière als pianiste debuteert als zangeres met een concert in Brussel. Het jaar daarop staat ze voor het eerst op de planken in Londen.

Pauline Viardot raakt bevriend met de schrijfster George Sand en beleeft een decennialange passionele aanuit relatie met de Russische romancier Ivan Toergenjew. In tegenstelling tot Maria wordt ze stokoud worden en beleeft de dageraad van de 20ste eeuw.

2015 herzien

De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2015 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2015 ongeveer 49.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 18 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

[Column] De Geur van oude Boeken of Lof van het Antiquariaat

boekenfoto

Boeken hebben vandaag een korte levensduur. Schrijvers daarentegen, worden steeds ouder – ik merk het elke dag. Beide factoren dragen bij tot mijn liefde voor antiquariaten. In een antiquariaat staat de tijd stil. Boeken wachten er op hun volgend leven zoals katten, knipogend in hun mand bij de centrale verwarming.

Het eerste antiquariaat dat ik mij herinner – en waar ik zelf nooit een voet heb binnengezet – was medio jaren 1960 gevestigd op de hoek van de Antwerpse Jan Blomstraat en het Papenstraatje, tussen de Groenplaats en de Handschoenmarkt. In de etalage hingen handgekleurde kaarten zoals je die ook zag in het onvolprezen Museum Plantin-Moretus.

Voor de lezer – ik versta daaronder: de veelvraat, de die hard die klappertandt zodra hij niet meer omsingeld wordt door vijf stapels wachtende lectuur – worden antiquariaten meer en meer een noodzaak.

Handelaars in nieuwe boeken moeten hun waar zo snel mogelijk de deur uit werken. Daarom leggen ze een zeker conformisme aan de dag, hoe onafhankelijk, progressief enz. ze ook mogen zijn. Ze moeten hun boterham verdienen en hun personeel betalen. Ik heb daar alle begrip voor. Maar ik die in feite alles ben, behalve een reiziger of avonturier, hou van snuisteren op planken vol onvoorzienbare en onverwachte boekdelen.

Hoe ouder een lezer, hoe meer ervaring hij heeft. En hoe kieskeuriger hij wordt. Les lecteurs, c’est comme les cochons, plus que cela devient vieux, plus que cela devient difficile om Jacques Brel te parafraseren. Wat ik vandaag wil lezen, is moeilijker te vinden dan wat zeg maar twintig jaar geleden mijn begeerte opwekte.

Alle openbare, erfgoed- en wetenschappelijke bibliotheken ten spijt, wekken boeken bij mij de lust op ze te bezitten, te doorbladeren wanneer ik wil en ze in de kast te zetten om naar hun rug te kijken, ook al is die onaanzienlijk. Ik kus de ruggen van mijn boeken niet zoals Félix de Vandenesse de rug van Madame de Mortsauf kust op het bal in Le Lys dans la Vallée van Balzac. Maar toch.

Lange jaren dacht ik dat het lezen van roman na roman van mij een slimmer en adequater mens maakte. Of iemand dat ooit aan me gemerkt heeft, blijft wel de vraag. Maar mijn hang naar geschiedenis – het vak dat ik dertig jaar geleden heb gestudeerd – wordt almaar groter, al merk ik dat ik aan historische boeken nauwelijks minder stringente stilistische eisen stel dan aan zogeheten bellettrie.

Rommelige, omslachtige, overbodige en slecht geformuleerde teksten verdraag ik niet. Soms leg ik een interessant boek opzij omdat de vertaling (vaak een Hollandse vertaling uit het Duits) te schonkig is. Grote historici schrijven even helder als Voltaire of Stendhal (ziedaar mijn probleem met Huizinga – bijwijlen te wollig).

Van vuistdikke studies vol grafieken over economische geschiedenis lees ik alleen de conclusies; de lectuur van wie mij in hoofdstuk 1 met teveel sociologische concepten om de oren slaat, stel ik zolang uit dat ik er niet meer aan denk. Feiten wil ik, feiten en een goed geschreven interpretatie waarmee ik het dan volmondig eens of grondig oneens zijn kan. Of die mij doet twijfelen – naar verluidt het begin van alle wijsheid (en ook het einde, natuurlijk).

Bij voorkeur ingebonden en voor weinig geld. Dat laatste dreigt een probleem te worden, want ook handelaars in tweedehandse boeken moeten van hun negotie leven. Maar goed, zij zorgen voor uren snuisterplezier en de unieke geur (het woord ‘parfum’ klopt aan) van veel samengedrukt oud papier. Dat is een vorm van dienstverlening die wel iets mag kosten, denk ik dan.

Lastig dat zich op loopafstand van mijn werkplek (een archief en dus zelfs een verzamelplaats van alles wat vergeelt en verzuurt) twee uitstekende antiquariaten bevinden: één waarvan de eigenaar zich vooral toelegt op de fraaie letteren en een ander, waar ongeveer de helft van de zeer ruime bovenverdieping aan historie is gewijd.

Gelukkig zijn er middagpauzes dat ik kalm blijf en mij beperk tot een kop met de hand en een keteltje warm water gezette Ethiopische koffie in het koffiehuis aan de overkant. Die heeft mij al voor veel impulsaankopen een straat verder behoed.

