Skip to content
Advertenties

Archief voor

Muziek – “Zémire et Azor” (1771) van de Luikse componist André Ernest Modeste Grétry (1741-1813)

André Ernest Modeste Grétry.

André Modeste Grétry werd op 8 februari 1741 in Luik geboren als zoon van de violist François Pascal Grétry, verbonden aan de Saint-Martinkerk. André Modeste kreeg van hem zijn eerste muziekonderricht. Later werd hij koorknaap in de Saint-Denis en studeerde zang en viool. Bij Nicholas Rennekin, organist van de Saint-Pierre, vervolmaakte hij zich in harmonie en compositie.

In 1759 kreeg André Modeste een beurs die hem toeliet aan het Luiks College in Rome te studeren. Omdat het hem daar niet beviel, trok hij naar Bologna. Daar bereidde Padre Martini hem voor op het examen aan de Academie dei Filarmonici. In 1766 vestigde Grétry zich als muziekleraar in Genève en maakte er kennis met de Franse opera. Zijn eigen Isabelle et Gertrude kende zo’n grote bijval, dat hij zijn geluk in Parijs ging beproeven. Na Les Mariages Samnites volgden vijftig opera’s die Grétry beroemder maakten dan Mozart.

Grétry wist de stijl van de opera buffa aan te passen aan de prosodie van het Frans; zo maakte hij van de stroeve opéra comique een levendig, expressief genre. Vele van zijn aria’s werden hits, die men tot diep in de 19de eeuw zong, ook buiten de schouwburg. Bovendien had Grétry een gelukkige hand bij de keuze van librettisten. De naam Jean-François Marmontel blijft onverbrekelijk verbonden aan zijn eerste triomfen.

Jean-François Marmontel.

Marmontel werd in 1723 geboren. Ook hij vestigde zich in Parijs, waar hij aan een vruchtbare literaire carrière begon. Marmontel schreef toneel, poëzie, historische werken, libretti en werkte mee aan de Encyclopédie van Diderot en D’Alembert. Zijn Contes moraux genoten veel bijval en verzekerden hem van een zetel in de Académie française.

De opera of “comédie-ballet” Zémire et Azor vertelt het toen bijzonder populaire verhaal van de Schone en het Beest. La Belle et la Bête is geen volksverhaal, maar een kunstsprookje voor kinderen. Het verscheen omstreeks 1750 in een bundel van de prinses van Beaumont.

Voor haar verhaal over de nobele koopmansdochter en de betoverde prins putte Madame de Beaumont inspiratie uit de komedie Amour par Amour van de edelman Nivelle de la Chaussée. Ook Marmontel laafde zich aan die bron: in navolging van Nivelle situeerde hij het verhaal in een imaginair Midden-Oosten; hij ontleende ook de naam van de hoofdpersonen aan hem.

 Gedenksteen in de gevel van het geboortehuis van Grétry in Luik.

Als vertegenwoordiger van de “kleine” Verlichting – auteurs die groot noch origineel waren, maar die de ideeën van de philosophes voor een breed publiek begrijpelijk maakten – liet Marmontel niet na vooruitstrevende denkbeelden in zijn libretti te verwerken. Zo ook in Zémire et Azor.

Sander, Zémires vader, wil zijn dochter niet aan het monster Azor uitleveren en besluit zich in haar plaats op te offeren.  Hij vraagt zijn drie dochters, voor wie hij zijn voornemen geheim houdt, genoegen te nemen met hun liefde voor elkaar en een “vie obscure, honnête et sage”.

De liefde die Zémire opvat voor Azor vindt haar oorsprong niet in seksuele aantrekkingskracht, maar in medelijden en achting voor Azors nobele karakter. Kortom, iemand inborst is belangrijk, niet hoe hij eruitziet. Met die les zitten we niet zozeer in de romantiek, die aanvankelijk ruimte liet voor noodlottige passies, maar in de gezapige ideeënwereld van de Biedermeier.

Op het eerste gezicht verwonderlijk, want Zémire et Azor ging lang voor de Franse revolutie in première en Grétry kende in heel Europa succes bij een aristocratisch publiek. Wanneer de verdorven markiezin van Merteuil en de burggraaf van Valmont de opera bezochten, luisterden zij er waarschijnlijk naar een opera van Grétry, en dit terwijl hun geestelijke vader, de schrijver P.A.F. Choderlos de Laclos een even grote moralist was als Marmontel, en even deugdzaam als Sander.

“Zémire et Azor” door de Opéra Royal de Wallonie in Luik.

In de tweede helft van de 18de eeuw raakte een groot deel van de adel, o.m. door toedoen van filosofen en moralisten, doordrongen van burgerlijke waarden, zoals de Franse historicus Guy Chaussinand-Nogaret uiteenzet in zijn boek La Noblesse au dix-huitième Siècle.

De creatie van Zémire et Azor vond op 9 november 1771 plaats in Fontainebleau, aan het hof. Madame Campan vertelt in haar Mémoires sur la Vie privée de Marie-Antoinette hoe de latere koningin Grétry en Marmontel daags nadien in de galerij van het kasteel ontmoette en de componist lof toezwaaide:

“[elle] lui dit que, dans la nuit, elle avait songé à l’effet enchanteur du trio du père et des trois soeurs de Zémire derrière le miroir magique, et poursuivit son chemin après ce compliment.”

De schrijfster voegt eraan toe:  “Grétry, transporté de joie, prend dans ses bras Marmontel: ,Ah, mon ami,’ s’écrie-t-il, ‘voilà de quoi faire d’excellente musique…’ ‘Et de détestables paroles,’ reprit froidement Marmontel, à qui sa Majesté n’avait pas adressé un mot.”

Deze opname van “Zémire et Azor” dateert van 1974, maar is nog altijd de mooiste die ik ken.

 Diderot schreef in zijn recensie van Zémire et Azor dat de “charmante” Grétry voor Frankrijk een “Godsgeschenk” was. De Engelse musicoloog en organist Charles Burney – vader van de romancière Fanny Burney die in 1778 debuteerde met de roman Evelina, waarin herhaaldelijk sprake is van het (Engelse) operagebeuren – noteerde in zijn Reisjournaal:

“De muziek van deze opera is […] bewonderenswaardig. De ouverture is levendig en effectvol; de symfonische tussenspelen lopen over van nieuwe ideeën en bevatten mooie beelden. De begeleiding is rijk, ingenieus en transparant, wanneer men deze laatste uitdrukking gebruiken mag om te zeggen dat zij de aria’s niet dooddrukt, maar ze integendeel meer reliëf geeft.”

Tussen zijn creatie en 1827 beleefde Zémire et Azor in de Franse hoofdstad 468 opvoeringen. Ook in de provincie en in het buitenland, noteerde Grétry in zijn Mémoires, bracht de opera het budget van talrijke theaterdirecteurs in evenwicht. Een reiziger hoorde Zémire et Azor tijdens een Duitse jaarmarkt op één dag door drie gezelschappen opvoeren, eerst in het Nederlands (!), dan in het Duits en tenslotte in het Frans.

In juli 1772 opende Zémire et Azor in de Brusselse Munt; twee en een half jaar later ging de opera in première in Sint-Petersburg. In 1782 opende men er het nieuwe Petrovskytheater in Moskou mee. Van het libretto verschenen twee Russische vertalingen. En in het sterfhuis van Mozart vond met een partituur die de meester had meegebracht van zijn laatste reis naar Parijs in 1778.

De Opéra Royal de Wallonie met op de voorgrond het standbeeld van Grétry.

Waaraan was dat langdurige succes te danken? De Mercure de France schreef in januari 1772:

“Ce spectacle charmant est dans un genre qui plait à l’imagination ainsi qu’aux yeux et intéresse le coeur; la musique en est délicieuse; et toujours vraie, sentie et raisonnée, elle rend toutes les affections de l’âme. Il faudrait citer tous les morceaux pour en faire le juste éloge.”

Daar zit veel waars in. Grétry gaf in Zémire et Azor blijk van originaliteit en een groot gevoel voor dramatiek. Beter dan wie ook wist hij dat hij muziek-theater maakte. De ouverture staat niet los van de opera; tijdens het larghetto begint het onweer waardoor Sander en zijn knecht Ali het paleis van Azor binnenvluchten; hiermee verzon Grétry, nauwelijks dertig, iets wat Gluck pas in 1779 zou overdoen in zijn meesterwerk Iphigénie en Tauride.

Het orkest begeleidt de zangers niet alleen; de symfonische entr’actes dragen bij tot de ontwikkeling van het verhaal. Grétry maakte gebruik van het orkest om te laten horen dat wat de personages zongen, niet altijd met de waarheid strookt. Er is een schrille discrepantie tussen de tekst van Ali, die beweert dat het onweer voorbij is, en het orkest dat het noodweer in al zijn hevigheid laat horen.

Bij de scène met het magische schilderij, waarmee Azor aan Zémire haar treurende vader en zusters laat zien, doet Grétry achter het toneel twee klarinetten, twee hoorns en twee fagotten klinken om het bovennatuurlijke karakter van het tafereel hoorbaar te maken. Het duo van Sander en Ali in het eerste bedrijf, is een meesterwerkje; zo ook het trio van Sanders dochters, die op de thuiskomst van hun vader wachten. Dat laatste is met zijn Mozartiaanse allure zonder voorgaande in de geschiedenis van de opéra comique.

Advertenties

Column – Leerproces

Toen ik twaalf of dertien was, maakte ik in mijn eentje lange fietstochten in en om de stad. Met grote ogen keek ik om mij heen.

Ik dacht er niet echt over na, maar ik verwachtte in die tijd veel van de toekomst, van het leven dat na de middelbare school beginnen zou. Ik was nog jong. Ook wanneer we ouder en wijzer zijn, vergeten wij dikwijls dat we al met leven bezig zijn en dat wat achter de bocht of aan de overkant van de heuvel ligt niet per se beter, laat staan groener is.

Ik heb intussen geleerd dat het bestaan vooral veel van hetzelfde is en dat uitgerekend bijzondere omstandigheden erg lastig kunnen zijn.

De stad verkennen en van op een afstand mensen en dingen gadeslaan, fascineert mij nog altijd. Alleen doe ik het nu van op de donkerblauwe Vespa die ik mezelf voor mijn vijftigste verjaardag heb cadeau gedaan.

Het was de hoogste tijd om opnieuw kennis te maken met mijn stad. Er is de voorbije jaren veel veranderd. En laat een Hollandse uitgever mij net nu vragen om er een boek over te schrijven. “Kies zelf je benadering maar,” zegt hij, “ik wil een leuk en leerzaam boek over Antwerpen.”

Ik rijd door Zurenborg en over zijn beroemde Cogels-Osylei, eind jaren 1960 van de slopershamer gered door het rumoer van de langharige alternativo’s die in de grote Belle Époquehuizen kwamen wonen. Vandaag is de buurt onbetaalbaar voor een gewone sterveling.

Dat geldt mutatis mutandis ook voor Het Zuid. Het begon zijn geschiedenis in de jaren 1880 als een vastgoedproject van de gemeente Antwerpen en de immobiliëntak van de machtige Société Générale. Om allerlei redenen kende dat decennialang een moeizame geschiedenis. De buurt kwam pas begin 20ste eeuw tot leven en werd eigenlijk nooit wat haar bedenkers hadden gehoopt. Pas na 1980 groeide het uit tot een wijkplaats voor het trendy volkje. Als ik er een uur op een van de vele terrassen zit, geloof ik dat iedereen minstens een Saab heeft.

Het nieuwe Justitiepaleis, vlakbij, heet in de volksmond – bestaat die eigenlijk nog, de volksmond? – het Vlinderpaleis. Mij doet het meer denken aan een ruimteschip, maar ik vind het mooi. Het zet een punt achter de stad of toch achter haar riante boulevards, waar vroeger een rafelig gat gaapte.

Van hier is het een kwartiertje rijden, noordwaarts, naar postcode 2060 met zijn kansarmen, legale en illegale migranten (meer dan 200 nationaliteiten), huisjesmelkers, drugstoeristen en noem maar op. In 1985 zette een reportage in Vrij Nederland (denk ik) de buurt op de kaart. Kort daarop kwamen de electorale successen van het Vlaams Blok. Dit is het soort gebied dat men in de 17de eeuw op de kaart karakteriseerde met het zinnetje “Hic sunt leones” – “hier lopen leeuwen”, lees onbekend, gevaarlijk.

Een veelkleurige en veeltalige wijk. Ik zie er het resultaat van migratiegolven van de jaren 1960 en van na het jaar 2000, van de economische mondialisering en van conflicten en miserie waarvan ik maar een vaag idee heb. Van decennialange verwaarlozing door allerlei overheden ook.

Er wordt vandaag hard gewerkt – door ambtenaren van de stad, Marokkaanse winkeliers, Turkse pitaverkopers, Kaapverdische straatvegers, buurtwerkers en jonge blanke koppels die hun pas verworven huis renoveren. Maar het is allemaal niet gemakkelijk en niet eenvoudig.

Het laboratorium van de 21ste eeuw.

Ik begon mijn beroepsleven dertig jaar geleden met archief inventariseren in het Museum Plantin-Moretus. Daarna was ik twee decennia journalist. En nu houd ik me alweer tien jaar bezig met schrijversarchieven in het Letterenhuis.

Mijn donkerblauwe Vespa, een werkinstrument zoals mijn notitieboekje of mijn computer, is een werkinstrument. Hij  maakt me weer bewust van iets dat ik jaren geleden al leerde, maar een poos uit het oog verloor. Het is voor een historicus goed om af en toe archief en boeken opzij te schuiven en naar het leven te kijken.

Geschiedenis is leven dat voorbijging. Het leven van nu, dat ik gadesla van op de scooter, is geschiedenis in wording. Leven doet geschiedenis beter begrijpen en omgekeerd. Dat is geen paradox. Zo werken leerprocessen.

Verschenen in “Eos Memo” nr. 3.

(Kunst)geschiedenis – Florent (Floris) ridder van Ertborn (1784-1840), een van Europa’s eerste verzamelaars van 15de-eeuwse schilderkunst

 

 Afgietsel van het borstbeeld van Florent van Ertborn door Jozef Geefs (foto Jan Lampo).

In de Hollandse tijd krijgt Antwerpen er in de persoon van Floris ridder van Ertborn (1784-1840) er een collectioneur bij, die de grenzen van de verzamelpraktijk verlegt. Hij is een van de eersten in Europa om zich actief bezig te houden met het verzamelen en bestuderen van laat-middeleeuwse kunst, niet alleen uit Italië, maar ook uit Frankrijk, de Nederlanden en Duitsland.

Als lid van de stedelijke bovenlaag en als burgemeester is Van Ertborn Antwerpen zeer toegedaan. Tegelijk is hij een trouw dienaar van Willem I, die weigert om na 1830 het Belgische kamp te kiezen. Niet toevallig houdt Van Ertborn de jonge, veelbelovende Jan-Frans Willems de hand boven het hoofd en maakt hij gebruik van diens intellectuele inbreng. Beiden zijn grosso modo dezelfde denkbeelden toegedaan, maar zijn status en fortuin geven Van Ertborn de mogelijkheid om consequenter te zijn – Willems zal zich, noodgedwongen, verzoenen met de realiteit van het nieuwe België.

Florent van Ertrborn als jongeman, geportretteerd door de Franse schilder Jean-Baptiste Greuze.

De Van Ertborns zijn een Mechelse juristenfamilie, maar ook in de Scheldestad wonen sinds de 15de eeuw leden van het geslacht. Oorspronkelijk zijn ze, aldus Prims, afkomstig uit Herenthout in de Kempen. De eerste “Mechelse” Van Ertborn die zich in Antwerpen komt vestigen, is Adolf Pieter (°1670). In 1707 en 1713 is hij schepen van de stad. Hij bezit zo’n 80 schilderijen van o.a. Rubens, Van Dyck, Jordaens, Van Balen, Quellin, De Momper en Teniers – een “traditionele” collectie met meesters uit de 17de eeuw [De Schuyter, .

Zijn neef, grootvader Frans-Emmanuel (1716-1791), licentiaat in de beide rechten, komt eveneens naar Antwerpen. Hij maakt carrière als “kassier” en wordt een van de grootste aandeelhouders van de Compagnie van Triëste en Fiume. Die bestaat sinds 1750 en houdt zich bezig met de raffinage van suiker. Kapitaal en bestuur zijn Antwerps, maar het bedrijf – een van de grootste industriële ondernemingen van die tijd – bevindt zich in Fiume.

Frans Emmanuel belegt ook veel kapitaal in de koloniale groothandel. Met vijf andere financiers van diverse nationaliteiten sticht hij de Koninklijke Pruisische Handelsmaatschappij die vanuit Emden opereert. Ze ontvangt van de Pruisische koning Frederik de Grote het monopolie voor de handel op China. Frans-Emmanuel krijgt van keizerin Maria-Theresia de titel van ridder en later die van baron. Bij zijn dood laat hij meer dan een miljoen gulden na.

Neef Jozef Karel Emmanuel baron van Ertborn (1778-1823) studeert aan de universiteit van Munster. Hij wordt secretaris-generaal van het Departement der Twee-Neten. In 1805 wordt hij “raad geheimschrijver honorair” van de heropgerichte Academie, een onbezoldigde erefunctie.

Borstbeeld van Florent van Ertborn door Jozef Geefs  (Foto Lukas – Art in Flanders / Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen).

Jozef Karel Emmanuel is niet alleen beslagen in het recht, maar ontpopt zich tot een bekwaam beoefenaar van de geschiedenis. Als eerste bestudeert hij de archieven van het Sint-Lucasgilde en publiceert Geschiedkundige aenteekeningen aengaende de Ste.-Lucas-Gilde en de Rederykkamers van den Olyftak, de Violieren en de Goudbloem, te Antwerpen die in 1806 van de pers komen. In 1806 wordt hij lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.

In haar Jaarboek van 1824 lezen we o.m. over hem:

“Als Regtsgeleerde, was hij in onze burgerlijke en handelswetgeving, gelijk mede in die van andere volken, zeer bedreven. Ook het Kanonieke Regt en de Kerkelijke Geschiedenis maakten een voornaam voorwerp zijner studien uit […] Het waren echter bovenal de fraaije letteren en kunsten, voor welke hij met eene blakende geestdrift bezield was, en die hij met kunde en smaak beoefende. Aan de kennis der Grieksche en Latijnsche talen paarde hij die van vele talen van het nieuwere Europa […]. Zelve sloeg hij met gelukkig gevolg de hand aan de lier, waarvan verscheidene Fransche dichtstukken, in letterkundige verzamelingen gedrukt, en onder deze ook navolgingen van eenige Oden van Horatius, de duidelijkste bewijzen leveren. Hij vervaardigde ook eenige tooneelstukken, doch van welke slechts één, en wel met toejuiching, ten tooneele gevoerd werd.”

Verder staat: “Doch het geen den Heer van Ertborn […] bovenal tot eer verstrekt […] bijzonder belangrijk maakte, is het loffelijk voorbeeld van eene zorgvuldige beoefening der moedertaal, door hem gegeven in eenen tijd, toen alles de duurzame vestiging en heerschappij der Fransche taal scheen te voorspellen, en het meerendeel zijner aanzienlijke landgenooten op de eerstgenoemde met onbillijke versmading nederzag.”

 Wapen van de familie Van Ertborn.

Na de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden benoemt Willem I hem tot lid van de Algemene Rekenkamer in Den Haag.

Florent van Ertborn wordt geboren in het huis van  zijn grootmoeder op de hoek van de Mutsaertstraat en de Minderbroedersstraat. Bij de komst van de Fransen vluchten zijn ouders naar Bremen. Hij krijgt les van privéleraars en bezoekt met hen verschillende landen. In 1813 woont hij aan de Meir, in een pand waarvan de zijingang uitgeeft in de Grammayestraat. Hij schrijft af en toe voor La Gazette d’Anvers en L’Oracle. In 1816 verkiest men hem tot lid der gedeputeerde staten van de provincie. Willem I benoemt hem het jaar daarop tot burgemeester van de stad. Hij zal het blijven tot 1828.

Van Ertborn saneert de Antwerpse financiën en voltooit de dokken. Hij besteedt veel aandacht aan monumentenzorg. Vanaf ca. 1818 tot 1830 brengt hij geleidelijk een fabelachtige kunstverzameling bijeen met werk van Vlaamse en Hollandse meesters. Volgens Floris Prims krijgt hij daarbij hulp van de schilder, restaurateur en kunsthandelaar Jan Nicolié uit de Pelgrimstraat en later van diens zoon Jean-Chrétien, gevestigd aan de Handschoenmarkt. Van Ertborn publiceert bijdragen over werk van grote meesters als Van Eyck, Memlinc, van der Goes, Dürer in de Messager des sciences historiques de Belgique.

In 1828 benoemt Willem I hem tot gouverneur van de provincie Utrecht. Hij verhuist naar het noorden, maar een groot deel van zijn collectie blijft in het huis aan de Meir. Na 1830 willen de Antwerpenaars hem terug als burgemeester. Hij krijgt 206 stemmen, bijna twee keer zoveel als de andere kandidaat. Maar Van Ertborn bedankt voor de eer uit trouw aan de koning.

De “Madonna met Kind” of “Madonna van Melun” door Jean Fouquet, een van de schilderijen uit de collectie Van Ertborn. 

De collectie-Van Ertborn is intussen vermaard bij kunstliefhebbers in heel Europa. De bekende Duitse romanschrijfster Johanna Schopenhauer (1766-, moeder van de filosoof Arthur Schopenhauer, komt er tijdens haar reis door de Nederlanden met haar dochter Adèle naar kijken. Over dat bezoek schrijft ze in haar Ausflug an den Niederrhein und nach Belgien im Jahre 1828 (1831). Ik citeer de vertaling van Marc Carnier en Anke Gilleir uit 1998.

“De aanbevelingsbrief die we meebrachten voor ridder Florens van Ertborn, de toenmalige burgemeester van Antwerpen, bereikte hem net toen hij op het punt stond naar Utrecht te vertrekken, zijn toekomstige verblijfplaats […*. Ook zijn schilderijen zouden hem daarheen volgen en dus konden we ons gelukkig prijzen ze nog in Antwerpen aan te treffen. Hoewel we de kunstminnende eigenaar zelf niet konden ontmoeten, stond hij ons toch toe om zijn verzameling te bezoeken, zo vaak we het wensten; hij had daarvoor de nodige instructies gegeven aan zijn huispersoneel.”

“De verzameling is niet erg groot, ze vult eigenlijk alleen de muren van een tamelijk grote kamer, maar buiten de voormalige verzamelingen van Boisserée en die van Solly, die zich nu in het museum van Berlijn bevindt, bestaat er geen interessantere voor de geschiedenis van de oude kunst. Men vindt hier heel zeldzame werken van meesters van wie tegenwoordig dikwijls alleen de naam bekend is.” [Carnier en Gilleir, 1998, p. 150].

 Johanna Schopenhauer.

“[…] Dankzij een bijzonder initiatief van de eigenaar konden we op een avond in dit kabinet een uniek schouwspel meemaken, dat begrijpelijkerwijze nauwelijks voor herhaling vatbaar is. We werden uitgenodigd om de schilderijen bij kunstlicht te zien. Enkele kroonluchters, bestaande uit zes of acht lampen onder glazen klokken, verspreidden een verblindend licht dat alle schilderijen met een waarlijk magische glans overgoot. De prachtige kleuren en de gouden achtergronden leken wel transparant, het was een onbeschrijflijk mooi maar ook verwarrend gezicht; men moest er eerst aan wennen vooraleer het mogelijk werd het ene van het andere te onderscheiden. De figuren traden haast uit hun lijsten te voorschijn in hun blauwe, purperen en gouden gewaden en leken als droombeelden door elkaar te vloeien.” [Carnier en Gilleir, 1998, p. 152].

Van Ertborn zal ook tijdens zijn gouverneurschap van Utrecht nog schilderijen kopen. Hij werkt aan een boek over Jacoba van Beieren, maar de oogkwaal die hem tijdens zijn laatste levensjaren kwelt en zijn vroege dood verhinderen de voltooiing van dat project. In 1832 heeft hij in Karlsruhe een beschikking opgesteld die zijn kunstverzameling uit zijn nalatenschap licht en toewijst aan het museum van de Antwerpse Academie.

 Het thans verdwenen kasteel Hof van Brabant in Hoboken (oude prentkaart).

De collectie-Van Ertborn zal in totaal 115 kunstwerken omvatten. Ze zijn van de hand van o.a. Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hans Memling en Jean Fouquet. Diens Madonna is vandaag allicht het bekendste en van de verzameling. Ook verwerft de ridder werk van Antonella da Messina en Simone Martini.

Wanneer Van Ertborn in 1840 sterft, ziet de Nederlandse overheid af van de successierechten die op de schilderijen verschuldigd zijn. Nicolié Jr. reist naar Den Haag en superviseert er de verpakking van de doeken en panelen uit het huis van Van Ertborn in 19 kisten [Prims, 1937, p. 348]. Ook het stoffelijk overschot van de verzamelaar wordt overgebracht. Florent van Ertborn vindt zijn laatste rustplaats in de grafkelder van de familie bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Hoboken, waar de oudere tak van de Van Ertborns van 1773 tot 1808 het buitengoed Hof van Brabant bezit.

Graf van de familie Van Ertborn bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Hoboken. De zerk bovenaan rechts (met schild) is die van Florent van Ertborn (foto Jan Lampo).

 

%d bloggers liken dit: