[Literatuurgeschiedenis] Censuur / geen censuur. Belgische priesters en politiemannen tackelen ‘pornografie’

liseuse
Antoine Wiertz, ‘La Liseuse de Romans’ (a).

Censuur is in België onmogelijk. Artikel 25 van de Grondwet van 1831 bepaalt dat de drukpers vrij is en censuur ‘nooit’ kan worden ingevoerd. Voorts bestaat de vrijheid ‘om op elk gebied zijn mening te uiten […]’, behalve wanneer daarbij misdrijven worden gepleegd. Dat kan zijn wanneer de ‘openbare zedelijkheid’ (een begrip uit de strafwet) wordt geschonden. Bij ‘openbare schennis van de goede zeden’ denkt de wetgever bijv. aan liederen en teksten – maar de concrete invulling van wat ‘de eerbaarheid kwetst’ is de taak van de rechter.

Een en ander belet de katholieke kerk niet te zeggen wat de gelovigen wel of niet mogen lezen, wat in de 19de en een flink stuk van de 20ste eeuw leidt tot herhaalde ingrepen van de clerus. Nogal wat schrijvers kunnen daarvan meespreken.

Hendrik Conscience

In 1842 werkt de schrijver Hendrik Conscience (1812-1883) als ‘griffier’ in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Enkele jaren eerder heeft hij De Leeuw van Vlaenderen gepubliceerd. In Vlaamsgezinde kringen is Conscience een gevierd man; hij geniet de vriendschap en bescherming van zijn directeur, de liberale schilder (n vrijmetselaar) Gustaf Wappers.

Maar in de ogen van de Kerk is Conscience verdacht. Romans, zo menen veel priesters, zijn een product van de liberale Franse geest. Voor de gelovigen zijn ze gevaarlijk omdat ze tot de verbeelding spreken zonder daarom per se de waarheden van het geloof te propageren.

Bovendien heeft Conscience in zijn debuutroman, In ’t Wonderjaer (1837) openlijk de lof van de Geuzen die in de 16de eeuw in opstand komen tegen Spanje gezongen. Alsof dat niet erg genoeg is bevat De Leeuw bevat niet gewelddadige taferelen, maar vertelt de roman ook over de liefde tussen (de fictieve) Machteld, dochter van de graaf van Vlaanderen, en de heldhaftige ridder Adolf van Nieuwland.

250px-Kortrijk_1302_Henri_De_Pondt_portret_van_Hendrik_Conscience_ca__1870_9-01-2010_14-59-41
Hendrik Conscience.

Omdat de uitgeverij in Vlaanderen nog nergens staat, moeten auteurs die hun werk gedrukt willen zien de kosten zelf dragen. Zo komt het dat In ’t Wonderjaer en De Leeuw hun auteur niets hebben opgebracht. Conscience mag dan een baan hebben, rijk wordt hij daar niet van. Groot is dan ook zijn blijdschap wanneer Wappers hem in contact brengt met de ‘inspecteur van de gevangenissen’ T. Sorlus. Die overweegt beide boeken aan te kopen voor de bibliotheken van de strafinrichtingen in het Nederlandstalige landsgedeelte. Conscience stapt naar zijn drukker en die bestelt prompt de nodige riemen papier.

Maar dat is gerekend buiten de invloed van kanunnik Jan-Baptist Van Hemel (!), hoofd van het Klein Seminarie in Mechelen en censor librorum van het aartsbisdom. Ondanks de bepalingen van de Grondwet en de scheiding van kerk en staat weegt de clerus zwaar op de besluitvorming – waaronder die in het gevangeniswezen.

Van Hemel verzet zich tegen een eventuele aankoop van In ’t Wonderjaer en De Leeuw, tenzij de schrijver zich bereid toont om veranderingen aan te brengen. Conscience, die sowieso geen sterk karakter heeft, staat met zijn rug tegen de muur. Toegeven, maakt Van Hemel hem duidelijk, betekent niet alleen dat de bestelling voor de gevangenisbibliotheken doorgaat, maar ook dat zijn romans door de zeshonderd leerlingen van het Mechelse Klein Seminarie zullen gelezen worden. En omdat hij het ijzer wil smeden wanneer het heet is, doet de kanunnik meteen een reeks suggesties.

Conscience gaat door de knieën. Van Hemel, maar ook P.J. Visschers, de pastoor van de Antwerpse Sint-Andrieskerk en –  naar verluidt – de felle polemist priester Jan-Baptist Buelens, onderpastoor van de Sint-Jacobskerk, buigen zich over de gewraakte boeken. De schrijver luistert en gaat aan de slag.

Gecastreerd

In ’t Wonderjaer zal voortaan Het Wonderjaer heten; de priesters in het boek krijgen een mooiere rol en het behoud van het katholieke geloof komt centraal te staan. In De Leeuw sneuvelen bloeddorstige uitlatingen van opstandelingenleider Jan Breydel en Machteld bemint haar ridder niet langer ‘met onrustige drift’, maar als een zuster. Beide romans verliezen ook hun Vlaamsgezinde voorwoord.

De nieuwe versie van Het Wonderjaer verschijnt in 1843, weldra gevolgd door de ‘gecastreerde’ Leeuw. Voor Conscience is het pad naar succes geëffend, maar zijn geloofwaardigheid ligt aan diggelen en zijn liberale vrienden keren zich van hem af. Voortaan legt hij een voorzichtigheid aan de dag die zijn oeuvre niet ten goede komt.

Timmermans
Felix Timmermans.

‘Ik heb slechts gelachen en niet gespot met het domme bijgeloof in onzen schonen godsdienst en ’t ware goed dat dit veel gedaan wierd, ter ere van den godsdienst zelf,’ schrijft de beroemde Felix Timmermans (1886-1947) in 1920 naar aanleiding van de kritiek op zijn roman Pallieter (1917). ‘Dat wil nu niet zeggen, dat ik een vierkantig voorbeeld van katholiek ben. Ik probeer slecht een goede katholiek te zijn’.

Maar goede wil volstaat niet, zelfs niet voor onverdacht katholieke schrijvers. Pallieter doet in kerkelijk kringen nogal wat wenkbrauwen fronsen.

De roman is eerst in afleveringen verschenen in het Nederlandse literaire tijdschrift De Nieuwe Gids en komt het jaar daarop in boekvorm van de pers bij P.N. Van Kampen en Zoon in Amsterdam. Pallieter kent dadelijk een groot succes maar werkt ook op de zenuwen van bepaalde pastoors en zelfs van protestantse dominees.

Timmermans’ titelheld houdt intens van de natuur – zozeer dat de enen hem ‘heidens’ vinden en de anderen hem voor een ‘pantheïst’ verslijten. De humor die de auteur zich permitteert wanneer hij over kerkelijke gebruiken en priesterlijke gedragingen spreekt – de pastoor in Pallieter kijkt soms te diep in het glas – heten bij hen ‘godslasterlijk’.

In 1918 noemt de Nederlandse redemptorist M. Stoks Pallieter in het dagblad De Tijd ‘een veeg en denkelijk teken des tijds, en […] een sterk typerend symptoom van nieuw-humanisme […] De ware, verfrissende, sterkende levensvreugde welt naar onze Roomse opvatting uit diepere en heldere bronnen’.

Kanunnik

Stoks heeft veel invloed in het noorden. Het Nederlandse episcopaat klopt aan in Rome en krijgt er gedaan dat ‘de lezing van Pallieter, door Felix Timmermans […] de katholieken verboden is’, hoewel de roman niet officieel op de kerkelijke Index komt. De bekendmaking hiervan verschijnt in drie Nederlandse kranten.

Het pauselijk verbod geldt natuurlijk in België, maar kardinaal Mercier, de aartsbisschop van Mechelen, beperkt zich tot de publicatie van de Latijnse tekst in de ‘vaktijdschriften’ van de bisdommen, zonder er verder ruchtbaarheid aan te geven.

Timmermans, die een en ander van zijn vrienden moet vernemen, is geschokt, maar het komt niet bij hem op zich te verzetten. Pallieter staat op een lijst van boeken, zo vertelt men hem,  die de katholieken niet mogen lezen tot ze ‘verbeterd’ zijn. Ondanks zijn onvrede is de schrijver meteen bereid om in zijn boek veranderingen aan te brengen. Alleen weet hij niet hoe zoiets in zijn werk gaat en daarom vraagt hij hulp aan de invloedrijke Antwerpse essayiste Marie Belpaire (1853-1948).

AffichePallieter
Affiche voor de film ‘Pallieter’ van Roland Verhavert (a).

Belpaire schakelt de theoloog kanunnik Theodoor Van Tichelen in, die op zijn beurt contact opneemt met kardinaal Van Roey. Intussen blijken ook Nederlandse katholieken, onder wie de aartsbisschop van Utrecht bereid om het voor Timmermans op te nemen. Uiteindelijk richt de schrijver een brief aan het Heilig Officie in Rome. Of die verder raakt dan het aartsbisdom in Mechelen is onduidelijk. Het is best mogelijk dat Van Roey of een vertegenwoordiger van de Nederlandse bisschoppen in Rome voor Timmermans ten beste spreken.

Intussen blijft Pallieter op de markt. Toch weigert de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde de roman te bekronen met de August Beernaertprijs. Ook hier is het een priester, kanunnik Muyldermans, die zijn voet dwars zet.

In 1922 verschijnt de elfde druk van Pallieter, die is aangepast. Pallieter ziet niet langer ‘de tepeltjes’ van de borsten van zijn vriendin Marieke; haar ‘boezemkens’ ‘waggelen’ niet meer en Pallieter drukt geen ‘mals en zeer dun gekleed lijf’ tegen zich aan. En een verwijzing naar de heidense god Pan wordt afgezwakt.

Maar dat alles volstaat niet. Kanunnik Van Tichelen adviseert Timmermans bij een aantal bijkomende schrappingen en veranderingen die uiteindelijk leiden tot de ‘definitief’ aangepaste 16de druk van Pallieter.

Naakt

Een scène waarin Pallieter een naakt Marieke achtervolgt en haar vervolgens meeneemt op zijn paard, is verdwenen. Andere wijzigingen zijn van nog verregaander onnozelheid – een paar volkse en grappige (maar niet ‘oneerbiedige’) omschrijvingen van God en de heiligen vervallen en Pallieter gaat een keer meer naar de mis. Pas in de jaren 1970 ontdoet men het boek van deze ‘verbeteringen’.

Walschap1933Carla
Gerard Walschap met dochter Carla.

Helemaal anders pakt het uit wanneer de kerk zich gaat bemoeien met de romans van Gerard Walschap (1898-1989). Ook de jongeman uit Londerzeel is een vroom katholiek en droomt van een leven als missionaris (maar wordt ter elfder ure weggestuurd uit het seminarie).

Walschap, intussen getrouwd en vader, wordt redactiesecretaris van  het katholieke weekblad Het Vlaamse Land. Wanneer dat wegens zijn flamingantisme in een kwaad daglicht komt te staan bij de bisschoppen, wordt Hooger Leven opgericht, een periodiek waarvan de schrijver redacteur blijft tot in 1939.

Walschap heeft een fel temperament. Hij heeft gestudeerd en veel gelezen en de buitenlandse literatuur. Hij weet dat katholieke auteurs in Engeland, Duitsland en Frankrijk niet terugdeinzen voor de publicatie van probleemromans waarin het geloof van de personages op de proef wordt gesteld. Hun wereld, vindt Walschap, staat mijlenver af van de kritiekloosheid, volgzaamheid en de sentimentaliteit waarvan de Vlaamse literaire productie (of toch het katholieke deel daarvan) getuigt.

De ambitieuze auteur droomt ervan om zelf ook zo’n ‘moderne’ katholieke roman te schrijven. Adelaïde ontstaat tijdens een vakantie die Walschap deels in Maaseik bij zijn schoonfamilie doorbrengt, deels in Wenduine aa, zee. Het boek is geschreven ‘zoals men ademt,’ getuigt de schrijver nadien.

Pallieter(dbnl)Adelaïde vertelt het verhaal van een jonge vrouw die non wil worden maar dat uiteindelijk niet doet omdat ze vreest dat ze het celibaat niet aankan. Ze trouwt en krijgt maar een kind omdat ze aan contraceptie doet. Dat wekt de wrevel op van de onderpastoor die voorspelt dat ze zal getroffen worden in haar enige zoon. Adelaïde doet alles om haar kind te beschermen. Maar haar angst en de ziekelijke jaloersheid die ze koestert ten overstaan van haar man ontaarden in krankzinnigheid. Adelaïde sterft bij een val uit het raam, die men kan interpreteren als zelfmoord.

Adelaïde bevat geen wezenlijke kritiek op het geloof. De ‘heldin’ gaat ten onder aan het conflict tussen ‘zinnelijkheid’ en zondebesef (dixit Walschapbiograaf Jos Borré). Het lot van Adelaïdes zoon en kleindochter beschrijft Walschap in de romans Eric en Carla die samen met Adelaïde de trilogie De familie Roothooft vormen.

‘Ik wilde een door en door authentiek katholieke roman schrijven, die aansloot bij de werkelijkheid van dat ogenblik,’ verklaart Walschap achteraf. ‘Omstreeks de dertiger jaren leek mij de huwelijksmoraal wel het meest aangewezen thema, juist omdat geen twintig procent der gelovigen toen de kerk op dat punt nog volgde.’

Net als Pallieter heeft Adelaïde in het katholieke kamp bewonderaars en vijanden. Belangrijke critici zoals Marnix Gijsen (op dat ogenblik zelf ook nog katholiek) reageren positief. Maar in het tijdschrift Jong Dietschland fulmineert ene S. Linde: ‘Weg met die bezetenheid, want dit is niets voor ons, katholieke Vlamingen’.

Jezuïeten

Deze keer verloopt de strijd bijzonder bits. Enkele jezuïeten met belangen in de literatuur ontketenen een ware hetze. In kranten verschijnt een oproep van 75.000 leden van de Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ) die verklaren dat zij ‘nooit Walschap zullen lezen’. Twintigduizend ‘katholieke huismoeders’ beweren dan weer dat de auteur ‘pornografie’ schrijft.

De leider van het Algemeen Christelijk Werkersverbond (ACW), de grootste vakbond van het land, spreekt zijn eigen banvloek uit over de schrijver. Wanneer de katholieke krant De Standaard toch – heel kort – meldt dat Walschap de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza heeft gekregen, protesteert minister P.W. Seghers met een woedende lezersbrief.

De pastoor van de Antwerpse Sint-Laurentiuskerk – Walschap woont om de hoek, in de Lemméstraat, tegenover Willem Elsschot – houdt een donderpreek tegen de schrijver, terwijl diens vrouw en kinderen in de kerk zitten.

Van Aken
Piet Van Aken.

Maar de tijden zijn veranderd. Walschap behoort tot een jongere generatie dan Timmermans. Hij heeft ook een heel ander karakter. De schrijver reageert met een combinatie van onverschrokkenheid en geduld. Hij probeert zijn motieven uit te leggen en voelt zich daarbij niet weinig gesterkt door de positieve reacties op zijn werk in katholieke publicaties in Nederland en Duitsland.

Walschap tracht duidelijk te maken dat preutsheid en hypocrisie contraproductief zijn en dat ze indruisen tegen de essentie van de christelijke boodschap. Maar in Vlaanderen valt zijn pleidooi voor ‘realistisch katholieke kunst’ bij de meesten in dovemansoren. Toch kan hij zich staande houden. In 1933 wordt hij zelfs redacteur van het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort, waaraan ook Maria Belpaire, Marnix Gijsen en August Van Cauwelaert meewerken.

Van Walschaps roman Bejegening van Christus verschijnt eerst de Duitse vertaling, omdat de zijn vrienden van de schrijver hem het boek niet uit te geven in Vlaanderen. In 1939 publiceert Walschap zijn meesterwerk Houtekiet dat resoluut kiest voor ‘absolute vrijheid en eigengerechtige zelfbeschikking’ (Borré). In januari 1940 komt trouwens ook de originele Nederlandse van Bejegening van Christus van de pers. En kort daarop volgt – in een beperkte oplage – het pamflet Vaarwel dan, waarin Walschap openlijk afstand neemt van kerk en geloof en ook uitlegt hoe het zover is gekomen. De Duitse inval van 10 mei 1940 maakt een voortijdig einde aan de polemiek die losbreekt.

Black Venus

Na de oorlog blijft België een verzuild land, maar de almacht van de kerk is gebroken. Toch blijven ‘ketterjagers’ als kanunnik Joris Baers met zijn tijdschrift Boekengids de katholieken (en hun bibliothecarissen) voorhouden welke boeken ze wel en niet in huis mogen halen, dit tot grote ergernis van niet-gelovige uitgevers als Angèle Manteau die hierdoor veel minder exemplaren kunnen slijten dan ze wel hadden gewild.

Geeraerts
Jef Geeraerts.

Begin 1968 verschijnt de roman Gangreen 1. Black Venus van Jef Geeraerts (1930). Daarin beschrijft de ex-koloniaal ambtenaar zijn avonturen in het Congo van vòòr de onafhankelijkheid van 1960. De uitgever zet het boek in de markt als een ‘autobiografie’. De expliciete seks bezorgt menige lezer rode oortjes, terwijl nogal wat mensen de voorstelling van de Congolezen in het boek racistisch en kolonialistisch vinden. Het bijwijlen lyrische Black Venus groeit uit tot een druk besproken bestseller.

In november van het volgende jaar vergadert de jury van de Driejaarlijkse Staatsprijs – op dat ogenblik de belangrijkste literaire onderscheiding in Vlaanderen. Er zijn vijf juryleden. Voorzitter Paul De Vree onthoudt zich bij de stemming. Prof. Marcel Janssens, dichteres Clara Haesaerts en Lieve Scheere stemmen voor. Maar de romancier Piet Van Aken is zo kwaad dat hij weigert mee te stemmen – boze tongen beweren later dat hij een eigen kandidaat had.

Dat uitgerekend de vrijzinnige en linkse Van Aken zich ergert aan Gangreen 1 is merkwaardig. Koestert hij bezwaren tegen het beeld vat Geeraerts van de Congolezen ophangt of tegen de expliciete seks? Misschien. Maar de kans is groter dat Van Aken, die de Amerikaanse literatuur heel goed kent, meent wat hij zegt, nl. dat hij zich stoort aan Geeraerts’ navolging van de lange zinnen zonder punten of komma’s van de Amerikaan Henry Miller – Miller die trouwens ook bekendstaat om zijn bedscènes.

Wat er ook van zij, Geeraerts krijgt zijn Staatsprijs.

Razzia

Groot is dan ook de verontwaardiging wanneer de Brusselse politie medio december 1969 binnenvalt bij de bekende boekhandel Corman aan de Ravensteinstraat en er een exemplaar van Gangreen 1 meeneemt.

Dat gebeurt op donderdag. De dag daarop verneemt de uitgever het nieuws. Hij brengt meteen een Nederlands weekblad op de hoogte. Geeraerts is zondagavond al te horen op de radio en lucht zijn verontwaardiging. ’s Maandags verklaart de gerechtelijke brigade van de Brusselse gemeentepolitie dat ze een aantal boeken heeft meegenomen omdat iemand een klacht heeft neergelegd omdat Corman o.m. het bekende ‘voorlichtingsboek’ Variaties van de Deen Oswald Kolle verkoopt. Naast Black Venus en Variaties zijn ook de bekende 18de-eeuwse Engelse ‘zedenroman’ Fanny Hill van John Cleland, de Kama Soetra en Ik, Jan Cremer meegenomen.

CormanLabisse
Felix Labisse ontwierp voor boekhandel Corman wikkels en bladwijzers (Delcampe.net).

De Vereniging van Vlaamse Letterkundigen laat protest horen en weldra komt de zaak ter sprake in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Eerst gaat de discussie over de schadelijke gevolgen van het gebruik van de insecticide DDT, maar dan interpelleert de Franstalige Brusselse socialist Guy Cudell. Hij herhaalt de bezwaren van Van Aken tegen Black Venus.

De Vlaamse minister van cultuur, de christendemocraat Frans Van Mechelen, verdedigt de beslissing van de jury. Daarop ondervraagt de Vlaams-nationalist Belmans de socialistische minister van Justitie Vranckx over de inval in de boekhandel. Vranckx antwoordt dat het boek, in tegenstelling tot wat wordt beweerd, niet in beslag is genomen maar ‘voor nazicht’ meegenomen in het raam van een gerechtelijk onderzoek op basis van artikel 383 van het Strafwetboek betreffende schending van de ‘openbare zedelijkheid’.

Senaat

Er komt ook een discussie in de Senaat, waar de socialist Willy Calewaert wijst op de ‘contradictie’ tussen artikel 383 en de vrijheid van drukpers, gewaarborgd door de Grondwet. Hij krijgt steun van de liberalen. Maar ook minister Van Mechelen verklaart zich een voorstander van de artistieke vrijheid. Vranckx zegt dat niet hij, maar het gerecht – dat onafhankelijk is – besloot tot een onderzoek. Waarop hij een pleidooi houdt tegen pornografie “als inzet voor de strijd voor de vrijheid”.

Bij een andere gelegenheid noemt hij Black Venus ‘een boek waarin de Belgen worden afgeschilderd als een Herrenvolk’.

Op 3 december adviseert het parket aan de Brusselse onderzoeksrechter dat er geen reden is tot vervolging of inbeslagname en Corman zijn exemplaar van Black Venus terugkrijgt.

Verschenen in ‘Eos Memo’, nr. 12.

Advertenties

[Column] Vergeet niet te bewaren

JanAMVC
(foto Bert Weis)

Ik ben jarenlang journalist geweest. Dat verklaart, denk ik, hoe het komt dat uiteenlopende dingen mijn nieuwsgierigheid opwekken. Binnen zekere grenzen toch – sport laat mij onverschillig, kookprogramma’s zap ik weg en bier lust ik niet (wat van mij een abnormale Belg maakt).

Uiteenlopende dingen? Bij nader inzien zijn het vooral historische periodes. Ik heb voor historicus geleerd en wat ik doe is, vrees ik, wat ik ben. Ik heb geen kinderen, geen druk sociaal leven, geen hobby’s. De dingen die mij passioneren zijn het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw toen de romantiek hoogtij vierde, de Dark Ages van 400 tot 800, middeleeuwse ketters en de geschiedenis van mijn stad. Om de voornaamste te noemen.

Is het dan niet moeilijk om te werken in een archief dat zich, theoretisch, alleen bezighoudt met het ontsluiten en bewaren van materiaal van en over Vlaamse schrijvers? Dat valt best mee, want ook literatuur is een onderwerp waar ik niet genoeg van krijg.

Sinds ik druklettertjes leerde ontcijferen, bijna een halve eeuw geleden, ben ik onvoorwaardelijk verslaafd aan lezen. Soms is de film beter dan het boek, maar ik blijf lettertjes boeiender vinden dan plaatjes.

Mijn werk dwingt mij om mij met dezelfde zorg te ontfermen over archief van de schrijvers die ik bewonder als over dat van hen die ik minacht. Dat leidt soms tot gevloek, maar het is een nuttige oefening.

Lieden van mijn generatie – ik ben een (late) babyboomer – voeren discipline niet erg hoog in het vaandel. Ik heb moeite met vroeg opstaan en kantooruren; op school was ik geen gemotiveerde leerling. In plaats van naar het leger te gaan, heb ik burgerdienst verricht. Maar ik heb, tandenknarsend, geleerd dat het toch wel nuttig is en leerzaam om zekere vormen van intellectuele rigueur te beoefenen.

Het Letterenhuis, waar ik mijn boterham verdien, noemt zichzelf het “geheugen” van de Vlaamse letteren. Archieven en musea bestaan om als geheugen van de maatschappij te fungeren. Iedere psycholoog zal beamen dat het individuele geheugen – dat van u en mij – subjectief en selectief is. Maar het geheugen van een samenleving is geen hersenfunctie – het is een maatschappelijk, wetenschappelijk project in dienst van het algemeen belang.

Daarbij is het essentieel om in alle omstandigheden zo objectief mogelijk te werk te gaan. Gemakkelijk is dat niet, want objectiviteit is geen gegeven maar een ideaal. Iedere menswetenschapper beseft dat – of zou het moeten beseffen. Objectiviteit is zoals democratie: ze moet voortdurend nagestreefd, bewaakt en beschermd worden.

Concreet betekent dit dat wij ook de papieren van schrijvers die wij niet bewonderen – elk van ons heeft, vermoed ik, zijn bêtes noires – met de grootste zorg behandelen. Daar worden wij voor betaald en het is onze intellectuele plicht.

Wie mij kent, weet dat ik privé een anarchist ben; lieden die moreel of intellectueel gezag over mij claimen maak ik het, vaak zonder het te beseffen, moeilijk. Maar van de muzen van de geschiedenis en de schone letteren ben en blijf ik de onvoorwaardelijk trouwe dienaar.

Wij moeten weten wie wij zijn, waar we vandaan komen; dat maakt onze keuzes voor vandaag en morgen beter. Ik geloof dat behalve de administratieve dossiers uit grote archiefinstellingen ook de woorden van dichters en romanschrijvers daarbij een rol kunnen spelen.

Het is de nederige, maar soms spannende taak van ons, archivarissen, al dat verstilde leven en voorbije schrijven zó te ordenen dat wetenschappers en nieuwsgierigen – de biografen, de literaire en andere historici – ermee aan de slag kunnen.

Archief inventariseren leert je niet alleen iets over de persoon die het archief “vormde” (zoals dat in het jargon heet). Het brengt de archivaris ook veel bij. Empathie of op zijn minst begrip voor mensen uit een andere tijd, wier opvattingen over morele en politieke zaken soms verrassend ver van de onze af staan. Inzicht in literaire opvattingen die niet de onze zijn. En de onthutsende constatering dat schrijvers die elkaar bij leven rauw lustten op dezelfde manier hun typoscripten verbeterden.

Ik vind dat kostbare kennis, in een tijd dat iedereen verhangen is aan zijn eigen emoties en opinies, kortetermijndenken en tunnelzicht.

 

Verschenen in “Eos Memo” nr. 10 van juni 2014.

Memo10

[Geschiedenis] Godendeemstering. De lange aanloop tot de Eerste Wereldoorlog (1870-1914).

Bismarck
Otto von Bismarck. (a)

De vier decennia tussen 1870 en 1914 gaan de geschiedenis in als de Belle Époque – de gouden jaren van de burgerij. Maar het is ook een periode van grote sociale onrust. De arbeidersbeweging organiseert zich steeds beter. Het imperialisme van de Europese mogendheden bereikt zijn hoogtepunt. De koloniale rijken van Frankrijk en Engeland omvatten grote delen van de wereld.

Dankzij zijn grote economische en militaire macht wordt ook het recentelijk eengemaakte Duitsland een speler op het wereldtoneel. Het streeft naar overwicht op het Europese vasteland, maar zet ook een grote oorlogsvloot op stapel. Zo belandt het stilaan op ramkoers met Groot-Britannië dat zijn beheersing van de wereldzeeën bedreigd ziet.

Burgerlijke republiek

De Frans-Duitse oorlog van 1870 maakt een einde aan de dominante positie van Frankrijk op het Europese vasteland en aan het regime van de autoritaire Napoleon III. Frankrijk gaat voortaan door het leven als een burgerlijke republiek. De Duitse overwinning geeft kanselier Bismarck de kans om de talrijke Duitse deelrijkjes te verenigen onder Pruisisch leiderschap. De koning van Pruisen wordt keizer van Duitsland.

Napoleon III
Napoleon III (a).

Bismarck is daar erg tevreden mee. Duitsland hoeft, wat hem betreft, geen verdere agressieve ambities te koesteren. Maar Frankrijk dat Elzas-Lorreinen heeft verloren, blijft op wraak zinnen.

Bismarck probeert diplomatieke banden met andere continentale machten te smeden om Frankrijk voor lange tijd in bedwang te houden. De Engelsen zijn niet helemaal ontevreden met de Franse nederlaag en houden het voorlopig bij hun ‘splendid isolation’.

Maar de geleidelijke verzwakking van het Turkse rijk zorgt voor een machtsvacuüm in zuid-oost Europa – met name in de Balkan. Daar rivaliseren Rusland en de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije om hun invloed zoveel mogelijk uit te breiden.

Wenen is terecht bang voor het Slavisch nationalisme in zijn zuidelijke territoria. Maar als grootste Slavische natie vinden de Russen dat ze dit nationalisme moeten steunen – ook al omdat het hun machtige westelijke buur verzwakt.

Maar Rusland heeft het niet gemakkelijk. Het enorme rijk houdt er dan wel een groot leger op na, maar economisch gesproken is het weinig meer dan een ontwikkelingsland. Moskou heeft geld nodig om een industrie op poten te zetten. Dat geld vindt het vooral in Frankrijk. De Franse staat, Franse bedrijven en Franse banken investeren massaal in het rijk van de tsaar.

 Triple Alliance

In 1894 leidt die Russische afhankelijkheid tot een militair verbond met Frankrijk. Voor de Franse diplomatie is dit een enorm succes, want het maakt een eind aan het isolement waarin Frankrijk zich sinds zijn nederlaag tegen Duitsland bevindt.

ConferentieAlgerçiras
De conferentie van Algeciras (a).

Inmiddels hebben Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië de ‘Triple Alliance’ gesloten, zodat er door het Frans-Russische verdrag twee machtsblokken tegenover elkaar komen te staan.

Toch maakt niemand in Europa zich veel zorgen over de vrede. Bij het begin van de 20ste eeuw hebben Rusland en Oostenrijk-Hongarije hun belangenconflict in de Balkan op een lag pitje gezet; geen enkele Franse politicus durft in ernst denken aan een nieuwe oorlog met Duitsland.

Maar in Duitsland is het Bismarcktijdperk voorbij. Sinds het begin van de jaren 1870 kent het nieuwe keizerrijk van de Hohenzollerndynastie een versnelde industrialisering en een grote bevolkingstoename. Duitse politici zien met tevredenheid dat hun land stilaan uitgroeit tot de grootste economische en militaire macht op het Europese vasteland. Ze willen dat Duitsland aan ‘Weltpolitik’ gaat doen – juist zoals Engeland en Frankrijk met hun grote koloniale imperia.

Vanaf 1898 bouwen de Duitsers een machtige oorlogsvloot. Alleen is niet meteen duidelijk waarvoor ze die zullen gebruiken. Het is immers zo, dat de traditionele koloniale machten de wereld eigenlijk al onder elkaar verdeeld hebben.

Mitteleuropa

Juist omdat de Duitsers geen duidelijk project hebben, voelt iedereen zich door hen bedreigd. De Engelsen vrezen voor hun dominantie op zee. De Russen zijn bang dat hun buren zich willen bemoeien met het Nabije Oosten. De Fransen verdenken de Duitsers ervan dat ze de Franse macht in het bekken van de Middellandse Zee willen ondermijnen.

Belgischesoldaat

Berlijn weet zelf niet waar het naartoe wil. Sommige onderdanen van de Kaiser dromen van een Duits Mitteleuropa dat behalve Duitsland zelf ook Oostenrijk-Hongarije, grote delen van de Balkan en van Oost-Europa en zelfs van Belgïe zou moeten omvatten. Maar voorl is dat niet de officiële politiek van het land.

 De Duitse buitenlandse politiek getuigt van arrogantie maar ook van grote onzekerheid. Berlijn is bang dat zijn buren jaloers zijn op de toenemende Duitse macht en samenzweren om zijn ambities te dwarsbomen. Is het niet denkbaar dat de Engelsen een poging ondernemen om de nieuwe Duitse vloot te vernietigen voor die op volle sterke is?

En is het niet zo dat Duitsland, als gevolg van zijn ligging in het midden van het vasteland, een oorlog op twee fronten zou moeten voeren als het werd aangevallen door Frankrijk en Rusland?

Kaartje2Deze angst bepaalt de Duitse buitenlandse politiek, die erop gericht is om de rivaliteit tussen en Engeland en Frankrijk en die tussen Engeland en Rusland aan te zwengelen. Maar dat wordt geen succes, zoals blijkt uit de gevolgen van de Marokkaanse crisis.

In 1904 sluiten Engeland en Frankrijk de ‘Entente Cordiale’. Eigenlijk gaat het om een koloniale ‘deal’ tussen twee wereldmachten. Beide landen beloven dat ze de integriteit van Marokko en Egypte zullen waarborgen. In de praktijk zal Engeland Egypte overnemen en Frankrijk de plak zwaaien in Marokko.

Marokkocrisis

De Duitsers zijn echter als de dood voor een betere Engels-Franse relatie en willen bewijzen dat die niet kan standhouden. Daarom gaat keizer Wilhelm II in de lente van 1905 op staatsbezoek in Marokko en verklaart hij in Tangier dat de Marokkaanse sultan volgens hem over een souvereine staat regeert. Duitsland zal geen Frans protectoraat over Marokko tolereren.

Wilhelm II
Wilhelm II (a).

De sultan eist daarop een internationale conferentie over de toekomst van zijn land. De Franse eerste minister Rouvier is erg geschrokken van de Duitse reactie. Hij vreest voor een escalatie van het conflict en bij wijze van verzoenend gebaar stuurt hij zijn buitenlandminister de laan uit – de man die mee aan de basis van Entente Cordiale lag.

Maar Duitsland heeft zich – bij monde van de keizer! – zo ferm opgesteld, dat het zich niet kan permitteren om in te vinden. Wat de anti-Duitse gevoelens bij de Franse publieke opinie sterk doet toenemen. En alsof dat niet erg genoeg is, begint men zich in Engeland openlijk grote zorgen te maken over de Duitse vloot.

Engelse politici zeggen hun Franse collega’s alle steun toe ‘die in hun  macht ligt’ en weldra wordt achter de schermen gepraat over Brits-Franse samenwerking mocht het tot oorlog met Duitsland komen. Zo verandert de Entente Cordiale van een koloniaal akkoord in een defensief verbond.

De Engelse minister van buitenlandse zaken Grey zoekt bovendien actief toenadering tot Rusland. Dat land is nodig om de Duitsers in bedwang te houden, vindt hij. Zijn inspanningen worden beloond door de totstandkoming in 1907 van de Triple Alliance waardoor Groot-Britannië, Frankrijk en Rusland hun lot aan elkaar verbinden. Tegelijk blijft Grey alles in het werk stellen om al te grote spanningen met Duitsland te vermijden.

De internationale conferentie over Marokko heeft intussen plaatsgevonden in Algeciras. Tegen hun verwachtingen in, krijgen de Duitsers er alleen steun van Oostenrijk-Hongarije en van Marokko zelf. Een en ander leidt tot een betere verstandhouding tussen Berlijn en Wenen – tot dan toe waren hun relaties eerder koel. Maar de Oostenrijke ‘Dubbelmonarchie’ gaat gebukt onder een heleboel problemen. In Oostenrijk-Hongarije leven diverse volken en Wenen heeft de grootste moeite om die in tijden van toenemend nationalisme bij elkaar te houden.

Krantenkop

De Slavische bevolking in het zuid-oosten wil aansluiten bij het koninkrijk Servië en liefst ook bij Bosnië-Herzegovina dat nog altijd deel uitmaakt van het Turkse Rijk.

Wenen beschouwt die Pan-Slavische en Groot-Servische dromen als een bedreiging voor het voortbestaan van het keizerrijk en beschouwt het Servische koninkrijkje als de baarlijke duivel. Daarom zijn er nogal wat jonge politici die in een overtuigend militair succes in de Balkan de beste waarborg zien voor de toekomst van de Dubbelmonarchie.

Servië

De revolutie van de zg. ‘Jonge Turken’ in Istanboel in 1908 doet het Turkse nationalisme oplaaien. Om te verhinderen dat de Turken hun macht in Bosnië-Herzegovina versterken, annexeert Wenen het gebied. Het Oostenrijkse-Hongaarse keizerrijk krijgt er op die manier een miljoen Slavische inwoners bij.

Servië voelt zich genomen en kondigt de algemene mobilisatie af. Het vraagt ook steun aan Rusland, het grootste van alle Slavische landen. De spanningen lopen hoog op. Uiteindelijk is het de dreigende taal van bondgenoot Oostenrijks Duitsland die de Russen doet inbinden. Ze realiseren zich dat hun leger anno 1909 nog niet opgewassen is tegen een confrontatie. Ook de Serviërs binden in – maar niet goedschiks. Niemand realiseert zich dat de bereidheid van Duitsland om Oostenrijk-Hongarije te helpen tegen Servië enkele jaren later zal leiden tot het begin van de Eerste Wereldoorlog.

mobilisationIntussen gaat de wapenwedloop voort. Dat ze er zelf niet gerust in zijn, blijkt uit het feit dat Engeland en Duitsland van 1909 tot 1911 onderhandelen over de beheersing ervan.. Maar de Duitsers willen een eventuele overeenkomst over de respectieve vloten koppelen aan een politieke overeenkomst waarbij Engeland en Duitsland elkaar ‘welwillende neutraliteit’ beloven, mocht de andere partij in conflict komen met een derde land – een tamelijk doorzichtige poging om de Triple Entente de wind uit de zeilen te nemen. Een nieuw meningsverschil over Marokko maakt echter een einde aan de onderhandelingen.

De crisis wordt in november 1911 beslecht met een compromis: Duitsland erkent het Franse gezag in Marokko in ruil voor een stuk van Frans Congo. Maar zowel de Franse als de Duitse publieke opinie keert zich tegen die ‘zwakke’ regeling. In Groot-Brittannië heerst al sedert de Bosnische crisis een sterk anti-Duits gevoel. De Engelse en Franse stafchefs praten voor het eerst met elkaar over de komst van Britse troepen indien Duitland Frankrijk zou aanvallen.

 Aanslag in Sarajavo

De gebeurtenissen in de Balkan doen omstreeks deze tijd de vijandschap tussen Oostenrijk-Hongarije en Servië toenemen. De militaire zwakte van het Turkse Rijk brengt Bulgarije, Griekenland en Servië – landen die tot voor enkele decennia zelf door de Turken overheerst werden – een tijdelijke alliantie sluiten. In 1912 vallen ze hun grote buur en erfvijand aan. Maar hun succes in de Eerste Balkanoorlog leidt alleen tot onderlinge rivaliteit. In 1913 voeren Servië en Griekenland, de protegees van Rusland, oorlog met Bulgarije, dat steun krijgt door Oostenrijk. Servië en Griekenland winnen, tot grote ergernis van Wenen.

Gavrilo Princip
Gavrilo Princip (a).

En het gaat van kwaad naar erger. Op 28 juni 1914 brengt de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger, aartshertog Frans-Ferdinand, een bezoek aan de Bosnische hoofdstad Sarajevo. Het is Sint-Vitus, de nationale feestdag van de Bosniërs. De bevolking is niet blij met het bezoek van de man die ze beschouwt als de vertegenwoordiger van een regime dat zijn nationale aspiraties onderdrukt.

Vooral de extreme Bosnische nationalisten haten en vrezen Frans-Ferdinand, want de aartshertog denkt eraan om Bosnië, zodra hijzelf keizer is, een zekere autonomie toe te kennen. Erg realistisch is dat plan niet, maar de nationalisten vrezen  dat het een deel van hun achterban milder zou kunnen stemmen en dat willen ze absoluut vermijden.

De aartshertog en zijn vrouw ontsnappen ’s morgens ternauwernood aan een bomaanslag, maar ’s namiddags hebben ze minder geluk. De negentienjarige de Bosnische student Gavrilo Princep schiet hen dood.

 Duitse instemming

Hoewel Princip een onderdaan van de Habsburgs is en de aanslag in het keizerrijk plaatsvindt, is hij voorbereid door een Servische terroristische organisatie, de Zwarte Hand. Zij streeft naar een unie van alle Zuid-Slaven binnen een groot Servisch koninkrijk. Hoewel een en ander pas veel later aan het licht komt, zet Wenen alles op alles om van de nood een deugd te maken en de aanslag te gebruiken als excuus om voorgoed komaf te maken met Servië.

Het enige wat Oostenrijk nodig heeft, is Duitse instemming. Maar dat is geen probleem, want keizer Wilhelm II en zijn regering zijn er nog altijd van overtuigd dat het voortbestaan van hun zuidelijke bondgenoot afhangt van de vernietiging van Servië. Bovendien is de Duitse legerleiding de mening toegaan dat een grote Europese oorlog sowieso onvermijdelijk – en eigenlijk ook wel wenselijk is. Duitsland is namelijk, zo redeneren zij, in staat is om die oorlog te winnen. Er is dus geen enkele reden voor terughoudendheid. Maar Duitsland en Oostenrijk willen hun tegenstanders verrassen. Daarom gebeurt er een maand lang niets en scheelt het niet veel de andere Europese regeringen zijn het incident in Sarajevo vergeten.

MoordSarajewo
De aanslag in Sarajewo (a).

Pas op 23 juli 1914 zendt Oostenrijk een ultimatum dat Servië verantwoordelijk stelt voor de moord op Frans-Ferdinand en een reeks eisen bevat waarvan Wenen denkt dat het kleine koninkrijk ze nooit zal inwilligen. Groot is de Oostenrijkse teleurstelling wanneer Servië buigt voor de overmacht. Zelfs de Duitse keizer aarzelt, maar zijn regering blijft Wenen onder druk zetten om Servië sowieso aan te vallen.

Kanselier Bethmann-Hollweg deinst niet terug voor een oorlog met Frankrijk en Rusland, maar hij hoopt wel dat Engeland neutraal zal blijven. Wanneer blijkt dat hij daar niet hoeft op te rekenen, probeert hij de Oostenrijkers alsnog tot staan te brengen. Tegelijk hoopt hij dat de vertraging de Russen ertoe zal brengen om als eersten een algemene mobilisatie af te kondigen, zodat Duitsland hun achteraf de schuld kan geven van het conflict. En dat lukt – de Russen mobiliseren inderdaad. Ze kunnen niet anders, omdat ze minder goed georganiseerd zijn dan de Duitsers en meer tijd nodig hebben om hun leger in staat van paraatheid te brengen.

Nicholaas II
Tsaar Nicholaas II (a).

Wanneer de tsaar op 30 juli de algemene mobilisatie afkondigt, antwoorden de Duitsers met een ultimatum. Ze eisen dat Rusland binnen de 12 uur demobiliseert. Na de Russische weigering, verklaart Duitsland op 1 augustus de oorlog. Twee dagen later volgt ook een oorlogsverklaring aan Frankrijk, zogezegd omdat Franse soldaten de Duitse grens zijn overgestoken.

Het Duitse aanvalsplan, genoemd naar zijn bedenker Von Schlieffen, voorziet in een snelle opmars door België naar Frankrijk vòòr de Russen in beweging kunnen komen. De Duitsers nemen zich dus voor om de Belgische neutraliteit, die sinds 1839 door Engeland gegarandeerd wordt, te schenden. Ze weten trouwens al sinds het bezoek van koning Albert I aan Potsdam in november 1913 dat België zich daar niet goedschiks zal bij neerleggen en zijn neutraliteit desnoods gewapenderhand verdedigen.

Ultimatum aan België

Toch duurt het tot 29 juli 1914, de dag na de Oostenrijks-Hongaarde oorlogsverklaring aan Servië, eer België drie lichtingen soldaten oproept om de wacht op te trekken aan zijn grenzen. De Belgische regering wil geen slapende honden wakker maken en de Duitsers vooral niet voor het hoofd stoten. Pas na het Duitse ultimatum aan Frankrijk en Rusland mobiliseert België. Tegelijk laat het via zijn diplomatieke vertegenwoordigers nog eens weten dat het in het nakende conflict zijn neutraliteit wil bewaren.

Albert I
Albert I (a).

Bij wijze van antwoord overhandigt de Duitse gezant in Brussel, Von Bulow, minister van Buitenlandse Zaken Davignon de avond van 2 augustus een Duits ultimatum aan België. Duitsland eist de vrije doortocht van zijn leger over Belgisch grondgebied omdat het een Franse aanval via België verwacht. Na het herstel van de vrede zullen de Duitsers België schadeloos stellen. Indien het land niet op die eis ingaat, wordt het als vijand beschouwd.

Diezelfde avond vergadert de Belgische ministerraad onder voorzitterschap van koning Albert I. Nadien komt de Kroonraad bijeen, met de ministers van staat en de legerleiding. Het Duitse ultimatum wordt unaniem verworpen. Op 3 augustus maakt Von Bulow de Belgische afwijzing over aan Berlijn. Albert I heeft intussen het bevel over het leger genomen.

De Duitsers verwaardigen zich niet te antwoorden. Op 4 augustus om negen uur ’s morgen steken hun troepen de grens over. Op 4 augustus 1914 om middernacht bevindt ook Groot-Brittannië, dat de Belgische neutraliteit garandeert, zich in staat van oorlog. Om negen uur steken de eerste Duitse eenheden de Belgisch-Duitse grens over.

Verschenen in “Eos Memo” nr. 8 van december 2013.

De plataan van Serse. Nut, natuur en romantiek

 oto's 2010-11 009

In april 1737 gaat in Londen de opera Serse van Georg Friedrich Händel in première. De opera vertelt over de liefde van de Perzische koning Xerxes voor de beeldschone Romilda, die helaas verliefd is op Xerxes’ broer Arsamene. In de eerste scène van de opera zit de koning in de tuin van zijn paleis onder een plataan. Met de wereldberoemde aria Ombra mia fù bewijst hij eer aan de boom en zijn weldoende schaduw. De plataan van Serse is een boom met praktisch nut.

Minder dan een eeuw later, in 1808, voltooit Ludwig van Beethoven in Wenen zijn Zesde symfonie, bijgenaamd de Pastorale. Het is de enige “programmatische” of beschrijvende symfonie van de componist. Ze “vertelt” over een bezoek aan het platteland dat verstoord wordt door een onweer. De eerste beweging krijgt als thema “Ontwaken van vrolijke gevoelens bij aankomst op het land” mee.

Zesde symfonie

In de tijd van een mensenleven heeft West-Europa een totaal andere kijk gekregen op de natuur. In 1737 wordt een plataan geprezen om zijn schaduw; in 1808 inspireert “het land” niet nader genoemde bezoekers – iedereen, als het ware – tot “gevoelens”.

Zolang de Europeaan afhankelijk is van de natuur voor zijn fysieke voortbestaan – een zomer met te veel regen betekent hongersnood – is er in zijn hoofd geen plaats voor vervoering bij het zien van een landelijk tafereel – tenzij duidelijk blijkt dat de oogst rijk wordt.

Haendel

In het laatste kwart van de 12de eeuw verheugt de Limburgse dichter Henric van Veldeke zich op de komst van de lente, “den tiden van den jare / dat die dagen werden lanc / ende dat weder weder clare” wanneer de “meraleren” weer beginnen te zingen. Maar alleen omdat hij de lente ervaart als het seizoen van de liefde. Dàt is het onderwerp van zijn gedicht; het ontwaken van de natuur fungeert slechts als inleiding.

Vlaamse primitieven

Voor theologen en filosofen is de natuur een wegwijzer naar het bovennatuurlijke, naar God. Intrinsiek belang heeft ze niet. Voor minder ontwikkelde lieden zoals boeren en landarbeiders, ook al belijden ze het christendom, zijn bossen en velden, beken en bronnen het domein van onzichtbare en vaak boze machten. Dat blijft zo tot in het begin van de 20ste eeuw – de roman La Ligne de Vie van de Franstalige Vlaamse schrijfster Marie Gevers, verschenen in de jaren 1930, brengt het onthutsende kluwen van het bijgeloof in de Antwerpse Kempen in kaart.

Maar daarom blijft de natuur niet onzichtbaar. Miniaturen met plant- en bloemmotieven overwoekeren de marges van de handschriften uit de late middeleeuwen. De Vlaamse schilders van de 15de eeuw borstelen kleine, maar gedetailleerde vergezichten, zichtbaar door ramen en deuropeningen in het decor van hun religieuze taferelen.

Midzomernachtsdroom

In Shakespeares blijspel Midzomernachtsdroom (1595 of ’96) is het woud nog altijd de woonplaats van elfen en feeën, waar andere wetten gelden dan in de mensenwereld. Maar het universum van Shakespeare is niet langer middeleeuws. Zijn wouden zijn geen angstaanjagende oorden, maar romantische, toverachtige warandes, zoals alleen een schrijver uit de stad ze kan verzinnen.

De meerderheid van de Europeanen leeft nog op en van het land, maar de overal zijn er intussen grote steden met een talrijke bevolking; de handel, het geldwezen en de eerste aanzetten tot industriële productie maken een eind aan de volstrekte afhankelijkheid van de mens aan de natuur. Wanneer ergens een graantekort heerst, kan invoer het tij keren. Er wordt geld – veel geld – verdiend met andere dingen dan de producten van de grond.

Aangenaam verpozen

Het is geen toeval dat het stedelingen zijn die in Midzomernachtsdroom in het bos belanden en daar ten prooi vallen aan de fratsen van bovennatuurlijke wezens. Terwijl de boer onvermoeibaar voortploegt, kijken gecultiveerde stadsbewoners – de renaissance dringt in de loop van de 16de eeuw overal ten noorden van de Alpen door – met toenemende belangstelling naar bos en veld.

De natuur is niet alleen praktisch; ze blijkt ook aangenaam om in te verpozen. De edele Florentijnse jongelui uit de Decamerone van Boccaccio ontvluchten de stad om aan de pest te ontsnappen. Maar zo’n vaart hoeft het niet te lopen om naar het platteland te gaan. De zomerse hitte, de drukte en de stank jagen zo mogelijk meer kapitaalkrachtige lieden naar een buitengoed in het groen.

oto's 2010-11 010

Huizen in de stad, maar ook buitenplaatsen hebben een formele, “Franse” tuin: een overzichtelijk geheel met keurige paden tussen rechthoekige perkjes. Bloemen en planten staan er keurig in het gelid. Natuur, jazeker, maar aan banden gelegd door het menselijk verstand. Men verzamelt zeldzame planten zoals oude munten of exotische gesteenten.

De apotheose vindt men in Versailles – de natuur onderworpen aan de macht van de Zonnekoning. Ontwerper Le Nôtre doet de traditionele Franse tuin uit zijn voegen barsten. Hij legt de principes ervan op aan een heel landschap. Met zorg geregisseerde vergezichten met fonteinen en waterpartijen, schaduwrijke lanen tussen standbeelden van antieke goden en godinnen, even indrukwekkend als nutteloos. Groenten en fruit voor de koninklijke tafel worden verderop, en buiten het gezicht, geteeld.

Verlichting

Maar er staan lieden op die achter het decor willen kijken. In 1687 publiceert Isaac Newton zijn Principia Mathematica. Daarin brengt hij de begrippen massa, gewicht en kracht samen in een wiskundig verband waaruit blijkt dat de wetten die de beweging op aarde beheersen, voor alle bewegingen in het universum gelden. De zwaartekracht is alomtegenwoordig! Door proefneming en inductie (van het bijzondere naar het algemene) bereikt hij zijn doel. Het hoé van de dingen interesseert hem, niet het waarom.

2Constable

Enkele jaren later, in 1690, laat de filosoof Locke zijn Essay on human understanding verschijnen. Alles wat in de geest aanwezig is, komt voort uit de zintuiglijke ervaring. Er zijn geen “ingeboren” ideeën. De consequenties uit de ideeën van Locke worden getrokken door de Schot David Hume. Ook voor hem zijn waarneming en ervaring de enige bronnen waaruit wij kennis putten. Alle onderzoek dat de naam “wetenschappelijk” wil verdienen, moet zich beperken tot wat wij kunnen waarnemen.

In Frankrijk ontpopt Voltaire (François Arouet) zich tot propagandist van Newton en de moderne Engelse filosofen. Hij publiceert Élements de la philosphie de Newton, nadien aangevuld met La métaphysique de Newton.

De “verlichte” intellectueel ziet het universum als een groot harmonisch geheel waarvan de mens deel uitmaakt. De wetenschap levert een methode om de wetten te achterhalen die de kosmos beheersen – kennis die men gebruiken om de natuur dienstbaar te maken aan de mens. Alles lijkt kenbaar; het is alsof alwetendheid binnen handbereik ligt.

oto's 2010-11 031

De wetenschap bestaat bij gratie van ons vermogen tot kennen, begrijpen en redeneren: de menselijke rede. Zij zal een eind maken aan vooroordelen en bijgeloof en ons bevrijden van de ketenen waarmee het gezag van de staat en de kerk ons geboeid houden. Zodoende garandeert de rede een onstuitbare vooruitgang.

De mens is van nature goed; wanneer hij de kans krijgt de ingevingen van de rede te volgen, zal hij nog beter worden en ook het geluk van de anderen nastreven.

Retour à la Nature

De aandacht voor de mens – ook de individuele mens – brengt mee dat de Verlichting, alle “wetenschappelijkheid” ten spijt, belangstelling krijgt voor de emotie. De interesse voor het experimentele, voor de waarneming én voor persoonlijke gevoelens, leidt tot het ontstaan van de “moderne” roman. Auteurs vertelen fictieve verhalen waarin geen “type” centraal staat, maar een individu, met zijn eigen psychologie en lotgevallen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Een man die van zijn eigen leven het onderwerp van zijn geschriften maakt, is de egocentrische en paranoïde Jean-Jacques Rousseau. Hij hoort bij de Siècle des Lumières, maar als tegendraadse tegenstem. Kunsten en wetenschappen vindt hij verwerpelijk; het enige waar hij mee dweept (behalve zijn eigen ego) is de natuur. Daar vindt hij rust, soelaas en evenwicht; landschappen vervullen hem met het soort emotie en verering die gelovigen overkomen voor het altaar.

Rousseau is bovendien een begeesterend schrijver; van alle 18de-eeuwse Franse auteurs, filosofen en romanciers, blijft hij in onze tijd het best te lezen. Irriterend en neurotisch, betweterig en vervuld van zelfmedelijden – Rousseau is het allemaal. Maar als eerste beschrijft hij op volstrekt moderne wijze de wisselwerking tussen individueel gemoed en buitenwereld.

De invloed van Rousseau is enorm. Hij bepleit borstvoeding en prompt brengen adellijke dames in Parijs hun baby mee naar de opera om hem in hun loge, duidelijk zichtbaar voor iedereen, de borst te geven. Weldra laat koningin Marie-Antoinette in een uithoek van het park in Versailles de hameau de la Reine bouwen – een pittoresk namaakdorpje waar ze met haar hofdames eenvoudig en natuurlijk kan leven. Dat alles terwijl de echte boeren honger lijden. Geen wonder dat in het failliete koninkrijk de revolutie voor de deur staat.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

In 1787 publiceert Bernardin de Saint-Pierre zijn roman Paul et Virginie over twee kinderen die opgroeien op het paradijselijke eiland Mauritius. Maar het door Rousseau geïnspireerde sprookje loopt slecht af, net zoals twee jaar later met het Ancien Régime.

In Engeland scheert intussen de passie voor het picturesque – letterlijk: het schilderachtige – hoge toppen. Er verschijnen reisgidsen die de lof zingen van fraaie landschappen in de verschillende graafschappen. De appreciatie van fraaie vergezichten wordt een blijk van cultuur. Jane Austen steekt er de draak mee in haar roman Northanger Abbey (1818).

Wie het zich kan permitteren, laat landschapsarchitecten zoals de beroemde Lancelot “Capability” Brown (1716-1783) aanrukken om het park van zijn landgoed picturesque te maken. Niet zelden komen daar het omleggen van een rivier, de bouw van naamruïnes (zg. follies) en de verplaatsing van een heel dorp bij kijken. Zo ontstaat de Engelse tuin die “natuurlijk” oogt, maar het niet is. Ook op het vasteland maat de nieuwe mode in de tuinaanleg furore. Prins Charles-Joseph de Ligne (1735-1814) publiceert in 1781 zelfs een boek over de Franse tuin die hij heeft aangelegd bij zijn kasteel in het Henegouwse Beloeil.

Breuk in het bewustzijn

De Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen doen Europa op zijn grondvesten daveren. Ze vormen een breuk in de geschiedenis. De maatschappelijke orde is niet door God gewild; ze kan veranderen. Men kan bang zijn voor zo’n verandering of er juist naar verlangen, maar men kan niet meer ontkennen dat ze mogelijk is.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het dagelijks leven ziet er voorgoed anders uit. Tradities en waarden zijn grondig verstoord. De internationale politiek is heel dichtbij; ze zaait afwisselend hoop en vrees. De economie is “vrij” vraag en aanbod bepalen alles. Kleine boeren kunnen hun pacht niet meer betalen en zijn verplicht landarbeider te worden of hun geluk te zoeken in het leger. Anderen trekken naar de steden.

Ze voegen er zich bij de handwerkslui die de steun en bescherming van gilden en broederschappen moeten ontberen. Die massa bezitloze arbeiders wordt een proletariaat.De industriële revolutie voltrekt zich in Groot-Brittannië. De excentrieke Engelse dichter en kunstenaar William Blake noemt de eerste fabrieken dark satanic mills – “donkere, duivelse werkplaatsen”. Lang duurt het echter niet voor steenkool, staal en stoomkracht ook het continent veroveren.

In de ogen van velen heeft de terreur van 1793 de ideeën van de Verlichting gediscrediteerd. De Franse veldtochten hebben, vooral in Duitsland, de interesse voor het eigen verleden en de eigen identiteit aangewakkerd. De filosoof Herder legt, met de beste bedoelingen, de basis voor wat weldra uitgroeit tot volksnationalisme.

 Romantiek

De romantiek is veel meer dan een artistieke stroming. Het is een geestesgesteldheid vol tegenstrijdigheden. De romanticus is een onwillig kind van de Verlichting – hij is vooral alles een individu met felle emoties en diepe indrukken. Zij kleuren zijn kijk op de wereld. En hij concludeert dat het daar niet goed mee gesteld is.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De een verafschuwt het materialisme van de opkomende burgerij en de pogingen van regimes en vorsten om de politieke klok terug te draaien. De ander betreurt de breuk met een verleden dat voorgoed verloren lijkt en de teloorgang van de religie.

Allen hebben een hekel aan de zelfgenoegzaamheid, de middelmatigheid en de relatieve rust die ze om zich heen zien. Zij dwepen met hun eigen gemoedsaandoeningen, met de liefde en met heldendaden uit het verleden, met God of het mysterie – het spookverhaal wordt uitgevonden – en zeker ook met de Natuur met hoofdletter “N”.

Dat is wat er gebeurt tussen Händels Serse en de Zesde Symfonie van Beethoven.

De intellectuele en emotionele klok kan ook niet teruggedraaid worden. Rousseau overleeft de afschuw die men voelt voor veel verworvenheden van de 18de eeuw. Voor ontelbare romantici – van nederige kantoorklerken tot markiezen, van dorpsonderwijzers tot de grootste dichters en componisten – is de natuur een bron van schoonheid, troost, contemplatie en vervulling. Een alternatief waarin men zich kan verliezen, een bron van mystieke vervoering, een nieuwe religie.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Paradoxaal genoeg is het de technologie die het romantische gedachtegoed een enorme verspreiding geeft. De gemechaniseerde drukkunst en de lithografie maken de massale productie van goedkope boeken en prenten mogelijk. Weldra brengen treinen toeristen naar bergen en watervallen die ze dankzij de fotografie achteraf mee naar huis kunnen nemen.

Walden

Net zoals de Verlichting laat de Romantiek een sediment na in het bewustzijn. Charles Darwin (1809-1882) publiceert in 1859 On the Origin of Species; in 1871 volgt The Descent of Man (1871). Die revolutionaire boeken ontkrachten voorgoed eeuwenoude opvattingen over de schepping van de mens en laten zien dat hij integraal deel uitmaakt van de natuur.

In 1854 publiceert de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau (1817-1862) Walden. Het boek vertelt over zijn verblijf in een zelfgebouwde hut te midden van de natuur bij Walden Pond in Massachusetts – een avontuur dat nauwelijks twee jaar duurt. Thoreau vindt dat de natuur moet beschermd worden en bepleit een harmonische relatie tussen mens en milieu. Hij ziet de natuur ook als bescherming tegen de verleidingen van het vlees en het materialisme.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Tijdens het leven van Thoreau kennen zijn politieke geschriften – o.m. tegen de slavernij – meer succes dan Walden. Maar in de tweede helft van de 19de eeuw verwerft het boek grote invloed.

In Nederland inspireert baseert de schrijver Frederik Van Eeden (1860-1932; hij schrijft o.m. De kleine Johannes) zich op Thoreau bij de oprichting van de commune Walden op een landgoed in Bussum in 1898. Van Eeden is psychotherapeut en bekent zich tot het anarchisme. In zijn Walden is het grondbezit gemeenschappelijk en psychiatrische patiënten kunnen er tot rust komen. Walden houdt in 1907 op te bestaan.

Van Eeden ondergaat allicht ook de invloed van de Lebensreformbeweging die omstreeks 1880 ontstaat in Duitsland. Ook hier zijn velen de mening toegedaan dat de moderne, industriële samenleving en de breuk met de natuur het individu schade toebrengt. Zij gaan op zoek naar manieren om de psychische en fysieke gezondheid van de mens te herstellen.

Monte Verità

Allerlei groepjes verdiepen zich in vegetarisme, geheelonthouding, gymnastiek, dans, naturisme, natuurgeneeswijzen, kledij in natuurlijke materialen, enz. Ze ontvluchten de stad en trekken zich terug op afgelegen plekken in de natuur. Nieuwe opvattingen over opvoeding – denk maar aan Rudolf Steiner en zijn verreikende invloed – zien het licht. Gymnastiek en zonnebaden zijn aan de orde van de dag.

In 1900 stichten de Belg Henri Oedenkoven en zijn vriendin, de Duitse pianiste Ida Hoffmann, de kolonie Monte Verità nabij Ascona in het zuiden van Zwitserland. Oedenkoven is de zoon van Antwerpse industriëlen – ze bezitten een kaarsenfabriek in Borgerhout – en financiert de onderneming.

Monte Verità is opgevat als een kuuroord, waar men kan genezen van allerlei “beschavingsziekten”. Er zijn boomgaarden en groentetuinen (vlees is verboden) en men maakt zijn eigen kleren. Er wordt naakt gezonnebaad. Oedenkoven bouwt “licht- en luchthutten” en men beoefent met zijn allen de eurythmie.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De kolonie groeit uit tot een aantrekkingspool voor allerlei non-conformisten, anarchisten, theosofen en kunstenaars, onder die de choreograaf Rudolf von Laban, de Amerikaanse danseres Isadora Duncan, de dichter Rainer Maria Rilke en de schrijver Herman Hesse. Ook de schilders Alexej Jawlensky en Hans Arp en toekomstige dadaïsten strijken voor kortere of langere tijd neer op de “Berg der Waarheid”. Zelfs de architect Walter Gropius van het Bauhaus komt langs.

Monte Verità houdt in 1919 op te bestaan. Oedenkoven en zijn vriendin vertrekken naar Zuid-Amerika. Het experiment komt echter recent nog aan bod in de roman The Children’s Book (2009) van de Engelse schrijfster A.S. Byatt.

Lord of the Rings

De Lebensreformbeweging oefent met haar verwerping van de burgerlijke levenswijze grote aantrekkingskracht uit op de linkerzijde. Maar ze vertoont absolute trekjes; haar irrationele kant (charlatanisme is nooit ver weg) en de vitalistische lichaamscultus die zij propageert, vallen na de Eerste Wereldoorlog ook bij uiterst rechts in de smaak. Geen wonder dat op termijn nogal wat aanhangers van de beweging onderdak vinden bij de nazi’s.

De verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en de toename van de welvaart in het Westen de decennia erna verdringen het verlangen naar de natuur uit de actualiteit. Maar het houdt niet op te bestaan – een beroemd “symptoom” daarvan is zonder twijfel het succes van het oeuvre van de Engelse schrijver J.R.R. Tolkien (1892-1973), met als hoogtepunt de trilogie The Lord of the Rings (1954-1955).

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Eind jaren 1960 steekt op Amerikaanse en Europese universiteitscampussen een politieke en culturele storm van protest op. Wat begint als verzet tegen de uitzichtloze oorlog in Viëtnam groeit uit tot een brede emancipatorische beweging die nauwelijks onder een noemer te vatten is. Hippies in Amerika, de terroristen van de Rote Armee Fraktion in Duitsland, de Meirevolte in Parijs, Leuven Vlaams…

En opeens blijken zowel het verlangen naar als de zorg om de natuur springlevend – een relatief klein aantal mensen trekt naar communes in het groen (Zuid-Frankrijk is erg populair bij Vlamingen en Nederlanders), maar veel significanter is de milieubeweging. Zij wil een halt toeroepen aan de voortschrijdende exploitatie en vernietiging van het natuurlijke milieu, wat in de jaren 1970 leidt tot de oprichting van groene politieke partijen die oproepen tot verzet tegen o.m. kernenergie.

Het Rapport van de Club van Rome over de mogelijke uitputting van natuurlijke grondstoffen en de steeds verontrustender berichten over de opwarming van de aarde dragen niet weinig bij tot de impact en het succes van het ecologisch denken.

Opwarming van de aarde

Vandaag maken een heleboel opvattingen die hun oorsprong vinden in de Reformbeweging – gezond voedsel, vegetarisme, zorg voor onze fysieke conditie – deel uit van het dagelijks leven van de kosmopolitische westerse stedeling. In Europa is de bescherming van de natuur – op gebrekkige wijze, maar toch – vastgelegd in wetten en reglementen. De klimaatsverandering wordt nog slechts door fanatici betwist en is het oorwerp van druk bijgewoonde internationale conferenties.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Maar het conflict tussen “natuur” en “beschaving” dat sinds de industrialisatie almaar scherper vormen heeft aangenomen, blijft bestaan. De nood aan economische ontwikkeling van de Derde Wereld, maar ook de introductie van bijv. genetische manipulatie van voedsel (met ecologische, maar ook economische gevolgen) drijven het zelfs op de spits.

De mens heeft altijd ingegrepen in de natuur: als jager-verzamelaar, als landbouwer, ontginner van mineralen en noem maar op. De maagdelijke natuur zonder menselijke ingrepen bestaat niet. De natuur heeft ook geen morele kwaliteiten; ze is niet intrinsiek “goed”. Tegelijk maken wij er zelf deel van uit en is ze een conditio sine qua non voor ons voortbestaan.

Als Xerxes zijn plataan had omgezaagd, had hij niet van zijn schaduw kunnen genieten.

[Geschiedenis] Burchten en kastelen – symbolen van rijkdom en macht

Lees verder “[Geschiedenis] Burchten en kastelen – symbolen van rijkdom en macht”

[Column] De stoel van de eeuwigheid en de onveranderlijkheid

JanmetPijp

De eerste verhalen die wij aan elkaar vertelden, gingen over de goden en het ontstaan van de wereld. De oorzaken en gevolgen die erin werden beschreven, zijn minder spectaculair dan wat de wetenschap ons vandaag over onszelf en onze plaats in de kosmos meldt. Maar we voelen nog altijd de behoefte het heden uit te leggen aan de hand van het verleden.

Dat kunnen we nu veel beter dan drieduizend jaar geleden. Historici stellen het zonder laboratorium en experimenten. Spijkerharde wetten vallen in de geschiedenis niet te ontdekken, hoe graag sommigen dat ook zouden hebben. Maar de bronnen die ons ter beschikking staan, leren ons dat gisteren wel degelijk het uitzicht van vandaag bepaalt.

Jammer genoeg valt er meer te zien wanneer we over onze schouder kijken, dan wanneer we voor ons uit staren om een glimp van de toekomst op te vangen. De dageraad van een betere wereld is iets van idealisten, niet van historici. Met idealisten moet je oppassen. Voor je het weet, blazen ze zichzelf op en jou erbij, om de toekomst minder onzeker te maken.

De vraag waar ze vandaan komen, is er een die alle mensen stellen. Iedere cultuur heeft haar eigen, religieuze antwoord. De idee dat je aardse verklaringen kunt vinden, is typisch Europees en behoorlijk recent. De basis werd gelegd door de Italiaanse humanisten van het quattrocento.

Zij zagen als eersten in dat de mens in de loop der tijden verandert. Opeens beseften zij dat Augustus en Vergilius niet zomaar figuren uit het verleden waren, maar lieden met een andere cultuur dan zijzelf. Een ingrijpend besef, dat de poten van onder de stoel van hun eigen normen zaagde (geschiedenis is een les in multiculturaliteit).

Teksten van Grieken en Romeinen werden voortaan gelezen als getuigen van een “ander” verleden en als inspiratiebron voor nieuwe idealen (de humanisten waren ook idealisten). Weldra beriep de Hervorming zich op het vroege christendom om de latere dogma’s van Rome in vraag te stellen.

De strijd tussen katholieken en protestanten leidde tot een nooit geziene bloei van tekst- en Bijbelkritiek. Legenden en overleveringen uit de voorgaande eeuwen werden tegen het licht gehouden. Niet toevallig ontstond het modern wetenschappelijk onderzoek in Engeland, waar men na het eindeloze gehakketak over godsdienstige kwesties de voordelen inzag van een tolerante samenleving.

Newton maakte een begin met het achterhalen van de wetten van de kosmos. De filosofen Locke en Hume leerden dat waarneming aan de basis ligt van onze kennis. Dat principe doordrong ook de prille “menswetenschappen”. Historici leerden het belang van historische bronnen en hoe je ze aanpakt om de waarheid van de leugen en de vergissing van het juiste feitenrelaas te onderscheiden.

De Franse Revolutie deed Europa op zijn grondvesten daveren. Wie het tot dan toe weigerde te geloven, kon er niet meer omheen: alles verandert. De kennis van dat proces was fundamenteel om onszelf te begrijpen. Geschiedenis werd de koningin der menswetenschappen, of men haar nu beoefende om te begrijpen, uit verlangen naar de oude tijd of om het mensdom uit slavernij te bevrijden.

Het verlangen om het verleden te kennen, is universeel. De wetenschappelijke manier om dat te doen, werd ontwikkeld in Europa. Ze behoort tot onze maner om tegen de wereld aan te kijken – een manier die wij (het maakt er deel van uit) graag delen (en soms: opleggen, ik weet het). We mogen het ons niet laten afpakken.

Niet door fundamentalisten die niets liever doen dan andersdenkenden, Boeddhabeelden (Afghanistan) en bibliotheken (Timboektoe) naar de verdoemenis helpen. Maar ook niet door junior managers in slecht zittende pakken die zeuren dat we alleen vooruit mogen kijken.

Hun mantra’s moeten aanvaard worden, vinden ze, zonder dat iemand ze in vraag stelt. Ze lijken bijgevolg verrekte sterk op Gods Woord. De hemel waar de pakken naartoe willen, gemaximaliseerde winst, is – zoals die van Allahs martelaren – een paradijs waar hun slachtoffers niet binnen mogen.

Verschenen in “Eos Memo” nr. 5

Memo5

[Literatuur / Geschiedenis] Vrouw zoekt God. Hadewych: dichteres, begijn, mystica.

Geen enkele vrouw uit de Lage Landen bij de zee schreef in de middeleeuwen met meer passie en talent over haar mystieke ervaringen dan de Brabantse dichteres en prozaschrijfster Hadewych. Lang duurde het niet voor ze in geestelijke kringen grote bekendheid genoot. Toch vond niemand het opportuun om haar biografie te schrijven. Zo komt het dat we veel, maar ook heel weinig weten over deze fascinerende vrouw uit de 13de eeuw.

Was Hadeywch een vervaarlijke ketterse, wier geschriften de officiële kerk zich nadien toe-eigende? Of was de “maar” een buitengewoon begaafde vrouw, die haar diep religieus gevoel op een eigenzinnige manier gestalte gaf? Hoe dan ook, Hadeywch spreekt, meer dan zeven eeuwen na haar doet, nog altijd tot de verbeelding van filologen, historici, godsdienstwetenschappers, feministen en dichter(es)s(en).

Hadewych schreef een tamelijk omvangrijk oeuvre bij elkaar. Het bestaat uit 45 strofische- en een aantal mengeldichten, brieven en visioenen. In de visioenen beschrijft de mystieke eenwording – ze spreekt van “ghebruken” – met Christus. De gedichten behandelen vooral het “ghebreken”, de afwezigheid van de Geliefde. En de brieven zijn didactische uiteenzettingen, bestemd voor geestesgenoten. Hadewych wijst minder ervaren vriendinnen de weg van de minne en besprak problemen als onderlinge onenigheid en conflicten met de buitenwereld.

Minne

Een centraal begrip in Hadewychs discours is de “minne” of liefde. De schrijfster gaf aan het begrip overigens meer dan één betekenis: het slaat op de liefde tot God, de Godservaring, Christus als bruidegom enz. Naar goede middeleeuwse gewoonte treedt Minne ook op in gepersonifieerde vorm.

Mystiek is het streven naar eenwording met God. Het is geen specifiek christelijk verschijnsel. Hadewych schreef hoe zij op haar tiende werd gegrepen door Gods liefde en hoe die bij haar een hevige begeerte deed ontstaan, die zij “orewoet” noemde. Orewoet had ook een lichamelijk effect.

In het eerste visioen zegt Hadewych dat ze zichzelf niet kon beheersen en daarom bang was onder de mensen komen. In een van haar brieven heet het dat de lichamelijke uitputting haar had gedood als God haar geen uitzonderlijke kracht had gegeven.

Begijn

Mysticae als Hadewych hadden directe omgang met God. Dat boezemde de kerk wantrouwen in. Toch schreven priesters vol bewondering de biografie van enkele van deze merkwaardige vrouwen, zoals Christine van Stommelen (1242-1312), Lutgardis van Tongeren, Ida van Leuven, Beatrijs van Nazareth (1200- 1268) en anderen. Maar over Hadewych zijn, zoals gezegd, geen getuigenissen van derden tot ons gekomen.

De taal van haar geschriften doet de dichteres kennen als iemand uit Brabant. Haar Brabants leert bovendien dat ze omstreeks het midden van de 13de eeuw moet geleefd hebben. Een notitie op een handschrift noemt haar in de 15de eeuw “de gelukzalige Hadewych van Antwerpen”. Ze had contact met een lid van de adellijke familie van de heren van Schoten, wier bezittingen niet ver van de stad lagen. Het kan ook niet anders of ze was een begijn.

scannen0001

Op deze kaart van de Schelde van Rupelmonde tot de monding in het Felixarchief is rechts, buiten de stadsmuren, het eerste Antwerpse begijnhof afgebeeld. Het leeft voort in de straatnamen Begijnenvest en Begijnenstraat (a).

Op het eind van de 12de en in het begin van de 13de eeuw kwam in de Nederlanden, het Rijnland, Zwitserland en Italië een nieuwe religieuze beweging op gang van vrouwen (en mannen, de zg. beggarden) die hun leven aan God wilden wijden zonder eeuwige geloften en zonder zich aan een kloosterregel te onderwerpen.

Elders recruteerde de beweging leden onder de armen. Ze zwierven rond en kwamen al bedelend aan de kost. In de Nederlanden kwam een groot deel uit (kleine) adel en patriciaat. De Nederlandse begijnen – vrouwen waren de meerderheid – bleven bij hun familie, leefden als kluizenares of vormden groepen met een sterk wisselende samenstelling, wat controle door de clerus zo goed als onmogelijk maakte.

Mystiek

Deze mulieres religiosae deden geen afstand van hun bezit, maar leefden van het werk van hun handen en schonken het overbodige weg. Hun levenswijze stond haaks op de traditie die wilde dat vrouwen huwden of in het klooster gingen. In het eerste geval stonden ze onder het gezag van een echtgenoot, in het tweede onder dat van de kerkelijke hiërarchie.

De begijnen kozen voor een zeer radicale vorm van zelfstandigheid – er waren zelfs getrouwde vrouwen die hun man verlieten om zich bij hen te voegen. Die zelfstandigheid was materieel én intellectueel: de begijnen bleven buiten de Kerk en ontwikkelden hun eigen spiritualiteit. Ze discussieerden over het geloof en lazen de Bijbel in de volkstaal. Mystiek kreeg in hun beleving een voorname plaats.

Hadewych1

In 2011 publiceerde Franse schrijfster Jacqueline Kelen een merkwaardig,  mooi geschreven boek dat de mystiek Hadewych “parafraserenderwijs”  in kaart tracht te brengen. 

 In de 12de eeuw raakte een belangrijk deel van de ideeën van Aristoteles in het Westen bekend. Dat gebeurde via het Moorse Spanje, waar Arabische filosofen als Averroës zijn denkbeelden hadden bestudeerd. Zo kwam het dat de theologie, zoals die beoefende werd aan de universiteiten, steeds meer belang hechtte aan de rede – soms in die mate dat denkers als Siger van Brabant (ca. 1240-1284) besloten dat er twee vormen van waarheid bestonden: de religieuze en de filosofische, en dat pogingen om beide te verzoenen geen zin hadden.

Die constatering was subversief; ze vocht de fundamenten van het geloof en van de kerkelijke autoriteit aan. Als reactie op deze ontwikkeling stelde Bernardus van Clairvaux (1096-1153) al vroeg dat het geloof geen zaak van redelijk overleg, maar van ervaring was. Zo legde hij mede de basis voor de begijnenmystiek.

Erudiet

Hadewych was een intelligente, erudiete schrijfster. Ze kende Frans en Latijn, wat erop wijst dat ze voor een vrouw van die tijd een uitzonderlijk verzorgde opvoeding genoot. Ze blijkt ook vertrouwd met de traktaten van theologen en met de liefdespoëzie van de Noord-Franse minnezangers of trouvères.

In de brieven laste ze door haarzelf vertaalde fragmenten in uit geschriften van Willem van Saint Thierry (ca. 1085-1149) en van Richard van Saint Victor. Aan de hoofse poëzie ontleende Ze beelden en conventies die ze aanwendde in haar eigen, mystieke gedichten – een genre dat zij als eerste in Europa beoefende.

Net zoals de trouvères voorzag ze haar gedichten van een Natureingang – een inleiding die verwijst naar de natuur. Naargelang de toon van het gedicht gaat het over het aanbreken van de lente of de intrede van de winter.

scannen0001

De gloednieuwe editie van Hadewychs liederen door Veerle Fraeters en Frank Willaert (bespreking: zie hieronder).

Die van het eerste strofische gedicht gaat zo: “Ay, al es nu die winter cout, / Con die daghe ende die nachte langhe, / Ons naket saen een somer stout, / Die ons ute dien bedwanghe / Schiere zal bringen: dat es in schine / Bi desen nuwen jare; / Die hasel brinct ons bloemen fine; / Dat es een teken openbare.”

Nog niet zo lang geleden ontdekte men zelfs dat de strofische gedichten liederteksten zijn, dIe men kan zingen op melodieën van Latijnse en Franse liederen; twee ervan staan op de recente cd Pacxken van Minnen. Middeleeuwse muziek uit de Nederlan-en van de Nederlandse groep Camerata Trajectina (Globe 60610).

Extase

Hadewych beheerste niet alleen de codes van de toenmalige literatuur, maar ook haar eigen taal tot in de puntjes. Het was heel bewust dat ze het Nederlands bezigde: “Voor alles wat er op aarde is,” schreef ze in een van haar brieven, “kan men voldoende taal en Diets vinden”.

De extatische, gelukzalige vereniging met Christus die Hadeywch ervoer, heeft een ronduit erotische bijklank. Dat blijkt uit een passus uit haar 9de brief, in hedendaags Nederlands hertaald door de jezuïet Paul Mommaers:

“[…] daar zal Hij u leren wie Hij is en hoe wonderlijk zoet de ene geliefde in de andere woont en de ander zo door en door bewoont dat geen van beiden zichzelf nog onderkent. Maar onderling genieten zij elkaar – mond in mond en hart in hart en lichaam in lichaam en ziel in ziel – terwijl Gods éne zoete natuur hen beiden doorvloeit, en in elkaar zijnde zijn zij beiden één en zij blijven helemaal één, ja dat blijven ze.”

scannen0003

Deze mooie CD van het Nederlandse ensemble Camerata Trajactina is alweer twintig jaar oud… (a). 

Naast deze vorm van mystiek, de zg. “bruidsmystiek” – de ziel is de bruid van Christus – bestaat ook de zg. wezens- of triniteitsmystiek waarbij de mysticus God ervaart als gehuld in duisternis, als een onpeilbare afgrond, als een onnoemelijk Niets, ieder beeld en begrip voorbij. Voor de mysticus is de vereniging met deze God enkel mogelijk op het niveau van de “gront”, de kern van zijn existentie – te vergelijken met wat sinds Freud het onderbewuste heet.

Feminisme

Uit het werk van Hadewych blijkt echter dat beide vormen van mystiek in elkaar overvloeien. In haar zesde visioen zegt ze: “[Toen] viel ik buiten de geest, weg van mezelf en van al wat ik van Hem gezien had, – helemaal verloren viel ik de verzaligende borst van zijn natuur, de minne. Daar bleef ik in verzwolgen en verloren, buiten alle begrip: geen weten, noch zien, noch verstaan van iets anders, dan één te zijn met Hem en Hem te genieten.”

Luce Irigaray en andere Franse feministische theoretici deden het inzicht ontstaan dat de mystiek misschien wel de enige “plaats” was, waar de middeleeuwse vrouw volop haar eigen identiteit kon beleven. Zij wijzen erop dat de taal zélf ideologisch geladen is; zij was en is gekleurd door de man met zijn dominante plaats in de samenleving. Wie “zijn” taal gebruikt, neemt onvermijdelijk zijn opvattingen over.

Het gevolg is dat vrouwen een kloof gewaar worden tussen hun ervaring van zichzelf en de woorden die hun ter beschikking staan om daar over te spreken; vandaar hun verlangen naar de verwerping van taal en beeld – een verlangen dat zij, in een maatschappij waar geloof en Kerk alomtegenwoordig waren, enkel binnen het religieuze discours, binnen de mystiek konden realiseren.

De clerus sloeg de begijnen met argusogen gade, ook al omdat hun spiritualiteit tot het ontstaan van een hardnekkige ketterij leidde (het woord “begijn” is misschien afgeleid van “albigens”, een andere naam voor de katharen. Het woord “ketter” is trouwens zelf een verbastering van “kathaar” – al bestaat er verder geen enkel verband tussen begijnen en albigenzen).

Vrije Geest

Als de mens één kon worden met God, vroegen sommigen zich af, betekende dat dan niet dat hij altijd aan Hem deelachtig was – door de ziel, die van bovennatuurlijke aard was? En indien men God inderdaad in zich droeg, kon men dan nog wel zondigen?

Voor de aanhangers van de ketterij van de Vrije Geest was zonde een hol begrip en was men vrij te doen en te laten wat men wilde. Ze besloten ook dat de verhalen over Jezus, Maria en de heiligen verzinsels waren en dat de Kerk een overbodig instituut was.

De eerste aanhangers van deze afwijkende leer waren begijnen en het was in hun midden – zowel in de Nederlanden als in het Rijnland – dat hij het meeste succes kende. Men noemde de ketterij van de Vrije Geest daarom “de ketterij van de begijnen”. Het gevolg was dat ook rechtgelovige begijnen werden verdacht en vervolgd.

scannen0002

In 2002 publiceerde de Antwerpse dichteres Lucienne Stassaert (1936) bij uitgeverij P deze hertalingen van gedichten van Hadewych (a).

Toch gebeurde dat laatste vooral in Duitsland. Bij ons genoten de begijnen de bescherming van heren als de hertog van Brabant en de graaf van Vlaanderen en van de patriciërs in de steden waar zij verbleven. Toen de paus de begijnen verbood, maakte zelfs hij een uitzondering voor hen, die niets misdeden – een achterpoortje van formaat.

Was de ketterij bij ons dan toch minder verspreid of taande haar aantrekkingskracht hier sneller dan in het keizerrijk? Hoe dan ook, de clerus slaagde er na verloop van tijd beter in de Nederlandse begijnen in de pas te laten lopen.

“Nuwe”

Uit haar proza treedt Hadewych naar voren als de leidsvrouw of meesteres van beghinae disciplinatae die uit vrije wil samenleefden. Zulke groepen bleven bestaan, maar andere begijnen vestigden zich onder toezicht van een priester in een begijnhof.

In Antwerpen ontstond al in 1247 buiten de stad het hof Syon waaraan de Begijnenstraat en de Begijnenvest herinneren. Aan de andere kant bleef de ketterij van de Vrije Geest nog tot in de 16de eeuw de kop opsteken – onder anderen bij de leidekker Eligius Pruystinck, alias Looi de Schaliedekker.

Betekent dit dat men ook Hadewych van ketterij verdacht? Volgens specialisten in haar oeuvre – sinds pater J. Van Mierlo s.j. bijna allemaal geestelijken – schreef Hadewych geen denkbeelden neer die afwijken van de katholieke geloofsleer. Maar met de twijfel en de verwarring over de begijnen, was dat misschien niet nodig om toch met een scheef oog te worden bekeken.

De Katharen

De middeleeuwse kerk deed voor de bestraffing van ketters een beroep op het wereldlijk gezag (a).

Een passage in een brief wijst erop dat Hadewych misschien een tijd gevangen zat. Ze vraagt haar vriendinnen zich geen zorgen te maken – vooral niet over haar, al dwaalt ze rond of zit ze gevangen: “Eest in doelne achter landen, Eest in ghevancnessen: Want hoetsijn sal, het es der Minnen werc.”

Hadewych was zich terdege bewust van de kloof tussen de buitenwereld – godvruchtige lieden incluis – en de begijnen. Haar minachting voor de redeneerwoede van de theologen stak ze niet onder stoelen of banken. Haar geestverwanten noemde ze de “nuwe” of “nieuwen”. Wie niet tot hun gemeenschap behoorden, waren “vremden”. Dat bewijst alvast dat de groep waaraan zij leiding gaf zich sterk bewust was van zijn identiteit.

Meester Robbaert

Wie precies de begijnen waren tot wie Hadewych zich met haar teksten richtte, weten we niet. Maar tussen 1238 en 1244 stelde ze een lijst op van enkele tientallen mensen, die volgens haar de minne op een volmaakte manier hadden beleefd. De lijst is opgenomen in haar laatste visioen. De volmaakten – sommige ketterse sekten hadden ook hun “perfecti” – leefden in Thüringen, Bohemen, Zeeland, Friesland, Parijs, Denemarken en Engeland.

Het waren vrouwen én mannen, onder wie een gewezen priester uit Holland, en “een beghine die meester Robbaert doedde om hare gherechte minne”. Robbaert was de beruchte ketterjager Robert le Bougre, die van 1235 tot 1238 de inquisitie in het graafschap Vlaanderen leidde (“bougres” waren bogomilen of “Bulgaarse” ketters, een sekte waartoe Robert zelf ooit had behoord).

Marguerite

Hadewych schreef geen persoonlijke “getuigenis” in de hedendaagse zin. Haar erudiete, vaak moeilijke teksten zijn  bedoeld om het onzegbare voor derden zo toegankelijk mogelijk te maken. De brieven en visioenen – ook de laatste groeien soms uit tot echte traktaten – waren bedoeld om te motiveren en te onderwijzen. Ze dienden niet in eerste instantie voor individuele lectuur, maar om luidop in de gemeenschap voor te lezen.

Moed

Hadewych leefde in de 13de eeuwen wilde één worden met God. Maar haar verlangen naar de onverkorte beleving van het zijn is van altijd – en dus ook van ons. Zoals ook het verzet dat ze aantekent tegen de blauwdruk van de wereld die andermans taal haar en ons in de maag splitst(e), maar ons niet de woorden geeft die we nodig hebben voor ons fundamenteelste verlangen of gemis.

Hadewych was een intellectuele vrouw die de conventies van de strak geordende, vrouwonvriendelijke middeleeuwse samenleving en de door mannen gedomineerde kerk naast zich neerlegde en voor een onzeker, risicovol bestaan koos.

Ze deed dat in een tijd toen Antwerpen het toneel was van het optreden van Guillielmus Cornelis, een kapelaan van de O.-L.-Vrouwekerk, die de wereldse macht en de seksuele moraal van de Kerk bekritiseerde. Drie jaar na Cornelis’ dood liet de bisschop van Kamerijk zijn stoffelijke resten opgraven en verbranden. Op een onconventionele manier over God spreken was in haar eeuw zeker niet zonder risico.

N I E U W E    U I T G A V E

Veerle Fraeters en Frank Willaert van de Universiteit Antwerpen verzorgden een indrukwekkende uitgave van de Liederen van Hadewych. Beide Vlaamse hoogleraren werkten samen met hun Utrechtse collega Louis Peter Grijp die verbonden is aan het Meertens Instituut en Nederlandse liedcultuur doceert aan de Universiteit Utrecht. Het boek is intussen al aan zijn tweede druk.

Na een bijzonder grondige en uitgebreide inleiding over de dichteres en haar werk, gebaseerd op de meest recente onderzoeksresultaten van filologen en historici, volgen al haar gedichten. Naast de Middelnederlandse tekst staat een accurate vertaling in hedendaags Nederlands. De uitleg bij elk gedicht is omheen beide versies gedrukt in kleine rode letters – een schitterende vondst van vormgeefster Hannie Pijnappels. Een en ander maakt het mogelijk om de gedichten te lezen en te begrijpen.

Bij het boek horen vier audio-cd’s. Daarop zijn alle teksten te horen. De liederen waarvan men de melodie kon reconstrueren, zijn gezongen; de andere worden gereciteerd. Uitleg over de reconstructie van de muziek geeft Louis Peter Grijp in een apart hoofdstuk.

Deze Liederen vormen het eerste deel van het Verzameld Werk van Hadewych, wier teksten “het kloppend hart van het pantheon van de Nederlandse literatuur” vormen. Fraeters, Willaert en Grijp kregen voor hun editie de Kruyskamp Prijs 2021 van de Maatschappij voor de Nederlandsche Letterkunde.

Het bijzonder verzorgde boek verschijnt bij de Historische Uitgeverij, een Nederlandse firma die zich toelegt op de publicatie van belangrijke en mooi vormgegeven tekstedities en monografieën over geschiedenis, filosofie, literatuurhistorie en  aanverwante onderwerpen.

Hadewych, Liederen, uitgegeven, ingeleid, vertaald en toegelicht door Veerle Fraeters & Frank Willaert met een reconstructie van de melodieën door Louis Peter Grijp, Groningen, Historische Uitgeverij, gebonden, 455 blz. en vier audio cd’s, ISBN 978-90-6554-478-0 NUR 620/708, 49,95.- Euro.

Verschenen in “Eos Memo”, nr. 4.

scannen0004