 

 

 

 

[Column] Achtenvijftig

11203067_667665120030755_7420229521284943362_n

Ik heb mezelf nooit voor een nederig mens gehouden. Openlijk beleden nederigheid is zelden iets anders dan geraffineerde hypocrisie.

Dat heb ik al lang door.

Maar nu ik de zestig nader, worden mij ook een andere dingen duidelijk. Dat mensen zelden zeggen wat ze denken, maar – om het moeilijk te maken – ook niet precies het tegenovergestelde. Weten doe ik dat sinds ik mijn eerste boek voor grote mensen las, maar nu pas lijkt die kennis me ook echt eigen te zijn geworden.

Vroeger kende ik paranoïde momenten; vandaag is een kalm, voortdurend wantrouwen mijn deel. Vrolijk word ik daar niet van, maar zoals ik mezelf onlangs tegen een erg verstandige collega hoorde zeggen: “Nu we wat ouder zijn, hoeven we niet zoveel meer na te denken – dat is het voorrecht van intelligente mensen”.

Soms sta ik van mijn eigen scherpzinnigheid versteld. Nog iets dat mij op jongere leeftijd nooit overkwam – ik had altijd de indruk dat ik de pointe had gemist en mijn gesprekspartners deelachtig waren aan een hogere waarheid waar ik niet zou achter komen.

Maar dat is dus niet zo – het zijn gewoon huichelaars en liegebeesten. Ze behartigen bij voortduring belangen – vaak zelfs niet de hunne, o paradox! – of hebben nog meer schrik van mij dan omgekeerd (ik ben echt niet angstaanjagend).

Wat, met permissie gezegd, een kloterij. Bijna zes decennia duurt het voor je het door hebt; bovendien komt met het inzicht ook de zekerheid dat er niets aan te doen is. Dat je, met wat geluk, nog twintig jaar met de flauwekul van je medestervelingen je tijd zult verliezen.

Gelukkig biedt het leven van een bijna zestigjarige ook troost. Als hij een zwarte hoed draagt, zoals ik, en pijp rookt, wordt hij op straat door jonge vrouwen occasioneel vriendelijker toegelachen dan ooit het geval was toen het naïeve hart in zijn borst nog sneller sloeg.

[Muziekgeschiedenis / Long read ] Grétry en Gossec – een Franse carrière voor “Belgische” componisten

Naast Londen en vooral Wenen is Parijs op het eind van de 18de eeuw de muzikale hoofdstad van Europa. De allerrijksten houden er privéorkesten op na. Edellieden huren een loge in de Académie royale de Musique – de opera – of in het Théâtre des Italiens waar men lichtvoetige zangspelen op de planken brengt. Wie zelf met zijn talent wil uitpakken, speelt als amateur bij een concertvereniging. Twee van de voornaamste componisten in het Parijse muzikale pantheon, vòòr, tijdens en zelfs na de Franse Revolutie, zijn ‘Belgen’ – François-Joseph Gossec uit Henegouwen en André Ernest Modeste Grétry uit Luik.

François-Joseph Gossec wordt in 1735 als boerenzoon geboren in het plaatsje Vergnies, dat op dat ogenblik deel uitmaakt van het Franse grondgebied. Volgens de legende geeft de kleine Gossec al vroeg blijk van grote muzikale begaafdheid en zou hij als kleuter van een van zijn klompen een heuse viool hebben gemaakt. Se non è vero… Zijn eerste muzikale vorming als koorknaapje krijgt hij in de Sint-Adelgondiskerk in het nabije Maubeuge. De pastoor van Vergnies zorgt er echter voor dat mag verkassen naar de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal waar zes kinderen een gratis opleiding in de muziek kunnen krijgen.

gossec

François-Joseph Gossec.

Gossecs leraar in de Scheldestad is kapelmeester André-Joseph Blavier, zelf afkomstig uit Luik en in 1737 door de Antwerpse kanunniken aangesteld. Blavier leert Gossec (nog) beter zingen en brengt hem het viool- en klavecimbelspel en de beginselen van het componeren bij. Hij is zo tevreden over de vorderingen van zijn pupil dat hij hem aanbeveelt bij de Franse componist Jean-Philippe Rameau (1683-1764).

Rameau is op zijn vijftigste (!) beroemd geworden met de opera Hippolyte et Aricie (1733) en ontpopt zich de komende jaren tot grote vernieuwer van het genre. ‘U weet nauwelijks wie ik ben,’ schrijft de bescheiden Blavier aan zijn beroemde confrater, ‘maar alleen een meester als u is goed genoeg voor een leerling als hij [Gossec]’.

Het antwoord van Rameau blijkt positief, want de jonge Henegouwer – hij is zeventien – vertrekt naar Parijs. François-Joseph kan er als violist aan de slag in het door Rameau geleide privéorkest van de financier Alexandre Le Riche de la Pouplinière, een van de beste en belangrijkste ensembles van de Franse hoofdstad.

Wanneer Rameau in 1754 opstapt, volgt de Duitser Johann Anton Stamitz (1754-ca. 1809) hem op. Stamitz is lid van een componistenfamilie die vooral actief is in Mannheim. Ook Stamitz oefent een grote invloed uit op Gossec en leert hem alles over de nieuwe symfonische muziek die men sinds kort in Duitsland beoefent.

Symfonieën

Stamitz blijft maar twee jaar; in 1756 wordt Gossec zelf dirigent. Hij blijft het tot aan de dood van zijn werkgever in 1762. In 1756 publiceert François-Joseph zijn eerste zes eigen symfonieën, al duurt het even voor het publiek went aan die energieke ‘hedendaagse’ muziek. Het Franse repertoire is laatbarok en ouderwets – tenminste, dat vinden alle niet-Franse specialisten. Weldra laat Gossec ook strijkkwartetten verschijnen. Intussen is hij getrouwd met een zangeres en krijgt hij een zoon.

CA 247

Jean-Philippe Rameau.

Roem verwerft François-Joseph in 1760 wanneer zijn indrukwekkende Requiem of Missa pro defunctis (‘Mis voor de overledenen’) in de dominicanenkerk aan de Rue Saint Jacques (bekend als de Église des Jacobins) wordt uitgevoerd. Het werk duurt anderhalf uur. Het succes ervan is vooral te danken aan het onheilspellende begin van het deeltje Tuba mirum. De componist heeft de blazers die het Laatste Oordeel aankondigen niet opgesteld bij de rest van het orkest, maar op het doksaal van de kerk.

Bijna een kwarteeuw herinnert hij zich in het muziektijdschrift Revue musicale: ‘Het sombere, verschrikkelijke effect van drie trombones, drie klarinetten, vier trompetten, vier hoorns en acht fagotten die aan het oog onttrokken waren in een hoger deel van de kerk om het Laatste Oordeel aan te kondigen, boezemde vrees in, die op zijn beurt hoorbaar werd gemaakt door het gedempte trillen van de snaren van de strijkers in het orkest.”

Zijn collega François-André Philidor (1726-1795) noemt de dodenmis zonder enige aarzeling een ‘meesterwerk’. Philidor blinkt uit in het genre van de opéra comique of opéra bouffe – lichtvoetige opera waarin de aria’s afwisselen met gesproken dialoog. Het genre is omstreeks 1750 komen overwaaien uit Napels en kent sindsdien groot succes, zowel bij de Parijse componisten als bij hun publiek. Geen wonder dus, dat Philidor de theatrale aanpak van Gossecs Tuba mirum bewondert. Hij is trouwens niet de enige: de komende jaren wordt het een geliefd concertstuk met talrijke uitvoeringen buiten de kerkmuren.

François-Joseph wil intussen zelf ook de operascène veroveren. Hij schrijft een paar komische opera’s en een bloedserieuze tragédie lyrique. Maar hij heeft pech – de concurrentie is te groot en heeft te veel talent in huis.

Opéra comique

Niet alleen Fransen als Philidor en Pierre Alexandre Monsigny (1729-1817) beoefenen met veel succes de opéra comique. Ook Luikenaar André Ernest Modeste Grétry ontpopt zich tot een meester in het genre.

haydn-1

Joseph Haydn.

Grétry is in 1741 geboren als zoon van de violist François Pascal van wie hij ook zijn eerste muziekonderricht. Later wordt hij koorknaap in de Saint-Denisker en studeert zang en viool. Later schrijft hij in zijn Mémoires dat hij er zijn tijd verliest. ‘Als ik in de muziek enige vooruitgang boekte, was dat niet dankzij, maar ondanks mijn leraar.’

Wanneer zijn stem breekt, wordt André Ernest uit het kerkkoor gezet. Bij Nicholas Rennekin, organist van de Saint-Pierre, vervolmaakt hij zich in harmonie en compositie, al krijgt hij de technische finesses van het vak nooit helemaal onder de knie.

In 1759 schrijft de jonge Grétry een mis en krijgt prompt een beurs die hem toelaat aan het Luiks College in Rome te studeren. Hij reist in het gezelschap van een chirurgijn. Hun gids is een oude smokkelaar die ieder jaar de Alpen oversteekt om in Italië Vlaamse kant te slijten.

Franse opera

In Rome volgt Grétry les bij de kapelmeester van de Sint-Jan in Lateranen, maar hij komt vooral onder de indruk van de opera’s van Pergolesi en Piccini.

Een vrijgekomen baantje als kapelmeester in een Luikse kerk volstaat alvast niet om de jonge componist te doen terugkeren. Hij droomt van Parijs en vertrekt alvast naar Bologna. Daar bereidt Padre Martini hem voor op het examen aan de Academie dei Filarmonici.

In 1766 strandt Grétry in Genève waar hij muziekles geeft om het vervolg van zijn tocht te betalen. Hij maakt er kennis met de Franse opera. Zijn eigen Isabelle et Gertrude kent zo’n grote bijval, dat hij besluit te vertrekken.

Onderweg brengt hij in het grensplaatsje Ferney een bezoek aan de beroemde filosoof Voltaire. Die vat sympathie op voor de toondichter en stuurt hem twee libretti achterna. In Parijs komt Grétry in contact met de graaf van Creutz, de zaakgelastigde van Zweden. Creutz biedt hem zijn bescherming aan. De Luikenaar maakt ook kennis met de bekende schrijver Jean-François Marmontel die libretto’s voor zal dichten. Het eerste is een bewerking van een verhaal van Voltaire.

Grétry2

André Ernest Modeste Grétry.

Le Huron gaat in 1768 in première in het Théâtre des Italiens en kent meteen succes. Baron Grimm spreekt van een ‘meesterwerk’ en verklaart Grétry een ‘eersterangs componist’. De gevreesde criticus La Harpe prijst André Ernest omdat hij bewezen heeft dat het Frans geschikt is ‘om er goede muziek bij te schrijven’.

En dat klopt. De toondichter weet de stijl van de opera buffa aan te passen aan de Franse uitspraak en geeft hij het tot dan toe wat stroeve genre op die manier een levendig en expressief karakter.

Vele aria’s van Grétry worden hits, die men tot diep in de 19de eeuw zal blijven zingen. Denk maar aan Où peut-on être mieux (‘Waar kan men beter zijn?) uit Lucile, dat zelfs na de Eerste Wereldoorlog nog behoort tot het repertoire van iedere Belgische fanfare die zichzelf respecteert.

André Ernest treedt niet in dienst bij een mecenas. Hij bouwt een carrière uit als zelfstandig kunstenaar – een relatief nieuw verschijnsel in de tweede helft van de 18de eeuw. Gossec slaat trouwens dezelfde weg in.

Joseph Haydn

Na de dood van Le Riche de La Pouplinière werkt de Henegouwer een poos voor de prins van Conti, lid van de koninklijke familie, en ook voor de prins van Condé, eveneens een Bourbon. Condé resideert in het fraaie kasteel van Chantilly. Maar vanaf 1769 ontpopt François-Joseph zich tot concertorganisator. Hij sticht het Concert des Amateurs, waar professionele muzikanten en goede amateurs uit de hogere kringen samen optreden. Twee edellieden treden op als geldschieters en Gossec neemt de directie waar.

Het Concert des Amateurs groeit uit tot het grootste orkest van Frankrijk en geeft opdrachten aan componisten. Zijn functie biedt Gossec de kans om geregeld eigen composities uit te voeren, maar ook om als eerste op Franse bodem een symfonie van de Oostenrijker Joseph Haydn te programmeren.

ZémireetAzor

Scène uit “Zémire et Azor”, 1775.

Enkele jaren later wordt François-Joseph codirecteur van het Concert Spirituel dat in opdracht van het stadsbestuur van Parijs concerten geeft in de Tuilerieën. Intussen behoort hij tot de vrijmetselarij die vele musici in haar rangen telt. Nogal wat van hen zijn verbonden aan het Concert Spirituel.

Inmiddels timmert André Ernest Grétry verder aan de weg. Een van zijn grootste successen, de opera of ‘comédie-ballet’ Zémire et Azor, vertelt het populaire verhaal van de Schone (Zémire) en het Beest (Azor). La Belle et la Bête is geen volksverhaal, maar een kunstsprookje voor kinderen dat omstreeks 1750 is geschreven door de prinses van Beaumont.

Eens te meer verwerkt Marmontel vooruitstrevende denkbeelden in zijn libretto. Sander, Zémires vader, wil zijn dochter niet aan het monster Azor uitleveren en besluit zich in haar plaats op te offeren. Hij vraagt zijn drie andere dochters, voor wie hij dit voornemen geheim houdt, genoegen te nemen met hun liefde voor elkaar en een ‘vie obscure, honnête et sage’.

De liefde die Zémire opvat voor Azor vindt haar oorsprong niet in seksuele aantrekkingskracht, maar in medelijden en achting voor Azors nobele karakter. Kortom, iemand inborst is belangrijk, niet hoe hij eruitziet.

Zémire et Azor

De creatie van Zémire et Azor vindt op 9 november 1771 plaats aan het hof in Fontainebleau. De dag daarop loopt kroonprinses Marie-Antoinette Grétry en Marmontel in de galerij van het kasteel op het lijf. Aan de componist vertrouwt ze toe dat ze die nacht heeft liggen denken ‘aan het betoverende trio van de vader en de drie zusters van Zémire’. Naar verluidt, omhelst Grétry daarop zijn librettist en verzucht dat de woorden de prinses enkel tot nog meer mooie muziek kunnen inspireren. ‘En tot slechte tekst,’ mompelt de jaloerse Marmontel, tegen wie Marie-Antoinette niets heeft gezegd.

Filosoof en coredacteur van de Encyclopédie Denis Diderot schrijft in zijn recensie dat Grétry voor Frankrijk een ‘Godsgeschenk’ is. De Engelse musicoloog en organist Charles Burney noteert in zijn Reisjournaal:

Marmontel

Jean-François Marmontel.

‘De muziek van deze opera is […] bewonderenswaardig. De ouverture is levendig en effectvol; de symfonische tussenspelen lopen over van nieuwe ideeën en bevatten mooie beelden. De begeleiding is rijk, ingenieus en transparant, wanneer men deze laatste uitdrukking gebruiken mag om te zeggen dat zij de aria’s niet dooddrukt, maar ze integendeel meer reliëf geeft.’

In 1778 krijgt François-Joseph Gossec de leiding van het koor van de Académie royale de Musique, de Parijse opera, en twee jaar later wordt hij zelfs adjunct-directeur. Hij staat mee in voor de uitvoeringen van opera’s van Grétry, Christoph Willibald Gluck en Piccini.

Toch moet hij nog tot 1782 wachten op de productie van zijn eigen (tweede) opera seria, Thésée. Gelukkig is het publiek enthousiast genoeg om het werk een poos op de affiche te houden. In 1784 komt Gossec aan het hoofd van de École royale de Chant, een voorloper van het conservatorium. Enkele jaren eerder heeft hij bij de zwangerschap van koningin Marie-Antoinette een fraai Te Deum geschreven.

Zowel Gossec als Grétry danken hun carrière en hun roem grotendeels aan de Parijse aristocratie. Na het uitbreken van de revolutie in 1789 beleven ze dan ook bange dagen. Lichtvoetige opera’s zijn niet langer aan de orde; de Republiek wil ernstige, krijgshaftige en vaderlandslievende muziek. En dat zal iedereen geweten hebben.

Revolutie

Gossec gooit het roer om. Hij begint aan een nieuwe fase in zijn loopbaan en schrijft instrumentale muziek en koorwerken die tijdens krijgshaftige bijeenkomsten en massaspektakels in de open lucht worden uitgevoerd. Soms integreert hij klokgelui en heuse kanonschoten. Binnen de kortste keren wordt Francçois-Joseph hiermee de ‘officiële’ componist van de revolutie, zoals David haar schilder is.

Bij de dood van de beroemde Mirabeau in 1790 pakt hij uit met een Marche lugubre die dadelijk een paradestuk wordt van het revolutionaire repertoire. Roem en populariteit wachten ook de Hymne à l’Être suprême (het Opperwezen dat de revolutionairen verzinnen om de oude, katholieke God te vervangen) en de muziek voor de apotheose van Voltaire.

GradGossec

Het graf van Gossec op de Parijse begraafplaats Père Lachaise.

De ‘ene en ondeelbare’ Republiek dienen, is niet zonder risico: de muziek die Gossec dirigeert voor een feestelijke herdenking van de executie van Lodewijk XVI klinkt volgens sommigen te melancholisch, alsof de componist de dood van de koning betreurt. Maar het incident heeft, als bij wonder, geen kwalijke gevolgen voor de bejaarde musicus.

Ook Grétry probeert vanaf de jaren 1790 serieuzer werk te componeren, maar echt vlotten wil dat niet. ‘Er komt een leeftijd dat onze hersens alleen nog maar voortborduren op ideeën die wij vroeger hebben opgedaan,’ noteert hij in zijn Mémoires. Toch componeert hij nog heel wat opera’s. Bepaalde aria’s daaruit, zoals Mourons pour la Patrie, kennen succes bij de soldaten van de revolutionaire legers.

ermitage

De Ermitage van J.-J. Rousseau.

De componist is een vermogend man. In Monmorency, even buiten Parijs, koopt hij de Ermitage waar de beroemde filosoof Jean-Jacques Rousseau zijn laatste levensjaren heeft doorgebracht. Grétry, die inmiddels meer dan veertig opera’s op zijn actief heeft, wijdt er zich voortaan uitsluitend aan de schone letteren. Hij stelt zijn leven te boek, schrijft over muziek en waagt zich zelfs aan enkele filosofische werkjes.

De revolutie maakt komaf met de instellingen van het Ancien Régime en stelt nieuwe in de plaats. Voortaan organiseert de staat het onderwijs, ook dat in de kunsten. In 1795 ontstaat het Conservatoire de Musique. Gossec en Grétry worden aangesteld tot inspecteurs, die de kwaliteit van de opleiding moeten bewaken. Hun collega’s zijn Méhul en Luigi Cherubini die de volgende generatie componisten vertegenwoordigen.

Persoonlijke relatie

Over de persoonlijke relatie tussen de ‘Belgen’ Gossec en Grétry is weinig bekend. Ze waren ongetwijfeld elkaars concurrent, maar soms werkten ze samen. En omdat beiden bekend stonden als zeer charmant en beminnelijk is de kans dat ze ook met elkaar opschoten niet denkbeeldig.

Grétry overlijdt in 1813 in Montmorency en wordt begraven op het Parijse kerkhof Père Lachaise. Bij zijn uitvaart voert men het Requiem van Gossec uit. Gossec overleeft Grétry hem tot in 1829. Hij wordt vijfennegentig – voor die tijd een uitzonderlijk hoge ouderdom – en blijft jonge componisten aanmoedigen.

GrétryBiljet

Portret van Grétry op het Belgische 1000 frankbiljet.

‘Juist, jongeman, dàt is het,’ zegt hij hen bij het lezen van hun partituren, waar hij dan meteen aan toevoegt ‘of toch niet helemaal.’ Zo wil het alvast de legende. Wat er ook van zij, het lange leven van François-Joseph slaat de brug tussen de laat barokke Jean-Philippe Rameau en de romantische Giacomo Rossini – op zichzelf een merkwaardig gegeven.

Het jaar dat Gossec sterft, wordt het hart van Grétry (of wat ervan overblijft) naar Luik gebracht, waar men het in 1842 bijzet in de sokkel van zijn gloednieuwe standbeeld bij de opera. Het staat er nog altijd. Aan Gossec herinnert in zijn Henegouwse geboortedorp sinds 1877 een fontein met een bronzen portretbuste.

[Column] Fantomen. Emmanuel De Bom en Clara Gaesch (Antwerpen, 1891-1895).

Panorama

Mensen van wie alleen woorden overblijven, in bruine inkt neergeschreven op vergeeld papier, kunnen na meer dan een eeuw heuse fantomen worden. Al een paar weken voel ik ze, ergens schuin achter me: Clara en Mane.

Om beter naar het huis te kunnen kijken, steek ik de straat over. Het is een onopvallend pand met een etage en een gevel die lang geleden wit werd geverfd. Ik kan mij de gang, waartoe de donkerblauwe voordeur toegang geeft, de trap en de kamers goed voorstellen. In Antwerpen zijn omstreeks de voorlaatste eeuwwisseling een paar duizend van zulke burgershuizen neergepoot.

Hier heeft ze herhaaldelijk een poos gewoond, Clara Gaesch, die in 1894 op haar 29ste stierf in het nabije Stuivenbergziekenhuis. Men begroef Clara op het sindsdien verdwenen Kielkerkhof. Ze kwam uit Köningsberg, nu Kaliningrad en scharrelde haar kostje bijeen als ‘zangeres’ in een café chantant aan het Falconplein in de havenbuurt. Omdat ze een klein percentage kreeg van de prijs van elk glas dat in het café werd geschonken, deelde ze haar bed met de eigenaar van een ander café, die haar daarvoor betaalde.

Een ‘entretenueke’, zoals ze zeggen in mijn stad, een vrouw die zich liet onderhouden.

De cafébaas verwekte bij haar een zoontje dat ze uitbesteedde bij de eigenares of huurster van dit huis, een zekere Madame Agneessens die het zelf vermoedelijk ook niet breed had. Na  Clara’s dood belandde hij in een openbaar weeshuis. Wat er verder met hem gebeurde valt allicht uit te zoeken, maar ik weet niet of ik daar de moed toe heb.

Centraalstation

In 1891 werd Clara (ook) het vriendinnetje van de piepjonge schrijver Emmanuel De Bom, die haar tegenkwam aan het Falconplein. De Bom – zijn familie noemde hem bij zijn eerste voornaam, Karel – woonde nog thuis en had een slecht betaald baantje als bediende bij de gemeente. Clara en ‘Mane’ (zo spraken zijn artistieke en literaire vrienden hem aan) ontpopten zich tot fervente brieschrijvers. Hun correspondentie, die loopt tot aan Clara’s dood, beslaat honderden velletjes.

Ze zaten in de eerste doos die ik opendeed toen ik in het Letterenhuis begon aan de inventarisatie van het stuk van Manes archief dat de voorbije decennia aan de aandacht ontsnapte.

Clara (verliefd en/of hopend op een alternatief scenario voor de toekomst?) ging met De Bom naar bed, maar bleef de vriendin van cafébaas ‘R’ zoals hij in de brieven heet. In het begin was Mane erg verliefd, maar na korte tijd kreeg hij serieuze twijfels. Zijn kleinburgerlijke familie stelde bovendien alles in het werk om de relatie te fnuiken.

De ‘zangeres’ Clara Gaesch kreeg bezoek van de vreemdelingenpolitie en moest het land uit. Hadden de De Boms haar verklikt? Wilde de betalende minnaar haar uit de buurt van het jonge, niet betalende exemplaar? Clara trok in bij haar zus Anna, die in Keulen woonde. Haar zoontje liet ze bij Mme. Agneessens. Zowel Mane als ‘R’ zochten haar in Duitsland op. Na de onverwachte dood van ‘R’ leende Mane voortdurend bij iedereen geld om aan Clara te sturen. En intussen maakte nu eens hij, dan weer zij epistolair een eind aan de relatie.

Schouwburg

Clara verzeilde in Rotterdam, in Amsterdam – ze verbleef er in de beruchte Stoofsteeg – en ook in Den Helder. In die laatste stad was ze opnieuw aan de slag als zangeres. De Bom zocht haar geregeld op, maar uiteindelijk besloten de twee elkaar niet meer te zien.

Tot Clara in 1894 opnieuw in Antwerpen is, berooid en wanhopig. Ze probeert Mane te heroveren, maar die wil niet meer, al blijft hij helpen. Clara woont op kamers. Ze is ziek en krijgt zenuwtoevallen. Uiteindelijk belandt ze met ‘chronische bronchitis” in het ziekenhuis.

‘Clara is op haar uiterste,’ schrijft De Bom aan een vriend, ‘de arme meid zal misschien de week niet uitdoen. De dokter heeft het me in een plechtig moment verklaard. Zij hijgt nu met vreeselijke snokken naar haar adem, heeft een lijkkleur, heur haar is lang droog gestreken, ze kijkt met oogen die al elders zijn; haar stem is onhoorbaar, ze zijgt vermoeid neer na een woord, zij hoort bijna niet meer. Zij spuwt haar longen uit. O wat miserabel ding is een mensch toch!’

I

I

Clara sterft. Mane betaalt haar uitvaart. Hij probeert haar zoontje onder te brengen bij Anna, die intussen in Kopenhagen woont, maar die wil niet. Hij moet toezien hoe het kind in een weeshuis belandt.

Mane schrijft weldra een roman; hij heeft nog een lang, tamelijk voorspoedig leven voor de boeg. Maar het is een jonge Mane die mij samen met zijn Clara gezelschap houdt wanneer ik door de stad loop. Ik weet nu dat ik een boek over hen zal moeten schrijven om hen uit mijn ooghoek te doen verdwijnen.

[Literatuur] ‘Verlangen’ of de liefdesverklaring in het bos.

Emmanuel De Bom, ca. 1893.

Emmanuel De Bom, ca. 1893.

Op 20 oktober 1908 richtte Jacob Nicolaas Van Hal (1840-1918), ‘redacteur-secretaris’ van het Nederlandse literaire tijdschrift De Gids, een brief aan de Vlaamse schrijver Emmanuel De Bom (1868-1953). ‘Bij geruchte kwam mij ter oore,’ schreef Van Hal, ‘dat gij de fragmenten van een roman in portefeuille hebt, waaruit echter niet zoo spoedig een roman zal ontstaan. Zoudt gij mij echter – in afwachting […] – niet een enkel, op zichzelf staand, fragment aan De Gids kunnen afstaan?’

De kopijnood bij De Gids was blijkbaar groot. Maar sinds de publicatie van de bijzonder gave korte roman Wrakken (1897) genoot De Bom de reputatie van een uitstekend schrijver. Het boek vertelt over de liefdesdriehoek en was gebaseerd op de tragische liefde van de jonge De Bom voor de Duitse cabaretzangeres Clara Gaesch (1866-1895). Niet zonder reden geniet Wrakken de reputatie dat het de eerste ‘psychologische stadsroman in de Vlaamse literatuur’ is.

De Bom, in 1893 medestichter van het prestigieuze tijdschrift Van Nu en Straks, werkte in de Antwerpse stadsbibliotheek, waar hij in 1911 hoofdbibliothecaris werd. Daarnaast ontwikkelde hij een indrukwekkende activiteit als journalistiek chroniqueur van het culturele en literaire leven in Vlaanderen. Hierdoor, zo staat in menig literair historisch overzicht te lezen, komt het dat hij zijn strikt literaire arbeid verwaarloosde, om pas op hoge leeftijd – hij was achtenzeventig – een tweede roman, Het Land van Hambeloke (1946), te publiceren.

Maar, zoals uit de brief van J.N. Van Hal blijkt, is het plaatje iets genuanceerder (ook al verandert het niet fundamenteel). De Bom antwoordde immers: ‘De bescheiden waarheid is, dat ik (helaas!) verscheidene jaren al een soort roman op ’t getouw heb, waar alle personages en toestanden in mij van [sic] leven’. Maar, voegt de schrijver eraan toe, hij mag ‘er in de eerste maanden niet […] aan denken  U zelfs maar een fragment van dit “geheimzinnige boek” aan te bieden.’

VandeWoestijne

Karel van de Woestijne.

Dat Van Hall op de hoogte was van het feit dat De Bom aan een roman werkte, weet de schrijver aan zijn vriend Karel van de Woestijne die het ‘een babbelzuchtig reporter in ’t oor geblazen [had]’, waarna Johan de Meester ‘die alles weet’ het aan Van Hall doorvertelde. Twee jaar eerder had De Bom Van de Woestijne een baantje bezorgd als Brussels correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Maar de loslippigheid van de dichter leidde niet tot een verkoeling van de vriendschap. De Nederlandse romancier Johan de Meester (1860-1931) was redacteur van de NRC.

Aan ambitie ontbrak het De Bom alvast niet. Hij wilde een roman schrijven ‘waar ik werkelijk in hoop alles te kunnen zeggen wat eenige jonge menschen van twintig tot dertig jaar aan innerlijk leven ervaarden’. Het boek zou ‘Aan “gebeurtenissen” tamelijk arm’ zijn en moest vooral ‘het zwijgende, het immer onvoldane verlangen-leven van jonge menschen uit onzen tijd teekenen.’

De correspondentie van Emmanuel De Bom i.v.m. de oprichting van Van Nu en Straks en die met Stijn Streuvels zijn gepubliceerd. Een deel van het omvangrijke De Bom-archief staat trouwens sinds jaren ter beschikking van de bezoekers van het Letterenhuis. Maar op de derde verdieping bevonden zich tot voor kort drie kasten vol materiaal van De Bom, dat nog niet ontgonnen was – elk archief heeft zijn ‘winkeldochters’ die door allerlei omstandigheden in de vergeethoek geraken.

Archief1959

Het archief van Emmanuel De Bom in 1959.

De brief van Jacob Nicolaas Van Hall aan De Bom en een kladje van diens antwoord behoren tot een verzameling papieren die de schrijver destijds bijeenbracht in een kaft met daarop, in zijn handschrift, het woord ‘Verlangen’ – meteen de titel van de onvoltooide roman.

Onvoltooid? ‘Niet geschreven’ is eigenlijk juister. De Bom worstelde duidelijk met zijn onderwerp. Gedateerde velletjes maken duidelijk dat hij al in 1898 aan Verlangen werkte. In 1908 was hij er nog steeds mee bezig en rekende hij er blijkbaar op het binnen project afzienbare tijd tot een goed einde te brengen: ‘Toen ik er laatst met den moed der wanhoop opnieuw de hand zou aan leggen, en ditmaal de beslissende hand – moest ik gaan verhuizen en werd ik ziek. Nu gaat het weer goed, ik raak op dreef – en, lukt het al, dan zal ik, eer we een jaar ouder zijn, het boek “Verlangen” voltooid den geachten Redacteur-Secretaris van den Gids in handen brengen’.

Tegelijk realiseerde De Bom zich dat hij nog veel werk voor de boeg had. ‘Wat betreft “fragmenten uit te lichten”, dat gaat in geen geval. Geen enkel fragment is in eind-vorm klaar, en ik moet het hele verhaal van A tot Z in éen adem opnieuw schrijven – terwijl al ’t bestaande, ook dat wat reeds een tamelijk samenhangend voorkomen heeft, daarbij alleen de rol van canvas of klad zal spelen.’

NoraAulit1904

Nora De Bom – Aulit, 1904.

De schrijver had gelijk. Het Verlangen-dossier mag dan vier centimeter dik zijn, voltooide hoofdstukken bevat het zeker niet. Het bestaat voor een groot deel uit losse notities, invallen en overwegingen. De Bom amuseerde zich zelfs met het tekenen van een voorontwerpje voor een frontispies. Maar zelfs de min of meer uitgeschreven fragmenten die de auteur samenbracht vormen geen volledig kladhandschrift.

Uit een (rudimentair) schema van de plot leren we dat De Boms hoofdpersonage Frank zou heten (elders wordt hij dan weer Frederik genoemd). Verlangen moest bestaan uit vijf ‘episoden’. ‘Elke episode,’ noteerde de schrijver, ‘is een stuk leven, dat op zijn geheel afzonderlijk kan beschouwd worden’. De eerste episode wilde De Bom wijden aan Franks jeugd, de tweede aan zijn vriendschap met ene Sander en zijn ziekte, met name tuberculose, waarvan hij echter geneest. Franks ‘nieuw leven’ vormt het onderwerp van de derde episode, waarin hij ook verliefd wordt op Mienke.

Sander, die met zijn achternaam Dirven blijkt te heten en dokter is (de arts van Frank?) staat centraal in de vierde episode, die zich grotendeels afspeelt in Den Haag: ‘Zijn bezoek Laan van Meerdervoort of Voorhout of Bezuidenhoutsche Dreef’, noteert De Bom.

DeBom1940

Emmanuel De Bom in de Stadsbibliotheek, 1940.

De vijfde episode gaat over de ‘vrijagie’ van Frank en de ‘zomerwandelingen’ die hij, zo staat in het schema gepreciseerd, met zijn vriendin ‘in de bosschen van Hoogboom’ maakt. Er is sprake van een ‘liefdesverklaring in ’t Bosch’ en die is ‘geheim voor al de anderen’.

Elders lezen we over de roman en de personages: ‘Frank blijft de eeuwige verlanger – in ’t ijle – zijn weifelende, door geen werkelijkheid te bevredigen dwepende ziel, is tot eenzaamheid gedoemd – ’t is Sander, met zijn rustig sereen temperament die vindt en zijn leven tot éen evenwichtige blijheid vermag op te voeren… Frank zal steeds zoeken, verlangen baart weder nieuw verlangen – en dat is de beteekenis van ’t boek – goed in het motto uitgedrukt) de realist, zonder droomen, grijpt en houdt vast het onmiddellijke geluk; de wijze, die voor zich heengaat, alleen denkend om zijn arbeid, vindt zonder zoeken; de eeuwig zoekende, de smachtende blijft onvoldaan.’

Het is dus maar de vraag of de liefdesverklaring in het bos tot Franks permanente geluk of tot een leefbaar compromis met de condition humaine zou hebben geleid.

De geplande structuur en de schaarse uitgeschreven passages doen vermoeden dat Verlangen, indien het voltooid was, een structureel zwak en tamelijk tobberig boek zou zijn geworden. Het is verleidelijk te denken dat de schrijver, intussen ambtenaar en gehuwd met Nora Aulit (1879-1955), niet langer gedreven werd door de teleurstelling en de daaruit voortvloeiende helderheid die leidden tot de strakke spanningsboog van Wrakken. Maar dat is psychologische speculatie.

Intussen was De Bom er zich zelf ook wel van bewust dat zijn vele werk een hinderpaal vormde voor zijn schrijverschap. Aan Van Hall zei hij: ‘Door velerlei in- en uitwendige oorzaken waaronder mijn onderbibliothecaris-ambt te Antwerpen en mijn couranten-geschrijf de twee uitwendige zijn – kon ik niet altijd geregeld aan mijn boek schrijven, heele tijden er zelfs niet aan denken.’

Frank had alvast pertinente ideeën over de vrouw, zoals blijkt aan het eind van een beschrijving van Mienke: ‘En vooral één trek die hij adoreerde als hij hem bij een mooi meisje zag – juist omdat die zoo zelden voorkomt – ernst, die geen droefheid is, – dat joeg hem van de meeste vrouwen weg dat ze ofwel kletsten als hersenlooze kippen – met taterend gesnebber ofwel gedurig gieberden [giechelden] als onnoozele, ofwel dat ze uit onbeduidenheid nooit den mond ontsluiten.’

 

Verschenen in ‘Zuurvrij’ nr. 28 van juni 2015.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 2.031 andere volgers

%d bloggers op de volgende wijze: