Skip to content

Posts from the ‘Hubert Lampo Genootschap’ Category

Literatuur – Stroomafwaarts. Een kleine geschiedenis van de Lampo’s.

De gemeente Kluisbergen, waarvan Berchem deel uitmaakt. Hier komen mijn oudst bekende voorvaders vandaan.

Wanneer ik als student in het archief of de Stadsbibliotheek kom, kan ik niet nalaten in het register van naslag- of genealogische werken te grasduinen, op zoek naar voorouders/naamgenoten. Wetenschappelijk is het niet relevant, een historicus heeft andere katten te geselen. Maar toch…

Zo ontdek ik in de inventaris van het Rijksarchief in Ronse dat men daar papieren bewaart van een notaris Lampo uit Berchem bijOudenaarde die leeft in het begin van de 19de eeuw. (1) De Dictionnaire généalogique et héraldique des Families nobles du royaume de Be/gique blijkt een N. Lampo te vermelden, die in 1848 overleed in Sint-Joost-ten-Node.(2) Bovendien weet ik dat Karin Boliau, de vriendin van mijn vriend Wim Neetens – hij zal in 1996 sterven – op de een of andere manier familie van mij is.

Kwaremont en Berchem in de Albums de Croÿ.

Later zie ik op de televisie een dokter Lampo van de VUB, waar ik nota bene zelf gestudeerd heb. Zij wordt geïnterviewd over kindermishandeling. In de badplaats Knokke ontdek ik een fietsenmaker Lampo en iemand weet mij te vertellen dat ook in Gent Lampo’s wonen.

In 1990 sterft mijn oom Theofiel “Tix” Lampo, de tien jaar oudere broer van mijn vader. Omdat wij, Lampo’s. niet bepaald familieziek zijn, kom ik dan pas opnieuw in contact met mijn nicht Francine en haar man Marcel. Francine vertelt dat haar neef (mijn achterneef), René Lampo, over een stamboom van de familie beschikt. Pas na twee jaar vraag ik de achterneef in kwestie om een copie van het document. Geen echte stamboom, maar een kwartierstaat met onze rechtstreekse voorvaderen. René’s schoonbroer heeft hem na de nodige opzoekingen in o.m. het archief te Ronse opgesteld (3).

Ik neem kennis van het stuk maar doe er niets mee tot ik voor de verfoeilijke rubriek Courant van het dagblad De Standaard, waar ik dan nog werk, een cursiefje moet plegen en geen inspiratie heb. Ik schrijf neer wat ik mij van mijn kwartierstaat herinner.(4)

Prompt ontvang ik een stapel brieven van boze genealogen. Gelukkig zijn enkele schrijvers niet te beroerd informatie mee te delen over Lampo’s die ze bij hun opzoekingen op het spoor zijn gekomen.

Ik denk aan wijlen Valère Arickx, de oud-productieleider van Radio 2 Omroep West-Vlaanderen, toen ter tijd voorzitter van de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde. Hij blijkt al mijn voorouders uit Berchem bij Oudenaarde – want daar komen de Lampo’s dus vandaan – te kennen.

Valère Arickx (+ 2001).

Dr. Hubert Bovens uit Zutendaal raadpleegt zijn collectie genealogische tijdschriften. Hij wijst mij op de familieband tussen notaris Martinus Lampo en de vrouw van de historicus Henri Pirenne. Voorts signaleert hij mij een stuk of vijf andere Lampo’s van wie documenten her en der gewag maken.

Prof. Walter Prevenier, bij wie ik in de licenties geschiedenis paleografie en diplomatiek volgde, zet mij op het goeie spoor wat betreft de Raad van Vlaanderen en het beroep van procurator, uitgeoefend door een van mijn voorouders.

Ik berg dit alles op in het geheugen van mijn computer. Vandaag, alweer bijna tien jaar en twee computers later, liggen kwartierstaat, brieven en fotocopies aan weerszijden van mijn klavier. Tijd dus voor een schepen, twee secretarissen en een notaris, een procurator bij de Raad van Vlaanderen en vier generaties steenhouwers (operatieve, wel te verstaan).

Prof. Walter Prevenier.

Lampo is een patroniem zoals Janssens dat” Janszoon” betekent. De naam is afgeleid van een verkleinvorm van “Lambrecht”. Lampo zou dus betekenen: “zoon, afstammeling van Lambrechtje” (5). Lampo is ook een Italiaans woord dat “bliksemstraal” en “ritssluiting” betekent (6) en een Italiaanse familienaam. Voor de Tweede Wereldoorlog heet in het laarsvormige land een benzinemerk Lampo. Maar wat zou een Italiaan komen doen in Berchem bij Oudenaarde?

Berchem maakt sinds 1970 deel uit van de fusiegemeente Kluisbergen. Aan de Schelde, dat wel – mijn voorgeslacht zal de vallei van de stroom nooit verlaten (aardrijkskunde speelt een grote rol in het leven, zeker in het Ancien Régime). Berchem ligt in de buurt van de Kwaremont die de Romeinen Mons Quadratus of “Vierkante Berg” noemen. De heirbaan van Bavai over Blicquy naar de Noordzee loopt nabij het dorp.

Het Paddenbroek in Berchem (Kluisbergen).

Het toponiem Berchem is Frankisch. Volgens de recentste dorpsgeschiedenis betekent de naam zoals elders “woonplaats op de berg”. Anderen menen dat er geen sprake is van een berg maar van “birnu” dat “beer” Cl) of “modder” betekent (7). De vraag is natuurlijk of zelfs de Franken zo stom waren om in de modder te gaan wonen. Wat er van zij, de oudst bekende vormen van de plaatsnaam luiden in het Latijn (nou ja) “Bernis” (1119) en in het Frans “Bernes” (1154).

In het Ancien Régime is Berchem een leen van het Land tussen Marke en Ronne. De heerlijkheid ressorteert onder de kassei rij van het Land van Aalst. De eigenaars van Berchem zijn leden van vooraanstaande Vlaamse geslachten zoals de heren van Gavere en later die van Gruuthuse. Begin van de 18de eeuw komt het dorp in handen van de recent geadelde Gentse koopman Theodoor Ignatius vander Meersche. Diens kleinzoon Joannes Baptista Desideratus van Pottelsberghe de la Potterie is de laatste heer.

Berchem, dus, in Zuid-Vlaanderen. Berchem, waar behalve de landbouw vanaf de late middeleeuwen ook de wolnijverheid werk en brood verschaft. Nog later komt de linnennijverheid, die het uithoudt tot het midden van de 19de eeuw. Anno 1834 telt de gemeente 18 circhoreifabriekjes en 25 cichoreimolens, 1 stokerij en 1 touwslagerij. In 1835 bouwt men een brug over de Schelde, naar Kerkhove.

Het gewezen gemeentehuis van Berchem (Kluisbergen).

Dragen huisnijverheid en prille industrialisatie bij tot de welvaart van mijn voorvaderen? Ik weet het niet, maar ik vermoed van wel.

De Lampo’s verschijnen in de tweede helft van de 17de eeuw. Adriaen Lampo is tussen 1687 en 1694 schepen van Berchem (8). Een notabele die in zijn gemeenschap aanzien geniet. Treedt hij niet mee op als rechter, helpt hij geen testamenten opstellen en verkopingen van onroerende goed acteren?

Adriaens zoon (of kleinzoon) heet Jacobus. Hij wordt op 10 november 1752 in Berchem ten grave gedragen. Jacobus’ weduwe, Maria De Smedt, overleeft hem tot in 1757. Naar alle waarschijnlijkheid is Philippus Antonius, geboren omstreeks 1714, hun zoon. Philippus wordt geen schepen, maar griffier – van Berchem, Kwaremont en Zulzeke.

Berchem (Kluisbergen), oude prentbriefkaart.

Op 16 februari 1749 trouwt hij met Maria Theresia De Graeve. Philippus wordt 75 en sterft op 2 december van het wonderjaar 1789. De Fransen zetten in de loop van dat jaar een punt achter vijftienhonderd jaar koningschap en meer dan tien eeuwen feodaliteit. Heeft Philippus dat nog geweten?

Met zijn zessen zijn ze, de kinderen van Philippus en Maria Theresia: vier zonen en twee dochters. Van de oudste, Alexius, neem ik aan dat hij de “A.” Lampo is, die op zijn beurt “greffier” van Kwaremont, Zulzeke en Ruien wordt (hij blijft het tot 1783) en van wie documenten zeggen dat hij ook “practezijn” is (9).

Die laatste term wijst op een activiteit in de juridische sfeer. Het Middelnederlandsch Handwoordenboek van Verwijs en Verdam zegt: “Practike (. .. ) – Praktijk; de wijze om zaken, ook: rechtszaken, te behandelen”. De Boe’s Algemeen Vlaamsch Idioticon vermeldt praktijk enkel in de afgeleide betekenis van “listen, looze trekken (. .. ), bedrog”.

Alexius verwerkt vier kinderen. Zijn derde zoon, Joannes Franciscus, geboren op 13 juni 1751, wordt de eerste Lampo die het voorvaderlijke Berchem verlaat. Hij komt aan de kost als procureur of procurator bij de Raad van Vlaanderen en verhuist naar Gent. In 1780 huwt hij daar in de Sint-Niklaaskerk Maria Joanna Hertschap. Ik kom straks op hen terug.

Interieur van de kerk van Berchem (Kwaremont).

Alexius’ vierde zoon, Martinus (°4 juli 1758), weet ook alles van (gewoonte)recht en wat daarmee verband houdt. Hij vestigt zich als notaris. Het Rijksarchief in Ronse bewaart zijn papieren van het Jaar VII van de Franse Republiek tot 1828. Maar Martinus drijft ook handel in steenkool. Hij trouwt met Anne Thérèse Van der Donck.

Hun dochter, Martine-Régine-Charlotte, ziet omstreeks 1795 het levenslicht in Doornik. Heeft het verblijf van haar ouders daar iets te maken met de tweede Franse bezetting die in 1794 begint of met Martinus’ beroepsactiviteiten? Martine zal het grootste deel van de 19de eeuw meemaken en als 85-jarige sterven op 22 oktober 1880.

Als man van middelbare leeftijd ontpopt notaris en kolenhandelaar Martinus zich tot steunpilaar van de Berchemse harmonie Sint-Cecilia. Die is op 7 december 1810 gesticht onder de naam Musique Militaire Sainte Cécile de Berchem. In 1816 neemt ze deel aan een “concours van de toonkunde tot Audenaerde”. Daar, lezen we, komen “de societeyten der harmonien van Gend, met hun musicq al gekleed in het wit, die van Cortryck in het rood, die van Ronsse in het bleekblauw, en die van Geeraerdsberge waren in geenen uniform, en gelyck er prysen te winnen waeren voor de prochien alwaer er musicqgenootschappen waren, kwamen aldaer de gene van Worteghem, Berchem en Avelgem.”

De Kortrijkse harmonie is het beste stedelijke ensemble. Maar “voor de prochien den eersten prijs wierd gewonnen door Berchem.” Het doet Martinus groot plezier, stel ik mij voor. Het enige dat hij betreurt, is dat de uitvoeringen niet plaatsvinden op het speciaal gebouwde “theater”, maar in de lakenhalle, en wel omdat het “seer sterk regende”. Gelukkig is er ondanks alles “een grote toeloop van volk” (10).

Hendrik Conscience.

Terug naar Martinus’ dochter. Zij is intussen getrouwd met Jean-Baptiste Vander Haeghen uit het (latere) Streuvelsdorp Avelgem. Martine en haar man zitten er warmpjes bij. Hun zoon, Edouard-François (1830- 1910) studeert rechten, vermoedelijk in Gent. Hij wordt procureur des konings in Kortrijk. Daar ontmoet hij ongetwijfeld Hendrik Conscience, die er arrondissementscommissaris is. Overheidspersonen als zij kunnen elkaar niet ontlopen. Vervolgens brengt Edouard-François het tot eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Gent. De hoge magistraat en zijn vrouw krijgen op 9 maart 1868 – ze verblijven dan in Dendermonde – een dochter, die ze Jenny-Laure noemen. Voornamen waarin enig snobisme doorklinkt, dunkt mij.

Jenny-Laure, die natuurlijk niet Lampo maar Vander Haeghen heet, zal in de echt treden met de historicus Henri Pirenne (Verviers, 1862 – Ukkel, 1935), de auteur van o.m. de monumentale Histoire de Belgique. Zij overleeft haar beroemde man tot in 1948. Jenny-Laure is de moeder van Jacques, graaf Pirenne (Gent, 1891 – Hierges, 1972) die zich na de deportatie van zijn vader door de Duitsers tot een fel Belgisch nationalist ontpopt. Hij speelt later een rol in het rechtsnationalistische Comité de Politique nationale van Pierrre Nothomb.

Henri Pirenne.

Jacques, jurist en meer dan overtuigd Belg, voelt niets voor een tweetalig Vlaanderen (“Imaginez-vous!”) en bestrijdt de vernederlandsing van de Rijksuniversiteit te Gent – een vorm van intellectuele constipatie waar ik moeite mee heb.

Eind jaren 1930 vinden we hem in de omgeving van Leopold 111. Na de Bevrijding neemt die hem in dienst als secretaris. Lampo-genen in Argenteuil- je kunt het zo gek niet bedenken. Volgens de Nieuwe Encylopedie van de Vlaamse Beweging speelt Jacques Pirenne een “omstreden” rol bij de afloop van de Koningskwestie. Hij blijft Leopolds secretaris tot 1950.

De “Mémoires et Notes politiques” van Jacques Pirenne.

Terug nu naar mijn rechtstreekse voorvader, Joannes Franciscus, procurator bij de Raad van Vlaanderen, en zijn kinderen. De eerste Lampo die zijn geboortestreek verlaat, begint aan de Grote Trek naar het Noorden die de familie tenslotte in Antwerpen brengt – maar dat weet hij niet.

De Raad van Vlaanderen is sinds de middeleeuwen het hoogste rechtscollege van het graafschap. Maar Joannes laat er zijn stem niet horen. Een procurator is een pleitbezorger – een man die juridische argumenten verzamelt in opdracht van een advocaat (zoals in Engeland een barrister of pleiter de zaak van zijn cliënt laat voorbereiden door een sollicitor). Zelf hoeft een procurator geen jurist te zijn; zijn voornaamste troef is een grondige kennis van het gewoonterecht. En die heeft Joannes, als telg uit een familie van dorpsschepenen en -secretarissen.

Hij lijkt de succesrijkste Lampo tot dan toe. Jammer genoeg bezetten de legers van het revolutionaire Frankrijk in 1794 opnieuw, en voor lange tijd, de Oostenrijkse Nederlanden. De Fransen schaffen alle bestuurlijke en gerechtelijke instellingen van het Ancien Régime af, waaronder de Raad van Vlaanderen. Joannes raakt zijn broodwinning kwijt. Voor hem en zijn gezin wordt de ingrijpendste regimewissel van de Europese geschiedenis een persoonlijk drama.

De magere gegevens waarover ik beschik, zijn niet eenduidig. Joannes en Maria hebben twee zoons: Carolus Fidelis en Armand Jean-Marie. De eerste, mijn rechtstreekse voorvader, komt een paar sporten lager op de sociale ladder. Zijn broer, Armand Jean-Marie – is het toeval dat hij naar Franse voornamen luistert? – daarentegen, zal een adellijk huwelijk sluiten.

De kerk van Nederbrakel.

Tussendoor vermeld ik priester Constantinus Ignatius Lampo, geboren te Berchem in 1753 – een generatiegenoot (broer, neef?) van Joannes. Mijnheer pastoor heeft, paradoxaal genoeg, geen probleem met het nieuwe bewind. Hij is in 1777 tot priester gewijd, wordt in 1791 pastoor van Heldergem en in 1802 van Nederbrakel. Op 31 mei van dat jaar richt hij een brief aan de Franse overheid waarin hij zich bereid verklaart de eed af te leggen aan de Senatus Consuite (11). De verleiding is groot om daar een uiting in te zien van het protoliberalisme dat in de tweede helft van de 18de eeuw wortel in Oost-Vlaanderen.

Carolus Fidelis (°Gent, 10 oktober 1794) is gedoopt in de Sint-Baafskathedraal. Hij volgt een opleiding tot “meester-marmerhouwer” en is de eerste bij naam bekende Lampo die zijn brood verdient met het werk van zijn handen. Ik weet niet of ik een meester marmerhouwer mag beschouwen als een beeldhouwer, of als een “gewone”, goed geschoolde ambachtsman, die misschien aan het hoofd staat van een atelier. Bij nader inzien heb ik er ook het raden naar of het echt de Franse overheersing is die Carolus voor de steenhouwerij doet kiezen. Misschien is hij een vroege romanticus die gehoor geeft aan een diep verlangen om met hamer en beitel iets in steen gestalte te geven.

Wat er van zij, Carolus verlaat Gent, allicht om economische redenen, en vestigt zich in Dendermonde. Daar trouwt hij op 5 mei 1821 met de acht jaar jongere Maria Elisabeth Francisca Piron. Na een jaar schenkt zij het leven aan een zoon, Ludovicus Carolus.

De geboortedatum van Armand Jean-Marie ken ik niet. Ik heb ook geen idee waarmee hij zijn brood verdient. Renteniert hij? Duidelijk is alleen dat hij naar Brussel verhuist. Hij zal in de Finisterrekerk aan de Nieuwstraat in de echt worden verbonden met Marie-Philippine-Thérèse van der Stegen de Putte (°Brussel, 21 november 1788), tweede dochter van Joseph-François-Philippe van der Stegen, baron van Putte (Brussel, 1754-1799) en Marie-Françoise de Cannart d’Hamale (Rupelmonde, 1757-Brussel, 1810). Haar eerste man, Charles-Joseph Panqaert (°1778) is gestorven op 15 september 1816 (12).

Wapen van de familie Van der Stegen de Schrieck.

Een roturier die een douairière trouwt – het gebeurt niet alle dagen. Maar de weduwe is niet gefortuneerd: haar vader heeft zijn loopbaan beëindigd als leraar.

De familie Van der Stegen, meldt de Annuaire de la Noblesse beIge, komt uit ’s Hertogenbosch. Nicholaas van der Stegen, burgemeester van die stad, vlucht tijdens de troebelen van de 16de eeuw naar Brussel. Hij wordt er lid van de Raad van Brabant en stamvader van een succesrijke familie van juristen en officieren. Zijn kleinzoon, Jean-Adolphe, brengt het tot drossaard van Brabant. In 1698 verheft Filips IV van Spanje hem tot graaf. Uit zijn tweede huwelijk met Marie-Françoise van der Meeren is o.a. Charles-Louis geboren, de stamvader der baronnen van Putte.

Marie-Philippines vader, Joseph-François-Philippe, zetelt van 1783 tot 1793 als schepen van Brussel (13). Wanneer burgemeester De Loquenghien bij de tweede Franse inval in 1794 naar Antwerpen vlucht, volgt de baron hem op. De Fransen handhaven hem tot de oud-Vonckist Jan-Baptist Verlooy in 1795 maire wordt.

Joseph François Philippe van der Stegen de Putte.

Joseph-François-Philippe van der Stegen de Putte liefhebbert in de natuurwetenschappen. Hij zit de Société d’Histoire naturelle voor; na zijn burgemeesterschap doceert hij aan de door de Fransen opgerichte École Centrale. Onder zijn auspiciën legt men de eerste botanische tuin van de stad aan.

Marie-Philippine van der Stegen en Armand kiezen een nog landelijk, of half-landelijk, Sint-Joost-ten-Node tot woonplaats. Her place or bis?

Ik stel mij hen voor op middelbare leeftijd, in de tuin van een vrijstaande woningmet sobere, vlakke gevels – overvloedig stucwerk is nog geen mode. De tuin is verwilderd. Armand gaat gekleed in een donker pak, zoals het hoort, met een wit hemd en een ingewikkelde das. Zijn vrouw draagt een op dat ogenblik al gedemodeerde empirejurk met een hoge taille en een hoedje met linten. Minstens één avond per week speelt Armand met vrienden een niet al te moeilijk strijkkwartet van Grétry, terwijl de dames nieuws uitwisselen uit de mondaine en minder mondaine Brusselse middens.

Armands broer, Carolus, leeft in het verre, provinciale Dendermonde. Uit zijn huwelijk met Maria Piron wordt op 20 februari 1822 Ludovicus geboren. Hij wordt steenhouwer en verhuist als twintiger naar Lokeren. Daar treedt hij op 28 mei 1845 in het huwelijk met Maria Theresia Clement (Wetteren, 2 oktober 1823 – Lokeren, 6 juni 1879). Twee jaar later, op 1 juni 1847, ziet mijn overgrootvader, Theophilus Leonardus Aloysius, het levenslicht.

Grafbeeld op de begraafplaats van Lokeren. (Annemie.havermans.be).

Laten we hem Theofiel noemen. Hij is steenhouwer, zoals zijn vader. En gedraagt zich niet zoals het neefje van een freule betaamt. In 1879 bevalt zijn lief, Leontina Barbara Boliau, van een dochter, die ze Pélagie Philomena noemen. Mijn vader zal haar in Hermione betrapt opvoeren als tante Kristien en een stuk van haar biografie vertellen (14)

Pas twee jaar later – waarschijnlijk een teken van armoede – gaan Theofiel en Leontine naar het stadhuis en de kerk. Hij is vierendertig. Kort daarop nemen ze de belangrijkste beslissing van hun leven: ze zullen naar Antwerpen verhuizen, waar meer werk is. Andere Boliau’s volgen in hun voetspoor.

Mijn vader schrijft over mijn overgrootmoeder: “Zij is gestorven in 1945 in het volledige bezit van al haar geestelijke vermogens, doch uitgeput door de ouderdom. Ik weet over haar, dat zij noch lezen, noch schrijven kon, want als kind van vijf jaar (…) was zij naar één van de kantscholen bij de nonnekens gezonden, die men toenmaals in Vlaanderen oprichtte in de ijdele hoop in de vervanging van de kwijnende huisnijverheid te voorzien.” (15)

Anno 1882 zijn Theofiel en Leontine gevestigd “op” het Kiel, zoals wij zeggen. Geen dorp – een voorstedelijk overgangsgebied ten zuiden van de stad, langs de Sint- Bernardsesteenweg. Een logische keuze: aan die almaar drukkere weg ligt sinds de tijd van keizer Jozef 11 het Kielkerkhof, één van de twee grote Antwerpse begraafplaatsen.

Tegenover het kerkhof staat sinds de jaren 1860 een neogotische bakstenen kerk met een sierlijke toren – de Sint-Catharinakerk. In de omgeving wonen talrijke tuinders. Zij produceren voor de nabije stad. Henri de Braekeleer zal hun doeningen schilderen zoals alleen hij dat kan. Op de kruispunten van nauwelijks verharde straten staan geïsoleerde herbergen te wachten tot men er andere huizen tegenaan bouwt.

De Sint-Catharinakerk aan de Sint-Bernardsesteenweg.

Bouwen mag op veel plaatsen alleen in hout, om weer snel te kunnen afbreken. De fortengordel van generaal Brialmont scheidt het Kiel van Antwerpen, het “Sebastopol van het Noorden”. Wanneer vijandelijke troepen naderen, mogen er voor hen geen schuilplaatsen zijn.

Aan de ingang van het Kielkerkhof heerst overdag enige drukte. Wanneer een beroemde Antwerpenaar ten grave wordt gedragen, zoals Conscience in 1883, komt uit de stad een optocht van duizenden rouwenden met een muziekkapel en een lijkwagen, hoog opgetast met rouwkransen en getrokken door paarden met zwarte veren op hun kop.

Toch ontwikkelt de kern van Het Kiel zich enkele honderden meter verderop, langs de Abdijstraat. Vanaf 1874 trekt men straten op de gronden van het Prelaatshof, eertijds het buitenverblijf van de abten van de Sint-Michielsabdij. Wat ervan overblijft, ligt weldra verstopt achter de gevels van een school.

Mijn overgrootvader werkt in één van de ateliers bij het kerkhof waar men zerken vervaardigt. Als de nabestaanden van de overledene geld genoeg hebben, groeien de zerken uit tot pompeuze monumenten met overvloedig beeldhouwwerk – dat laatste is meer dan een gewone broodwinning; er valt eer aan te behalen.

Theofiel en Leontine zullen nog zes kinderen krijgen, van wie er twee – Florent en Maria – heel jong sterven. Mijn grootvader, die ik “Vava” noem, komt in maart 1884 ter wereld als Arthur Franciscus. Hij is de tweede zoon van het gezin, na Joannes-Baptista (januari 1882), “nonkel Jan”, die ik niet meer heb gekend.

Henri de Braekeleer, “Groentekwekerij op het Kiel”. (Antwerpen, KMSKA).

Nadat het Kielkerkhof in 1911 is opgeheven, begraaft men de Antwerpse doden op de begraafplaats Schoonselhof bij de grens van Hoboken en Wilrijk. Schoonselhof ligt een paar kilometer verderop, maar ook aan de Sint-Bernardsesteenweg. Iets minder ver, aan dezelfde straat, bevindt zich het kerkhof van Hoboken.

Nonkel Jan, steenhouwer in de vierde generatie, bekwaamt zich als leerling van de avondleergangen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Hij zal café houden aan de Hobokense Krugerstraat nr. 159, waar hij in 1912 gaat wonen.

Eer het zover is, trekt hij een laag nummer en moet naar het leger – van algemene dienstplicht is nog geen sprake. Op 24 juni 1902, vertelt zijn Livret de Mobilisation – Mobilisatiezakboekje, wordt Nonkel Jan ingelijfd bij het Deuxième régiment d’Artillerie. Hij meldt zich in het militair depot in de oude Sint-Bernardsabdij in Hemiksem. Van daar gaat het naar o.m. Tienen. Iets meer dan een jaar later, op 1 oktober 1903, krijgt mijn oudoom een bevordering tot brigadier.

Het bewuste mobilisatieboekje bevat twee bruin geworden paspoortfotootjes. Het tweede is half over het eerste geplakt. Nonkel Jan bij het begin en bij het einde van zijn dienst, vermoedelijk. Op het recentste(?) ziet men een nog jonge man met een rond gezicht en een hoog voorhoofd (in feite is hij half kaal). Zijn ogen kijken – zie ik dat echt? – ironisch, wat afstandelijk, alsof hij het intussen allemaal wel bekeken heeft, zo van “laat me gerust met jullie flauwekul”.

Een signalement-persoonsbeschrijving op de bladzijde ernaast vertelt dat deze Lampo 1 meter 67 groot was en bruine ogen en kastanjekleurige (“chatains”) haren en wenkbrauwen had. Blijkens het Tableau indiquant les mesures de l’homme pour les effets d’habillement et des bottines heeft Nonkel Jan een schedelomstrek van 59 cm. (een familietrek – mijn kop is nog drie maten dikker).

31 maart 1905 is de dag waarop “Lampo Jean-Baptiste” terug naar huis mag. De legerarts heeft “geene blijkbare kiem van besmettelijke ziekte” bij hem geconstateerd. De milicien vertrekt naar de Limburgstraat nummer 146 op het Kiel, zijn het ouderlijk huis.

Ze laten Nonkel Jan natuurlijk niet met rust. Er zijn de revues anuelles of jaarlijksche heerschouwingen, waaraan hij moet deelnemen. En dan, in 1914, jawel: pats-boem, de Grote Oorlog. Mijn oudoom vertrekt naar het front.

Van “zijn” Eerste Wereldoorlog resten ons drie brieven aan zijn neef Raoul, zoon van tante Pélagie. Ze zijn in het Frans. Hoe uitzonderlijk is dat? Is het een uiting van snobisme of van de “indoctrinatie” van de Vlamingen in het toenmalige België?

Ze bewijzen alvast dat mijn oudoom voor iemand van zijn generatie vrij lang naar school is gegaan, hoe fonetisch en zelfs fantaisistisch, zijn Franse spelling (“sependant”) soms ook is. Uit zijn brieven spreekt een vaderlijke bezorgdheid, die mij doet vermoeden dat Raoul een stuk jonger is. Hij is in ieder geval niet bij het leger. Voorts blijkt dat Nonkel Jan in de stellige overtuiging verkeert over veel levenswijsheid te beschikken.

Ik, die zijn woorden een mensenleven later lees, vraag mij af: hoor ik de man zelf of het personage dat hij denkt te moeten neerzetten omdat men zulks anno 1918 van een volwassene, tevens onderofficier, verwacht?

In de eerste brief, gedateerd “Front 31 Mars 1918” vernemen we dat het leven van een artilleriesoldaat druk is, maar oorlogsgruwelen worden ons onthouden. Meer nog, alles gaat eigenlijk heel goed. “Mon cher Raoul / Plus que probable que ça te semble dröle de ne plus avoir reçu de mes nouveIles depuis quelques jours. Je suis encor dans un état déplorable à force de travailler, car les déménagements m’ont empeché de t’écrire plus tôt.”

Mijn grootmoeder, Mamy.

“Cert mon service est très dure. Quand on le prend par cceur, rien ne peut clencher quoi qu’il arrive et par le fait même, il faut qu’à chaque moment je suis sur le qui vive, nuit et jour. Enfin je ne m’n fais pas, car tout marche pour le mieux et avec un courrage sans bornes.”

Op 27 mei volgt een preek in regel. De vader van Raoul is bij Nonkel Jan op bezoek geweest en de twee hebben het over Raouls toekomst gehad. Mijn oudoom waarschuwt Raoul tegen een baantje als arbeider (blijkbaar had hij dat aangenomen), en tegen de vrouwen:

“Gare à toi Raoul ton avenir s’annonce bien. Tu as des parents qui t’aideront de toutes leurs forces, et bien que tes études sont interrompus il y d’autres à faire à ton âge et c’est le commerce. Tu te lance dans un métier qui permettra de gagner la vie mais ne te laisse pas bercer dans ses idées. Un ouvrier quoi-que bon n’est toujours qu’un ouvrier et il y a mieux que sa. Ne te prive pas d’amusements car tu es jeu ne et faut de la distraction mais tiens toujours l’oeil sur ce qui se passe et les occasions se presenteront sans s’en apercevoir pour te lancer dans telle ou telle chose. Je te parle d’amusements Raoul mais bi en sans exagerations car on appel parfois amusements des choses absurdes, stupides qui ne font que du tort à la santé de I’homme. Je parle d’un pastemps serieuse et honnête et surtout ne ’t amuse pas trop avec les femmes car il est condamné pour la vie celui qui s’y méprend. Encor une fois ouvre l’oeil.”

Sic, sic, sic, denk ik.

Nonkel Jan, kleinburger in wording. Ik zal hem nooit ontmoeten, de man die niet verder komt dan het café in de lange, voorstedelijke straat. Hij zet – bij mijn weten althans – nooit een voet in de neogotische kerk een paar honderd meter verderop. Het zijn de klokken in die toren waar ik graag naar luister wanneer ik vijftig jaar later op de lagere school zit, in datzelfde Hoboken. Heeft Nonkel Jan het gebeier bij tijd en wijle op prijs gesteld?

De jongere broer van Nonkel Jan, mijn grootvader Arthur Franciscus, alias Vava, wordt geboren in maart 1884. Ook hij heeft iets in zich van de burgerman; hij zal het tot “chef de bureau” bij de PTT in het verre Brussel brengen.

Arthur Franciscus Lampo, alias Vava.

Vava, zo herinnert mijn nicht Francine zich, is zoveel als de “burgemeester” van zijn straat – in casu de Beerschotstraat (die, net zoals de sinds 1900 in de nabijheid gevestigde voetbalploeg, haar naam dankt aan een middeleeuws toponiem).

Naar verluidt bestaat Vava het, wanneer hij gepensioneerd is, zich te mengen in het gesprek van vrouwen die op straat staan te kletsen. Hij wil weten of ze niet naar huis moeten om soep te koken voor hun man. Legendarisch is Vava’s zijn uitspraak dat hij decennialang iedere dag de trein van en naar Brussel heeft genomen, zonder ooit de weg naar de “staminé” te vinden. Allicht is hij de ambtenaren indachtig die zelfs nog wanneer ik in Brussel studeer na kantoor pils hijsen aan de stalletjes in het hoofdstedelijk Centraal Station.

Een principieel man dus, Vava, net als zijn oudere broer. Een functionaris voor wie de Kielenaars ontzag koesteren. Een weduwnaar die zijn huis deelt met zijn schoonzuster – over haar zo dadelijk meer – en dagelijks in de late namiddag bij zijn dichtst bij wonende zoon op bezoek gaat. Een grootvader die tijd steekt in zijn wurm van een kleinzoon, uw dienaar.

Wij maken lange wandelingen. De drie- of vierjarige die ik ben, ervaart ze als epische tochten. Naar het Nachtegalenpark, bijvoorbeeld, is een eind verder dan ik gewend ben te stappen. Ik herinner mij dat Vava – die om mijnentwille tenslotte tóch de weg naar de staminee vindt – cola voor mij bestelt op het piepkleine terras van een kroegje aan de drukke Sint-Bernardsesteenweg. Het café behoort tot de sinds enkele jaren gesloopte rij lage huisjes aan de oostkant van de weg, tussen de Abdijstraat en de De Bosschaertstraat, tegenover de oude schietbaan van de Burgerwacht, nog altijd bekend als “Tir”. De markies die het terras van het café tegen regen en al te felle zonneschijn beschermt, is donkerblauw.

Tochten per tram vinden plaats “naar de boten” aan het Noorder- of het Zuiderterras. En er is één, lang op voorhand aangekondigde, expeditie naar Petroleum Zuid: de oudste olieinstallaties van de Antwerpse haven. Wij zien die vanuit het raam op onze twaalfde verdieping, maar blijkbaar heb ik de wens geuit ze van nabij te gaan bekijken (ik heb nog steeds een zwak voor industriële landschappen; de Rupelstreek doet mij meer dan de Kalmthoutse Hei). Het bezinksel dat de onderneming in mijn geheugen afzet, kleurt een hoofdstuk van mijn debuut In altijd Lege Kamers (16).

Geboortehuis van Hubert Lampo aan de Beerschotstraat.

Vava, die sterft wanneer ik zeven ben en die ik nooit heb gekend zoals volwassenen, hoe groot ook het leeftijdsverschil, elkaar kennen, is natuurlijk vaker en sterker aanwezig in de romans van mijn vader. Toch vindt men daar van hem geen portret “naar het leven”, geen anecdotes, geen literaire lichtdrukmalen. De herinnering aan hem klinkt door, niet meer maar ook niet minder, in de bedaarde, sterke en bijwijlen heldhaftige vaders in Hermione betrapt, Zeg maar Judith en De Elfenkoningin. Soms is die vaderfiguur een raadsel – omdat de vader afwezig is (Terugkeer naar Atlantis) of het voorwerp uitmaakt van een mysterie (Zeg maar Judith, De Elfenkoningin). Met Paul Van Aken meen ik alvast dat “wie wil weten wat Lampo’s vader voor de jongen betekende” de bladzijden over zijn dood in Zeg maar Judith moet lezen (17).

Vava’s vrouw, mijn grootmoeder Françoise Van de Velde, wordt “Mamy” genoemd, met een korte” a” en de nadruk op de “y”. Geen Frans dus, maar wel uitgesproken zoals wij, Antwerpenaars, Franse woorden uitspreken. Zij sterft vóór mijn eerste erjaardag. Mijn vader schrijft weinig over haar. Er zijn emoties die een oeuvre vullen of waarover, een oeuvre ten spijt, niet veel gezegd wordt. De weinige foto’s van Mamy tonen een vrouw met een breed gezicht en een dichte, wat wilde haardos. Over haar achtergrond noteert Lampo senior het volgende:

“Mijn grootouders langs moederzijde (…) komen tegemoet aan die eigenaardige trek uit mijn psychologische ordonnantie door een vlijtig bestaan op de Muzikanten familie… limiet van arbeidende stand en kleine burgerij, van fantasieloze loonslavernij en artistieke droom met al de hieraan verbonden risico’s.”

“Mijn grootvader, Hubert Vandevelde, Antwerpen, 1855, stamde uit een muzikantenfamilie. Zijn vader, violist, fungeerde als dirigent in het Antwerpse Théâtre des Variétés aan de huidige Maarschalk Gérardstraat achter Sint-Joriskerk, dat ten tijde van Victor Driessens een rol vervuld heeft in de wordingsgeschiedenis van de Nederlandsche Schouwburg, zo ik mij niet vergis, terwijl zijn moeder harpiste was. Hij zelf speelde bas- en altviool. (…) Van deze grootvader, wiens voornaam ik erfde, alsook een zekere timiditeit (…) weet ik weinig af: hij overleed in 1918, na zijn drie kinderen in leven een behoorlijke opvoeding gegeven te hebben.”

Overgrootvader Hubert Vande Velde (achteraan rechts, met contrabas).

“Zijn oudste dochter, die mijn moeder werd, stuurde hij naar de Rijksnormaalschool te Brugge, waar zich onder de leerlingen ook een jonge Gentse bevond, – magisch- realistische coïncidentie? – , wier zoon later in de literatuur … Johan Daisne zou heten.” (18)

Mamy zal les geven aan de stedelijke lagere school voor meisjes aan de Pierenbergstraat, een zijstraat van de Abdijstraat. In een beschrijving van Het Kiel, waar hij een stuk van zijn jeugd doorbrengt, schrijft de romancier Lode Zielens in 1929 (hij is dan nog enigszins schatplichtig aan het expressionistische proza):

“De scholen zijn als alle scholen van de stad: koer en klassen en een weerbarstige schooljeugd. De Kielsche scholen echter hebben een patriotiek verleden. Toen de oorloog losbarstte over deze gewesten werden zij het verzamelpunt van ten vijand trekkende regimenten: Engelsche en Belgische. Met schallende klaroenen, neuriënde doedelzakken gingen zij er op af. (…) In den nevel van het middernachtelijk uur echter moesten de Entente-manschappen haastig en zwijgend den aftocht komen verbergen op het stroo in de klassen, om bij ’t blozen van den herfstochtend over de grijze Schelde de Vlaandersche vlakten te bestappen – naar den Ijzer en Holland toe. In 1917 zouden deze scholen hun poorten openen voor de opgejaagde vrouwen en kinderen van St. Quentin en aanpalende dorpen. (…) In 1920 boden zij dan weer Olympische gastvrijheid. Noorsche, Zweedsche en Egyptische athleten sloegen binnen deze muren hun tentje op … ” (19)

Lode Zielens, schrijver van o.m. “Moeder, waarom leven wij?”.

Zijn de muzikale Van de Veldes, eerder dan de al met al prozaïsche Lampo’s. onrechtstreeks voor ons geschrijf verantwoordelijk? Ik durf me daar niet over uit te spreken. (Het weze intussen gezegd dat mijn vader in zijn jeugd over een mooie bariton beschikt en zangles krijgt van zijn tante,Constance Van de Velde, zuster van mijn grootmoeder.)

‘Tatane”, zoals zij in de familie heet (de tweede “a” is kort) maakt een voortijdig einde aan haar operacarrière. Zij doet dat door de directeur van de Koninklijke Vlaamse

Opera, die zich vrijpostigheden met haar meent te kunnen permitteren, op zijn gezicht te slaan. Sommigen nemen zelfs vandaag een vrouw zulke dingen nog kwalijk. Een poging om alsnog als sopraan aan de bak te komen in de opera van het verre, Zuid-Franse Orange, mislukt. Het desbetreffende operahuis brandt tot op de grond af.

"Tatane" op de Bühne.

Ik vraag mij af waarom Tatane elders niet opnieuw probeert. Ze doet dat niet, al houdt iedere zichzelf respecterende provinciestad er in die dagen een operatheater op na. Misschien is zij één van de mensen die zich verlustigen in eigen tegenslag omdat ze nu eenmaal niet over het vermogen beschikken zich er overheen te zetten. Het trekje is mij niet onbekend – al kan het in mijn geval ook van elders komen.

Mijn grootouders behoren tot de lagere middenklasse, de petite bourgeoisie, en bijgevolg tot de “beter gesitueerden” van het Kiel. Ze wonen in hun eigen huis, dat zich halverwege de Abdijstraat en het Beerschotstadion bevindt.

Zielens karakteriseert de buurt van arbeiders en kleinburgers als volgt:

“De Abdijstraat is de Kielsche De Keyserlei. Ieder komt er minstens tweemaal daags. Bij de vrouwen heet het inkoopen doen. Zij gonst, deze straat. Er is de schooljeugd, er zijn de tramstappende mannen en meisjes, er zijn de winkelende dames en ’s zondags de loopende supporters. ’s Avonds ontpluiken de etalages hun lichten en tokkelen de elektrische piano’s. Er is een fanfare die repeteert: boum-boum-sjing! De dirigent in hemdsmouwen en pijp heeft breede gebaren, – wijl de trombonist naar boven sluipt in de kamer der waardin, – welke echter van zijn liefde niet weten wil. Midden in den nacht zal hij onder haar venster amoureus het Sterrenlied uit Tannhäuser aanheffen, solo voor trombon.”

Affiche voor de Olympische spelen van 1920.

“Ondanks haar bedrijvigheid is de Abdijstraat bij avond rustig en intiem. Ge zijt er als thuis … Aan haren boezem eindigen of beginnen vele straten hun tocht. Daar huist het brave, goedlachse, ietwat gaarne kwaadsprekend volk. Dat daarnij de gave heeft van den spot, – of van de ondankbaarheid! Een zoon zal zich hier geïnspireerd voelen een blijspel te schrijven op zijn persoonlijken vader en het publiekelijk te vertoonen met hemzelf in de hoofdrol … En in de nog kleinere straten hokt dat kloeke proletariërs ras, dat veel zwoegt en hier zoo ver is van alle werkgelegenheid. Als overal zijn de arbeiders hier duivenmelkers. Hun kwaadste konkurrenten zijn de mannen van Borgerhout…” (20)

Een zeldzame passage over Het Kiel komt voor in mijn vaders roman De Komst van Joachim Stiller.

“Het was een rustige, naar het provinciale zwemende avond met weinig verkeer, maar veel mensen op de stoepen in de volksbuurten, zoals de avonden uit mijn kindertijd zijn geweest, mysterieus en weemoedig, met gezang van spelende meisjes, in de schaduw van de deuropening de gedempte stemmen van de volwassenen of soms in de verte het geschetter van een uitrukkende fanfare.” (21)

Mijn oom Tix, die postuum aan het begin van dit verhaal staat, wordt nog vóór de Eerste Wereldoorlog geboren. Vava en Mamy zullen hem naar het Atheneum laten gaan, maar hogere studies zitten er uiteindelijk niet in. Een loopbaan als marconist aan boord van een vrachtschip eindigt sneller dan ze begonnen is (naar verluidt steekt Vava in eigen persoon de grote plas over om zijn zoon, die de kluts kwijt is van heimwee, terug te halen uit New Vork). Hoe dan ook, het feit dat mijn vader naar de Normaalschool wordt gestuurd, is van dit alles het gevolg.

De Stedelijke Normaalschool is dichtbij en bijgevolg “zichtbaarder” dan universiteiten die op dat moment alleen in andere steden bestaan. Daarom is ze in de ogen van vele Antwerpenaren ook prestigieuzer. En vooral: ze is veiliger – wie er afstudeert, krijgt een diploma dat naar een vaste en behoorlijk betaalde betrekking in het Stedelijk Onderwijs leidt. Maar ik loop op de feiten vooruit.

Zielens: “Februari 1919. De Wereldoorlog is nauwelijks drie maanden voorbij. De jeugd van Europa (…) wordt door het Olympisch Comité aangespoord om nu op sportief vlak de krachten te meten.”

De Olympische spelen van 1920.

De jeugd van de overwinnaars alléén evenwel, want de verslagen continentalen worden geweerd. Dit comité, in vergadering te Lausanne, aanvaardt de kandidatuur van Antwerpen als organisator van de 7e Olympische Spelen. Voorwaarde: zij moeten één jaar na de keuze plaatsvinden! Antwerpen volbrengt dit huzarenstuk (…) en organiseert in augustus en september van 1920 (…) de spelen. Kunst- en vliegwerk natuurlijk, maar op sportief gebied een onbetwistbaar succes. Vlijtige Antwerpse dames borduren de reusachtige vijfringenvlag, die nog steeds bij alle Olympische openingsplechtigheden ontvouwd wordt.”

“Het toneel: het voor de gelegenheid Olympisch opgesmukte Beerschotstadion waar onze eigen atleten alleen in de discipline voetbal succes zullen boeken.” (22)

Mijn vader in 1921.

De ironie van het lot wil dat mijn vader die zich tot van alles zal ontpoppen, behalve tot sportliefhebber (laat staan tot -beoefenaar) geboren kort voordat het huis davert door het gejuich van de menigte in het Beerschotstadion. We schrijven 1 september 1920. Daarmee betreden we echter het domein van de biografie en daaraan wil ik mij op een beknopte bijdrage na, elders in dit boek – niet wagen. De biografie moet zo wetenschappelijk, en dus zo objectief mogelijk zijn. Ik heb al genoeg gezondigd door mij zo lang en zo ver op het pad van de familiegeschiedenis te wagen.

Voetnoten

(1) Rijksarchief te Ronse. Overzicht van de Fondsen en Verzamelingen, Brussel, 1974, p. 320.

(2) GOETHALS, F.V. Dictionnaire généalogique et héraldique des Families nobles du royaume de Belgique. Deel IV. Bruxelles, 1852, blz. 432.

(3) De verdienste van de genealogische opzoekingen aan de basis van deze bijdrage komt derhalve toe aan de heer G. Sehmke.

(4) De Standaard van vrijdag 24, zaterdag 25 en zondag 26 december 1993, blz. 22.

(5) DE BRABANDERE, Verklarend Woordenboek van de Familienamen in België en Noord-Frankrijk. L-Z., s.l.n.d. (Brussel, Gemeentekrediet van België, 199?, blz. 830).

(6) Die uitleg is te vinden in elk willekeurig Italiaanse woordenboek.

(7) KEYZER, DE, B, De lange weg naar Kluisbergen. Bijdrage tot de historie van Kluisbergen: Berchem, Ruien, Kwaremont, Zulzeke, s.d. (Kluisbergen), deel I, 1978, blz. 25.

(8) ld., op. cit., blz. 169.

(9) ld., op. cit., blz. 219.

(10) ld., De lange weg naar Kluisbergen, deel II, blz. 713.

(11) ld., op. cit., blz. 534.

(12) Goethals, F.V., Dictionnaire généalogique et héraldique des Families nobles du Royaume de Belgique, deel IV, Brussel, 1852, blz. 430-432.

(13) ld., op. cit., blz. 432

(14) LAMPO, H., Hermione Betrapt, Amsterdam, Meulenhoff, lOde druk, 1977, blz. 31-33.

(15) LAMPO, H., Genealogie voor Leentje, in Familiealbum. Vlaamse auteurs schrijven over hun voorouders, Antwerpen, Uitgeverij Ontwikkeling, 1955, blz. 54.

(16) LAMPO, J., In Altijd Lege Kamers, Leuven, Kritak, 1985, herwerkte versie in Blauwe Duivels en enige andere Verhalen, Leuven, Davidsfonds, 2000.

(17) AKEN, P. VAN, Hubert Lampo. 10 Facetten, Antwerpen, Humanistisch Vrijzinnig Centrum voor Lectuurbegeleiding, 1994.

(18) LAMPO, H. Genealogie voor Leentje, in Familiealbum. Vlaamse auteurs schrijven over hun voorouders, Antwerpen, Uitgeverij Ontwikkeling, 1955, blz. 55.

(19) ZIELENS, L., T Kiel in Weerspiegeld Antwerpen. Hoe ’t vroeger was: onze schrijvers over hun stad. Antwerpen, De Sikkel, 1929, blz. 321-322.

(20) ID., op. cit., blz. 322.

(21) LAMPO, H., De Komst van Joachim Stiller, Amsterdam, Meulenhoff, 32ste druk, 1985, blz. 43.

(22) VAN CAUWENBERGH, G., Gids voor Antwerpen. Tussen Leien en Singel, Antwerpen, Hadewych, s.d. (1988), blz. 221.

Verschenen in Jaarboek 2006 van het Hubert Lampo Genootschap, 2007

Advertisements

Literatuur – “Neen, Lampo wijst ons niet naar het Oosten” – De receptie van het vroege werk van Hubert Lampo in de pers van bezet België (1943-1944)

Hubert Lampo toen hij “Don Juan” schreef

Op 5 oktober 1943 verscheen in het dagblad De Gazet het artikel Het Herfstprogramma van ‘A. Manteau N.V.’ te Brussel. Het is niet vreemd dat het dagblad Angèle Manteau ten tonele voerde. De uitgeverij Manteau gaf weliswaar “linkse” auteurs uit, maar ook schrijvers als Valère Depauw en de “opportunisten” Walschap en Roelants. Bovendien bracht het bedrijf af en toe een herdruk van bijv. Filip de Pillecyn.

Wie over boeken wilde berichten, kon niet om Angèle Manteau heen. Dank zij de ontmanteling van het uitgeverswezen in Nederland had zij de rechten verkregen op titels uit het fonds van Nijgh en Van Ditmar, waaronder boeken van Walschap. Daar komt bij dat de leeshonger tijdens de bezettingsjaren groot was. De oplagen van populaire schrijvers als Walschap, Maurice Roelants en Valère Depauw namen sterk toe. Herdrukken gingen bliksemsnel de deur uit. Dit alles verplichtte de uitgeefster zelfs tot de aankoop van papier op de zwarte markt. Pogingen van de Duitse Propaganda Abteilung om de oplagen te bepalen en zo invloed uit te oefenen op de literaire markt mislukten – deels omdat Manteau ze omzeilde, deels omdat de bezetter niet erg hard probeerde. Hierdoor groeide 1942 voor de firma uit tot een recordjaar.

De uitgeverij kon veelbelovende debuten brengen, zoals in 1943 De voorstad groeit, het debuut van Louis-Paul Boon, en de novelle Don Juan en de laatste Nimf van Hubert Lampo. In het interview met De Gazet vermeldde Angèle Manteau beide boeken en kondigde meteen de verschijning aan van Lampo’s essay De Jeugd als Inspiratiebron in de Basisreeks van haar uitgeverij.

Anders dan in Nederland

Dat schrijvers die niets met de Nieuwe Orde te maken hadden in bezet België ongehinderd werk konden laten verschijnen, was te danken aan het feit dat de Duitsers voor boeken geen preventieve censuur instelden; ze legden auteurs ook geen speciale voorwaarden op om te mogen publiceren. Wat de bezetter vooral interesseerde, was de centralisatie van de culturele instellingen en de uitbreiding van zijn contacten met Duitsland. Daar komt bij dat de Militärverwaltung de Duitse bemoeienissen discreet wilde houden; ze rekende op collaborateurs om alles in goede banen te leiden.

(Anders dan Nederland, kende België geen Cultuurkamer. De Duitsers zagen in dat hun politiek in Nederland niet vlot van stapel liep. Bovendien wilden zij rekening houden met bepaalde gevoeligheden in Wallonië.)

Angèle Manteau

De Vlaamse Cultuurraad, die al voor de oorlog bestond, moest voortaan het culturele leven coördineren en de culturele betrekkingen met het Derde Rijk bevorderen. Bij zijn aanstelling in 1940 – tot de leden behoorden o.a. De Pillecyn en de historicus Van Roosbroeck – liet de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen bij monde van Maurice Roelants instemmende geluiden horen, maar uiteindelijk profileerde de Vereniging zich niet als pro-Duits.

Omdat nationale vergaderingen onmogelijk waren, splitste de VVL zichzelf op in gewestelijke Kamers. In Antwerpen waren er tot 1942 geregeld vergaderingen. Daarna vielen de werkzaamheden zo goed als stil. De VVL bleef ook losstaan van de Kamer voor Letterkundigen van het Kunstenaarsgilde. Dat laatste werd eveneens opgericht in 1940. Vele kunstenaars maakten er deel van uit, hoewel van bij het begin duidelijk was dat joden en vrijmetselaars niet mochten toetreden. Eén der actiefste bestuursleden was, alweer, De Pillecyn. De kamer voor letterkundigen werd voorgezeten door Walschap.

Het gilde leunde aan bij de Nieuwe Orde, maar niemand werd verplicht om er lid van te zijn. Veel politieke invloed oefende het niet uit. In de praktijk fungeerde het vooral als een beroepsvereniging die materiële steun verleende aan hulpbehoevende leden. Vanaf 1943 namen invloed en ledenaantal van het gilde trouwens sterk af.

Kris Humbeeck

De studie van het literaire gebeuren tijdens de bezetting staat nog in haar kinderschoenen. Maar daar komt stilaan verandering in, o.m. door werken als Het cultureel leven tijdens de bezetting van Herman Van de Vijver, dat verscheen als achtste deel in de reeks België in de Tweede Wereldoorlog bij de gelijknamige reeks BRT-televisiedocumentaires.

Belangrijker nog lijkt mij de bundel essays Leurs Occupations. L’impact de la Seconde Guerre mondiale dur la littérature en Belgique. Het gaat om de neerslag van de werkzaamheden van de afdeling Literatuur van het Colloquium Société, culture et mentalités. L’impact de la Seconde Guerre mondiale en Belgique. Dit colloquium werd in 1995 georganiseerd door het Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. De bundel bevat essentiële teksten, zoals die van Kris Humbeeck over de receptie van het vroege werk van Louis-Paul Boon, een opstel van Ernst Bruinsma over Jeanne De Bruyn, één van Elke Brems over de literaire kritiek in Volk en Staat, enz.

Kris Humbeeck 

De huidige stand van het onderzoek wekt de indruk dat vooral critici de Duitsers en het nazisme een warm hart toedroegen. Karel Vertommen, Ferdinand Vercnocke, Karel Horemans en Jan Demets constateerden immers bitter dat zelfs auteurs die bereid waren lippendienst te bewijzen aan de bezetter in de ban bleven van een “liberalistisch estheticisme” en de betekenis van hun tijd niet bevroedden. De jongeren, schreef Jan Demets in DeVlag, “…draaien vrijwel zonder uitzondering rond het kleine ik, van hersencel en geslachtsklier, welke laatste zij dan meestal hart noemen”.

Don Juan en de laatste nimf

De oudste recensie van Don Juan en de laatste nimf die ik aantrof, dateert van 4 juli 1943. Ze verscheen in Vooruit. Onderaan prijken de initialen “B.E.”. (1)

Het Gentse socialistische dagblad Vooruit was na de Duitse inval opgehouden met verschijnen, maar werd door de bezetter “gestolen”. Vanaf eind januari 1941 verscheen het opnieuw onder leiding van een Duitse Verwalter.

Het artikeltje van B.E. is een overwegend lovende kritiek, waarin sprake is van “merkwaardig suggestief proza (…) dat bovendien zuiver mag worden genoemd”. De grootste verdienste van de novelle bestaat er volgens B.E. in “dat de auteur voor het eerst misschien in onze Vlaamsche letterkunde er in gelukken mocht de Don Juan-figuur smartelijk en echt te doen leven.” Ideologische overwegingen komen in de tekst niet voor.

De tweede bespreking van de novelle staat te lezen in het nummer van 9 juli 1943 van het Franstalige culturele tijdschrift Comoedia. Ze is van de hand van J.-Henry Dannis (over wie ik verder geen informatie vond). Dannis is het eens met de B.E. van Vooruit in die zin dat het Don Juan-thema “a été repris souvent déjà, mais Lampo est parvenu à se l’assimiler, à en faire quelque chose de personnel.” Verder zegt hij: “Curieuse est l’atmosphère presque platonicienne de laquelle Lampo entoure son héros. (…) D’un bout à l’autre de ce livre, nous retrouvons cette atmosphère curieuse, mais qui donne à ce récit un cachet tellement aristocratique, que nous ne pouvons qu’en être émerveillés.”

Drie dagen later, op 12 juli 1943, publiceerde Herman Oosterwijk in de krant Het Vlaamsche Land een bespreking van drie debuten, waaronder Don Juan. Het gaat, wat die novelle betreft, om een bitterzoete recensie die oog heeft voor de stilistische kwaliteiten, maar ook voor een afkeurenswaardige inhoud.

Het Vlaamsche Land werd opgericht door de Politische Abteilung ter vervanging van Gazet van Antwerpen. Het ging om een populaire, katholieke krant, die zich vooral tot niet-collaborateurs richtte. Vanaf 1941 was de nieuweling Herman Oosterwijk (1902-1960) – hij maakte vooraf geen deel uit van de redactie van Gazet van Antwerpen – hoofdredacteur.

De Nederlander Oosterwijk was voordien o.m. directeur van de Nederlandsche Boekhandel te Antwerpen. Daarna stichtte hij het boekbedrijf Het Getij, dat o.m. de uitgaven van Nijgh en Van Ditmar in België verspreidde. Na de oorlog werkte hij vanuit Nederland onder het pseudoniem J. Roeland Vermeer als recensent voor De Standaard.

Oosterwijk maakte bezwaar tegen de “min of meer zwoele verbeelding” van de auteur van Don Juan, in zijn ogen een “moderne heiden” die “para-philosophische verzuchtingen” in zijn verhaal verwerkte en geneigd was “meer krediet te geven aan de Grieksche levensgenieters dan aan de ontwerpers eener zelfs geniale theodicee.”

Alsof dat allemaal niet erg genoeg was, is er de passage waarin de kasteelvrouw zich overgeeft aan Don Juan. Hier, zegt Oosterwijk, ontaardt het verhaal in “het puerielste simplisme”. Of nog: “Tot nu toe was het (…) nogal geloofwaardig, hier echter komt ons gezond verstand in opstand: neen, dit heeft de gravin niet gezegd!” En: “Ik vraag mij of of al het voorgaande een vernuftige vervalsching is, dat Lampo zijn ‘nymf’ als zulks een jammerlijke deerne, die slechts banaliteiten stamelt, durft voorstellen.”

Ideologische bezwaren

Met Herman Oosterwijk belanden wij dus wel degelijk bij een recensent met ideologische bezwaren. Hij is tegen zwoelheid, “parafilosofie”, “libertinisme” – ook dat woord valt – en kasteelvrouwen die zich als “deernen” gedragen (al is dat laatste natuurlijk zijn interpretatie van de betreffende passus). Met andere woorden: de recensent stelt impliciet dat wie een boek schrijft dat niet strookt met zijn zedelijke opvattingen, automatisch een slecht, “niet-geslaagd” boek schrijft. (Ik signaleer dit omdat recensenten nog altijd de denkfout maken die erin bestaat dat hun ergernis over de inhoud van een tekst meteen het bewijs vormt van het gebrek aan intrinsieke literaire kwaliteit van die tekst.)

Is Oosterwijks kritiek geïnspireerd door Nieuwe Orde-denkbeelden? Zij hoort thuis in een behoudsgezind en intolerant katholiek discours dat zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog gevoerd werd – zoveel is duidelijk. Ik denk dat men hiervan mag stellen dat het zich tijdens de bezetting probleemloos inpaste in dat van de nazi’s.

Urbain Van de Voorde

Dat het kritische discours in de oorlogsjaren niet altijd “nieuw” was, blijkt ook uit het lange artikel dat “U.v.d.V.” – het gaat zonder enige twijfel om Urbain van de Voorde (1893-1966) – op 4 september 1943 liet verschijnen in Laagland.

Laagland was een cultureel tijdschrift dat vooral op zijn frontapagina “radicale” artikels publiceerde, schrijft Herman Van de Vijver. Tot de medewerkers behoorden o.a. Herman Van Puymbrouck, Bert Ranke, Van de Voorde, Paul de Vree en Willy Vaerewijck. Laagland was de opvolger van het in 1939 door Rob Van Roosbroeck gestichte De Week en leunde aan bij de DeVlag.

Urbain Van de Voorde – Jeanne de Bruyn

Urbain Van de Voorde (1893-1966) had een activistisch verleden. Hij was dichter en werkte voor de oorlog als criticus mee aan o.m. De Nieuwe Rotterdamsche Courant. Tijdens de bezetting was hij vast medewerker aan Westland en publiceerde ook geregeld in DeVlag. Na de Bevrijding kreeg hij de bons als ambtenaar bij het Ministerie van Kunsten en Wetenschappen. Van 1947 tot 1952 was hij rubriekleider Kunsten en Letteren bij De Standaard. Hij bleef tot aan zijn dood meewerken aan die krant.

Van de Voorde was zonder meer opgetogen over Don Juan en de laatste nimf – meer dan opgetogen. Zijn lof sloeg vooral de vorm van de novelle. “In Lampo’s taal is er een rhytme, bewogenheid, beeldrijke evocatiekracht, geest en leven. (…) Lampo richt zich hier dadelijk op als een prozaïst van formaat, te meer daar alle opzettelijkheid of gewilde mooidoenerij in zijn stijl afwezig is.” Gaandeweg wordt duidelijk dat Van de Voorde ook tevreden is over Lampo “als verteller” en over de inhoud van het verhaal. Wat vooral opvalt, is dat hij het volstrekt eens is met de manier waarop de auteur de tragiek van zijn Don Juan-figuur heeft uitgewerkt.

Van de Voorde spreekt van de “subtiel geestelijke doordringing van het onderwerp” en van “verfijnde gevoelsnuanceeringen”. Voorts lezen we: “Zóó heeft Lampo de feitelijke tragiek der Don Juan-figuur scherp gevoeld en ook voortreffelijk uitgebeeld, en aldus onze letteren met een uitmuntende novelle verrijkt.”

Filip de Pillecyn

“Had de Pillecijn niet geschreven, Hubert Lampo zou zijn Don Juan en de laatste Nymf (…) wellicht niet, en heel zeker niet zóó geschreven hebben. Het boek druipt letterlijk van de Pillecijnsche reminiscenties.” Dat schreef Jeanne De Bruyn op 5 september 1943 in Volk en Staat. (Meteen kennen we de oorsprong van het taaie denkbeeld als was de jonge schrijver beïnvloed door de stijl van De Pillecyn – decennia later dook het nog op.)

Volk en Staat was een uitgesproken Vlaams-nationalistische en weldra Duitsgezinde krant, in 1936 opgericht als voortzetting van De Schelde. Het dagblad groeide uit tot partijorgaan van het VNV en ontving subsidies van het Duitse Propagandiministerium. Na een korte onderbreking in het begin van de oorlog verscheen Volk en Staat opnieuw vanaf 12 juni 1940. De krant werd voortaan gedrukt op de in beslag genomen persen van Volksgazet. Ze stond o.l.v. Jan Brans en nadien van het duo Antoon Mermans en Jan Brans. Volk en Staat bleef een VNV-koers varen, tegen DeVlag in. Toen Brans in 1944 naar Spanje vluchtte, nam Jeanne De Bruyn zijn plaats in.

Voor een profiel van Jeanne De Bruyn (1902-1975) verwijs ik naar het opstel van Ernst Bruinsma in Leurs Occupations. Reeds voor de oorlog stond De Bruyns literatuuropvatting in het teken van katholicisme en nationalisme. Tijdens de bezetting beschuldigde ze jonge Vlaamse schrijvers vaak van epigonisme omdat ze werkten in een traditie die geen aansluiting vond bij het “volk”. Later zette ze zich af tegen “steedse” en “decadente” literatuur en ongeremd “individualisme”. De Bruyn bepaalde mee het culturele klimaat in Vlaanderen voor en tijdens de bezetting en ontpopte zich tot een echte Nieuwe Orde-figuur. Bruinsma wijst op haar fanatieke persoonlijkheid, haar intolerantie en de “hysterische” toon van haar journalistiek werk.

Voorpagina van “Volk en Staat”

Twee van De Bruyns artikels bleven berucht. In het laatste nummer van Volk en Staat (3-4 september 1944 – Antwerpen werd op 4 september bevrijd) verscheen onder de titel Dietschland hou-zee! een editoriaal. Daarin maakte De Bruyn zich bij voorbaat druk over de repressie. En dan is er haar beruchte recensie van Louis-Paul Boons roman Abel Gholaerts. Daarin zegt De Bruyn dat auteurs als Boon best een poosje in een strafkamp konden verblijven.

Het zal niemand verbazen dat Jeanne De Bruyn weinig opgetogen was over Don Juan. Wat mij wél verwondert, is dat ze maar enkele ideologische argumenten gebruikt om haar afkeuring te staven. het levensgevoel van de hoofdpersoon en wat de vertellende instantie daarover loslaat “imponeert mij niet erg”, schreef De Bruyn “(…) omdat ze mij (…) tamelijk afgezaagd lijkt (welke moderne Franschman heeft niet (…) het thema van de erotiek en haar metafysische achtergronden behandeld?)”. Voorts meende ze dat Don Juan bij Lampo, “zooals in elke moderne bewerking, dekadente trekken gekregen”.

Het is zeker dat Jeanne De Bruyn, net zoals een aantal van haar collega’s, heel goed aanvoelde dat het personage Don Juan en zijn innerlijke beleving mijlenver af stonden van het mensbeeld dat zij propageerde. Vreemd genoeg geeft De Bruyn vooral gestalte aan haar ergernis door de debutant Lampo uit te spelen als epigoon van de gearriveerde, katholieke en bovendien ideologisch in haar vaarwater passende De Pillecijn. Dat is, voorzover De Pillecyn een ervaren en “gevestigde” schrijver was, intellectueel bedenkelijk, maar effectief. Het gebeurt nog dat recensenten auteurs op die manier “vergelijken”.

De vraag blijft alleen – en ik beken meteen dat ik er geen antwoord op heb – waarom De Bruyn niet uitpakte met andere, meer ideologische of, zo men wil, politieke argumenten.

Schizofreen

Op 2 september 1943, enkele dagen voordien, was in Het Laatste Nieuws een recensie van Don Juan verschenen, ondertekend door “Joh. S.”. Joh. S., zo vertelden mij Johan Van Hecke van het AMVC-Letterenhuis en Gaston Durnez, was Johan Sacré, echtgenoot van de dichteres Blanka Gijselen.

De liberale krant Het Laatste Nieuws bleef in de oorlog verschijnen onder Duitse censuur. De eigenaar en de hoofdredacteur verbleven in het buitenland. De samenstelling van de redactie bleef zo goed als ongewijzigd.

Johan Sacré behandelt in zijn recensie het “spel” Don Juan van Herwig Hensen en de novelle Don Juan en de laatste nimf. Deze laatste, zo verzekert hij ons, bevat “een défilé van naakte vrouwen”. Toch komen er “ontegenzeglijk zeer goede bladzijden” in voor. Alleen, de “plastischen, beeldrijken” stijl van de schrijver “steekt (…) zoo vol geraffineerde truks, dat hij werkelijk dekadent aandoet.” Een en ander noopt de recensent tot de conclusie: “Dit is een boek als een Sirene: men laat er zich eerst door vangen. De ontnuchtering komt bij nadere kennismaking.”

Herwig Hensen

Zulke schizofrene berichtgeving was niet uniek. Emile Buysse vertelde de luisteraars van Zender Brussel op 10 september 1943 tot besluit van zijn bespreking:

“Er blijft een wonder lied in ons nazingen (…) wanneer wij dit sterk zinnelijk-gekleurde verhaal neerleggen. Het is zoo sterk en suggestief, en daarbij zoo sober en goed geschreven, dat wij het een superieur stuk werk zouden willen noemen, ware het niet…” – en nu komt het – “…dat wij, bij het herlezen van enkele passages beseften, dat dit proza, ondanks de kwaliteiten, zich toch op den rand van de decadentie beweegt, een gecamoufleerde decadentie, die spoedig een ontnuchtering brengt na het aanvankelijk gevangen-zijn in de weelderige zinnelijkheid der stof. Dat neemt niet weg, dat het een stuk werk is van waarde, met prachtige fragmenten, die ongetwijfeld behooren tot het beste dat in den laatsten tijd verscheen in Vlaanderen.”

De anonieme recensent van het tijdschrift Volk en Kultuur (16 oktober 1943) wond er geen doekjes om.

Volk en Kultuur was het orgaan van de “werkgemeenschap” Volk en Kunst, die door de Vlaamse Cultuurraad was erkend als overkoepelend organisme voor de cultuurspreiding in Vlaanderen. Tot de redactie behoorden o.a. De Pillecyn, Jef Van de Wiele en de historicus Theo Luyckx. In de bijdrage van Marnix Beyen in de Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging lezen we:

“In wezen was de romantisch-flamingantische traditie nog sterk (…). Ook een traditioneel katholiek discours kwam, zij het in minder mate, aan bod. Toch bleef het blad niet vrij van collaborationistische tendenzen. De frequente beklemtoning van de mogelijkheden die de nieuwe situatie bood en het uitgesproken anti-modernisme (dat zich soms in een anticommunistischre of antisemitische gedaante manifesteerde) maakten het vatbaar voor Nieuwe-Orde-invloeden.”

Geen doekjes, dus.

“Semi-Aziatische apathie”

Het artikel begint met de volgende constatering: “Even vreemd aan ons wezen als de semi-Aziatische apathie der figuren uit ‘De voorstad groeit’ is de Zuidersche, geraffineerde zinnelijkheid, welke de novelle van Hubert Lampo: ‘Don Juan en de laatste Nymf’ doorsijpelt. Voor licht ontvlambare gemoederen is deze novelle evenals de lijvige roman van Paul-Louis Boon (sic) geen aanbevelenswaardige lectuur.”

De recensie van Jan Demets verscheen in De Gazet van 4 november 1943. Demets, die we daarstraks hoorden klagen over het gebrek aan enthousiasme voor de Nieuwe Orde van de Vlaamse schrijvers, was – ik citeer de Franse versie van het artikel van Kris Humbeeck over Boon – “un des critiques les plus engagés sous l’Occupation” en een “antisémite rabique” die “dans les organes du DeVlag, se faisaitt le défenseur d’un art vraiment révolutionnaire”.

“Laten wij terloops, doch daarom niet minder nadrukkelijk,” schrijft Demets, “het gebrek aan volksch bewustzijn onderstrepen, waarmee Lampo zijn Vlaamsche Vrouwe in de armen van den Spaanschen ridder drijft, om daarna even nadrukkelijk te wijzen op den zacht-droomenden toon, den fijn-geciseleerden vorm van dit wél-geschreven verhaal. (…) Daarom, al moeten we Lampo’s boek afwijzen, aan hemzelf hoeven we wellicht nog niet te twijfelen (…)”.

Affiche van de DeVlag, een organisatie die nauw aanleunde bij de SS

In DeVlag, eveneens in november 1943, herformuleerde Demets zijn oordeel in iets scherper bewoordingen. Hij herhaalt dat Lampo “het meesterschap over taal en stijl niet mag worden betwist”, maar stelt dat de “geraffineerde erotiek” van de schrijver en “een zoo volkomen volksch tekort (…) nopen dit (…) stijlvolle werk, om zijn inhoud en de uitzichtlooze oplossing van zijn probleemstelling, als volkomen wezensvreemd af te wijzen.”

Nieuw Vlaanderen nu. Dit katholieke, flamingante weekblad, opgericht in 1934, vertolkte de standpunten van intellectuelen die radicaler waren dan de leiding Katholieke Partij, maar de overstap naar het VNV nog niet wilden of durfden maken. Later stond Nieuw Vlaanderen positief tegenover het accoord tussen het VNV en Rex. Toen het blad vanaf oktober 1940 opnieuw verscheen, stond het in het teken van de Nieuwe Orde. Vanaf 1941 verdwenen de politieke bijdragen.

R(emi) Van de Moortel betoogt op 9 oktober 1943 in Nieuw Vlaanderen dat Hubert Lampo zich vergiste “nopens den inhoud van zijn boek”. Gelukkig verklaart hij die enigmatische uitspraak ook nader. Don Juan en de laatste nimf, meent Van de Moortel, geeft een “nieuwen kijk (…) op den traditioneel Don Juan”. De schrijver doet dat “op een wijze die, vanuit litterair standpunt gezien, allen lof verdient.” Hij kan schrijven en een boek structureren, “hoedanigheden die een toekomst waarborgen”.

“Toch,” gaat de recensent verder, “moet ik dit boek onvoorwaardelijk afwijzen wegens een inhoud, die het erotische te zeer op den voorgrond plaatst en vaak overbodig détailleert. Niet alleen de katholieke levensbeschouwing, maar ook een goed begrepen volksverbondenheid, verplichten er ons toe het ‘litteraire’ overal te weren, waar het de zedelijke gaafheid van ons volk dreigt te ondermijnen. (…) Vergif blijft vergif; de aantrekkelijke verpakking maakt den aanslag alleen misdadiger. Deze waarheid geldt voor iedereen, ook voor den debutant Hubert Lampo. Geheel zijn werk is nuttelooze ‘Spielerei’, die voor den schrijver een welkome gelegenheid moet geweest zijn om ons, onder mom van kultuur, het leven van een sexueel perverteerde te schetsen.”

Maurice Bilcke

“Geen spek voor jonge bekken” – dat gold volgens “R”, die een overzicht van recente literaire publicaties bracht in het nummer van 24 oktober 1943 van VOS, zowel voor de Don Juan van Hensen, als voor Don Juan en de laatste nimf.

VOS was het orgaan van het Verbond der Vlaamse Oud-Strijders. Deze organisatie had van de bezetter het monopolie gekregen van de oudstrijderswerking in Vlaanderen en schakelde zich in in de collaboratie. Ze richtte op verzoek van de Duitsers de Vlaamsche Wacht op.

“Literair gezien, is dit verhaal alleszins een succes. Lampo biedt hier gaaf proza”, luidt het, al kan men “den invloed van De Pillecyn en andere ciseleurs” ontwaren. Toch behoort het, aldus de criticus, “tot het beste van wat onze jonge schrijvers ons in den loop der jongste jaren hebben gebracht.”

De jeugd als inspiratiebron

Eveneens in de loop van 1943 publiceerde Hubert Lampo het essay De Jeugd als Inspiratiebron. De Jeugd, haar wezen en problemen in de jongste Vlaamsche letteren. Daarin schetste hij hoe Vlaamse schrijvers in hun werk uit het Interbellum de jeugd, d.w.z. adolescenten, voorstelden. Het hoeft ons niet te verwonderen dat dit boekje felle reacties uitlokte. In een essay verwoordt een schrijver expliciet zijn opvattingen – in dit geval over een onderwerp dat (ook) bij de aanhangers van de Nieuwe Orde in het middelpunt van de belangstelling stond. We lezen deze constatering, uitvoeriger verwoord, in de bespreking door Bert Ranke van 5 februari 1944 in Het Laatste Nieuws:

“Maar een essay moet men niet enkel vormelijk beschouwen; het heeft ook een inhoud. En deze inhoud is niet de objectieve substantie van het betoog, maar de subjectieve beleving dezer substantie door den auteur. De schrijver legt de resultaten van zijn onderzoek neer in zijn werk en neemt reeds bij het neerschrijven er van, zelfs onopzettelijk een standpunt in; dit, krachtens den geldingsdrang van zijn persoonlijkheid. De taak van de critiek zal dus niet beperkt blijven tot loven of laken van vormelijke eigenschappen, noch tot het krampachtig objectief rapporteeren van den inhoud (…), maar ze zal zich gesteld zien voor de opgave, in onverschrokken en eerlijke subjectiviteit, deze van den schrijver tegemoet te treden en er zich mee te meten. Dit beginsel geldt dubbel, waar een auteur als besluit van zijn betoog uitdrukkelijk stelling neemt, zoals Lampo aan het slot van zijn essay.”

Op deze beginselverklaring is niets aan te merken. Maar men kan zich de vraag stellen of de “onverschrokken en eerlijke subjectiviteit” waarover Ranke het had, wel als zodanig konden bestaan bij een recensent die in een bezet land met de bezetter heulde. Ik kom daar straks op terug.

Louis Sourie vond in Het Nieuws van den Dag van 25 november 1943 dat De Jeugd als Inspiratiebron een “tamelijk geslaagd” essay mocht heten. Hij voegde er echter aan toe dat de studie een “libertijnsch geurtje” verspreidde dat tot “streng voorbehoud” maande. (In de eerste paragaaf van Sourie’s recensie verneemt de lezer trouwens al dat de criticus de “lezing” van Don Juan, “vanuit zuiver literair standpunt (…) een belovend debuut”, “niemand kan aanbevelen”.)

Het Nieuws van den Dag was een katholieke krant die in Brussel verscheen van 1885 tot 1965. Tijdens de bezetting behoorde ze tot de zg. “niet-gebonden” publicaties, die trachtten een min of meer neutrale rol te spelen; zulks leidde tot incidenten met de Duitsers en de opheffing van het dagblad op 17 mei 1944. Louis Sourie (1910-1962), een literaire autodidact, was eerst kantoorbediende, later rijkswachter. Na de oorlog stichtte hij mee het Christelijk Vlaams Kunstenaarsverbond en behoorde tot de oprichters van het tijdschrift West-Vlaanderen (thans Vlaanderen). Hij publiceerde een aantal verdienstelijke essays over o.a. Prosper Van Langendonck.

Louis Paul Boon

Jan Demets – we kennen hem al – besprak De Jeugd als Inspiratiebron op 28 november 1943 in Balming. Dit pas in april 1943 opgerichte weekblad moest het “lijfblad” worden van de leden van de DeVlag. Tot de medewerkers behoorden o.a. Blanka Gijselen, Robert Verbelen en de musicoloog Walter Weyler. Balming bracht op een duidelijke en sloganmatige wijze de standpunten van de DeVlag weer.

De lengte van zijn artikel bewijst de aandacht die Demets aan De Jeugd als Inspiratiebron meende te moeten besteden. Veelzeggend is ook de Engelse (!) titel Say it with an… Essay!

Wie De Jeugd als Inspiratiebron leest, betoogt Demets, constateert dat de schrijver van Don Juan – “zoo’n charmant-erotischen, maar toch erotischen roman” – de jeugd beschouwt “van den gezichtshoek uit, die bepaald wordt door het ‘intense rijpingsproces der geslachtsklieren’”. Lampo behandelt auteurs die “zoals toen de mode was, psychologisch georiënteerd” zijn, en “het is bekend dat men, om een psychologische roman te schrijven, meestal niet uit de normale gemiddelde menschenstof het prototype voor zijn helden haalt.”

Jeanne De Bruyn in 1958.

Erger nog, de schrijver stoort zich niet aan de jonge personages in de boeken die hij bespreekt. Hij signaleert dat hun lotgevallen ongeveer dezelfde zijn als die van hun generatiegenoten in de buitenlandse literatuur – wat niet wil zeggen dat de Vlaamse letterkunde daarom op hetzelfde peil staat.

“Neen, Lampo wijst niet naar het Oosten”

“Maar de goedwillende lezer,” aldus Demets, “vergist zich, zoo hij denkt dat Lampo ons naar dien” – nl. de Duitse – “kant van de grenzen wil leiden. Daartoe zou overigens van zijn standpunt uit ook geen grond bestaan: daar, waar men een jeugd opkweekt, tot volheid en evenwichtigheid, daar is de kans gering, dat zekere tot het leven behoorende functies als bij voorbeeld de sexualiteit bij die jeugd tot hét leven zullen worden en buiten verhouding tot de overige groeiende, dat tekort aan zin voor verhoudingen zullen scheppen, dat tot wanorde, stoornissen en die psychologische ziekteverschijnselen leidt, die de stof vormen tot de romans van ‘universeele’ geesten; waar problemen opgelost worden, vervalt ook de mogelijkheid, ze litterair te ‘interpreteeren’, ‘uit te diepen.’”.

“Neen, Lampo wijst ons niet naar het Oosten; de litteratuur van een gezonde, een frissche, een mannelijke jeugd heeft voor hem geen charme (…)”.

De jongeren in “Westersche” romans weerspiegelen een reële jeugd die of “biologisch en geestelijk verjoodscht” is, of “verproletariseerd”. De eerste, aldus Demets, huldigt “alle variaties der erotiek als een levensvulling en een levenskunst”; de tweede vlucht “in de sexualiteit uit de ellende der realiteit (…)”. Dat alles levert “stof te over tot het ‘uitdiepen’ van allerlei abnormale, perverse en àlmenschelijke – of ónmenschelijke konflikten.”

Demets noemt Lampo’s conclusies over de jeugd dan ook een “prachtig staaltje van ‘humanistische’ dialectiek”, waarin “natuurlijk geen plaats (is) voor zoo simplictische (sic), maar tevens zo hééle dingen als trouw, eer, houding, karakter en nog een paar andere, die wij zelfs aan onze jeugd van gisteren meenen te mogen verbinden, maar die wij integraal hopen tot de karakteriseering te zullen zien behoren van onze jeugd van morgen.”

Trouw, eer, houding, karakter enz.

Dezelfde redeneringen stortte Demets, goddank in iets korter bewoordingen, nogmaals uit in De Gazet van 9 december 1943. Ik zou die recensie niet vermelden, ware er niet de eindparagraaf, die explicieter is dan die van het artikel in Balming:

“Wij hopen en vertrouwen, dat onze jeugd er eene zal zijn, wier puberteit niet uitsluitend door het ‘rijpingsproces der geslachtsklieren’ zal zijn gekenmerkt; dat onze jeugd er eene zal worden van ganschheid, van trouw en kameraadschap, van arbeid en volkschen strijd, strijd niet tegen spookgestalten uit de mechanodoos die schedel heet, maar tegen vleeschelijke vijanden en werkelijke machten, een jeugd voor wie de geslachtelijkheid en liefde de vanzelsprekendheid zullen hebben van een opengaande bloem, een jeugd van heroïek ten slotte, met aan het eind de stralende overwinning, of de glorieuze ondergang. En dat zoo haar roman zal zijn.”

In De Week van 11 december 1943 verscheen een korte recensie door Maurits Bilcke. Het is een welwillend stukje in die zin dat het louter informatief is; of Bilcke De Jeugd als Inspiratiebron daadwerkelijk gelezen had, blijkt niet.

Het katholieke, Vlaamsgezinde De Week verscheen van augustus 1939 tot eind oktober 1944. Hoofdredacteur was Emiel Van Mierlo. Maurits Bilcke (1913-1993) genoot enig aanzien als dichter. Hij werkte op het Turnhoutse arrondissementscommissariaat; vanaf 1944 was hij in dienst bij het NIR te Brussel. Redactie en medewerkers werd achteraf geen collaboratie verweten.

“B.E.” schreef op 28 december 1943 in Vooruit dat het essay een “illustratie werd van den zielkundigen en lichamelijken ondergang die onze moderne jeugd (belichaamd in enkele romanfiguren) te gemoet is geloopen. Als dusdanig dient Lampo’s onderzoek als waardevol te worden bestempeld.”

“Het is echter te hopen dat eerlang een auteur er in gelukken mag de zielkundige basis vast te leggen waarop een nieuwe, gezonde en meer bewustlevende jeugd haar wezen heeft gebouwd.”

“Laten wij hopen dat ook dit zal kunnen gebeuren aan de hand van enkele hoogstaande literaire werken die even knap – maar met een meer kordaat levensinzicht – zullen zijn geschreven als sommige van deze waarin Lampo zijn typische en representatieve ondergangsfiguren gevonden heeft.”

Paul Hardy

 In het decembernummer van Weetlust – een publicatie waarover ik geen nadere informatie vond – verscheen een korte bespreking met gelijkluidende opvattingen van een recensent, die de denkbeelden van de essayist en die van de door hem besproken auteurs door elkaar haalt.

“Waarlijk wij hebben niet geweten dat het met onze jeugd zoo erbarmelijk gesteld was. Onze schrijvers hebben overwegend erotische elementen uit het leven der jeugd behandeld en men krijgt dan wel den indruk alsof er bij onze jonge menschen nooit iets anders zou hebben bestaan. Geen woord hebben wij gevonden in het heel boekje over het schoone idealisme dat de jeugd kan bezielen, over den strijdlust voor een ideaal, over problemen der wereldbeschouwing en der wetenschap.”

Paul Hardy

In het januarinummer 1944 van het tijdschrift Streven verscheen een bespreking van de hand van Em. Janssen. De jezuïet Emiel Janssens (1897-1984) werkte als recensent mee aan verscheidene katholieke publicaties. Hij schreef over Gezelle, Streuvels en Van Baelen; daarnaast liet hij meditatieve poëzie verschijnen.

Voor mijn onderwerp is Janssens recensie op het eerste gezicht van weinig belang. Hoewel de pater niet te spreken is over De Jeugd als Inspiratiebron, heeft zijn afwijzing, althans aan de oppervlakte, geen uitstaans met Nieuwe Orde-opvattingen. Het is als katholiek dat de recensent het oneens is met de keuze van besproken auteurs en met de ideeën van de man die hun werk analyseert. Een en ander doet denken aan de hoger geciteerde recensie van Herman Oosterwijk; ik ben zo vrij mijn bedenkingen daarbij in herinnering te brengen.

Al dit soort bezwaren bleef intussen geheel en al achterwege bij de Franstalige criticus J.E. Dhanis, die op 7 januari 1944 in Comoedia schreef: “C’est une étude extrêmement touffue, qui démontre certainement les grandes qualités de psychologue de Lampo, et la pureté de sa langue. Mais, pour ma part, je préfère le Lampo romancier au Lampo essayiste: le premier étant plus léger et plus souple, le second un peu trop intellectuel (défaut de jeunesse, défaut qu’il retrouwe lui-même dans les romans des autres). Néanmoins l’ouvrage ne perd rien pour cela de sa valeur scientifique.”

Over de criticus Paul Hardy (1908-1977) lezen we in het Lexicon van de Nederlandse Letterkunde dat hij in 1944 redacteur werd bij de bibliografische dienst van het Algemeen Secretariaat voor Katholieke Boekerijen. Wat hij daarvoor uitvoerde, laat het naslagwerk ons in het ongewisse. Na de oorlog recenseerde hij in Gazet van Antwerpen.

Op 15 januari 1944 publiceerde Hardy in Volk en Kultuur een lange recensie van De Jeugd als Inspiratiebron. Het stuk is overwegend lovend; de enkele reserves hebben geen politieke ondertoon. Maar het venijn zit ook hier in de staart. Ik citeer:

“Niet zonder een zeker welgevallen spreidt Hubert Lampo zijn uitheemsche belezenheid ten toon (…). Het is mij daarbij andermaal opgevallen dat onze jonge intellectueelen, wat hun buitenlandsche bagage betreft zeer eenzijdig naar Frankrijk en Engeland georiënteerd zijn; een gevolg wellicht van het feit dat beide landen vóór dezen oorlog hun buitenlandsche cultuurpropaganda beter verzorgden dan zulks met de Duitschers het geval was.”

De bezwaren die Urbain van de Voorde op 28 januari 1944 formuleerde tijdens een uitzending van Zender Brussel, herhaalde hij op 5 februari 1944 in Laagland. Ze zijn van een andere aard. Van de Voorde betreurt vooral dat de auteur van De Jeugd als Inspiratiebron uitsluitend prozaschrijvers, en geen dichters behandelt. Voorts gaat hij niet akkoord met de keuze van boeken en auteurs. Ik vermoed dat Van de Voordes katholieke overtuiging daartoe leidde. Hij bleef echter genuanceerd, want hij concludeerde dat het boekje toch wel van belang was, zij het eerder als “een reeks van afzonderlijke critieken over menschen en boeken, dan als een synthese der na-oorlogsche jeugdpsyche en haar problemen”.

Bert Ranke

Keren we thans terug naar Bert Ranke, wiens credo over het recenseren van een essay ik daarstraks citeerde. Bert Ranke was het pseudoniem van Frans van der Auwera (Borgerhout, 1914) die voor de oorlog literaire beschouwingen schreef in Hooger Leven en Nieuw Vlaanderen. Tijdens de bezetting verzorgde hij de prozakroniek in Het Laatste Nieuws en was hij redactiesecretaris van Westland. Bovendien vervulde hij de functie van secretaris van de Vlaamse Cultuurraad. Rankes essays, lezen we in het Lexicon van de Nederlandse Letterkunde, “getuigen van een scherp analytisch en synthetisch vermogen”. Moet hier nog aan toegevoegd worden dat Ranke na de oorlog in o.m. De Standaard der Letteren publiceerde?

Bert Ranke in 1968

“Men kijke slechts naar de positief opvoedende kracht van de Hitlerjeugd in Duitschland,” aldus Bert Ranke, “…en hier beperkt de critiek zich niet meer tot den tijd die een dergelijk beeld van de jeugd heeft mogelijk gemaakt, maar breidt ze zich uit tot den auteur die dit beeld ophangt en er niet alleen vrede mee neemt, maar zelf de levensbeschouwing voorstaat die er de oorzaak van is – van een vaag humanistische levensaanvaarding die exponent is van een zuiver individualistische levensbeschouwing, die de wereldrevolutie van thans niet zal overleven.”

De schrijver, aldus de recensent, is een conservatief die slechts terugblikt op het verleden en blijk geeft van een “uitsluitend Fransch en Angelsaksich gerichte belezenheid, met angstvallige vermijding van alles wat maar eenigszins den schijn zou kunnen hebben, een invloed uit het Oosten te zijn (…)”. De slotbladzijde van De Jeugd als Inspiratiebron, is “een typische uiting van hyper-individualistisch humanisme” die bewijst dat “de zin van dezen tijd” de auteur “is ontgaan”. Het kan dan ook niet anders of de toekomstige jeugd, die Lampo zich voorstelt, is een “richtinglooze, stuurloze, heen en weer geslingerde” jeugd. Hieruit blijkt, zo concludeert de recensent, dat de grondbeginselen “eerbied, trouw en offervaardigheid” de schrijver “volkomen onbekend schijnen te zijn (…)”.

Nog op 5 februari verscheen in Nieuw Vlaanderen een artikel ondertekend door “R.v.d.M” – wellicht Remi Van de Moortel, die we al tegenkwamen onder de recensenten van Don Juan en de laatste Nimf. Het stuk draagt – het verbaast ons niet meer – de titel Een gevaarlijk-eenzijdige kijk. R.v.d.M. citeert uitvoering Lampo’s uitgangspunten, maar weldra krijgen we te horen dat de auteur geen rekening houdt met “de treurige werkelijkheid van een romanproductie, welke bijna volslagen negatief is en van een verregaande decadentie blijk geeft.”

“Van de veertien besproken boeken (…) zijn er ten minste zeven die ik aan elk weldenkend mensch volstrekt moet afraden; ik beklaag vooral de jongeren die de gecondenseerde gorigheid van al deze korte inhouden te verteren krijgen.” Ditkeer krijgt Lampo ook te horen dat hij niets begrepen heeft van de “dynamiek van de christelijke levensbeschouwing”.

Remi Van de Moortel leest voor op de Vlaamse Poëziedagen in Merendree, 1947

Dat de recensies in het dagblad Volk en Staat niet altijd bol stonden van nazipropaganda blijkt uit een verrassend positieve kritiek, verschenen op 23 februari 1944 in de rubriek Het Boek van den Dag. Ze is ondertekend met de initialen “K.H.”. Hoewel het een kort signalement betreft, dat Lampo’s uitgangspunten en doelstellingen herhaalt, luidt de slotparagraaf:

“Wij wijzen er met voldoening op dat Hubert Lampo proefondervindelijk bewijs levert van een VERTEERDE veelzijdige belezenheid; zulks kan men herhaaldelijk in zijn studie vaststellen, o.a. waar hij zeer terecht Marcel Proust in verband brengt met Het Experiment van Paul Lebeau. Hubert Lampo schrijft bovendien een zeer goed Nederlandsch, wat voor een debuteerend essayist een lof te meer is.”

In tegenstelling tot de schrijvers, publiceerden alle recensenten tijdens de bezetting ondervermijdelijk in publicaties die verschenen met de zegen van de Duitsers en hun medestanders. Dit betekent echter niet dat ze allemaal even overtuigd waren van de nazi-ideologie. Er waren critici die er blijkbaar in slaagden bepaalde boeken te beoordelen zonder zich daardoor te laten leiden.

Enkelen hanteerden criteria die zij reeds voor de oorlog op punt hadden gesteld, maar verdedigden zodoende standpunten die in ieder geval niet in tegenspraak waren met het Nieuwe Orde-gedachtengoed.

Individualisme

Tenslotte waren er de ideologische die hards zoals Demets. Beide laatste categorieën maakten er een punt van om niet alleen op de bal, maar ook op de man te spelen – een onaardige gewoonte die critici er nog op nahouden, en die trouwens al van in de 19de eeuw dateert.

Wat men Lampo verweet? Ongeloof, interesse voor het erotische, individualisme, gebrek aan volksverbondenheid, humanisme, “decadentie” en zijn oriëntatie op de Franse en de Engelse literatuur. Wanneer men daar de “typische” collaborateursverwijten van aftrekt, blijven over: ongeloof, gebrek aan instemming met een allesoverheersende ideologie en individualisme. Een en ander verklaart, ironisch genoeg, de aversie die zowel katholieke als communistische recensenten in de jaren vijftig voor het werk van Lampo opvatten.

(1) Wegens tijdsgebrek baseerde ik mij voor dit opstel op knipsels in het archief van mijn vader. Het is mogelijk dat er meer recensies van zijn eerste twee boeken verschenen. Die zijn allicht te vinden in het AMVC-Letterenhuis te Antwerpen. Omdat ik telkens publicatie, datum en auteur vermeld, leek het mij overbodig gebruik te maken van voetnoten.

Verschenen in het eerste Jaarboekvan het Hubert Lampo Genootschap, 2007.

 
%d bloggers liken dit: