Skip to content

Posts from the ‘Nederland’ Category

[Geschiedenis] Burchten en kastelen – symbolen van rijkdom en macht

Meer informatie

Advertisements

Geschiedenis – Gaspard Schetz (ca. 1514-1580), humanist, financier en politicus

Gaspard Schetz, stamvader van de hertogen van Ursel, behoort tot de minder bekende spelers van de beginjaren van de Nederlandse opstand tegen Spanje. Schetz was een briljant financier en een erudiet humanist. Maar zijn trouw aan het katholicisme en zijn bereidheid tot onderhandelen werden hem als politicus fataal.

De familie Schetz of Schetzenberg kwam uit Duitsland. Anders dan de Nederlandse edelen was het hun Duitse standgenoten toegelaten handel te drijven. Erasmus Schetz, die te Maastricht woonde, volgde het voorbeeld van vele andere kooplui en zakte naar Antwerpen afzakte. Hij wist er zijn fortuin aanzienlijk uit te breiden.

Erasmus trouwde met Ida van Richterghem, de dochter van een steenrijke koopman uit Aken. Hun oudste zoon, Gaspard, werd in 1513 of 1514 geboren. Antwerpen beleefde toen een economische boom; het goud rolde er bij manier van spreken door de straten. Erasmus verrijkte zichzelf niet alleen door het kopen en verkopen van goederen, maar profileerde zich ook als financier.

Wapen van de familie Schetz (foto website Van Ursel).

Zijn voorspoed liet hem toe zich de heerlijkheid Grobbendonk in de Kempen aan te schaffen. Door dergelijke aankopen probeerden kapitaalkrachtige handelaren niet alleen hun geld veilig te beleggen. Het bezit van een of meerdere heerlijkheden vormde mee een opstapje voor assimilatie met de feodale adel. Vele kooplui wilden zo snel mogelijk edelman worden. Dat was niet alleen een kwestie van status. Aan een verheffing in de adelstand zaten belastingvrijstellingen en vast en de mogelijkheid tot het verwerven van bestuursfuncties en politieke macht.

In 1534 erfde Erasmus van zijn schoonvader het Huis van Aken, een herenwoning op de hoek van twee (verdwenen) straten tussen de Korte Nieuwstraat en het huidige Conscienceplein. De volgende jaren kocht hij enkele belendende panden die hij samen met zijn huis liet slopen. Op de grond die vrijkwam, liet Erasmus een nieuw stadspaleis bouwen. Hij kreeg er in 1545 keizer Karel V te logeren.

Tijdgenoten bewonderden Erasmus Schetz ook om zijn cultuur en indrukwekkende belezenheid die hem tot vriend (en bankier) van zijn beroemde naamgenoot uit Rotterdam maakten. Zoon Gaspard en zijn jongere broers Melchior, Balthasar en Conrad werden groeiend op in een sfeer die doordrenkt was van humanisme.

Terwijl de zoons van andere magnaten bij kooplui in de leer gingen, studeerde Gaspard aan de universiteit van Marburg. Zijn leermeester was er de bekende humanist Eobanus Hessus aan wie hij later een lang Latijns gedicht opdroeg. Zoals Melchior en Balthasar koesterde hij een grote belangstelling voor de penningkunde; in de loop der jaren ontpopte hij zich tot een verwoed verzamelaar.

Heliodorus Eobanus Hessus, de leermeester van Gaspard Schetz.

Gaspard Schetz huwde rijk – eerst met Margareta van de Brugge en later met Catharina, dochter van Lancelot van Ursel – en bleek een even gehaaid zakenman als zijn vader.

De koning koesterde zo’n groot vertrouwen in Gaspards commercieel talent, dat hij hem in 1555 aanstelde tot factor. De titularis van dit ambt dreef naar eigen goeddunken handel voor rekening van de koning, waarbij hij vrijelijk kon beschikken over belastinggelden en de vorst verantwoordelijk bleef wanneer iets misging. Uiteraard zat voor de factor zelf aan dit alles een dik besmeerde boterham vast.

Schetz was een van de eerste grote financiers en ondernemers uit de Zuidelijke Nederlanden. De omvang van zijn activiteit blijkt wanneer men weet dat hij o.m. een suikerraffinaderij in Brazilië exploiteerde. Bij tijd en wijle ging hij de perken van de wettelijkheid te buiten; zijn zaken inspireerden de advocaat Breddius tot een Escrit contre Gaspar Schetz, seigneur de Grobbendoncq, qui estoit premièrement négociant et ensuite fut faict trésorier général des finances, touchant plusieurs malversations et usures qu’il  ait pratiqué en son profit contre les finances du Roy […].

Tegelijk bleef Schetz in zijn vrije tijd de neo-Latijnse poëzie beoefenen en onderhield hij vriendschappelijke banden met vooraanstaande humanisten. Johannes Goropius Becanus, de arts en filoloog die het aards paradijs in de omgeving van Antwerpen situeerde, verbleef een tijdlang op Schetz’ kasteel te Grobbendonk, dat later door de troepen van Oranje werd geplunderd en platgebrand. Becanus droeg zijn Origines Antverpianae aan zijn gastheer op.

In weerwil van de Koninklijke gunst schaarde Schetz zich aan de zijde van de ontevreden edelen die het vertrek van kardinaal De Granvelle eisten. Hij onderhield hechte vriendschapsbanden met Willem van Oranje, Lamoraal van Egmont en de baron van Montiqny. Toch bleef hij trouw aan het katholieke geloof; gematigdheid kenmerkte zijn politieke optreden.

Het (grotendeels verdwenen) kasteel van Grobbendonk waar Goropius Becanus te gast was bij Gaspard Schetz (foto Kempens Karakter).

Madrid rekende overigens nog steeds op hem: in 1564 benoemde Filips II Schetz tot tresaurier-generaal. Als zodanig verzette de financier zich na de komst van Alve met klem tegen diens plannen voor de heffing van een Tiende Penning. Uit alles blijkt dat het hele tirannieke optreden van de landvoogd hem dwars zat.

In afwachting van de uitgestelde Tiende Penning was de “Ijzeren hertog” zelfs verplicht een systeem te aanvaarden dat Schetz had uitgewerkt. Het bestond erin dat de Nederlanden jaarlijks een belasting van 2 miljoen florijnen zouden betalen.

Zijn ambtelijke bezigheden noopten Schetz ertoe van Antwerpen naar Brussel te verhuizen. Na de dood van Alva’s opvolger Requesens in 1576 ondernam hij samen met de graaf van Mansfeld een poging om de muitende Spaanse troepen die de streek onveilig maakten, tot bedaren te brengen.

Toen de Staten Generaal kort daarop het bestuur van de Nederlanden overnamen, werd Schetz tot lid van de nieuwe Staatsraad en werkte actief mee aan de voorbereidingen tot de Pacificatie van Gent die nog datzelfde jaar gesloten werd. Men raakte het eens over de verwijderrng van de Spaanse legers en het opschorten van de plakkaten tegen de ketters.

Bij de aankomst van ’s konings nieuwe landvoogd, Don Juan van Oostenrijk, behoorde Schetz tot de onderhandelaars die de Staten naar hem afvaardigden.

Maar Don Juan wilde alleen de katholieke lezing van de Pacificatie aanvaarden. Dat leidde tot moeilijkheden, waaraan Schetz als tussenpersoon en contactman niet kon verhelpen. Zelfs nadat de gouverneur het kasteel van Namen had ingenomen en zo een definitieve breuk veroorzaakte, trachtte Schetz nog te bemiddelen. Hij voelde weinig voor het nieuwe initiatief van de Staten die Oranje naar Brussel riepen. Daarom steunde hij de pogingen van de edelen rond de hertog van Aarschot. Zij wilden de Oostenrijkse aartshertog Matthias als nieuwe landvoogd.

Het (verdwenen) kasteel van Hoboken (foto Heemkundige Kring Hobuechen 1135).

Na zijn aankomst in de Nederlanden verbleef Matthias een poos bij Schetz. Oranje slaagde er echter in zichzelf tot luitenant van de aartshertog te laten benoemen. Dat maakte van hem de feitelijke leider van de opstand tegen Spanje. Schetz ondervond actieve tegenwerking; Matthias nam hem niet op in zijn nieuwe Staatsraad. Daarom legde hij zijn functie als tresorier-generaal neer.

 Schetz vertegenwoordigde een groep die voor alles behoefte had aan vrede om zijn economische activiteit ongestoord te kunnen voortzetten. Aan godsdienstgeschillen en de politieke ambities van de Nederlandse adel hadden kooplieden en financiers zoals hij minder boodschap dan aan het rinkelen van florijnen. Bovendien voelde hij niets voor het protestantisme; dat blijkt o.m. uit zijn verkoop van het Huis van Aken in 1575 aan de jezuïeten. Het werd hun eerste vestiging in Antwerpen. Ze groeide uit tot een zenuwcentrum van de Contrareformatie, waarvan de Scheldestad het meest vooruit geschoven noordelijke bolwerk werd.

Gaspard Schetz en zijn tweede vrouw, Carharina van Ursel, afgebeeld op een glasraam (foto website Van Ursel).

Omdat hij blootstond aan de verdenking dat hij al te veel sympathie koesterde voor Don Juan, stelde Schetz een verweerschrift op, de Succincte Narratio Earum Rerum quae inter Serenissimum Joannes Austriacum […] et Ordines Belgae […] acta sunt. Wat zoveel betekent als “Relaas van wat er gebeurde tussen Don Juan van Oostenrijk en de Staten van de Nederlanden”.

Toch vaardigden de Staten Schetz af naar de vredesonderhandelingen die in 1579 te Keulen van start gingen om alsnog een vergelijk met Filips II te bereiken. Bij die gelegenheid publiceerde hij het verzoeningsgezinde traktaat Viri Pietate, virtute, moderatione doctrinaque clarissimi Dialogus de Pace.

Het geschrift vond weinig gehoor. Door tal van omstandigheden kreeg de Opstand steeds meer het karakter van een godsdienstoorlog. Wie zoals Schetz op vrede aanstuurde, raakte geïsoleerd.

 Het wapen van de familie Van Ursel.

Teleurgesteld trok hij zich terug uit de politiek – wat de entourage van Mathias hem bijzonder kwalijk nam. Schetz’ goederen werden geconfisqueerd. Hij achtte het raadzaam niet te wachten tot hij zelf in de gevangenis belandde en vluchtte weg uit Brussel. In Mons vond hij een onderkomen bij Alexander Farnèse, de hertog van Parma, die intussen tot plaatsvervanger van Don Juan was aangesteld. Hij zou er nog hetzelfde jaar 1580 zijn laatste adem uitblazen.

Met Gaspard Schetz verdween een gematigd man, die overleg boven wapengekletter verkoos, maar wiens pogingen om tot een vreedzame oplossing van het conflict tussen Staten en vorst te komen door de geschiedenis werden ingehaald.

Gaspard Schetz’ zoon Conrad II kocht de heerlijkheid Hoboken van zijn neef Erasmus II. Conrad II was Gaspards zoon uit zijn huwelijk met Catharina van Ursel. In 1600 verhieven de aartshertogen Albrecht en Isabella Contrad  tot baron van Hoboken. Hij was gezant van de zuidelijke Nederlanden in Engeland en koninklijk tresorier-generaal. Zijn tante Barbara van Ursel, de als laatste, ongehuwde afstammelinge van haar geslacht, erkende hem in 1617 als “zoon” en universeel erfgenaam op voorwaarde dat hij en zijn afstammelingen de naam en wapens van Ursel overnamen.

Geschiedenis – De barbaar van Onze-Lieve-Heer. Clovis, koning der Franken (ca. 466-511)

“Alhoewel de Heirtog nog jong was, boezemden echter zyne magtige lichaemsvormen, zyne mannelyke schoonheid en zyn ontzettende arendsblik, een diep ontzag in aen al wie hem naderde.” Zo zet de Vlaamse schrijver Hendrik Conscience (1812-1883) de legendarische Frankische aanvoerder Clovis neer in zijn roman Hlodwig en Clothildis (1858). Conscience baseert zich via het werk van eigentijdse geleerden op de Historia Francorum of Geschiedenis der Franken van de 6de-eeuwse bisschop Gregorius van Tours (ca. 538-594). Maar klopt het verhaal van Gregorius wel altijd? Historici, onder wie de Duitser Matthias Becher, plaatsen er in ieder geval kritische voetnoten bij.

Clovis is koning der Franken. Zij behoren tot de Germaanse “barbaren” die in de 4de en de 5de eeuw een eind maken aan het West-Romeinse rijk. Maar zeker in het begin is het niet zo dat hele, tot de tanden gewapende volken opeens de Rijn – sinds eeuwen de grens tussen Romeinen en Germanen – oversteken om de legioenen in de pan hakken. Daar zijn de Germanen niet georganiseerd genoeg voor en de Romeinen te waakzaam.

De Germanen weten dat bij de Romeinen vrede en een relatieve welvaart heersen. Ze kijken op naar de geraffineerde materiële cultuur van hun buren. Geen wonder dus dat de eerste landverhuizers families en kleine groepen gelukzoekers zijn, die het niet moeilijk valt het Romeinse grondgebied binnen te dringen. Nu eens komen ze om verwanten te bezoeken, dan weer om handel te drijven. En ze vergeten terug te keren. Waar ze hun boterham kunnen verdienen, strijken ze neer. Ze verdwijnen tussen de locale bevolking, die zelf vooral uit Germanen bestaat.

Maar de Germaanse maatschappij – sterk beïnvloed door de Romeinen – evolueert. Kleine volken sluiten zich aaneen en gaan grotere gehelen vormen. Die ontwikkelen een eigen identiteitsgevoel. De Franken, wat zoveel betekent als “heldhaftigen”, “dapperen” of ook “vrije mannen” (in het Noord-Nederlandse kennen we nog de uitdrukking “vrank en vrij” en in Vlaanderen betekent “frank” zoveel als vrijpostig), wonen in het gebied over de Rijn, in de buurt van Keulen. Het gaat om een verzamelnaam voor de vroegere Ubiërs, Tencteri, Chamavi, Sigambrii en een stuk of wat andere stammen.

Diocletianus

Gewapende bendes Franken maken gebruik van de burgeroorlogen in het rijk. In 256 steken zij de stroom over. In 258 en 260 volgen nog meer raids. De grootste vindt plaats in 275-276. Er beginnen zich bij de Franken twee groepen af te tekenen: de Ripuariërs, die in de omgeving van Keulen blijven wonen, en de Saliërs.

Wat de Romeinen niet beseffen, is dat ze hun eigen grootste vijand zijn. De Romeinse staat is goed georganiseerd. Maar er is geen uitgewerkte opvolgingsregeling voor het staatshoofd. Het leger bepaalt doorgaans wie de volgende keizer wordt. Dat zet de deur wagenwijd open voor bloedige interne conflicten tussen ambitieuze generaals en op buit beluste legioenen.

Tussen 234 en 284 volgen zo maar eventjes 20 keizers elkaar tegen een hoog tempo op. De meesten sterven een gewelddadige dood. De troepen die hun belangen verdedigen, strijden ver van de grens tegen andere Romeinen. De economie raakt ontwricht, ook omdat het enorme leger en het staatsapparaat meer kosten dan de belastingen opbrengen. De handelsbalans van het rijk met het oosten is chronisch negatief. Om hun schulden de baas te blijven, gaan de keizers over tot drastische devaluaties. In het oosten moeten de Romeinen zich verdedigen tegen de nieuwe, dynamische dynastie der Sassanieden die de oude glorie van het Perzische rijk wil herstellen.

Met Diocletianus (284-305) komt in Rome eindelijk weer een talentrijk staatsman aan de macht. De nieuwe keizer heeft een lange carrière in de ambtenarij achter de rug. Hij beseft wat er schort aan het bestuur en voert een aantal ingrijpende veranderingen door. Diocletianus realiseert zich dat één man onmogelijk in zijn eentje een staat met de omvang van het Romeinse rijk kan runnen. Hij benoemt Maximianus tot mede-augustus en geeft hem en zichzelf een “caesar” of adjunct.  Voorts verdubbelt hij het aantal provincies door hun omvang te halveren. Zo beperkt de keizer de macht van de provinciale bestuurders. Tegelijk maakt hij het militair gezag los van de burgerlijke autoriteit. Uiteindelijk krijgt de infanterie zelfs andere bevelhebbers dan de ruiterij.

Betuwe

Diocletianius herstelt de limes of versterkte grenzen aan de Rijn, de Donau en in het oosten. Zodra blijkt dat zulks niet volstaat om de Germanen of de Perzen buiten te houden, roept hij mobiele legereenheden in het leven. Die worden verder in het binnenland gestationeerd en rukken uit wanneer een inval plaatsvindt. Dit doet de staatsuitgaven pijlsnel stijgen.  Omdat de gewone belastingen nu echt niet meer volstaan, voert Diocletianus het oude systeem van heffingen in natura weer in. De annonae worden op het platteland elk jaar geheven (de inwoners van de steden blijven elke vijf jaar geld storten). Zo betaalt de keizer zijn soldaten en ambtenaren uit met voedsel en kleren. Toch zijn er kleine boeren en handwerkslieden die “naar de barbaren” vluchten om aan de belastingen te ontsnappen…

Diocletianus’ hervormingen komen te laat. Ze verhinderen niet dat de Salische Franken omstreeks 300 neerstrijken in de Betuwe, het gebied tussen de grote rivieren in Nederland. Ze zullen er een halve eeuw de grond bewerken. Zijn het uiteindelijk overstromingen of de opmars van andere volken die hen doen vertrekken? Of komt doordat generaal Magnentius (+353) zich in 350 laat uitroepen tot keizer en met zijn troepen (waarin ook heel wat Franken dienen) naar het zuiden marcheert zodat grote gebieden er plots totaal onbewaakt bij liggen?

In 358 zoekt een Salische afvaardiging de nieuwe keizer Julianus de Afvallige op. Ver hoeven de Franken niet te reizen, want Julianus overwintert in Tongeren. De Saliërs krijgen de toestemming om zich als boeren in het dunbevolkte Toxandrië te vestigen. Dit gebied komt min of meer overeen met de huidige provincie Noord-Brabant en het noorden van de Belgische provincie Antwerpen. Ooit woonde er een volk dat de Romeinen Toxandri noemden en dat voortleeft in de plaatsnaam Tessenderlo. In ruil voor zijn gunst eist Julianus van de Franken militaire steun in geval van nood.

Doornik

In 395 gaan het Oost- en het West-Romeinse rijk definitief uit elkaar. In het westen nemen de economische problemen toe. De rijke senatorenfamilies uit Italië vertikken het om te betalen voor het leger. Er zijn te weinig soldaten en er is veel interne onenigheid. Op Oudejaarsavond 406 trekken Vandalen, Alanen, Boergonden en Sueven over de Rijn. Dit betekent het einde van het Romeinse gezag in onze streken. De Franken in Toxandrië zijn niet in staat om hen tegen te houden. Van het machtsvacuüm dat ontstaat, maken de avontuurlijksten onder hen na van enkele jaren zelf gebruik om naar het zuiden door te stoten.

Onder “hertog” of militair bevelhebber Chlodio – aanvankelijk kennen de Franken geen koningschap – uit het geslacht der Merowingen vestigen ze zich in Doornik (België) en Kamerijk (Cambrai, Noord-Frankrijk). Saliërs strijden in 451 met de Romeinen tegen de Hunnen onder de gevreesde Attila tijdens de slag op de Catalaunische velden. Maar ook de Hunnen krijgen hulp van Franken.

Bisschop Greogorius van Tours noemt Chlodio en “bekwaam en zeer doorluchtig vorst”. Hij zwijgt zedig over de legende die wil dat een zeemonster bij Clodio’s vrouw tijdens het baden een zoon verwekt – Merowech, die zijn naam geeft aan de familie. Gregorius is een vroom man en wil zijn lezers niet herinneren aan het feit dat de eerste Merowingers heidenen zijn en best in hun schik met hun half-goddelijke afkomst. Over Merowech is trouwens verder niets bekend.

De bijen van Childerik

Ook in het levensverhaal van zijn zoon, Childerik, zitten gaten. Childerik is in zijn jonge jaren een losbol die, dixit Gregorius, “de dochters van het land oneervol wilde behandelen” – lees: vrouwen uit de klasse der vrije lieden lastigvalt. Dat soort gedrag tolereren de Franken niet, zelfs van een lid van de regerende familie. Childerik wordt verbannen naar het hof van de koning der Thuringers in wat vandaag Duitsland is. Hij begint er een affaire met koningin Basina. Wanneer hij na acht jaar naar Doornik terugkeert, volgt ze hem. Dat de Franken intussen goed hebben leren opschieten met hun Gallo-Romeinse buren, blijkt uit het feit dat ze de Romein Aegidius als hun leider of tenminste als hun voornaamste bondgenoot hebben erkend. Alles wijst erop dat Childerik en hij een tijdlang de macht delen. Samen verslaan ze de Wisigoten, die zich ophouden in de Loirestreek. Na de dood van Aegidius werkt Childeric samen met een andere Romeinse aanvoerder, Paulus. Childeric sterft in 681.

In 1652 vinden bouwvakkers tijdens werken bij de Sint-Brixiuskerk in Doornik een graf. De geleerde arts Jean-Jacques Chifflet wordt bij de vondst geroepen. Hij zorgt ervoor dat de voorwerpen samen blijven. Een van de belangrijkste is een gouden zegelring, versierd met de beeltenis van een heerser in zijn wapenrusting en omhangen met Romeinse chlamys, een opperkleed dat op de schouder met een fibula of mantelspeld wordt bijeengehouden. Hij draagt zijn haar in vlechten en is gewapend met een lans waarvan de punt de vorm heeft van een lelie. Op de rand van het zegel staat Childerici regis – “dit is de ring van koning Childeric”. Er zijn ook twee dubbel snijdende zwaarden met gouden en zilveren decoraties, zg. scramasaxen, een strijdbijl, een bol van bergkristal, een grote ronde gesp en de schedel van een paard.

Daarnaast komen een gouden armband, een beurs met bijna driehonderd gouden en zilveren munten en een gouden siervoorwerp in de vorm van een stierenkop aan het licht. De oudste munten dateren uit de tijd van de Romeinse republiek; de stierenkop is afkomstig uit het Middellandse Zeegebied.

Driehonderd gouden insecten met vleugels van rode halfedelsteen zaten ooit op de mantel van de overleden. Het zijn boomkrekels. Bij de Franken symboliseren ze de onsterfelijkheid. De vinders denken dat het om bijen gaat. Dat misverstand houdt een paar eeuwen stand. Om zijn keizerlijke macht te linken met het verleden, vervangt Napoleon als vorstelijk sybool de lelie van de afgezette Bourbons door de “bij” van Childeric.

In de 17de eeuw bestaat bij geleerden al volop belangstelling voor vondsten uit de oudheid. Chifflet schrijft over de schat van Childeric een rijkelijk geïllustreerd boek dat in Antwerpen van de pers rolt. Het vormt zowat het allereerste “wetenschappelijke” opgravingverslag. En dat is maar goed ook, want het leeuwendeel van de voorwerpen uit Childerics tombe wordt in 1831 in Parijs gestolen en is nooit teruggevonden.

Langharig

Childeric, weinig meer dan de aanvoerder van een grijpgrage bende barbaren, heeft zich geïntegreerd in wat overblijft van het Romeinse gezag, een territorium veroverd en de status van koning verworven. Net zoals Childeric laat diens zoon Chlodowech zijn lange haar over zijn schouders golven – dat is het symbool van zijn koninklijk bloed. Alleen hij en andere Merowingers mogen het zo dragen. Chlodowech heet in Latijnse teksten Clodovicus; later noemen de Duitsers hem Chlodwig – daarin hoort men al duidelijk “Ludwig” (en “Lodewijk”). De Fransen hebben het over Clovis. Onder die naam geniet de ambitieuze koningszoon ook bij ons bekendheid.

Conscience ziet het in de 19de eeuw zó: “Daer Hlodwig niet boven de vyf-en-twintig jaren oud kon zyn, kleurde nog de frissche verw der jeugd zyne wangen; en de knevels die zyne bovenlip overschaduwden, toonden nog de sierlyke zachtheid van den eerste bloei der mannelyke krachten. Het goudgeel hair droeg hy zeer lang, als een teeken zyner vorstelyke afkomst van de Merwigings; het daelde hem van wederzyds langs het voorhoofd, in zachtkrullende lokken, tot op den schouder en was om het hoofd door eenen platten gouden band bevestigd.”

“Zyne kleeding, overigens zeer eenvoudig, bestond uit eenen vierkanten mantel van donkerblauwe stoffe, welke hem over beide schouders hing en op de borst met eenen gulden doorn was vastgehecht. Onder den mantel droeg hy een kleed van ligtere verwe, dat hem slechts tot azen de knien daelde; zyne beenen waren bedekt met linnen schachten die, by middel van zich kruisende linten, eraen gedrukt waren. Lederen schoenen waren hem met riemen aen de voeten gegespt.”

“Een zweerd, zoo groot dat het Hlodwig zelven tot aen de borst reikte, hing hem aen eenen draegband, welke over zynen eenen schouder geworpen was; een lederen gordelriem met tessche en mes, omsloot zyne lenden.”

Vaas van Soissons

Clovis ontpopt zich tot een voortvarende, onverschrokken aanvoerder – precies wat de krijgers uit zijn gevolg willen. De eerste vijand die hij aanpakt is zijn “buurman” Syagrius. De zoon van Aegidius wordt door de Germanen rex romanorum of “koning der Romeinen” genoemd. Vanuit Soissons zwaait hij de plak over een groot stuk Noord-Frankrijk tussen Somme en Loire. Het West-Romeinse bestaat niet meer en de Oost-Romeinse keizer, ver weg in Byzantium, wil niets met Syagrius te maken hebben. Toch beweert die van zichzelf dat hij een “Romeinse provincie” bestuurt. De overwinning op Syagrius in 486 maakt van Clovis een militair en politiek zwaargewicht. Het Salische koninkje van Doornik is opeens de machtigste der Frankische leiders. Daarom levert de Wisigotische koning Alarik II hem de gevluchte Syagrius na enige dreigementen zonder morren uit.

Uit deze bewogen periode stamt het overbekende verhaal over de vaas van Soissons. Tijdens de oorlog met Syagrius hebben Franken uit een bisschoppelijke kerk een kostbare vaas gestolen. De bisschop beklaagt zich daarover bij Clovis. Die belooft dat hij zal “zien wat hij kan doen”. Maar zelfs als koning is Clovis onderworpen aan de oude Frankische gewoonte die wil dat oorlogsbuit door loting wordt verdeeld onder de soldaten. Daarom protesteert een van zijn manschappen wanneer Clovis de vaas in Soissons voor zichzelf opeist. Om zijn woorden kracht bij te zetten, slaat de anonieme krijger met zijn bijl een deuk in de vaas. Clovis doet of zijn neus bloedt en laat de vaas aan de bisschop terugbezorgen.

Een jaar later herkent de koning de krijger tijdens een wapenschouwing. Clovis’ macht is intussen zo groot geworden dat hij geen tegenspraak meer hoeft te dulden. Hij berispt de soldaat om de gebrekkige staat van zijn wapenrustig en mept hem zijn strijdbijl uit handen. De man bukt zich om het wapen op te rapen waarop Clovis hem met zijn eigen francisca het hoofd inslaat. “Dat heb jij in Soissons met mijn kruik ook gedaan,” zegt hij. Gregorius van Tours: “Met die daad dwong Clovis groot respect af”.

Gregorius vertelt voorts dat Clovis “vele andere [Frankische] koningen en verscheidene dichte familieleden vermoordde” uit schrik dat ze hem zouden “opzijschuiven” of zijn gezag “aantasten”. Omdat de geschiedschrijver de zaak van de kerk erg is toegedaan, besteedt hij veel aandacht aan het huwelijk van Clovis met Chrodechilde of Clothilde, een nicht van Gundobad, koning van het machtige volk der Bourgonden. Volgens Gregorius draagt de katholieke prinses veel bij tot Clovis’ uiteindelijke bekering.

Die krijgt paar beslag wanneer de koning in 498 een grote overwinning behaalt op de Alamanni. Zij controleren het gebied tussen de Vogezen, de Rijn en het meer van Konstanz. Eerst bedreigen ze de Ripuarische Franken in de streek van Keulen, dan keren ze zich tegen de Saliërs. Ze onderschatten Clovis, die hun een verpletterende nederlaag toebrengt, al weten we, raar genoeg, niet waar dat gebeurt. Volgens Gregorius gooit Clovis het tijdens de beslissende slag op een akkoordje met de God van zijn vrouw: als Die hem helpt, zal de koning der Franken zich laten dopen. Het verhaal doet erg denken aan de beroemde gelijkaardige anekdote over de Romeinse keizer Constantinus. Weldra doopt Remigius Clovis “en drieduizend van zijn krijgers”. De plechtigheid in Reims, de zetel Remigius’ aartsbisdom, levert de blauwdruk voor de kroning van alle Franse koningen in later eeuwen.

Doopplechtigheid in Reims

Conscience schrijft daarover, met veel aandacht voor lichtsymsboliek, het volgende:

“Toen Hlodiwg den tempel binnenstapte, bleef hij eensklaps getroffen staan en blikte met verbaasdheid op het schouwspel, dat zich daar voor zijn oog opdeed.”

“De gansche kerk, hoe buitengewoon groot ook, was behangen met kostelijke stoffen, in welker weefsel goud, zilver en veelkleurige gesteenten glinsterden; al de pijlers, die het reusachtige welfsel ondersteunden, waren als verborgen onder de tintelende vlam der waskaarsen, welker getal en menigvuldigheid steeds aangroeide, naarmate men het diepe des tempels bereikte. Hier – rondom en op het altaar, – waren de kaarsen, lampen en luchter zoo ontelbaar, dat hun gloed, alhoewel stil en zacht, het daglicht overwon. De duizenden bewegende vlammen geleken eenen stroom van vloeibaar ghoud, van blikkerend geparelte; hun beeld herspiegelde in al wat glans had, – en zoo schenen zij al de zilveren vaten, de kruisen, de luchters, de beelden, de gesteenten der behangsels met hun eigen leven te bezielen en zich tot het oneindige te vermenigvuldigen. Het was in de gansche basiliek een starrengewemel, een geglinster, dat het oog er op verbijsterde.”

“[…] Diep geraakt door den geheimzinnigen indruk van dit vertoog, bleef Hlodwig eene wijl bij den ingang des tempels staan.”

“Welhaast trad bisschop Remy met eenige andere priesters hem te gemoet. De bisschop droeg een groot kruis; dit teeken voor den koning stellende, sprak hij op plechtigen toon: ‘Kniel, trotsche Saliër,; buig uw hoofd; aanbidt wat gij hebt verbrijzeld, verbrijzel wat gij hebt aangebeden!'”

“Hlodwig knielde neder voor het kruis en hief de handen tot den Christus op.”

Waaruit blijkt dat der 19de-eeuwe romancier zeker niet twijfelde aan de oprechtheid van Clovis’ bekering. Maar hij schreef in een katholiek land, op zoek naar zijn eigen geschiedenis, en voor een katholiek lezerspubliek.

Purperen gewaad

Spreekt Gregorius van Tours de waarheid? Liegen doet hij niet, maar hij vertelt zeker niet alles. Een groot deel van Clovis’ oude én nieuwe onderdanen zijn katholiek – het katholicisme, sinds Constantinus de staatsgodsdienst van het Romeinse rijk, heeft de instorting van dat rijk overleefd. Van alle instellingen is de kerk enige die min of meer intact is gebleven, zeker in gebieden met een hoge “romaniseringsgraad” zoals Midden- en Zuid-Frankrijk. Aartsbisschop Remigius van Reims, beseft de koning, kan bruggen slaan tussen hem en de elite van het veroverde gebied. Remigius heeft dan weer belang bij de steun van de vorst.

Bovendien, betoogt de Duitse historicus Matthias Becher in zijn nieuwe boek Chlodwig I. Der Aufstieg der Merowinger und dat Ende der antiken Wet, denkt Clovis vooruit. Oorlog met de Visigoten in het Zuid-Oosten van Frankrijk, nu zijn voornaamste concurrenten, is onvermijdelijk. De Visigotische elite hangt de Ariaanse “ketterij” aan. Ze erkennen de Drie-eenheid en de goddelijkheid van Jezus niet. Maar een groot deel van de Gallo-Romeinse bevolking waarover ze heersen, zweert nog altijd bij het katholicisme. De kans is reëel dat Clovis verdeeldheid wil zaaien.

In Vouillé, niet ver van Poitiers, verslaat Clovis de Visigoot Alaric in 507. Zo vestigt hij zijn macht tot aan Bordeaux en Toulouse. Zelf gaat Clovis in Tours wonen. De Oost-Romeinse keizer Anastasius schenkt hem de oude Romeinse titel van consul. In de Sint-Martinusbasiliek, vertelt Gregorius, tooit hij zich met een purperen gewaad en kroont zichzelf met een diadeem. Volgens Becher betekent dit niet dat Clovis zichzelf de keizerlijke waardigheid toe-eigent, alleen dat hij zich manifesteert als regeerder van (vroegere West-) Romeinse gebieden waarvan de keizer in Byzantium – zij het enkel in theorie – nog altijd de grote baas is.

Concilie

De volgende jaren verovert Clovis verder het Alamannische rijk – op de linkeroever van de Rijn van Oppenheim tot Bazel en op de rechteroever een groot stuk van Zuid-Duitsland. Hij opent de jacht op de Frankische koninkjes van Kamerijk en Keulen en jaagt hen over de kling. Zo vestigt hij tenslotte zijn alleenheerschappij over alle Franken en de volken die zij domineren. In 511 nodigt Clovis de bisschoppen van zijn rijk uit op een concilie in Orléans, ten zuiden van Parijs. Daar wordt gesproken over de politieke en kerkelijke organisatie. De bisschoppen, betoogt Matthias Becher, luisterden veel meer naar de koning dan naar de paus in het verre Rome. Eeuwenlang zullen zijn opvolgers zich op die oppermacht over de kerk beroepen, wat op termijn tot grote conflicten met de paus leidt. Maar dat doet niets af aan het belang van Clovis’ doop voor de triomf van het katholicisme over het arianisme en het heidendom.

Bij Clovis’ dood in 511 ligt het zwaartepunt van het Frankische rijk al lang ten zuiden van ons. De koning woont in Parijs en wordt er begraven in de crypte van de Sainte-Genevièvebasiliek die hij als zijn eigen grafkerk heeft laten bouwen. De niet-bekeerde Franken in Zuid-Nederland en België leven in een uithoek. Pas in de 7de eeuw proberen missionarissen hen te bekeren. Hoe ver het machtsgebied van de Franken in het noorden reikt, is trouwens niet duidelijk. Tongeren, Maastricht en het gebied tussen Maas en Rijn tot aan Nijmegen maken er in ieder geval deel van uit. Geregeld krijgen Clovis’ nazaten het aan de stok met Radbod (of Redbod), de koning van de Friezen. Hij heerst over grote delen van Nederland, over de Belgische kust en de monding van de Schelde.

%d bloggers liken dit: