Pogrom in de Pelikaanstraat

Het is niet voor de eerste dat ik een Pogrom meemaak, al heb ik nooit een met mijn oogen gezien, doch heb ik, dikwijls genoeg, dierentuin en Pogrom geestelijk doorleeft [sic], althans, ik dacht het dierentuin, ik geloofde dat [ ik] het meeleefde; doch, ik ondervond, dat het niet waar was, wil dat de dierentuin iets moet […] zien.

14 april 1941. Aan het woord is ooggetuige Harry [Chaïm] Klagsbald (1898-1945), reiziger voor de importboekhandel van Angèle Manteau te Brussel en goede kennis van schrijvers als Felix Timmermans en Maurice Gilliams.

Klagsbald is permanent die middag in de bekende Joodse boekhandel Kahan aan de Pelikaansstraat 112, waar de winkelruit wordt ingetrapt. ’s Avonds, “6 uren na dit gebeurtenis”, Quellinstraat 4, aan zijn vriend en mentor, de Vlaamse auteur en journalist Emmanuel De Bom (1868-1953).

“Deze gebeurtenis”. In de bioscoop Rex aan de De Keyserlei projecteert men in de vroege namiddag van 14 april de antisemitische propagandafilm Der Ewige Jude . Op instigatie van enkele pro-Duitse militanten zetten na afloop zo’n twee- à vierhonderd toeschouwers koers naar het “Jodenkwartier”, vlakbij, in de omgeving van het Centraal Station. Het gaat om leden van Volksverwering, de Zwarte Brigade en de Vlaamse SS, gewapend met stokken en ijzeren staven.

In de Pelikaansstraat, de Lange Kievitstraat en de Provinciestraat trekken zij een spoor van vernieling en molesteren voorbijgangers. Daarna splitst de meute zich. Een deel vernielt de synagoge aan de Van den Nestlei en Stichter merk. Anderen verwoesten verderop in de Oostenstraat het huis van de rabbijn en een tweede synagoge.

In zijn monumentale Vreemdelingen in een Wereldstad. Een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1944) uit 2000 nominale historicus Lieven Saerens de feiten . Jeroen Olyslaegers baseerde zich op een recente oorlogsroman Wil (2016, blz. 62-70). Al in 1985 bracht Hubert Lampo in De Eerste Sneeuw van het Jaar (1985) de culminatie van de strooptocht ter ijver (blz. 107-114).

Klagsbald, de getuige, aan De Bom:

Ik stond in den winkel in de Pelikaanstr. Genoegelijk, niets vermoedende, met mijn zuster te praten, op eens hoorden wij het geronkel en geklier van 100den kilos glas die op straat vielen, gemengd met het gejuich en gebrul der Horden, aangevoerd door de Leiders, ik hoorde ze dichter en dichter komen, ik wist dat wij nu aan de beurt komen, aan vluchten heb ik zoo weinig gedacht, als een verdediging, mijn hart beukte wel, doch stond ik daar wachtende innerlijk kalm met het eenige verlangen, om getuige te zijn, van wat er gebeuren gaat. En BOEMS… een gelaarsde Stiefel [laars] met spijkers zat in het raam, stukken ijzer en steenen vlogen langs alle kanten, en ik heb het gezien en gevoeld…. Een groot en heilig werk ter bevrijding van Vlaanderen werd verricht.

Klagsbald goochelt soms met werkwoordtijden en gebruikt onverwachte wendingen. Zij spelling is vaak approximatief. Waarschijnlijk heeft hij zijn Nederlands van Antwerpenaars geleerd. Jiddisch is zijn moeder- en Duits zijn tweede taal.

Maar de boekverkoper is vooral geschokt – dieper waarschijnlijk dan hij op het moment zelf beseft – en heel boos. Ook dat beïnvloedt zijn stijl. Want Klagsbald weet natuurlijk wat er gebeurde; het was bijna onmogelijk om niét op de hoogte te zijn van hoe de manier waarop Duitsers en hun maats de Joden bejegenden.

Het weinige dat tot nu toe over de boekverkoper bekend was, staat te lezen in Kevin Absillis’ Vechten tegen de bierkaai. Over het uitgevershuis van Angèle Manteau (1932-1970). Opgenomen in de inventaris van het Letterenhuis zijn zes brieven van zijn hand en twee over hem. Vier van die zes doken enkele jaren geleden op in het archief van de romancier en journalist Frans-Carolina Ridwit (Frans De Ridder, 1908-1980), eveneens een beschermeling van Emmanuel De Bom.

Gelukkig levert het archief van “Vriend Mane” thans nog eens 25 brieven en zo’n dertig briefkaarten van Klagsbald op. De brief- en prentkaarten schreef hij tijdens zijn tochten naar boekhandels in de provincie die soms meerdere dagen in beslag namen.

De oudste brief is meteen de enige in het Duits. Klagsbald schrijft hem op 21 oktober 1934. Hij zegt dat hij op dat ogenblik 36 jaar is. In het zonder interlinie getypt epistel van viereneenhalf vel citeert of vermeldt hij Rilke, Stefan Zweig, André Gide en Martin Buber. De boekverkoper was een belezen man. In een ander schrijven herinnert hij aan de “philosophische” gesprekken die De Bom met hem voerde en de talrijke wandelingen die ze in Antwerpen maakten.

Ten huize van museumconservator en hoogleraar kunstgeschiedenis Arthur Henry Cornette (1880-1945) vindt op 10 november 1938 een feestmaal plaats ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van De Bom. Klagsbald houdt er een toespraak. Hij dankt zijn vriend omdat die hem vertrouwd maakte met “Vlaamsche middens, […] Vlaamsche kunst en letteren”. Uit de tekst blijkt ook dat hij het Klagsbald was die Angèle Manteau voorstelde om De Boms debuutroman Wrakken in 1938 opnieuw uit te geven en aan Maurice Gilliams vroeg om de editie in te leiden.

Klagsbald is thuis in Vlaamse middens – maar dan wel vrijzinnige, niet-katholieke middens. Cornette behoort tot de vrijmetselarij en De Bom is o.m. redacteur van de socialistische krant Volksgazet. Hij mag daarom tot de toen ter tijd niet zo zeldzame areligieuze Joodse flaminganten gerekend worden. Andere en meer bekende voorbeelden zijn de jurist Nico Gunzburg (1882-1984) en de filosoof Leopold Flam (1912-1996).

Harry alias Chaïm was perfect op de hoogte van de ellende van de Joden in Nazi-Duitsland en het geannexeerde Oostenrijk. Al in 1938 vraagt hij De Bom om tussen te komen bij de schrijver Fernand Toussaint van Boelare, directeur bij het Ministerie van Justitie. Klagsbald wil zijn oudere broer die in Wenen woont een visum voor België bezorgen. Hoe de zaak afloopt, is niet duidelijk.

Zodra de Duitsers België bezetten, mijdt Klagsbald het contact met zijn Vlaamse vrienden. In een brief van 8 november 1940 verontschuldigd hij zich daarvoor bij De Bom en legt uit dat hij “hen niet [wil] schaden”. Hij vervolgt:

ik ga ook niet meer naar de vlaamsche kunstmanifestaties, om te vermijden, dat een of andere kennis of vriend verplicht werd, mij eventueel de hand te moeten geven. Dit is ook de redenen [sic] dat ik bij den Gezelle-Gilliams middag niet was. Of het mij spijt deed? Ik kan het je niet zeggen, hoe het van binnen pijn deed; hoe [ik] daaronder leed […]. Dat ik Gilliams en Gezelle even zoo begrepen en aangevoelt [sic] had, als zoo menig aanwezige in de zaal ben ik zeker, doch was het voor mij menschelijk onmogelijk, om met hertensvreugd, te genieten.

Klagsbald maakt zich zorgen over zijn vrienden, maar hij moet zelf doodsbang zijn geweest, lang vòòr de zwarte meute huis houdt in het ‘Jodenkwartier’.

‘Begonnen aan de Vestingstr. Over de Pelikaanstraat, en alle omliggende door Joden bewoonde straaten, werd alles wat hen onder handen en botten kwam stukgeslagen en verbrijzeld, met het culminatiepunt, de twee groote Synagogen in de Van Nestlei, en Oostenstr.

Daar werd eerst alles van binnen, geplunderd, verwoest en verbrijzeld, en dan de Gebedboeken, en Thorarollen op straat gegoeid, en buiten een brandstapel opgericht.

Wat een onverwacht volksfeest was het doch, voor de brave antwerpsche burgers, die een weergaaloos spektakel, en voor niets, te zien kreegen, fierheid en vreugde straalde uit hun oogen, en een koppel stand daar de dansen, dit heb ik zelf gezien, jolijt en vreugde vulde de lucht, ik was er getuige van, ik had den moed om het te zijn, om een eerlijk bericht te kunnen geven, aan mijn vrienden, die het geluk niet hadden om aanwezig te zijn, die zich een unieke gebeurtenis in de Vlaamse Geschiedenis lieten ontgaan:

EEN POGROM IN VLAANDEREN.

Om twee uur was alles gedaan, de straaten schoon geveegd, het glas door de onmiddellijk toegesnelde vuilnismannen weggevoerd.

Orde en tucht moet er zijn, en het klopte, als bij den besten regiesseur [sic]. En de begangenis [bedevaart], kost beginnen.’

De schaamteloze nieuwsgierigheid van de Antwerpenaars die de vernielingen goedkeurend in ogenschouw komen nemen, schokt Klagsbald misschien nog het meest.

‘En werkelijk, ze kwamen, de brave feestdagsburgers, met duizenden en duizenden kwamen ze, grootmoeder en kinderwagen meesleurend, om de heldendaden der Zonen van het nieuwe herboren Vlaanderen in oogschouw [sic] te nemen, en te bewonderen. Eere wien Eere toekomt, heil Vlaanderen.’

De laatste brief aan zijn oudere vriend schrijft Harry Klagsbald in juni 1941. Het jaar daarop duikt hij onder. Bij Manteau volgt de populaire schrijver Valère Depauw (1912-1994) hem op als reiziger. Tijdens een van de razzia’s die vanaf augustus 1942 plaatsvinden, wordt hij opgepakt. Harry Klagsbald sterft van uitputting in Dachau – één dag na de bevrijding van het kamp door de Amerikanen.

De Bom bewaart de brieven van zijn protegé samen in een kaft die nu haar geheimen prijsgeeft. Ze vormen een unieke getuigenis – en zeker niet alleen van wat op tweede paasdag 1941 in Antwerpen gebeurde.

Klagsbalds over de Vlaamse Overheersing in de jaren 1930. meer dan een jaar geleden. Wereldbeeld van een man doodstond na jaren van angst, mishandeling en ontbering het leven kostte.

Verschenen in “Zuurvrij”, krantenblad van het Letterenhuis.

Advertenties

“Na elk groot verdriet / Volgt vaak een heel mooi lied” – Paul Van Ostaijen en zijn “Music Hall”

PvO_gouache

Toen Paul Van Ostaijen in april 1916 zijn eerste bundel Music Hall liet verschijnen, werd Antwerpen door de Duitsers bezet. Wat overbleef van het Belgisch leger verdedigde langs de Ijzer in West-Vlaanderen het noordelijkste stuk van een front dat diagonaal door Frankrijk liep tot aan de Zwitserse grens.

Eten en steenkool waren schaars. In de haven liepen geen schepen binnen. ’s Avonds lagen de straten er verlaten bij. Maar het uitgaansleven, geconcentreerd in de buurt bij het Centraal Station, draaide op volle toeren, mede omdat de Duitse officieren en manschappen van een verzetje hiIk heb weleens horen beweren dat, als de wind uit de goeie richting kwam, het gebulder van de kanonnen aan het front tot in Antwerpen te horen was.

Van Ostaijen, die zich met verwondering de zachtheid van een vrouwenwang tegen zijn handpalm herinnerde, was in ieder geval aan de dodendans ontsprongen.

)
Paul Van Ostaijen (foto Letterenhuis).

De dichter financierde zelf de oplage van tweehonderd gewone en zes luxe-exemplaren van Music Hall – een tamelijk lijvige bundel – van blz. 7 tot 81 in zijn Verzameld Werk. Zijn vrienden waren in de wolken, al zal het groene beest van de jaloezie hier en daar wel een hap uit Van Ostaijen beruchte bontmuts hebben genomen. Voor zijn collega’s in het Stadhuis – hij werkte als klerk bij de gemeente – was Music Hall een bron van vrolijkheid.

Music Hall brak radicaal met alles wat in Vlaanderen tot dan toe en tegelijk werd gedicht. Alleen al daarom is het een belangrijk boek. Alles rijmt, maar Van Ostaijen schreef vrije verzen en introduceerde het moderne leven met veel gedruis in de poëzie.

Ongezien. Ongehoord.

De titel van de bundel is die van de eerste cyclus, die bestaat uit vijf lange bitterzoete teksten met als narratieve draad een avondvullende voorstelling in een variététheater, waar een danseresje optreedt, een film wordt vertoond en een jongleur een nummer met ballen en fakkels brengt.

Van Ostaijen woonde allicht veel van dat soort vertoningen bij. Zijn levenslange vriendschap met de beeldhouwer Oscar Jespers begon in de Wintergarten, een variétézaal aan de Meir. Om aan de kost te komen, speelde Jespers er cello in het orkest. Uiteraard wist hij toen nog niet dat hij ooit een grafzerk voor de dichter zou beitelen.

Music Hall gaat over de stad en over het onttoverde leven.    Dat is niet zo vreemd, het was tenslotte 1916. Van Ostaijen las de Duitse expressionisten. Hun werk verscheen in tijdschriften waarop de Antwerpse Stadsbibliotheek een abonnement had. Hij was ongetwijfeld ook goed op de hoogte van de moderne Franse poëzie. Anno 1916 waren geletterde Vlamingen zo goed als tweetalig.

Van Ostaijen (links) en de broers Floris en Oscar Jespers (a).

Paul Van Ostaijen met zijn vrienden Oscar en Floris Jespers (foto Letterenhuis).

Tegelijk is het zo dat de oudere schrijver Emmanuel De Bom (1868-1953) met Wrakken (1898) al een roman over “moderne” emoties had geschreven en dat Villa des Roses, het debuut van Willem Elsschot (1882-1960), al van 1913 dateerde. Tussendoor publiceerde de thans zo goed als vergeten Lode Baekelmans met Tille (1912) de Antwerpse Madame Bovary. In de roman komt een variétévoorstelling voor als die in Music Hall. Maar daarmee houden alle gelijkenissen op. Roman en poëzie zijn verschillende werelden; Baekelmans en Van Ostaijen bewandelden heel andere paden.

Toch waren er ook al gedichten over de moderne stad geschreven. Emile Verhaeren publiceerde in 18  Les Villes tentaculaires. Maar de Franstalige Verhaeren behoorde tot een andere generatie. Hoewel ook hij brak met de strakke regels van de traditionele metriek, maakte hij deel uit van de optimistische modernen van vòòr de oorlog, van vòòr de eeuwwisseling, zij die de toekomst nog zonder voorbehoud durfden te omhelzen.

Verhaeren beschreef de stad als oord van onderdrukking, uitbuiting en vervreemding, maar ook als broedplaats van sociale vernieuwing, revolutionaire ideeën, van een nieuw mensdom. Dat soort heilsverwachtingen klonk in de oren van Van Ostaijen en zijn vrienden hopeloos hol. Hun stad was er een vol Duitsers en desillusies.

Emile_Verhaeren01Wikipedia)
Emile Verhaeren door Théo Van Rysselberghe.

1916, het jaar van Van Ostaijens debuut, was ook het jaar dat Verhaeren, actief in het onbezette deel van Frankrijk, in het station van Rouen onder een trein terechtkwam en stierf.

Toch gebruikte Van Ostaijen het door Verhaeren verzonnen adjectief “tentakulair” later zelf ook om de stad te karakteriseren. Beide dichters deelden de ambitie om “groots en meeslepend” de “werkelikheid” te bezweren. Ze geloofden ook allebei rotsvast in de rituele macht van het woord.

Meeslepend, ja, dat zijn de vroege gedichten van het haantje-de-voorste uit de Hulstkamp. Zijn verzen hebben een aanstekelijkheid die veel oudere en wijzere dichters ontberen.

Niet dat alles in de bundel even goed is, dat spreekt. De “kersende tepels” van de gravin in het gedicht Riddertijd, dat is het soort poëtische vrijheid waar ik tandpijn van krijg. “Kersen” is geen werkwoord. Nooit geweest, ook niet in gedichten. En soms werd de rijmdwang Van Ostaijen bepaald te machtig: “Mijn ziel is droef / Een grauwe groef.”

Een “grauwe groef”!?

Er is veel pathos in Music Hall, veel aanstellerige scepsis, maar af en toe ook ironie. Natuurlijk werd die al door de romantici bedreven en kregen we sindsdien menige overdosis toegediend. Maar toch – in het Vlaanderen van 1916 was ironie, zeker in de dichtkunst, zeldzaam.

statie10003

De De Keyserlei met achteraan het Centraal Station.

Ik denk nu even aan het gedicht Wederkeer, over Van Ostaijens (her)bekering tot het flamingantisme. Hij vergelijkt zichzelf met een jongen die zijn vriendin heeft bedrogen en daarna berouwvol bij haar terugkeert.

Maar de bloedige ernst van de laatste strofe: “Zó ben ik blij om m’n wederkeer, / Tot u, Flamingantisme, nieuw geloof. / Ik voel in mijn een nieuwe dageraad” enz. verpest het effect. Grondig.

Berouw, geloof, belijdenis – ziehier de paradox van het Vlaamse expressionisme: zijn vaandeldragers waren zeer Vlaamsgezind en meestal ook katholiek of katholiek opgevoed. Die mix leidde na het einde van de gay twenties bij vele expressonisten naar een min of meer verdund fascisme. Maar toen was Van Ostaijen al dood.

Zeer zeker, de dichter versleet zichzelf voor links, sympathiseerde met de bolsjewisten en artistiek behoorde hij levenslang tot de avant garde. Alleen is dat maar één kant van de Van Ostaijenmedaille. De dichter publiceerde in door de Duitsers gecontroleerde bladen en sympathiseerde met de “activisten” – de flaminganten die vonden dat de bezetter meer voor de zelfstandigheid van de Vlamingen kon betekenen dan de Belgische staat (die hen tot dan toe inderdaad onheus had bejegend). Bovendien ambieerde Van Ostaijen een baantje bij een nog op te richten activistische marechaussee.

Laten we dus niet vervallen in de automatische gelijkstelling van literair modernisme met ondubbelzinnige “linksheid”. In Vlaanderen is het nog altijd zo dat literatuurgeschiedenis vaak impliciet wordt opgevat als het relaas van een lange bataille des Anciens et des Modernes, die meteen ook een politiek links-rechts gevecht zou zijn.

De De Keyserlei, gezien van het Centraal Station (a).

De De Keyserlei, gezien vanaf het Centraal Station.

Maar dit geheel en al terzijde.

Het is moeilijk om de poëzie in Music Hall louter en alleen op haar eigen merites te beoordelen. De rechtstreekse en onrechtstreekse invloed die ze nadien uitoefende, is immers groot en bepaalt mee onze (mijn) manier om tegen gedichten aan te kijken. In Vlaanderen legde Van Ostaijens debuut de basis voor de geleidelijke deconstructie van de klassieke vorm.

Afbraak? Bevrijding? Voorlopig – en een eeuw later – is deze “wetteloosheid” nog steeds aan de orde in de dichtkunst. Ze maakt misschien geen deel uit van het “wezen” van “de” poëzie, maar wel van de poëtische praktijk van nu.

BijOscarJespers
Paul Van Ostaijen in het atelier van Oscar Jespers (foto Letterenhuis).

Doorheen de gaten die Van Ostaijen in het vormelijke harnas schoot, wurmden zich stemmingen en emoties die in de verzen van pastoors in wapperende soutanes en docenten met stijve boorden geen plaats hadden.

Van Ostaijen zegt het zelf, in Herfst, dat uit twee gedichten bestaat. Hij begint het eerste met de verzen: “Zij die vòòr mij kwamen en dichters waren / Zij hebben hun droefenis, in de Herfst, uitgesproken”  om het tweede gedicht te besluiten met: “Maar enkel van dit droef getij / Blijft onzekerheid in mij.”

“Onzekerheid” mag iets vaags zijn, maar zelfs die vaagheid was revolutionair na tienduizenden verzen vol anekdotiek, stereotiepe gevoelens en zintuiglijke indrukken uit een arsenaal waarvan de eerste steen in de renaissance was gelegd en het dak alweer uit de romantiek dateerde (en dat alles dan op zijn Vlaams).

Ik kan me ook moeilijk voorstellen hoe een onvoorbereide lezer in 1916 moet gedacht hebben, hoe de doorsnee poëzie van zijn tijd hem de “confrontatie” – zoals dat dan heet – deed ervaren met “Zot Polleke”, (die bijnaam gaven zijn vrienden Van Ostaijen als hij hen niet hoorde).

Ik bedoel maar: ik vind de gedichten in Music Hall niet “simpel” gemaakt. Ze rijmen en hebben een bestudeerd ritme. Hoe ervoer iemand dat, die wist hoe je alexandrijnen bouwt en wie weet zelf een sonnet kon verzinnen?

Dat zijn vaardigheden die mij ontbreken. En eigenlijk vind ik dat jammer, maar mijn (post)moderne generatie is opgegroeid met De Oostakkerse gedichten van Claus, De lenige Liefde van De Coninck en nu zijn er dichters die rappen.

Ik denk niet dat ik iets heel doms zeg, als ik beweer dat de gedichten in Music Hall ondanks alles het resultaat zijn van hard werk, van discipline zelfs.

statie10001

Het Centraal Station.

Wat er ook van zij “Tred na tred, / Danseresjewet, / Tred na tred, / Voetjes zet”, daar zie ik iets bij. Of “Gelijk een regendrop op ’t zinkevlak / Van een platdak.” Die regel vind ik gewoon p-r-a-c-h-t-i-g.

Heb ik gelijk?

Gelijk en poëzie verdragen elkaar niet. Speelsheid, lust en vertedering wel.

Elders ervaar ik gelijksoortige eind- en binnenrijmen (ook over regen, trouwens) in Music Hall dan weer als puur maakwerk. “Zijpelregen, / Zonder zegen, / Langs de wegen / Neergezegen”.

Nee, daar kan ik niet mee leven.

Maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door het schokje van herkenning dat het eerste gedicht van het tweeluik Nieuwe weg over een afgesprongen vriendschap mij geeft. Daarin staan de fraaie verzen: “Over de stad glimden d’elektrieke globen klaar / Spijts mist rondom de klaarte hing”.

Vader
Van Ostaijens vader (foto Letterenhuis).

Ik weet alleen niet of een Nederlandse lezer dat vandaag helemaal verstaat.

(Want ja, Van Ostaijen was natuurlijk een Vlaming, een Antwerpenaar, en zijn Nederlands is vaak minder dan perfect.)

Af en toe blijkt Van Ostaijen tot zelfrelativering in staat. In het tweede gedicht van het vierluik Twist met Grete lezen we “Levensernst valt ook zwaar / Voor jongelui van negentien jaar.” De eerste twee gedichten bevatten trouwens een leuke intertekstuele verwijzing naar Ovidius’ gedicht over Pyrrhamus en Thisbe en de muur.

Nee, ironie en paradox waren Van Ostaijen niet onbekend. “Na elk groot verdriet / Volgt vaak een heel mooi lied”, schreef hij. En zoals elke echte dichter wist hij al tegelijk beter en niet beter.

Toen Music Hall van de pers kwam, was Van Ostaijen een zelfbewust jong heertje dat in zijn vriendenkring het hoge woord voerde. De komende jaren schreef hij heel wat kritisch en beschouwend werk bij elkaar en daarin kon hij behoorlijk dogmatisch uit de hoek komen. Zo kapittelde hij zijn vriend, de schilder Floris Jespers (de broer van beeldhouwer Oscar), omdat die het gewaagd had iets driedimensionaal voor te stellen op een schilderij, terwijl een schilderij toch per definitie tweedimensionaal was en dus niet gebruikt mocht worden voor de creatie van driedimensionale illusies.

Soms denk ik dat dit soort grauw (!) getheoretiseer op termijn bijna net zo veel heeft bijgedragen tot Van Ostaijens statuut van Onaanraakbare in de Vlaamse literatuurgeschiedenis als zijn poëzie. Literatuurwetenschappers, kunsthistorici en tutti quanti herkennen er hun eigen neurosen en premissen in.

scannen0003

De Leysstraat.

Maar deze amateurideoloog zou in de twaalf jaar die hij na Music Hall nog te leven had, ook nog briljante, grensverleggende, gekke, revolutionaire en prachtige gedichten schrijven – expressionistische, dadaïstische en “pure”.

Het zelfbewuste heertje met de opgeheven vinger dat op kosten van zijn vader – een loodgieter, nota bene – rondjes gaf in de Hulstkamp, geloofde in zichzelf (en twijfelde natuurlijk ook aan zichzelf, meer dan wij ooit zullen weten). Hij kon ideeën en dogma’s formuleren als de beste. Maar in zijn hoofd klonk vooral een stem. Een daemon? De Muze? Een zangeresje uit de Wintergarten?

Zijn eigen stem.

Ik krijg nu waarschijnlijk een peloton specialisten over me heen, maar ook in de latere (Bezette Stad) en in de laatste (Nagelaten gedichten) Van Ostaijen, klinkt de wat schrille stem van Music Hall nog door. Het begin dus, en een onvervreemdbaar deel van een omvangrijk en belangrijk oeuvre.

Trap ik een open deur in? Allicht. Maar soms moet dat.

Ik leerde Van Ostaijen kennen in de basisschool, dankzij Marc groet ’s morgens de dingen dat wij als zeven- of achtjarigen uit ons hoofd moesten leren en vervolgens voordragen. Begin jaren zeventig, toen ik naar het atheneum ging, woonde ik in de gymzaal een Paul Van Ostaijenavond bij, georganiseerd door een lerares Nederlands. Laatstejaars in zwarte maillots demonstreerden op de Bühne onder het declameren van verzen uit Bezette stad gestileerde loopjes en gebaren.

De Meir, gezien in de richting van de Schoenmarkt.

De Meir, ca. 1920.

Later zat ik zelf in de klas bij mevrouw Godelieve d’Hallewyn, die met verve over de dichter doceerde. Voor ons, langharige en recalcitrante adolescenten, werd hij misschien geen echt rolmodel, maar we herkenden toch veel van onszelf in hem. Of beter, dat wilden we.

Dit maar om te zeggen dat Van Ostaijen tot mijn literaire bagage behoort en tot die van duizenden andere Vlamingen van middelbare leeftijd. Onlangs nam de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde zijn Nagelaten gedichten nog op in haar Dynamische canon van de Nederlandse literatuur vanuit Vlaams perspectief of hoe dat ding ook mag heten.

De lijvigste studie over Van Ostaijen is geschreven door de Nederlander Gerrit Borgers. Maar enkele weken geleden waren in het Antwerpse Letterenhuis, waar ik werk en waar wij de handschriften van de dichter bewaren, eerstejaarsstudenten historische letterkunde uit Amsterdam te gast. Voor deze jonge lezertjes – hij zij hen vergeven – bleek de schrijver van Music Hall geen totale onbekende, maar het scheelde toch niet veel.

Ik beken dat ik even moest slikken. Dat hun Noorderbroeders doorgaans minder interesse koesteren voor de Vlaamse letteren dan de Vlamingen denken, weet ik al lang. Maar de dandyeske controversezoeker die ik circa 1965 voor het leven in mijn hart sloot, mag niet in de “mist rondom de klaarte” belanden.

 

 

[Column] Fantomen. Emmanuel De Bom en Clara Gaesch (Antwerpen, 1891-1895).

Panorama

Mensen van wie alleen woorden overblijven, in bruine inkt neergeschreven op vergeeld papier, kunnen na meer dan een eeuw heuse fantomen worden. Al een paar weken voel ik ze, ergens schuin achter me: Clara en Mane.

Om beter naar het huis te kunnen kijken, steek ik de straat over. Het is een onopvallend pand met een etage en een gevel die lang geleden wit werd geverfd. Ik kan mij de gang, waartoe de donkerblauwe voordeur toegang geeft, de trap en de kamers goed voorstellen. In Antwerpen zijn omstreeks de voorlaatste eeuwwisseling een paar duizend van zulke burgershuizen neergepoot.

Hier heeft ze herhaaldelijk een poos gewoond, Clara Gaesch, die in 1894 op haar 29ste stierf in het nabije Stuivenbergziekenhuis. Men begroef Clara op het sindsdien verdwenen Kielkerkhof. Ze kwam uit Köningsberg, nu Kaliningrad en scharrelde haar kostje bijeen als ‘zangeres’ in een café chantant aan het Falconplein in de havenbuurt. Omdat ze een klein percentage kreeg van de prijs van elk glas dat in het café werd geschonken, deelde ze haar bed met de eigenaar van een ander café, die haar daarvoor betaalde.

Een ‘entretenueke’, zoals ze zeggen in mijn stad, een vrouw die zich liet onderhouden.

De cafébaas verwekte bij haar een zoontje dat ze uitbesteedde bij de eigenares of huurster van dit huis, een zekere Madame Agneessens die het zelf vermoedelijk ook niet breed had. Na  Clara’s dood belandde hij in een openbaar weeshuis. Wat er verder met hem gebeurde valt allicht uit te zoeken, maar ik weet niet of ik daar de moed toe heb.

Centraalstation

In 1891 werd Clara (ook) het vriendinnetje van de piepjonge schrijver Emmanuel De Bom, die haar tegenkwam aan het Falconplein. De Bom – zijn familie noemde hem bij zijn eerste voornaam, Karel – woonde nog thuis en had een slecht betaald baantje als bediende bij de gemeente. Clara en ‘Mane’ (zo spraken zijn artistieke en literaire vrienden hem aan) ontpopten zich tot fervente brieschrijvers. Hun correspondentie, die loopt tot aan Clara’s dood, beslaat honderden velletjes.

Ze zaten in de eerste doos die ik opendeed toen ik in het Letterenhuis begon aan de inventarisatie van het stuk van Manes archief dat de voorbije decennia aan de aandacht ontsnapte.

Clara (verliefd en/of hopend op een alternatief scenario voor de toekomst?) ging met De Bom naar bed, maar bleef de vriendin van cafébaas ‘R’ zoals hij in de brieven heet. In het begin was Mane erg verliefd, maar na korte tijd kreeg hij serieuze twijfels. Zijn kleinburgerlijke familie stelde bovendien alles in het werk om de relatie te fnuiken.

De ‘zangeres’ Clara Gaesch kreeg bezoek van de vreemdelingenpolitie en moest het land uit. Hadden de De Boms haar verklikt? Wilde de betalende minnaar haar uit de buurt van het jonge, niet betalende exemplaar? Clara trok in bij haar zus Anna, die in Keulen woonde. Haar zoontje liet ze bij Mme. Agneessens. Zowel Mane als ‘R’ zochten haar in Duitsland op. Na de onverwachte dood van ‘R’ leende Mane voortdurend bij iedereen geld om aan Clara te sturen. En intussen maakte nu eens hij, dan weer zij epistolair een eind aan de relatie.

Schouwburg

Clara verzeilde in Rotterdam, in Amsterdam – ze verbleef er in de beruchte Stoofsteeg – en ook in Den Helder. In die laatste stad was ze opnieuw aan de slag als zangeres. De Bom zocht haar geregeld op, maar uiteindelijk besloten de twee elkaar niet meer te zien.

Tot Clara in 1894 opnieuw in Antwerpen is, berooid en wanhopig. Ze probeert Mane te heroveren, maar die wil niet meer, al blijft hij helpen. Clara woont op kamers. Ze is ziek en krijgt zenuwtoevallen. Uiteindelijk belandt ze met ‘chronische bronchitis” in het ziekenhuis.

‘Clara is op haar uiterste,’ schrijft De Bom aan een vriend, ‘de arme meid zal misschien de week niet uitdoen. De dokter heeft het me in een plechtig moment verklaard. Zij hijgt nu met vreeselijke snokken naar haar adem, heeft een lijkkleur, heur haar is lang droog gestreken, ze kijkt met oogen die al elders zijn; haar stem is onhoorbaar, ze zijgt vermoeid neer na een woord, zij hoort bijna niet meer. Zij spuwt haar longen uit. O wat miserabel ding is een mensch toch!’

I
I

Clara sterft. Mane betaalt haar uitvaart. Hij probeert haar zoontje onder te brengen bij Anna, die intussen in Kopenhagen woont, maar die wil niet. Hij moet toezien hoe het kind in een weeshuis belandt.

Mane schrijft weldra een roman; hij heeft nog een lang, tamelijk voorspoedig leven voor de boeg. Maar het is een jonge Mane die mij samen met zijn Clara gezelschap houdt wanneer ik door de stad loop. Ik weet nu dat ik een boek over hen zal moeten schrijven om hen uit mijn ooghoek te doen verdwijnen.

[Literatuur] ‘Verlangen’ of de liefdesverklaring in het bos.

Emmanuel De Bom, ca. 1893.
Emmanuel De Bom, ca. 1893.

Op 20 oktober 1908 richtte Jacob Nicolaas Van Hal (1840-1918), ‘redacteur-secretaris’ van het Nederlandse literaire tijdschrift De Gids, een brief aan de Vlaamse schrijver Emmanuel De Bom (1868-1953). ‘Bij geruchte kwam mij ter oore,’ schreef Van Hal, ‘dat gij de fragmenten van een roman in portefeuille hebt, waaruit echter niet zoo spoedig een roman zal ontstaan. Zoudt gij mij echter – in afwachting […] – niet een enkel, op zichzelf staand, fragment aan De Gids kunnen afstaan?’

De kopijnood bij De Gids was blijkbaar groot. Maar sinds de publicatie van de bijzonder gave korte roman Wrakken (1897) genoot De Bom de reputatie van een uitstekend schrijver. Het boek vertelt over de liefdesdriehoek en was gebaseerd op de tragische liefde van de jonge De Bom voor de Duitse cabaretzangeres Clara Gaesch (1866-1895). Niet zonder reden geniet Wrakken de reputatie dat het de eerste ‘psychologische stadsroman in de Vlaamse literatuur’ is.

De Bom, in 1893 medestichter van het prestigieuze tijdschrift Van Nu en Straks, werkte in de Antwerpse stadsbibliotheek, waar hij in 1911 hoofdbibliothecaris werd. Daarnaast ontwikkelde hij een indrukwekkende activiteit als journalistiek chroniqueur van het culturele en literaire leven in Vlaanderen. Hierdoor, zo staat in menig literair historisch overzicht te lezen, komt het dat hij zijn strikt literaire arbeid verwaarloosde, om pas op hoge leeftijd – hij was achtenzeventig – een tweede roman, Het Land van Hambeloke (1946), te publiceren.

Maar, zoals uit de brief van J.N. Van Hal blijkt, is het plaatje iets genuanceerder (ook al verandert het niet fundamenteel). De Bom antwoordde immers: ‘De bescheiden waarheid is, dat ik (helaas!) verscheidene jaren al een soort roman op ’t getouw heb, waar alle personages en toestanden in mij van [sic] leven’. Maar, voegt de schrijver eraan toe, hij mag ‘er in de eerste maanden niet […] aan denken  U zelfs maar een fragment van dit “geheimzinnige boek” aan te bieden.’

VandeWoestijne
Karel van de Woestijne.

Dat Van Hall op de hoogte was van het feit dat De Bom aan een roman werkte, weet de schrijver aan zijn vriend Karel van de Woestijne die het ‘een babbelzuchtig reporter in ’t oor geblazen [had]’, waarna Johan de Meester ‘die alles weet’ het aan Van Hall doorvertelde. Twee jaar eerder had De Bom Van de Woestijne een baantje bezorgd als Brussels correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Maar de loslippigheid van de dichter leidde niet tot een verkoeling van de vriendschap. De Nederlandse romancier Johan de Meester (1860-1931) was redacteur van de NRC.

Aan ambitie ontbrak het De Bom alvast niet. Hij wilde een roman schrijven ‘waar ik werkelijk in hoop alles te kunnen zeggen wat eenige jonge menschen van twintig tot dertig jaar aan innerlijk leven ervaarden’. Het boek zou ‘Aan “gebeurtenissen” tamelijk arm’ zijn en moest vooral ‘het zwijgende, het immer onvoldane verlangen-leven van jonge menschen uit onzen tijd teekenen.’

De correspondentie van Emmanuel De Bom i.v.m. de oprichting van Van Nu en Straks en die met Stijn Streuvels zijn gepubliceerd. Een deel van het omvangrijke De Bom-archief staat trouwens sinds jaren ter beschikking van de bezoekers van het Letterenhuis. Maar op de derde verdieping bevonden zich tot voor kort drie kasten vol materiaal van De Bom, dat nog niet ontgonnen was – elk archief heeft zijn ‘winkeldochters’ die door allerlei omstandigheden in de vergeethoek geraken.

Archief1959
Het archief van Emmanuel De Bom in 1959.

De brief van Jacob Nicolaas Van Hall aan De Bom en een kladje van diens antwoord behoren tot een verzameling papieren die de schrijver destijds bijeenbracht in een kaft met daarop, in zijn handschrift, het woord ‘Verlangen’ – meteen de titel van de onvoltooide roman.

Onvoltooid? ‘Niet geschreven’ is eigenlijk juister. De Bom worstelde duidelijk met zijn onderwerp. Gedateerde velletjes maken duidelijk dat hij al in 1898 aan Verlangen werkte. In 1908 was hij er nog steeds mee bezig en rekende hij er blijkbaar op het binnen project afzienbare tijd tot een goed einde te brengen: ‘Toen ik er laatst met den moed der wanhoop opnieuw de hand zou aan leggen, en ditmaal de beslissende hand – moest ik gaan verhuizen en werd ik ziek. Nu gaat het weer goed, ik raak op dreef – en, lukt het al, dan zal ik, eer we een jaar ouder zijn, het boek “Verlangen” voltooid den geachten Redacteur-Secretaris van den Gids in handen brengen’.

Tegelijk realiseerde De Bom zich dat hij nog veel werk voor de boeg had. ‘Wat betreft “fragmenten uit te lichten”, dat gaat in geen geval. Geen enkel fragment is in eind-vorm klaar, en ik moet het hele verhaal van A tot Z in éen adem opnieuw schrijven – terwijl al ’t bestaande, ook dat wat reeds een tamelijk samenhangend voorkomen heeft, daarbij alleen de rol van canvas of klad zal spelen.’

NoraAulit1904
Nora De Bom – Aulit, 1904.

De schrijver had gelijk. Het Verlangen-dossier mag dan vier centimeter dik zijn, voltooide hoofdstukken bevat het zeker niet. Het bestaat voor een groot deel uit losse notities, invallen en overwegingen. De Bom amuseerde zich zelfs met het tekenen van een voorontwerpje voor een frontispies. Maar zelfs de min of meer uitgeschreven fragmenten die de auteur samenbracht vormen geen volledig kladhandschrift.

Uit een (rudimentair) schema van de plot leren we dat De Boms hoofdpersonage Frank zou heten (elders wordt hij dan weer Frederik genoemd). Verlangen moest bestaan uit vijf ‘episoden’. ‘Elke episode,’ noteerde de schrijver, ‘is een stuk leven, dat op zijn geheel afzonderlijk kan beschouwd worden’. De eerste episode wilde De Bom wijden aan Franks jeugd, de tweede aan zijn vriendschap met ene Sander en zijn ziekte, met name tuberculose, waarvan hij echter geneest. Franks ‘nieuw leven’ vormt het onderwerp van de derde episode, waarin hij ook verliefd wordt op Mienke.

Sander, die met zijn achternaam Dirven blijkt te heten en dokter is (de arts van Frank?) staat centraal in de vierde episode, die zich grotendeels afspeelt in Den Haag: ‘Zijn bezoek Laan van Meerdervoort of Voorhout of Bezuidenhoutsche Dreef’, noteert De Bom.

DeBom1940
Emmanuel De Bom in de Stadsbibliotheek, 1940.

De vijfde episode gaat over de ‘vrijagie’ van Frank en de ‘zomerwandelingen’ die hij, zo staat in het schema gepreciseerd, met zijn vriendin ‘in de bosschen van Hoogboom’ maakt. Er is sprake van een ‘liefdesverklaring in ’t Bosch’ en die is ‘geheim voor al de anderen’.

Elders lezen we over de roman en de personages: ‘Frank blijft de eeuwige verlanger – in ’t ijle – zijn weifelende, door geen werkelijkheid te bevredigen dwepende ziel, is tot eenzaamheid gedoemd – ’t is Sander, met zijn rustig sereen temperament die vindt en zijn leven tot éen evenwichtige blijheid vermag op te voeren… Frank zal steeds zoeken, verlangen baart weder nieuw verlangen – en dat is de beteekenis van ’t boek – goed in het motto uitgedrukt) de realist, zonder droomen, grijpt en houdt vast het onmiddellijke geluk; de wijze, die voor zich heengaat, alleen denkend om zijn arbeid, vindt zonder zoeken; de eeuwig zoekende, de smachtende blijft onvoldaan.’

Het is dus maar de vraag of de liefdesverklaring in het bos tot Franks permanente geluk of tot een leefbaar compromis met de condition humaine zou hebben geleid.

De geplande structuur en de schaarse uitgeschreven passages doen vermoeden dat Verlangen, indien het voltooid was, een structureel zwak en tamelijk tobberig boek zou zijn geworden. Het is verleidelijk te denken dat de schrijver, intussen ambtenaar en gehuwd met Nora Aulit (1879-1955), niet langer gedreven werd door de teleurstelling en de daaruit voortvloeiende helderheid die leidden tot de strakke spanningsboog van Wrakken. Maar dat is psychologische speculatie.

Intussen was De Bom er zich zelf ook wel van bewust dat zijn vele werk een hinderpaal vormde voor zijn schrijverschap. Aan Van Hall zei hij: ‘Door velerlei in- en uitwendige oorzaken waaronder mijn onderbibliothecaris-ambt te Antwerpen en mijn couranten-geschrijf de twee uitwendige zijn – kon ik niet altijd geregeld aan mijn boek schrijven, heele tijden er zelfs niet aan denken.’

Frank had alvast pertinente ideeën over de vrouw, zoals blijkt aan het eind van een beschrijving van Mienke: ‘En vooral één trek die hij adoreerde als hij hem bij een mooi meisje zag – juist omdat die zoo zelden voorkomt – ernst, die geen droefheid is, – dat joeg hem van de meeste vrouwen weg dat ze ofwel kletsten als hersenlooze kippen – met taterend gesnebber ofwel gedurig gieberden [giechelden] als onnoozele, ofwel dat ze uit onbeduidenheid nooit den mond ontsluiten.’

 

Verschenen in ‘Zuurvrij’ nr. 28 van juni 2015.

[Column] Vergeet niet te bewaren

JanAMVC
(foto Bert Weis)

Ik ben jarenlang journalist geweest. Dat verklaart, denk ik, hoe het komt dat uiteenlopende dingen mijn nieuwsgierigheid opwekken. Binnen zekere grenzen toch – sport laat mij onverschillig, kookprogramma’s zap ik weg en bier lust ik niet (wat van mij een abnormale Belg maakt).

Uiteenlopende dingen? Bij nader inzien zijn het vooral historische periodes. Ik heb voor historicus geleerd en wat ik doe is, vrees ik, wat ik ben. Ik heb geen kinderen, geen druk sociaal leven, geen hobby’s. De dingen die mij passioneren zijn het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw toen de romantiek hoogtij vierde, de Dark Ages van 400 tot 800, middeleeuwse ketters en de geschiedenis van mijn stad. Om de voornaamste te noemen.

Is het dan niet moeilijk om te werken in een archief dat zich, theoretisch, alleen bezighoudt met het ontsluiten en bewaren van materiaal van en over Vlaamse schrijvers? Dat valt best mee, want ook literatuur is een onderwerp waar ik niet genoeg van krijg.

Sinds ik druklettertjes leerde ontcijferen, bijna een halve eeuw geleden, ben ik onvoorwaardelijk verslaafd aan lezen. Soms is de film beter dan het boek, maar ik blijf lettertjes boeiender vinden dan plaatjes.

Mijn werk dwingt mij om mij met dezelfde zorg te ontfermen over archief van de schrijvers die ik bewonder als over dat van hen die ik minacht. Dat leidt soms tot gevloek, maar het is een nuttige oefening.

Lieden van mijn generatie – ik ben een (late) babyboomer – voeren discipline niet erg hoog in het vaandel. Ik heb moeite met vroeg opstaan en kantooruren; op school was ik geen gemotiveerde leerling. In plaats van naar het leger te gaan, heb ik burgerdienst verricht. Maar ik heb, tandenknarsend, geleerd dat het toch wel nuttig is en leerzaam om zekere vormen van intellectuele rigueur te beoefenen.

Het Letterenhuis, waar ik mijn boterham verdien, noemt zichzelf het “geheugen” van de Vlaamse letteren. Archieven en musea bestaan om als geheugen van de maatschappij te fungeren. Iedere psycholoog zal beamen dat het individuele geheugen – dat van u en mij – subjectief en selectief is. Maar het geheugen van een samenleving is geen hersenfunctie – het is een maatschappelijk, wetenschappelijk project in dienst van het algemeen belang.

Daarbij is het essentieel om in alle omstandigheden zo objectief mogelijk te werk te gaan. Gemakkelijk is dat niet, want objectiviteit is geen gegeven maar een ideaal. Iedere menswetenschapper beseft dat – of zou het moeten beseffen. Objectiviteit is zoals democratie: ze moet voortdurend nagestreefd, bewaakt en beschermd worden.

Concreet betekent dit dat wij ook de papieren van schrijvers die wij niet bewonderen – elk van ons heeft, vermoed ik, zijn bêtes noires – met de grootste zorg behandelen. Daar worden wij voor betaald en het is onze intellectuele plicht.

Wie mij kent, weet dat ik privé een anarchist ben; lieden die moreel of intellectueel gezag over mij claimen maak ik het, vaak zonder het te beseffen, moeilijk. Maar van de muzen van de geschiedenis en de schone letteren ben en blijf ik de onvoorwaardelijk trouwe dienaar.

Wij moeten weten wie wij zijn, waar we vandaan komen; dat maakt onze keuzes voor vandaag en morgen beter. Ik geloof dat behalve de administratieve dossiers uit grote archiefinstellingen ook de woorden van dichters en romanschrijvers daarbij een rol kunnen spelen.

Het is de nederige, maar soms spannende taak van ons, archivarissen, al dat verstilde leven en voorbije schrijven zó te ordenen dat wetenschappers en nieuwsgierigen – de biografen, de literaire en andere historici – ermee aan de slag kunnen.

Archief inventariseren leert je niet alleen iets over de persoon die het archief “vormde” (zoals dat in het jargon heet). Het brengt de archivaris ook veel bij. Empathie of op zijn minst begrip voor mensen uit een andere tijd, wier opvattingen over morele en politieke zaken soms verrassend ver van de onze af staan. Inzicht in literaire opvattingen die niet de onze zijn. En de onthutsende constatering dat schrijvers die elkaar bij leven rauw lustten op dezelfde manier hun typoscripten verbeterden.

Ik vind dat kostbare kennis, in een tijd dat iedereen verhangen is aan zijn eigen emoties en opinies, kortetermijndenken en tunnelzicht.

 

Verschenen in “Eos Memo” nr. 10 van juni 2014.

Memo10

[Column] Dozen van zuurvrij karton

JanApache

Wanneer ik bezoekers rondleid achter de schermen van het Letterenhuis, is er altijd iemand die vraagt of wij dan niet “alles” digitaliseren. Alles – handschriften, brieven, notities, krantenknipsels, allerlei “drukwerk” van en over Vlaamse schrijvers.

Met veel geduld (hoop ik) leg ik dan uit dat het bij ons alleen – wij zijn geen ‘grote’ instelling – om miljoenen pagina’s gaat, dat het scannen daarvan tamelijk arbeidsintensief en dat je flinke servers nodig hebt om alles op te slaan. Ik heb het zelfs niet over de privacykwestie en andere dingen die ik mij niet goed kan voorstellen omdat mijn begrip van elektronica niet echt peilloos is.

Trouwens, voeg ik eraan toe, we hebben een online database die een overzicht biedt van ons bezit en waar men alle schilderijen, tekeningen, affiches, enkele belangrijke handschriften kan bekijken. Ik sta er soms zelf versteld van (al komt de verdienste toe aan mijn slimmere collega’s).

Ik denk dat ze zelfs bij Google niet op de idee zijn gekomen om alle archieven ter wereld te digitaliseren. Met de bibliotheken waren ze tot voor kort flink op weg, maar daar hebben auteurs, de academische wereld en een paar regeringen een stokje voor gestoken. Je kunt niet alle auteursrechten van de bezitters afpakken en tegelijk alle kennis en kunde van het mensdom toevertrouwen aan één bedrijf dat achteraf kan bepalen wat u en ik moeten betalen om een boek te lezen.

Gelukkig zijn grote bibliotheken en archieven vandaag zelf bezig met de digitalisering van (een deel van) hun bezit. Maar dat zij, of Google Books, toelaten een obscuur pamflet uit 1725 thuis te lezen, is een groot geluk. Zeker als je anders naar Polen of naar de universiteit van Wisconsin zou moeten.

Misschien is de toekomst echt digitaal. Ook voor wetenschappelijke studies of bellettrie waar de uitgevers van papieren boeken geen risico’s meer mee willen nemen – als ze al niet bedolven raken onder hun hoge stapels kookboeken, Vijftig tinten grijs en andere Brusselmans’en.

Maar dan moeten wij, arme makers van – bijvoorbeeld – historische boeken een manier vinden om ons weinig commerciële oeuvre via het overvolle (nou ja) Internet bij de lezer te krijgen en onze boterham veilig te stellen. Hoe dat moet, blijft bang afwachten.

In de Verenigde Staten maken e-books vandaag 25 % van de markt uit, lees ik ergens. Bij ons bedraagt dat percentage daarvan een tiende of nog minder. Dat komt, denk ik, doordat wij een e-book te “immaterieel” vinden – het is geen ding dat we op de koffietafel kunnen leggen of in de kast zetten om onze gasten mee te imponeren.

Nee, dat is inderdaad geen aardige opmerking. Er zijn veel mensen die boeken in huis halen om ze echt te lezen – uw dienaar, onder anderen (zoveel zijn het er intussen, dat het soms lijkt of ze mij het huis uit willen werken).

Maar de grond van mijn constatering klopt wel, denk ik. Boeken zijn duur (niet duurder dan een taart of een goeie fles whisky, laten we wel wezen), maar voor je geld krijg je vaak een mooi ding dat lekker naar inkt en papier ruikt. Terwijl een e-book, als je het niet leest, onzichtbaar blijft en niet terloops ter hand kan worden genomen om in te bladeren.

Toegegeven, dat laatste is misschien niets meer dan de nostalgische opmerking van een vijftigplusser die niet meer zo goed kan volgen. Ik begin stilaan te begrijpen waarom mijn grootmoeder – ze werd geboren in 1888 en maakte twee wereldoorlogen mee – de televisie steevast “radio” bleef noemen, ook toen de “bibberkast” al in iedere Vlaamse huiskamer prijkte.

Oud worden, zelf geschiedenis zijn – het staat ons allemaal te wachten, tenzij ziekte of een ongeval ons vroegtijdig het tijdelijke met het eeuwige doet verwisselen. En het wreedste is nog dat niets of niemand een mens daar op voorbereidt, zeker niet in een wereld die zich voordoet als een reuzenscherm waarop voortdurend reclame te zien is voor middeltjes tegen rimpels, dof haar en een trage stoelgang.

Intussen blijf ik de verzen en het proza, de brieven en de telegrammen – wie weet nog wat dat is, een telegram? – van dode schrijvers opbergen in archiefdozen van zuurvrij karton.

Verschenen in “Eos Memo” nr. 9 van maart 2014.

Memo9

[Literatuur] Verstekelingen in het Letterenhuis. Over boeken en dedicaties.

Teirlinck

In 1899 verscheen de bundel Metter Sonnewende met een Voorrede van Willem Kloos en sonnetten door Prosper Van Langendonck, Fernand Toussaint [van Boelaere], Victor De Meyere, Herman Teirlinck, Jeanette Nyhuis en Jan Van Overeyde. Jacobyne Nyhof ontwierp de “stafletters” of initialen. Wat de titelpagina verzwijgt, is dat Nyhuis, Van Overeyde en Nyhof één en dezelfde persoon waren, nl. de eveneens aanwezige Herman Teirlinck (1879-1967).

Hoe deze onschuldige mystificatie (met veel slechte sonnetten) in elkaar zit, is al langer bekend. Leuk is dat wij vandaag over een volledige “bekentenis” van Teirlinck beschikken in de vorm van de lange opdracht die hij in 1949 neerschreef in het exemplaar van Metter Sonnewende dat toebehoorde aan de dichter Jan Vercammen (1906-1984).

In het Letterenhuis belanden samen met archiefmateriaal wel vaker boeken. Dat is niet de bedoeling, maar het is onvermijdelijk. In het verleden ging het soms om een hele schrijversbibliotheek die “voorlopig” op de schabben belandde. Vandaag dirigeren wij zulke bibliotheken van meet af aan naar de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience (EHC). Maar in de dozen met brieven, handschriften, drukproeven en ander materiaal dat wij wel dankbaar in ontvangst nemen, reizen verstekelingen mee.

Luc Van Brabant

De bibliotheken van o.a. Ernest Claes (1885-1968), Luc Van Brabant (1909-1977) en Jan Vercammen verhuisden onlangs met enige vertraging naar de EHC, maar niet vooraleer de exemplaren met belangrijke opdrachten eruit werden gelicht (andere dedicaties zijn gefotocopieerd en toegevoegd aan het archief van de resp. schrijvers).

Opdat de informatie over de inhoud van deze bibliotheken niet zou verloren gaan, zal de elektronische catalogus van de EHC ze vermelden onder de hoofding “Bijzondere Collecties”, zodat de gebruiker kan zien wat zich in de bibliotheek van een bepaald auteur bevond. Dat is thans al het geval voor o.a. Maurice Gilliams, Roger Avermaete, Marnix Gijsen en Hubert Lampo.

Schrijversbibliotheken zijn interessant in die mate dat ze teksten bevatten die verband houden met het oeuvre van de auteur en/of biografische informatie opleveren. Dat is, helaas, niet altijd het geval – of toch niet zo dat het achteraf te achterhalen valt. Soms is het verband echter overduidelijk.

Luc Van Brabant schreef niet alleen een eigen poëtisch oeuvre bij elkaar. Hij bestudeerde ook de gedichten van de 16de-eeuwse Franse dichteres Louise Labé. Van Brabant vertaalde haar sonnetten en publiceerde verscheidene opstellen over haar leven en werk. Om zich te documenteren verzamelde hij honderden boeken over de (Franse) renaissanceliteratuur – een ensemble dat men eerder in een universitaire seminariebibliotheek zou verwachten dan in de boekenkast van een poëet.

Eugène Ioneso

Jan Vercammen speelde dan weer een centrale rol in het literaire leven van zijn tijd, maar bekleedde ook als hoofdinspecteur van het lager onderwijs in West-Vlaanderen een belangrijk ambt. Zo komt het dat vele vrienden, bekenden, debutanten en collega’s het opportuun vonden hem te verblijden met proeven van hun eigen vlijt en toewijding. Zo werd Vercammen de recipiënt van enkele honderden dichtbundels – soms door de auteur in eigen beheer gepubliceerd – met opdrachten. Hij kreeg ook dito schoolboeken en jeugdliteratuur.

Exemplaren met dedicaties houden het midden tussen een boek en een literair archiefstuk. De duizenden boeken waarin Jef Geeraerts of Tom Lanoye tijdens de Boekenbeurs hun handtekening zetten, hebben in se niet veel belang. Een schrijvershandtekening bezit alleen voor fans en andere fetisjisten een intrinsieke waarde. Ze is niet zeldzaam en ze zegt niets bijzonders.

Anders wordt het wanneer de opdracht in een boek bijdraagt tot de kennis van de biografie en/of het (verdere) oeuvre van de auteur of als ze informatie bevat die anderszins bijdraagt tot de literatuurgeschiedenis. En dat gebeurt, zij het niet zo vaak als we wel zouden willen. Exemplaren met zulke dedicaties horen natuurlijk wel thuis in het Letterenhuis.

De wereldberoemde Roemeens-Franse auteur van absurd toneel, Eugène Ionesco (1909-1994), droeg een exemplaar van zijn (door hemzelf geïllustreerd) essay  Découvertes,  in 1973 in Jeruzalem op aan de theatermaker Etienne Debel (1931-1993), de  directeur van Het Vlaamse Schouwtoneel in Brussel.

Paul Kenis

Hubert Lampo (1920-2006) dediceerde de meeste van zijn boeken aan Jos Mortelmans (1921-2010). Uit een opdracht in een exemplaar van de eerste druk van Lampo’s roman Hélène Defraye (1944) leren we dat beiden elkaar leerden kennen tijdens hun legerdienst, vlak na de Tweede Wereldoorlog. Jaren later ontmoetten ze elkaar weer op het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur (nadien ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) waar Mortelmans directeur was en Lampo inspecteur van de openbare bibliotheken.

Paul Kenis (1885-1934) signeerde in 1927 een exemplaar van het eerste deel van zijn historische trilogie Uit het Dagboek van Lieven de Myttenaere, Lakenkooper te Gent voor “den vriend Richard Minne, den baas uit den Zoeten Inval, als blijk van hooge waardeering voor deze zeer achtbare en genoeglijke staminee, waar ik steeds gaarne een uurtje doorbrengen zal.“

Kenis refereert aan Minne’s pas verschenen bundel In den Zoeten Inval en formuleert de hoop dat zijn romanpersonages in die herberg welkom zijn:

“In de hoop dat hij [Minne] mijn Lieven de Myttenaere, mijn Joos Proveyn, mijn Mayken Pelseneers, frater Pancratius en andere ras-echte, ofschoon wel wat verouderde Gentenaars, toch ook niet onwaardig zal vinden hem daar een bezoek te brengen.”

Een supplementaire “reden” voor de opdracht is de herinnering aan de “genoeglijke bureel-uurtjes, in der tijd op het zolderkamerken van de Avenue des Arts gesleten, en waar deze roman gedeeltelijk is ontstaan. Brussel, 9 Maart 1927. Paul Kenis”.

Kenis verwijst ongetwijfeld naar de korte tijd dat Minne ambtenaar was bij het Ministerie van Justitie in Brussel, waar hij om gezondheidsredenen al gauw ontslag nam. Blijkbaar deelden de twee een kantoor aan de Brusselse Kunstlaan en had Kenis daar de tijd, zo niet te schrijven, dan toch om na te denken over zijn roman.

Jan Vercammen droeg zijn lijvige dichtbundel De Parelvisscher in 1946 op aan Cyriel Verleyen (1914-1983), jeugdschrijver en vader van Knack-hoofdredacteur Frans (1941-1997) en journalist-jeugdschrijver Karel Verleyen (1938-2006).

“Gouden manen”

Op het schutblad van het exemplaar dat Vercammen aan Cyriel Verleyen schonk, schreef hij met de hand een uitgebreide dedicatie:

“Voor Cyriel en Martha / de uitverkorenen / daar hij nog niet tevreden is met pag. 11 – en zij toch ook haar deel moet hebben – ”. Vercammen heeft het over de gedrukte opdracht aan Verleyen die inderdaad geen melding maakt van diens echtgenote. Daarmee is de ironische en tegelijk tedere toon van deze opdracht gezet.

In de volgende paragrafen somt Vercammen de redenen op die hem brengen tot het schrijven van de tekst.

“Cyriel en Martha” vinden volgens hem “dat er in dit boek nog niet genoeg letters staan”. Verleyen was “de eerste […] om van dit boek te houden” en heeft als “groot-epurator” de dichter “de roede niet […] gespaard”.

Hij verwijst naar “de tweede strofe van pag. 99 – toen zij [Martha] verbolgen haar gouden manen schudde omdat hij zoo laat thuis kwam met zijn verleider, (maar het was zonder brieschen)”.

De strofe beschrijft een tocht van Vercammen en Verleyen door het Waasland: “En ik ging met mijn vriend door de dennenbosschen / nog steeds in datzelfde land van Waas / te Waasmunster – het is nu zoo ver, helaas! – / Toen bouwden glycienen hun lichtblauwe trossen. / Hun geur hield ons op aan den berkenrand / en wij roemden den vrede in ons vaderland.”

“Wat de nachtegaal in de voornacht verricht”

De opdracht, vervolgt de dichter, is ook geschreven “ter herinnering […] aan pag. 111 – wat een verdomd schoone avond was, om het nog eens in proza te zeggen”.

Het gedicht in kwestie gaat als volgt:

“Op een avond, die naar de populieren /  van tusschen de rhododendrons drong, /  toen een zuivere stem bij kaarslicht zong, / begeleid door één klavier en twee lieren,/ zei mijn vriend zeer ontroerd in een gedicht / wat den nachtegaal in de voornacht verricht.”

Ik weet niet meer,  of de maan wou schingen, /  maar de stilte der bloemen vergeet ik niet. / Con sordino klinke in dit tweestrofig lied / en men zal het een lichten alt laten zingen; / Op den horizon lag behaaglijk de Maagd, / die gevleugeld is en een velum draagt.

Vercammen was erg gesteld op Martha Verleyen “omdat ze mijn naam kan zeggen als niemand ter wereld” en omdat ze hem bij de Verleyens thuis geregeld een bed ter beschikking stelde om te overnachten – een bed “waar ge ’s nachts door valt” – waarmee Vercammen bedoelde dat het erg comfortabel was.

“Metter Sonnewende”

Maar de dichter van De Parelvisscher hij had nog redenen voor zijn dedicatie: “[om] zóó – zóóveel, waaronder vooral een schoon begrijpen van eenzame menschen en zeker […] wat op dit blad niet meer op kan / heb ik nog deze pagina volgeschreven op den Zonder der H. Drievuldigheid van het jaar O.H. 1946”.

Zoals gezegd, was Jan Vercammen ook de bestemmeling van veel opdrachten. Herman Teirlinck schreef voor hem in 1949 het volgende op het schutblad van het vijftig jaar oude Metter Sonnewende:

“Mijn waarde Vercammen,

Gij hebt mij, toen ik uw gast was te Brugge in de Bonte Hond, en gij mij hebt willen vieren bij mijn zeventigste jaarfeest, dit boekje onder ogen gebracht. Niet zonder ontroering heb ik het doorbladerd, want ikzelf bezit het niet meer.

Ik was twintig jaar oud toen ik die Metter Sonnewende ontworp. Ik zie mij in verbeelding terug vòòr het raam zitten van mijn studentenkamertje in de De Rosniestraat te Molenbeek, op de hoogste verdieping. Misschien weet gij niet dat ik onder de schuilnamen van Jeanette Nyhuis en van Jan van Overeyde de overmoedige misdaad van die sonnetten heb bedreven, en dat ik bovendien voor de versiering heb gezorgd, want de pentekeningen van Jacobyne Nyhof zijn helaas! insgelijks van mijn jeugdige hand.

Dat is nu net een halve eeuw geleden! / De hemel zegene ons allen! /  Uw toegenegen / Herman Teirlinck  / 15 maart 1949.”

Zuurvrij25

Verschenen in Zuurvrij nr. 25 van december 2013.