Skip to content
Advertenties

Posts from the ‘Verlooij, Jan-Baptist’ Category

[Geschiedenis] – De Verenigde Nederlandse Staten of de korte onafhankelijkheid van de Belgische gewesten in 1789-1790

10 januari 1790. De Oostenrijke regeringstroepen hebben Brussel hals over kop verlaten. In het gebouw van de Staten van Brabant, het huidige Paleis der Natie, vindt een merkwaardige plechtigheid plaats. Vertegenwoordigers van de verschillende gewesten van de Oostenrijke Nederlanden (Vlaanderen, Brabant, Henegouwen enz.) roepen de Verenigde Nederlandse Staten (in het Frans Etats belgiques unis) uit. Daarmee stichten ze een onafhankelijke, confederale republiek. Dit moment vormt het hoogtepunt van de Brabantse Omwenteling, de opstand tegen de Oostenrijkse keizer Jozef II, die een jaar geleden is uitgebroken.

De opstand in de Zuidelijke Nederlanden maakt deel uit van de golf revolutionaire bewegingen die begint met de Amerikaanse vrijheidsstrijd en eindigt met de Franse revolutie van 1789. Het grote verschil bestaat erin dat de Brabantse Omwenteling een conservatieve opstand is. De leidende groepen in de “Belgische” gewesten gaan in het verweer omdat keizer Jozef II hun eeuwenoude voorrechten en privilegies op de helling zet omdat hij de staat in moderne zin wil hervormen.

Jozef II bestijgt de troon van Oostenrijk in 1780. Zijn rijk is geen gecentraliseerde staat maar een amalgaam van grote en kleine vorstendommen in Midden- en Oost-Europa, Italië, ex-Joegoslavië en de Nederlanden. Geografisch noch politiek vormen ze een eenheid; bovendien is men overal sterk gehecht aan hun eigen gebruiken en gewoonten.

De keizer kan in de meeste streken alleen belastingen heffen als de plaatselijke staten – vertegenwoordigers van de adel, de geestelijkheid en de steden – daarmee akkoord gaan. Zo komt het dat Wenen niet genoeg geld heeft voor een groot staand leger, terwijl Oostenrijk vanuit het noorden bedreigd wordt door het steeds machtiger Pruisen en in het zuidoosten door de Turken.

Maar het gaat Jozef niet alleen om geld. Hij wil het bestuur van het keizerrijk over gelijkschakelen en de economie nieuw leven inblazen. Hij meent ook dat een zekere emancipatie van de kleine man tot een God welgevallige gelijkheid kan leiden. Daarom geeft hij protestanten en joden dezelfde rechten als katholieken en neemt hij maatregelen tegen de zwaarste vormen uitbuiting van de boeren door de landadel in Hongarije.

Grote dingen

Zijn ideeën put de keizer uit de geschriften van de filosofen en politieke denkers van de Verlichting. Maakt dat van hem geen democraat? Niet bepaald. Jozef II vindt dat het zijn taak is hervormingen door te voeren, niet die van zijn onderdanen, en hij duldt geen tegenspraak. De keizer is een intellectueel, maar dan wel één die niet wil inzien dat het niet volstaat de wereld te begrijpen om ze ook te veranderen.

“Grote dingen,” schrijft Jozef, “moeten in één keer volbracht worden. Veranderingen zorgen […] voor meningsverschillen. De zekerste manier om op te schieten is een beslissingen nemen, het publiek er meteen over inlichten en niet naar andere meningen luisteren. Dan moet men de beslissing alleen nog maar op de juiste manier uitvoeren.”

Het Paleis der Natie, vandaag zetel van het Belgische parlement, werd in de 18de eeuw gebouwd voor de Staten van Brabant.

Het Tolerantie Edict over de gelijkberechtiging van religieuze minderheden valt niet in goede aarde in de Oostenrijkse Nederlanden. De katholieke kerk en de clerus zijn er oppermachtig en dulden geen afwijkende opinies. Maar daar blijft het niet bij – weldra schaft de keizer de contemplatieve, d.w.z. in zijn ogen “nutteloze” kloosterorden af. Paters en nonnen hebben alleen bestaansrecht wanneer ze iets nuttigs doen – zieken verzorgen of onderwijs verstrekken. De orden die hij laat blijven, decreteert de keizer, mogen niet langer gehoorzamen aan oversten in het buitenland.

In 1784 verbiedt Jozef II de doden nog langer in de kerk of op een kerkhof in de stad te begraven. Dat is ongezond. Parochiekermissen moeten overal op dezelfde dag plaatsvinden. Anders lopen zijn onderdanen van de ene kermis naar de andere en werken ze niet genoeg. Twee jaar later schaft de keizer de bestaande priesteropleidingen af. Alle aspirant priesters dienen voortaan aan het Seminarie Generaal in Leuven te studeren. Dat wordt niet gecontroleerd door de bisschoppen, maar door de staat.

Tradities

Kort daarop vervangt de keizer de oude vorstendommen van “zijn” Nederlanden door zg. Kreitsen. Dat zijn districten die grote overeenkomsten vertonen met de huidige Belgische provincies. Jozef II is de uitvinder van “Oost-” en “West-“Vlaanderen. Alle instellingen die met de vorstendommen samenhangen, worden afgeschaft. Ook het gerecht moet eraan geloven. De keizer wil rechtbanken met professionele juristen als rechter, geen dorpsheren of amateurs die hun ambt gekocht hebben. Daardoor verliest een groot aantal ambtenaren – vaak gaat het om mensen uit de kleine adel – zijn baan.

De gilden spelen sinds de middeleeuwen een belangrijke rol in het economische leven van de steden. Maar met al hun reglementen en bepalingen over werkwijze, materialen en personeel remmen de ontwikkeling af van moderne productiemethoden, oordeelt de vorst. Daarom schroeft hij hun bevoegdheden terug en legt allerlei beperkingen op. Na adel en clerus jaagt hij zo een groot deel van de middenklasse in de steden tegen zich in het harnas.

Maria-Christina bestuurde samen met haar echtgenoot Albrecht van Saksen-Teschen de Oostenrijke Nederlanden voor keizer Jozef II.

De keizer wil privilegies afschaffen, maar is blind voor het feit dat zijn onderdanen gehecht zijn aan hun eigen tradities, mentaliteit en religieuze beleving. Hij begrijpt ook niet dat de moderne ideeën waarop hij zijn politiek baseert, de meer vooruitstrevenden onder zijn vele onderdanen juist naar meer inspraak doet verlangen, niet naar minder.

Jozef II wordt in Brussel vertegenwoordigd door zijn zus, aartshertogin Maria-Christina en haar man, Albrecht van Saksen-Teschen. Zijn wonen in het kasteel van Laken. Weldra neemt het verzet tegen de hervormingen van de keizer zo’n dreigende vorm aan, dat zij geen kant meer op kunnen. In 1787 weigeren de Staten van Brabant de belastingen goed te keuren. De Brusselse advocaat Hendrik van der Noot, een verstokte conservatief, publiceert een Mémoire sur les Droits du Peuple Brabançon waarin hij zijn bezwaren tegen Jozefs politiek uit de doeken doet.

Officiële woordvoerder

Hendrik van der Noot is in 1731 geboren als zoon van Nikolaas Franciscus van der Noot, heer van Vrechem en andere plaatsen Gobbelschrooy en amman of hoofd van de politie in Brussel. De Van der Noot’s zijn een oud Brabants geslacht waarvan leden in de loop der eeuwen een rol spelen in het bestuur van de hoofdstad of in dat van het hertogdom. Precies die aristocratische achtergrond verklaart Van der Noots fanatieke gehechtheid aan het Ancien Régime en de voorrechten van de adel. Hij wil ook de macht van de kerk onverminderd bewaren.

Van der Noot is in 1757 aan de universiteit van Leuven gepromoveerd tot licentiaat in de rechten en woont in het huis dat hij van zijn vader heeft geërfd aan de Brusselse Nieuwstraat in Brussel, tussen de St.-Michielstraat en de Koolstraat.

Van der Noot groeit uit tot de officiële woordvoerder van de Staten. In 1788 wordt de grond hem te heet onder de voeten en neemt hij de wijk naar Breda, vanwaar hij zijn activiteiten voortzet. Maar behalve de “Brabantsche Washington” (!) en zijn conservatieve vrienden, zijn er ook vooruitstrevende opposanten tegen de politiek van de keizer. Zij ergeren zich minder aan de inhoud van diens hervormingen, dan aan de manier waarop hij ze doorvoert.

Hùn leider is een andere advocaat, Jan-Frans Vonck, in 1743 als (rijke) boerenzoon geboren in Baardegem en sinds 1769 licentiaat in de rechten. In Brussel bouwt Vonck een succesvolle praktijk uit. Hij is goed op de hoogte van de Franse Verlichting en citeert met gemak klassieke auteurs. Eind 1788 gaat hij actief op zoek naar medestanders om de Oostenrijkers te bestrijden. Samen met zijn confrater en vriend Jan-Baptits Verlooij sticht hij het geheime genootschap Pro Aris et Focis (Voor Altaar en Haard) dat anti-Oostenrijkse acties plant.

Vonck wil minder privileges, meer democratie en een scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Hoewel zijn denkbeelden eigenlijk heel gematigd zijn, beschouwt Van der Noot hem als een gevaar. Maar voorlopig zijn de twee verplicht om samen te werken.

Oproer

Hier en daar breken vanaf 1787 relletjes uit. De keizer roept de landvoogden naar Wenen terug voor overleg. Jozef II is niet opgezet met het verzet van zijn Zuid-Nederlandse onderdanen. In juni 1789 schaft hij de Staten van Brabant af en vernietigt de privilegies die zijn voorgangers aan de inwoners van het hertogdom hebben verleend. Daartoe behoort de Blijde Inkomst, een soort contract tussen de vorst en de edelen en steden.

De Brabanders beschouwen de Blijde Inkomst als hun grondwet. In Tienen en Leuven breekt oproer uit. Zelfs in het Vlaamse Kortrijk zijn er rellen. Steeds meer “patriotten” – zo noemen de opposanten zichzelf – steken de grens met de Noordelijke Nederlanden. Ze willen er een leger vormen om de Oostenrijkers te verjagen.

In de pastorij van het Brabantse dorpje Bekkerzeel onderhandelt Vonck met kolonel Van der Mersch. De kolonel, afkomstig uit het West-Vlaamse Menen, is een oud-gediende van het Oostenrijkse leger. Hij blijkt bereid het opstandelingenlegertje aan te voeren.

Wanneer de Oostenrijkers Pro Aris et Focis dreigen op te rollen, vlucht ook Vonck naar Breda. Hij voegt zich bij zijn eigen aanhangers en die van concurrent Van der Noot. Als agent plénipotentiaire du peuple Brabançon zoekt die laatste steun in Engeland, de Verenigde Provinciën en Pruisen. Vooral Pruisen, de aartsvijand van Oostenrijk, ziet daar wel wat in.

De patriotten beseffen dat ze het ijzer moeten smeden terwijl het heet is. Van der Noot wil met een aanval wachten tot de lente van 1790; ook Vonck stelt de actie liever nog wat uit zodat de plaatselijke comités van Pro Aris et Focis zich wat beter kunnen voorbereiden. Maar Vander Mersch geeft het startsein. In de nacht van 23 op 24 oktober 1789 vertrekt zijn legertje naar het zuiden.

Slag van Turnhout

De patriotten namen het fort van Zandvliet in, waar ze een manifest voorlezen dat Jozef II van zijn soevereiniteit vervallen verklaart. Daarna trekt Vander Mersch met zijn troepen naar Turnhout. Hij wil een open veldslag met de sterkere Oostenrijkse troepen vermijden. De bevolking laat de opstandelingen binnen. Op 27 oktober volgt een confrontatie in de stad die in het voordeel van Vander Mersch uitvalt.

Tot veel meer zijn de onervaren, slecht bewapende patriotten generaal niet in staat. Bovendien raakt hun munitie op. In november trekken Vander Mersch zijn manschappen zich terug in de Verenigde Provinciën. Intussen opereren in de Zuidelijke Nederlanden andere patriottische legerbendes. Een kleine troepenmacht o.l.v. de zoon van de prins de Ligne bevrijdt in de nacht van 16 op 17 november Gent. De dag daarop vluchten Albert en Marie-Christine op bevel van de keizer uit Brussel naar Keulen.

Het kasteel van Laken, waar Albrecht en Marie-Christine van Saksen-Teschen resideren.

Eind november rukt Vander Mersch opnieuw Brabant binnen. Hij verovert Diest en Tienen, al is dat vooral te danken aan de gebrekkige motivatie van de Oostenrijkers. Omdat hij beseft dat hij nooit een geregelde veldslag kan winnen, stelt de generaal een staakt-het-vuren van tien dagen voor. Nog voor dat is afgelopen, komt de Brusselse bevolking in opstand. De Oostenrijkse soldaten in de hoofdstad deserteren massaal en de regering vlucht naar Luxemburg. Ook Namen wordt ontruimd.

Van der Noot houdt op 18 december 1789 een triomfantelijke intocht in Brussel. Hij geniet de volle steun van de clerus en is ook erg populair bij het volk. Vonck arriveert pas de dag voor Kerstmis. Men heeft hem eerst naar Gent gestuurd om een betere samenwerking tussen Vlaanderen en Brabant te bepleiten. Zijn afwezigheid maakt het Van der Noot gemakkelijk zichzelf als “echte” leider van de revolutie op te werpen.

Dat gaat des te vlotter omdat Vonck en zijn aanhangers lang in het diepste geheim hebben gewerkt en dus minder bekendheid genieten. Van der Noot laat niet na om het volk tegen hen op te ruien. Vonck krijgt echter wel steun van invloedrijke edellieden zoals de hertog van Ursel.

Confederale staat

Op 10 januari roepen de patriotten de republiek uit. De Verenigde Nederlandse Staten vormen een confederale staat waarin elke provincie bijna volledig zelfstandig blijft. Alleen voor militaire, diplomatieke en monetaire zaken zullen ze een gezamenlijk beleid voeren. Om die “nationale” bevoegdheden uit te oefenen, roept men een congres in het leven. De Staten-Generaal krijgen de wetgevende, het congres de uitvoerende macht. Maar omdat in beide organen dezelfde afgevaardigden zetelen, is van een echte scheiding der machten geen sprake. Van der Noot wordt minister; zijn aartsconservatieve kompaan, kannunik Van Eupen, krijgt een benoeming tot staatssecretaris.

Vonck zet zijn ideeën over de staatsinrichting uiteen in de brochure Considérations impartiales sur l’état actuel du Brabant, later vertaald als Onzeydige Aenmerkingen over den tegenwoordige gesteltenis van Brabant. Schrijver verwerpt een Assemblée Nationale zoals die in Frankrijk tijdens de revolutie is ingevoerd. Hij wil hervormingen binnen de bestaande structuren. Hij wil vooral een “democratischer” samenstelling van de Staten.

De Verenigde Nederlandse Staten (Wikipedia Commons).

Hoe voorzichtig ook, Voncks ideeën gaan te ver voor Van der Noot en de kerk. Kardinaal De Franckenberg, aartsbisschop van Mechelen, kiest stelling tegen de vonckisten. Hij vraagt de gelovigen niet te luisteren “naar woelzieke en arglistige lieden die […] slechts tweedracht zoeken te zaaien en wantrouwen willen inboezemen jegens de vaders des vaderlands” [Van der Noot].

In Brussel breken onlusten uit tussen aanhangers van beide strekkingen. De conservatieven in de Staten versterken zienderogen hun macht, zeker in de hoofdstad.“Men geniet een volledige vrijheid, als men niet schrijft, niet praat en zelfs niet denkt”, schrijft Dotrenge, de Luikse zaakgelastigde en aanhanger van Vonck, al op 15 januari 1790.

Maîtresse

Intussen paradeert Van der Noot met zijn maîtresse in de adellijke salons om het Warandepark.

 “Groot, met een zeer blanke huid en een prachtig gevormd lichaam, indringende zwarte ogen, lange zwarte krullen en schitterende tanden,” kortom, “une beauté troublante”. Zo beschrijft een pamflettist Jeanne Pinaut alias Mademoiselle de Bellem. Ze vormt trouwens het voorwerp van een hele reeks min of meer boosaardige geschriften van vonckisten en keizersgezinden. Die schilderen Jeanne af als de grijze eminentie van Van der Noot.

Een groot deel van haar leven blijft nog altijd duister. Jeanne is in ieder geval de dochter van een sloffenmaker en een naaister. Als jonge vrouw komt ze aan de kost in een bordeel van de Brusselse Bloemenstraat. Daar “ontdekt” burggraaf Alexandre Bertout de Carillo haar. Hij neemt Jeanne mee naar zijn buitengoed in Laken en laat haar een rudimentaire opvoeding geven. Aan zijn kinderen maakt hij wijs dat ze een wees van goeden huize is en Mademoiselle de Bellem heet.

Jan-Frans Vonck.

 Wanneer Jeanne zwanger raakt, installeert de edelman haar in een huis aan de Koolstraat. Ze bevalt er van een kind over wie verder niets bekend is. Rond 1758 ontmoet Jeanne de jonge Hendrik Van der Noot. De twee maken geen geheim van hun verhouding die tientallen jaren zal duren. Na Van der Noots triomfantelijke terugkeer in Brussel wordt Jeanne de first lady van de Verenigde Nederlandse Staten.

Naarmate de tegenstelling tussen “aristo-teokraten” en vonckisten zich scherper aftekent, neemt et aantal pamfletten en spotprenten tegen haar en haar minnaar toe. Men beschuldigt Jeanne ervan dat ze officiersbrevetten en ambten verkoopt en bij alle benoemingen een vinger in de pap heeft. Ze is ook de aanstichtster van de plundering van de huizen van vonckisten in 1790, beweren die.

Hendrik van der Noot, de “Brabantsche Washington”.

 De situatie van Jan-Frans Vonck en zijn medestanders wordt zo precair dat de advocaat in het voorjaar van 1790 onderduikt en Brussel verlaat. Velen van zijn vrienden worden opgepakt. Op 13 april arresteert men zelfs Vander Mersch. Hij wordt opgesloten in de citadel van Antwerpen. In juni volgt een arrestatiebevel voor Vonck zelf. Maar in Gent geeft het volk blijk van democratische sympathieën en in Zuid-Vlaanderen komen de boeren in opstand tegen de Staten.

Lynchpartij

Vonck vlucht samen met Jan Baptist Verlooy en de handelaren Weemaels en Daubremez naar Frankrijk. Via Dinant bereiken ze Givet. Daar krijgen ze op 17 april 1790 een paspoort. Vonck heet volgens dat document Van Nuffel, naar zijn moeder; Verlooy wordt Lebrun. De twee mannen belanden in Rijsel waar ze het geheime genootschap Pro Patria oprichten. Pro Patria verspreidt pamfletten in Brussel die de Statisten, vooral dan Van der Noot en van Eupen, op de korrel nemen.

Op 6 oktober 1790 levert de Brusselse vonckist Van Krieken spottend commentaar op de vele “monnikskappen” tijdens een optocht ter ere van “Heintje” Van der Noot. Van Krieken wordt in elkaar geslagen en aangehouden. Op de Grote Markt moet hij biechten. Daarna probeert de menigte hem aan een straatlantaarn op te knopen. Wanneer het touw breekt, probeert men hem met een sabel dood te steken maar ook dat mislukt – Van Krieken schiet er alleen zijn halve kin bij in. Uiteindelijk haalt een van de omstanders een zaag waarmee hij ’s mans hoofd afzaagt…

Intussen is Jozef II gestorven en opgevolgd door zijn jongere broer, Leopold II. Die blijkt bereid tot onderhandelen. Maar in Brussel heeft men daar voorlopig geen oren naar.

Leopold II, de opvolger van “keizer-koster” Jozef II.

De Oostenrijkers vragen de progressieven onder welke voorwaarden die een eventueel herstel van het keizerlijk gezag zouden aanvaarden. Vonckisten publiceren daarover twee rapporten. Daarin kennen ze de wetgevende macht aan de vorst en de Staten-Generaal toe, maar onder invloed van de Franse revolutie eisen ze getrapte verkiezingen en een stemming per afgevaardigde in de Staten, niet per stand. De Oostenrijkers wijzen dit af.

Op 27 juli 1790 sluiten Engeland, Pruisen en de Verenigde Provinciën de overeenkomst van Reichenbach. Die bepaalt dat de Zuidelijke Nederlanden opnieuw onder Oostenrijks gezag komen en dat de oude privileges en grondwetten worden hersteld worden.

Amnestie

In november 1790 vallen Oostenrijkse soldaten de Verenigde Nederlandse Staten binnen. De ene stad na de andere geeft zich over. Brussel capituleert op 3 december, Antwerpen en Gent op 6 en 7 december. Van der Noot, zijn maîtresse en Van Eupen zijn dan al lang naar Holland gevlucht. Na de overwinning herroept Leopold II de omstreden beslissingen van zijn broer en worden de oude eeuwenoude privileges opnieuw van kracht.

Voor vele democraten betekent de terugkeer van de Oostenrijkers het einde van hun ballingschap. Leopold II belooft al wie zich aan zijn gezag onderwerpt amnestie. Vonck blijft echter Rijsel. Zijn gezondheid laat te wensen over. Hij wil bovendien weten of de keizer democratische hervormingen toelaat. Maar inplaats daarvan proberen de Oostenrijkers vonckisten tegen traditionalisten uit te spelen.

De slag bij Jemappes.

 De ontevredenheid groeit. Velen kijken richting Frankrijk. In Parijs richt de progressieve bankier Walckiers het democratisch Comité des Belges et Liègeois Unis op dat in de Nederlanden een republiek naar Frans voorbeeld wil oprichten. Vonck weigert toe te treden omdat de groep volgens hem té radicaal en té antiklerikaal is.

In april 1792 verklaart Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk. Een eerste expeditie in de Nederlanden mislukt maar op 6 november verslaat het Franse leger de Oostenrijkers bij Jemappes. Na de Franse overwinning denkt Vonck eraan naar Brabant terug te keren om het land te helpen hervormen. Zijn ziekte verhindert dat echter. Hij sterft op 1 december 1792 in de armen van zijn broer. Twee dagen later wordt hij op het kerkhof van Rijsel begraven.

Volgens de laatste wil van de overledene wordt zijn stoffelijk overschot kort daarop opgegraven en overgebracht naar Baardegem. Van der Noot leeft enkele jaren als balling in Engeland en sterft aan de vooravond van de tweede, “echte” Belgische revolutie – die van 1830 – in zijn buitengoed te Strombeek-Bever.

 

Bibliografie

TASSIER, Suzanne, Les Démocrates belges de 1789 Brussel, Hayez, 1989 (2de).

DE CLERCK, Jan C.A. Jean-François Vonck, Juriste et chef démocrate de la Révolution belgique, Brussel, Hayez, Nouvelles Annales de Prince de Ligne (hors série), 1992.

PIRENNE, Henri, Les États Belgiques Unis (hoofdstukken over de Brabantse Omwenteling uit deel 5 van de Histoire de Belgique van Pirenne uit in 1920), Louvain-la-Neuve, Éditions Duculot, 1992.

POLASKY, Janet L., Revolution in Brusels 1787-1793, Brussel, Académie Royale de Belgique, Mémoire de la Classe des Lettres, 2de reeks in 8º, deel LXVI, aflevering 4, 1985.

VANHEMELRYCK, Fernand [RED.] Revolutie in Brabant, 1787-1793,
Brussel, Ufsal, Centrum voor Brabantse Geschiedenis, 1990.

Oostenrijks België. 1713-1794. Brussel, Gemeentekrediet van België, 1987.

Verschenen in Memo nr. 1. Dit artikel is deels gebaseerd op een artikelenreeks die ik in 1992 samen met mijn collega Els Groessens publiceerde in het dagblad De Standaard.

Advertenties
%d bloggers liken dit: