Skip to content

Posts from the ‘DeVlag’ Category

[(Kunst)Geschiedenis] De moeder van de kunsten is jarig – De Antwerpse Academie bestaat 350 jaar.

   Academie1

Poortgebouw gezien vanuit de Minderbroedersstraat. In 1811 verhuisde de Academie naar het klooster van de minderbroeders waaraan deze straat en de Minderbroedertui hun naam danken (foto Jan Lampo).

In 2013 viert de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen de 350ste verjaardag van haar stichting in 1663. Daarmee is ze de op tweede na oudste kunstacademie van Europa en een van de oudste onderwijsinstellingen in België. Tentoonstellingen en publicaties zetten het feest de nodige luister bij. Hoewel de Academie de voorbije jaren vooral in het nieuws kwam als kweekvijver van Belgisch modetalent, is haar geschiedenis veel rijker. De school speelt al vanaf de 18de eeuw een essentiële rol in het Belgisch kunstgebeuren. Ook uit Nederland kwamen leerlingen die later wereldfaam verwierven, zoals Laurens Alma-Tadema en Vincent van Gogh.

We schrijven 1655, of daaromtrent. David Teniers (1610-1690), hofschilder van landvoogd Leopold Wilhelm, wisselt brieven uit met Hendrik van Halmale, buiten-burgemeester van Antwerpen en sinds 1655 hoofdman van het Sint-Lucasgilde. De heren maken zich zorgen. Het gaat niet goed met de kunst in de Scheldestad. Rubens en Van Dijck zijn dood. Het atelier van Jacob Jordaens levert alleen nog seriewerk af.

Aca5

Standbeeld van Mathieu Ignace Van Brée, directeur van de Academie tot 1829, in de tuin (foto Jan Lampo).

De schade die kerken en de kloosters in de Zuidelijke Nederlanden hebben opgelopen tijdens de godsdiensttwisten van de vorige eeuw is ruimschoots hersteld. Veel nieuwe bestellingen vallen uit kerkelijke hoek niet te verwachten. De Contrareformatie, het grote ideologische offensief van de katholieke kerk tegen het protestantisme, is trouwens over zijn hoogtepunt heen. En heel wat klanten zijn uitgekeken op de stereotiepe schilderijen die twee- en derderangs navolgers van de grote Antwerpse barokmeesters op de markt brengen.

Crisis

Alsof dat niet genoeg was, zit de hele Europese economie in het slop, zodat ook rijke verzamelaars twee keer nadenken voor ze nog kunst kopen. De Vrede van Munster die in 1648 is gesloten, heeft een einde gemaakt aan de Dertigjarige Oorlog in Duitsland en aan de Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de Noordelijke Nederlanden. Maar de Europese mogendheden wantrouwen elkaar – ook op economisch vlak.

Alle grote landen beschermen hun eigen nijverheid met hoge invoerrechten op producten uit het buitenland. Het mercantilisme – zo noemen wij die economische doctrine vandaag – leidt tot een algemene neerwaartse trend.

IMG_0519

De gevel achteraan is een overblijfsel van het laat-middeleeuwse klooster. Op de sokkel stond het standbeeld van David II Teniers, dat intussen terugkeerde naar de Teniersplaats (foto Jan Lampo).

Antwerpse schilders en beeldsnijders maar ook producenten van muziekinstrumenten, kostbare meubelen, dure boeken en ander fraais behoren tot de eerste slachtoffers van de maatregelen van de Republiek en Frankrijk tegen import uit de Zuidelijke Nederlanden.

In Frankrijk trekt de jonge, ambitieuze koning Lodewijk XIV vanaf 1661 alle macht naar zich toe. Onder impuls van zijn machtige minister Colbert schakelt hij de Franse – vooral Parijse – artiesten en beoefenaars van kunstambachten in om zijn gezag prestige en luister bij te zetten.

Een groep vooraanstaande schilders, sinds lang ontevreden met de strenge gildevoorschriften uit de middeleeuwen, sticht in de Franse hoofdstad de Académie royale de Peinture et de Sculpture. Al van in 1655 zorgt zij voor het enige rechtmatige kunstonderwijs in Frankrijk; weldra mag ze zich verheugen in koninklijke subsidies.

Demie3

Het fraaie gotische gewelf van de kloostergang (foto Jan Lampo).

Frans voorbeeld

David Teniers is veel meer dan een succesrijk schilder van vrolijke boerentaferelen. Hij treedt op als conservator van de reusachtige kunstverzameling van de aartshertog. Hij koopt en verkoopt schilderijen en andere kostbaarheden voor zijn baas.

De intelligente, maar ook ijdele Teniers – hij woont in een kasteel en droomt van een adellijke titel – kent de kunstmarkt. Met lede ogen en met een grote nuchterheid ziet hij hoe Parijs Antwerpen overklast als centrum van de artistieke productie en van de kunsthandel. Net als zijn goede vriend Van Halmale wil hij daar wat aan doen.

De oplossing, denkt hij, is een eigen Antwerpse kunstschool, naar voorbeeld van die in Parijs. Teniers wil het gildensysteem niet ondergraven, maar hij onderkent het succes van de Franse formule.

Aca6

Architect Pierre Bruno Bourla verbouwde de kerk van het klooster tot Museum en plaatste er een klassieke gevel met ionische zuilen en een fronton voor (foto Jan Lampo).

Wanneer aspirant-kunstenaars allemaal op één plaats samen naar levend model leren tekenen, hoeven de schilders bij wie ze in de leer zijn zich daar niet langer mee bezig te houden. Zo kunnen ze zich toeleggen op meer gespecialiseerde aspecten van de opleiding en hoeven ze niet elk een eigen model in te huren!

Smeekschrift

Een school kost handenvol geld. Daarom willen Teniers en Van Halmale dat de stad Antwerpen hun academie subsidieert. Maar daar is de toestemming van de koning voor nodig. In 1662 stelt Teniers een verzoekschrift op voor Filips IV die het in de Zuidelijke Nederlanden voor het zeggen heeft.

Vanuit Madrid vraagt de koning aan de nieuwe landvoogd, de markies van Caracena, wat die ervan denkt. Caracena overlegt met zijn raadgevers. Op hun beurt informeren zij naar de opinie van het Antwerpse stadsbestuur. Dat stelt oud-burgemeesters jonker Floris van Berchem en Gregorius Martens aan om informatie in te winnen. Zij komen – hoe kan het ook anders? – te biechten bij het Sint-Lucasgilde. Dat overhandigt een document waaraan Teniers zelf heeft meegewerkt.

Stadswaag

Het minderbroedersklooster op het 16de-eeuwse stadsplan van Virgilius Bononiensis (Museum Plantin-Moretus). Het plein rechts van de kerk is de Stadswaag.

Het gilde constateert dat de kunstbeoefening “door den quaden tyt ende gewesen oorloge” slabakt en dat de jonge kunstenaars slecht opgeleid zijn. Het stelt dat alleen “de geproponeerde Academie” hieraan kan verhelpen. Er wordt expliciet verwezen naar de “vrye en publicque Academie” in Parijs.

Uit een Academie in Antwerpen zullen “vele persoonen” die onrechtstreeks met kunst te maken hebben, profijt trekken, zeggen de gildedekens. Met name de leveranciers van verf, olie, doek, koper, hout en steen en de makers van penselen, lijsten enz.

Vanuit Brussel vertrekt een gunstig advies richting Madrid. Op 6 juli 1663 ondertekent Filips IV zijn goedkeuring van de stichting van de academie en haar financiering door de stad.

Aca9

De tuin van de Academie was destijds het kerkhof van de minderbroeders (foto Jan Lampo).

 Het jaar daarop stelt de Antwerpse magistraat de bovenverdieping van de oostvleugel van de Beurs ter beschikking van het Sint-Lucasgilde. Daar kan het een nieuwe vergaderzaal én zijn tekenschool inrichten.

De “schilderskamer” in het huis Spaegnien aan de Grote Markt, waar het gilde tot dan toe zijn zetel heeft, is niet groot genoeg voor een academie; de jaarlijkse huur wordt bovendien erg hoog.

De muren van het nieuwe lokaal in de Beurs worden behangen met goudleer. Daarop komen de portretten van dekens en andere belangrijke personaliteiten, samen met de vele andere schilderijen uit het patrimonium. Naast de ruimte die tot Academie zal dienen, bevindt zich nog een derde vertrek dat men inricht als keuken.

demie8

Een travee van de noordgevel van de kloosterkerk (foto Jan Lampo).

Model

Een en ander slokt een groot deel op van de 5.240 gulden die de stad geeft voor de Academie, zodat er niet genoeg geld overblijft voor een cursus architectuur. Daarom zal men zich beperken tot tekenen en boetseren naar levend model.

De tekenschool komt in een vierkant vertrek. F. Jos Van den Branden beschrijft het in zijn Geschiedenis der Academie (1863): “Door eene koperen hanglamp, met veertien bekken en voorzien van eenen blikken lichtscherm, was dit vertrek verlicht. Het was verwarmd door twee kolenvuren op koperen teilen.”

Restaurant

Refter in de Mark Mackenzaal, achter het trappenhuis van Bourla’s Museum. Let op de fraaie arduinen zuilen (foto Jan Lampo).

“De leerlingen,” vervolgt de schrijver, “zaten op houten banken en schabellen. Hun werk was nog afzonderlijk verlicht door kaarsen, welke op hooge houten kandelaars naast hen stonden […].”

” Eene blauwlakenen gordijn hing aan ijzeren geerden tegen den wand. Daarvoor stond het naakt model op een berd, dat op twee schragen rustte. Op dit slach van tafel lagen twee vierkante houten blokken, welke het model tot steun dienden, terwijl men, bij de verschillige houdingen van het lichaam, de werking der spieren bestudeerde.”

Op 26 oktober 1665 begin van het eerste Academiejaar (tot 6 maart 1666). De lessen zijn gratis en vinden ’s avonds plaats: in de winter van 6 tot 8 en in de zomer van 5 tot 8 uur. Als leraar treden dekens en oud-dekens van het gilde op. Onder hen Jordaens, Artus en Jan-Erasmus Quellin (1634-1715), de schoonzoon van Teniers, Ambrosius Bruegel en Frans III Francken (1607-1667).

“Onbehooreleyck”

Kent de Academie succes? Leerlingen zijn er zeker, maar ze gedragen zich niet altijd even goed. De komende jaren blijkt meer dan eens dat ze zich “onbehooreleyck” aanstellen en “ramoer” maken.

IMG_0503

Restanten van een renaissancegalerij op de binnenplaats bij de docentenruimte (foto Jan Lampo).

Bij de leraren, die niet voor hun werk betaald worden, is sprake van een chronisch gebrek aan autoriteit en absenteïsme. Geldgebrek blijft als een zwaard van Damocles boven de school hangen. Het bestuur van het Sint-Lucasgilde geeft liever geld uit aan spijs en drank voor zijn eigen feestmalen dan voor de verwarming en de verlichting van de academie.

Toch krijgt de school in 1694 nieuwe lokalen in de noordelijke vleugel van de Beurs. Daar komt een klas waar de almaar talrijker leerlingen gipsen beelden kunnen tekenen als voorbereiding op het tekenen naar levend model.

Van den Branden: “Al wie in het teekenen of bootseeren naar het leven nog te onbedreven was, werd naar de oefeningen der plaasterbeelden gezonden. Aldus bestond er eene hoogere en lagere klas, welke de meest gevorderden van de min bekwamen afscheidde. […]”

dubbelfluit

Vanaf het eind van de 17de eeuw gebruikte men voor het tekenonderwijs in de Academie gipsen afgietsels van klassieke beelden (foto Jan Lampo).

”De beelden, welke tot model dienden waren Hercules, de Gladiator en een Sater. […] Het beeld, dat tot studie in gebruik was, stond op een voetstuk, vóor de groote koperen hanglamp met zes bekken, die gedekt waren met eenen lichtscherm die de klaarte in overvloed op het beeld kaatste. De leerlingen zaten in eenen halven kring om het model: de teekenaars voorop, en achter deze de bootseerders.”

Vanaf 1714 ressorteren de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijk. Enkele jaren later gaat de Academie een poos dicht als straf omdat de leerlingen die het naakte model met klei hebben bekogeld.

In 1722 eist de stad een deel van de school terug om er kantoren in onder te brengen. Erger zijn de geldzorgen van het Sint-Lucasgilde dat zichzelf nauwelijks in stand weet te houden.

IMG_0508

Vlakbij de Academie bouwde Bourla voor de Stad Antwerpen een lagere school. Later werd die bij de Academie geïncorporeerd. Vandaag huisvest ze de afdeling Beeldhouwen (foto Jan Lampo).

In een rapport uit 1738 lezen we dat uit de Academie meesters zijn gesproten die “geëmployeerd zijn geweest en nu nog geëstimeerd worden aan alle hoven van het Christendom”, maar “alles is zeer vervallen.”

In de strenge winter van 1740 wordt de Academie gesloten – voorgoed, lijkt het. Slechts één van de dekens, beeldhouwer en architect Alexander van Papenhoven (1668-1759), is het niet eens met de sluiting. Hij krijgt de steun van zijn veelbelovende vakgenoot Jan-Pieter van Baurscheit de Jonge (1699-1768) en van vier andere kunstenaars.

Proces

Zij gaan zoek naar geld zodat de Academie het gilde niets meer zal kosten; bovendien zijn zij bereid om zelf gratis les te geven. Van achttien Antwerpse edelen krijgen ze de schriftelijke belofte dat die jaarlijks elk 7 gulden zullen betalen om de werkingskosten van de school te dekken. Bijna alle schenkers behoren tot recentelijk in de adelstand verheven koopliedenfamilies.

Zowel de cursus naar levend model als die naar het gips gaan in 1741 opnieuw van start. Van Baurscheit en zijn collega’s genieten veel prestige. Ze zijn goede leraars en houden er artistieke opvattingen op na die aanslaan bij aspirant-kunstenaars: binnen de kortste keren stijgt het aantal leerlingen van 30 naar 75.

Minderbroedersklooster

 Het klooster van de minderbroeders of franciscanen, gezien van west naar oost (a).

Ondanks hun aanvankelijke instemming zien de dekens van het Sint-Lucasgilde dit succes met lede ogen aan. Ze spannen voor de Raad van Brabant een proces aan om de Academie opnieuw onder hun gezag te brengen – wat uiteraard niet naar de zin van de zes leraars is.

Onafhankelijk

De tijdelijke bezetting van de Zuidelijke Nederlanden door het leger van de Franse koning Lodewijk XV draagt er toe bij dat er pas in 1748 een vergelijk komt tussen het gilde en de redders van de Academie. Het gilde staat de school en haar meubilair definitief af. Het stadsbestuur zal voortaan toezicht uitoefenen over de Academie.

Jaarlijks vinden nu wedstrijden tekenen naar levend model plaats. Landvoogd Karel van Lotharingen schenkt daarvoor een zilveren koffiepot, twee zilveren kandelaars en een zilveren theepot als eerste, tweede en derde prijs. Leden van de magistraat en voorname burgers volgen zijn voorbeeld.

OudeFotoAcademie

Het Museumplein, zoals het vroeger heette, met het poortgebouw en het standbeeld van Antoon Van Dijck.

Weldra ontstaat de gewoonte dat de leerlingen de overwinnaars of “primussen” hulde brengen. Met muziek en vaandels trekken ze door de stad naar de woning van de primus en brengen hem een serenade. Daarna gaat het naar de grote zaal van de Academie voor een feest. Bier wordt gehaald in de herberg In den Grenaatappal, naast de Beurs.

De idee dat kunst een intellectuele bezigheid is en daarom superieur aan het werk van gewonde ambachtslieden wint veld sinds de renaissance. In Antwerpen vindt ze een vurige verdediger in de persoon van de schilder en academieleraar Andries Cornelis Lens (1739-1822) die in Italië heeft gereisd en het oor heeft van landvoogd Karel van Lotharingen.

In 1773 wordt een keizerlijke verordening van kracht die schilders, beeldhouwers en graveurs ontslaat van de verplichting deel uit te maken van een gilde. In de Scheldestad beschouwt iedereen dit als een overwinning van Lens. Toch speelt ook het feit mee dat de Oostenrijke overheid om puur economische het middeleeuwse gildesysteem wil afbouwen.

postkaart

Het hoofdgebouw van de Academie in de jaren 1930 (a).

De Academie overleeft de woelingen en hervormingen van de Franse Tijd (1794-1815). Meer nog, Napoleon geeft het oude franciscanen- of minderbroedersklooster van de Mutsaertstraat aan de stad Antwerpen om de kunstschool onder te brengen.

Het jaar daarop verhuist de Academie naar het complex waar ze vandaag nog altijd is gevestigd. De kloosterkerk fungeert als museum. Dat heeft in het begin alleen een didactische functie. De leerlingen komen om het werk van oude meesters te bestuderen. Maar na verloop van tijd wordt het museum ook voor de burgers van de stad toegankelijk.

Tekencursus

Tijdens de vereniging van België en Nederland onder koning Willem I stelt directeur Mathieu Ignace van Brée (1773-1839) een tekencursus op die tot diep in de 19de eeuw op vele plaatsen gebruikt wordt.

Hoewel Van Brée zelf de klassieken navolgt, voelen velen van zijn leerlingen meer voor de romantiek. Dat is de nieuwe geest die zich na Waterloo meester maakt van de kunsten in Europa. Van Brée’s dood in 1839 – België is dan bijna tien jaar onafhankelijk – en de benoeming van Gustaf Wappers (1803-1874) tot zijn opvolger, brengen de romantici in de Academie aan de macht.

DavidTeniers

David II Teniers, de stichter van de Academie (a).

Wappers laat zich, net zoals Rubens, voorlezen terwijl hij schildert. Hij geniet de gunst van Leopold I die hem de titel van baron schenkt. Wappers denkt liberaal, maar zijn Vlaamsgezindheid en zijn eigenzinnig bestuur van de school jagen velen tegen hem in het harnas. In 1852 neemt hij ontslag. Hij verhuist naar Parijs. De franskiljonse katholiek Niçaise de Keyser volgt hem drie jaar later op.

Als weergave van de werkelijkheid, haalt de fotografie de schilderkunst in. Schilders zoeken naar wat de nieuwe techniek niet kan bieden. In Frankrijk ontstaat het impressionisme. In België houdt men het bij bruingesausde taferelen uit de vaderlandse geschiedenis.

In Antwerpen ontwikkelt Henri Leys (1815-1890) zijn eigen vorm van prerafaëlitische kunst. Hij bestudeert de Vlaamse en Duitse meesters van de 15de en 16de eeuw en borstelt realistische figuren in historische decors die hij tot in de kleinste details weergeeft.

GipsenBeelden

In de vroege jaren 1960 diende de latere Mark Mackenzaal als depot voor gipsen beelden (a).

Leys, die zelf nooit aan de Academie doceert, oefent nochtans grote invloed uit op haar leerlingen. Tot hen behoort de jonge Fries Laurens Alma-Tadema die vanaf carrière maakt in Londen.

Van Gogh

Leys’ neef en leerling Henri de Braekeleer volgt wel de lessen aan de kunstschool. Hij zal groeien uit tot de grootste schilder van de 19de eeuw in de Scheldestad.

Bekend is het feit dat ook Vincent van Gogh korte tijd aan de academie studeert. De modellen zijn gratis, schrijft hij zijn broer Theo. Maar binnen de kortste keren komt het jonge genie in botsing met het conservatisme van middelmatige leraars zoals Frans Vinck en Eugène Siberdt. Van Gogh kiest eieren voor zijn geld en neemt de trein naar Parijs. De leraars, die zich niet eens van zijn vertrek bewust zijn, geven hem op het eind van het academiejaar een onvoldoende.

Met het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten krijgt de Academie in 1885 een “bovenbouw” waar haar beste studenten (en die van andere kunstscholen) hun opleiding enkele jaren kunnen voortzetten. Deze hervorming is mede te danken aan directeur Charles Verlat.

Lantaarns

Smeedijzeren lantaarns aan weerszijden van de poort van het Bureel van Weldadigheid aan de Blindestraat, waar de afdeling Conservatie & Restauratie is gevestigd (foto Jan Lampo).

Verlat is niet alleen een uitstekend dierenschilder die inwoners van de Zoo laat poseren in de “beestenklas”, maar ook een schitterend leraar. Hij countert de uitdaging van de fotografie door met zijn leerlingen enorme panorama’s te schilderen.

In de Academie blijft de liefde voor de geschiedenis tot aan de Eerste Wereldoorlog hoge toppen scheren. Pas na 1918 dringt aarzelend een modernere kijk op de wereld door. Van 1936 is de getalenteerde portrettist Isidoor Opsomer (1878-1967) directeur van de school. Een hemelbestormer kan men hem niet noemen, maar hij is een meer dan verdienstelijk kunstenaar. Alleen krijgt hij het verwijt dat hij vooral… “kleine Opsomerkes” opleidt.

Nieuwe Orde

Tijdens de jaren 1930 studeren aan de Academie en het Hoger Instituut jongeren die na de Tweede Wereldoorlog naam zullen maken zoals Marc Mendelson (1915), Vic Gentils (1919-1997), Pol Mara (1920-1998), Jan Cox, Luc Peire en Jack Godderis (1916-1971).

Demie5

De binnenplaats bij de docentenruimte, detail (foto Jan Lampo).

In Berlijn vindt van 17 mei tot 11 op initiatief van de Deutsch-Flämische Arbeitsgemeinschaft (DeVlag) van Jef van de Wiele de tentoonstelling Flämische Kunst der Gegenwart plaats, waaraan docenten van het Hoger Instituut deelnemen. Er is werk te zien van o.a. Julien Creytens, Willy Kreitz, Henry Luyten, Albert Poels en Albert Van Dijck. De meeste werken in de expositie zijn “gewoon” traditioneel en apolitiek, maar enkele beeldhouwers stellen koppen van Nieuwe Ordefiguren tentoon.

De dag dat de nokvolle bioscoop Rex aan de De Keyserlei getroffen wordt door een Duitse raket, valt ook bij de Academie een V-bom. Alle ruiten van de school sneuvelen en een deel van de kunstcollectie gaat verloren. Het is een moeilijke en verwarde tijd.

De aanstelling van de schilder Constant Permeke tot nieuwe directeur wordt na enkele maanden ongedaan gemaakt door minister Camille Huysmans. Collaborateurs vliegen aan de deur, maar sommige deelnemers aan de expositie in Berlijn mogen ondanks alles hun docentschap weer opnemen.
 
In de jaren 1950 wordt naar ontwerp van de bekende architect Leon Stynen – hij staat aan het hoofd van de intussen afgesplitste architectuuropleiding – een nieuwe vleugel gebouwd met ruime ateliers en lichte klassen. Samen met het bedreigde Zeemanshuis vormt dit gebouw een zeldzaam voorbeeld van modernisme in de Antwerpse binnenstad.

De viering van de 200ste verjaardag van de Academie in 1963 gaat gepaard met een academische zitting en de creatie van het ballet De Triomf van de Dood op muziek van de Vlaamse componist Renier Van der Velden (1910-1993) en met decors van schilder en docent Jan Vaerten (1909-1980). Er zijn verschillende tentoonstellingen.

Happenings

Mary Prijot (1917-1990), van opleiding pianiste, richt in de Academie de cursus Mode en Theaterkostuumontwerpen in. Ze geeft er les tot 1982. Wat van start gaat als een bescheiden afdeling met enkele leerlingen, groeit in twee decennia uit tot de bekendste richting van de school.

Vanaf 1966 krijgt het hoger kunstonderwijs in België een volledig dagprogramma met specialisaties waaronder ook fotografie, grafiek, grafische vormgeving, juweelontwerpen, keramiek en monumentale kunst.

Poortgebouw

Prijot is nog maar juist aan de slag met haar studenten, wanneer oud-leerlingen van de Academie als Panamerenko, Hugo Heyrman en Wout Vercammen voor de ogen van de verbaasde Antwerpenaars de eerste happenings organiseren. Het is de tijd van flower power, protesten tegen de oorlog in Viëtnam en het legendarische café De Muze, waar het storm loopt voor zanger Ferre Grignard en jazzmuzikant Mike Zinzen.

Heyrman en Panamarenko sluiten het Conscienceplein af met industriële ijsblokken. De actie wil het stadsbestuur ertoe overhalen om het plein autovrij te maken. Nieuwe galeries zoals de Wide White Space Gallery halen de internationale avant-garde naar Antwerpen; de gedrukte media maar ook de televisie besteden van langsom meer aandacht aan het mondiale kunstgebeuren.

In 1970 opent in het koninklijk paleis aan de Meir het Internationaal Cultureel Centrum (ICC) zijn deuren, dat het komende decennium uitgroeit tot een belangrijke tentoonstellingsruimte voor hedendaagse kunst. In de ogen van nogal wat studenten blijft de Academie te midden van al dat artistiek geweld te braaf en te… academisch. Maar dat verandert naargelang oudere docenten met pensioen gaan en jongeren hun plaats innemen en de creatieve inbreng van de leerlingen in de verschillende ateliers een ruimere plaats krijgt toegemeten.

Zes van Antwerpen

Anno 1987 organiseren enkele modeontwerpers die in het begin van het decennium zijn afgestudeerd tijdens de British Designer Show in Londen een groepsdefilé. Hun namen zijn Anne Demeulemeester, Dirk Bikkembergs, Walter Van Beirendonck, Dries Van Noten, Dirk Van Saene en Marina Yee.

Aca10

Het verweerde beeld van Quinten Metsys door Charles Geerts uit 1836 in de tuin aan de Mutsaertstraat (foto Jan Lampo).

Een Engelse krant noemt hen “The Six of Antwerp”. Voortaan haalt de jaarlijkse modeshow van de academie de wereldpers. Weldra komt er ook een afdeling Conservatie en Restauratie, die in 1994 een volwaardige studierichting wordt. Terwijl de modestudenten een nieuw onderdak krijgen in de Modenatie aan de Nationalestraat (2001), betrekt Conservatie en Restauratie drie monumentale 19de-eeuwse panden in de Blindestraat aan de rand van de oude academiecampus (2002).

Als gevolg van het Vlaamse Hogeschooldecreet gaat de Academie in 1996 op in de Hogeschool Antwerpen (thans Artesis Hogeschool) en wordt daarvan het Departement Audiovisuele en Beeldende Kunst. Dit wordt niet meer geleid door een directeur – de laatste is fotograaf en kunsthistoricus Johan Swinnen – maar door een verkozen departementshoofd. Acht jaar later, in 2004, is de Bolognahervorming van het hoger onderwijs een feit. Sindsdien krijgen de studenten bachelor- en masterdiploma’s.

Advertisements

Geschiedenis – Hitlers trouwste vrienden. Jef Van de Wiele en zijn Vlaamse Landsleiding (1944-1945).

Sommige leiders van de Vlaamse collaboratie geloven tot het bittere eind dat Hitler de Endsieg zal behalen. In de septemberdagen van 1944 vluchten zo’n 15.000 “zwarten” met de terugtrekkende Wehrmacht naar Duitsland. Daar stichten Jef Van de Wiele, Cyriel Verschaeve, August Borms en enkele medestanders met goedkeuring van de SS-top de Vlaamsche Landsleiding. Die “regering in ballingschap” tekent in een tochtig kasteel de toekomst van een nationaalsocialistisch Vlaanderen uit, terwijl de lucht vol geallieerde bommenwerpers hangt.

In 1972 al publiceerde historicus Willem C.M. Meyers een baanbrekend artikel over deze episode vol zelfbedrog en ideologische verblinding. Toch blijft het relaas over de Vlaamse Landsleiding een wat onderbelicht deel van de geschiedenis van de collaboratie in België.

Cyriel Verschaeve met kat, 1939.

30 juli 1944. In het Vlaams-Brabantse Meensel-Kiezegem schieten drie weerstanders een leider van de Zwarte Brigade neer. Dat is de paramilitaire arm van het Vlaams Nationaal Verbond (VNV), de grootste collaboratiebeweging in Vlaanderen. Twee dagen later jagen “zwarten” uit wraak vier inwoners van het dorp over de kling en verrichten arrestaties.

Op 11 augustus omsingelen Duitse soldaten en een groep Vlaamse medestanders het dorp. Het bevel tot de actie komt van de beruchte Ss’er Robert Verbelen (1911-1990). Vijfennegentig inwoners worden opgepakt. De meesten worden vlak voor de Bevrijding op transport gesteld naar het concentratiekamp van Neuengamme. Slechts 28 van hen keren terug.

Rond deze tijd breken Amerikaanse en Britse troepen door de Duitse verdediginglinies in Normandië waar ze op 6 juni geland zijn. Gealliëerde tanks rollen weldra over de wegen van Noord-Frankrijk.

17 augustus – acht dagen voor de bevrijding van Parijs, twee weken voor de Engelsen de Belgische grens oversteken. In het bos van Rognac in het Henegouwse Courcelles schieten verzetslui de rexistische burgemeester van Groot-Charleroi, Prosper Teughels, neer. Ook zijn vrouw en zoon komen aan hun eind.

Plaatselijke rexisten en geestesgenoten uit Brussel – Rex is de Duitsgezinde partij in Franstalig België – brengen de volgende dagen vier weerstanders om het leven. Op 19 augustus fusilleren ze bij dageraad in Courcelles 19 onschuldige gijzelaars – onder hen politieagenten, dokters en zelfs de pastoor-deken van Charleroi.

Jef Van de Wiele

De gecensureerde pers laat uitschijnen dat de Duitsers zich enkel “strategisch” terugtrekken en dat de Wehrmacht ieder moment een succesrijk tegenoffensief kan inzetten. Maar de meerderheid van de Belgen wacht vol spanning op de Bevrijding. Het Verzet wordt driester; grote en kleine collaborateurs maken zich zorgen.

In Vlaanderen zijn de trouwste aanhangers van Hitler te vinden bij de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag), een organisatie die deel uitmaakt van de SS. Aan het hoofd ervan staat SS-ObersturmbannführerJef Van de Wiele (1903-1979). Hij ziet de bui hangen en vraagt op 15 augustus of de Duitsers van plan zijn op Belgisch grondgebied weerstand te bieden.

Jef van de Wiele spreekt zijn aanhangers toe.

Hij krijgt geen duidelijk antwoord, maar twee weken later laat de vertegenwoordiger van Reichsführer-SS Heinrich Himmler, Richard Jungclaus, aan Van de Wiele weten dat de kaderleden van de DeVlag samen met de bezetter het land mogen verlaten. Jungclaus heeft dat op 1 september met Himmler bedisseld. Van de Wiele en de zijnen moeten naar Brussel komen waar treinen en vrachtwagens op hen zullen wachten. Vanuit Gent en Antwerpen legt men eveneens speciale transporten in.

Omdat vele havens aan de Franse kust nog in Duitse handen zijn, wil het geallieerde opperbevel zo snel mogelijk doorstoten naar Antwerpen – een grote zeehaven is essentieel voor de bevoorrading van de soldaten. Op 2 september steken Engelse tanks de Belgische grens over. Doornik en Brussel worden de volgende dag bevrijd; Antwerpen zelf volgt op 4 september.

Maaseik

De leiding van de DeVlag, de Vlaamse SS-mannen en hun familie en alle mogelijke andere collaborateurs verzamelen in Maaseik. Limburg ligt ver van het front; de Duitsers denken er bovendien aan zich in te graven langs het Albertkanaal. De meeste vluchtelingen arriveren per trein; anderen komen op de fiets. De drukte in het (eind)station van Maaseik is zo groot dat sommige treinen moeten terugkeren om via Tongeren en Wezet naar Duitsland om te rijden. De vele auto’s die in het stadje aankomen, veroorzaken verkeersopstoppingen. SS-Obersturmführer Jef François en zijn collega Paul Suys trachten een en ander in goede banen te lijden.

Hendrik Elias in gelukkiger tijden, 1926.

Priester Cyriel Verschaeve, de “geestelijke leider van het Vlaamsche volk” is al op 31 augustus uit Brussel naar Duitsland vertrokken. VNV-leider Hendrik Elias en zijn medewerkers houden een tussenstop in Lummen, waar het VNV een kasteel heeft in beslag genomen, maar willen ook via Maaseik naar het Reich. Een ooggetuige vertelt in oktober aan een reporter van de Antwerpse socialistische krant Volksgazet:

“Op zondag 3 september kreeg Maaseik hoog bezoek. Onder de volgens van diverse pluimage bevond zich niemand minder dan… de Leider Elias, in hoogsteigen persoon. De fiere sicamber scheen ditmaal niet gekomen om een van zijn groote redevoeringen uit te brallen. Hij kon in die opstopping niet snel genoeg vooruitkomen, en sakkerde omdat zijn auto versperd geraakte in den warboel van optrekkende vervoermiddelen.”

Josias zu Waldeck-Pyrmont (foto Bundesarchiv)

“Er is toen zelfs een hevig incident ontstaan, toen Elias zich den voorrang wilde doen verschaffen. Midden in de opeengepakte menigte werd hij aangebruld door een jongen SS-man van Maaseik, die aan het Oostfront gestaan heeft, en die hem midden tusschen het volk in het gezicht striemde: Gij hebt ons van de schoolbanken gehaald en naar de hel van het Oostfront gestuurd: maar gij zelf zijt veilig thuisgebleven! En nu op het oogenblik dat ge naast ons zoudt moeten staan, nu laat ge ons in den steek!”

“[…] Ook Jef Van de Wiele en Piet Wijnendaele zijn dien dag toegekomen. Zij zijn natuurlijk ook een tijdje door de verkeersopstopping opgehouden geworden. zij hebben al dien tijd rondgelopen met een mitraillette in de hand. Gelachen mocht er niet worden. Zelfs niet geglimlacht, of er vielen slagen.”

De vluchtelingen maken zich zorgen over het Duitse voornemen om de bruggen over de Maas en het Julianakanaal op te blazen. Gelukkig slagen ze erin hen op andere gedachten brengen. Zo kunnen de Vlamingen op weg gaan naar Nederlands Limburgse Susteren waar een NSB-burgemeester de plak zwaait. Van daar zetten ze hun weg voort naar het Duitsland. Uiteindelijk belanden zo’n 15.000 Vlaamse collaborateurs in het Duizendjarige Rijk. De meesten worden zo goed en zo kwaad als mogelijk ondergebracht in opvangkampen verspreid over de Gau Oost-Hannover.

Kasteel

Van de Wiele logeert in Keulen. Zijn getrouwen mogen een radiozender gebruiken om uitzendingen naar België te maken. Hijzelf probeert het contact met medewerkers en sympathisanten te herstellen. Doordat de DeVlag Duitse afdelingen heeft en Van de Wiele een uitstekende relaties onderhoudt met de SS-top, krijgt hij weldra de beschikking over het kasteel van de familie Zu Waldeck-Pyrmont in het kuuroord Bad Pyrmont. Dat ligt in het Wesenbergerland, zo’n 70 km ten zuidwesten van Hannover.

De eigenaar van het slot, SS-Obergruppenführer und General der Polizei prins Josias zu Waldeck-Pyrmont, stelt het kolossale zomerverblijf van zijn familie al enkele jaren las hospitaal ter beschikking van de SS. Ook elders in de stad verblijven gewonde militairen. Het kasteel is niet comfortabel. De prins heeft het luxueuze meubilair laten weghalen. Het tocht in de hoge slaapzalen er en er is nauwelijks verwarming. Voor het sanitair moeten de bewoners naar de kelder.

Het kasteel van Pyrmont, heden.

In het Oosten rukken de Sovjets op. In het westen stijgt golf na golf van Britse en Amerikaanse bommenwerpers op om de Duitse steden in de as leggen. Zelfbenoemde Vlaamse voormannen krijgen de opdracht zich naar Bad Pyrmont te begeven om hun Landsleider Van de Wiele te helpen.

Van de Wiele heeft carte blanche gekregen om een Landesleitung Flandern – een Vlaamse regering in ballingschap – te vormen. Himmler wil dat hij een statuut uitwerkt voor het Reichsland Flandern dat na de herbezetting van België moet worden opgericht. Met het oog daarop mag de Landsleider “gevolmachtigden” of ministers aanstellen.

Elias en zijn VNV weigeren mee te doen. De partij was altijd voorstander van een min of meer zelfstandig Vlaanderen (of “Dietsland”) binnen het Duitse rijk. Maar wanneer de leiding beseft dat de bezetter de partij voor het lapje houdt door haar alleenheerschappij in Vlaanderen voor te spiegelen, is het te laat om uit de collaboratie te stappen.

Elias beseft dat de oorlog verloren is. In de huidige, benarde omstandigheden, ziet hij er geen graten in dat zijn aanhangers in Duitse fabrieken werken, maar hij wil niet dat ze dienst nemen in de SS of in de Wehrmacht. In januari 1945 zullen de Duitsers Elias zelfs gevangenzetten.

Adviesraad

De eerste “Vlaamsche kop” die in Bad Pyrmont van een trein zonder ruiten stapt, is Cyriel Verschaeve. Achteraf zal hij schrijven dat de Duitsers eerst aan hem hebben aangeboden grote baas van de Vlamingen te worden. De profeet wordt gevolgd door historicus Rob Van Roosbroeck (1898-1988). Die was tijdens de bezetting als Ss’er onderwijsschepen van Groot-Antwerpen en hoogleraar aan de universiteit van Gent.

Zij krijgen het gezelschap van de econoom Edgard Delvo (1905-1999), gewezen leider van de collaborerende eenheidsvakbond Unie van Hand- en Geestesarbeiders, en overloper van het VNV naar de DeVlag. Nog meer vreugd is er bij de aankomst van August Borms (1878-1946), een van de propagandistische boegbeelden van de collaboratie. Antoon Jacob (1889-1947), jurist en literatuurhistoricus, heeft jarenlang aan de universiteit van Hamburg gedoceerd, waar hij in de ban van het nazisme geraakt. In 1941 geven de Duitsers hem de leerstoel van de socialist August Vermeylen aan de Rijksuniversiteit Gent.

August Borms, reliëf van Albert Poels.

Verschaeve, Borms en Jacob zijn geen politici in de strikte zin des woords. Maar in collaboratiemiddens genieten ze een enorm aanzien wegens hun rol in het Activisme en de Vlaamse Beweging. Hoewel ze geen lid van de DeVlag zijn, weet iedereen dat hun sympathieën die kant uitgaan. Ideologisch zijn ze, ook in Duitse ogen, volkomen betrouwbaar. Daarom vormen ze ideale kandidaten voor de Adviesraad die de Landsleiding bijstaat en er op termijn moet voor zorgen dat alle gevluchte Vlaamse neuzen in dezelfde richting wijzen. Verschaeve krijgt de voorzittersstoel.

Van Roosbroeck wordt door Van de Wiele tot gevolmachtigde voor Kunst en Onderwijs benoemd. Delvo zal zich buigen over Sociale Zaken; ingenieur J. Haesaerts krijgt Techniek en Wederopbouw. De jurist René Lagrou (1904-1969) wordt gevolmachtigde voor Binnenlandse Zaken. SS’er Robert Verbelen leidt het departement Politie.

Propaganda wordt toegewezen aan de dichter en SS-man Pol Le Roy (1905-1983), wiens literaire werk merkwaardig genoeg beïnvloed is door het surrealisme.  Voorts zijn er kleinere “ministeries” zoals Arbeidsdienst, Gezondheidszorg en Jeugdzaken. Dat laatste wordt de job van Hauptsturmführer Raf Van Hulse (1903-1977), tot voor kort leider van de Hitlerjeugd Vlaanderen (waar ook de jonge Hugo Claus lid van is geweest).

Er worden plannen gesmeed om het Reichsland Flandern te verdelen in 12 gouwen, waaronder “Zeeland” en “Noord-Brabant” die moeten losgemaakt worden van Nederland, en “Westland” en “Zuid-Vlaanderen” die de Fransen zullen afstaan. Gent krijgt het statuut van Vlaamse hoofdstad. Het Vlaamse leger zal deel uitmaken van de Wehrmacht, maar er een eigen opperbevel op nahouden.

Antoon Jacob.

Van Roosbroeck wil voorgoed een einde maken aan de strijd tussen de verschillende onderwijsnetten. Hij besluit het katholiek onderwijs af te schaffen, op de universiteit van Leuven na. Hij vindt ook dat het studievak Folklore meer aandacht moet krijgen in het academische curriculum. Voorts wil de Landsleiding af van de typisch Belgische lintbebouwing en neemt zich voor de ontwikkeling van de dorpskernen te stimuleren.

Een waarnemer van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken kan niet nalaten in een rapport het “professorale” karakter van zulke plannen te bekritiseren. De Vlamingen gaan degelijk te werk, maar erg realistisch zijn ze niet…

Divisie Langemarck

De Russen komen dichter; de geallieerde bommenwerpers blijven overvliegen.

Wie dat laatste aan den lijve ondervindt, is Pol Le Roy. Hij  verblijft hoofdzakelijk in Berlijn. Daar vertegenwoordigt hij de Vlaamsche Landsleiding bij het Europäisches Propagandabüro waar Noorse, Deense, Franse, Nederlandse, Waalse en andere Hitlerianen samenwerken om de “Europese” gedachte uit te dragen.

Ook Lagrou, die Van de Wiele “president” van de Landsleiding noemt en zichzelf “voorzitter”, verblijft in de hoofdstad. Hij neemt er als factotum de piepjonge André Leysen in dienst. De latere captain of industry vertelt dat zelf in zijn boek Achter de Spiegel. Terugblik op de Oorlogsjaren (1995).

André Leysen (foto DBNL)

Leysen beschrijft hoe Lagrou hem naar Zittau aan de Tsjechische grens stuurt om de ex-directeur van een Vlaamse verzekeringsmaatschappij te ronselen als minister voor de Landsleiding. Maar de man staat aan het hoofd van een bedrijfskeuken en verkiest warm eten boven een onzekere politieke toekomst.

Inmiddels tobt de Landsleiding over manieren om het lot van de Vlamingen in Duitsland te verbeteren. Ze wil scholen openen voor de kinderen en probeert jongen mannen over te halen om te werken in de oorlogsindustrie of dienst nemen in de Vlaamse SS-Volkgrenadierdivisie Langemarck.

Jef François.

 Op 1 november moeten de Vlamingen het kasteel Waldeck-Pyrmont ontruimen. De leden van de Landsleiding raken verspreid. Borms vertrekt naar het kuuroord Teplitz. Verschaeve logeert in het kasteel Gross-Priessen bij de adellijke familie Chotek. Anderen verkassen richting Hildesheim.

Tijdens een bijeenkomst in Potsdam spreekt Verschaeve zich namens de Landsleiding uit tegen het bestoken van Antwerpen met V-bommen. Maar de Duitsers zijn niet echt onder de indruk. Vanuit Aussig, waar de volgende vergadering plaatsvindt, stuurt Van de Wiele een telegram aan Himmler. Hij spreekt zijn geloof in de Endsieg uit. Le Roy houdt een toespraak waarin hij de hautaine houding van de Duitsers jegens de Vlamingen laakt. Ook uit artikels in het blad Vlaamsche Post blijkt dat het Herrenvolk nogal neerkijkt op de Ausländer en hen discrimineert.

Toch krijgt de Landsleiding – behoorlijk laat, vinden velen – een min of meer officiële erkenning van de Duitse overheid. Het ministerie van Buitenlandse Zaken belooft zelfs geld – al moet dat na de “bevrijding” van België worden terugbetaald. Op 15 december 1944 tenslotte, ontvangt Hitlers buitenlandminister minister Joachim von Ribbentrop (1893-1946) Van de Wiele. Die laatste mag zich voortaan “Leider van het Vlaamse Bevrijdingscomité” noemen.

Ardennenoffensief

De Vlaamse Wacht is inmiddels ingelijfd bij de SS-Sturmbrigade Langemarck. SS’er Jef François wordt adjudant van Standartenführer Müller en Van de Wiele – hij is ooit nog leraar geweest – organiseert lessen Nederlands voor de Duitse officieren. Ex-leden van de Vlaamse SS worden intussen opgeroepen om dienst te nemen bij de Waffen-SS. Maar nogal wat Vlamingen behoren tot andere militaire eenheden en willen niet van een overstap horen.

Foto uit een naoorlogse Amerikaanse speelfilm over het Ardennenoffensief.

Van de Wiele denkt dat Elias de weigerachtige manschappen  manipuleert. Verschaeve beklaagt zich in een Duitse brief aan Himmler over de tegenwerking door de VNV-leider: “Dr. Elias begint weer met zijn spelletjes. Hij verbiedt zijn mensen iedere medewerking. Erger nog, hij saboteert een van de belangrijkste taken van de Landsleider: de uitbouw van de Volksgrenadierdivisie Langemarck. Hij raadt de leden van het VNV af zich daarvoor te melden.” Toch telt de divisie in december zo’n 6.000 manschappen.

Met het oog op de herovering van Antwerpen, lanceren de Duitsers op 16 december 1944 het Ardennen- of Von Rundstedt-offensief. Vierentwintig divisies vallen aan tussen Trier en Monschau. De opmars komt onverwacht. De Amerikanen krijgen zware klappen. Het slechte weer belet hun luchtmacht in te grijpen.

Heinrich Himmler.

 De Duitsers hijsen de actieve leden van de Landsleiding in een nieuw uniform en brengen hen per trein naar Wahn bij Keulen. François krijgt de leiding over een “kampgroep” – zo’n 3000 manschappen die als reservetroepen kunnen fungeren. De Duitsers beloven de macht in Vlaanderen zo snel mogelijk aan Van de Wiele over te dragen en in Wallonië aan Rex-leider Degrelle. Die laatste is voorlopig in Bonn gestationeerd. Zodra België is veroverd, krijgt Lagrou te horen, moet hij Radio-Brussel weer opstarten.

Een laatste poging om Elias te dwingen lid te worden van de Landsleiding, loopt op een sisser uit. Van de Wiele hoopt op verzoening, zegt hij, zelfs met “attentisten” en andere niet-collaborateurs in België. Maar het “nieuwe” Vlaanderen zal geleid worden door een eenheidspartij. Eén met weinig leden – “om de zuiverheid van de idee te waarborgen” – en met hemzelf aan het roer.

Strovuur

Het Ardennenoffensief jaagt de Belgische bevolking de stuipen op het lijf. Even lijkt het alsof de bezetter terugkeert. Maar op 22 december verwerpt generaal McAuliffe met het gevleugelde woord “Nuts!” een Duits verzoek tot overgave. Dankzij beter weer kan de Amerikaanse luchtmacht het belegerde Bastogne van munitie voorzien. Op Kerstdag vertrekken Amerikaanse tanks op vanuit Martelange. De val van La Roche op Oudejaar vormt het begin van het einde van de Battle of the Bulge. Vanaf 13 januari trekken de Duitsers zich terug.

De Vlaamsche Landsleiding komt een laatste keer in februari plaats bijeen in Aussig. Verschaeve noteert: “Al de hoop om Vlaanderen terug te zien, zo hel opgeflakkerd in ’t Ardennenoffensief van Kerstdag, zonk als een strovuur neer, uitgedoofd, en Vlaanderen zelf verdween uit het zicht, werd ten minste ver weg achteruitgedreven op een schemerende achtergrond door dit uitbreken van de moderne Hunnen.”

Pol le Roy in 1965.

De instorting van Duitsland belet het verder functioneren van de Landsleiding. De eenheden van de brigade Langemarck worden her en der in de pan gehakt. De Sovjets vernietigen het jeugdregiment omstreeks 25 april 1945 in de omgeving van Prenzlau.

Doodvonnissen

Na de Duitse nederlaag veroordelen Belgische krijgraden alle protagonisten van de Landsleiding ter dood. Maar alleen Borms wordt ook terechtgesteld. Soldaten executeren hem in april 1946 op het oefenterrein van de kazerne in Etterbeek (vandaag campus van de VUB). Van de Wiele zit tot 1963 in de gevangenis. Na zijn vrijlating gaat hij in Duitsland wonen. Hij sterft in 1979 in Brugge zonder nog een politieke rol te hebben gespeeld.

Verschaeve vlucht naar Oostenrijk en woont tot zijn dood in 1949 hij in Solbad Hall. In 1973 graven leden van de extreemrechtse Vlaamse Militanten Orde zijn lijk op en smokkelen het naar België. Ze nodigen journalisten uit om het te komen bekijken in de kelder van een café in het Oost-Vlaamse Bazel. Uiteindelijk wordt Verschaeve opnieuw begraven in Alveringem waar hij kapelaan was – het gemeentebestuur zorgt voor zes ton beton om een herhaling van het groteske ontgravingsavontuur te voorkomen.

Graf van Cyriel Verschave in Alveringem. 

De Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging vertelt anno 1998 niets over het naoorlogse leven van Edgard Delvo. De website Blokwatch signaleert dat hij gratie krijgt en in de jaren 1980 uit Duitsland terugkeert. Hij publiceert Sociale collaboratie: pleidooi voor een volksnationale socia­le poli­tiek met een voorwoord van prof. Karel van Isacker.

Het boek, dat al van 1944 dateert, is volgens de historicus geschreven voor Delvo’s  “gees­tesver­wanten en […] de hele arbeiderswereld” als “een uitvoerige belijdenis van zijn geloof in de volksstaat, ge­bouwd op de organische, solidaris­tische volksge­meenschap, een ge­zindheid die alle groepen en standen solidair tot een volksge­meenschap verbindt en op elkaar richt.” Later vindt Delvo steun bij het Vlaams Blok dat hem na zijn dood in 1999 bedenkt met een paginagroot in memoriam in het partijblad.

Robert Verbelen spreekt bij een uitvaart (foto Tony Van Dyck).

Van Roosbroeck leeft ondergedoken in Antwerpen tot in 1947 en ontkomt dan naar Nederland. Onder talrijke pseudoniemen publiceert hij in Vlaamse dag- en weekbladen. Hij schrijft  verscheidene historische studies waaronder een Willem van Oranje die bij de Antwerpse uitgeverij Mercatorfonds uitkomt. Van Roosbroeck overlijdt in 1988 in het Noord-Brabantse Oosterhout.

 Tweede leven voor Verbelen

Jef François komt in juli 1952 vrij. Op het einde van de jaren 1960 werkt hij voor de Volksunie in Antwerpen. In 1977 sluit hij zich aan bij de Vlaams-Nationale Partij van Karel Dillen. Hij treedt op als raadgever van de VMO van kroegbaas Bert Eriksson. François overlijdt in 1996 in Gent.

In 1945 pakt de Staatsveiligheid Pol Le Roy op in Lüneburg. Drie jaar later wordt zijn doodvonnis omgezet in levenslang. Door bemiddeling van vroegere Dinaso-vrienden, intussen christendemocraat, komt de dichter in 1951 vrij. Hij verdient de kost als vertaler en reiziger in boeken en verdiept zich in filosofie en esoterie. Na de oorlog publiceert hij een vijftiental dichtbundels. Hij sterft in 1983 in Bornem.

Rob van Roosbroeck in de jaren 1970.

 De Amerikaanse militaire counter intelligence ontfermt zich over de fervent anticommunistische Robert Verbelen, die uit Duitsland naar Oostenrijk is gevlucht. Zo ontloopt de ex-Ss’er uitlevering aan België. Tijdens de Koude Oorlog werkt Verbelen tien jaar voor de Amerikanen. Later treedt hij op als informant van de Oostenrijkse federale politie. In 1959 krijgt hij zelfs de Oostenrijkse nationaliteit.

De beroemde nazi-jager Simon Wiesenthal komt Verbelen op het spoor en dat leidt tot een aanklacht wegens oorlogsmisdaden. Maar in 1965 spreekt een Weense rechtbank hem vrij, al erkent ze dat hij twee moorden heeft gepleegd (!). Later zal het Oostenrijkse Hooggerechtshof dat vonnis nietig verklaren, maar tot een nieuw proces komt het nooit.

Een parlementaire onderzoekscommissie brengt aan het licht dat België nalatig is geweest in het doorspelen van informatie over Verbelens oorlogsverleden aan Wenen. Verbelen verkeert intussen openlijk in Oostenrijkse neonazikringen. Hij publiceert ook detective- en spionageromans. Robert Verbelen overlijdt in 1990 in de Oostenrijkse hoofdstad.

Hendrik Elias, de man die niet wilde meedoen met de Landsleiding, krijgt in 1951 gratie van de Belgische regent, prins Karel. Hij moet levenslang zitten, maar komt om gezondheidsredenen vrij in 1959. Van 1963 tot ’65 verschijnt zijn Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte. Na zijn dood in 1973 ziet men af van de uitgave van het manuscript Het Vlaams-nationalisme tijden de Tweede Wereldoorlog. De historicus Albert De Jonghe heeft immers na een voorpublicatie aangetoond dat Elias soms een loopje neemt met de realiteit.

Verschenen in Memo, nr. 1.

%d bloggers liken dit: