Skip to content

Archief voor

Schilder in Pompeï. Het archief van Mathieu Ignace van Brée in het Letterenhuis.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het Letterenhuis (foto Jan Lampo).

Dit jaar viert de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen haar 350ste verjaardag. Het Letterenhuis bezit veel materiaal met betrekking tot de school en de kunstenaars die er werkten. Daartoe behoren enkele tientallen brieven en handschriften van de neoclassicistische schilder Mathieu Ignace van Brée (1773-1839). Van Brée was tot aan zijn dood in 1839 directeur van de Academie.

Vandaag is de kunstenaar zo goed als vergeten, maar in zijn tijd geniet hij de gunst van Napoleon en van koning Willem I. Door de publicatie van een monumentale Cours de Dessin verwerft hij bovendien veel invloed als tekenpedagoog.

De methode-Van Brée weegt zeker tot het derde kwart van 19de eeuw op het kunstonderwijs. Haar praktische toepassing beschrijft Hendrik Conscience in zijn roman Hoe men schilder wordt (1843). Van Brée is in Antwerpen ook de eerste om een historiserend schilderij met een tafereel uit de vaderlandse geschiedenis te borstelen.

Van Brée studeert van 1783 tot 1794 aan de Antwerpse academie. Dan vertrekt hij naar Parijs. In 1795 eindigt hij tweede in de wedstrijd voor de Prix de Rome, die opnieuw is ingesteld door Eerste Consul Bonaparte. Dan keert hij terug naar Antwerpen om in 1798 “professeur-adjoint de la classe de dessin” te worden. In 1804 krijgt hij een aanstelling tot voltijds leraar.

Tijdens het bezoek van Bonaparte aan Antwerpen in 1803, bestelt deze laatste bij de kunstenaar De Intrede van de Eerste Consul te Antwerpen. Van Brée heeft vier jaar nodig om het werk te voltooien.

Reportagestukken

In de Hollandse tijd blijft Van Brée dit soort “reportagestukken” maken, maar dan voor de Oranjes. Hij ontpopt zich tot een groot voorstander van het nieuwe regime. De schilder raakt bevriend met dichter en literatuurhistoricus Jan-Frans Willems, omstreeks deze tijd actief als bestuurslid van de Société royale pour l’Encouragement des Beaux-Arts en weldra ook van de Academie.

In 1818 publiceert Willems het lange gedicht Op het voortreffelijk Schilderstuk van Mijnheer M. Van Brée, verbeeldende de standvastigheid van den burgemeester Van de Werff. Ook de Nederlander Bilderdijk wijdt verzen aan Van Brée.

Na 1830 revolteren de jonge romantische schilders tegen Van Brée, van op veilige afstand aangestuurd door leraar Gustaf Wappers. Die laatste droomt ervan de directeur op te volgen. Hendrik Leys wordt van de academie weggestuurd na een opmerking over de ouderwetse kniebroek van Van Brée. Toch geniet de schilder ook sympathie. Hij blijft in het Nederlands doceren en dat is naar de zin van de eerste flaminganten.

De directeur waagt zich in zijn vrije uren aan de literatuur. Van zijn hand is het blijspel Brouwer’s gevangenis op het kasteel van Antwerpen over de 17de-eeuwse schilder Adriaan Brouwer. De vrijzinnige toneelschrijver Emmanuel Rosseels publiceert de tekst in 1849, tien jaar na Van Brée’s dood. Of gaat het om een alsnog onopgeloste mystificatie?

 Aca5

 Mathieu Ignace Van Brée door Jan-Baptist De Cuyper, standbeeld in wit marmer. Deze foto is enigszins verouderd, want sinds juni heeft Van Brée dank zij de afdeling Conservatie en Restauratie zijn verloren handen terug (foto Jan Lampo).

Postuum blijft Van Brée tot de verbeelding van schrijvers spreken. Zijn uitvaart vindt plaats op het Sint-Willibroduskerkhof. Na de officiële Franse redevoeringen stapt de jonge Conscience naar voren en spreekt namens de romantici een gloedvolle redevoering uit. Dat betekent meteen zijn terugkeer naar het publieke leven na de depressie die hem overmand heeft als gevolg van het geringe succes van De Leeuw van Vlaanderen.

In 1852 onthult men in de aanwezigheid van minister Charles Rogier in de vestibule van het Museum van de academie een marmeren standbeeld van Van Brée van de hand van de pas overleden Jan-Baptist de Cuyper. Schrijver en journalist Lodewijk Gerrits publiceert “op last der Commissie van het Standbeeld” een Levensbeschrijving van M.I. Van Brée.

Niet iedereen is het eens met Gerrits’ lofzang. Eugeen Zetternam (1826-1855) laat nog hetzelfde jaar het essay Bedenkingen op de Nederlandsche Schilderschool verschijnen. Daarin rekent hij af met Van Brée’s postume reputatie. Zetternam verwijt de schilder het on-Vlaamse karakter van zijn kunst, fulmineert tegen zijn restauratie van oude meesters en ontkent zelfs zijn verdiensten als leraar.

Dagboek

Hoe de papieren van Van Brée in het Letterenhuis terechtkwamen, is niet duidelijk. Het staat vast dat directeur Ger Schmook veel belangstelling koesterde voor de vroege 19de eeuw. Met Hoe Teun den Eyerboer in 1815 sprak tot de burgers van Antwerpen (1942) schreef hij een erudiet boek over het begin van de Rubenscultus en het Vlaamse kunstleven omstreeks 1815. Van Brée komt uitgebreid aan bod. Schmooks interesse verklaart alvast de aanwezigheid van fotografische reproducties van brieven die Van Brée schreef aan o.a. Johann Wolfgang von Goethe.

Het archief-Van Brée omvat ook notities en een dagboekje. Men vindt enkele korte teksten over het tekenen van de menselijke gelaatsuitdrukkingen, waaronder een velletje Over het laggen [lachen]:

“Zoo haest als men lagt is ’t voor zeker dat den mond grooter wort en genegen is om te openen en het agtersten deel zig naer boven keert, de kaek verheft haer tot tegen de oog waer door de ogen klijnder worden” (spelling was niet Van Brée’s sterkste kant). Maar de tekenaar moet oppassen, zegt hij, want als iemand lacht om wat hij ziet blijven zijn ogen groter dan wanneer hij lacht om iets wat hij hoort…

“Dat gij voortaan mo[o]gt gelukkiger zijn als deze beklagens Waardige kunstenaars,” zo besluit de schilder een oproep richt tot de leerlingen van de academie om geld te geven voor armlastige oud-studenten, “deze ongelukkige kunstenaars, die ook eens op deze Akademie Leerling hebben geweest”.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Handschrift van M.-I. Van Brée (foto Jan Lampo).

Al zet Schmook hem in zijn Teun den Eyerboer weg als een politieke opportunist, Van Brée is een sociaal bewogen man en bezeten door (kunst)onderwijs. In de Franse tijd runt hij in zijn huis een schooltje waar hij kansarme kinderen gratis lager onderwijs geeft en hen voorbereidt op studies aan de academie.

Andere documenten bevatten overwegingen van Van Brée bij pogingen om de academie te hervormen. Zo vindt hij het van kapitaal belang dat de directeur van de school een (historie)schilder is. Van een bureaucraat aan het hoofd wil hij niets weten.

Ferdinand De Braekeleer

Wanneer in 1817 de prinses van Oranje in Brussel bevalt van een zoon, is de “premier professeur” er als de kippen bij om de leerlingen bijeen te roepen en hun het heuglijke nieuws te melden. “Un évènement qui consolide le bonheur des habitans [sic] du royaume,” noemt hij het. Van Brée is uiteraard tweetalig. Zelfs aan Jan-Frans Willems schrijft hij in 1822 een Franse gelukwens bij zijn aanstelling tot ontvanger van de registratie in Antwerpen.

Het is van in de 16de eeuw gebruikelijk dat kunstenaars naar Italië reizen, bij voorkeur vlak na hun opleiding. Van Brée is 47 eer hij de kans krijgt. Hij reist in het gezelschap van zijn oud-leerling Ferdinand de Braekeleer.

  De schilder voelt zich gelukkiger en creatiever dan ooit tevoren. Dat blijkt uit de brieven aan zijn vrouw Thérèse. Naast enkele autografen zijn er twee copies van omstreeks 1900. Van Brée, die Thérèse met “vous” aanspreekt, schrijft nuchter maar liefdevol (ik vertaal): “Het mag waar zijn dat de liefde met de jaren vermindert, maar de vriendschap veroudert niet. Het is als vriend dat ik tot u spreek en uw vriendschap is het die ik wil bewaren.”

Een andere brief herinnert Thérèse aan het carnaval het jaar voor hun huwelijk “toen wij samen rondliepen als kinderen of naar het gemaskerd bal gingen in de Conijnepijp [een herberg]”.  Van Brée voegt eraan toe – opeens zegt hij “toi” – “voor mij zijn die tijden voorbij en zonder jou werkt dit soort luidruchtig amusement op mijn zenuwen; het vergroot mijn verlangen om mijn atelier weer te zien.”

Hij heeft hij ook over “notre Jules”, hun zoon, die best stage zou lopen “aux bureaux de M. Willems”. Vermoedelijk betreft het ook hier de Vader van de Vlaamse Beweging.

Vesuvius

Ondanks vreugde om de nakende terugkeer, noteert de schilder: “Nooit heb ik met meer plezier en meer moed gewerkt” en over zijn recente tekeningen en schilderijen zegt hij: “ik had ze nooit gemaakt als ik in Antwerpen was gebleven. ”

Aan burgemeester Floris van Ertborn, die bekendheid verwerft als een van de eerste verzamelaars van Vlaamse primitieven, meldt de kunstenaar: “Ik ben al enkele dagen in de omgeving van de Vesuvius. Sta mij daarom toe dat ik u vanuit Pompeï schrijf, terwijl ik de muren zie blootleggen van een nieuw plein dat men heeft ontdekt. U kunt zich voorstellen hoe ik geniet in deze gewesten, waar ik niets anders zie dan wonderen van de kunst en de natuur.”

Het reisdagboek van Van Brée biedt jammer genoeg niet veel persoonlijks. De kunstenaar noteert vooral welke schilderijen hij ziet. Zijn slordige handschrift maakt de lectuur van het schriftje – oorspronkelijk moeten er meer zijn geweest – allesbehalve gemakkelijk. Toch vormt het Van Brée-archief in het Letterenhuis een onmisbare bron voor leven en werk van een schilder-pedagoog die een vooraanstaande rol speelde in het artistieke leven ten tijde van de ontluikende de romantiek.

Verschenen in “Zuurvrij” nr. 24 van juni 2013.

Advertisements

Literatuur – “Hete kussen en opwindende handtastelijkheden” – Het Antwerpen van Georges Eekhoud

Literatuur – “Hete kussen en opwindende handtastelijkheden” – Het Antwerpen van Georges Eekhoud.

[Geschiedenis] De vrouwe van Gaasbeek of de Engel der Vrijzinnigheid

Vandaag is het kasteel van Gaasbeek (Lennik) in het Pajottenland bij Brussel een museum vol kunstschatten en met een prachtig park. Het is ook een monument voor zijn laatste eigenares, Marie Peyrat, markiezin Arconati-Visconti. Een vrouw die het geloof verfoeide, kunst verzamelde en fortuinen doneerde aan wetenschappelijke instellingen. “De engel van de vrijzinnigheid” noemde men deze weldoenster van de Sorbonne die, indien nodig, in de clinch ging met de Belgische overheid.

In 1796 komt het kasteel van Gaasbeek in handen van markies Paul Arconati-Visconti, zoon van een kamerheer van de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia. De Arconati-Visconti’s zijn Italianen. Ze bezitten echter uitgestrekte domeinen in de Zuidelijke Nederlanden.

Paul, de nieuwe heer van Gaasbeek, is een flamboyante persoonlijkheid. Hij is niet afkerig van de Franse revolutie en wordt een fervent bewonderaar van Napoleon, voor wie hij in zijn kasteelpark een triomfboog laat bouwen. De markies onderneemt verre reizen die hem tot aan de Noordkaap brengen. Na een bezoek aan Turkije kleedt hij zich als een Ottomaanse edelman, kompleet met tulband en kromzwaard.

In de Hollandse tijd (1815-1830) bespant hij zijn koets met vijf paarden en een muilezel. Zo protesteert hij tegen een besluit van Willem I dat van een koets met zes paarden een exclusief koninklijk voorrecht maakt. Arconati kan het zich veroorloven. Maar zijn excentrieke gedrag doet heel wat wenkbrauwen fronsen.

Gaasbeek staat er verwaarloosd bij. Een Engelse bezoeker schrijft: ‘Men kan zich onmogelijk iets zo verlaten en troosteloos voorstellen.’ Hij gewaagt van een ‘allertreurigste staat van verval’ en ‘blote muren’.

Longfellow

Na de dood van Paul Arconati komt het kasteel in handen van zijn neef Giuseppe, die in Italië ter dood is veroordeeld wegens zijn rol in de opstandige beweging tegen de Oostenrijkers. Tal van binnen-en buitenlandse schrijvers en politici zijn de komende jaren in Gaasbeek te gast – onder hen zelfs de Amerikaanse dichter Longfellow. Na de dood van zijn oudste zoon keert Giuseppe terug naar Piëmonte en wanneer de Italiaanse onafhankelijkheid een feit is, wordt hij senator.

Giuseppes tweede zoon, Giammartino (1839-1875), heeft meegevochten in de strijd tegen de Oostenrijkers. Hij schrijft met verve over zijn militaire ervaringen en zijn reizen naar het Midden-Oosten. Hij interesseert zich voor archeologie en voor het links liberale gedachtegoed. Hij komt geregeld in Parijs, waar hij omgaat met sociaal bewogen republikeinen. Daartoe behoren  de jonge en knappe Marie Peyrat (1840-1923) en haar vader, de oud-journalist en politicus Alphonse Peyrat (1812-1890) uit Toulouse.

Alphonse Peyrat studeert aan het seminarie in zijn geboortestad Toulouse, maar kiest niet voor een loopbaan als priester. Hij volgt cursussen aan de rechtsfaculteit. Maar advocaat worden, blijkt evenmin zijn roeping. Peyrat vertrekt naar Parijs. Hij stort er zich in de journalistiek.

Antiklerikaal

Drie jaar eerder heeft de revolutie van 1830 plaatsgevonden; sindsdien regeert koning Louis-Philippe. Die is in veler ogen een ‘liberale’ vorst. Maar dat Peyrat – hij heeft zich intussen ontpopt tot een fervent antiklerikaal – niet opgetogen is over ’s konings burgerlijke bewind, blijkt uit het allereerste artikel dat hij publiceert in de krant La Tribune.

Wanneer het nummer in beslag wordt genomen, krijgt Peyrat meteen een baantje als redacteur aangeboden. Enkele jaren later gaat hij aan de slag bij La Presse van de legendarische uitgever Emile de Girardin. Peyrat reist naar Italië om te kunnen berichten over de strijd voor onafhankelijkheid.

Na de revolutie van 1848 en de staatsgreep van Napoleon III verandert Frankrijk in een rechtse dictatuur. Maar Peyrat laat zich niet afschrikken. In 1865 sticht hij L’Avenir national waarin hij het regime voortdurend en met veel moed bekampt. Nadat Napoleon III moet aftreden als gevolg van de noodlottige Frans-Duitse oorlog van 1870, stelt Peyrat zich kandidaat voor de Assemblée nationale.

Hij wordt verkozen en sluit zich aan bij uiterst links. Maar omdat hij geen goed redenaar is, is zijn bijdrage aan de zittingen van het parlement beperkt. Toch wordt hij in 1876 senator. In 1890 sterft hij, tijdens zijn tweede mandaat.

Burgerlijk huwelijk

De geschiedenis vertelt niet of het tussen de niet meer piepjonge Marie en Giammartino liefde op het eerste gezicht is of affiniteit tussen mensen met gelijklopende opvattingen. Wat er ook van zij, de twee besluiten te trouwen. Hoe Alphonse Peyrat daar tegenaan kijkt, is evenmin overgeleverd. Maar de ouders Arconati-Visconti koesteren wel degelijk bezwaren. Marie is niet alleen links en republikeins en in hun ogen straatarm, ze is bovendien niet van adel en een fervente atheïste. De markies wacht tot acht maand na de dood van zijn vader. Dan stappen hij en Marie alsnog naar de mairie voor een burgerlijk huwelijk.

Marie’s getuigen zijn de schrijver Victor Hugo, zonder twijfel de beroemdste Fransman van het ogenblik, en de fervent republikeinse politicus en diplomaat Emmanuel Arago (1812-1896). Naar eigen zeggen heeft Marie op dat moment een jurk en een paar schoenen. Maar dat verandert – het fortuin van haar bruidegom wordt geraamd op 17 miljoen goudfranken. In twee Italiaanse steden heeft hij een palazzo; aan het Comomeer beschikt hij over een riante villa. En dan zijn er nog de Belgische bezittingen…

Het pasgetrouwde stel wordt ontvangen door koning Victor-Emmanuel I van Italië. Ze verblijven echter vooral in Parijs. Drie jaar na hun huwelijk wordt Giammartino ernstig ziek en sterft. Er zijn geen kinderen. Marie erft zijn hele fortuin.

Jean Jaurès

Weldra ontpopt Marie Peyrat, douairière Arconati-Viconti, zich tot de spil van een antiklerikaal salon waar politici en geleerden elkaar ontmoeten. Op dinsdag ontvangt ze vooral politieke figuren, zoals minister Léon Gambetta (1838-1882), en nadien ook de latere president Raymond Poincaré en de socialistische voorman Jean Jaurès (1859-1914). Bij haar ‘literaire’ lunches zitten historici zoals Numa Denis Fustel de Coulanges (1830-1889) en kunstliefhebbers aan tafel. Wanneer in 1894 de affaire-Dreyfus (naar Alfred Dreyfus, 1859-1935) uitbreekt, kiest Marie resoluut partij voor de Joodse officier die valselijk van spionage wordt beschuldigd.

Tot haar kring behoren de bankier Gustave Dreyfus (1837-1914), eminent verzamelaar van renaissancekunst, en vanaf 1890 ook de antiquair Raoul Duseigneur (1845-1916). Samen bezoeken ze de fabelachtige collectie van de kunsthandelaar en verzamelaar Samuel ‘Friedrich’ Spitzer (1814-1890). Marie krijgt hierdoor zelf zin om oude kunst en antiquiteiten te verzamelen.

Vooral Duseigneur, die haar minnaar wordt, staat haar bij met raad en daad. Hij weigert echter met haar te trouwen. De markiezin is veel, veel rijker dan hij en hij wil niet verdacht worden van een huwelijk uit winstbejag. Bovendien zou Marie dan haar adellijke titel verliezen.

De markiezin koopt niet alleen voor zichzelf kunst. Geregeld doet ze gulle schenkingen aan het Louvre en weldra wordt ze stichtend lid van de Société des Amis du Louvre, een vereniging van rijke sponsors die nog altijd bestaat. Intussen volgt ze zelf allerlei cursussen over geschiedenis en kunst aan de École des Chartes, waar men oude documenten aan een grondig onderzoek onderwerpt, en de Sorbonne. Ze roept studiebeurzen voor archivarissen in het leven en financiert mee de leerstoelen algemene geschiedenis en geschiedenis van de religie aan het Collège de France.

Charle Albert

Haar drukke intellectuele en mondaine leven in Parijs onderbreekt ze voor lange vakanties in haar kasteel te Gaasbeek. Omdat het slot zo vervallen is, laat zij er van 1887 tot 1898 uitvoerige restauratiewerken uitvoeren. De leiding is in handen van de bekende Brusselse architect en interieurontwerper Charle Albert (pseudoniem van Albert Joseph Charles, 1821-1889) die in Watermaal-Bosvoorde, aan de rand van het Zoniënwoud in een door hemzelf ontworpen kasteeltje in neo-Vlaamse renaissancestijl woont.

Die stijl belichaamt de liberale manier om aan te knopen bij het verleden – de ‘gouden’ 16de eeuw toen de Nederlanden godsdienstvrijheid eisten en in opstand kwamen tegen de Spaanse koning Filips II. De katholieken zweren dan weer bij de neogotiek, die verwijst naar de katholieke middeleeuwen.

Albert is een aanhanger van de restauratieprincipes die op punt zijn gesteld door de Fransman Eugène Viollet-Le-Duc (1814-1879). Die laatste ligt aan de basis van de ‘moderne’ monumentenzorg en men beschouwt hem als een belangrijk architect en theoreticus in se. Maar Viollet-le-Duc (en Charle Albert met hem) houdt er principes op na die vandaag achterhaald zijn. Zo vindt hij het volkomen legitiem om een ruïne weer op te bouwen, vaak fraaier dan het oorspronkelijke gebouw ooit is geweest. ‘Het [gebouw] terugbrengen naar een zo volledig mogelijk toestand, die zelfs op een bepaald moment nooit kan hebben bestaan,’ zegt hij zelf.

Viollet-le-Duc

Charle Albert houdt terdege rekening met de wens van de markiezin om van Gaasbeek een prestigieus en comfortabel kasteel te maken. Albert bewaart aan de buitenkant het stoere karakter van de burcht, maar de gevels aan binnenkoer die uitkijken over het weidse landshap herbouwt hij in bevallige renaissancestijl met tal van ornamenten en uitgewerkte details. Het gebruik van elementen uit verschillende stijlen versterkt de indruk dat het kasteel in de loop der eeuwen is aangepast en uitgebreid.

Bij dat alles houdt de architect terdege rekening met gegevens die de kasteelvrouw voor hem opdiept uit het archief. Tegelijk laat hij zich inspireren door het kasteel van Pierrefonds in Frankrijk, dat Viollet-le-Duc heeft ‘gereconstrueerd’. Ook voor de decoratie van de vertrekken en het meubilair haalt Charle zijn mosterd in allerlei, vooral Franse, kastelen en musea.

Marie Peyrat dweept met kunst en geschiedenis, maar vergeet haar vooruitstrevende sociale opvattingen niet. Ze wil dat haar fortuin ten goede komt aan de gemeenschap. Ook haar hekel aan de katholieke kerk blijft intens. Ze geeft toelagen aan Franse geleerden voor een wetenschappelijk editie van het werk van Rabelais en de protestantse theoloog Calvijn.

Gaasbeek wil ze eerst aan de stad Brussel schenken. Maar de  burgemeester houdt de boot af uit schrik voor de kosten. Vervolgens denkt de markiezin aan de Belgische staat. Ze krijgt bezoek van de katholieke justitieminister Henri Carton de Wiart (1869-1951). Carton is geen fanaticus; hij heeft rechten gestudeerd en er staan enkele romans op zijn naam. Toch is Marie niet onder de indruk. Ze houdt een lange monoloog over de ondeugden van de katholieke regering en verklaart dat ze met de schenking zal wachten tot de liberalen weer aan de macht komen.

‘Vive le Roi’

Wanneer de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, verblijft de markiezin in haar Parijse hôtel dat volgepropt is met beelden en schilderijen. De rol van koning Albert I, die weigert te buigen voor de Duitse agressor en zo bijdraagt tot de ‘redding’ van Frankrijk, boezemt haar zoveel bewondering in dat ze Gaasbeek aan hem wil overmaken. ‘Als de koning der Belgen naar Parijs komt, zal ik als republikeinse de straat op gaan en Vive le Roi roepen,’ verklaart ze. Albert wordt ‘gepolst’, maar zegt dat hij niet anders zou kunnen dan het kasteel overmaken aan de natie; dat gebeurt beter in een keer.

Dank zij de inzet van haar rentmeester Jules Van Cromphout en diens vrouw en zoon overleven de kunstvoorwerpen in het kasteel het verblijf van Duitse soldaten. Een groot deel brengen ze in veiligheid in het nabije Brussel. Na de oorlog besluit de intussen hoogbejaarde Marie om de schenking van Gaasbeek tot een goed einde te brengen. Om eventuele tegenstand te ontzenuwen krijgt België niet alleen het kasteel, maar ook nog eens 200.000 frank. Maar de Waalse socialistische minister Jules Destrée ligt dwars. De staat ontfermt zich al over het kasteel van Mariemont en dat kost genoeg.

De markiezin is boos. Héél boos. Ze heeft pas twee miljoen aan de Sorbonne geschonken om een afdeling kunstgeschiedenis op te starten. De appreciatie van de eeuwenoude universiteit staat haaks op de botte laatdunkendheid van de Belgen. Marie laat weten dat ze de conservators van het Musée des Arts décoratifs in Parijs uitnodigt om in Gaasbeek te komen weghalen wat ze willen hebben. In de Lichtstad verheugen ze zich al op de prachtige 15de-eeuwse Franse wandtapijten die de muren van het slot sieren…

Akte

Van dat dreigement schrikken ze toch wel in Brussel. Albert I laat de zaak zelfs op de agenda van de ministerraad zetten. Uiteindelijk is het niemand minder dan Carton de Wiart die zijn collega’s kan overtuigen. De markiezin moet gedacht hebben dat ze iets gedaan had waar Wilhelm II nooit in geslaagd was: de Belgen doen capituleren.

Op 18 augustus 1922 volgt de ondertekening van de schenkingsakte. Het duurt nog twee jaar vooraleer het kasteel van Gaasbeek zijn deuren opent als museum. Inmiddels is Marie Peyrat, markiezin Arconati-Visconti, op 83-jarige leeftijd overleden in haar huis in Parijs. De Sorbonne is haar universele erfgenaam, maar een groot aantal kunstwerken heeft ze toegewezen aan verscheidene musea. Uit dankbaarheid zal het Louvre een zaal in de afdeling Objets d’art naar haar noemen.

Bronnen:

Vandormael, Herman, Kasteel van Gaasbeek, Brussel, Gemeentekrediet, reeks Musea Nostra, s.d. (1988).

[Geschiedenis] Burchten en kastelen – symbolen van rijkdom en macht

Meer informatie

%d bloggers liken dit: