Van de Begijnenstraat tot in Sachsenhausen. De oorlog van Lucien Dirickx en Karel Wilms.

Vandaag heb ik het over een onderwerp dat niet tot mijn specialiteit als historicus behoort. Maar ik doe het omdat ik het mijn plicht vind ten overstaan van wijlen mijn moeder en wijlen een oom die ik nauwelijks gekend heb. En omdat het toeval mij een paar jaar geleden een dreun op mijn hoofd gaf.

Mijn moeder maakte er nooit een geheim van dat haar broer, Lucien Dirickx (1922-1965), inspecteur bij het stedelijk onderwijs, vroeg in de oorlog opgepakt werd door de Duitsers. Toen ze, meer dan tachtig jaar oud, nog eens vertelde hoe hij na het einde van de oorlog – hij woog nog vijfenveertig kilo – terugkeerde in het Centraal Station van Antwerpen, kon ze haar tranen niet bedwingen. De gevangenschap van Lucien – Lus, noemden ze hem in de familie, voor mij was hij “nonkel Lus” – was een onderwerp dat voor haar decennialang te pijnlijk was om véél over te vertellen. Van het weinige dat ze zei, moet ze gedacht hebben dat wij het moésten weten, maar tegelijk liet ze voelen dat doorvragen pijn zou doen.

Wij kenden enkel de grote lijnen: sluikblaadjes gemaakt – hier, op deze plek, in wat toen de Stedelijke Normaalschool voor Jongens was – verraad, arrestatie, opsluiting in de Begijnenstraat en dan naar Duitsland, eindbestemming Oranienburg. Samen gevangengezeten met de zoon van John Wilms.

John Wilms (1893-1978) was socialistisch schepen voor onderwijs en auteur van de boeken Onder de Sint-Andriestoren en vooral De Parochie van Miserie. Dit laatste boek – dit is dan wat recentere geschiedenis – werd door de toneelschrijver Jan Christiaens voor de scène bewerkt en in het seizoen 1976-1977 opgevoerd in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in een regie van Walter Tillemans met muziek en decors van Wannes Van de Velde.

Stofwikkel van “Karel Wilms, een van de Velen”.

Over de zoon van John Willems wist ik niets, zelfs niet dat hij Karel heette. Tot ik enkele maanden voor mijn pensioen in 2022 in het Letterenhuis een boekje in handen kreeg. Het behoorde tot het archief van Emiel Willekens (1922-2009). Die was in zijn tijd adjunct-conservator in datzelfde Letterenhuis – toen nog Archief en Museum voor het Vlaams Cultuurleven – en later directeur van de Stadsbibliotheek op het Conscienceplein (nu Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience).

Het boek trof mij door de dramatische afbeelding van een schreeuwende man op de stofwikkel, gesigneerd “J. Gorus”, en het ontbreken van een titel. Ik moest naar de titelpagina om te zien dat het om Karel Wilms, één van de velen ging, geschreven door ene Armand Coenen en uitgegeven in 1945. Na wat bladeren kwam ik erachter dat het om een gedenkboek voor een verzetsman ging, maar “mijn frank” viel pas toen ik de woorden “Antwerpsche Normaalschool” en wat verderop (op bladzijde 37, om precies te zijn) “Lucien Dirickx” las.

Daar hoort een voetnoot bij. Achteraan in het boek staat dat er 850 exemplaren van werden gedrukt en dat het “niet in de handel” was. Een privé-uitgave, dus, maar waarvan zich géén exemplaar in de bibliotheek van mijn vader of die van mijn moeder bevond. Zij waren op dat ogenblik allebei al meer dan vijftien jaar dood en ik had àl hun boeken in handen gehad, dat moet u maar van mij geloven. Ik kom hier straks op terug.

Een gedenkboek. Met andere woorden: Karel Wilms overleefde zijn gevangenschap in Duitsland niet. Tragisch genoeg kwam hij op 10 april 1945 om het leven bij een geallieerd bombardement. Het blok waar hij verbleef in het Heinkel Lager, afhankelijk van het concentratiekamp Sachsenhausen, werd geraakt door een voltreffer. Daarbij kwamen honderden dwangarbeiders, onder wie Karel, om het leven. Hun lichamen werden in Sachsenhausen gecremeerd.

Karel Wilms.

Als u het nog niet wist, dan weet u het nu: ik stond wel eens voor de deur van het Letterenhuis een pijp te roken. Een van de mensen die daar geregeld langsloopt, is Omar van Meervelde, een der bezielers van de kunstkring Jacques Gorus. Die kring is gevestigd in de Venusstraat nr. 52 en organiseert niet alleen tentoonstellingen van grafiek, maar ontfermt zich ook over de artistieke nalatenschap van Gorus, bij leven leraar aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Ik vertelde Omar over de kaft van het boekje en hij zei: “Karel Wilms? Ik denk dat wij daar een foto van hebben!”. Een paar dagen later zat ze bij me in de bus. Het is de foto van Karel die u te zien krijgt.

Karel Wilms studeert aan het Koninklijk Atheneum in Antwerpen en vanaf het najaar van 1940 aan de Rijksuniversiteit Gent. Als atheneumleerling schrijft hij al boekbesprekingen voor De Roode Burcht, het maandblad van de Socialistische Propagandakring van de vierde wijk. In de retorica wordt hij bestuurslid van de vereniging Ontwikkeling die vergaderingen, feesten en andere bijeenkomsten van de leerlingen organiseert.  

Op 12 mei 1940 vertrekt Karel met acht kameraden naar Roeselare om zich bij het Belgisch leger te voegen. Zoals bij velen mislukt dat als gevolg van de alom heersende desorganisatie en de snelle Duitse opmars. Zij en talloze anderen belanden in Frankrijk – in het geval van Karel helemaal in het zuiden, de Pyreneeën. En net zoals zijn lotgenoten keert hij na verloop van tijd terug naar bezet België.

Later dat jaar schrijft hij zich in als student aan de faculteit rechten van de Rijksuniversiteit Gent. Hij wordt ook bestuurslid van VOLBA, de Vlaamse Oud-Leerlingenbond van het Antwerps Atheneum. Hij slaagt erin om de Duitsers zover te brengen dat VOLBA mag blijven bestaan.

“Toen kwam de illegale activiteit,” vertelt getuige Leo Vermaesen in het boek, “Op een of andere manier was hij [Karel] in contact gekomen met een leider der clandestiene beweging. Altijd vol diepe bewondering voor de menschen die het aandurfden den strijd aan te vatten tegen den door hem zoo gehaten bezetter, nam hij zijn kans met beide handen waar, en heelemaal stortte hij zich in de beweging. Hij kreeg opdracht in zijn vriendenkring, die enorm groot was, een organisatie op te bouwen, en overal waar het mogelijk was kernen te vormen. Met jeugdigen overmoed die hem helaas, al te dikwijls tot onvoorzichtigheden dreef, wijdde hij zich aan zijn taak. […] Met ons kalme leventje was het gedaan, want ook wij zouden meedoen […]. Hoopen vlugschriften passeerden ons ‘kot’, medewerkers liepen in en uit. In Antwerpen echter lag het zwaartepunt. Daar zou de organisatie tot stand komen, die eens effectief den bezetter met de wapens in de hand zou bestrijden.”

Armand Coenen nuanceert. Hij zegt dat Karel Wilms lid was van een groepje “Gentse” leden van Ontwikkeling en van VOLBA – ze waren met zijn zevenen. Ik citeer: “Of deze jongeren reeds zien konden hoe ver hun weg leiden zou, kan moeilijk met zekerheid worden gezegd. Romantisme en drang naar avontuur zullen wel voor een groot deel hun doorzettingsvermogen hebben aangewakkerd. Het verminder geenszins de waarde van hun daden en het offer dat zij brachten: geen held wist vooraf dat hij het worden zou.”

Lucien Dirickx

Al gauw gaat het hard: leerlingen en oud-leerlingen van andere athenea en van de Stedelijke Normaalschool sluiten zich aan. De Stedelijke Normaalschool voor Jongens, hier in dit gebouw, Pestalozzistraat nr. 5, vandaag De Tandem. Zo komen we bij mijn oom Lucien Dirickx. Hij was de informele aanvoerder van een tiental aspirant-onderwijzers die iets wilden ondernemen tegen de bezetter. Zij werden in hun overtuiging gesterkt door het feit dat hun leraar geschiedenis en “Zedelijke en Staatsburgerlijke Opvoeding” tot de allereerste leden van de SS-Vlaanderen behoorde en weleens publiek in uniform verscheen.

Die leraar was de historicus Rob van Roosbroeck, die het dankzij zijn collaboratie binnen de kortste keren  tot Antwerps schepen voor onderwijs en hoogleraar aan de universiteit van Gent schopte. Van Roosbroeck werd na de oorlog ter dood veroordeeld, maar leefde tot aan zijn feitelijke dood in 1988 ongestoord in Nederland.

Ontspanning zochten de niet-Duitsgezinde leerlingen van de Normaalschool (en andere scholen) in kringen die onder de bezetting nog een poosje konden voortwerken zoals de Jeugdkring van het Willemsfonds. Secretaris daarvan was tot eind 1941 mijn vader, de schrijver Hubert Lampo.

Op een dansavond van die Jeugdkring in zaal Grüter, een destijds bekend feestlokaal, zocht Karel Wilms contact met mijn oom. Die zat aan de ingang de kaartjes te controleren. Ik kan mij voorstellen dat het een voorzichtig en daardoor “moeilijk” gesprek was. Karel wist blijkbaar al veel over Lus die louter ontwijkende antwoorden gaf – je wist tenslotte maar nooit. “Als je verder wil praten, kom je maar eens bij mij thuis – we wonen niet ver van elkaar,” moet Karel Wilms gezegd hebben. En dat klopt: Karel Wilms woonde in de Oudekerkstraat 33 en mijn oom in de Haantjeslei 21. Lus wint op zijn beurt inlichtingen in en besluit dat hij Karel kon vertrouwen. Zij worden vrienden. Zo ook krijgt het netwerk van Karel de beschikking over de stencilmachine van de Jeugdkring van het Willemsfonds.

“Het contact was gevonden,” schrijft Coenen, “en van dien dag af werden talrijke illegale schriften verspreid in de Stedelijke Jongensnormaalschool.” Weldra werkten er zo’n dertig jongeren voor de zaak. “Zij verspreidden het propagandamateriaal, verzamelden geld voor ‘de beweging’ en het solidariteitsfonds, rekruteerden nieuwe medestanders. […] Karel Wilms was de ‘chef’ van deze groep, omdat hij ook in verbinding stond met andere instanties van de verzetsbeweging. Met  anderen vormde hij de schakel van dit ‘Revolutionair Jeugdfront’ naar het Onafhankelijkheidsfront, dat toen nog in de kinderschoenen stond.”

De bezetting duurt nog niet erg lang; de jongens waarover ik vertel, zijn piepjong, het Verzet is zichzelf nog volop aan het organiseren. Maar hebben gekozen. Ze bevinden zich in de illegaliteit en de facto in groot gevaar. De Duitsers lachen niet met wat zij doen.

John Wilms.

Het kan niet anders of mijn vader is als secretaris van de Jeugdkring van het Willemsfonds op de hoogte van of heeft zelfs toestemming gegeven voor het gebruik van de stencilmachine. Hijzelf zei eens, toen ik ernaar vroeg: “Die jongens die in het Verzet gingen, die wisten niet waar ze aan begonnen”. Maar in zijn roman uit 1984, De eerste Sneeuw van het Jaar, beschrijft hij wel gedetailleerd  hoe zo’n verzetskrantje gemaakt werd en verspreid.

De ik-persoon in de roman doet mee en schrijft een satirisch vervolgverhaal in het blad. Is dat een autobiografisch element of verzonnen? Ik weet het niet. In het boek staan veel verzonnen dingen, maar ook echte herinneringen. Het werd bovendien veertig jaar na de oorlog geschreven. Ik kan niet uitsluiten dat in de jonge hoofdpersoon, een tiener, wat berusting van de ouder wordende auteur is geslopen.

Karel Wilms werd, aldus Coenen, verantwoordelijk voor het strijdblad van het Onafhankelijkheidsfront maar werkte ook mee aan de sluikbladen Radio Moskou en de Roode Vaan en hielp de clandestiene Volksgazet verspreiden. Zonder veel details te geven, maakt Coenen melding van De Vrijheidswacht, een onderafdeling van het Onafhankelijkheidsfront, die ongeveer 250 leden telde. Ik leid daaruit af dat Karel en Lus hiertoe behoorden. Het kon nauwelijks anders of de Gestapo, geholpen door verraders uit het “eigen volk” kwam sommigen van hen op het spoor.

Karel werd op 8 december 1941 opgepakt in de Oudekerkstraat door twee Duitsers en “die eene,” aldus Coenen, “na jaren nog te herkennen Vlaamsche schurk” en opgesloten in het Standort-Arrestanstalt in de Begijnenstraat. Over de arrestatie van mijn oom, die hier in de Normaalschool plaatsvond, staat in het boek niets. Maar in het Gedenkschrift van het Gemeentelijk Antwerpsch onderwijzend Personeel, ook uit 1945, lees ik dat de Gestapo op 2 december 1941 en twee dagen later nog eens, binnenvalt in de Stedelijke Normaalschool voor Jongens.

Ook Lus belandt in de Begijnenstraat, samen met vijf kameraden – hun leeftijd varieert van 16 tot 18 jaar. Het zijn Karel Fredricx, van uitputting overleden in Hamels in 1942, Lodewijk Sel, aan tuberculose gestorven in Karlsruhe in 1944, Edgard Bellemans, in 1945 verdwenen in het concentratiekamp Flossenburg, Raymond Defaux, in 1945 door de Fransen bevrijd in Althausen en Willy Van Cant die in Dachau wordt bevrijd door de Amerikanen.

Karel had zijn arrestatie zien aankomen en alle bezwarende stukken die bij hem thuis te vinden waren, vernietigd. Mijn grootouders en mijn moeder konden het nodige laten verdwijnen tussen het moment waarop een medeleerling kwam vertellen dat Lus was opgepakt en de Duitse huiszoeking. Over een “Vlaamsche schurk” heb ik mijn moeder nooit iets horen zeggen, maar zij was er wel stellig van overtuigd dat ook haar broer verraden was.

Ik kan mij hun verdriet en hun angst niet voorstellen.  

Het arresthuis in de Begijnenstraat.

De politieke gevangenen in de Begijnenstraat mogen om de veertien dagen naar huis schrijven. Ze krijgen ook pakketten met kleding en levensmiddelen die worden geleverd via het Rode Kruis. Daarvan is het gewicht echter beperkt tot enkele kilo’s.

In de gevangenis laat Karel opnieuw zien dat hij een begenadigd organisator is en hij ontpopt er zich tot een handig ritselaar. Karel slaagt erin een redelijk contact tot stand te brengen met de Duitse bewakers. Hierdoor krijgt hij de kans het lot van zijn kameraden aanzienlijk te verlichten. Hij krijgt een baantje in de Schreibstube zodat hij clandestien brieven kon versturen met nieuws, instructies en waarschuwingen voor medestanders die nog op vrije voeten zijn. Hij ziet op kantoor de verslagen van de ondervragingen en kan zo, via zijn ouders, melden wie risico loopt. Later klopt Karel ook dienst in het “Waschkot” van de Begijnenstraat waar de pakketten voor de gevangenen worden aangenomen. Hij kan er ook “officieuze” pakketten in ontvangst nemen.

Tot zijn vele werk behoort nieuwe gevangenen naar hun cel brengen. Als de arrestant een verzetsman is, begeleidt Karel hem echter naar de cel die hem is toegewezen, maar naar die van een kameraad zodat de twee kunnen overleggen wat wel en niet mag gezegd worden en hun verhalen op elkaar afstemmen. Als hij de nieuwe gevangene dan weer moet ophalen, doet hij dat niet in de cel waar die geacht wordt te zitten, maar bij de medestander.

Karel verwittigt zijn medegevangenen als er celnazicht komt en bezorgt de arrestanten speelkaarten, lucifers, sigaretten en andere smokkelwaar die hij in het Waschkot stiekem in ontvangst heeft genomen. Hij ziet er geregeld zijn eigen ouders als die zijn pakket komen afgeven. En dat is steevast goed en met overleg gevuld.

“Terwijl de ouders van L.D. [Lus, mijn grootouders dus] thuis zaten te piekeren over het feit dat hun jongen honger zou hebben, omdat ze bijna al het eten uit het te zware pak moesten halen, ontving hij meer dan het overtollige van Karel. Die had in het ‘waschkot’ gezien en gehoord. Het was hem voldoende om van den slapenden ‘Unteroffizier’ eventjes den sleutel te ontleenen, 2 rantsoenen en een heel Duitsch brood te vinden en dit gauw aan den pechvogel te gaan geven.”

John Dirickx en Virginie Venneman, ouders van Lus.

Karel en vijf kameraden delen cel 120. Ze discussiëren, smeden plannen voor nà de oorlog en bouwen occasioneel een feestje met enkele buitgemaakte sigaretten, aldus Armand Coenen. Het zal wel zo geweest zijn. Maar over de ondervragingen en andere brutaliteiten die de arrestanten ondergaan, lezen we niets.  

We zijn hier vandaag om verzetslieden te gedenken. Dat moet met respect gebeuren. Ik denk niet dat het boek Karel Wilms. Eén van de velen onwaarheden bevat. Maar ik vermoed dat een heleboel dingen, nare dingen, er niét in opgetekend staan. Stel u de omstandigheden voor waarin de publicatie tot stand komt: we schrijven 1945, enkele maanden na de dood van Karel wanneer het verschijnt. Het is opgedragen aan Karels moeder als een monument voor haar zoon. De schrijver, maar ook de in- en uitleider (resp. substituut-krijgsauditeur Willy Clijmans en schrijver Fritz Francken) behoren tot de socialistische familie en koesteren ook voor zijn vader, John Wilms, een groot respect. Ik vermoed dat zij geprobeerd hebben de ellende van Karels gevangenschap (en dus ook die van mijn oom) niet te verzwijgen – de feiten lagen voor – maar te milderen uit medeleven met zijn ouders. Coenen vermeldt wel, terloops, dat Karel op een gegeven ogenblik een Antwerps onderwijzer ziet die tijdens zijn verhoor zo is toegetakeld dat hij hem niet meteen herkent.

Karel en negen kameraden worden op 8 mei 1942 uit de gevangenis in de Begijnenstraat gehaald en via Brussel op transport gesteld naar Essen. Dank zij Karels clandestiene correspondentie zijn hun families verwittigd en kunnen die een laatste keer hun geliefden zien voor ze naar Duitsland vertrekken.

Elke gevangene krijgt in Essen een cel in de sombere Untersuchungsgefägnis. Ze moeten al hun bezittingen afgeven – het weinige eten dat ze bij zich hebben, mogen ze houden. Zodra dat op is, moeten ze het stellen met de soep en de enkele sneetjes brood van het gevangenisrantsoen. Tijdens de wandeling – één uur per dag – mogen ze niet spreken. Begin juni worden de ze aan het werk gezet: ze moeten matjes vlechten. Omdat hij redelijk goed Duits spreekt, krijgt Karel de taak het materiaal te verdelen, wat hem toelaat kort met zijn kameraden te spreken. Hij slaagt erin pas aangekomen arrestanten uit Antwerpen in het atelier te laten werken waar hijzelf aan de pers staat.

In oktober verschijnt de “bolsjevistische jeugd” uit Antwerpen voor de rechtbank wegens het verspreiden van communistische lectuur en “sabotage” van het Duitse leger. Omdat ze nog zo jong zijn, eist de aanklager niet de doodstraf, maar acht jaar voor Karel en vijf tot zeven jaar voor de anderen. Ze verdedigen zichzelf, waarbij Karel optreedt als tolk. Uiteraard worden ze schuldig bevonden.

De Duitsers brengen hen over naar het tuchthuis van Hameln. Daar sluiten ze hen opnieuw op in aparte cellen. Deze keer moeten ze zakken plakken. Eén van hen sterft aan de gevolgen van een zware longontsteking.vNa zes maand, in mei 1943, worden Karel en drie vrienden, onder wie Lus Dirickx, overgebracht naar de gevangenis van Sonnenburg.

“Er was daar een metaalafdeling, een schrijnwerkerij, een zadelmakerij, een kleermakerij. In dit groote bedrijf werkten meer dan 1500  gevangenen. Regelmatig kwamen nieuwe groepen toe, om de overledenen te vervangen. Op een jaar stierven er 700, bijna de helft van het aantal opgeslotenen. Het eten was er zeer slecht en onvoldoende en voor het neme van een bad was slechts na vele maanden gelegenheid. In elke cel konden deze kerels, die heel den dag arbeidden, zich wasschen in een kleine teil, maar dat was onvoldoende. Natuurlijk kreeg iedereen, als gevolg van deze slechte hygiënische voorwaarden, ongedierte, maar hierover maakte niemand zich zorgen. […] Niettegenstaande de klachten over het eten en de verzorging, niettegenstaande zelfs de slagen die door een onderofficier wel eens links en rechts werden toegediend, waren de gevangenen, die reeds een echt celregime hadden doorgemaakt, er tevreden. Gedurende heel den dag waren ze immers in de gelegenheid te praten op de groote werkzalen, waar veertig tot tachtig personen met elkaar omgang hadden. Slechts ’s nachts zaten ze op cel en in vele gevallen dan nog niet alleen, maar met twee of drie personen bijeen.

De cipiers zijn Duitse burgers die nauwelijks of geen vreemde talen spreken. De Antwerpenaars, Karel voorop, doen dat wel. Het levert hun een paar kleine voordelen op, zoals af en toe wat meer eten, die het leven tussen de sombere muren iets minder ondraaglijk maken.

Op 14 november 1944 stelt men 819 politieke gevangenen uit Sonnenburg over naar het concentratiekamp Sachsenhausen-Oranienburg bij Berlijn. Onder hen Karel, Lus en Rik Veraert. In afwachting van hun tewerkstelling worden ze drie weken lang ondergebracht in ijskoude barakken. Ze krijgen er het gezelschap van enkele stadgenoten die vlak voor de Bevrijding van Antwerpen (4 september) zijn opgepakt.

Karel en Lus verhuizen naar het Heinkelkommando, een kamp met 9.000 arbeiders, 15 kilometer van Sachsenhausen. Daar worden ze bewaakt door SS’ers. Het is winter en de temperatuur zakt occasioneel tot -26°. Heinkelkommando is genoemd naar de vliegtuigfabrikant Heinkel. Karel en zijn lotgenoten moet elke morgen om halfvier opstaan om in de kou op de trein naar het arbeidskamp Klinker te reizen, staand in goederenwagons. De SS-mannen aarzelen niet om hun geweerkolven te gebruiken om bij het instappen alles in “goede orde” te doen verlopen. Klinker ligt op 15 kilometer maar door de ontreddering van het spoorverkeer duurt de reis soms uren.

Het werk begint om 6 uur en pas om halfacht krijgen de dwangarbeiders twee sneetje droog brood. Om halféén is er wat soep. Na vijf uur is er nog eens soep deze keer met wat brood. Twee keer per wijk krijgen ze een stuk worst of kaas. Wanneer de trein geen vertraging heeft, zijn ze om halfacht weer in Heinkel en kunnen na het appel om acht uur in slaap vallen op hun smerige strozak. Soms gaat drie tot vier keer per nacht het luchtalarm af en dan begeleiden SS’ers hen in de bossen. Daar is het relatief veilig, maar nog kouder.

Maart en april 1945. De geallieerden zijn in Mönchengladbach, Neuss en Trier; het Negende Amerikaanse Leger bereikt in Düsseldorf de Rijn. Keulen valt en van hier gaat het naar de brug in Remagen. De Russen staan aan de Oder. Enzovoort. Nazi-Duitsland ligt op apegapen maar de waanzin duurt voort. De productie moet opgevoerd worden, de rantsoenen verminderen en de dwangarbeiders saboteren waar ze kunnen. Karel maakt kennis met de Antwerpenaar Rooms, commissaris bij de Gerechtelijke Politie, tewerkgesteld als Halleschreiber in het kantoor van Heinkel. Die zal later getuigen dat Karel ondanks alles moedig en optimistisch blijft. Karel kan in het kantoor af en toe de hand leggen op Duitse kranten. Die slagen er niet langer de dramatische toestand efficiënt te verhullen.

“Toen de Heinkel-afdeeling ophield te werken werd Karel van zijn vriend Rooms gescheiden. Hij werd weer aangeduid voor de ijzergieterij te Klinker, samen met den jongen Dirickx. Deze voelde zich echter te zwak om terug aan dit zware werk te beginnen en liet zich afkeuren. Karel beproefde nog hem te bepraten: hij on rechtstreeks uit de bakkerij brood ‘organiseeren’ en in de ijzergieterij kon duchtig worden gesaboteerd! […] Er was echter niets meer aan te verhelpen. De pogingen van den heer Rooms om Karel bij zich te houden leden ook schipbreuk. Rooms en Dirickx vertrokken naar Sachsenhausen en Karel naar Klinker.”

“Ze hadden gezworen eens terug te Antwerpen een clubje te vormen en elkaar nooit uit het oog te verliezen. Ze verlieten elkaar, voorloopig, op 5 april 1945. Vijf dagen later werd Klinker in puin gelegd.”

De Russen bevrijden Sachsenhausen op 22 april 1945. Ik  citeer letterlijk uit de Nederlandse Wikipedia: “Er waren drieduizend gevangenen achtergebleven, hoofdzakelijk zieken en verplegers. De meesten waren te zwak om hun bevrijders te verwelkomen. Ondanks de medische zorg die de geallieerden hen gaven, kwamen na de bevrijding ten minste driehonderd gevangenen om het leven door ziekte en uitputting.”

Waren Karel Wilms en Lus Dirickx “belangrijke” verzetsleden? Nee, eigenlijk niet, maar ze hebben wel een heel hoge prijs betaald voor hun jeugdige overmoed. Daarvan getuigen, is belangrijk. Tegelijk behoorden ze tot de eersten die het opnamen tegen de bezetter. Ze maken m.a.w. deel uit van een periode in de geschiedenis van het Verzet die nog onvoldoende gekend is.

Sluikbladen waaraan Karel meewerkte, zijn te vinden in het CegeSoma, de afdeling van het Algemeen Rijksarchief die zich toelegt op de studie van o.m. de Tweede Wereldoorlog. Maar hoe heetten de clandestiene publicatie die hier, in de Normaalschool werden gestencild? Hopelijk kunnen ze nog worden opgespoord. Twee jaar geleden verscheen het uitstekende boek Stad in Verzet o.l.v. Nico Wouters en Frank Seberechts, maar daarin komen Karel en zijn kameraden niet voor.

De Stedelijke Normaalschool voor Jongens,.

Karel Wilms. Eén van de velen lijkt soms op een heiligenleven en, zoals ik al zei, ik denk niet dat het alles vertelt. Maar het vormt een valabel uitgangspunt voor toekomstig onderzoek naar bijv. de netwerken van verzetsmensen en hun sympathisanten in Antwerpen. Door zijn inhoud, maar ook door zijn toon biedt het een kijk op hoe het Verzet en wie er zich mee vereenzelvigde anno 1945 naar zichzelf keek.

Eén ding wil ik u nog vertellen. De ouders van Karel Wilms en zijn vrienden hopen de hele oorlog op zijn terugkeer. Om het daarbij een substantieel geschenk aan te bieden, stellen ze een album samen met werk van beeldende kunstenaars, componisten en schrijvers. Karel zal het nooit krijgen; wat ermee gebeurd is, weet ik niet. Maar in Karel Wilms, een van de velen staan wel fragmenten en afbeeldingen en vinden we een lijst van al wie meewerkte. Daaronder ook mijn pa.

Waarom bezaten hij noch mijn moeder dat “valabel uitgangspunt”? Wilden ze niet herinnerd worden aan wat ze, zij het onrechtstreeks, hadden meegemaakt? Of was er een “probleem”? Was mijn oom (en mijn moeder dus ook) gegriefd omdat Lus slechts een bijrol speelt in het verhaal van zijn celgenoot? Boos op de schim van Karel of misschien op schrijver Armand Coenen? Voelde mijn vader zoiets als schuld omdat hij zelf niet actief in het Verzet was gegaan? Werd hem dat verweten?

Ik weet het niet. Ik weet ook niet of mijn oom het boek zelf in de kast had staan. Zo ja, dan kan hij het ook gekoesterd hebben. Er is niemand meer om het aan te vragen.

[Literatuur / Geschiedenis] Vrouw zoekt God. Hadewych: dichteres, begijn, mystica.

Geen enkele vrouw uit de Lage Landen bij de zee schreef in de middeleeuwen met meer passie en talent over haar mystieke ervaringen dan de Brabantse dichteres en prozaschrijfster Hadewych. Lang duurde het niet voor ze in geestelijke kringen grote bekendheid genoot. Toch vond niemand het opportuun om haar biografie te schrijven. Zo komt het dat we veel, maar ook heel weinig weten over deze fascinerende vrouw uit de 13de eeuw.

Was Hadeywch een vervaarlijke ketterse, wier geschriften de officiële kerk zich nadien toe-eigende? Of was de “maar” een buitengewoon begaafde vrouw, die haar diep religieus gevoel op een eigenzinnige manier gestalte gaf? Hoe dan ook, Hadeywch spreekt, meer dan zeven eeuwen na haar doet, nog altijd tot de verbeelding van filologen, historici, godsdienstwetenschappers, feministen en dichter(es)s(en).

Hadewych schreef een tamelijk omvangrijk oeuvre bij elkaar. Het bestaat uit 45 strofische- en een aantal mengeldichten, brieven en visioenen. In de visioenen beschrijft de mystieke eenwording – ze spreekt van “ghebruken” – met Christus. De gedichten behandelen vooral het “ghebreken”, de afwezigheid van de Geliefde. En de brieven zijn didactische uiteenzettingen, bestemd voor geestesgenoten. Hadewych wijst minder ervaren vriendinnen de weg van de minne en besprak problemen als onderlinge onenigheid en conflicten met de buitenwereld.

Minne

Een centraal begrip in Hadewychs discours is de “minne” of liefde. De schrijfster gaf aan het begrip overigens meer dan één betekenis: het slaat op de liefde tot God, de Godservaring, Christus als bruidegom enz. Naar goede middeleeuwse gewoonte treedt Minne ook op in gepersonifieerde vorm.

Mystiek is het streven naar eenwording met God. Het is geen specifiek christelijk verschijnsel. Hadewych schreef hoe zij op haar tiende werd gegrepen door Gods liefde en hoe die bij haar een hevige begeerte deed ontstaan, die zij “orewoet” noemde. Orewoet had ook een lichamelijk effect.

In het eerste visioen zegt Hadewych dat ze zichzelf niet kon beheersen en daarom bang was onder de mensen komen. In een van haar brieven heet het dat de lichamelijke uitputting haar had gedood als God haar geen uitzonderlijke kracht had gegeven.

Begijn

Mysticae als Hadewych hadden directe omgang met God. Dat boezemde de kerk wantrouwen in. Toch schreven priesters vol bewondering de biografie van enkele van deze merkwaardige vrouwen, zoals Christine van Stommelen (1242-1312), Lutgardis van Tongeren, Ida van Leuven, Beatrijs van Nazareth (1200- 1268) en anderen. Maar over Hadewych zijn, zoals gezegd, geen getuigenissen van derden tot ons gekomen.

De taal van haar geschriften doet de dichteres kennen als iemand uit Brabant. Haar Brabants leert bovendien dat ze omstreeks het midden van de 13de eeuw moet geleefd hebben. Een notitie op een handschrift noemt haar in de 15de eeuw “de gelukzalige Hadewych van Antwerpen”. Ze had contact met een lid van de adellijke familie van de heren van Schoten, wier bezittingen niet ver van de stad lagen. Het kan ook niet anders of ze was een begijn.

scannen0001

Op deze kaart van de Schelde van Rupelmonde tot de monding in het Felixarchief is rechts, buiten de stadsmuren, het eerste Antwerpse begijnhof afgebeeld. Het leeft voort in de straatnamen Begijnenvest en Begijnenstraat (a).

Op het eind van de 12de en in het begin van de 13de eeuw kwam in de Nederlanden, het Rijnland, Zwitserland en Italië een nieuwe religieuze beweging op gang van vrouwen (en mannen, de zg. beggarden) die hun leven aan God wilden wijden zonder eeuwige geloften en zonder zich aan een kloosterregel te onderwerpen.

Elders recruteerde de beweging leden onder de armen. Ze zwierven rond en kwamen al bedelend aan de kost. In de Nederlanden kwam een groot deel uit (kleine) adel en patriciaat. De Nederlandse begijnen – vrouwen waren de meerderheid – bleven bij hun familie, leefden als kluizenares of vormden groepen met een sterk wisselende samenstelling, wat controle door de clerus zo goed als onmogelijk maakte.

Mystiek

Deze mulieres religiosae deden geen afstand van hun bezit, maar leefden van het werk van hun handen en schonken het overbodige weg. Hun levenswijze stond haaks op de traditie die wilde dat vrouwen huwden of in het klooster gingen. In het eerste geval stonden ze onder het gezag van een echtgenoot, in het tweede onder dat van de kerkelijke hiërarchie.

De begijnen kozen voor een zeer radicale vorm van zelfstandigheid – er waren zelfs getrouwde vrouwen die hun man verlieten om zich bij hen te voegen. Die zelfstandigheid was materieel én intellectueel: de begijnen bleven buiten de Kerk en ontwikkelden hun eigen spiritualiteit. Ze discussieerden over het geloof en lazen de Bijbel in de volkstaal. Mystiek kreeg in hun beleving een voorname plaats.

Hadewych1

In 2011 publiceerde Franse schrijfster Jacqueline Kelen een merkwaardig,  mooi geschreven boek dat de mystiek Hadewych “parafraserenderwijs”  in kaart tracht te brengen. 

 In de 12de eeuw raakte een belangrijk deel van de ideeën van Aristoteles in het Westen bekend. Dat gebeurde via het Moorse Spanje, waar Arabische filosofen als Averroës zijn denkbeelden hadden bestudeerd. Zo kwam het dat de theologie, zoals die beoefende werd aan de universiteiten, steeds meer belang hechtte aan de rede – soms in die mate dat denkers als Siger van Brabant (ca. 1240-1284) besloten dat er twee vormen van waarheid bestonden: de religieuze en de filosofische, en dat pogingen om beide te verzoenen geen zin hadden.

Die constatering was subversief; ze vocht de fundamenten van het geloof en van de kerkelijke autoriteit aan. Als reactie op deze ontwikkeling stelde Bernardus van Clairvaux (1096-1153) al vroeg dat het geloof geen zaak van redelijk overleg, maar van ervaring was. Zo legde hij mede de basis voor de begijnenmystiek.

Erudiet

Hadewych was een intelligente, erudiete schrijfster. Ze kende Frans en Latijn, wat erop wijst dat ze voor een vrouw van die tijd een uitzonderlijk verzorgde opvoeding genoot. Ze blijkt ook vertrouwd met de traktaten van theologen en met de liefdespoëzie van de Noord-Franse minnezangers of trouvères.

In de brieven laste ze door haarzelf vertaalde fragmenten in uit geschriften van Willem van Saint Thierry (ca. 1085-1149) en van Richard van Saint Victor. Aan de hoofse poëzie ontleende Ze beelden en conventies die ze aanwendde in haar eigen, mystieke gedichten – een genre dat zij als eerste in Europa beoefende.

Net zoals de trouvères voorzag ze haar gedichten van een Natureingang – een inleiding die verwijst naar de natuur. Naargelang de toon van het gedicht gaat het over het aanbreken van de lente of de intrede van de winter.

scannen0001

De gloednieuwe editie van Hadewychs liederen door Veerle Fraeters en Frank Willaert (bespreking: zie hieronder).

Die van het eerste strofische gedicht gaat zo: “Ay, al es nu die winter cout, / Con die daghe ende die nachte langhe, / Ons naket saen een somer stout, / Die ons ute dien bedwanghe / Schiere zal bringen: dat es in schine / Bi desen nuwen jare; / Die hasel brinct ons bloemen fine; / Dat es een teken openbare.”

Nog niet zo lang geleden ontdekte men zelfs dat de strofische gedichten liederteksten zijn, dIe men kan zingen op melodieën van Latijnse en Franse liederen; twee ervan staan op de recente cd Pacxken van Minnen. Middeleeuwse muziek uit de Nederlan-en van de Nederlandse groep Camerata Trajectina (Globe 60610).

Extase

Hadewych beheerste niet alleen de codes van de toenmalige literatuur, maar ook haar eigen taal tot in de puntjes. Het was heel bewust dat ze het Nederlands bezigde: “Voor alles wat er op aarde is,” schreef ze in een van haar brieven, “kan men voldoende taal en Diets vinden”.

De extatische, gelukzalige vereniging met Christus die Hadeywch ervoer, heeft een ronduit erotische bijklank. Dat blijkt uit een passus uit haar 9de brief, in hedendaags Nederlands hertaald door de jezuïet Paul Mommaers:

“[…] daar zal Hij u leren wie Hij is en hoe wonderlijk zoet de ene geliefde in de andere woont en de ander zo door en door bewoont dat geen van beiden zichzelf nog onderkent. Maar onderling genieten zij elkaar – mond in mond en hart in hart en lichaam in lichaam en ziel in ziel – terwijl Gods éne zoete natuur hen beiden doorvloeit, en in elkaar zijnde zijn zij beiden één en zij blijven helemaal één, ja dat blijven ze.”

scannen0003

Deze mooie CD van het Nederlandse ensemble Camerata Trajactina is alweer twintig jaar oud… (a). 

Naast deze vorm van mystiek, de zg. “bruidsmystiek” – de ziel is de bruid van Christus – bestaat ook de zg. wezens- of triniteitsmystiek waarbij de mysticus God ervaart als gehuld in duisternis, als een onpeilbare afgrond, als een onnoemelijk Niets, ieder beeld en begrip voorbij. Voor de mysticus is de vereniging met deze God enkel mogelijk op het niveau van de “gront”, de kern van zijn existentie – te vergelijken met wat sinds Freud het onderbewuste heet.

Feminisme

Uit het werk van Hadewych blijkt echter dat beide vormen van mystiek in elkaar overvloeien. In haar zesde visioen zegt ze: “[Toen] viel ik buiten de geest, weg van mezelf en van al wat ik van Hem gezien had, – helemaal verloren viel ik de verzaligende borst van zijn natuur, de minne. Daar bleef ik in verzwolgen en verloren, buiten alle begrip: geen weten, noch zien, noch verstaan van iets anders, dan één te zijn met Hem en Hem te genieten.”

Luce Irigaray en andere Franse feministische theoretici deden het inzicht ontstaan dat de mystiek misschien wel de enige “plaats” was, waar de middeleeuwse vrouw volop haar eigen identiteit kon beleven. Zij wijzen erop dat de taal zélf ideologisch geladen is; zij was en is gekleurd door de man met zijn dominante plaats in de samenleving. Wie “zijn” taal gebruikt, neemt onvermijdelijk zijn opvattingen over.

Het gevolg is dat vrouwen een kloof gewaar worden tussen hun ervaring van zichzelf en de woorden die hun ter beschikking staan om daar over te spreken; vandaar hun verlangen naar de verwerping van taal en beeld – een verlangen dat zij, in een maatschappij waar geloof en Kerk alomtegenwoordig waren, enkel binnen het religieuze discours, binnen de mystiek konden realiseren.

De clerus sloeg de begijnen met argusogen gade, ook al omdat hun spiritualiteit tot het ontstaan van een hardnekkige ketterij leidde (het woord “begijn” is misschien afgeleid van “albigens”, een andere naam voor de katharen. Het woord “ketter” is trouwens zelf een verbastering van “kathaar” – al bestaat er verder geen enkel verband tussen begijnen en albigenzen).

Vrije Geest

Als de mens één kon worden met God, vroegen sommigen zich af, betekende dat dan niet dat hij altijd aan Hem deelachtig was – door de ziel, die van bovennatuurlijke aard was? En indien men God inderdaad in zich droeg, kon men dan nog wel zondigen?

Voor de aanhangers van de ketterij van de Vrije Geest was zonde een hol begrip en was men vrij te doen en te laten wat men wilde. Ze besloten ook dat de verhalen over Jezus, Maria en de heiligen verzinsels waren en dat de Kerk een overbodig instituut was.

De eerste aanhangers van deze afwijkende leer waren begijnen en het was in hun midden – zowel in de Nederlanden als in het Rijnland – dat hij het meeste succes kende. Men noemde de ketterij van de Vrije Geest daarom “de ketterij van de begijnen”. Het gevolg was dat ook rechtgelovige begijnen werden verdacht en vervolgd.

scannen0002

In 2002 publiceerde de Antwerpse dichteres Lucienne Stassaert (1936) bij uitgeverij P deze hertalingen van gedichten van Hadewych (a).

Toch gebeurde dat laatste vooral in Duitsland. Bij ons genoten de begijnen de bescherming van heren als de hertog van Brabant en de graaf van Vlaanderen en van de patriciërs in de steden waar zij verbleven. Toen de paus de begijnen verbood, maakte zelfs hij een uitzondering voor hen, die niets misdeden – een achterpoortje van formaat.

Was de ketterij bij ons dan toch minder verspreid of taande haar aantrekkingskracht hier sneller dan in het keizerrijk? Hoe dan ook, de clerus slaagde er na verloop van tijd beter in de Nederlandse begijnen in de pas te laten lopen.

“Nuwe”

Uit haar proza treedt Hadewych naar voren als de leidsvrouw of meesteres van beghinae disciplinatae die uit vrije wil samenleefden. Zulke groepen bleven bestaan, maar andere begijnen vestigden zich onder toezicht van een priester in een begijnhof.

In Antwerpen ontstond al in 1247 buiten de stad het hof Syon waaraan de Begijnenstraat en de Begijnenvest herinneren. Aan de andere kant bleef de ketterij van de Vrije Geest nog tot in de 16de eeuw de kop opsteken – onder anderen bij de leidekker Eligius Pruystinck, alias Looi de Schaliedekker.

Betekent dit dat men ook Hadewych van ketterij verdacht? Volgens specialisten in haar oeuvre – sinds pater J. Van Mierlo s.j. bijna allemaal geestelijken – schreef Hadewych geen denkbeelden neer die afwijken van de katholieke geloofsleer. Maar met de twijfel en de verwarring over de begijnen, was dat misschien niet nodig om toch met een scheef oog te worden bekeken.

De Katharen

De middeleeuwse kerk deed voor de bestraffing van ketters een beroep op het wereldlijk gezag (a).

Een passage in een brief wijst erop dat Hadewych misschien een tijd gevangen zat. Ze vraagt haar vriendinnen zich geen zorgen te maken – vooral niet over haar, al dwaalt ze rond of zit ze gevangen: “Eest in doelne achter landen, Eest in ghevancnessen: Want hoetsijn sal, het es der Minnen werc.”

Hadewych was zich terdege bewust van de kloof tussen de buitenwereld – godvruchtige lieden incluis – en de begijnen. Haar minachting voor de redeneerwoede van de theologen stak ze niet onder stoelen of banken. Haar geestverwanten noemde ze de “nuwe” of “nieuwen”. Wie niet tot hun gemeenschap behoorden, waren “vremden”. Dat bewijst alvast dat de groep waaraan zij leiding gaf zich sterk bewust was van zijn identiteit.

Meester Robbaert

Wie precies de begijnen waren tot wie Hadewych zich met haar teksten richtte, weten we niet. Maar tussen 1238 en 1244 stelde ze een lijst op van enkele tientallen mensen, die volgens haar de minne op een volmaakte manier hadden beleefd. De lijst is opgenomen in haar laatste visioen. De volmaakten – sommige ketterse sekten hadden ook hun “perfecti” – leefden in Thüringen, Bohemen, Zeeland, Friesland, Parijs, Denemarken en Engeland.

Het waren vrouwen én mannen, onder wie een gewezen priester uit Holland, en “een beghine die meester Robbaert doedde om hare gherechte minne”. Robbaert was de beruchte ketterjager Robert le Bougre, die van 1235 tot 1238 de inquisitie in het graafschap Vlaanderen leidde (“bougres” waren bogomilen of “Bulgaarse” ketters, een sekte waartoe Robert zelf ooit had behoord).

Marguerite

Hadewych schreef geen persoonlijke “getuigenis” in de hedendaagse zin. Haar erudiete, vaak moeilijke teksten zijn  bedoeld om het onzegbare voor derden zo toegankelijk mogelijk te maken. De brieven en visioenen – ook de laatste groeien soms uit tot echte traktaten – waren bedoeld om te motiveren en te onderwijzen. Ze dienden niet in eerste instantie voor individuele lectuur, maar om luidop in de gemeenschap voor te lezen.

Moed

Hadewych leefde in de 13de eeuwen wilde één worden met God. Maar haar verlangen naar de onverkorte beleving van het zijn is van altijd – en dus ook van ons. Zoals ook het verzet dat ze aantekent tegen de blauwdruk van de wereld die andermans taal haar en ons in de maag splitst(e), maar ons niet de woorden geeft die we nodig hebben voor ons fundamenteelste verlangen of gemis.

Hadewych was een intellectuele vrouw die de conventies van de strak geordende, vrouwonvriendelijke middeleeuwse samenleving en de door mannen gedomineerde kerk naast zich neerlegde en voor een onzeker, risicovol bestaan koos.

Ze deed dat in een tijd toen Antwerpen het toneel was van het optreden van Guillielmus Cornelis, een kapelaan van de O.-L.-Vrouwekerk, die de wereldse macht en de seksuele moraal van de Kerk bekritiseerde. Drie jaar na Cornelis’ dood liet de bisschop van Kamerijk zijn stoffelijke resten opgraven en verbranden. Op een onconventionele manier over God spreken was in haar eeuw zeker niet zonder risico.

N I E U W E    U I T G A V E

Veerle Fraeters en Frank Willaert van de Universiteit Antwerpen verzorgden een indrukwekkende uitgave van de Liederen van Hadewych. Beide Vlaamse hoogleraren werkten samen met hun Utrechtse collega Louis Peter Grijp die verbonden is aan het Meertens Instituut en Nederlandse liedcultuur doceert aan de Universiteit Utrecht. Het boek is intussen al aan zijn tweede druk.

Na een bijzonder grondige en uitgebreide inleiding over de dichteres en haar werk, gebaseerd op de meest recente onderzoeksresultaten van filologen en historici, volgen al haar gedichten. Naast de Middelnederlandse tekst staat een accurate vertaling in hedendaags Nederlands. De uitleg bij elk gedicht is omheen beide versies gedrukt in kleine rode letters – een schitterende vondst van vormgeefster Hannie Pijnappels. Een en ander maakt het mogelijk om de gedichten te lezen en te begrijpen.

Bij het boek horen vier audio-cd’s. Daarop zijn alle teksten te horen. De liederen waarvan men de melodie kon reconstrueren, zijn gezongen; de andere worden gereciteerd. Uitleg over de reconstructie van de muziek geeft Louis Peter Grijp in een apart hoofdstuk.

Deze Liederen vormen het eerste deel van het Verzameld Werk van Hadewych, wier teksten “het kloppend hart van het pantheon van de Nederlandse literatuur” vormen. Fraeters, Willaert en Grijp kregen voor hun editie de Kruyskamp Prijs 2021 van de Maatschappij voor de Nederlandsche Letterkunde.

Het bijzonder verzorgde boek verschijnt bij de Historische Uitgeverij, een Nederlandse firma die zich toelegt op de publicatie van belangrijke en mooi vormgegeven tekstedities en monografieën over geschiedenis, filosofie, literatuurhistorie en  aanverwante onderwerpen.

Hadewych, Liederen, uitgegeven, ingeleid, vertaald en toegelicht door Veerle Fraeters & Frank Willaert met een reconstructie van de melodieën door Louis Peter Grijp, Groningen, Historische Uitgeverij, gebonden, 455 blz. en vier audio cd’s, ISBN 978-90-6554-478-0 NUR 620/708, 49,95.- Euro.

Verschenen in “Eos Memo”, nr. 4.

scannen0004