Skip to content
Advertenties

Posts from the ‘Uncategorized’ Category

Gelukkige stad: Antwerpen in de 16de eeuw

How Mosquito operates

antwerpenIn september verscheen het boek ‘Gelukkige stad: de gouden jaren van Antwerpen’ bij Amsterdam University Press. Het boek geeft de gebeurtenissen in ’t Stad weer tussen 1485 en 1585. Cruciale jaren voor de stad: de handel bloeide, waar sommige inwoners de vruchten van plukten. Kunstenaars streken neer in de koekenstad, de kerk vocht een strijd tegen de Lutheranen, de ene kerk na de andere verscheen, Willem Van Oranje was bijna niet meer… Talloze feiten die samengebracht worden door Jan Lampo. Wij hadden een gesprek met hem over deze boeiende periode.

In deel 1 praten we over de handel.
In deel 2 gaan we dieper in op de kerk en in deel 3 praten we over kunst.

Jan Lampo is schrijver en historicus, verbonden aan het Letterenhuis. De 16de eeuw bracht hij eerder al dichter bij de Antwerpenaren in talloze stukken en tentoonstellingen.

View original post

Advertenties

Gelukkige stad: Antwerpen in de 16de eeuw

Source: Gelukkige stad: Antwerpen in de 16de eeuw

Gelukkige Stad

Source: Gelukkige Stad

Gelukkige Stad

http://aup.nl/uitgave/NAJAARSAANBIEDING_2017/Gelukkige_stad.html

[Column] Schrijven.

Source: [Column] Schrijven.

2015 herzien

De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2015 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2015 ongeveer 49.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 18 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

[Column] De Geur van oude Boeken of Lof van het Antiquariaat

boekenfoto

Boeken hebben vandaag een korte levensduur. Schrijvers daarentegen, worden steeds ouder – ik merk het elke dag. Beide factoren dragen bij tot mijn liefde voor antiquariaten. In een antiquariaat staat de tijd stil. Boeken wachten er op hun volgend leven zoals katten, knipogend in hun mand bij de centrale verwarming.

Het eerste antiquariaat dat ik mij herinner – en waar ik zelf nooit een voet heb binnengezet – was medio jaren 1960 gevestigd op de hoek van de Antwerpse Jan Blomstraat en het Papenstraatje, tussen de Groenplaats en de Handschoenmarkt. In de etalage hingen handgekleurde kaarten zoals je die ook zag in het onvolprezen Museum Plantin-Moretus.

Voor de lezer – ik versta daaronder: de veelvraat, de die hard die klappertandt zodra hij niet meer omsingeld wordt door vijf stapels wachtende lectuur – worden antiquariaten meer en meer een noodzaak.

Handelaars in nieuwe boeken moeten hun waar zo snel mogelijk de deur uit werken. Daarom leggen ze een zeker conformisme aan de dag, hoe onafhankelijk, progressief enz. ze ook mogen zijn. Ze moeten hun boterham verdienen en hun personeel betalen. Ik heb daar alle begrip voor. Maar ik die in feite alles ben, behalve een reiziger of avonturier, hou van snuisteren op planken vol onvoorzienbare en onverwachte boekdelen.

Hoe ouder een lezer, hoe meer ervaring hij heeft. En hoe kieskeuriger hij wordt. Les lecteurs, c’est comme les cochons, plus que cela devient vieux, plus que cela devient difficile om Jacques Brel te parafraseren. Wat ik vandaag wil lezen, is moeilijker te vinden dan wat zeg maar twintig jaar geleden mijn begeerte opwekte.

Alle openbare, erfgoed- en wetenschappelijke bibliotheken ten spijt, wekken boeken bij mij de lust op ze te bezitten, te doorbladeren wanneer ik wil en ze in de kast te zetten om naar hun rug te kijken, ook al is die onaanzienlijk. Ik kus de ruggen van mijn boeken niet zoals Félix de Vandenesse de rug van Madame de Mortsauf kust op het bal in Le Lys dans la Vallée van Balzac. Maar toch.

Lange jaren dacht ik dat het lezen van roman na roman van mij een slimmer en adequater mens maakte. Of iemand dat ooit aan me gemerkt heeft, blijft wel de vraag. Maar mijn hang naar geschiedenis – het vak dat ik dertig jaar geleden heb gestudeerd – wordt almaar groter, al merk ik dat ik aan historische boeken nauwelijks minder stringente stilistische eisen stel dan aan zogeheten bellettrie.

Rommelige, omslachtige, overbodige en slecht geformuleerde teksten verdraag ik niet. Soms leg ik een interessant boek opzij omdat de vertaling (vaak een Hollandse vertaling uit het Duits) te schonkig is. Grote historici schrijven even helder als Voltaire of Stendhal (ziedaar mijn probleem met Huizinga – bijwijlen te wollig).

Van vuistdikke studies vol grafieken over economische geschiedenis lees ik alleen de conclusies; de lectuur van wie mij in hoofdstuk 1 met teveel sociologische concepten om de oren slaat, stel ik zolang uit dat ik er niet meer aan denk. Feiten wil ik, feiten en een goed geschreven interpretatie waarmee ik het dan volmondig eens of grondig oneens zijn kan. Of die mij doet twijfelen – naar verluidt het begin van alle wijsheid (en ook het einde, natuurlijk).

Bij voorkeur ingebonden en voor weinig geld. Dat laatste dreigt een probleem te worden, want ook handelaars in tweedehandse boeken moeten van hun negotie leven. Maar goed, zij zorgen voor uren snuisterplezier en de unieke geur (het woord ‘parfum’ klopt aan) van veel samengedrukt oud papier. Dat is een vorm van dienstverlening die wel iets mag kosten, denk ik dan.

Lastig dat zich op loopafstand van mijn werkplek (een archief en dus zelfs een verzamelplaats van alles wat vergeelt en verzuurt) twee uitstekende antiquariaten bevinden: één waarvan de eigenaar zich vooral toelegt op de fraaie letteren en een ander, waar ongeveer de helft van de zeer ruime bovenverdieping aan historie is gewijd.

Gelukkig zijn er middagpauzes dat ik kalm blijf en mij beperk tot een kop met de hand en een keteltje warm water gezette Ethiopische koffie in het koffiehuis aan de overkant. Die heeft mij al voor veel impulsaankopen een straat verder behoed.

 

 

 

 

[Column] Achtenvijftig

11203067_667665120030755_7420229521284943362_n

Ik heb mezelf nooit voor een nederig mens gehouden. Openlijk beleden nederigheid is zelden iets anders dan geraffineerde hypocrisie.

Dat heb ik al lang door.

Maar nu ik de zestig nader, worden mij ook een andere dingen duidelijk. Dat mensen zelden zeggen wat ze denken, maar – om het moeilijk te maken – ook niet precies het tegenovergestelde. Weten doe ik dat sinds ik mijn eerste boek voor grote mensen las, maar nu pas lijkt die kennis me ook echt eigen te zijn geworden.

Vroeger kende ik paranoïde momenten; vandaag is een kalm, voortdurend wantrouwen mijn deel. Vrolijk word ik daar niet van, maar zoals ik mezelf onlangs tegen een erg verstandige collega hoorde zeggen: “Nu we wat ouder zijn, hoeven we niet zoveel meer na te denken – dat is het voorrecht van intelligente mensen”.

Soms sta ik van mijn eigen scherpzinnigheid versteld. Nog iets dat mij op jongere leeftijd nooit overkwam – ik had altijd de indruk dat ik de pointe had gemist en mijn gesprekspartners deelachtig waren aan een hogere waarheid waar ik niet zou achter komen.

Maar dat is dus niet zo – het zijn gewoon huichelaars en liegebeesten. Ze behartigen bij voortduring belangen – vaak zelfs niet de hunne, o paradox! – of hebben nog meer schrik van mij dan omgekeerd (ik ben echt niet angstaanjagend).

Wat, met permissie gezegd, een kloterij. Bijna zes decennia duurt het voor je het door hebt; bovendien komt met het inzicht ook de zekerheid dat er niets aan te doen is. Dat je, met wat geluk, nog twintig jaar met de flauwekul van je medestervelingen je tijd zult verliezen.

Gelukkig biedt het leven van een bijna zestigjarige ook troost. Als hij een zwarte hoed draagt, zoals ik, en pijp rookt, wordt hij op straat door jonge vrouwen occasioneel vriendelijker toegelachen dan ooit het geval was toen het naïeve hart in zijn borst nog sneller sloeg.

[Column] De denkbeelden van Konijntje Woelwater.

JanLHVerhalen gaan vooraf aan wat men eigenlijk vertellen wil. Waar het mij over gaat, ontvouwt zich altijd heel geleidelijk, terwijl ik me op de voorgrond zorgen maak over de keuze en de volgorde van woorden, het vermijden van herhalingen en het uit de weg gaan van onwaarschijnlijkheden.

Soms komt zo een overtuiging of een idee aan het licht waarvan ik (nog) niet wist dat ik ze erop nahield. Degene waarvan ik me wel bewust ben, lijken dan ineens een stuk minder interessant.

Toen ik vier of vijf was, zat ik al aan het bureau van mijn vader in de voorkamer van ons huis aan de Antwerpsesteenweg in Hoboken. Ik was gewapend met een blauwe balpen van het merk Bic, geleverd door het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur, de werkgever van Lampo Sr. Voor me lag een stapeltje dikke lichtroze (of lichtgroene) vellen papier.

Ik maakte tekeningen, heel snel, en leverde luidkeels commentaar. Die was, dat kan niet anders, bestemd voor een publiek – al was dat er niet (op mij na).

Het verhaal dat ik zo vertelde, was uiterst primitief, losweg gebaseerd op wat Suske en Wiske en Kuifje in mij hadden losgemaakt. Hoe ik mij mijn spookachtige toehoorders voorstelde, die ook kijkers waren en over mijn schouder het ontstaan van mijn tekeningen gadesloegen, kan ik mij volstrekt niet meer voor de geest halen.

Misschien stelde ik ze mij helemaal nièt voor – toch niet in de voor de hand liggende zin.

Mensen of dieren kon ik niet tekenen – of toch niet goed genoeg. Dat wist ik al. Ik tekende auto’s die elkaar achtervolgden of in ravijnen stortten, huizen die afbrandden en dies meer (heel slecht natuurlijk).

Vandaag had een kinderpsycholoog mij direct bij de probleemgevallen ondergebracht. Goddank was het ergens tussen 1962 en ’63. Mishandeld of misbruikt werd ik niet, maar ons gezin was wel in nood. Mijn vader was meestal het huis uit – hij bracht vanaf 1963 een groot deel van zijn tijd door bij zijn vriendin die later berucht werd onder de door hem bedachte naam Lucia – en mijn moeder kreeg het steeds moeilijker met de haar opgelegde rol van huisvrouw. Leuk was dat allemaal zeer zeker niet, maar ik herinner mij er weinig van.

Ik vertelde verhalen vòòr ik had leren schrijven, zoveel is zeker.

Mijn moeder en mijn grootmoeder, De Bomma, lazen mij sinds mijn prilste kindertijd voor. Ik heb het elders al gehad of Oe-woe, de voorhistorische mens. Ik vergat de onsterfelijke Lew de Boerekat van Erik Suls, de eerste schrijver die ik heb bewonderd.

Ik besefte dat verhalen in boeken te vinden waren en dat men ze door lezen tot leven wekte – wat ik zelf nog niet kon. Ik wist dat schrijvers de verhalen in boeken achterlieten en dat mijn vader dat ook deed, maar dan voor grote mensen.

Zonder erover na te moeten denken, ging ik ervan uit dat een verhaal een mededeling aan derden is – iets dat je vertelt aan een publiek, ook al bestaat dat laatste alleen in je hoofd. Een verhaal in stilte tekenen – het verzwijgen, dus – was niet aan de orde.

Dat moet een gevolg van het voorlezen zijn geweest.

Mijn moeder, noch De Bomma ventileerden daarbij hun eigen emoties. Hun intonatie gaf alleen die van de personages weer. Van Konijntje Woelwater, bijvoorbeeld. Van de grote bekendheid van dat konijntje ben ik mij een halve eeuw later pas, dankzij het Internet, bewust geworden.

Dat is vast de reden waarom ik liever andere instanties – historische feiten of fictieve personages – beschrijf en zo nodig aan het woord laat, eerder dan mijn eigen opinies uit te schrijven. Maar, zoals gezegd, al schrijvend blijk ik die wel te hebben.

En het publiek van de voorlezerij, dat was ikzelf natuurlijk.

[Column] Het bezoek van mijn grootmoeder in de nacht.

Talbot House

Voor de deur van Talbot House, Poperinge, 5 augustus 2015.

Er wordt mij meegedeeld – door wie is niet duidelijk – dat mijn grootmoeder nog leeft en in een bejaardentehuis verblijft. Ik besef dat ik dat had moeten weten en voel me behoorlijk schuldig. No voor ik me heb voorgenomen om haar te bezoeken, zie en hoor ik mijn grootmoeder en die ervaring is levendiger dan wat mijn geheugen normaliter toelaat. Dan, met een groot gevoel van verlies, word ik wakker.

Mijn grootmoeder (die aan moederszijde, om precies te zijn) is volgend jaar vijftig jaar dood. Een hele heuse halve eeuw. Ik kan mij niet herinneren wanneer ik nog eens van haar gedroomd heb – het moet decennia geleden zijn. Waarom, vraag ik mij af, verschijnt ze mij, op mijn zevenenvijftigste, en in het holst van de nacht, van gene zijde?

Ik hecht geen geloof aan boodschappen uit het hiernamaals – ik heb er ook geen ontvangen. De droom vertelt mij iets dat pertinent onwaar is en zadelt mij – objectief gezien slechts gedurende enkele seconden – op met een acuut schuldgevoel en laat mij vervolgens aanspoelen op het strand van de realiteit.

Vreemd. En meteen een onweerlegbaar bewijs (toch voor mij, die het heb ervaren) dat onze herinneringen niet verdwijnen, dat ze diep in ons onderbewustzijn opgeslagen blijven om af en toe naar de oppervlakte te zwemmen.

Ergens tussen mijn schedeldak en mijn bovenste nekwervel sluimeren de stem en de wat zorgelijke uitdrukking van de vrouw die mijn grootmoeder was en die in 1966 is gestorven. Ze zijn de enige elementen van mijn droom die op iets slaan.

Wij worden ouder, maar onze herinneringen blijven jong – alleen kunnen we er, wanneer we dat willen, niet bij. Of toch niet altijd. Want ik weet nog wel hoe ik als drie- of vierjarige voor mijn moeder uitloop op het hellende grindpad dat van de Sint-Bernardsesteenweg op het Antwerpse Kiel omhoogloopt naar de ingang van het plaatselijke park. En dat ik daarbij zoveel mogelijk stof (grindpartikeltjes, zand?) doe opwaaien omdat ik dan – denk ik – lijk op een van de stoomlocomotieven die dagelijks enkele keren over de spoorweg achter ons flatgebouw rijden, omgeven door dikke wolken waterdamp.

Nee, ik was in een vorig leven geen stoomtrein – dit is wel degelijk een overgebleven herinnering.

Evolutionair gesproken is het nuttig om het verleden te onthouden – het laat ons toe om ons, zoals de spreekwoordelijke ezel, geen twee keer aan dezelfde steen te stoten.

Stelt mij dat gerust? Een beetje, in die zin dat ik dus geen ezel ben. Ik stoot mij doorgaans veel meer dan twee keer aan die fameuze steen. Het zij zo.

Individuele herinneringen zijn voer voor psychologen, voor romanschrijvers en uiteindelijk voor ieder van ons. Dat laatste kan ook gezegd worden van de geschiedenis, die men weleens omschrijft als ons collectieve geheugen.

Over het mogelijke nut van de geschiedenis heb ik het hier al vaker gehad, al blijft dat altijd wat fluiten in het donker van het onbewijsbare en onbecijferbare.

Het voorbije jaar heb ik vrij weinig archiefwerk verricht, al is dat waar ik in eerste instantie voor betaald word. Ik heb mij, samen met enkele moedige collega’s, toegelegd op het reorganiseren van een deel van het depot van het Antwerpse Letterenhuis, om ons toekomstig archiefwerk efficiënter te maken.

De bizarre droom over mijn grootmoeder deed mij wel even twijfelen, terwijl ik onderdelen van archiefrekken hielp verslepen – leidt ons werk, vroeg ik mij af, niet min of meer tot hetzelfde als wat onze neuronen doen wanneer wij dromen: het aan de oppervlakte brengen van fragmenten, van – in het beste geval – halve waarheden waarvan de interpretatie betwistbaar blijft en nooit een waarachtige blauwdruk vormt van lang vervlogen feiten, ideeën en… dromen? En dan nog, want wat vertelt een blauwdruk over de werkelijkheid?

Ja en nee, natuurlijk. De meeste ideeën die waar zijn, worden tegengesproken door een andere idee die even waar is. Historici kunnen feiten checken door bronnen met elkaar te vergelijken. Maar meer dan een echo van het verleden roepen die toch niet op.

Aan de andere kant, als wij niet droomden, werden we gek. Misschien worden we dat ook wel als we ons niet over ons collectieve verleden buigen. Geschiedenis – de droom die verhindert ons leven ontaardt in één lange psychose. Daar valt iets voor te zeggen. Misschien doen krankzinnige regimes – van de Nazi’s tot IS – daarom alles om het verleden te vertroebelen of het gewoon op te blazen.

 

%d bloggers liken dit: