Hubert Lampo-wandeling Zoutleeuw

Op 17 september organiseert het Hubert Lampo Genootschap opnieuw een geleide wandeling in Zoutleeuw, het Brabantse stadje dat model stond voor het Zoetelede in Lampo’s metafysische graalthriller Wijlen Sarah Silbermann.

Bijeenkomst om 13u.30 aan het Toeristisch Infokantoor, Grote Markt 11 te 3440 Zoutleeuw. Het infokantoor is ondergebracht in de Halle, die aanleunt tegen het  Stadhuis.

Na een korte ontvangst (meet welkomstdrink!) door het stadsbestuur van Zoutleeuw, wordt koers gezet naar enkele iconische plaatsen in de stad die voorkomen in de roman.

Jan Lampo vertelt over Wijlen Sarah Silbermann  en woordkunstenares Pierrette COffrée brengt haar kijk op het boek.

Hoogtepunt vormt het geleid bezoek aan de prachtige Sint-Leonarduskerk met haar vele merkwaardige kunstschatten o.l.v. conservator Ward Hendrickx.

Inschrijven kan via mail bij de secretaris van het Hubert Lampo Genootschap: emmy.vankerkhove@icloud.com .

Omdat parkeergelegenheid op de Grote Markt en de Groenplaats naast de kerk beperkt is en eigenlijk bedoeld voor kortparkeren, kan men de auto best achterlaten op de randparkings (gemeenschapscentrum De Passant of woonzorgcentrum De Vesten), beide  op een boogscheut van de Grote Markt.

Uitgelicht

In memoriam Chris Bierque (1958-2022).

Ik weet nog waar en ongeveer wanneer ik Chris voor het eerst zag: in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Daar ging toen de cursus door van het Kunsthistorisch Instituut, een Antwerpse organisatie die zich nog altijd richt tot mensen die over kunstgeschiedenis willen leren. Ik gaf het vak paleografie, het lezen van oud schrift, en Chris was een van mijn studenten.

We stonden met een paar mensen in de gang te praten en te roken – dat mocht toen nog – en ik liet mijn aansteker vallen. Hij kwam aan de voeten van Chris terecht. Ik bukte me om hem op te rapen en zei daarbij dat wat ik deed geen poging was om onder haar rok te gluren. Een flauw en vooral onhandig grapje waar een mens nu beter twee keer over nadenkt.

Ironisch genoeg leerden we elkaar kort daarop beter kennen omdat een andere studentin die een oogje op mij had – ik was nog jong en minder lelijk – beweerde dat er na de les iets gedronken werd in het toen bekende café De Berenbak, vlakbij. Toen ik er arriveerde, zaten daar alleen die studente en één vriendin die ze als een soort excuus had meegebracht: dat was Chris.

De grote, mooie, roodharige Chris met haar zachte maar heldere stem en haar vriendelijke, volgens sommigen wat afstandelijke glimlach. Chris die mij rustiger en beter maakte, toen al, dan ik ben.

Na enkele keren maakten we een eerste afspraakje, in het beroemde artiestencafé De Volle Maan. Ik had enkele weken eerder mijn rijbewijs gehaald en bestuurde trots een Simca 1100 – de kleur van die auto was, denk ik, caca métallique – diepbruin met een vage glans. Het was 1985, je vond toen nog gratis parkeerplaats in de stad.

Door het grote venster van De Volle Maan zag ik tot mijn ontzetting dat Chris in het gezelschap van twee mannen was. Maar de ene leek op haar en had hetzelfde rode haar – haar broer Dirk – en de ander gedroeg zich duidelijk als een lid van de LGBTQ community. Oef.

Chris en ik zagen elkaar vanaf dan bijna dagelijks, maar er gebeurde niets vòòr de examens. Chris was toen zelf ook al lerares – we wisten ons te gedragen. Maar twee of drie weken later vertrokken we voor het eerst samen met vakantie naar Bourgondië, in de Simca.

Amour fou? Elke amour is in het begin fou. Ook die van ons. Maar wat wij vooral deden, zevenendertig jaar lang, was elkaar én ruimte geven én de kans om thuis te komen, om thuis te zijn met de ander, die ander dààr te weten.

Chris was heel leergierig – vandaar haar extra studie kunstgeschiedenis na het regentaat. Maar eigenlijk had ze geschiedenis willen studeren, met name aan de VUB. Maar daar ging haar moeder vòòr liggen, iets wat af en toe in onze gesprekken naar boven kwam, ook jaren later nog.

Een jaar later kochten wij, met wat ze in Antwerpen “’ne schrik en ‘nen dàref” noemen, een huis. We hadden bijna geen geld en geen vaste baan – Chris deed interims, ik was freelancejournalist – en op onze lening betaalden we zeven procent rente, maar het huis kostte minder dan vandaag een garagebox in een goeie buurt. In dat huis zijn we blijven wonen, in dat huis is Chris, nu bijna drie weken geleden, gestorven.

Samenwonen gaat in het begin nooit zonder strubbelingen, maar dat is bij iedereen zo. Over de meeste dingen waren wij het, als vanzelf, met elkaar eens. En dat is eigenlijk al die tijd zo gebleven.

In die tijd leerden we samen veel mensen kennen, fijne en vervelende, mensen die vrienden werden, mensen die we snel uit het oog verloren. Het was de tijd van de grote, door banken gesponsorde literaire recepties en ook van de persvoorstellingen van nieuwe films, die ik moest bijwonen voor Flair. Chris ging geregeld mee naar Brussel om daar bij te zijn.

Financieel was het allemaal niet zo gemakkelijk, maar in 1990 raakte ik eindelijk aan een reguliere job bij de krant De Standaard.

Chris gaf intussen les in het beroeps- en het technisch onderwijs. Ik herinner me nog hoe trots ze was op de aandacht en het enthousiasme van haar beroepsleerlingen bij het voorleesuurtje dat ze elke week hield in de Sint-Agnesschool in Borgerhout.

Tot een oudere collega daar signaleerde dat haar zus, de directrice van de heropleiding voor blinden aan de Markgravelei, met pensioen ging en dat de baan misschien iets voor haar, voor Chris, was.

Chris, die minder zelfvertrouwen had dan ze meestal uitstraalde, aarzelde. Ik was het toen – en daar ben ik nog altijd fier op – die zei: “Ga eens kijken – als het niet je ding is, doe je het gewoon niet”. Maar het was liefde op het eerste gezicht – nog één. Toen we die zomer naar Parijs reden, zat Chris naast mij in de auto braille te leren, want dat moest ze toch kunnen, vond ze.

Chris en ik leefden voor ons werk. Nu ik daar, na haar laatste moeilijke jaren en aan de vooravond van mijn eigen pensioen op terugkijk, misschien te veel. Voor ons eigen goed, heet dat dan. Maar aan de andere kant – wat kan er nu mooier zijn dan wat Chris al die jaren deed in haar school?

Samen met haar ouders en haar broer was Chris ook met veel toewijding actief bij JeKino, dat sinds de jaren zestig de betere kinder- en jeugdfilm naar Antwerpen bracht.

Ze begeleidde voorstellingen en vertelde wat er gebeurde en gezegd werd aan kinderen die te jong waren om de ondertiteling te lezen. Ze was ook bij herhaling voorzitter van de Kinderjury, die de beste film bekroonde. Dat ze daar onheus werden opzijgeschoven toen het hele gedoe “professionaliseerde” heeft haar erg gekwetst. Maar ook dat verdriet stopte ze weg.

Want dat dééd Chris. Ze was vriendelijk, sociaal, ze had een luisterend oor. Leerlingen en collega’s – en ik – konden altijd bij haar terecht. Een oud-collega, die hier vandaag niet kan zijn, stuurde mij een kaart waarin ze sprak over Chris’ bereidheid en vermogen om met haar medewerkers naar oplossingen te zoeken.

Tegelijk was ze uiterst discreet, drong zichzelf niet op de voorgrond, scheidde professioneel rigoureus van privé en droeg ze haar eigen ellende alleen. Ze sprak er maar af en toe over, maar dan op zo’n manier dat je er als gesprekspartner niet echt kon op ingaan of dat je het beschouwde als iets, ach, dat bij de job hoorde, en wel zou overgaan.

Als er iets is waar ik mij diep, diep schuldig over voel, is dat ik niet aandachtig genoeg geluisterd heb, niet met meer aandrang ingegrepen.

Omstreeks 1995 coördineerde Chris de verbouwing van een oud flatgebouw aan de Markgravelei waarheen haar school zou verhuizen en natuurlijk ook de verhuizing zelf. Ik denk dat ze zichzelf daarbij vaak geweld moest aandoen, maar ze bracht het hele reuzenproject tot een goed einde – natuurlijk wel met de hulp van haar medewerkers, voor wie ik nu ook even mijn hoed oplicht.

Met mij ging het professioneel minder goed en ze luisterde met groot geduld naar mijn gezeur en geroespeteer. Ik heb het haar toen niet gemakkelijk gemaakt.

Dat is iets wat waarschijnlijk de meeste koppels ervaren: dat werk en collega’s, waar je zoveel tijd mee doorbrengt, voor de ander eigenlijk een vreemd land blijven, waarvan hij of zij de aardrijkskunde nooit echt helemaal begrijpt.

Chris was eind jaren 1990 sterk aanwezig bij de oprichting van het Hubert Lampo Genootschap; met de andere bestuursleden gingen wij twee keer uitgebreid op reis in Frankrijk, eerst naar Rennes-le-Château en het land van de Katharen, de tweede keer naar de Sologne de streek van Alain-Fournier en zijn boek Le grand Meaulnes.

Belangrijker was dat Chris mijn zus en mij bijstond – en soms verving, als het om praktische dingen ging – toen mijn vader aan dementie begon te lijden en naar een gespecialiseerd rusthuis moest. Chris was de vrouw “who walked the walk and talked the talk” met artsen en zorgverleners. Want dat wàs ze, door het werk in haar school.

Ze heeft mij ook de dood van mijn moeder helpen overleven, al ging het tussen die twee niet altijd even goed. Voor mij was dat soms heel moeilijk, maar achteraf bekeken heeft Chris mij wel voor een groot stuk geleerd op eigen benen te staan.

En dan waren er haar eigen ouders, natuurlijk, en haar tante, die oud werden en voor wie er moest gezorgd worden. Ook dat deed Chris, met veel liefde, maar ook met veel gezond verstand. Tot aan haar dood, nu twee jaar geleden, ging Chris bijna dagelijks op bezoek bij haar moeder in het woonzorgcentrum Sint-Gabriël. En dat was niet gemakkelijk, want haar moeder was niet altijd een even gemakkelijk mens en haar werk als schooldirectrice begon op Chris te wegen: weinig middelen, weinig steun, leerlingen wier problematiek vaak erg complex was – politieke vluchtelingen, sans papiers, mensen die gefolterd waren, die have en goed hadden moeten achterlaten. Geen haar op haar hoofd dat eraan dacht er nièt voor hen te zijn. En er was ook tegenwerking. Maar daar zal ik niet op in gaan.

Kreeg Chris een burn out en werd ze daarom naar huis gestuurd – “en ge moet niet meer terugkomen” werd erbij gezegd – of was het omgekeerd? Het was hoe dan ook zo verachtelijk, zo getuigend van een volstrekt gebrek aan empathie dat ik er geen woorden aan vuil wil maken.

Chris verzette zich niet en herstelde ook niet. Ze stak het allemaal weg in haar binnenste, zoals ze te vaak en te veel deed met haar emoties. Haar broer en zus en onze huisarts en ikzelf deden alles wat wij binnen de mogelijkheden die wij respectievelijk hadden, konden om Chris hulp te laten zoeken. Ze wilde niet, ze kon misschien niet, er kwam geen oplossing.

Chris dronk witte wijn en keek naar de televisie. Ik probeerde tot haar door te dringen. En als het over gewone, alledaagse dingen ging, lukte dat wonderwel. Wij bleven thuis bij elkaar, wij leefden nog altijd in harmonie. Tot nu bijna drie weken geleden.

Ik “worstel” zoals dat heet, met een groot verdriet. Eigenlijk heeft het mij gevloerd. Ik voel mij schuldig. Ik voel groot mededogen voor hoe Chris zich gevoeld heeft. Ik probeer mezelf te troosten met de gedachte dat ze naast mij, in haar slaap, gestorven is.

Veel kan ik daar niet aan toevoegen, behalve dit: Chris was gesteld op haar privacy, ze was discreet enzovoort. Ze zou deze plechtigheid “te veel” hebben gevonden. Maar weet dat ze jullie, ook al was er geen frequent contact – en ik denk dan vooral aan familie, ons petekind Kaat, vrienden en oud-collega’s – in haar hart droeg, dat ze voor haar doen veel over jullie sprak.

Jullie aanwezigheid bewijst dat Chris in de rivier van jullie leven het bekende steentje heeft verlegd en ik verzeker jullie ook van het omgekeerde.     

Letterenhuis vervolledigt archief Hubert Lampo

Vrijdag 18 december 2020 — Het Letterenhuis verwelkomt het resterende archief van Hubert Lampo, die in 2020 honderd jaar zou geworden zijn. Het archief is twintig strekkende meter lang en bevat duizenden brieven, scenario’s van verfilmingen, foto’s en handschriften. Daarnaast staat de schrijver centraal in een documentaire en podcast op Klara en komt er een Antwerpse wandeling gebaseerd op De komst van Joachim Stiller.

De Vlaamse schrijver Hubert Lampo zou in 2020 honderd zijn geworden. Het Letterenhuis ontvangt bij die gelegenheid van de erven Lampo zo’n twintig strekkende meter archief dat een imposante aanvulling vormt op de papieren die de schrijver destijds zelf al overmaakte. Klara pakt op 3 januari 2021 uit met een twee uur durend programma waarin zoon Jan Lampo vertelt over zijn vader die via het klankarchief van de VRT ook zelf aan het woord komt. Op basis van deze uitzending maakten Het Letterenhuis en Klara bovendien een podcast.

District Antwerpen creëert i.s.m. Antwerpen Boekenstad een nieuwe literaire wandeling rond De komst van Joachim Stiller, het bekende boek van Hubert Lampo. De wandeling wordt uitgeschreven door Jan Lampo en vertelt het verhaal van het boek aan de hand van verschillende locaties in de historische stad. Op deze manier treden wandelaars letterlijk en figuurlijk in de voetsporen van schrijver Hubert Lampo.

“Het Letterenhuis vertelt het verhaal van 200 jaar literatuur in Vlaanderen. In deze prachtige en rijke verzameling kan natuurlijk het werk van Hubert Lampo niet ontbreken. We zijn heel trots dat het archief van dit icoon nu volledig is”, vertelt schepen voor cultuur Nabilla Ait Daoud.

Twintig strekkende meter archief

Lampo deponeerde in de jaren 1960 zijn archief als redactiesecretaris van het Nieuw Vlaams Tijdschrift in het toenmalige AMVC. Daarnaast schonk hij ook de handschriften van zijn romans en verhalen- en essaybundels. De rest van zijn archief had hij nog nodig en die bewaarde hij in zijn woning in Grobbendonk. Zijn kinderen vinden de 100ste verjaardag van Lampo een mooie gelegenheid om alles definitief samen te brengen.

“Ik heb de voorbije jaren al heel wat werk verzet om het archief te inventariseren,” zegt zoon Jan, “het is nu tijd om het ter beschikking te stellen van de onderzoekers. Het loont zeker de moeite.”

Het geheel omvat duizenden brieven die de hele carrière van de schrijver omspannen. Tot de briefwisseling behoren correspondenties met collega’s als Piet van Aken, Johan Daisne, Jeroen Brouwers, Simon Vinkenoog, Jan de Hartog, Colin Wilson en vele anderen.

Interessant zijn ook de brieven van en aan vertalers onder wie de Oostenrijker Paul Wimmer, de Servische Jelica Novakovic, de Rus Wladimir Bjelo-oesov, de Franstalige Belg Xavier Hanotte en de Zuid-Afrikaan Herman Engelbrecht. De boeken van Lampo werden vanaf de jaren 70 veel vertaald. Onder meer De komst van Joachim Stiller, Terugkeer naar Atlantis en De prins van Magonia verschenen in het Engels, Frans, Russisch, Spaans en verschillende andere talen.

Scenario’s, draaiboeken en correspondentie over de verfilmingen van werk van Lampo bieden een unieke inkijk in de pionierstijd van de Vlaams (- Nederlandse) filmproductie in de jaren 70. Als scenarist en presentator speelde Lampo ook een cruciale rol in de tweedelige documentaire Koning Arthur (1982) van de toenmalige BRT. Van Koning Arthur zijn alle stadia van het scenario bewaard, van de eerste aanzet tot het draaiboek.

In 1988 ontving Lampo een eredoctoraat aan de Université Stendhal-Grenoble III. De briefwisseling met docent Peter de Klerk en met Lampo’s promotor, prof. Simone Vierne, en met het bestuur van de universiteit, is ook overgedragen aan het Letterenhuis.

Lampo & Lampo. Een vaderzoektocht

Annick Lesage maakte de documentaire en podcast Lampo & Lampo. Een vaderzoektocht. In deze documentaire en podcast vertelt Jan Lampo honderduit over het leven en het schrijverschap van zijn vader. Dat doet hij aan de hand van zijn eigen herinneringen en vondsten in het papieren archief. Hij neemt de luisteraar mee naar de kelders van het Letterenhuis, maar gidst hem ook door het complexe Vlaamse literaire landschap vanaf WO II, waarin zijn vrijzinnige vader het nooit makkelijk had.

Het persoonlijke verhaal van de enige zoon van Hubert Lampo geeft een zicht op het gevulde leven en werk van een van de populairste auteurs van de jaren 60 en 70. Op deze manier krijgt de luisteraar een hernieuwde blik op een schrijver die voluit deel uitmaakte van de literaire scene en het maatschappelijk leven gedurende enkele decennia. De universele, menselijke laag die de vaderzoektocht oplevert, is de motor voor een beklijvende luisterervaring.Bijlage Lampo & Lampo met meer info over docu/podcastBijlage_Lampo&Lampo.docx – 21 KB

In de voetsporen van Hubert Lampo

District Antwerpen creëert i.s.m. Antwerpen Boekenstad een nieuwe literaire wandeling rond het bekende boek De komst van Joachim Stiller. De wandeling wordt uitgeschreven door Jan Lampo en vertelt het verhaal van het boek aan de hand van verschillende locaties in de historische stad. Op deze manier treden wandelaars letterlijk en figuurlijk in de voetsporen van schrijver Hubert Lampo.

In het voorjaar van 2021 zal district Antwerpen een persmoment organiseren waarop de wandeling wordt voorgesteld.

Over Hubert Lampo

Hubert Lampo (1920-2006) was een Vlaams schrijver en een belangrijke grondlegger van het magisch realisme in het Nederlandstalige taalgebied. Zijn bekendste boek, De komst van Joachim Stiller, werd verfilmd en kende tijdens zijn leven 44 Nederlandstalige drukken en talrijke vertalingen.

Bijzonder is dat Lampo een tijdje in het Archief en Museum voor Vlaams Cultuurleven (AMVC), de voorloper van het Letterenhuis, heeft gewerkt. Nu is het volledige archief op zijn vroegere werkplek te vinden.Bijlage uitgebreide biografie Hubert LampoBijlage_bio_Hubert_Lampo.docx – 21 KB

Praktisch

Afbeelding header: Hubert Lampo

Op de valreep

Ellen Van Pelt

Na lang schrappen en schaven belandde het manuscript van mijn biografie over Roger Van de Velde dan eindelijk in de eindredactie-fase. Maar dat was buiten Jan Lampo gerekend. Vorig weekend liet hij me weten dat hij nog een collectie knipsels en brieven vond in het archief van zijn vader Hubert Lampo. Met een klein hartje trok ik naar het Letterenhuis om het materiaal in te kijken. Wat als Van de Velde in die brieven aan zijn goede vriend zaken toevertrouwde die ik nog niet wist? 

Jan Lampo had boeiend materiaal opgedolven: onder andere een briefwisseling tussen Hubert Lampo en de firma Janssens – die het middel Palfium waaraan Van de Velde verslaafd raakte op de markt bracht- en een mij nog onbekende brief van psychiater De Bandt. Niets dat mijn biografie op losse schroeven zet, wel materiaal dat een plekje in het boek verdient. Dus daar gaan we weer, in…

View original post 7 woorden meer

Biografietjes

Ik werk thuis, maar dat stoort mij niet. Ik heb een bureau waar ik me kan afzonderen en ik beschik over een schrijftafel die in een vorig leven plaats bood aan vier klerken. Ik werk eraan sinds 1986. De mechanische schrijfmachine van toen maakte natuurlijk decennia geleden als plaats voor een desktopcomputer en de parafernalia die daarbij horen. Sindsdien is er niet veel veranderd, al ben ik aan mijn vijfde computer en zouden de muren dringend opnieuw wit moeten worden geverfd.

Sinds een paar weken plagieer ik een lange reeks biografietjes van schrijvers en figuren uit het culturele leven bij elkaar, nu eens uit de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, dan weer uit het Winkler Prins Lexicon van de Nederlandse Letterkunde, de Moderne Encyclopedie van de Wereldliteratuur, het online Nationaal Biografisch Woordenboek of de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren. Al moet ik zeggen dat Wikipedia vaak ook een grote hulp is.

Kortom, een lange postmoderne démarche en een intense oefening in intertekstualiteit waar ik een naïef ambachtelijk plezier aan beleef. Eigen inbreng komt er ook bij kijken, want vaak zijn al die individuele informatieve teksten onvolledig, politiek gekleurd of gewoon slecht geschreven.

Ik blijf versteld staan van de hoeveelheid overbodige woorden en nodeloos ingewikkelde zinnen die de auteurs ervan bezigen. En dan heb ik het nog niet over de lyrische fans uit de entourage (zoals dat tegenwoordig heet) van een schrijver, die op Wikipedia zijn of haar liefdesleven en familierelaties uit de doeken doen.

Of, in het Winkler Prins Lexicon, verhalen zoals: “Taalkritiek en taalcreatie zijn bij X moeilijk te scheiden. In zijn sterk constructivistische teksten maakt hij gebruik van kitsch, slogans en zegwijzen, die hij op een onverwachte manier combineert. Literatuur is voor hem het laatste territorium waarin de mens zich vrij kan bewegen en waarin hij van de erotiek van zijn bestaan kan genieten”.

Ik denk dan: de vervreemding die ik vandaag voel bij het lezen van dit modernistisch gestroopwafel over een  hardwerkende, maar artistiek vermoedelijk onbestaande, met lucht gevulde kalfsdarm met een beperkte houdbaarheidsdatum, bewijst dat het menselijk verstand er in de loop der jaren toch is op vooruitgegaan. Dat Lexicon dateert alweer van 1986.

Hoewel, bij nader inzien, toen ik deze kamer betrok, vond ik dat soort gewauwel ook al om te lachen. Alleen durfde ik het toen nog niet luidop zeggen.

Literatuur – “Neen, Lampo wijst ons niet naar het Oosten” – De receptie van het vroege werk van Hubert Lampo in de pers van bezet België (1943-1944)

Jan Lampo

Hubert Lampo toen hij “Don Juan” schreef

Op 5 oktober 1943 verscheen in het dagblad De Gazet het artikel Het Herfstprogramma van ‘A. Manteau N.V.’ te Brussel. Het is niet vreemd dat het dagblad Angèle Manteau ten tonele voerde. De uitgeverij Manteau gaf weliswaar “linkse” auteurs uit, maar ook schrijvers als Valère Depauw en de “opportunisten” Walschap en Roelants. Bovendien bracht het bedrijf af en toe een herdruk van bijv. Filip de Pillecyn.

Wie over boeken wilde berichten, kon niet om Angèle Manteau heen. Dank zij de ontmanteling van het uitgeverswezen in Nederland had zij de rechten verkregen op titels uit het fonds van Nijgh en Van Ditmar, waaronder boeken van Walschap. Daar komt bij dat de leeshonger tijdens de bezettingsjaren groot was. De oplagen van populaire schrijvers als Walschap, Maurice Roelants en Valère Depauw namen sterk toe. Herdrukken gingen bliksemsnel de deur uit. Dit alles verplichtte de uitgeefster zelfs…

View original post 6.275 woorden meer

De oude krokodil (7)

Er was een tijd dat een pijp zoiets als een secundair geslachtskenmerk was van de mannelijke historicus en van alle heren die zich inlieten met de letterkunde. Het Letterenhuis bewaart niet voor niets tientallen pijpen. Het meerschuimen exemplaar van Maurice Gilliams is beslist de mooiste. Gilliams was natuurlijk ook de grootste ijdeltuit uit onze literaire geschiedenis. Voor een schrijver die zichzelf vakanties in een heus familiekasteel toedichtte, was een houten pijp te min.

Maar toen ik bijna een halve eeuw geleden mijn eerste (goedkope) pijp en een pakje zoetgeurende Clan kocht, had dat niets met Gilliams te maken. Van hem kende ik alleen een passage uit Winter te Antwerpen, waarvan wij van onze lerares Nederlands een paragraaf uit het hoofd moesten leren.

Ik wou eigenlijk alleen op mijn pa en mijn bompa lijken – een soort pueriele drang tot identificatie met mannelijke autoriteitsfiguren die te aardig waren om tegen te revolteren, ook al woedden toen de jaren 1970.

In het begin maakte die pijp mij misselijk. Gelukkig is pijproken zoiets als olijven eten of Cognac drinken: na verloop van tijd vind je het fijn. Ook al ruilde ik de Clan voor andere tabakssoorten- en merken om uiteindelijk te stranden bij die ondergewaardeerde nationale trots, Semois.

Soms vraag ik me af of mijn beroepskeuze eigenlijk niet het gevolg is van mijn rookgedrag. Toen ik geschiedenis studeerde, was ik al ervaren genoeg om met enige minachting de pogingen gade te slaan van een hoogleraar die zich op rijpere leeftijd het pijproken probeerde eigen te maken. Hij had een grote, kromme grootvaderspijp aangeschaft.

Tijdens het examen historische kritiek zat hij zo sukkelachtig aan het ding te lurken dat mijn concentratie er ernstig onder leed.

Ja, roken mocht toen nog zowat overal. En in een rokerscoupé op de trein zorgde mijn pijp ervoor dat ik, behalve misschien in de spits, vier stoelen voor mezelf had. Geen wonder dat ik verslaafd werd aan de boeken van Georges Simenon, die andere Belgische glorie.

Pijproken was toen al hopeloos uit de mode; vandaag is het iets zoals heksenwaan of de overtuiging dat je door naar het westen te zeilen in Indië komt. Maar dat is toch vooral in België zo – het Internet heeft mij laten kennismaken met tientallen, soms indrukwekkende winkels en webshops (The Danish Pipe Shop in Kopenhagen, bijvoorbeeld, of La Pipe du Nord in Parijs) en artisanale pijpenmakers.

Er is hoop en er is keuzestress. Mijn vader liet zijn pijp pas los toen dokter Alzheimer hem al helemaal in zijn greep had. Ik hoop dat ik mijn pijp mag vasthouden tot ik dood ben.           

De oude krokodil (6)

Sinds een paar maand rijd ik met een Volkswagen Caddy van de Stad Antwerpen naar allerlei plekken in Vlaanderen om archief op te halen.

De lieden bij wie ik over de vloer kom, zijn schrijvers, hun nazaten, verzamelaars van handschriften of bestuurders van literaire verenigingen. Heel verschillende lieden.

Nu eens moet ik in een rijhuisje zijn, dan weer in een villa in Sint-Martens-Latem waar museale kunst aan de muren hangt. Het roept herinneringen op aan de tijd toen ik bij een krant werkte en het culturele nieuws van hot naar her op de hielen zat.

Niet iedereen vindt het gemakkelijk om archief over te dragen aan een onbekende in een witte auto. Soms is het een moeilijk afscheid, al lees ik op vele gezichten ook opluchting. Iets is afgerond en eindelijk is al die rommel uit de gang.

Ik begrijp dat goed – ik ben zelf erfgenaam en bewaarder van dertig strekkende meter literair archief. De opluchting heeft ook te maken met het feit dat de meneer in de witte auto het archief van pa of nonkel meeneemt naar een soortement eeuwigheid – het verduldige Letterenhuis waar archivarissen met witte katoenen handschoenen er teder de paperclips en plastic mapjes uit verwijderen omdat die niet goed zijn voor het papier.

Een heel gedoe, zeker omdat veel mensen hun papieren daar bij voorkeur mee bij elkaar houden. Enfin, ik heb me laten vertellen dat collega’s ooit een archief ophaalden dat door de verongelijkte ex van een weggelopen dichter in het kippenhok was ondergebracht. Zoiets heb ik zelf gelukkig nog niet beleefd.

Kippen zijn stomme beesten die je best opeet in de vorm van worst zodat niets aan hun gescharrel of gekakel herinnert. Dat laatste geldt evenzeer voor bepaalde dichters. Maar breek mij de bek niet open. Archivarissen en oude krokodillen hebben beroepsgeheim. En dat nemen ze terecht heel ernstig.

Wanneer ik, gelukkige zoals Odysseus, terug ben van mijn reizen stap ik weleens door het depot, langs de eendere achterkant van honderden archiefdozen. En dan denk ik: wij hebben van jullie allemaal het beste meegebracht en daar blijven we voor zorgen.