Jef Geeraerts uit de canon.

Gangreen 1 Black Venus was voor mij als twaalfjarige een zeer leerzaam boek. Het deed in Antwerpen zelfs een heuse mop ontstaan (en dat is niet veel romans gegeven): vraag – Wat is een zwarte maagd?; antwoord – een negerin die rapper kan lopen dan Jef Geeraerts. Ik verzin het niet.

Moet die roman in de canon? Kijk, vijf jaar geleden wisten de leden van de canoncommissie van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) ook al dat Black Venus een seksistisch, racistisch, kolonialistisch boek is en dat er nogal wat in voorkomt dat wij vandaag als pedofilie beschouwen. Bovendien is de roman stilistisch epigonenwerk: Henry Miller in het klein.

Dat verzin ik ook niet. Het werd al gezegd door Piet van Aken tijdens de vergadering van de jury die het boek de Driejaarlijkse Staatsprijs toekende. Dat staat allemaal piekfijn uitgelegd in de knipsels in de knipselmappen in de kelder van het Letterenhuis in Antwerpen.

Uitgemolken

En het is waar, natuurlijk. Maar epigonisme wordt bij ons wel vaker als een literaire verdienste beschouwd. Dit is niet het moment om daar dieper op in te gaan.

Terwijl vrijzinnig Vlaanderen anno 1969 geschokt was door de inbeslagname van het bekroonde werk (succesvol uitgemolken door de uitgeverij Manteau), verscheen in Nederland minstens één uitvoerige recensie – ik weet niet uit het hoofd door wie – die alle zogezegd actuele bezwaren tegen Black Venus al bevatte.

Dit alles komt erop neer dat de canoncommissieleden vijf jaar geleden op een andere planeet leefden en nu doodsbang zijn voor de publieke opinie. Die ze tegelijk tegen de haren instrijken, omdat hun ingreep op censuur lijkt.

Ik zie op Facebook meteen iemand Geeraerts de Vlaamse Céline noemt – en laat nu uitgerekend Céline een rabiate antisemiet zijn geweest.

Dit bevestigt mijn hardnekkige vooroordeel dat modernisme vaak helemaal niet hetzelfde is als politiek progressisme. Lig ik daar van wakker? Niet echt, maar ik merk wel dat veel mensen zich daar volstrekt niet van bewust (willen) zijn.

Modernisme

Ben ik tegen het modernisme? Volstrekt niet – maar het zou beter gezien worden als een artistieke methode dan als een soort ideologie.

Ben ik tegen Jef Geeraerts? Ook niet. In de omgang was hij een aardige man en ik heb de beste herinneringen aan onze telefoongesprekken toen ik als redacteur bij Manteau Romeinse Suite superviseerde. Dat was in 1987, geloof ik. Enkele maanden later – dat vroeg meer werk – kreeg ik Jefs vertaling uit het Frans van een roman van de Congolese auteur Sony Labou Tansi onder handen.

Jef, die ongetwijfeld heel goed Frans kende, had dat boek op een drafje vertaald zonder zich ook maar iets aan te trekken van de verschillen tussen de Franse en de Nederlandse zinsbouw. Hij heeft mij nooit scheef bekeken voor mijn, euh… ingrijpende tussenkomsten.

Ik heb Jef graag gelezen – vooral deel 3 van de Gangreen-cyclus, Het Teken van de Hond. En sommige van zijn thrillers (niet allemaal). Ik durf te zeggen dat ik niet weinig heb bijgedragen tot de bekroning van Jef met de Diamanten Kogel.

Als een boek uit de canon wippen (of het er niet in opnemen) censuur is, dan censureert de KANTL zowat vijfennegentig procent van de Vlaamse literaire productie.

Ondoordacht

Wat pijnlijk is, is niet zozeer de verwijdering van Black Venus uit de canon, maar wel de ondoordachte opname ervan, vijf jaar geleden.  

Want ik vind ook – ik vind nogal veel dingen tegelijk – dat bij de opstelling van een canon rekening mag worden gehouden met “politieke” overwegingen. Dat kan ook niet anders. Literatuur bestaat niet in een vacuüm, al zouden de meeste schrijvers dat wel willen.

De KANTL zelf werd trouwens meer dan een eeuw lang op basis van politieke en levensbeschouwelijke criteria samengesteld. Misschien is dat nog altijd zo. Ik weet het niet en ik wil het ook niet weten.   

Maar bij de hantering van zulke criteria moet men dan wel héél voorzichtig zijn, zonder zich onder druk te laten zetten, en er héél open over communiceren.

Zo’n canon is een blijft trouwens een heikel ding. Ook nu Jef zijn boek eruit is, ligt het nog altijd in de winkel en wordt het gekocht en gelezen. Het bestaat, of we dat nu fijn vinden of niet. Het maakt deel uit van de (onze) geschiedenis, en dat in grotere mate dan een heleboel andere, minder problematische boeken.

Biografietjes

Ik werk thuis, maar dat stoort mij niet. Ik heb een bureau waar ik me kan afzonderen en ik beschik over een schrijftafel die in een vorig leven plaats bood aan vier klerken. Ik werk eraan sinds 1986. De mechanische schrijfmachine van toen maakte natuurlijk decennia geleden als plaats voor een desktopcomputer en de parafernalia die daarbij horen. Sindsdien is er niet veel veranderd, al ben ik aan mijn vijfde computer en zouden de muren dringend opnieuw wit moeten worden geverfd.

Sinds een paar weken plagieer ik een lange reeks biografietjes van schrijvers en figuren uit het culturele leven bij elkaar, nu eens uit de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, dan weer uit het Winkler Prins Lexicon van de Nederlandse Letterkunde, de Moderne Encyclopedie van de Wereldliteratuur, het online Nationaal Biografisch Woordenboek of de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren. Al moet ik zeggen dat Wikipedia vaak ook een grote hulp is.

Kortom, een lange postmoderne démarche en een intense oefening in intertekstualiteit waar ik een naïef ambachtelijk plezier aan beleef. Eigen inbreng komt er ook bij kijken, want vaak zijn al die individuele informatieve teksten onvolledig, politiek gekleurd of gewoon slecht geschreven.

Ik blijf versteld staan van de hoeveelheid overbodige woorden en nodeloos ingewikkelde zinnen die de auteurs ervan bezigen. En dan heb ik het nog niet over de lyrische fans uit de entourage (zoals dat tegenwoordig heet) van een schrijver, die op Wikipedia zijn of haar liefdesleven en familierelaties uit de doeken doen.

Of, in het Winkler Prins Lexicon, verhalen zoals: “Taalkritiek en taalcreatie zijn bij X moeilijk te scheiden. In zijn sterk constructivistische teksten maakt hij gebruik van kitsch, slogans en zegwijzen, die hij op een onverwachte manier combineert. Literatuur is voor hem het laatste territorium waarin de mens zich vrij kan bewegen en waarin hij van de erotiek van zijn bestaan kan genieten”.

Ik denk dan: de vervreemding die ik vandaag voel bij het lezen van dit modernistisch gestroopwafel over een  hardwerkende, maar artistiek vermoedelijk onbestaande, met lucht gevulde kalfsdarm met een beperkte houdbaarheidsdatum, bewijst dat het menselijk verstand er in de loop der jaren toch is op vooruitgegaan. Dat Lexicon dateert alweer van 1986.

Hoewel, bij nader inzien, toen ik deze kamer betrok, vond ik dat soort gewauwel ook al om te lachen. Alleen durfde ik het toen nog niet luidop zeggen.

Inventariseren voor de lezer

Het archief van Hubert Lampo overbracht naar het Letterenhuis

De trap van het Letterenhuis (foto Jan Lampo).

Ik heb het archief van mijn vader overgebracht naar het Letterenhuis. Het was de hoogste tijd en het is wat hij zelf had gewild. Daar ben ik het nu aan het inventariseren. Dat betekent: alles bekijken, ordenen, verpakken en beschrijven in de database.

Het is min of meer toeval dat ik na avonturen in andere stedelijke instituten – ik vermijd het woord “instellingen” – zeventien jaar geleden in datzelfde Letterenhuis terechtkwam. Een en ander staat dus los van het feit dat ik (samen met mijn zus) de erfgenaam werd van het Lampo-archief. Het betekent wel dat ik nu met de nodige kennis van zaken van start kon gaan.

Handschriften

Het Letterenhuis is de archiefinstelling die archieven van Vlaamse schrijvers, literaire tijdschriften en verenigingen enz. verzamelt en ontsluit. Het is de tegenhanger van het Literatuurmuseum in Den Haag, waarvoor het destijds trouwens als voorbeeld fungeerde. Het archiefmateriaal kan, mits toelating van de “archiefvormer” of zijn erfgenamen, door iedereen bekeken worden in de leeszaal.

Mijn pa bracht er destijds zelf al een flink deel van zijn papieren onder – het Letterenhuis heette toen nog Archief en Museum van het Vlaams Cultuurleven of AMVC. Zo komt het dat zijn handschriften er bijna allemaal berusten, samen met de briefwisseling van het Nieuw Vlaams Tijdschrift, waarvan hij tot 1965 redactiesecretaris was.

Mijn werkplek (foto Jan Lampo).

Wat ik nu naar het Letterenhuis heb gesleept, is dus al de rest. En dat is veel: meer dan dertig grote verhuisdozen, goed voor een paar kubieke meter. Straks worden dat zo’n vijftig strekkende meter, denk ik. Maar het is altijd moeilijk om dat precies te voorspellen. Een voorbeeld: als er in het archief vijf exemplaren zitten van een tijdschriftnummer met een interview, bewaar ik er daarvan maar één, wat het volume doet krimpen. Tegelijk verpak brieven per correspondent in mapjes van zuurvrij papier – wij spreken van “hemdjes” – wat het volume weer doet toenemen.

Brieven

Het archief van Vader Lampo, niét zijn bibliotheek. Een deel van daarvan hebben wij zelf nog, maar zeker 90 procent is ondergebracht in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience (vroeger de Antwerpse Stadsbibliotheek, die als decor fungeert in De Komst van Joachim Stiller). De database van de Erfgoedbibliotheek laat de gebruiker toe te zien welke boeken zich in de verzameling van mijn pa bevonden.

Een schrijversarchief, waaruit bestaat dat?

Uit brieven, dat spreekt. Mijn vader behoorde nog tot een generatie die voor belangrijke mededelingen naar de pen greep of in de schrijfmachine klom. De telefoon was natuurlijk al een voornaam communicatiemiddel, maar hij werd niet voor alles gebruikt. Telefoneren naar andere “telefoonzones” en zeker naar het buitenland, was een dure, soms omslachtige aangelegenheid.

Hubert Lampo bij het Antwerpse Vleeshuis, ca. 1980.

Maar er zijn ook handschriften. Zoals gezegd, ligt een aantal al lang in het Letterenhuis, maar ik heb er ook een aantal “nieuwe” gevonden. Meestal gaat het om kortere manu- of typoscripten van artikels, luisterspelen, toespraken, maçonnieke bouwstukken en televisie- of filmscenario’s.

Krantenartikels

Voorts omvat een schrijversarchief bijna altijd een groot aantal kranten- en weekbladknipsels van recensies, interviews en reportages. De meeste schrijvers houden scrupuleus bij wat over hen verschijnt. Vooral in de oorlog en in de jaren 1950 en 1960 knipte mijn vader artikels over zijn werk uit en plakte ze op bladen die hij in ordners stak. Recentere knipsels steek ik nu in chronologische of thematische mappen.

Daarnaast verzamelde het Letterenhuis vroeger zelf systematisch zoveel mogelijk artikels die van en over Vlaamse schrijvers van de pers kwamen. Soms is het dus dubbelop. De mappen die in de loop der jaren in het Letterenhuis zelf zijn samengesteld, hebben het voordeel dat ze per titel van het besproken boek werden geordend. Een tweede reeks bevat dan weer al de bijdragen die Lampo van ca. 1946 tot 1965 publiceerde in de krant Volksgazet.

Stukwerk

En dan is er de lastige categorie van de documenten. Zo noemen wij gemakshalve alle drukwerk dat geen knipsel is – van overdrukken van artikels uit literaire of wetenschappelijke tijdschriften over gedrukte invitaties tot persoonlijke documenten zoals lidkaarten, paspoorten enz. die een zeker biografisch belang hebben.

Vroeger werden die dingen allemaal apart opgeborgen – handschriften in blauwe mappen, brieven in oranje, knipsels in gele en documenten in roze mappen. Maar van die aanpak zijn we afgestapt. In principe moet een archief in zijn “oorspronkelijke staat”, of nog zoals het “organisch gegroeid  is” worden bewaard.

Ward Ruyslinck en Hubert Lampo, ca. 1980.

Jammer genoeg gaat dat alleen goed met archieven van administraties, niet met die van personen, omdat die laatsten doorgaans minder systematisch tewerk gaan. Als literaire archiefinstelling kun je vaak niet anders dan een soort reconstructie doorvoeren die de groei van een archief zoveel mogelijk respecteert, maar het archief ook begrijpelijk maakt voor onderzoekers. De inventarisatie van een archief is stukwerk; elk archief is anders. Er zijn leidende principes, maar geen draaiboek dat je blindelings kunt volgen.

Het archief van Hubert Lampo is momenteel nog work in progress – ik kan het ook niet helpen. Wat volgt is bijgevolg een momentopname van wat mij tot nu toe is opgevallen of verrast heeft. Volledigheid is voor later. 

Brief aan Frans Dille

Brieven, om te beginnen. Sommige brieven van en aan mijn pa – over lezingen, signeersessies, bijdragen aan gelegenheidspublicaties enz. – zijn doorgaans beknopt en zakelijk, maar bieden wel een unieke inkijk in zijn publieke rol en optredens.

Mijn vader maakte zeker niet van al zijn eigen brieven een doorslagje of een fotokopie. Zo komt het dat veel van de door hem geschreven missives in de archieven van anderen zitten – maar veel van die archieven berusten natuurlijk ook in het Letterenhuis. Dankzij de database is het simpel om ze te vinden. Dit impliceert dat er in de nabije of minder nabije toekomst nog een heleboel correspondentie kan opduiken.

Hubert Lampo in Avebury, Wiltshire, 1970.

Terwijl ik brieven in zuurvrije mapjes stop, verschijnt de jonge stagiaire Chloë van Gelder, die een verdieping hoger het archief van de Antwerpse tekenaar en graficus Frans Dille ordent.

“Kijk,” zegt ze, “ik heb een brief van je vader gevonden!”.

Die brief is het eerste materiële bewijs van de buitenechtelijke liefdesaffaire die mijn pa had toen ik werd verwekt. Ja, soms kan archief confronterend zijn. Maar dat is persoonlijke petite histoire; laat mij er voor de histoire littéraire aan toevoegen dat de mevrouw in kwestie model stond voor de “heks” Gilberte Schoonkindt in De Heks en de Archeoloog

Gelukkig kan zijn er ook serieuze dingen die ik al kan signaleren. Mijn vader correspondeerde intens met de Vlaamse schrijver Piet van Aken, een generatiegenoot die destijds grote bekendheid verwierf met sociaal geëngageerde romans en novellen over het leven in de Rupelstreek – een gebied met veel steenbakkerijen, zo’n vijftien kilometer ten zuiden van Antwerpen.

Marnix Gijsen

De twee leerden elkaar kennen tijdens de oorlog, toen ze elk aan hun eerste boek werkten. Vooral dit oudste deel van de correspondentie is buitengewoon interessant. Het is erg persoonlijk en belicht tegelijk de literaire aspiraties en ambities van de briefschrijvers. Van Aken is ook de inspiratiebron voor de schrijver Peter van Keulen, wiens uitvaart beschreven wordt in Lampo’s roman De Elfenkoningin.

Hubert Lampo in zijn werkkamer aan de Antwerpsesteenweg in Hoboken, ca. 1964.

Vriendschappelijke briefwisseling is er ook met andere auteurs. Een van mijn vaders trouwste correspondenten was uiteraard die andere magisch-realist, Johan Daisne. Er zijn ook talrijke brieven van Jan-Albert Goris, alias Marnix Gijsen, van Gerard Walschap en van Ivo Michiels. Onder mijn vaders pennenvrienden vinden we ook de Vlamingen Walter van den Broeck, Marc Andries, Hendri-Floris Jespers, Alstein, Paul de Wispelaere en de Nederlander Barend Roest-Crollius, om er maar enkelen te noemen.

Wat mij tot nu toe het meest verraste, was een telegram waarmee Hugo Claus mijn pa bedankt voor zijn positieve recensie over De Verwondering en een handgeschreven brief van Jeroen Brouwers over Roger van de Velde.

Roger van de Velde

Roger van de Velde was een Vlaams journalist en schrijver die na een maagoperatie verslaafd raakte aan de pijnstiller Palfium. Toen het middel hem niet langer werd voorgeschreven, probeerde hij er op allerlei manieren aan te komen. Hij kwam in de gevangenis terecht en daar mocht hij niet schrijven. Dat leidde tot protest van de literaire wereld. Uiteindelijk kwam Van de Velde vrij, maar hij stierf aan een overdosis.

Er zijn uiteraard ook brieven van Van de Velde zelf, o.m. eentje waarin hij beschrijft hoe de dichter-ambtenaar Karel Jonckheere hem kwam opzoeken in de gevangenis van Merksplas.

Wees gerust, een en ander is doorgegeven aan Ellen van Pelt, de biografe van Roger van de Velde, die momenteel in de eindfase van haar boek zit. Het wordt ongetwijfeld een van de literair-historische pieken van volgend jaar.

Jan de Hartog en Hubert Lampo in de tuin van Hotel Geerts in Westerlo.

Wie behoort er nog tot mijn vaders correspondenten? Vlijtige briefschrijvers waren o.a. zijn Oostenrijke vertaler Paul Wimmer en de nu vergeten priester en schrijver van historische romans, Armand Boni. De laatste was een Vlaming. Maar het archief bevat ook vele epistels van Lampo’s goede Nederlands-Amerikaanse vriend Jan de Hartog en van zijn Engelse compagnon de route Colin Wilson. Lampo’s jarenlange medewerking aan het tijdschrift Bres leverde missives op van Simon Vinkenoog.

Talrijk zijn de brieven van vertalers, inderdaad – ik denk vooral aan de Zuid-Afrikaan Herman Engelbrecht, aan de schrijfgrage Wimmer en aan de onvolprezen Xavier Hanotte. Er zijn ook vertalers bij wier vlijtige pogingen nooit het licht hebben zagen – gelukkig maar, denk ik soms.

Uitgevers

Van groot belang zijn uiteraard de vele brieven van en aan uitgevers. De uitgebreide correspondentie tussen Lampo, Elsevier, Manteau en A.A.M. Stols uit 1952-53 laat bijvoorbeeld toe om het hele proces te volgen waardoor mijn vader begin jaren vijftig definitief bij een Nederlandse uitgever belandde (zie hierover de post Misverstand in het Noorden op deze blog).

Hubert Lampo aan de Schelde in Antwerpen, ca. 1985.

Nog talrijker zijn de brieven van en aan de Amsterdamse uitgeverij Meulenhoff waar later al zijn werk verscheen. Naast zakelijke brieven, contracten en afrekeningen is er de persoonlijke correspondentie met uitgever Laurens van Krevelen, die een goede vriend werd.

Ik denk nu al dat van maar weinig schrijvers de relatie met hun uitgevers zo grondig gedocumenteerd is.   

Walter van den Broeck

De correspondentie met o.a. Maria Rosseels en Gaston Durnez, die mijn pa kende uit zijn journalistentijd, illustreert dat hij in de jaren 1960 gewonnen was voor een toenadering tussen gelovigen en ongelovigen. Dat was toen in Vlaanderen een item.

Het lijkt er op dat De Komst van Joachim Stiller ook nogal wat mensen de indruk gaf dat Vader Lampo zelf katholiek of toch “religieus” was geworden. Quod non. Maar hij was in hun ogen bekend genoeg om het hof te maken als “goeie” vrijzinnige – men mag niet vergeten dat roomse journalisten en critici ook de militant antigodsdienstige Gerard Walschap tot vervelens toe bleven opvoeren als een verloren schaap dat, wie weet, tot de stal kon worden teruggeleid.

Hubert Lampo bij het kasteel van Grobbendonk.

Walter van den Broeck, die lange tijd goed bevriend was met mijn pa, durfde het af en toe aan om hem – op een in mijn ogen  hartverwarmende manier – te kapittelen. Ooit schreef hij hem (ik parafraseer) “je moet niet zo verbaasd zijn over het feit dat links niet van je houdt, je hebt ook zoveel rechtse vrienden”.

Wankel evenwicht

Dat is niet helemaal juist, in die zin dat nogal wat jonge linkse schrijvers al lang daarvoor (en dus zeker niet daarom) een bloedhekel hadden aan mijn pa. Denk maar aan de “communistische” poëet in Idomeneia en de Kentaur of aan de medewerkers van het tijdschrift Atomium in De Komst van Joachim Stiller. De lui die voor hen model stonden, opereerden in de jaren 1950. Maar de katholieke toenaderingspogingen, gecombineerd met die van enkele figuren met een bedenkelijk oorlogsverleden, speelden wel een rol.

Mijn pa was zeker een tolerant en vergevingsgezind mens. En het is moeilijk om niet te bezwijken voor iemands vriendelijkheid als uitgerekend je “natuurlijke” medestanders je en bloc laten vallen.

Wat mij niet belet om af en toe met mijn tenen te krullen.

Hubert Lampo en Harry Kümel, 1975.

De brieven die mijn vader zelf schreef, bewijzen dat hij gebukt ging over het schervengericht waarvan hij het slachtoffer was. Voor iemand met een toch al niet zo geweldig zelfbeeld en een bij momenten wankel psychisch evenwicht was dat noodlottig. Het joeg hem angst aan en maakte hem rancuneus.

Scholieren

Zijn onvermogen om met een en ander om te gaan werd bovendien versterkt – ik ben geneigd te schrijven: geëxploiteerd – door zijn vrouw Lucia die hem stimuleerde zijn ongenoegen publiekelijk te uiten en hem zo in een nog groter isolement deed belanden. 

Tsk, tsk, tsk.

De brieven van assertieve Vlaamse en Nederlandse scholieren die vragen stelden om werkjes over de schrijver rond te krijgen, stop ik allemaal in een dikke map. Het zijn er veel. Maar de volwassen fanmail – ook weer opvallend vaak van Nederlandse lezers – rangschik ik wel per correspondent. Het zijn soms erg emotionele getuigenissen over het belang dat het werk van mijn pa voor hen had.

Hubert Lampo, omstreeks 1993 (foto Marc Cels).

Waar ik persoonlijk het meest van houd, zijn handschriften van romans, verhalen, opstellen en artikels. Met hun aanvullingen en verbeteringen geven ze de stadia van het schrijfproces weer en dat is bijzonder boeiend.

Mijn vader werkte, zeker tot omstreeks 1980, hard op zijn handschriften. Van zijn eerste romans zijn er handgeschreven kladversies, gevolgd door minstens twee typoscripten met verbeteringen. En vaak ook nog grondig gecorrigeerde drukproeven.

“Papierarbeiter”

Literatuurwetenschappers die zich bezighouden met “tekstgenese”, spreken over Kopfarbeiter en Papierarbeiter. De eersten zijn de schrijvers die hun tekst grotendeels in hun hoofd hebben zitten voor ze hem aan het papier toevertrouwen; de tweede groep bestaat uit de auteurs die spontaner schrijven, maar zichzelf met schrappingen en allerlei verbeteringen op papier tot de orde roepen. Mijn pa was ongetwijfeld een Papierarbeiter – dat ben ik zelf trouwens ook, al heb ik natuurlijk een pc.

Hubert Lampo en Marc Andries in Grobbendonk.

Later werkte Lampo Senior direct op de machine. Maar achteraf ging hij zijn typoscripten wel te lijf met rode, groene en blauwe balpen of viltstift; dikwijls gebruikte hij plakband om stukken papier met toevoegingen aan een pagina te plakken. Het mooiste voorbeeld is het manuscript van de essaybundel De Zwanen van Stonehenge. Terwijl hij aan dat boek werkte, plakte hij soms drie A4-velletjes aan elkaar; je kunt ze helemaal uitvouwen.

Ik zei dat de belangrijkste handschriften al lang in het Letterenhuis berusten. Daar liggen ze te wachten op studenten editiewetenschap en tekstgenese. Maar twee romans en enkele verhalen van mijn vader werden ook verfilmd. Dat leidde – behalve in het geval van Nico Crama’s vroege kortfilm naar het verhaal Oponthoud in Walsoorden – tot epische conflicten.

TV-programma’s

De pakken brieven, interviews en krantenknipsels bieden inzicht in de moeilijkheden die voortvloeiden uit het feit dat de prille Vlaamse film een soort monopolie was van sommige kineasten en producenten. Harry Kümel, die zijn verfilming van De Komst van Joachim Stiller uiteindelijk toch tot een goed einde wist te brengen, kan daar zeker meer over vertellen.

Hubert Lampo en Colin Wilson.

Ook van televisieprogramma’s zoals Ten Huize van Hubert Lampo, In de voetsporen van Hubert Lampo en het door hemzelf geschreven Arthur, zijn er scenario’s en draaiboeken – zij het dat het vooral om getypte en gestencilde exemplaren gaat. De nooit gerealiseerde documentaire Flandria Fantastica van Vader Lampo en Harry Kümel leverde ook heel wat papier op. Jammer dat het scenario uiteindelijk niet tot een boek heeft geleid…

Er zijn ook verschillende stadia van enkele interviewboeken mijn pa (van de hand van derden) en uiteraard een heleboel manuscripten die hem werden toegestuurd – en die soms het onderwerp werden van een opstel.

Shakespeare

Zo heb ik me groen geërgerd aan de ogenschijnlijk heel serieuze, maar in werkelijkheid volstrekt rocamboleske teksten van de heer Bergschneider – u weet wel, de man met de theorie dat Shakespeare eigenlijk een Antwerpenaar was. Ik begrijp best dat vader Lampo gefascineerd was door die snuiter, maar ik betreur tegelijk dat hij hem in De Neus van Cleopatra zo’n groot podium heeft geboden.  

Maar goed, zonen hoeven het niet over alles met hun vader eens te zijn. Wat er ook van zij, mijn werk aan zijn archief is in zekere zin een Vatersuche, dat kan niet anders. Maar het biedt ook inzicht in een oeuvre en in een leven die in vele opzichten uitzonderlijk waren en die mij, onvermijdelijk, erg “nabij” zijn. Nu maar hopen dat de mensen die nieuwsgierig zouden moeten worden, dat ook doen.

Literatuur – “Neen, Lampo wijst ons niet naar het Oosten” – De receptie van het vroege werk van Hubert Lampo in de pers van bezet België (1943-1944)

Jan Lampo

Hubert Lampo toen hij “Don Juan” schreef

Op 5 oktober 1943 verscheen in het dagblad De Gazet het artikel Het Herfstprogramma van ‘A. Manteau N.V.’ te Brussel. Het is niet vreemd dat het dagblad Angèle Manteau ten tonele voerde. De uitgeverij Manteau gaf weliswaar “linkse” auteurs uit, maar ook schrijvers als Valère Depauw en de “opportunisten” Walschap en Roelants. Bovendien bracht het bedrijf af en toe een herdruk van bijv. Filip de Pillecyn.

Wie over boeken wilde berichten, kon niet om Angèle Manteau heen. Dank zij de ontmanteling van het uitgeverswezen in Nederland had zij de rechten verkregen op titels uit het fonds van Nijgh en Van Ditmar, waaronder boeken van Walschap. Daar komt bij dat de leeshonger tijdens de bezettingsjaren groot was. De oplagen van populaire schrijvers als Walschap, Maurice Roelants en Valère Depauw namen sterk toe. Herdrukken gingen bliksemsnel de deur uit. Dit alles verplichtte de uitgeefster zelfs…

View original post 6.275 woorden meer

De oude krokodil (7)

Er was een tijd dat een pijp zoiets als een secundair geslachtskenmerk was van de mannelijke historicus en van alle heren die zich inlieten met de letterkunde. Het Letterenhuis bewaart niet voor niets tientallen pijpen. Het meerschuimen exemplaar van Maurice Gilliams is beslist de mooiste. Gilliams was natuurlijk ook de grootste ijdeltuit uit onze literaire geschiedenis. Voor een schrijver die zichzelf vakanties in een heus familiekasteel toedichtte, was een houten pijp te min.

Maar toen ik bijna een halve eeuw geleden mijn eerste (goedkope) pijp en een pakje zoetgeurende Clan kocht, had dat niets met Gilliams te maken. Van hem kende ik alleen een passage uit Winter te Antwerpen, waarvan wij van onze lerares Nederlands een paragraaf uit het hoofd moesten leren.

Ik wou eigenlijk alleen op mijn pa en mijn bompa lijken – een soort pueriele drang tot identificatie met mannelijke autoriteitsfiguren die te aardig waren om tegen te revolteren, ook al woedden toen de jaren 1970.

In het begin maakte die pijp mij misselijk. Gelukkig is pijproken zoiets als olijven eten of Cognac drinken: na verloop van tijd vind je het fijn. Ook al ruilde ik de Clan voor andere tabakssoorten- en merken om uiteindelijk te stranden bij die ondergewaardeerde nationale trots, Semois.

Soms vraag ik me af of mijn beroepskeuze eigenlijk niet het gevolg is van mijn rookgedrag. Toen ik geschiedenis studeerde, was ik al ervaren genoeg om met enige minachting de pogingen gade te slaan van een hoogleraar die zich op rijpere leeftijd het pijproken probeerde eigen te maken. Hij had een grote, kromme grootvaderspijp aangeschaft.

Tijdens het examen historische kritiek zat hij zo sukkelachtig aan het ding te lurken dat mijn concentratie er ernstig onder leed.

Ja, roken mocht toen nog zowat overal. En in een rokerscoupé op de trein zorgde mijn pijp ervoor dat ik, behalve misschien in de spits, vier stoelen voor mezelf had. Geen wonder dat ik verslaafd werd aan de boeken van Georges Simenon, die andere Belgische glorie.

Pijproken was toen al hopeloos uit de mode; vandaag is het iets zoals heksenwaan of de overtuiging dat je door naar het westen te zeilen in Indië komt. Maar dat is toch vooral in België zo – het Internet heeft mij laten kennismaken met tientallen, soms indrukwekkende winkels en webshops (The Danish Pipe Shop in Kopenhagen, bijvoorbeeld, of La Pipe du Nord in Parijs) en artisanale pijpenmakers.

Er is hoop en er is keuzestress. Mijn vader liet zijn pijp pas los toen dokter Alzheimer hem al helemaal in zijn greep had. Ik hoop dat ik mijn pijp mag vasthouden tot ik dood ben.           

De oude krokodil (6)

Sinds een paar maand rijd ik met een Volkswagen Caddy van de Stad Antwerpen naar allerlei plekken in Vlaanderen om archief op te halen.

De lieden bij wie ik over de vloer kom, zijn schrijvers, hun nazaten, verzamelaars van handschriften of bestuurders van literaire verenigingen. Heel verschillende lieden.

Nu eens moet ik in een rijhuisje zijn, dan weer in een villa in Sint-Martens-Latem waar museale kunst aan de muren hangt. Het roept herinneringen op aan de tijd toen ik bij een krant werkte en het culturele nieuws van hot naar her op de hielen zat.

Niet iedereen vindt het gemakkelijk om archief over te dragen aan een onbekende in een witte auto. Soms is het een moeilijk afscheid, al lees ik op vele gezichten ook opluchting. Iets is afgerond en eindelijk is al die rommel uit de gang.

Ik begrijp dat goed – ik ben zelf erfgenaam en bewaarder van dertig strekkende meter literair archief. De opluchting heeft ook te maken met het feit dat de meneer in de witte auto het archief van pa of nonkel meeneemt naar een soortement eeuwigheid – het verduldige Letterenhuis waar archivarissen met witte katoenen handschoenen er teder de paperclips en plastic mapjes uit verwijderen omdat die niet goed zijn voor het papier.

Een heel gedoe, zeker omdat veel mensen hun papieren daar bij voorkeur mee bij elkaar houden. Enfin, ik heb me laten vertellen dat collega’s ooit een archief ophaalden dat door de verongelijkte ex van een weggelopen dichter in het kippenhok was ondergebracht. Zoiets heb ik zelf gelukkig nog niet beleefd.

Kippen zijn stomme beesten die je best opeet in de vorm van worst zodat niets aan hun gescharrel of gekakel herinnert. Dat laatste geldt evenzeer voor bepaalde dichters. Maar breek mij de bek niet open. Archivarissen en oude krokodillen hebben beroepsgeheim. En dat nemen ze terecht heel ernstig.

Wanneer ik, gelukkige zoals Odysseus, terug ben van mijn reizen stap ik weleens door het depot, langs de eendere achterkant van honderden archiefdozen. En dan denk ik: wij hebben van jullie allemaal het beste meegebracht en daar blijven we voor zorgen.           

Aardolie en hiëroglyfen of misverstand in het Noorden

Hoe Hubert Lampo bij de Nederlandse uitgever A.A.M. Stols terechtkwam.

Hubert Lampo.

Op 16 september 1949 ondertekent Hubert Lampo (1920-2006) een contract met de N.V. Uitgeversmij Elsevier te Amsterdam. Hierdoor verbindt hij zich tot het leveren van een manuscript over “de lotgevallen van en recente gebeurtenissen te Oud en Nieuw Schoonebeek in Drente in romanvorm” (1).

Hij ontvangt een niet terugvorderbaar voorschot van 800 gulden. En omdat de directie van Elsevier uit Hollanders bestaat, voegt zij daar aan toe: “kosten, die bij voorbereidend werk ter plaatse ontstaan, zijn voor rekening van de auteur en kunnen uit dit voorschot bestreden worden”. De persklare kopij wordt “liefst vóór 1 augustus 1950, doch in elk geval in het jaar 1950, in haar geheel” verwacht.

Schoonebeek is een gemeente in Drenthe in het noord-oosten van Nederland waar de Bataafsche Petroleum Maatschappij in 1943 een olieveld ontdekt. Dit wordt later geëxploiteerd door de Nederlandse Aardolie Maatschappij. Anno 1976 raakt een deel van Schoonebeek bedekt door een laagje olie na een probleem bij een boorput. In 1996 zet men de oliewinning stop wegens onrendabel, maar in januari van vorig jaar wordt het veld weer in productie genomen (met dank aan de Nederlandse Wikipedia).

Ben van Eysselsteijn

De ontdekking en de exploitatie van een olieveld kunnen een boeiend onderwerp vormen voor een roman – denk maar aan Oil! van Upton Sinclair. Maar Lampo, de schrijver van Don Juan en de laatste Nimf, Hélène Defraye en De Ruiter op de Wolken, lijkt geen evidente keuze voor zo’n boek.

Ben van Eysselsteijn.

Wat beweegt de auteur om hoger genoemd contract met Elsevier te ondertekenen? En waarom vraagt de Amsterdamse firma uitgerekend hem? Niets in de correspondentie tussen Lampo en de uitgever biedt uitsluitsel. Maar de idee om de auteur in te schakelen, wordt de directie van Elsevier waarschijnlijk ingefluisterd door de Nederlandse dichter, toneelschrijver en journalist Ben van Eysselsteijn (1898-1973) (2).

Lampo en andere redacteurs van het Nieuw Vlaams Tijdschrift komen onmiddellijk na de Bevrijding van Nederland in nauw contact met collega’s uit het Noorden. Ze gaan naar Nederland om lezingen te geven en deel te nemen aan debatten. Uit de verhalen van mijn moeder, Lampo’s tweede vrouw, Josette Dirickx (1921-2006), weet ik dat zij herhaaldelijk met de trein naar Amsterdam reizen – op dat moment een onderneming van ruim zes uur. Lampo draagt in die dagen ribfluwelen pakken, wat de douanebeambten als hoogst verdacht beschouwen. Ze halen hem van de trein om te checken of hij geen smokkelaar is.

Nieuw Vlaams Tijdschrift

Bij de organisatie van die excursies naar het Noorden speelt Ben van Eysselsteijn een voorname rol. Hij onderhoudt al van vòòr de oorlog goede contacten met Vlamingen en hij stelt veel prijs op de publicatie van gedichten van zijn hand in het Nieuw Vlaams Tijdschrift, waarvan Lampo redactiesecretaris is.

Wegens zijn niet onbesproken gedrag tijdens de bezetting, geeft de Nederlandse Ereraad voor de Letterkunde Van Eysselsteijn een publicatieverbod tot 1 januari 1946. Dat ligt nu achter hem. Hij wil zichzelf duidelijk rehabiliteren – ook al verwijten de meesten van zijn vakbroeders hem in werkelijkheid weinig of niets. Zijn naoorlogse Vlaamse vrienden behoren trouwens allemaal tot het “linkse” kamp. 

Hunebed in Drenthe.

Van Eysselsteijn is bovendien erg begaan met zijn geboortestreek Drenthe. Daarom komt hij op het idee om Vlaamse auteurs uit te nodigen voor een bezoek. Hij maakt hiervoor  gebruik van het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag dat in 1947 in werking is getreden. Hoe belangrijk hij de komst van de Vlamingen naar Drenthe wel vindt, blijkt uit een persoonlijke brief aan Lampo die zich in het archief van het Nieuw Vlaams Tijdschrift in het Letterenhuis in Antwerpen bevindt. De “Drent uit heimwee en verlangen” schrijft:

“Het is u misschien bekend, dat ik in ’t Noorden voor een zéér Noordelijke auteur wordt gehouden: ik ben thuis in Drenthe, een der merkwaardigste en mooiste provincies […]. Wij – ginds in ’t Drenths Cultureel Genootschap te Assen – vonden dat men in ’t Zuiden te weinig van ons weet: Voor de Vlamingen is Hoilland, voor zover bóven de Moerdijk liggende, eigenlijk uitsluitend: den Haag en bovenàl: Amsterdam. Maar van Friesland, Groningen en Drenthe weet men niets.

“Zeer omvangrijk programma”

“Wij wilden daar eens […] verandering in brengen. Er is grote belangstelling voor de komst van Vlamingen […]. Een comité is opgericht, onder praesidium van den gouverneur der Koningin, Baron de Vos van Steenwijk. Een geestdriftig werk-comité bestaat uit Baron Mackay, burgemeester van Rolde, voorz.; Mr. Henk Prakke (praeses van ’t Drenths Cult. Genootschap) secretaris en leden: de twee Drenthse letterkundigen Anne de Vries en ondergetekende. Er wordt een bezoek voorbereid van 5 dagen ‘Vlaamse gasten in Drenthe’, van 10-15 juni a.s. (3)”

Kitty de Josselin de Jong.

Uiteindelijk reizen alleen de dichters Karel Jonckheere en Marcel Coole en Hubert Lampo naar Drenthe. Van 10 tot 16 juni 1949 wordt hun “een zeer omvangrijk programma van bezoeken, excursies en literaire sessies aangeboden. Hotel Braams in Gieten was de uitvalsbasis […] en de algemene leiding was in handen van Ben van Eysselsteijn, […]  bijgestaan door Kitty de Josselin de Jong.” (4)

Wat er allemaal besproken wordt, zullen we nooit weten. Maar de kans is bijzonder groot dat Van Eysselsteijn enthousiast op Lampo inpraat en dat het “project-Schoonebeek” daarvan het resultaat is.

De auteur beschouwt het zonder twijfel als een mooie kans om onderdak te vinden bij een Nederlandse uitgever. Al voor de oorlog betekent dat voor Vlaamse schrijvers grotere bekendheid en hogere verkoopcijfers – er zijn voorbeelden legio, van Cyriel Buysse over Felix Timmermans tot Lode Zielens. Boeken die bij Vlaamse uitgevers van de pers komen, dringen immers nauwelijks door op de Nederlandse markt – iets waaraan uitgeefster Angèle Manteau (1911-2008) zich groen ergert.

Jan-Pieter Barth

Uit Lampo’s latere correspondentie met uitgever Jan-Pieter Barth blijkt bovendien zijn grote ongenoegen over onregelmatige en niet helemaal correcte betaling door diezelfde Angèle Manteau, bij wie zijn boeken sinds 1943 verschijnen. Ik citeer uit een brief van 22 december 1953:

“[…] hoofdzakelijk ben ik bij Manteau weggegaan, omdat er daar altijd moeilijkheden bleken op te rijzen, wanneer er eindelijk diende afgerekend te worden. Moest je de verhouding kennen tussen wat ik ooit ontvangen heb en wat ik contractueel had kunnen ontvangen, nou, ik geloof dat je me dan hartelijk zoudt uitlachen.”

J.-P. Klautz.

Een van de directieleden van Elsevier – hij bemoeit zich niet actief met het Schoonebeek-verhaal (althans niet epistolair) – is J.-P. “Ted” Klautz. Hij duikt enkele decennia later weer op als directeur van het tijdschrift Bres, de Nederlandse versie van Planète. Van Bres wordt Lampo in de jaren 1970 redacteur voor België.

Maar oliewinning blijkt niet Lampo’s ding te zijn. Bovendien is Drenthe erg ver weg. Er zijn nog geen snelwegen en de spoorverbindingen laten in die eerste naoorlogse jaren veel te wensen over. (Pas begin jaren 1960 zal de schrijver naar Drenthe terugkeren, ditmaal om er de hunnenbedden te bekijken, prehistorische monumenten van het soort dat hem de rest van zijn leven zou blijven boeien.)

Anonieme tekst

Meester Floris B. Bakels, “Secretaris der Directie” van Elsevier, schrijft op 19 november 1949 – er is dan nog geen vuiltje aan de lucht: “Wij zenden U hierbij een knipsel uit Elseviers Weekblad van heden, dat U interesseren zal. Zoals U weet stellen wij voortdurend belang in Uw wel en wee met betrekking tot de roman over dit onderwerp. Als U met ons wilt overleggen, of iets dergelijks, zijn wij steeds ter beschikking.” Wellicht heeft dit iets te maken met de keurig getypte, anonieme tekst over de oliewinning in Schoonebeek tussen de papieren van Lampo in het Letterenhuis.

Angèle Manteau.

Aan zijn uitgeefster, Angèle Manteau, heeft de auteur gemeld dat hij voor Elsevier een non-fictieboek (!) over Schoonebeek schrijft. Daar kan ze immers geen bezwaar tegen hebben. Maar de sfeer wordt bitter wanneer Van Eysselsteijn op 21 oktober 1949 in De Haagsche Post een artikel publiceert waarin hij zijn Vlaamse collega uitgebreid voorstelt en aankondigt dat die een aan een roman over de Drentse oliewinning werkt:

“De Uitg. Mij. Elsevier heeft Lampo thans een opdracht verstrekt tot het schrijven van een roman, waarin een jonge, Belgische ingenieur en een Hollandse schilderes de hoofdfiguren zullen zijn; als achtergrond krijgt dit verhaal gedeeltelijk de wonderlijke omgeving van het oude, Drenthse Schoonebeek met de nieuwste vindingen van de aardolie-winning…”

Furieus

Angèle Manteau schrijft Lampo op 31 oktober een furieuze brief. Ze voelde zich voordien al “voor een voldongen feit” gesteld, zegt ze. Ze vervolgt “dat het onder uitgevers gebruikelijk is elkaar toestemming te vragen indien zij een werk willen uitgeven van een auteur die al zijn vorige boeken bij een andere uitgever heeft gepubliceerd en door hem werd gelanceerd”. Vervolgens schermt Manteau met het “voorkeursrecht voor Uw eerstvolgend werk”, opgenomen in het contract voor De Ruiter op de Wolken en suggereert dat Elsevier zich dan ook maar moet ontfermen over de resterende exemplaren van die roman en over die van de verhalenbundel Triptiek van een onvervulde liefde.

Op 31 maart 1950 gaat Lampo naar Amsterdam. De neerslag van het gesprek in de kantoren van de N.V. Uitgeversmaatschappij Elsevier, lezen we in een brief van Bakels van de volgende dag, 1 april.

Oliewinning in het Drenthse Schoonebeek.

“Gisteren kwam U ons mededelen dat U een zwaar hoofd hebt in deze onderneming. Het schrijven van de roman wil niet vlotten, de reeds klaargekomen hoofdstukken bevallen U niet zeer. De datum van 1 augustus 1950 hing U als een dreigement boven het hoofd. U overhandigde ons Uw novelle IDOMENEA met de suggestie, dat wij deze zouden uitgeven om althans enige ‘waar’ voor onze f. 800,- te krijgen (5).”

“Wij willen vooropstellen, dat wij de gang van zaken evenzeer betreuren als U. Daar wij Uw novelle om verscheidene redenen niet voor uitgave in boekvorm kunnen accepteren zien wij de volgende oplossing als de beste: De overeenkomst van 30 Augustus 1949 verliest haar geldigheid. Het voorschot van f.800,- kunt U onder U houden, doch het is te allen tijde opvorderbaar.”

Manuscript

“U verbindt zich ons het ms. voor een roman – hetzij die over Drente, hetzij een andere – te leveren zodra U er een gereed hebt. Wij krijgen het exclusief recht van uitgave van dat ms. in boekvorm, doch vrijblijvend. Kunnen wij niet tot de uitgave […] beslissen, dan geldt hetzelfde voor een volgend manuscript. […] Een termijn van inlevering […] willen wij niet stellen, maar wij vertrouwen er wel op dat wij in 1951 in elk geval iets van U krijgen.”

Op 21 september 1950 schrijft Bakels: “Na onze brief van 1 april jl. hebben wij niets meer van U gehoord, althans niet over Uw verdere literaire plannen. Zouden wij eens mogen horen of U op het ogenblik iets onder handen hebt en, meer in het algemeen, waarop wij eventueel mogen rekenen?”

“Zo gauw mogelijk”

Er is hoop – of in ieder geval een manuscript in wording. Dat meldt Lampo op 23 september aan Elsevier; nog eens twee dagen later wil Bakels “liefst reeds de helft ervan zo gauw mogelijk”, dit met het oog op de planning. Maar hij moet nog even wachten. Op 6 juli 1951, zo’n tien maand later, antwoordt de getergde “Secretaris der Directie” op een missive van de schrijver: “Wij oefenen gaarne geduld en zien met belangstelling uit naar Uw manuscript in zijn geheel. U kunt ervan verzekerd zijn dat het onmiddellijk na ontvangst de levende aandacht zal hebben.”

Floris B. Bakels.

Op 12 december is het geduld bij Elsevier op. Bakels stuurt een lange, uiterst beleefde brief waarin hij, begrijpelijkerwijze, zegt: “Gaarne zullen wij daarom van U vernemen of wij nog in de loop van deze maand een manuscript van Uw hand kunnen verwachten […].” Anders wil Elsevier zijn 800 gulden terug.

Lampo doet een tegenvoorstel dat Elsevier aanvaardt. Hij zal de uitgever “omstreeks 1 april” – dat is 1 april 1952 – “in het bezit stellen” van zijn handschrift. Dat gaat helemaal niet over oliewinning in het Drentse Schoonebeek. De titel ervan luidt Hiëroglyphen in het Zand en het zal uiteindelijk verschijnen als De Belofte aan Rachel. De roman is gebaseerd op het oudtestamentische verhaal over Jozef en Farao, maar is eigenlijk een reflexie over het fenomeen dictatuur en de recente Tweede Wereldoorlog.  

“Nieuw terrein”

Bij Elsevier maakt de vreugde al gauw plaats voor diepe bezorgdheid. Het boek is goed, heel goed zelfs, vinden ze in Amsterdam, maar past niet in het fonds. Tegelijk beseffen ze dat Lampo als schrijver tot het onhandelbare type behoort dat alleen zijn eigen ding kan doen. Ze zien ook in dat het weinig zin heeft de zaak te laten aanslepen. Directeur N.E.M. van den Brink schrijft op 30 mei 1952:

Alexandre A. M. Stols

“Het door u gestelde gegeven beweegt zich op een zo geheel nieuw terrein, dat een ruim intern beraad noodzakelijk was. Dit is zojuist afgesloten. Wij hebben geconcludeerd, dat Uw manuscript, gegeven de samenstelling van ons fonds, niet door ons zal worden uitgegeven. Van de andere kant zijn wij ons zeer bewust van de literaire kwaliteiten van Uw werk, en zouden het manuscript gaarne zien ondergebracht bij een daartoe gekwalificeerde uitgever. In dit verband hebben wij er menen goed aan te doen, de heer Stols die, zoals U weet, in Ecuador vertoeft, over dit boek te benaderen. […]”

“Wij hopen, dat u onze misschien wat voortvarende werkwijze kunt billijken, want op deze wijze zouden wij toch het manuscript onder onze zorgen kunnen uitgeven, daar de exploitatie van het fonds Stols in onze handen ligt.”

Hubert Lampo antwoordt op 2 juni 1952: “Uw voorstel de heer Stols in de uitgave van mijn roman te betrekken draagt geheel mijn instemming weg en het lijkt mij een volkomen logische oplossing, vermits zojuist in het fonds Stols mijn boekje (samen met Ben van Eysselsteijn) ‘Idomeneia en de Kentaur’ verscheen. […]”

“Interessant gegeven”

“Ik bezit nog een kopij van mijn roman op tamelijk licht doorslagpapier; verdient het geen aanbeveling, dat ik u dit exemplaar laat geworden met het oog op eventuele luchtpostverzending naar Ecuador?”

Op de suggestie Van den Brink “dat wij nog steeds uitzien naar een boek van Uw signatuur, dat in ons fonds kan worden opgenomen”, repliceert Lampo: “Enige tijd reeds loop ik rond met een vrij interessant gegeven (denk ik althans!) voor een detectivestory; ik hoop de nodige moed te vinden om er een aanvang mee te maken, wanneer ik omtrent de uitgave van ‘Hiëroglyphen in het Zand’ definitieve zekerheid heb. Het komt mij voor dat een dergelijke roman (waarin ik een poëtisering van het gebruikelijke detectivegenre zou nastreven), dan weer dichter bij de ‘Elsevier’-sfeer zou liggen […]”.

Een Remington Office Writer, zoals die waarop Lampo werkte

Hij voegt eraan toe: “Indien er werkelijk iets van komt, dan zal ik U het manuscript in de eerste plaats voorleggen, want ik heb mij voorgenomen in geen enkel contract nog wissels op toekomstig werk te trekken, teneinde […] steeds vrij te zijn in mijn onderhandelingen met de uitgever.”

Alexandre Alphonse Marius, gezegd “Sander” Stols (1900-1973), afkomstig uit Maastricht, zit sinds 1922 in de boekenbranche (6). Zijn uitgaven staan bekend om hun typografische verzorging. Na de oorlog heeft hij zich in Den Haag gevestigd. Hij geeft werk uit van talrijke Nederlandse schrijvers – Vestdijk en Achterberg, onder anderen – en van de Vlamingen Marnix Gijsen (1899-1984), Jan van Nijlen (1884-1965) en Karel van de Woestijne (1878-1929). In 1951 vertrekt Stols naar Zuid-Amerika waar hij tot 1965 voor de Unesco werkt. De dagelijkse leiding van zijn bedrijf vertrouwt hij toe aan Jan-Pieter Barth (1927- ), maar hij blijft zelf de beslissingen nemen.

Gekibbel incluis

De bijzonder uitgebreide correspondentie Lampo-Barth begint formeel, maar krijgt van langsom een vriendschappelijk karakter, gekibbel en verzoeningen incluis. Een groot deel gaat over zakelijke aangelegenheden zoals de aankoop van boeken door verschillende Belgische ministeriële diensten en de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Die boeken worden vanuit Nederland naar België gestuurd, wat soms ingewikkelde toestanden met de douane veroorzaakt; de kopers betalen deels aan de uitgever, deels aan de schrijver.

Ook recensies komen uitvoerig aan bod – zowel besprekingen van Lampo’s boeken in de Nederlandse pers als de recensies die de schrijver in Volksgazet publiceert over Stols-uitgaven. En er is sprake van andere schrijvers en hun werk.

Een deel van de Barth-brieven is getypt, een ander deel met de hand geschreven in een moeilijk leesbaar handschrift waarover zijn Vlaamse correspondent zich meer da, eens beklaagt. Maar Barth heeft een broertje dood aan de schrijfmachine; als hij een brief niet aan zijn secretaresse kon dicteren, grijpt hij ongegeneerd naar de vulpen.

Op 10 juni 1952 meldt Barth aan Lampo dat hij het manuscript van Hiëroglyphen in het Zand bij Elsevier heeft opgehaald en gelezen. Hij informeert naar het exemplaar op doorslagpapier om dat naar Quito te sturen.

Muzikale stijl

“Mijn persoonlijke mening,” zegt hij, “is dat het boek grote litteraire kwaliteiten bezit en de intrige heeft me zeer geboeid. De stijl vind ik bepaald muzikaal. Echter, over de verkoopmogelijkheden vermag ik minder met kennis van zaken te spreken, en moet ik de beoordeling daarover aan anderen overlaten. Morgen ga ik weer naar Amsterdam en breng dan Uw ms aan de verkoopspecialist, dien ik, evenals den Heer Stols mijn mening over het litteraire gedeelte zal mededelen. Wat dat betreft, heeft U dus mijn volste medewerking! Wachten wij dus nu af, wat de verkoopman en dhr Stols als oordeel hebben.”

“De Belofte aan Rachel”, eerste druk

Lampo antwoordt op 11 juni. Hij verwoordt zijn tevredenheid met de gang van zaken. En dan zegt hij, nogal overbodig: “Misschien is het een beetje tactloos, maar het komt mij voor, dat ‘Hiëroglyphen’ in de handel toch op zijn minst een even goede beurt kan maken, als het door Stols aangekondigde ‘Donkere Huis’ van de bij ons inexistante A.J.J. Delen, – een werk trouwens dat door het ‘Nieuw Vlaams Tijdschrift’ unisono werd afgewezen. Het is slechts in het spel van de berekening mijner eigen kansen, dat ik mij een dergelijke overweging in vertrouwen wens te veroorloven…”

“Academisch karakter”

Lampo heeft Barth intussen meegedeeld dat hij het “lichte” manuscript op doorslagpapier naar Elsevier heeft gestuurd. Barth haalt dat in Amsterdam op en stuurt het naar Quito sturen. De portokosten bedragen fl. 14.53.-, zoals hij niet nalaat te vermelden.

In afwachting van een beslissing van Stols, stelt Barth voor de dialogen in Hiëroglyphen in te korten en het boek een andere titel te geven. Op 14 juni schrijft hij: “Mij persoonlijk doet het wel genoegen, indien u enkele uitweidingen zoudt kunnen inkorten, want af en toe hebben de gesprekken een ietwat academisch karakter. Een verkorting daarvan zal de leesbaarheid aanmerkelijk verhogen.”

“De Duivel en de Maagd”, eerste druk.

Op 23 juni voegt Barth daaraan toe: “[…] wat m.i. van groot belang is, ik geloof dat een gemakkelijker titel de verkoop gunstig zou beïnvloeden. In de eerste plaats merkte ik n.l. op dat enkele mensen Uw titel verwarren met die van Gerrit Achterberg, die zoals U weet een gedichtenbundel ‘Hiëroglyphen’ heeft geschreven en een ‘Jezus schreef in het Zand’.”

“Dit tezamen getrokken wordt dan ‘Hiëroglyphen in het Zand’. Bovendien is mijn ervaring dat een titel makkelijk op de tong moet liggen […]. Er is natuurlijk een bepaalde categorie mensen die op de naam Lampo alles koopt, al zou de titel er in het Chinees op staan, doch wij moeten toch trachten een groter publiek te vinden en die schrikken zich dood bij het lezen van het woord Hiëroglyphen.”

Oud-testamentisch

Op 9 juli 1952 wordt bij Lampo aan de Cederlaan in Wilrijk bij Antwerpen een telegram besteld: “Proficiat Hiëroglyphen geaccepteerd door Stols – Jan Peter.” Op 15 juli stelt de schrijver de titel Zoon van Rachel voor. “Mijn stoutste verwachtingen worden overtroffen door het feit, dat het boek nog in het najaar zal verschijnen.”

Barth antwoord op 16 juli: “Wat de titel betreft vind ik Zoon van Rachel ook niet zo geslaagd, alhoewel we het toch wel in het Oud-testamentische zullen moeten zoeken, of iets, onmiddellijk daarvan afgeleid.”

“Terugkeer naar Atlantis”, eerste druk

Op 23 juli stuurt Barth een telegram: “Waar blijft manuscript en veranderde titel”.

Maar het komt blijkbaar allemaal goed. Uit een brief van 26 augustus van de auteur blijkt dat de titel intussen De Belofte aan Rachel is geworden. Voor de petite histoire: mijn moeder heeft altijd volgehouden dat zij die titel heeft verzonnen. Wat ik ook geloof. 

Op 6 oktober 1952 is in een brief van de uitgever sprake van drukproeven, een contract en publiciteit. De 21ste heeft Stols het over een voorschot van 400 gulden.

“Ik zal het zo regelen, dat het in mindering gebracht worde van Uw schuld bij Elsevier, waarvan reeds in het begin van dit jaar een som aan royalties voor de Dame en haar Beestje [Idomeneia en de Kentaur] is afgegaan. Wanneer we daar dan aan het eind van het jaar dan nog eens de inkomsten van dit jaar voor het andere boek bij doen, zullen we wel een aardig eind op weg komen, zodat Uw bezorgdheid daarover dus ingetoomd kan worden.”

Bevredigend

Zo komt, op een voor iedereen bevredigende manier, een einde aan de gevolgen van het Schoonebeek-avontuur. Zonder dat het eigenlijke mysterie is opgelost. Schrijversarchieven vertellen niet alles.

Ook Terugkeer naar Atlantis (1953) en De Duivel en de Maagd (1955) zullen bij A.A.M. Stols verschijnen. En dat is, geeft Lampo toe, voor een flink stuk te danken aan zijn uitgever. Op 17 oktober 1956 schrijft hij Barth:

“Idomeneia en de Kentaur”

“Ik heb het altijd zeer op prijs gesteld met je te kunnen samenwerken en ofschoon ik je wel eens naar de drommel heb gewenst, als je stond te springen voor een nieuw boek, erken ik niettemin ridderlijk, dat zonder jouw aandringen ‘Terugkeer naar Atlantis’ en ‘De Duivel en de Maagd’ waarschijnlijk niet geschreven zouden zijn.”

Uit de correspondentie blijkt dat de schrijver enige druk nodig had om aan een roman te beginnen. Ik vermoed dat hij zich met teveel dingen tegelijk bezighield: zijn baan als inspecteur van de openbare bibliotheken, de werkelijke Kunst en Cultuur-pagina van Volksgazet en het redactiesecretariaat van het Nieuw Vlaams Tijdschrift.

Brieven die Lampo vlak voor en na de Bevrijding schreef, geven blijk van het feit dat hij schrik had voor een job die hem geen tijd zou laten om te schrijven. Hij dacht dan vooral aan het onderwijs, waarvoor hij was opgeleid, maar waar hij totaal niets voor voelde. Uiteindelijk belandde hij door eigen toedoen toch min of meer in zo’n situatie.

Eugeen Bosschaerts

De schrijver bemiddelde bij Barth ook voor andere Vlamingen. In dezelfde brief van 17 oktober 1956 staat:

“Ik wil nog eens aandringen voor de gevallen De Wispelaere en Bosschaerts, en vooral voor laatstgenoemde. Na verloop van enige maanden geef ik er mij rekenschap van, dat ‘De Club der acrobaten’ misschien erg lang is, doch ik heb met de auteur afgesproken, dat ik met te zijner beschikking houd om nu eens na te gaan, wat eventueel zou kunnen geschrapt worden.  Hij is een redelijk mens en m.i. een merkwaardig talent […].”

Eugeen Bosschaerts

“Als gij hem behandelt, zoals gij mij behandeld hebt, zo ben ik ervan overtuigd, dat ook hij weldra opnieuw aan het schrijven gaat, ook kortere dingen, die de firma Stols financieel minder zwaar engageren. Een onbekende is hij in Vlaanderen niet, doch hij is tot dusver steeds erg zuinig op zichzelve geweest, wat mede hieraan toe te schrijven is, dat ook zijn ervaringen met het Vlaamse uitgeversbedrijf niet bepaald aanmoedigend waren.”

Eugène Bosschaerts (1901-1965) is een Antwerps dichter en prozaschrijver, die behoort tot de “betere psychologen en stilisten van zijn generatie,” aldus het Winkler Prins Lexicon van de Nederlandse Letterkunde. Het “speelse en vernuftig gecomponeerde” De Club der Acrobaten verschijnt in 1958) bij  Stols.

Zoals gezegd, recenseert Lampo in Volksgazet ook boeken die Stols uitgeeft. Dat leidt soms tot wrijvingen. Hierboven was al sprake van de roman Het donkere Huis van Ary J.J. Delen die Stols wil uitgeven en die in de ogen van Lampo geen genade vindt. Over Delen wordt nog herhaaldelijk epistolair van gedachten gewisseld.

Ary J.J. Delen

Ary J.J. Delen (1883-1960) is een jeugdvriend van Alfons De Ridder, beter bekend als Willem Elsschot (1882-1960) en net zoals hij en Lode Baekelmans (1879-1965) oud-leerling van het Koninklijk Atheneum in Antwerpen.

Willem Elsschot

Delen publiceert gedichten en proza, maar maakt vooral carrière als kunsthistoricus. Hij schrijft talrijke monografieën en is o.m. verbonden aan het Stedelijk Prentenkabint in Antwerpen. Van 1944 tot 1948 is hij conservator van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten.

In 1954 nog schrijft Barth aan Lampo over Delen, waarop Lampo antwoordt:

“U spreekt over Delen in uw brief. Mag ik U, om misverstanden te vermijden, even toelichten hoe het komt, dat ik niet bepaald gek op de heer Delen ben? Het is idioot over zo iets nog in bijzonderheden te treden, maar ik loop liever de kans overdreven vertrouwelijk te zijn, dan de indruk van vooringenomenheid te wekken […]. Tien jaar geleden is mijn eerste huwelijk afgesprongen. Mijn ex-vrouw was de dochter van een vriend van Delen. […]

Frans Smits in maçonnieke uitrusting

Maar mijn ex-schoonvader (de ‘letterkundige’ Frans Smits) heeft het toen nodig geacht de heer Delen, met wie ik uitstekende betrekkingen onderhield, tegen mij in het harnas te jagen […]. Toen heeft onze vriend niet beter gevonden dan mij als het nec plus ultra van het crapule af te schilderen in een brief, die hij speciaal hiervoor naar mijn toenmalige werkgever, de huidige senator Molter, uitgever van het ‘Nieuw Vlaams Tijdschrift’ en van ‘Volksgazet’, geschreven heeft.

Deze laatste, die Delen en mij kent, heeft mij het epistel laten lezen. Ik heb sedertdien de heer Delen voorgoed afgeschreven en wil met deze zonderlinge man niet meer te maken hebben. Dat is alles. […] Inmiddels heb ik zijn kunsthistorische werken steeds zeer gunstig besproken, doch dezelfde sereniteit en dezelfde objectiviteit zijn er de redenen van, dat ik zijn romans, – zelfs in de prachtige presentatie van het huis Stols, houd U het mij ten goede – , bar slecht vind, slechter nog dan Baekelmans.”

Ary J.J. Delen

Intussen lijkt het er sterk op dat Delens tussenkomst bij Adolf Molter vooral, zo niet uitsluitend is ingegeven door zijn overtuiging dat “de ploert Lampo” verantwoordelijk is voor de afwijzing Het Donkere Huis door het Nieuw Vlaams Tijdschrift in 1950 (7). Maar dat is niet zo: meerdere redacteuren oordelen over de kopij en de redactiesecretaris heeft als opdracht de inzenders hun oordeel mee te delen.

Voordien is de relatie Lampo-Delen inderdaad erg goed. Lampo begint in 1946 aan de deels autobiografische roman De Ruiter op de Wolken. Hij verwerkt er herinneringen aan zijn huwelijk en ex-schoonfamilie in. Uitgeefster Angèle Manteau speelt het typoscript door aan Willem Elsschot die jurylid is van de Leo J. Krynprijs – en familie van Lampo’s ex-schoonvader, de schrijver Frans Smits (1891-1967) die in 1942 de eerste biografie van Elsschot heeft gepubliceerd.

“De Belofte aan Rachel”, 14de druk, 1979

In een ietwat vaderlijke missive suggereert de oudere schrijver Lampo om bepaalde zinnen over zijn gewezen schoonmoeder weg te laten. Lampo antwoordt, verwijzend naar de autobiografische elementen in het boek: “En ik zou er hebben tegen gevochten, ware het niet dat ik kort na de breuk […] Ary Delen op het lijf ben geloopen, toen ik, nog helemaal vol van de misère, mijn geschiedenis vertelde. Hij gaf me den raad er litteratuur uit te maken, raad dien ik niet wilde volgen. Toen ik echter bij de compositie van mijn roman meer en meer uit eigen belevenissen bleek te putten, schoten me zijn woorden te binnen. Ze hielpen mij bij het terzijde schuiven van mijn scrupules…” (8)

Noten

(1) De brieven waaruit ik in dit artikel citeer, behoren – tenzij anders wordt aangegeven – tot het deel van de literaire nalatenschap van Hubert Lampo dat nog in familiebezit is.

(2) Over Van Eysselsteijn: NIJKEUTER, H. Ben van Eysselsteijn (1893-1973, Drent uit heimwee en verlangen. Een schrijversportret, de receptie van zijn werken en zijn verbondenheid met Drenthe. Assen, Van Gorcum, 1996.

(3) Letterenhuis,

(4) NIJKEUTER, pp. 88-89.

(5) Het gaat om de novelle Idomeneia die in 1950 verschijnt in het Nieuw Vlaams Tijdschrift en door Ben van Eysselsteijn is voorzien van een vervolg, Ideomenia’s einde. Beide verhalen verschijnen in 1951 samen in boekvorm bij Stols onder de titel Idomeneia en de Kentaur. Later neemt Lampo het verhaal op in de vaak herdrukte bundel Dochters van Lemurië.

(6) Over Stols: DIJK, VAN, C. Alexandre A.M. Stols 1900-1973 Uitgever/Typograaf. Een documentatie. Zutphen, Walburg Pers, 1992.

(7) Over Ary J.J. Delen: BOSSCHE, VAN DEN, S. “De flamboyante verschijning Ary Delen (1883-1960. ‘Ik heb de pest aan het literatuurtje-spelen van sommige hol-klinkende vaten'” in Nieuw Letterkundig Magazijn, jg. 21 (2003), pp. 19-21.

(8) CUYT, M., Willem Elsschot. Man van Woorden, Antwerpen, Meulenhoff-Manteau, 2004, p. 140.

Rubens in het kort

Pieter-Paul Rubens, “Pastorale in een landschap” (foto Rubenshuis).

Pieter-Paul Rubens is een kind van de Antwerpse diaspora. Hij wordt op 28 juni 1577 geboren in het Westfaalse stadje Siegen. Zijn ouders zijn de jurist Jan Rubens, oud-schepen van Antwerpen, en Maria Pijpelincx. Jan Rubens heeft aan de universiteit van Leuven gestudeerd en zijn studies voortgezet in Italië. In 1562 wordt hij schepen van zijn vaderstad Antwerpen. Jan Rubens koestert sympathie voor het calvinisme. Hij treedt zelfs op als contactpersoon tussen de Antwerpse calvinisten en Willem van Oranje.

Overspel

Eind 1568, na de komst van Alva, nemen de Rubens’en het zekere voor het onzekere en slaan op de vlucht. In 1569 strijken ze neer in Keulen. Jan Rubens treedt op als advocaat van Anna van Saksen, de vrouw van Willem van Oranje. Zij verblijft in het kasteel van het nabije Siegen. In 1570 blijkt Anna zwanger van… Jan Rubens. De Oranjes kunnen daar niet mee lachen en slaan de ex-schepen in de boeien.

Pieter-Paul Rubens, Zelfportret.

Maria Pijpelincx stelt alles in het werk om haar man vrij te krijgen. Ze verhuist naar Siegen. Uiteindelijk dreigt ze ermee het overspel van Anna van Saksen publiek te maken. Daarop zijn de Oranjes bereid Jan vrij te laten – voor een losgeld van 6.000 thalers.

Maria slaagt erin dat bedrag bijeen te brengen. Jan wordt in 1573 op vrije voeten gesteld. Maar het echtpaar moet onder toezicht in Siegen blijven wonen. Maria is verplicht om kamers in haar huis onder te verhuren en ze kweekt groenten in de tuin. In 1574 wordt hun zoon Filips geboren; in 1577 volgt Pieter-Paul.

Antwerpen

Pas in 1583 – Anna van Saksen is dood en Willem de Zwijger is hertrouwd – keert het gezin Rubens naar Keulen terug. Jan Rubens bekent zich weer tot het katholicisme zodat hij opnieuw zijn beroep kan uitoefenen. Na zijn dood in 1587 verhuist Maria Pijpelincx met haar kinderen naar Antwerpen.

Pieter-Paul Rubens, “Portret van een oude vrouw”, vermoedelijk zijn moeder, Maria Pijpelincx (München, Alte Pinakothek)

Het familiefortuin is blijkbaar niet helemaal op, want ze kan in een fraaie patriciërswoning aan de Meir vestigen en huwelijkt haar dochter Blandina uit aan een rijke koopman.

Pieter Paul stuurt ze naar de school van meester Rumoldus Verdonck waar Balthasar I Moretus, de kleinzoon van Plantin, zijn medeleerling is. Rubens leert er grondig Latijn en Grieks. Zijn belangstelling voor de klassieken valt meer op dan zijn drang om te tekenen: hij beperkt zich tot het kopiëren van de illustraties in een Bijbeluitgave uit 1576.

Omdat Maria beseft vindt dat haar jongste zoon meer moet kennen dan Grieks en Latijn om in de wereld vooruit te komen, helpt ze hem aan een baantje als page van de gravin van Lalaing die in Oudenaarde woont. De bedoeling is dat hij zich leert bewegen in een aristocratisch milieu. Hij blijft een jaar.

Verhaecht en Van Veen

“Hij kon niet weerstaan aan de roeping die hem naar de schilderkunst dreef,” schrijft Rubens’ biograaf Sandrart. “Uiteindelijk kreeg hij van zijn moeder de toelating om er zich geheel aan te wijden.”

Otto van Veen (a).

Op zijn vijftiende gaat Pieter Paul in de leer bij de schilder Tobias Verhaechtdie in 1595 deken van het Sint-Lucasgilde is geweest. Verhaecht is een ver familielid en een lutheraan. Na enkele maanden stapt Pieter-Paul over naar het atelier van Adam van Noort, de toekomstige schoonvader van Jacob Jordaens (Van Noort leidt in totaal 33 leerlingen op, onder wie Rubens, Jordaens en Hendrik van Baelen). Ook Van Noort belijdt min of meer clandestien het protestantisme.

Tenslotte komt de jonge kunstenaar in het atelier van Otto Van Veen (Leiden, 1556) terecht. Van Veen is een geletterde schilder, doordrongen van de klassieke geest. Hij leert Rubens alles over compositie en allegorie en stimuleert zijn interesse voor de intellectuele kant van het artistieke werk. Pieter Paul zal vier jaar bij Van Veen blijven en werkt met hem mee aan de versieringen voor de intrede van Albert en Isabella in 1599.  

Italië

Rubens’ drie jaar oudere broer Filips is intussen huisleraar geworden van de zoons van Jean Richardot, de voorzitter van de Geheime Raad in Brussel. Hij studeert samen met hen in Leuven bij de beroemde humanist en classicus Justus Lipsius.

Pieter-Pauls leertijd zit erop; hij mag zich meester in het Sint-Lucasgilde noemen. Op aanraden van Van Veen vertrekt hij in in 1600 naar Italië. Hij treedt er in dienst bij hertog Vincenzo Gonzaga van Mantua. Die vorst bezit twee paleizen vol schilderijen van Corregio, Rafaël, Titiaan, Andrea del Sarto en andere Italiaanse groten. Hij verzamelt ook Griekse en vooral Romeinse beelden.

Vincenzo Gonzaga door Frans II Pourbus (foto Wikipedia)

Om zijn broodheer van goede kopies van beroemde schilderijen te voorzien, reist Rubens vanuit Mantua naar Firenze en Rome. Hij bezoekt ook andere steden. Overal verkijkt hij zich aan de antieke kunst, de meesters van de Renaissance en zijn Italiaanse tijdgenoten. Tussendoor schildert hij retabels en portretten.

In 1603 stuurt de hertog hem naar Spanje met geschenken voor koning Filips III, in de hoop dat deze Mantua politieke bescherming zal bieden. Het wordt de eerste diplomatieke missie van de schilder. In Madrid kopieert Pieter-Paul werk van zijn grote voorbeeld Titiaan. Hij knoopt relaties aan met de hertog van Lerma van wie hij een ruiterportret schildert – volgens sommigen zijn eerste echte meesterwerk.

Dood van Maria Pijpelincx

Van 1605 tot 1607 woont Rubens samen met zijn broer Filips in Rome. Filips is daar bibliothecaris van kardinaal Ascanio Colonna geworden. Nadien reist de kunstenaar terug naar Mantua. Hij vergezelt de hertog naar Genua, waar hij de architectuur van de paleizen bewondert. In 1622 zal hij daarover bij Moretus een boek uitgeven.

Pieter-Paul Rubens, “Isabella Brant”.

In 1608 hoort Rubens dat zijn moeder ziek is en keert terug naar Antwerpen. Maar hij komt te laat: bij zijn aankomst is Maria Pijpelinckx al dood. Hij trekt in bij zijn broer Filips aan de Kloosterstraat. Filips is al in 1607 uit Italië teruggekeerd en in Antwerpen getrouwd met met Maria de Moy, de dochter van een van de vier stadssecretarissen die Antwerpen rijk is, Hendrik de Moy. Bij de dood van diens collega Jan Bochius volgt Filips hem op. Lang zal hij het ambt niet uitoefenen, want hij sterft zelf in al 1611, op 37-jarige leeftijd.

Aartshertogen

Rubens’ reputatie is doorgedrongen tot aan het hof in Brussel. De aartshertogen Albrecht en Isabella benoemen hem in 1609 tot hofschilder, maar hij mag in Antwerpen blijven wonen. Het jaar daarop trouwt de kunstenaar met Isabella Brant, de dochter van de jurist Jan Brant. Weldra bestelt het stadsbestuur op instigatie van broer Filips bij hem een Aanbidding der Koningen voor het stadhuis.

Rubens portretteerde de aartshertogen Albrecht en Isabella (foto MutualArt).

Van het kerkbestuur van de Sint-Walburgiskerk krijgt hij dan weer de opdracht om de Kruisoprichting te schilderen. Dat is te danken aan de koopman en kunstverzamelaar Cornelis van der Geest (1555-1638) die kerkmeester van de Sint-Walburgis is.

Kruisafneming

In De Kruisoprichting voert Rubens Christus voor het eerst ten tonele als een atleet die worstelt met de dood. De diagonale compositie van het middenluik herinnert aan Tintoretto. Aan die schilder en aan Caravaggio ontleent Rubens de sterke contrasten tussen licht en schaduw.

Kort daarop vraagt het gilde der Kruisboogschutters aan Rubens om voor zijn altaar in de Onze-Lieve-Vrouwekerk een Kruisafneming te borstelen. Het werk is klaar in 1612 en maakt ophef wanneer het wordt ingehuldigd. Rubens heeft nu voorgoed zijn stijl gevonden.

Het Rubenshuis aan de Wapper (foto Spotting History).

In 1610 koopt de schilder een huis aan de Wapper. Hij voegt er de komende jaren een atelier in Genuese stijl aan toe, versierd met klassieke beelden en opschriften uit de Romeinse literatuur.  Nog voor zijn verhuizing staat Rubens al aan het hoofd van een groot atelier dat hij doet draaien als een goed geoliede machine. Zijn talentrijkste leerling – al verschillen kunsthistorici van mening over de precieze betekenis van die term – en medewerker is van Dyck. 

Van Dyck

Van Dyck leidt in opdracht van de meester de vervaardiging van de kartons – in feite volwaardige olieverfschilderijen op formaat 1/1 – voor de reeks wandtapijten De Geschiedenis van Decius Mus. De Genuese zakenman Franco Cattanero bestelt die reeks in 1616 bij de Brusselse tapijtwevers Jan Raes en Frans Sweerts, die op hun beurt Rubens inschakelen voor de ontwerpen.

Antoon van Dyck, “Zelfportret met Zonnebloem”.

De tapijtcyclus illustreert een verhaal uit de Romeinse geschiedschrijver Livius, dat nooit eerder het onderwerp is geweest van een kunstwerk.   

Rubens kent Van Dyck ook een voorname rol toe bij de totstandkoming van de plafondschilderingen voor de nieuwe jezuïetenkerk. Het gaat om negenendertig plafondstukken. Rubens neemt zelf de twee altaarstukken voor zijn rekening (de plafondschilderingen gaan verloren bij de brand in 1718).

Prenten

De Deense arts Otto Sperling bezoekt Antwerpen in 1621 en stapt af bij Rubens. “Wij zagen daar,” schrijft hij, “een grote zaal, zonder vensters, maar waar het licht door een brede opening in de zoldering viel. In deze zaal zaten vele jonge schilders, die allen arbeidden aan verschillende werken, waarvoor M. Rubens hun tekeningen had gegeven, hier en daar met kleur opgehoogd. Deze schilderijen moesten de jonge lieden geheel in kleur uitvoeren, totdat M. Rubens ze tenslotte met penseeltoetsen en verwen voltooide.”

Lucas Vortsterman, “De Kruisafneming”, naar Rubens.

Rubens doet er alles aan om zijn werk nog meer bekendheid te geven doormiddel van prenten. De verkoop daarvan is winstgevend – op voorwaarde dat de schilder in een bepaald land het alleenrecht verwerft. Rubens krijgt dat in Spanje en de Republiek. In 1619 wendt Rubens zich tot zijn vriend Gevartius die in Parijs verblijft om ook een Frans privilegie los te krijgen. Gevartius brengt de schilder in contact met de jurist en oudheidkundige Fabri de Peiresc, raadsheer bij het parlement. Rubens en hij blijven vrienden voor het leven.

“Ik waak er steeds over dat de graveerder zich niet van het model verwijdert,” meldt Rubens aan een correspondent in Nederland, “en ik ondervind minder moeilijkheden om een jonge man van goede wil onder mijn ogen te doen werken dan om de zaak toe te vertrouwen aan volleerde meesters wier fantasie als wet geldt”.

Pook

In 1619 neemt Rubens Lucas Vorsterman in dienst. Die maakt schitterende prenten naar de doeken van zijn opdrachtgever. Maar hij blijkt er een even uitgesproken persoonlijkheid op na te houden. Lang duurt het niet voor hij diep gefrustreerd raakt door zijn ondergeschikte rol. Vorsterman kan er niet tegen dat zijn werk enkel gewaardeerd wordt als vehikel van de “inventies” van Rubens.

Lucas Vorsterman, getekend door Anthony van Dyck (The Fitzwilliam Museum, Cambridge).

Het komt tot hevige ruzies tussen schilder en graveur. Er wordt beweerd dat Vorsterman Rubens te lijf gaat met een pook; in Parijs loopt het gerucht dat Rubens het incident niet heeft overleefd. Vrienden van de schilder richten zich tot de overheid om bescherming voor hem te vragen. Een en ander loopt af met een sisser en Vorsterman vertrekt voor een poos naar Londen. Na zijn terugkeer zal hij opnieuw met zijn vroegere baas samenwerken.

Fabri de Peiresc meldt Rubens dat koningin Marie de Medici, regentes van Frankrijk, twee reeksen schilderijen wil voor haar nieuwe Palais du Luxembourg in Parijs. De eerste moet gewijd zijn aan haar leven, de tweede aan dat van haar vermoorde man Hendrik IV.

Diplomatie

Uiteindelijk voltooit Rubens enkel de eerste serie. Hij reist er meermaals voor naar de Franse hoofstad. In 1625 superviseert hij de plaatsing van drie grote schilderijen stukken van ieder meer dan zeven meter lang, achttien kleinere taferelen en drie portretten. De kunstenaar combineert historische personages met allegorische voorstellingen en klassieke goden.

Pieter-Paul Rubens, “Portret van zijn dochter Clara Serena”.

Aartshertogin Isabella begrijpt dat de hoofse, ambitieuze Rubens met zijn wijdvertakte internationale contacten uiterst inzetbaar is als diplomaat. Zij gebruikt hem voor de realisatie van haar grote politieke ambitie: vrede tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. Omdat directe onderhandelingen voorlopig niets opleveren werkt Rubens vanaf 1627 aan een verdrag tussen Spanje en Engeland. De bedoeling is om zo een eind maken aan de Engelse steun aan de Hollanders. Rubens reist heen weer tussen Londen en Madrid.

In het voorjaar van 1630 verblijft de schilder in Engeland. Koning Karel I slaat hem tot ridder (een titel die ook de Spaanse koning hem enkele maanden later verleent). De Engelse vorst bestelt bovendien plafondschilderingen voor het gloednieuwe Banqueting House van zijn paleis Whitehall. Als onderwerp kiest Karel de regering van zijn vader, James I, die Schotland en Engeland onder een kroon heeft verenigd.

Maria de Medici

Isabella stelt Rubens aan tot haar vertegenwoordiger bij Maria de Medici. Die laatste is haar land ontvlucht en zoekt bescherming zoekt in de Spaanse Nederlanden. Daarna stuurt de aarsthertogin haar hofschilder nog een paar keer naar de Noordelijke Nederlanden om over vrede te praten. Maar veel haalt  het allemaal niet uit en Rubens zet een punt achter zijn diplomatieke carrière.

Inmiddels is hij hertrouwd met de 16-jarige Hélène Fourment (hijzelf is 53). Rubens kent de familie Fourment al lang. Helena’s oudere zus Suzanna heeft model gestaan voor Het strohoedje. De kunstenaar zal zijn piepjonge vrouw vaak schilderen. Haar bekendste portret is ongetwijfeld Het Pelsken.

Pieter-Paul Rubens, “Hélène Fourment”, ca. 1630 (foto Wikimedia Commons)

Na de dood van aartshertogin Isabella in 1633 benoemt de Spaanse koning Filips IV zijn broer, de kardinaal-infant Ferdinand tot nieuwe landvoogd van de Spaanse Nederlanden. Zoals gebruikelijk zal de nieuwe gouverneur-generaal de voornaamste steden aandoen. Ferdinand komt in april 1537 naar Antwerpen. Rubens krijgt de opdracht om de hele stad te decoreren en ontwerpt een indrukwekkend geheel van triomfbogen, poorten, podia en tribunes. “Ik heb geen tijd meer om te leven en om te schrijven,” meldt hij aan Peiresc.

Kardinaal-Infant Ferdinand

Rubens levert ontwerpen van een nooit geziene pracht. Voor de uitvoering kan hij reken op de beste schilders van Antwerpen: Jacob Jordaens, Cornelis de Vos, Erasmus Quellin, Theodoor Rombouts, Cornelis Schut, Theodoor van Thulden en anderen. Er zijn ook zes beeldhouwers van de partij, onder wie Quellinus en Van Mildert.

Pieter-Paul Rubens, “Landschap met Philemon en Baucis”.

Er komen elf triomfbogen op verschillende punten van de stad. Die van de Meir is de mooiste is versierd met twaalf standbeelden in witte steen van de keizers uit het Oostenrijks huis en twaalf andere van de goden uit de klassieke mythologie. Het geheel heeft de vorm van een halve zeshoek en is bekroond met een obelisk. Op andere plaatsen staan podiums en de wagens van de Ommegang zijn als bezienswaardigheden tentoongesteld. Overal ziet het publiek een overvloed aan guirlandes, feestmasten, festoenen en vlaggen.

’s Namiddags heeft de kardinaal-infant op de Grote Markt een “vertoon” van De Violieren geschouwd over het huis van Oostenrijk. In de Sint-Michielsabdij waar de prins verblijft, spelen ze voor hem een toneelstuk over Perseus en Andromeda.

Buitengoed

In het jaar van de blijde intrede van Ferdinand koopt Rubens het kasteel van Steen in Elewijt bij Vilvoorde. Daar brengt hij zijn laatste vijf zomers door. Er ontstaan talrijke weidse en lyrische landschappen die men tot het beste van zijn werk rekent.  Inmiddels gaat de activiteit in het Antwerpse atelier verder. De meester schildert een aantal profane werken met mooie naakten zoals De plagen van de oorlog, bestemd voor de groothertog van Toscane, de Sabijnse Maagdenroof en vele andere.

Pieter-Paul Rubens, “Herfstlandschap met gezicht op Het Steen”.

De kardinaal-infant bestelt een laatste reeks grote decoratieve stukken voor het jachtslot Torre de la Parada van zijn broer, de koning, bij Madrid. Het gaat om een uitbeelding van de Metamorfosen van Ovidius.

Rubens sterft op 30 mei 1640 aan de gevolgen van jicht. Hij wordt begraven in de Antwerpse Sint-Jacobskerk.