De oude krokodil (6)

Sinds een paar maand rijd ik met een Volkswagen Caddy van de Stad Antwerpen naar allerlei plekken in Vlaanderen om archief op te halen.

De lieden bij wie ik over de vloer kom, zijn schrijvers, hun nazaten, verzamelaars van handschriften of bestuurders van literaire verenigingen. Heel verschillende lieden.

Nu eens moet ik in een rijhuisje zijn, dan weer in een villa in Sint-Martens-Latem waar museale kunst aan de muren hangt. Het roept herinneringen op aan de tijd toen ik bij een krant werkte en het culturele nieuws van hot naar her op de hielen zat.

Niet iedereen vindt het gemakkelijk om archief over te dragen aan een onbekende in een witte auto. Soms is het een moeilijk afscheid, al lees ik op vele gezichten ook opluchting. Iets is afgerond en eindelijk is al die rommel uit de gang.

Ik begrijp dat goed – ik ben zelf erfgenaam en bewaarder van dertig strekkende meter literair archief. De opluchting heeft ook te maken met het feit dat de meneer in de witte auto het archief van pa of nonkel meeneemt naar een soortement eeuwigheid – het verduldige Letterenhuis waar archivarissen met witte katoenen handschoenen er teder de paperclips en plastic mapjes uit verwijderen omdat die niet goed zijn voor het papier.

Een heel gedoe, zeker omdat veel mensen hun papieren daar bij voorkeur mee bij elkaar houden. Enfin, ik heb me laten vertellen dat collega’s ooit een archief ophaalden dat door de verongelijkte ex van een weggelopen dichter in het kippenhok was ondergebracht. Zoiets heb ik zelf gelukkig nog niet beleefd.

Kippen zijn stomme beesten die je best opeet in de vorm van worst zodat niets aan hun gescharrel of gekakel herinnert. Dat laatste geldt evenzeer voor bepaalde dichters. Maar breek mij de bek niet open. Archivarissen en oude krokodillen hebben beroepsgeheim. En dat nemen ze terecht heel ernstig.

Wanneer ik, gelukkige zoals Odysseus, terug ben van mijn reizen stap ik weleens door het depot, langs de eendere achterkant van honderden archiefdozen. En dan denk ik: wij hebben van jullie allemaal het beste meegebracht en daar blijven we voor zorgen.           

Advertenties

Rubens in het kort

Pieter-Paul Rubens, “Pastorale in een landschap” (foto Rubenshuis).

Pieter-Paul Rubens is een kind van de Antwerpse diaspora. Hij wordt op 28 juni 1577 geboren in het Westfaalse stadje Siegen. Zijn ouders zijn de jurist Jan Rubens, oud-schepen van Antwerpen, en Maria Pijpelincx. Jan Rubens heeft aan de universiteit van Leuven gestudeerd en zijn studies voortgezet in Italië. In 1562 wordt hij schepen van zijn vaderstad Antwerpen. Jan Rubens koestert sympathie voor het calvinisme. Hij treedt zelfs op als contactpersoon tussen de Antwerpse calvinisten en Willem van Oranje.

Overspel

Eind 1568, na de komst van Alva, nemen de Rubens’en het zekere voor het onzekere en slaan op de vlucht. In 1569 strijken ze neer in Keulen. Jan Rubens treedt op als advocaat van Anna van Saksen, de vrouw van Willem van Oranje. Zij verblijft in het kasteel van het nabije Siegen. In 1570 blijkt Anna zwanger van… Jan Rubens. De Oranjes kunnen daar niet mee lachen en slaan de ex-schepen in de boeien.

Pieter-Paul Rubens, Zelfportret.

Maria Pijpelincx stelt alles in het werk om haar man vrij te krijgen. Ze verhuist naar Siegen. Uiteindelijk dreigt ze ermee het overspel van Anna van Saksen publiek te maken. Daarop zijn de Oranjes bereid Jan vrij te laten – voor een losgeld van 6.000 thalers.

Maria slaagt erin dat bedrag bijeen te brengen. Jan wordt in 1573 op vrije voeten gesteld. Maar het echtpaar moet onder toezicht in Siegen blijven wonen. Maria is verplicht om kamers in haar huis onder te verhuren en ze kweekt groenten in de tuin. In 1574 wordt hun zoon Filips geboren; in 1577 volgt Pieter-Paul.

Antwerpen

Pas in 1583 – Anna van Saksen is dood en Willem de Zwijger is hertrouwd – keert het gezin Rubens naar Keulen terug. Jan Rubens bekent zich weer tot het katholicisme zodat hij opnieuw zijn beroep kan uitoefenen. Na zijn dood in 1587 verhuist Maria Pijpelincx met haar kinderen naar Antwerpen.

Pieter-Paul Rubens, “Portret van een oude vrouw”, vermoedelijk zijn moeder, Maria Pijpelincx (München, Alte Pinakothek)

Het familiefortuin is blijkbaar niet helemaal op, want ze kan in een fraaie patriciërswoning aan de Meir vestigen en huwelijkt haar dochter Blandina uit aan een rijke koopman.

Pieter Paul stuurt ze naar de school van meester Rumoldus Verdonck waar Balthasar I Moretus, de kleinzoon van Plantin, zijn medeleerling is. Rubens leert er grondig Latijn en Grieks. Zijn belangstelling voor de klassieken valt meer op dan zijn drang om te tekenen: hij beperkt zich tot het kopiëren van de illustraties in een Bijbeluitgave uit 1576.

Omdat Maria beseft vindt dat haar jongste zoon meer moet kennen dan Grieks en Latijn om in de wereld vooruit te komen, helpt ze hem aan een baantje als page van de gravin van Lalaing die in Oudenaarde woont. De bedoeling is dat hij zich leert bewegen in een aristocratisch milieu. Hij blijft een jaar.

Verhaecht en Van Veen

“Hij kon niet weerstaan aan de roeping die hem naar de schilderkunst dreef,” schrijft Rubens’ biograaf Sandrart. “Uiteindelijk kreeg hij van zijn moeder de toelating om er zich geheel aan te wijden.”

Otto van Veen (a).

Op zijn vijftiende gaat Pieter Paul in de leer bij de schilder Tobias Verhaechtdie in 1595 deken van het Sint-Lucasgilde is geweest. Verhaecht is een ver familielid en een lutheraan. Na enkele maanden stapt Pieter-Paul over naar het atelier van Adam van Noort, de toekomstige schoonvader van Jacob Jordaens (Van Noort leidt in totaal 33 leerlingen op, onder wie Rubens, Jordaens en Hendrik van Baelen). Ook Van Noort belijdt min of meer clandestien het protestantisme.

Tenslotte komt de jonge kunstenaar in het atelier van Otto Van Veen (Leiden, 1556) terecht. Van Veen is een geletterde schilder, doordrongen van de klassieke geest. Hij leert Rubens alles over compositie en allegorie en stimuleert zijn interesse voor de intellectuele kant van het artistieke werk. Pieter Paul zal vier jaar bij Van Veen blijven en werkt met hem mee aan de versieringen voor de intrede van Albert en Isabella in 1599.  

Italië

Rubens’ drie jaar oudere broer Filips is intussen huisleraar geworden van de zoons van Jean Richardot, de voorzitter van de Geheime Raad in Brussel. Hij studeert samen met hen in Leuven bij de beroemde humanist en classicus Justus Lipsius.

Pieter-Pauls leertijd zit erop; hij mag zich meester in het Sint-Lucasgilde noemen. Op aanraden van Van Veen vertrekt hij in in 1600 naar Italië. Hij treedt er in dienst bij hertog Vincenzo Gonzaga van Mantua. Die vorst bezit twee paleizen vol schilderijen van Corregio, Rafaël, Titiaan, Andrea del Sarto en andere Italiaanse groten. Hij verzamelt ook Griekse en vooral Romeinse beelden.

Vincenzo Gonzaga door Frans II Pourbus (foto Wikipedia)

Om zijn broodheer van goede kopies van beroemde schilderijen te voorzien, reist Rubens vanuit Mantua naar Firenze en Rome. Hij bezoekt ook andere steden. Overal verkijkt hij zich aan de antieke kunst, de meesters van de Renaissance en zijn Italiaanse tijdgenoten. Tussendoor schildert hij retabels en portretten.

In 1603 stuurt de hertog hem naar Spanje met geschenken voor koning Filips III, in de hoop dat deze Mantua politieke bescherming zal bieden. Het wordt de eerste diplomatieke missie van de schilder. In Madrid kopieert Pieter-Paul werk van zijn grote voorbeeld Titiaan. Hij knoopt relaties aan met de hertog van Lerma van wie hij een ruiterportret schildert – volgens sommigen zijn eerste echte meesterwerk.

Dood van Maria Pijpelincx

Van 1605 tot 1607 woont Rubens samen met zijn broer Filips in Rome. Filips is daar bibliothecaris van kardinaal Ascanio Colonna geworden. Nadien reist de kunstenaar terug naar Mantua. Hij vergezelt de hertog naar Genua, waar hij de architectuur van de paleizen bewondert. In 1622 zal hij daarover bij Moretus een boek uitgeven.

Pieter-Paul Rubens, “Isabella Brant”.

In 1608 hoort Rubens dat zijn moeder ziek is en keert terug naar Antwerpen. Maar hij komt te laat: bij zijn aankomst is Maria Pijpelinckx al dood. Hij trekt in bij zijn broer Filips aan de Kloosterstraat. Filips is al in 1607 uit Italië teruggekeerd en in Antwerpen getrouwd met met Maria de Moy, de dochter van een van de vier stadssecretarissen die Antwerpen rijk is, Hendrik de Moy. Bij de dood van diens collega Jan Bochius volgt Filips hem op. Lang zal hij het ambt niet uitoefenen, want hij sterft zelf in al 1611, op 37-jarige leeftijd.

Aartshertogen

Rubens’ reputatie is doorgedrongen tot aan het hof in Brussel. De aartshertogen Albrecht en Isabella benoemen hem in 1609 tot hofschilder, maar hij mag in Antwerpen blijven wonen. Het jaar daarop trouwt de kunstenaar met Isabella Brant, de dochter van de jurist Jan Brant. Weldra bestelt het stadsbestuur op instigatie van broer Filips bij hem een Aanbidding der Koningen voor het stadhuis.

Rubens portretteerde de aartshertogen Albrecht en Isabella (foto MutualArt).

Van het kerkbestuur van de Sint-Walburgiskerk krijgt hij dan weer de opdracht om de Kruisoprichting te schilderen. Dat is te danken aan de koopman en kunstverzamelaar Cornelis van der Geest (1555-1638) die kerkmeester van de Sint-Walburgis is.

Kruisafneming

In De Kruisoprichting voert Rubens Christus voor het eerst ten tonele als een atleet die worstelt met de dood. De diagonale compositie van het middenluik herinnert aan Tintoretto. Aan die schilder en aan Caravaggio ontleent Rubens de sterke contrasten tussen licht en schaduw.

Kort daarop vraagt het gilde der Kruisboogschutters aan Rubens om voor zijn altaar in de Onze-Lieve-Vrouwekerk een Kruisafneming te borstelen. Het werk is klaar in 1612 en maakt ophef wanneer het wordt ingehuldigd. Rubens heeft nu voorgoed zijn stijl gevonden.

Het Rubenshuis aan de Wapper (foto Spotting History).

In 1610 koopt de schilder een huis aan de Wapper. Hij voegt er de komende jaren een atelier in Genuese stijl aan toe, versierd met klassieke beelden en opschriften uit de Romeinse literatuur.  Nog voor zijn verhuizing staat Rubens al aan het hoofd van een groot atelier dat hij doet draaien als een goed geoliede machine. Zijn talentrijkste leerling – al verschillen kunsthistorici van mening over de precieze betekenis van die term – en medewerker is van Dyck. 

Van Dyck

Van Dyck leidt in opdracht van de meester de vervaardiging van de kartons – in feite volwaardige olieverfschilderijen op formaat 1/1 – voor de reeks wandtapijten De Geschiedenis van Decius Mus. De Genuese zakenman Franco Cattanero bestelt die reeks in 1616 bij de Brusselse tapijtwevers Jan Raes en Frans Sweerts, die op hun beurt Rubens inschakelen voor de ontwerpen.

Antoon van Dyck, “Zelfportret met Zonnebloem”.

De tapijtcyclus illustreert een verhaal uit de Romeinse geschiedschrijver Livius, dat nooit eerder het onderwerp is geweest van een kunstwerk.   

Rubens kent Van Dyck ook een voorname rol toe bij de totstandkoming van de plafondschilderingen voor de nieuwe jezuïetenkerk. Het gaat om negenendertig plafondstukken. Rubens neemt zelf de twee altaarstukken voor zijn rekening (de plafondschilderingen gaan verloren bij de brand in 1718).

Prenten

De Deense arts Otto Sperling bezoekt Antwerpen in 1621 en stapt af bij Rubens. “Wij zagen daar,” schrijft hij, “een grote zaal, zonder vensters, maar waar het licht door een brede opening in de zoldering viel. In deze zaal zaten vele jonge schilders, die allen arbeidden aan verschillende werken, waarvoor M. Rubens hun tekeningen had gegeven, hier en daar met kleur opgehoogd. Deze schilderijen moesten de jonge lieden geheel in kleur uitvoeren, totdat M. Rubens ze tenslotte met penseeltoetsen en verwen voltooide.”

Lucas Vortsterman, “De Kruisafneming”, naar Rubens.

Rubens doet er alles aan om zijn werk nog meer bekendheid te geven doormiddel van prenten. De verkoop daarvan is winstgevend – op voorwaarde dat de schilder in een bepaald land het alleenrecht verwerft. Rubens krijgt dat in Spanje en de Republiek. In 1619 wendt Rubens zich tot zijn vriend Gevartius die in Parijs verblijft om ook een Frans privilegie los te krijgen. Gevartius brengt de schilder in contact met de jurist en oudheidkundige Fabri de Peiresc, raadsheer bij het parlement. Rubens en hij blijven vrienden voor het leven.

“Ik waak er steeds over dat de graveerder zich niet van het model verwijdert,” meldt Rubens aan een correspondent in Nederland, “en ik ondervind minder moeilijkheden om een jonge man van goede wil onder mijn ogen te doen werken dan om de zaak toe te vertrouwen aan volleerde meesters wier fantasie als wet geldt”.

Pook

In 1619 neemt Rubens Lucas Vorsterman in dienst. Die maakt schitterende prenten naar de doeken van zijn opdrachtgever. Maar hij blijkt er een even uitgesproken persoonlijkheid op na te houden. Lang duurt het niet voor hij diep gefrustreerd raakt door zijn ondergeschikte rol. Vorsterman kan er niet tegen dat zijn werk enkel gewaardeerd wordt als vehikel van de “inventies” van Rubens.

Lucas Vorsterman, getekend door Anthony van Dyck (The Fitzwilliam Museum, Cambridge).

Het komt tot hevige ruzies tussen schilder en graveur. Er wordt beweerd dat Vorsterman Rubens te lijf gaat met een pook; in Parijs loopt het gerucht dat Rubens het incident niet heeft overleefd. Vrienden van de schilder richten zich tot de overheid om bescherming voor hem te vragen. Een en ander loopt af met een sisser en Vorsterman vertrekt voor een poos naar Londen. Na zijn terugkeer zal hij opnieuw met zijn vroegere baas samenwerken.

Fabri de Peiresc meldt Rubens dat koningin Marie de Medici, regentes van Frankrijk, twee reeksen schilderijen wil voor haar nieuwe Palais du Luxembourg in Parijs. De eerste moet gewijd zijn aan haar leven, de tweede aan dat van haar vermoorde man Hendrik IV.

Diplomatie

Uiteindelijk voltooit Rubens enkel de eerste serie. Hij reist er meermaals voor naar de Franse hoofstad. In 1625 superviseert hij de plaatsing van drie grote schilderijen stukken van ieder meer dan zeven meter lang, achttien kleinere taferelen en drie portretten. De kunstenaar combineert historische personages met allegorische voorstellingen en klassieke goden.

Pieter-Paul Rubens, “Portret van zijn dochter Clara Serena”.

Aartshertogin Isabella begrijpt dat de hoofse, ambitieuze Rubens met zijn wijdvertakte internationale contacten uiterst inzetbaar is als diplomaat. Zij gebruikt hem voor de realisatie van haar grote politieke ambitie: vrede tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. Omdat directe onderhandelingen voorlopig niets opleveren werkt Rubens vanaf 1627 aan een verdrag tussen Spanje en Engeland. De bedoeling is om zo een eind maken aan de Engelse steun aan de Hollanders. Rubens reist heen weer tussen Londen en Madrid.

In het voorjaar van 1630 verblijft de schilder in Engeland. Koning Karel I slaat hem tot ridder (een titel die ook de Spaanse koning hem enkele maanden later verleent). De Engelse vorst bestelt bovendien plafondschilderingen voor het gloednieuwe Banqueting House van zijn paleis Whitehall. Als onderwerp kiest Karel de regering van zijn vader, James I, die Schotland en Engeland onder een kroon heeft verenigd.

Maria de Medici

Isabella stelt Rubens aan tot haar vertegenwoordiger bij Maria de Medici. Die laatste is haar land ontvlucht en zoekt bescherming zoekt in de Spaanse Nederlanden. Daarna stuurt de aarsthertogin haar hofschilder nog een paar keer naar de Noordelijke Nederlanden om over vrede te praten. Maar veel haalt  het allemaal niet uit en Rubens zet een punt achter zijn diplomatieke carrière.

Inmiddels is hij hertrouwd met de 16-jarige Hélène Fourment (hijzelf is 53). Rubens kent de familie Fourment al lang. Helena’s oudere zus Suzanna heeft model gestaan voor Het strohoedje. De kunstenaar zal zijn piepjonge vrouw vaak schilderen. Haar bekendste portret is ongetwijfeld Het Pelsken.

Pieter-Paul Rubens, “Hélène Fourment”, ca. 1630 (foto Wikimedia Commons)

Na de dood van aartshertogin Isabella in 1633 benoemt de Spaanse koning Filips IV zijn broer, de kardinaal-infant Ferdinand tot nieuwe landvoogd van de Spaanse Nederlanden. Zoals gebruikelijk zal de nieuwe gouverneur-generaal de voornaamste steden aandoen. Ferdinand komt in april 1537 naar Antwerpen. Rubens krijgt de opdracht om de hele stad te decoreren en ontwerpt een indrukwekkend geheel van triomfbogen, poorten, podia en tribunes. “Ik heb geen tijd meer om te leven en om te schrijven,” meldt hij aan Peiresc.

Kardinaal-Infant Ferdinand

Rubens levert ontwerpen van een nooit geziene pracht. Voor de uitvoering kan hij reken op de beste schilders van Antwerpen: Jacob Jordaens, Cornelis de Vos, Erasmus Quellin, Theodoor Rombouts, Cornelis Schut, Theodoor van Thulden en anderen. Er zijn ook zes beeldhouwers van de partij, onder wie Quellinus en Van Mildert.

Pieter-Paul Rubens, “Landschap met Philemon en Baucis”.

Er komen elf triomfbogen op verschillende punten van de stad. Die van de Meir is de mooiste is versierd met twaalf standbeelden in witte steen van de keizers uit het Oostenrijks huis en twaalf andere van de goden uit de klassieke mythologie. Het geheel heeft de vorm van een halve zeshoek en is bekroond met een obelisk. Op andere plaatsen staan podiums en de wagens van de Ommegang zijn als bezienswaardigheden tentoongesteld. Overal ziet het publiek een overvloed aan guirlandes, feestmasten, festoenen en vlaggen.

’s Namiddags heeft de kardinaal-infant op de Grote Markt een “vertoon” van De Violieren geschouwd over het huis van Oostenrijk. In de Sint-Michielsabdij waar de prins verblijft, spelen ze voor hem een toneelstuk over Perseus en Andromeda.

Buitengoed

In het jaar van de blijde intrede van Ferdinand koopt Rubens het kasteel van Steen in Elewijt bij Vilvoorde. Daar brengt hij zijn laatste vijf zomers door. Er ontstaan talrijke weidse en lyrische landschappen die men tot het beste van zijn werk rekent.  Inmiddels gaat de activiteit in het Antwerpse atelier verder. De meester schildert een aantal profane werken met mooie naakten zoals De plagen van de oorlog, bestemd voor de groothertog van Toscane, de Sabijnse Maagdenroof en vele andere.

Pieter-Paul Rubens, “Herfstlandschap met gezicht op Het Steen”.

De kardinaal-infant bestelt een laatste reeks grote decoratieve stukken voor het jachtslot Torre de la Parada van zijn broer, de koning, bij Madrid. Het gaat om een uitbeelding van de Metamorfosen van Ovidius.

Rubens sterft op 30 mei 1640 aan de gevolgen van jicht. Hij wordt begraven in de Antwerpse Sint-Jacobskerk.

Zonder onderzoek in de doos. Dagboeknotities van Emmanuel de Bom, 10-13 september 1914

Emmanuel de Bom (foto Letterenhuis).

Op donderdag 10 september 1914 om 13 uur hameren gendarmes in burger op de deur van nummer 76 in de Antwerpse Clementinastraat. Ze komen voor de bewoner van het huis, hoofdbibliothecaris en schrijver Emmanuel de Bom. Een maand eerder, op 4 augustus, zijn Duitse troepen de grens van het neutrale België overgestoken. In het land heerst paniek.

De rijkwachters arresteren een ontredderde De Bom en voeren hem te voet naar hun kazerne in de Vlierstraat. Daarvandaan gaat het naar het hoofdkwartier van het Belgische leger in de Kipdorpvest. De bibliothecaris wordt voorgeleid bij niemand minder dan generaal Deguise, bevelvoerder van de Versterkte Stelling Antwerpen. ‘Emmenez cet homme’, commandeert de officier tot slot van een korte, onvriendelijke ondervraging. Men brengt de schrijver, per rijtuig deze keer, over naar de neogotische gevangenis in de Begijnenstraat. De man weet nog altijd niet waarvan hij beschuldigd wordt.

De waarheid heet het eerste slachtoffer van de oorlog te zijn. Emmanuel de Bom ondervond dat aan den lijve. Sinds 27 augustus mocht hij op last van zijn werkgever, het Antwerpse stadsbestuur, geen artikelen meer schrijven voor de Nieuwe Rotterdamse Courant. Die verscheen immers in het neutrale Nederland en men vreesde dat de oprukkende Duitse vijand er informatie uit zou kunnen halen over wat er achter de Belgische linies gebeurde.

Nederlander

Daarop kwam er een Nederlandse medewerker van de krant naar Antwerpen, identiteit niet bekend. Zijn lange en kritische verslag over de toestand had als strekking dat de Belgen er niets van bakten. Toen de NRC het stuk publiceerde – artikelen verschenen vaak anoniem – dacht de Belgische militaire overheid direct, en verkeerdelijk, dat De Bom de auteur was. Of iemand fluisterde het haar in, dat is een eeuw later nog niet duidelijk.

De detentie van de schrijver duurde bijna vier dagen vol angst, onzekerheid en verontwaardiging. Men kan erover lezen in het dagboekje dat hij van 10 tot 13 september in de gevangenis bijhield en dat zich in zijn archief in het Letterenhuis bevindt. De Bom schreef zijn indrukken en gedachten neer met een potlood op dubbelgevouwen vellen papier van 42 bij 27 centimeter. Zo haalde hij uit elk vel vier bladzijden. Die kleine pagina’s genoten overigens ook buiten de gevangenis zijn voorkeur, zowel voor zijn literaire werk als voor vele van zijn ontelbare brieven.

In cel met warm bad – word misselijk van de vochtige hitte – daarna door barmhartigheid in luchtige kamer wat bekomen – in cel met [onleesbaar] – men brengt eten van thuis – in cel nr. 36 op 1e verdiep – Licht – soldaat ernaast is in zijn nest.

De gevangenis in de Antwerpse Begijnenstraat (foto Letterenhuis).

Ondanks het eten dat zijn vrouw Nora van thuis uit de Clementinastraat liet brengen – dat mocht, blijkbaar – beleefde De Bom een ‘slechte’ nacht. Hij beklaagt zich in zijn notities over het ‘groflinnen laken’ en lag naar eigen zeggen de hele tijd te piekeren. Geen wonder, want ook al in zijn brieven uit vredestijd komt de bibliothecaris naar voren als een overgevoelige, vrij egocentrische man wiens psychische gesteldheid steeds ook fysieke reacties bij hem oproept.

“Honderd maal wakker. ’s Ochtends met zieke ingewanden, voel ik me afgetobt – Ik blijf liggen[,] aangekleed. “

Journalist

De Bom heeft een goed herkenbaar, duidelijk handschrift, maar emotie en zuinigheid – de hoeveelheid papier die hij bij zich heeft, is ongetwijfeld beperkt en hij weet niet hoelang zijn opsluiting zal duren – maken de woorden soms moeilijk leesbaar. De zeventien dicht beschreven kantjes van het gevangenisdagboekje bewijzen in ieder geval dat hij zelfs achter de tralies een journalist bleef:

“Zaterdag 7 1/2u. Ik ben al anderhalf uur op, het grauwe licht valt uit het kleine van ijzeren staven ruim voorziene raampje. Het geeft geregend en gedonderd. Buiten hoor ik praten, misschien wel door hier ook opgehouden soldaten. In de gangen almaar getrappel van klompen, gevangenen die huiswerk verrichten.”

De Bom twijfelde er niet aan dat zijn vrouw alles in het werk stelde om hem vrij te krijgen. Hij hoopte dat ze de Vlaamsgezinde katholieke advocaat en volksvertegenwoordiger Frans van Cauwelaert kon inschakelen.

“Ach, als Van Cauwelaert toch den koning kon spreken, die me op de Conscience-dag in de tentoonstelling zoo vriendelijk toesprak. Dat hij hem zegge dat ik de vriend van Streuvels, Verriest en van al de bekende Vlamingen” noteerde De Bom niet zonder enige zelfoverschatting. Hij doelt in zijn notitie op het bezoek van koning Albert I aan de tentoonstelling die De Bom in 1912 had georganiseerd bij de honderdste geboortedag van Hendrik Conscience – de expositie die trouwens de aanzet zou vormen tot de oprichting van het Museum voor de Vlaamsche Letterkunde, het huidige Letterenhuis.

Frans van Cauwelaert (foto Letterenhuis).

Dat de bibliothecaris hoopte dat Van Cauwelaert voor hem op de bres zou springen, is enigszins onverwacht, want De Bom staat niet bekend als enorm kerks. Als jongeman genoot hij de steun van liberale Antwerpse kopstukken, onder wie de vrijmetselaars Frans Gittens en Pol de Mont. Na de oorlog zou hij redacteur worden van het socialistische dagblad Volksgazet dat bepaald geen klerikale koers voer. Speelde hier de invloed van zijn vrouw Nora mee, die erg katholiek was? Betrof het persoonlijke affiniteit? Of was het puur pragmatisme? Mogelijk ook identificeerde de schrijver zich meer met het flamingantisme van Van Cauwelaert dan met dat van de liberaal Louis Franck.

Afrekening

Maar hoe kwam De Bom überhaupt in het gevang? Deden collega’s in stedelijke dienst moeilijk? Hij voorzag in ieder geval problemen, want al op 29 augustus liet hij zijn vriend en medewerker J. van den Bergh een brief richten aan de liberale burgemeester Jan Devos. Van den Bergh getuigt in dat schrijven, dat zich eveneens in De Boms archief bevindt,

“dat de correspondentie, die de heer De Bom sinds lange jaren voor de N.R.Ct. voerde van die aard geweest is, dat hij altijd de Vlaamsche belangen ten zeerste heeft voorgestaan en dat ik gerust mag zeggen, dat ik in zijn optreden en in zijn persoon steeds het grootste vertrouwen heb gekoesterd.”

Deze preventieve actie sorteerde geen effect.

“Zoo gerust als mijn geweten is, toch ben ik, nu ik van dicht heb gezien hoe de mentaliteit der menschen vergiftigd is, niet zonder zorg omtrent den afloop. Hoe is het mogelijk dat men iemand die een hooge plaats bekleedt als ik, die in de stad algemeene bekendheid geniet, zoomaar zonder enig onderzoek in de doos stopt? Wat een onmenschelijkheid.”

Intussen was het zaterdag geworden. De Bom wist nog altijd niet wat men hem precies verweet. Wel schreef hij opnieuw goedgebouwde zinnen. Op bladzijde 5 van zijn dagboekje recapituleert hij zijn aanhouding, nu met meer namen en details. We vernemen dat hij thuis gearresteerd is na een bezoek aan de dichter en hoofdconservator Pol de Mont in het Museum voor Schone Kunsten. En hij vertelt dat hij Nora vanuit het hoofdkwartier bij generaal Deguise op de hoogte mocht brengen van zijn toen aanstaande opsluiting in de Begijnenstraat. Ook noteert hij dat de bekende advocaten Jozef Muls en Georges Serigiers hem toevalligerwijze in de gevangenis gezien hebben – Muls gaf het literaire tijdschrift Vlaamsche Arbeid uit en Serigiers was de echtgenoot van de Franstalige Hollandse ex-prostituee en schrijfster Neel Doff; later zou hij voor de rechtbank Paul van Ostaijen verdedigen.

“O die angst, ik zal trachten me goed te houden. Maar zal ik dit lang volhouden? Als ik maar een levensteeken bemerk, leeft de hoop weer in me op. Maar – In de verte hoor ik altijd trompetschallen en volksgeruchten – Wie weet wat er met ons arme land gebeurt?”

Om halftien ’s morgen kreeg de gevangene bezoek van de gevangenisdirecteur – een ‘welwillend man’. Anderhalf uur later was het de beurt aan Nora. En uit de bibliotheek van de gevangenis leende De Bom een Franse vertaling van Dickens’ David Copperfield. Hij noteerde in zijn dagboekje ook dat die bibliotheek zijn eigen essay over Ibsen in huis had, plus werk van Streuvels, Teirlinck, Sabbe en Toussaint van Boelaere. En: de ‘onderwijzer bibliothecaris – mijn collega – zegt dat ze vermoedelijk inlichtingen inwinnen – zoodra ze die hebben, zal ik bij auditeur militaire […] worden geroepen’.

Van Cauwelaert

In de loop van de dag kwam Van Cauwelaert naar de gevangenis – er waren waarschijnlijk nog meer cliënten van hem opgesloten – maar werd niet bij De Bom toegelaten. Op zondagmorgen stuurde Nora een ‘overjas & sargie’ (een deken) tegen de kou. De Bom woonde de mis bij in de kapel: ‘Ik heb niet gevoel dat er veel deemoed was. Af en toe geeuwen en getrappel van ongeduld. Ik zag een cipier rechtstaande in slaap vallen.’ Maar daar voegde de bibliothecaris wel aan toe: ‘Daar zijn onder hen goede menschen.’

Nora de Bom (foto Letterenhuis).

“Ik hoor nu huilen, huilen – verschrikkelijk – lijk een dier dat gaat geslacht worden – dit behoort tot het aller-diepste. Mij dunkt het is een vrouw. Dieper dan alle gebed dringt dit tot in uw diepste. Helaas, wat een ellende. […] Maar het is waarlijk beneden alles hoe de mensch den mensch opsluiten kan – Hoor toch dat lamento, dat gekreun zonder eind, neen dàt behoort tot het aller-droefste!”

De Bom werd er niet vrolijker op toen een cipier hem vertelde dat het gehuil afkomstig was van ‘een die moet gefusiljeerd worden!’ – vermoedelijk een deserteur.

Om 11.40 uur tenslotte kwam men De Bom ophalen om bij de militaire auditeur commandant Rémy te verschijnen. Die deelde de schrijver mee dat er een ‘valsche aantijging’ tegen hem was geweest. De Bom herinnerde zich het stuk in de krant. ‘Ik heb dat inderdaad gelezen’, noteerde hij,

“en we hebben onmiddellijk gezegd thuis: dat dit een van die Hollandsche stommiteiten was. […] Ik vertel nog woensdag op de Meir aan Louis Franck de heele geschiedenis. En nu is er een lafaard, die mij beschuldigen durft! Ik ben niet wraak-gierig, maar die schurk verdient dat hij in mijn cel plaats neme. […] Ik wist niet dat er zulke laagheid in de wereld was. Zal ik altijd een eenvoudige van geest blijven?”

Geen literatuur

Hoe dan ook, De Bom zou zondag om vijf uur worden vrijgelaten. In afwachting daarvan schreef hij:

“Te midden van al deze ellende heb ik ’t recht niet zoo gelukkig te zijn. Waarlijk, dit is geen literatuur. Ik beken dat ik met vreugde ga. Maar, die sukkelaren hier – waaronder, ik zou er op zweren, 9 op 10 zijn die uitsluitend medelijden verdienen. De gevangenen-gezichten die ik zag vervulden me met sympathie. Geen echter menschelijker blik zag ik als die van den man die mij water brengt. Hij had medelijden met mij.”

De Bom keerde terug naar huis, naar zijn Nora, en op maandag ook naar de bibliotheek. Weldra zorgde een aanbeveling van Minister van Oorlog de Brocqueville ervoor dat hij van het Antwerpse stadsbestuur opnieuw voor de NRC mocht schrijven. Daarin liet hij na de capitulatie van Antwerpen schetsen verschijnen over het leven in de bezette stad.

Verschenen in Zuurvrij

De oude krokodil (4)

Opeens behoor ik tot de categorie mensen die binnen enkele jaren met pensioen gaan. Dat komt, denk ik, doordat jongere collega’s in de meerderheid zijn. De zestigplussers (niet zo heel plus, een klein beetje) worden er vriendelijk, maar in niet mis te verstane termen op gewezen waar de uitgang is.

Zelfs de bijna-vijftigers kijken met een superieur airtje onze kant op – niet beseffend hoe snel ook hun tijd zal gekomen zijn. Enfin, wie weet moeten zij tot hun zevenenzestigste aan de slag blijven. Om ons pensioen mee te betalen. Misschien zit de wereld toch nog niet zó slecht in elkaar. Wij lopen dan wel een verhoogd risico op allerlei nare ziektes, maar onze digitale skills raken in dit leven niet meer achterhaald.

Sinds kort brengen de jongelui allemaal hun laptopje mee naar steeds talrijker vergaderingen waar hun smartphone voortdurend ligt te trillen en te zoemen. Ik gebruik nog altijd een notitieboekje of godbetert mijn papieren agenda en een potlood (ja, een potlood!). Gelukkig heb ik in een Deens winkeltje een leesbril van vijf Euro gekocht die niet alleen een stuk duurder lijkt dan hij was, maar mij er ook nog enigszins intelligent doet uitzien.

“Ja,” zegt de baas, “jullie moeten ervoor zorgen dat jullie je expertise doorgeven.” Ik knik. Dat is helemaal waar en aan mij zal het “niet gelegen hebben,” zoals ze hier zeggen. Maar expertise, dat zijn vooral “vaardigheden” en daar zijn de jongelui van zichzelf al heel goed in. Een recentelijk gediplomeerde in de archivistiek begon mij vorige week nog uit te leggen hoe ik mijn werk moet aanpakken.

Zo iemand vertellen wie Herman Teirlinck was of – om even echt moeilijk te doen – Julius De Geyter, daar ga ik me niet meer mee bezighouden, denk ik soms bij mezelf. Waar is anders het Internet voor? Uit pure tegendraadsheid heb ik alle handschriften van diezelfde Julius de Geyter vorige week en stoemmelings ingevoerd in onze database. De liefhebbers van de liberale rijmelarij uit de tweede helft van de 19de eeuw zullen blij zijn.

Gediplomeerden in de managementkunde (heet dat echt zo?) zullen mij nu ongetwijfeld indelen bij de “cynici”. Dat zijn de mensen met neuzen die weleens de andere kant op staan. Maar artrose en papegaaienbekken eisen bij de oudere werknemer hun tol. Die kan soms met zijn kop en dus ook met zijn neus de gewenste kan niet meer op. Dat is geen cynisme, maar een constatering.

Daarstraks, toen het jonge volkje zich nog enthousiast en werkgroepsgewijs op de digitale toekomst zat te verheugen, heb ik de zes vuilnisbakken naar buiten geduwd. Men was dat vergeten en hoewel het vuil werk is, moet iemand het doen. Ik voelde mij helemaal één worden met het oud papier. Niet slecht, voor een archivaris.

Het wee van juffrouw Spit

Ik vind juffrouw Spit best aardig. En ik ben een van de weinige schrijvers die hun vakgenoten het succes niet misgunnen. Ik heb als literaire archivaris (en man van gevorderde) een hoge leeftijd gehad.

‘J’en ai vu d’autres’, zegt ze in het Frans.

We zijn allemaal teruggebracht tot mapjes oud papier in de kelders van het Letterenhuis. In het beste geval. De wereld maalt niet, laat staan ​​eergisteren.

Het enige dat ik van ‘Het smelt’ kan zeggen, is dat de eerste bladzijden mij, euh, ontmoedigden. Door het vele slecht geformuleerd en overbodige dat erop te lezen staat.

Gelukkig ben ik geen recensent.

Intussen laat het mij onverschillig dat juffrouw Spit met de opvolger van haar verpletterend debuut. Het is geen nieuws, ik hoef het niet te weten. Laat de geliefden van juffrouw Spit er zich druk over maken, niet het brede publiek. Er is genoeg te kwetsen in de wereld aan krantenkolommen mee te vullen.