Skip to content
Advertenties

Posts from the ‘Raapstraat’ Category

[Kunst / Geschiedenis / Monument ] De (her)ontdekking van Laokoon. Een bezoek aan de Academie.

Ambtswoning 001

Ik heb iets met de Academie van Antwerpen. Ik herinner me nog dat ik het poortgebouw met het opschrift “Academie” voor het eerst zag van in de Minderbroedersrui, aan het eind van de smalle Minderbroedersstraat. Dat was begin jaren 1970, toen ik aan de verkenning van de stad begon.

Ik was vijftien, droeg een duffelcoat en probeerde er intellectueel uit te zien door achter een pijp te lopen. Duffelcoats zijn in de loop der jaren mijn dikke vel geworden en mijn pijp het instrument waarlangs ik bij voorkeur ademhaal. Ik rook halfgrove oude Semois van het legendarische huis Windels in Mechelen. Maar dat is een ander verhaal.

Ambtswoning 003

De Academie viert dit jaar haar 350ste verjaardag. Dat is niet niks – drie-eneenhalve eeuw, van late barok tot laat (?) postmodernisme, van David II Teniers tot, zeg maar, Karin Hanssen. Om het gewoon bij de schilders te houden.

De tuin van de Academie is een van de best bewaarde geheimen van Antwerpen. Je ziet er de fraaie classicistische gevel van de “eerste” ambtswoning van de directeur, waar het pand aan de Mutsaerstraat nadien tegenaan werd gebouwd. Bijna onherkenbaar is zwaar gehavende het standbeeldje van Quinten Metsijs uit de eerste helft van de 19de eeuw.

Ambtswoning 004

Een schilder was ook directeur Matthieu-Ignace van Brée, wiens gehavende marmeren beeld in 1890 letterlijk aan de deur werd gezet. Tot dan toe stond het in het Museum van de Academie, waar het in 1852 werd onthuld in aanwezigheid van minister Charles Rogier.

Het beeld is van de hand van de toen ter tijd erg bekende Jan-Baptist De Cuyper. Sinds een aantal jaren mist Van Brée een hand, als had een shariarechtbank hem voor diefstal veroordeeld. Maar ik heb mij laten vertellen dat hij binnenkort wordt gerestaureerd.

Ambtswoning 005

Achteraan links staat wat op het eerste gezicht een Griekse tempel is. Het Museum van de Academie werd voltooid in 1843 en deed dienst tot 1890. Het is een creatie van stadsarchitect Pierre Bruno Bourla die voor de oude kerk van de franciscanen of minderbroeders een voorbouw met een Grieks tempelfront met vier Dorische zuilen neerpootte.

De voorbouw is intussen in een even lamentabele staat als Bourla’s schouwburg aan de Komedieplaats dertig jaar geleden. Halverwege de hoogte van het kerkschip bracht Bourla een vloer aan, zodat een verdieping ontstond. Daar kwamen de museumzalen. Voor het trappenhuis schilderde directeur Niçaise de Keyser zijn Vlaamse School die in 1872 werd onthuld. De monumentale muurschilderingen brachten de bezoeker meteen in de juiste stemming.

Ambtswoning 006

Wie zich enkele meter verder waagt, kan een blik werpen in de brandgang tussen het Museum en de  achtergevels van oude, erg oude huizen aan de Raapstraat. Hiermee is een heuse familie-overlevering verbonden

Drie zussen van mijn grootmoeder trouwden na de Eerste Wereldoorlog met drie broers: Pol, Fons en Louis De Bruyker. Ze waren als oorlogshelden (nou ja) teruggekeerd van het IJzerfront. Hun ouderlijk huis stond aan de Raapstraat; de “koer” grensde aan de Academie.

Ambtswoning 007

Volgens een familiale overlevering vonden de drie broers er niets beter op dan op een mooie zomeravond over de scheidingsmuur te klimmen om in de tuin van de Academie een borstbeeld te stelen. Dat legden ze vervolgens op een van de hoofdkussens in het ouderlijk bed.

Toen moeder de vrouw, zichzelf bijlichtend met een kaars, wilde gaan slapen, gilde zij naar verluidt het hele huis bij elkaar: “Jef, er ligt ‘ne vent ins ons bed!” Waarop vader Jef, gewapend met een hamer, naar boven stormde en de stenen indringer verbrijzelde.

Ambtswoning 009

Ik heb me weleens afgevraagd of de kop uit  dit sterle verhaal het op mysterieuze wijze verdwenen borstbeeld van Rubens was, vervaardigd door Van Brée (in zijn vrije uren  beeldhouwer) dat in 1816 werd ingehuldigd. De plechtigheid vormde de aanleiding voor een interessante toespraak door de jonge Jan-Frans Willems, die zich toen nog bezighield met het lot van de beeldende kunsten.

Tegen de zijgevel van Bourla’s Museum, maar ook elders, plaatste men op het eind van de 19de eeuw deuromlijstingen en andere elementen van gevels van historische panden in de stad die recentelijk gesloopt waren. Het geheel vormt een wat bizarre openluchttentoonstelling van op zichzelf fraaie voorbeelden van stijlen uit de architectuur.

Ambtswoning 010

Oorspronkelijk was de Academietuin het kerkhof van de franciscanen.  Napoleon schonk hun door de staat genaaste klooster tussen Mutsaertstraat en  Blindestraat in 1810 aan de Stad Antwerpen om er de Academie onder te brengen. Die was sinds 1665 gehuisvest in enkele lokalen in de Beurs.

Ondanks de vele verbouwingen, aanpassingen en toevoegingen in het gewezen kloostercomplex bleef de kloostergang bewaard, spitsboogramen en gotische gewelven van baksteen incluis.

Demie3

De minderbroeders vestigden zich in 1446 in Antwerpen; hun klooster was klaar in 1450. De kerk werd het jaar daarop gewijd. De grond voor het complex kregen de paters van rijke stedelingen die hem met het oog daarop van de stad gekocht  hadden.

De Antwerpse minderbroeders hielpen in de 16de eeuw de dichteres Anna Bijns met de publicatie van haar “refereinen”. Ze deden dat omdat zij een lans brak voor het katholieke geloof en de vloer aanveegde met Maarten Luther en andere “ketters”. Bijns woonde overigens vlakbij, aan de Keizerstraat, waar ze een schooltje runde.

IMG_0523

Op het niet toegankelijke convent van de karmelietessen aan de Rosier na, is de Academie de enige plek waar nog iets te zien is van een van de vele kloosters die Antwerpen in het Ancien Régime rijk was.

Laten we de Academie binnenstappen via dit prachtige, neoclassicistische portiek, waarvan ik vermoed dat het ook van Bourla is. Zo komen we in een lange, op het eerste gezicht weinig inspirerende gang. Toch heeft hij iets, deze gang. Misschien omdat hij – letterlijk – “perspectief” biedt. En perspectief is iets wat ons sinds de renaissance  boeit. Vooraan links bevindt zich het kantoor van departementshoofd Eric Ubben. Wat verder, aan de rechterkant, vindt men de bibliotheek. De leeszaal kreeg haar huidige vorm begin jaren 1960, maar werd recentelijk grondig opgeknapt.

De hoofdgang van de Academie

Bibliothecarissen Karine Houthuys en  Jef Van Gool en zijn collega zijn bijzonder vriendelijk en efficiënt. Honderden studenten kunnen dat bevestigen. Jef kent de geschiedenis van de Academie als zijn binnenzak.  Beschouw dat echter niet als een invitatie om de man te veel lastig te vallen. 

Van eind 1994 tot het voorjaar van 1996 heb ik zelf in deze bibliotheek gewerkt, eerst als assistent en dan als wetenschappelijk bibliothecaris – een ambt dat bij de oprichting van de autonome Hogeschool Antwerpen werd afgeschaft. You win some, you lose some. Maar ik kom hier nog altijd graag.

Ambtswoning 012

Waar de gang zich verbreedt, bereikt men een sobere, maar fraaie trap  in wat ik gemakkelijkheidshalve “art déco” zal noemen en die – voorzover ik weet – dateert van bij de tamelijk grondige verbouwingen die hier werden uitgevoerd tussen 1940 en 1941 – in volle oorlog, dus.

Gelukkig verschijnt dit jaar een boek over de Academie, met o.m. een bijdrage van prof. Piet Lombaerde, die de ingewikkelde bouwgeschiedenis van dit complex uit de doeken doet. Als ik het goed heb, voorzag men dit deel van het gebouw toen ook van een etage, waar sindsdien de architectuuropleiding is gevestigd, die in 1946 werd losgemaakt van de Academie en verder door het leven ging als een afzonderlijk instituut.

Ambtswoning 014
In de jaren 1690 breidde men de Academie in de Beurs uit met een klas waar de jongste studenten konden tekenen naar gipsmodel. In de loop der tijd slaagde de school erin haar verzameling gipsen beelden aanzienlijk uit te breiden. Dat was geen sinecure, want gipsmodellen waren niet bepaald goedkoop.

Gelukkige waren er kunstenaars die de “plaasters” uit hun atelier aan de Academie nalieten. Kort na 1760 liet graveur Pieter Martinasie zelfs op eigen kosten 25 antieke beelden uit de verzameling van de hertog van Arenberg afgieten en schonk de modellen aan de Academie.

Ambtswoning 016

In de jaren 1960, toen beeldhouwer Mark Macken directeur van de Academie was, werden een heleboel gipsen vernietigd, wegens ouderwets en niet langer nodig geacht voor het onderwijs. Andere gaf Macken in bruikleen aan kleine academies in de provincie.

De beelden die overleefden, leden onder jarenlange verwaarlozing. Maar sinds anderhalf decennium is men zich opnieuw bewust van hun cultuurhistorische (en financiële) waarde. Docente Karolien van der Star van de afdeling Conservatie en Restauratie inventariseerde de beelden en superviseert hun geleidelijke restauratie.

Ambtswoning 021

Een beschamende episode is zonder enige twijfel die tijd die Vincent van Gogh vanaf januari 1886 doormaakte aan de Academie. Hij kwam in conflict met zijn leraren Karel Verlat, Frans Vinck (1827-1903) en vooral met Eugène Siberdt (1851-1931).

De “Hollander” verliet de Academie en vertrok naar Parijs. Een maand later, op 31 maart, beslisten de leraars dat 17 studenten, onder wie Van Gogh, hun jaar moeten overdoen. Het is dus NIET zo dat Van Gogh werd weggestuurd – een hardnekkige legende, die nog altijd de ronde doet.  

Van Gogh woonde in zijn Antwerpse tijd aan de Lange Beeldekenstraat. Hij schilderde er o.m. de achterhuizen die hij vanuit zijn raam kon zien. Dat doek hangt vandaag in het Van Goghmuseum in Amsterdam.

De avonturen van Van Gogh aan de Academie staan in het boek van de Antwerpse operazanger en nadien kunsthistoricus Mark Edo Tralbaut, een merkwaardige figuur in his own right. Tralbaut schreef in de jaren 1950 zelfs een toneelstuk over zijn idool; het werd opgevoerd in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, maar kende geen succes.

Ambtswoning 024

De enige bekende schilder, van wie ik met zekerheid weet dat hij aan de deur werd gezet, was Antwerpenaar Eugeen Van Mieghem (1875-1930). Maar dat gebeurde in 1891, vijf jaar na het vertrek van Van Gogh. Van Mieghem geniet vandaag vooral bekendheid als chroniqueur van de haven en de emigranten op weg naar Amerika.

Vanuit de hal op de foto hierboven, bereikt men de “Lange Zaal”, een tentoonstellingsruimte door Bourla bouwde voor de exposities van de Société pour l’Encouragement des Beaux-Arts die nauw met de Academie verbonden was. Boven de poort aan de Venusstraat prijkt trouwens het woord “Academie”.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Intussen ontdek ik, doorheen de lens van mijn fototoestel, dat een gehavend beeld in de gang naar de keramiek- en grafiekklassen niemand minder is dan Laokoon. De Trojaanse held werd samen met zijn beide zoons in zee gesleurd door reuzenslangen toen hij zijn stadgenoten wilde verhinderen het Torjaanse paard binnen te halen.

De Laokoongroep van ca. 40 voor Christus werd in 1506 ontdekt in de bodem van een Romeinse boomgaard. Er werd gefluisterd dat de hele beeldengroep een vervalsing zou zijn In die context viel de naam van Michelangelo. Maar die kwakkel is de wereld uit. De Laokoongroep werd een icoon van de klassieke kunst. Ca. 1770 kwam een afgietsel in het bezit van de Academie. Daarvan blijft alleen de Laokoonfiguur zelf over.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Een Academie is een stimulerende plek. Studenten leren er de technische beheersing van een artistiek medium, waarmee ze de uitdaging kunnen aangaan om hun eigen greep op de werkelijkheid of een aspect daarvan (dat kan ook het medium zelf zijn) uit te drukken.

Talent is een vermogen, maar ook een verlangen. Om het verlangen te vervullen, heeft het vermogen techniek nodig. Alleen techniek maakt talent zichtbaar. Daarom moet de blik zo scherp mogelijk zijn, de coördinatie tussen ogen en hand perfect. Alleen blijkt het verlangen altijd te groot. Wie het zelfs dan niet opgeeft, dicht de kloof met “kunst”, met wat voorbij de techniek ligt. Vreemd genoeg is juist dat zeldzame resultaat ondubbelzinnig herkenbaar.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Sinds  is de Afdeling Conservatie en Restauratie van de Academie ondergebracht in drie gebouwen aan de Blindestraat: het Bureel van Weldadigheid, het Instituut Van den Nest en Licht en Lucht. Het Weldadigheidsbureel werd opgericht in 1796 – in de Franse tijd dus – en verdeelde o.m. aalmoezen aan behoeftige Antwerpenaars.

In het Weldadigheidsbureel – of toch in een deel ervan – ging de componist Peter Benoit in 1867 van start met zijn Vlaamse muziekschool. Die verhuisde pas in 1885 naar het pand aan de Sint-Jacobsmarkt, waar voordien het atheneum was gevestigd. Later groeide Benoits school uit tot het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Architect V. Durlet herbouwde het Weldadigheidsbureel in 1888 in neo-barokstijl. De toegangspoort is versierd met prachtige smeedijzeren lantaarns. Na de opheffing van het Bureel van Weldadigheid kwam in het gebouw een politiebureau dat open bleef tot in de jaren 1980.

Het Instituut Van den Nest hield zich bezig met de opsporing en bestrijding van tuberculose. Die ziekte maakte tot aan de Tweede Wereldoorlog veel slachtoffers. Toen ik naar het atheneum gingen werden alle leerlingen nog getest op tb. Na een positief resultaat moest ik eind 1974 nog een röntgenopname van mijn longen laten maken in het gebouw Licht en Lucht. Gelukkig bleek ik niks te mankeren.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Om de zaak voor ons, arme leken, ingewikkeld te maken, “kantelt” de afdeling Conservatie en Restauratie samen met de schol voor Produktontwikkeling en de architectuuropleiding aan het Heny Van de Velde-Instituut in de Universiteit  Antwerpen.

Het parkeerterrein aan de Blindestraat is de minst aantrekkelijke plek van de Academie, maar zijn rommeligheid heeft een eigen poëzie. Ik hou van het gebouw dat architect Léon Stynen in het midden van de jaren 1950 aan de Academie toevoegde. Nu het Internationaal Zeemanshuis is gesloopt (schande!) is dit zowat het enige grote modernistische gebouw in de Antwerpse binnenstad (op de Boerentoren na, natuurlijk).

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het grijze gebouw dat een rechte hoek vormt met de Stynenvleugel is de oude Volksbibliotheek, tot in de jaren 1970 de centrale openbare bibliotheek van de stad Antwerpen. Ik ben er vaak boeken komen lenen vòòr de bibliotheek  naar de Lange Nieuwstraat verhuisde. Waar vroeger de leeszaal was, bevindt zich nu een auditorium.

De afdeling Beeldhouwen van de Academie heeft een onderkomen gevonden in het gerestaureerde “Bourlaschooltje”, ooit een stedelijke lagere school, ontworpen door stadsarchitect Pierre Bruno Bourla.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Sinds het begin van het academiejaar 2012-2013 staat dit gipsen beeld, ongetwijfeld werk van een student beeldhouwkunst, bij de zitbanken aan het parkeerterrein. Gered van de vuilniscontainer wat verderop?

De “blote madame”, bepaald geen  meesterwerk en enigszins gehavend, houdt er de rokers gezelschap. Haar verdwenen voet, denk ik soms, zorgt voor een poëtisch evenwicht met de spoorloze hand van Mathieu Ignace van Brée.

Ambtswoning 023

Advertenties

Literatuur/kunstgeschiedenis – De Antwerpse sneeuwpoppen van 1772

De centaur.

De winter van 1771-1772 is bijzonder streng. In januari 1771 valt er zoveel sneeuw dat de studenten van de Academie van Antwerpen deelnemen aan een wedstrijd en overal in de stad sneeuwpoppen maken. Hiermee knopen ze aan bij een eeuwenoude traditie. Maar het wedstrijdkarakter, de thematiek en de vormgeving van de “openluchttentoonstelling” zijn volstrekt klassiek.

Een van de organisatoren van het concours, graaf De Robiano, is zo verrukt over het resultaat dat hij opdracht geeft om de sculpturen te tekenen (of in ieder geval de ontwerpen te verzamelen die de kunstenaars vooraf hadden gemaakt).

Scheldegod

De graaf laat de tekeningen graveren met het oog op de publicatie van een boek. Het album komt nog datzelfde jaar van de pers. Het heet Collections de Desseins des Figures colossales et des Groupes qui ont été faits de neige dans plusieures rues et […] cours de Maisons de la Ville d’Anvers […] par différens Artistes et Elèves de l’Académie royale de Dessein […] en la même Ville.

De Robiano draagt zijn album op aan landvoogd Karel van Lotharingen (of Lorreinen) de landvoogd die de Zuidelijke Nederlanden bestuurt in naam van de Oostenrijkse keizeren Maria-Theresia. De landvoogd steunt de Academie.

Een schrijver is graaf De Robiano niet. Hij beperkt zich tot een droge opsomming van de beelden met hun afmetingen en de namen van hun makers. Over het eerste beeld, een liggende Scheldegod Scaldis, vernemen we dat het bijna acht meter lang is. Voor het ontwerp tekende  de achttienjarige Jan-Baptist Rubens die beweert familie te zijn van de schilder.

De Sabijnse Maagdenroof.

Bij de uitvoering heeft hij hulp gekregen van acht medestudenten: Frans Sibens, Ignatius van Wayenberge, Jan Engelbert Engels, Karel van der Sluysen, Jan Janssens, Antoon-Jozef van Haecken, Simon Jozef Denis en Jozef Bogaerts.

Over de reactie van het publiek verneemt de lezer bij De Robiano niets.

De secretaris van de Academie, Jacob Van der Sanden, publiceert over het gebeuren een gedicht. Hij is niet de enige. Ook de bekende dichter Joannes Antonius Franciscus Pauwels geeft zijn verwondering vorm in verzen. Bij J.P. De Cort verschijnt de verzorgde plaquette BerIgt, Van / ConstIg-geMaeCkte sneeUWe beeLDen / Van half Januario tot het begin Februarii tot Antwerpen gezien met groote verwonderinge en zonderling vermaek der Inwoonders, uytgegeven tot Lof der onvermoeyelijke Liefhebbers der Beeld-houders-konst, ende eeuwige gedagtenisse van zoo loffelyken Yver.

Pauwels is de productiefste dichter die in de 18de eeuw in Antwerpen actief is. Hij wordt in 1747 geboren aan de Boterrui. Zijn ouders willen dat hij priester wordt. Tot zijn zestiende studeert zoonlief bij de jezuïeten, maar dan geeft hij er de brui aan. Hij leest alles wat hij te pakken kan krijgen over literatuur en geschiedenis. In zijn vrije uren schrijft hij gelegenheidsverzen, die hem later de bijnaam “Pauwels de Poëet” opleveren.

Groene paraplu

Gedurende decennia vindt bij de Antwerpse middenklasse geen huwelijk, familiefeest of jubileum plaats, zonder dat men een beroep op Pauwels doet. De dichter schrijft even vlot Latijn als Nederlands. In de loop van zijn lange, zeker op materieel vlak onbekommerde leven – zijn ouders laten hem genoeg na opdat hij niet hoeft te werken – schrijft hij gedichten over alle denkbare religieuze en morele onderwerpen.

Tijdens de Brabantse Omwenteling kiest Pauwels partij voor de conservatieve leiders Van der Noot en Van Eupen. Op het einde van de jaren tachtig verhuist hij naar het huis Roome aan de Meirbrug. In 1819 viert de poëet daar zijn vijftigjarig dichterschap; vier jaar later sterft hij.

Hoewel de mode sinds lang veranderd is, blijft hij tot het eind van zijn leven de stad doorkruisen met een gepoederde staartpruik en een driehoekige steek, een lange grijze mantel met een pelerine, een kniebroek, zijden kousen en schoenen met een gesp kleren uit de tijd van Maria-Theresia. Hij heeft ook altijd een groene paraplu bij zich. Pauwels wordt begraven op het sindsdien verdwenen kerkhof van Sint-Willibrordus, buiten de stad.

In 1769, op zijn tweeëntwintigste, publiceert de poëet De Verkeerde Wereld, een boek waarin hij in versvorm de ondeugden van zijn medemens hekelt. Pauwels is een echte pruik. Toch heeft zijn gerijmel, net als dat van zijn generatiegenoten, een parlando-achtige vlotheid, die nieuw is.

Directe waarneming

In zijn BerIgt geeft Pauwels uitdrukking aan zijn verrukking over de sneeuwpoppen van de academiestudenten De dichter is daar niet alleen enthousiast over; hij kan niet terugvallen op geëikte formules en moet een beroep doen op zijn eigen directe waarneming. Hierdoor ontsnapt hij soms aan de classicistische conventies en laat in enkele “realistische” passages een persoonlijk geluid horen.

Scaldis.

Dat is o.m. het geval in zijn beschrijving van de kou en van de sneeuwbui waar alles mee begint:

“De koud’ nam hevig toe en quam te neder sygen / (Wie had’er oyt gedacht zoo schoon saisoen te krygen?) / Men word wel haest gewaer den fellen knippertand, / De mantels om den rug, de moeffels aen der hand / Men ziet de menschen gaen gelijk in een gedoken / (Van aermoed’ en gebrek en word hier niet gesproken, / Want ider weet genoeg, dat wie geen geld en heeft, / Besonder diën tyd als zonder leven leeft.) / Men ziet’ er meenig’ gaen als met bevrose teenen, / Met d’handen vol gezwel, met slingerende beenen, / Hier stuyckt’er een’ te neêr, daer staet’er een en ziet, / En ginter een’ en gekt met andermans verdriet. / Men ziet’er ander’ gaen, met schaliblauwe kaken, / Dog sommig’ komt de koud zoo dapper niet te raken, / Want die een goey casak van dikke pelzen draegt / Geên wonder is’t dat diên van koude niet en klaegt.”

Hier komt de harde kant van de werkelijkheid om het hoekje kijken: niet iedereen heeft geld genoeg om zijn huis te verwarmen en voor dikke kleren die hem toelaten om van de winter te genieten:

“Den vorst word op-gevolgt door dikke winter vlokken / Van ’t wit geronnen vogt: dit schijnt deês aen te lokken; / Maer dient aen die tot smert, men spreekt na synen zin, / En dit heeft dikmaels ook sijn regte gronden in.. / Want die te branden heeft, en kan de booter koopen, / Die zijn van zoet gelaet, die komen haest geloopen, / En schynen in den sneeuw te nemen hun vermaek; / Het is al wel gezeyt, maer alles nae de zaek: / Want die voor hunnen kost, vrouw, kinders moeten zorgen, / aen wie den bakker zelfs uyt nood moet borgen, / Zyn van een ander soort, sy lopen achter straet / En klagen hun gebrek; maar dikwils zonder baet”.

Pedant

Maar Pauwels blijft zijn pedante zelf: om uit te leggen wie de figuren uit de klassieke mythologie of literatuur zijn die hij te pas en te onpas vermeldt, maakt hij gebruik van heuse voetnoten (als verzachtende omstandigheid geldt dat zulks in de 18de eeuw mode was).

In het gedicht voegt Pauwels er aan toe hoe de felle Boreas of noordenwind de sneeuw op bepaalde plaatsen in de straten had opgehoopt: “De straeten dus gestelt daer zag men menig’ hopen, / Den sneeuw was door den wind gelijk te gaêr geloopen, / Want Boreas alom met volle kaeken blaest / En thoont zijn heerschappy, en zonder toeven raest”.

Tegelijk brengen deze verzen – alle relativiteit in acht genomen – in herinnering wat de Engelse hoogleraar Graham Hough schreef in zijn boek The romantic Poets. In het eerste hoofdstuk behandelt hij de 18de-eeuwse Engelse dichters van de generatie van Thomas Gray (1716-1771), auteur van de beroemde Elegy written in a country Churchyard. Zij gingen de grote romantici zoals Wordsworth en Coleridge vooraf, maar gaven toch al blijk van een nieuw ‘uitzicht op de wereld’ – alleen waren zij te zeer doordesemd van classicistische versvormen en beelden om hun gevoeligheden accuraat te verwoorden.

De leeuw en het paard.

“De vlokken vallen neêr en zonder eynd te maken / En willen sy, nog dag, nog nacht, hun vallen staken, / Zoo dat op korten tyd dat wit geronnen vogt / De koud’ nog meer en meer als op de straeten brogt,” gaat Pauwels voort, “Zoo dan de wakker jeugt, Lysippi trouw gezanten / Beginnen op de Bors een groot Figuer te planten / God Scaldis zag men daer boetzeren na de konst, / Zoo wierd het deftig stuk met volle vleyt begonst.”

Nadat de poëet heeft uitgehaald naar straatjongens die Scaldis in de loop van de nacht beschadigden, bezingt hij de ijver waarmee men de volgende dag weer aan het werk gaat: “Men zag hun aen het wêrk met yver zonder byden, / Men zag den heeten drift met koude vingers stryden; / ‘T moest wezen marmer steen, riep ider in ’t gemyn, / Dan zoud’ de schoone konst van langer glori’ zyn.”

Raapstraat

In de Raapstraat maakt men een groep, bestaande uit een paard en een leeuw die in een gevecht verwikkeld zijn: “Eenider stelt ten thoon: de Raep-straet weet ‘er van / Zoo ider heeft he zien en dus getuygen kan: / Ontrent een zeker huys daer zag men ider keyken / Nae ’t Peerd met eenen Leeuw wat kan de konst beryken / Was daer aen toegebragt, daer zag men fellen stryd / Daer zag men snel gevegt, gevrogt door kloek belyd”.

De Robiano weet te melde dat de groep het werk is van meester-beeldhouwers Frans van Uffel en Willem van den Kieboom. De laatste is adjunct-directeur van de Academie.

In dezelfde buurt illustreert men met een kentaur een verhaal uit de Metamorfosen van Ovidius: “Men zag ontrent de Waeg, Centauri sterke daeden, / Hy hadd’ op sijnen rug een Vrouw perzoon gelaeden; / Syn vyand lag gevelt, en hy als triumphant / Scheen met den nieuwen roof te nemen d’overhand.”

Hercules.

En “Niet verre van de Waeg, men zegt het d’Horen-straet / Staet eenen Hercules dog meer als levens maet: / Hy draegt een zwaere knots al oft hy zoud gaen kloppen, / Maer, zoo men ’t wel verstaet, hy ziet geen Hydras koppen, / Dus scheynt hy wat bedaert, dog hy vertoont ontzag; / Die wys is wagt zig wel van een’ subiêten slag: / Maer alswanneer de Son, al scheynt hy sterk te wezen, Komt op den middag tyd op dezen Held gerezen, Dan breekt hem uyt het zweet, al oft hy zeggen wilt, / Ik zweet, gelijk gy ziet, zoo dapper dat ik smilt. / Maer des al niet te min hoort men den meester pryzen / Door wiens ervaren konst ’t figuer quam op te ryzen, / En zoo als Hercules by ieder is befaemt.”

De Robiano vermeldt dat de Herculs gemaakt was door Karel d’Olislaeger, “élève de l’Académie et Sculpteur.”

Banket

Nergens, ook niet bij De Robiano, staat te lezen wie de wedstrijd uiteindelijk won(nen). De graaf weet wel te melden dat de Antwerpse edelen de negentig deelnemers een banket aanboden in de lokalen van de Academie in de Beurs. Het werd gevolgd door een groot bal. Naast de kunstenaars waren meer dan honderd edellieden van de partij, onder wie de prins van Salm-Salm en zijn zonen. Alle beeldhouwers kregen een medaille met de beeltenis van Karel van Lotharingen en een Latijnse inscriptie die aan het gebeuren herinnerde.

En Pauwels? Pauwels dicht voort, tot in de Hollandse Tijd. Met hem sterft in 1823 een man van het Ancien Régime, een beminnelijke conservatief. Ook artistiek zweert hij bij het oude en zijn temperament blijft grotendeels verborgen achter literaire vormen en conventies.

De allereerste versie van deze tekst verscheen in “Verzonnen Stad. Antwerpen in de Literatuur – Literatuur in Antwerpen”, Antwerpen, Manteau; Amsterdam, Meulenhoff, 1994.

%d bloggers liken dit: