Skip to content
Advertenties

Posts from the ‘Uncategorized’ Category

[Column] Schrijven.

Source: [Column] Schrijven.

Advertenties

2015 herzien

De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2015 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2015 ongeveer 49.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 18 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

[Column] De Geur van oude Boeken of Lof van het Antiquariaat

boekenfoto

Boeken hebben vandaag een korte levensduur. Schrijvers daarentegen, worden steeds ouder – ik merk het elke dag. Beide factoren dragen bij tot mijn liefde voor antiquariaten. In een antiquariaat staat de tijd stil. Boeken wachten er op hun volgend leven zoals katten, knipogend in hun mand bij de centrale verwarming.

Het eerste antiquariaat dat ik mij herinner – en waar ik zelf nooit een voet heb binnengezet – was medio jaren 1960 gevestigd op de hoek van de Antwerpse Jan Blomstraat en het Papenstraatje, tussen de Groenplaats en de Handschoenmarkt. In de etalage hingen handgekleurde kaarten zoals je die ook zag in het onvolprezen Museum Plantin-Moretus.

Voor de lezer – ik versta daaronder: de veelvraat, de die hard die klappertandt zodra hij niet meer omsingeld wordt door vijf stapels wachtende lectuur – worden antiquariaten meer en meer een noodzaak.

Handelaars in nieuwe boeken moeten hun waar zo snel mogelijk de deur uit werken. Daarom leggen ze een zeker conformisme aan de dag, hoe onafhankelijk, progressief enz. ze ook mogen zijn. Ze moeten hun boterham verdienen en hun personeel betalen. Ik heb daar alle begrip voor. Maar ik die in feite alles ben, behalve een reiziger of avonturier, hou van snuisteren op planken vol onvoorzienbare en onverwachte boekdelen.

Hoe ouder een lezer, hoe meer ervaring hij heeft. En hoe kieskeuriger hij wordt. Les lecteurs, c’est comme les cochons, plus que cela devient vieux, plus que cela devient difficile om Jacques Brel te parafraseren. Wat ik vandaag wil lezen, is moeilijker te vinden dan wat zeg maar twintig jaar geleden mijn begeerte opwekte.

Alle openbare, erfgoed- en wetenschappelijke bibliotheken ten spijt, wekken boeken bij mij de lust op ze te bezitten, te doorbladeren wanneer ik wil en ze in de kast te zetten om naar hun rug te kijken, ook al is die onaanzienlijk. Ik kus de ruggen van mijn boeken niet zoals Félix de Vandenesse de rug van Madame de Mortsauf kust op het bal in Le Lys dans la Vallée van Balzac. Maar toch.

Lange jaren dacht ik dat het lezen van roman na roman van mij een slimmer en adequater mens maakte. Of iemand dat ooit aan me gemerkt heeft, blijft wel de vraag. Maar mijn hang naar geschiedenis – het vak dat ik dertig jaar geleden heb gestudeerd – wordt almaar groter, al merk ik dat ik aan historische boeken nauwelijks minder stringente stilistische eisen stel dan aan zogeheten bellettrie.

Rommelige, omslachtige, overbodige en slecht geformuleerde teksten verdraag ik niet. Soms leg ik een interessant boek opzij omdat de vertaling (vaak een Hollandse vertaling uit het Duits) te schonkig is. Grote historici schrijven even helder als Voltaire of Stendhal (ziedaar mijn probleem met Huizinga – bijwijlen te wollig).

Van vuistdikke studies vol grafieken over economische geschiedenis lees ik alleen de conclusies; de lectuur van wie mij in hoofdstuk 1 met teveel sociologische concepten om de oren slaat, stel ik zolang uit dat ik er niet meer aan denk. Feiten wil ik, feiten en een goed geschreven interpretatie waarmee ik het dan volmondig eens of grondig oneens zijn kan. Of die mij doet twijfelen – naar verluidt het begin van alle wijsheid (en ook het einde, natuurlijk).

Bij voorkeur ingebonden en voor weinig geld. Dat laatste dreigt een probleem te worden, want ook handelaars in tweedehandse boeken moeten van hun negotie leven. Maar goed, zij zorgen voor uren snuisterplezier en de unieke geur (het woord ‘parfum’ klopt aan) van veel samengedrukt oud papier. Dat is een vorm van dienstverlening die wel iets mag kosten, denk ik dan.

Lastig dat zich op loopafstand van mijn werkplek (een archief en dus zelfs een verzamelplaats van alles wat vergeelt en verzuurt) twee uitstekende antiquariaten bevinden: één waarvan de eigenaar zich vooral toelegt op de fraaie letteren en een ander, waar ongeveer de helft van de zeer ruime bovenverdieping aan historie is gewijd.

Gelukkig zijn er middagpauzes dat ik kalm blijf en mij beperk tot een kop met de hand en een keteltje warm water gezette Ethiopische koffie in het koffiehuis aan de overkant. Die heeft mij al voor veel impulsaankopen een straat verder behoed.

 

 

 

 

[Column] Achtenvijftig

11203067_667665120030755_7420229521284943362_n

Ik heb mezelf nooit voor een nederig mens gehouden. Openlijk beleden nederigheid is zelden iets anders dan geraffineerde hypocrisie.

Dat heb ik al lang door.

Maar nu ik de zestig nader, worden mij ook een andere dingen duidelijk. Dat mensen zelden zeggen wat ze denken, maar – om het moeilijk te maken – ook niet precies het tegenovergestelde. Weten doe ik dat sinds ik mijn eerste boek voor grote mensen las, maar nu pas lijkt die kennis me ook echt eigen te zijn geworden.

Vroeger kende ik paranoïde momenten; vandaag is een kalm, voortdurend wantrouwen mijn deel. Vrolijk word ik daar niet van, maar zoals ik mezelf onlangs tegen een erg verstandige collega hoorde zeggen: “Nu we wat ouder zijn, hoeven we niet zoveel meer na te denken – dat is het voorrecht van intelligente mensen”.

Soms sta ik van mijn eigen scherpzinnigheid versteld. Nog iets dat mij op jongere leeftijd nooit overkwam – ik had altijd de indruk dat ik de pointe had gemist en mijn gesprekspartners deelachtig waren aan een hogere waarheid waar ik niet zou achter komen.

Maar dat is dus niet zo – het zijn gewoon huichelaars en liegebeesten. Ze behartigen bij voortduring belangen – vaak zelfs niet de hunne, o paradox! – of hebben nog meer schrik van mij dan omgekeerd (ik ben echt niet angstaanjagend).

Wat, met permissie gezegd, een kloterij. Bijna zes decennia duurt het voor je het door hebt; bovendien komt met het inzicht ook de zekerheid dat er niets aan te doen is. Dat je, met wat geluk, nog twintig jaar met de flauwekul van je medestervelingen je tijd zult verliezen.

Gelukkig biedt het leven van een bijna zestigjarige ook troost. Als hij een zwarte hoed draagt, zoals ik, en pijp rookt, wordt hij op straat door jonge vrouwen occasioneel vriendelijker toegelachen dan ooit het geval was toen het naïeve hart in zijn borst nog sneller sloeg.

[Column] De denkbeelden van Konijntje Woelwater.

JanLHVerhalen gaan vooraf aan wat men eigenlijk vertellen wil. Waar het mij over gaat, ontvouwt zich altijd heel geleidelijk, terwijl ik me op de voorgrond zorgen maak over de keuze en de volgorde van woorden, het vermijden van herhalingen en het uit de weg gaan van onwaarschijnlijkheden.

Soms komt zo een overtuiging of een idee aan het licht waarvan ik (nog) niet wist dat ik ze erop nahield. Degene waarvan ik me wel bewust ben, lijken dan ineens een stuk minder interessant.

Toen ik vier of vijf was, zat ik al aan het bureau van mijn vader in de voorkamer van ons huis aan de Antwerpsesteenweg in Hoboken. Ik was gewapend met een blauwe balpen van het merk Bic, geleverd door het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur, de werkgever van Lampo Sr. Voor me lag een stapeltje dikke lichtroze (of lichtgroene) vellen papier.

Ik maakte tekeningen, heel snel, en leverde luidkeels commentaar. Die was, dat kan niet anders, bestemd voor een publiek – al was dat er niet (op mij na).

Het verhaal dat ik zo vertelde, was uiterst primitief, losweg gebaseerd op wat Suske en Wiske en Kuifje in mij hadden losgemaakt. Hoe ik mij mijn spookachtige toehoorders voorstelde, die ook kijkers waren en over mijn schouder het ontstaan van mijn tekeningen gadesloegen, kan ik mij volstrekt niet meer voor de geest halen.

Misschien stelde ik ze mij helemaal nièt voor – toch niet in de voor de hand liggende zin.

Mensen of dieren kon ik niet tekenen – of toch niet goed genoeg. Dat wist ik al. Ik tekende auto’s die elkaar achtervolgden of in ravijnen stortten, huizen die afbrandden en dies meer (heel slecht natuurlijk).

Vandaag had een kinderpsycholoog mij direct bij de probleemgevallen ondergebracht. Goddank was het ergens tussen 1962 en ’63. Mishandeld of misbruikt werd ik niet, maar ons gezin was wel in nood. Mijn vader was meestal het huis uit – hij bracht vanaf 1963 een groot deel van zijn tijd door bij zijn vriendin die later berucht werd onder de door hem bedachte naam Lucia – en mijn moeder kreeg het steeds moeilijker met de haar opgelegde rol van huisvrouw. Leuk was dat allemaal zeer zeker niet, maar ik herinner mij er weinig van.

Ik vertelde verhalen vòòr ik had leren schrijven, zoveel is zeker.

Mijn moeder en mijn grootmoeder, De Bomma, lazen mij sinds mijn prilste kindertijd voor. Ik heb het elders al gehad of Oe-woe, de voorhistorische mens. Ik vergat de onsterfelijke Lew de Boerekat van Erik Suls, de eerste schrijver die ik heb bewonderd.

Ik besefte dat verhalen in boeken te vinden waren en dat men ze door lezen tot leven wekte – wat ik zelf nog niet kon. Ik wist dat schrijvers de verhalen in boeken achterlieten en dat mijn vader dat ook deed, maar dan voor grote mensen.

Zonder erover na te moeten denken, ging ik ervan uit dat een verhaal een mededeling aan derden is – iets dat je vertelt aan een publiek, ook al bestaat dat laatste alleen in je hoofd. Een verhaal in stilte tekenen – het verzwijgen, dus – was niet aan de orde.

Dat moet een gevolg van het voorlezen zijn geweest.

Mijn moeder, noch De Bomma ventileerden daarbij hun eigen emoties. Hun intonatie gaf alleen die van de personages weer. Van Konijntje Woelwater, bijvoorbeeld. Van de grote bekendheid van dat konijntje ben ik mij een halve eeuw later pas, dankzij het Internet, bewust geworden.

Dat is vast de reden waarom ik liever andere instanties – historische feiten of fictieve personages – beschrijf en zo nodig aan het woord laat, eerder dan mijn eigen opinies uit te schrijven. Maar, zoals gezegd, al schrijvend blijk ik die wel te hebben.

En het publiek van de voorlezerij, dat was ikzelf natuurlijk.

[Column] Het bezoek van mijn grootmoeder in de nacht.

Talbot House

Voor de deur van Talbot House, Poperinge, 5 augustus 2015.

Er wordt mij meegedeeld – door wie is niet duidelijk – dat mijn grootmoeder nog leeft en in een bejaardentehuis verblijft. Ik besef dat ik dat had moeten weten en voel me behoorlijk schuldig. No voor ik me heb voorgenomen om haar te bezoeken, zie en hoor ik mijn grootmoeder en die ervaring is levendiger dan wat mijn geheugen normaliter toelaat. Dan, met een groot gevoel van verlies, word ik wakker.

Mijn grootmoeder (die aan moederszijde, om precies te zijn) is volgend jaar vijftig jaar dood. Een hele heuse halve eeuw. Ik kan mij niet herinneren wanneer ik nog eens van haar gedroomd heb – het moet decennia geleden zijn. Waarom, vraag ik mij af, verschijnt ze mij, op mijn zevenenvijftigste, en in het holst van de nacht, van gene zijde?

Ik hecht geen geloof aan boodschappen uit het hiernamaals – ik heb er ook geen ontvangen. De droom vertelt mij iets dat pertinent onwaar is en zadelt mij – objectief gezien slechts gedurende enkele seconden – op met een acuut schuldgevoel en laat mij vervolgens aanspoelen op het strand van de realiteit.

Vreemd. En meteen een onweerlegbaar bewijs (toch voor mij, die het heb ervaren) dat onze herinneringen niet verdwijnen, dat ze diep in ons onderbewustzijn opgeslagen blijven om af en toe naar de oppervlakte te zwemmen.

Ergens tussen mijn schedeldak en mijn bovenste nekwervel sluimeren de stem en de wat zorgelijke uitdrukking van de vrouw die mijn grootmoeder was en die in 1966 is gestorven. Ze zijn de enige elementen van mijn droom die op iets slaan.

Wij worden ouder, maar onze herinneringen blijven jong – alleen kunnen we er, wanneer we dat willen, niet bij. Of toch niet altijd. Want ik weet nog wel hoe ik als drie- of vierjarige voor mijn moeder uitloop op het hellende grindpad dat van de Sint-Bernardsesteenweg op het Antwerpse Kiel omhoogloopt naar de ingang van het plaatselijke park. En dat ik daarbij zoveel mogelijk stof (grindpartikeltjes, zand?) doe opwaaien omdat ik dan – denk ik – lijk op een van de stoomlocomotieven die dagelijks enkele keren over de spoorweg achter ons flatgebouw rijden, omgeven door dikke wolken waterdamp.

Nee, ik was in een vorig leven geen stoomtrein – dit is wel degelijk een overgebleven herinnering.

Evolutionair gesproken is het nuttig om het verleden te onthouden – het laat ons toe om ons, zoals de spreekwoordelijke ezel, geen twee keer aan dezelfde steen te stoten.

Stelt mij dat gerust? Een beetje, in die zin dat ik dus geen ezel ben. Ik stoot mij doorgaans veel meer dan twee keer aan die fameuze steen. Het zij zo.

Individuele herinneringen zijn voer voor psychologen, voor romanschrijvers en uiteindelijk voor ieder van ons. Dat laatste kan ook gezegd worden van de geschiedenis, die men weleens omschrijft als ons collectieve geheugen.

Over het mogelijke nut van de geschiedenis heb ik het hier al vaker gehad, al blijft dat altijd wat fluiten in het donker van het onbewijsbare en onbecijferbare.

Het voorbije jaar heb ik vrij weinig archiefwerk verricht, al is dat waar ik in eerste instantie voor betaald word. Ik heb mij, samen met enkele moedige collega’s, toegelegd op het reorganiseren van een deel van het depot van het Antwerpse Letterenhuis, om ons toekomstig archiefwerk efficiënter te maken.

De bizarre droom over mijn grootmoeder deed mij wel even twijfelen, terwijl ik onderdelen van archiefrekken hielp verslepen – leidt ons werk, vroeg ik mij af, niet min of meer tot hetzelfde als wat onze neuronen doen wanneer wij dromen: het aan de oppervlakte brengen van fragmenten, van – in het beste geval – halve waarheden waarvan de interpretatie betwistbaar blijft en nooit een waarachtige blauwdruk vormt van lang vervlogen feiten, ideeën en… dromen? En dan nog, want wat vertelt een blauwdruk over de werkelijkheid?

Ja en nee, natuurlijk. De meeste ideeën die waar zijn, worden tegengesproken door een andere idee die even waar is. Historici kunnen feiten checken door bronnen met elkaar te vergelijken. Maar meer dan een echo van het verleden roepen die toch niet op.

Aan de andere kant, als wij niet droomden, werden we gek. Misschien worden we dat ook wel als we ons niet over ons collectieve verleden buigen. Geschiedenis – de droom die verhindert ons leven ontaardt in één lange psychose. Daar valt iets voor te zeggen. Misschien doen krankzinnige regimes – van de Nazi’s tot IS – daarom alles om het verleden te vertroebelen of het gewoon op te blazen.

 

2014 herzien

De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2014 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2014 ongeveer 51.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 19 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

Schilder in Pompeï. Het archief van Mathieu Ignace van Brée in het Letterenhuis.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het Letterenhuis (foto Jan Lampo).

Dit jaar viert de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen haar 350ste verjaardag. Het Letterenhuis bezit veel materiaal met betrekking tot de school en de kunstenaars die er werkten. Daartoe behoren enkele tientallen brieven en handschriften van de neoclassicistische schilder Mathieu Ignace van Brée (1773-1839). Van Brée was tot aan zijn dood in 1839 directeur van de Academie.

Vandaag is de kunstenaar zo goed als vergeten, maar in zijn tijd geniet hij de gunst van Napoleon en van koning Willem I. Door de publicatie van een monumentale Cours de Dessin verwerft hij bovendien veel invloed als tekenpedagoog.

De methode-Van Brée weegt zeker tot het derde kwart van 19de eeuw op het kunstonderwijs. Haar praktische toepassing beschrijft Hendrik Conscience in zijn roman Hoe men schilder wordt (1843). Van Brée is in Antwerpen ook de eerste om een historiserend schilderij met een tafereel uit de vaderlandse geschiedenis te borstelen.

Van Brée studeert van 1783 tot 1794 aan de Antwerpse academie. Dan vertrekt hij naar Parijs. In 1795 eindigt hij tweede in de wedstrijd voor de Prix de Rome, die opnieuw is ingesteld door Eerste Consul Bonaparte. Dan keert hij terug naar Antwerpen om in 1798 “professeur-adjoint de la classe de dessin” te worden. In 1804 krijgt hij een aanstelling tot voltijds leraar.

Tijdens het bezoek van Bonaparte aan Antwerpen in 1803, bestelt deze laatste bij de kunstenaar De Intrede van de Eerste Consul te Antwerpen. Van Brée heeft vier jaar nodig om het werk te voltooien.

Reportagestukken

In de Hollandse tijd blijft Van Brée dit soort “reportagestukken” maken, maar dan voor de Oranjes. Hij ontpopt zich tot een groot voorstander van het nieuwe regime. De schilder raakt bevriend met dichter en literatuurhistoricus Jan-Frans Willems, omstreeks deze tijd actief als bestuurslid van de Société royale pour l’Encouragement des Beaux-Arts en weldra ook van de Academie.

In 1818 publiceert Willems het lange gedicht Op het voortreffelijk Schilderstuk van Mijnheer M. Van Brée, verbeeldende de standvastigheid van den burgemeester Van de Werff. Ook de Nederlander Bilderdijk wijdt verzen aan Van Brée.

Na 1830 revolteren de jonge romantische schilders tegen Van Brée, van op veilige afstand aangestuurd door leraar Gustaf Wappers. Die laatste droomt ervan de directeur op te volgen. Hendrik Leys wordt van de academie weggestuurd na een opmerking over de ouderwetse kniebroek van Van Brée. Toch geniet de schilder ook sympathie. Hij blijft in het Nederlands doceren en dat is naar de zin van de eerste flaminganten.

De directeur waagt zich in zijn vrije uren aan de literatuur. Van zijn hand is het blijspel Brouwer’s gevangenis op het kasteel van Antwerpen over de 17de-eeuwse schilder Adriaan Brouwer. De vrijzinnige toneelschrijver Emmanuel Rosseels publiceert de tekst in 1849, tien jaar na Van Brée’s dood. Of gaat het om een alsnog onopgeloste mystificatie?

 Aca5

 Mathieu Ignace Van Brée door Jan-Baptist De Cuyper, standbeeld in wit marmer. Deze foto is enigszins verouderd, want sinds juni heeft Van Brée dank zij de afdeling Conservatie en Restauratie zijn verloren handen terug (foto Jan Lampo).

Postuum blijft Van Brée tot de verbeelding van schrijvers spreken. Zijn uitvaart vindt plaats op het Sint-Willibroduskerkhof. Na de officiële Franse redevoeringen stapt de jonge Conscience naar voren en spreekt namens de romantici een gloedvolle redevoering uit. Dat betekent meteen zijn terugkeer naar het publieke leven na de depressie die hem overmand heeft als gevolg van het geringe succes van De Leeuw van Vlaanderen.

In 1852 onthult men in de aanwezigheid van minister Charles Rogier in de vestibule van het Museum van de academie een marmeren standbeeld van Van Brée van de hand van de pas overleden Jan-Baptist de Cuyper. Schrijver en journalist Lodewijk Gerrits publiceert “op last der Commissie van het Standbeeld” een Levensbeschrijving van M.I. Van Brée.

Niet iedereen is het eens met Gerrits’ lofzang. Eugeen Zetternam (1826-1855) laat nog hetzelfde jaar het essay Bedenkingen op de Nederlandsche Schilderschool verschijnen. Daarin rekent hij af met Van Brée’s postume reputatie. Zetternam verwijt de schilder het on-Vlaamse karakter van zijn kunst, fulmineert tegen zijn restauratie van oude meesters en ontkent zelfs zijn verdiensten als leraar.

Dagboek

Hoe de papieren van Van Brée in het Letterenhuis terechtkwamen, is niet duidelijk. Het staat vast dat directeur Ger Schmook veel belangstelling koesterde voor de vroege 19de eeuw. Met Hoe Teun den Eyerboer in 1815 sprak tot de burgers van Antwerpen (1942) schreef hij een erudiet boek over het begin van de Rubenscultus en het Vlaamse kunstleven omstreeks 1815. Van Brée komt uitgebreid aan bod. Schmooks interesse verklaart alvast de aanwezigheid van fotografische reproducties van brieven die Van Brée schreef aan o.a. Johann Wolfgang von Goethe.

Het archief-Van Brée omvat ook notities en een dagboekje. Men vindt enkele korte teksten over het tekenen van de menselijke gelaatsuitdrukkingen, waaronder een velletje Over het laggen [lachen]:

“Zoo haest als men lagt is ’t voor zeker dat den mond grooter wort en genegen is om te openen en het agtersten deel zig naer boven keert, de kaek verheft haer tot tegen de oog waer door de ogen klijnder worden” (spelling was niet Van Brée’s sterkste kant). Maar de tekenaar moet oppassen, zegt hij, want als iemand lacht om wat hij ziet blijven zijn ogen groter dan wanneer hij lacht om iets wat hij hoort…

“Dat gij voortaan mo[o]gt gelukkiger zijn als deze beklagens Waardige kunstenaars,” zo besluit de schilder een oproep richt tot de leerlingen van de academie om geld te geven voor armlastige oud-studenten, “deze ongelukkige kunstenaars, die ook eens op deze Akademie Leerling hebben geweest”.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Handschrift van M.-I. Van Brée (foto Jan Lampo).

Al zet Schmook hem in zijn Teun den Eyerboer weg als een politieke opportunist, Van Brée is een sociaal bewogen man en bezeten door (kunst)onderwijs. In de Franse tijd runt hij in zijn huis een schooltje waar hij kansarme kinderen gratis lager onderwijs geeft en hen voorbereidt op studies aan de academie.

Andere documenten bevatten overwegingen van Van Brée bij pogingen om de academie te hervormen. Zo vindt hij het van kapitaal belang dat de directeur van de school een (historie)schilder is. Van een bureaucraat aan het hoofd wil hij niets weten.

Ferdinand De Braekeleer

Wanneer in 1817 de prinses van Oranje in Brussel bevalt van een zoon, is de “premier professeur” er als de kippen bij om de leerlingen bijeen te roepen en hun het heuglijke nieuws te melden. “Un évènement qui consolide le bonheur des habitans [sic] du royaume,” noemt hij het. Van Brée is uiteraard tweetalig. Zelfs aan Jan-Frans Willems schrijft hij in 1822 een Franse gelukwens bij zijn aanstelling tot ontvanger van de registratie in Antwerpen.

Het is van in de 16de eeuw gebruikelijk dat kunstenaars naar Italië reizen, bij voorkeur vlak na hun opleiding. Van Brée is 47 eer hij de kans krijgt. Hij reist in het gezelschap van zijn oud-leerling Ferdinand de Braekeleer.

  De schilder voelt zich gelukkiger en creatiever dan ooit tevoren. Dat blijkt uit de brieven aan zijn vrouw Thérèse. Naast enkele autografen zijn er twee copies van omstreeks 1900. Van Brée, die Thérèse met “vous” aanspreekt, schrijft nuchter maar liefdevol (ik vertaal): “Het mag waar zijn dat de liefde met de jaren vermindert, maar de vriendschap veroudert niet. Het is als vriend dat ik tot u spreek en uw vriendschap is het die ik wil bewaren.”

Een andere brief herinnert Thérèse aan het carnaval het jaar voor hun huwelijk “toen wij samen rondliepen als kinderen of naar het gemaskerd bal gingen in de Conijnepijp [een herberg]”.  Van Brée voegt eraan toe – opeens zegt hij “toi” – “voor mij zijn die tijden voorbij en zonder jou werkt dit soort luidruchtig amusement op mijn zenuwen; het vergroot mijn verlangen om mijn atelier weer te zien.”

Hij heeft hij ook over “notre Jules”, hun zoon, die best stage zou lopen “aux bureaux de M. Willems”. Vermoedelijk betreft het ook hier de Vader van de Vlaamse Beweging.

Vesuvius

Ondanks vreugde om de nakende terugkeer, noteert de schilder: “Nooit heb ik met meer plezier en meer moed gewerkt” en over zijn recente tekeningen en schilderijen zegt hij: “ik had ze nooit gemaakt als ik in Antwerpen was gebleven. ”

Aan burgemeester Floris van Ertborn, die bekendheid verwerft als een van de eerste verzamelaars van Vlaamse primitieven, meldt de kunstenaar: “Ik ben al enkele dagen in de omgeving van de Vesuvius. Sta mij daarom toe dat ik u vanuit Pompeï schrijf, terwijl ik de muren zie blootleggen van een nieuw plein dat men heeft ontdekt. U kunt zich voorstellen hoe ik geniet in deze gewesten, waar ik niets anders zie dan wonderen van de kunst en de natuur.”

Het reisdagboek van Van Brée biedt jammer genoeg niet veel persoonlijks. De kunstenaar noteert vooral welke schilderijen hij ziet. Zijn slordige handschrift maakt de lectuur van het schriftje – oorspronkelijk moeten er meer zijn geweest – allesbehalve gemakkelijk. Toch vormt het Van Brée-archief in het Letterenhuis een onmisbare bron voor leven en werk van een schilder-pedagoog die een vooraanstaande rol speelde in het artistieke leven ten tijde van de ontluikende de romantiek.

Verschenen in “Zuurvrij” nr. 24 van juni 2013.

Literatuur – “Hete kussen en opwindende handtastelijkheden” – Het Antwerpen van Georges Eekhoud

Literatuur – “Hete kussen en opwindende handtastelijkheden” – Het Antwerpen van Georges Eekhoud.

[Column] De stoel van de eeuwigheid en de onveranderlijkheid

JanmetPijp

De eerste verhalen die wij aan elkaar vertelden, gingen over de goden en het ontstaan van de wereld. De oorzaken en gevolgen die erin werden beschreven, zijn minder spectaculair dan wat de wetenschap ons vandaag over onszelf en onze plaats in de kosmos meldt. Maar we voelen nog altijd de behoefte het heden uit te leggen aan de hand van het verleden.

Dat kunnen we nu veel beter dan drieduizend jaar geleden. Historici stellen het zonder laboratorium en experimenten. Spijkerharde wetten vallen in de geschiedenis niet te ontdekken, hoe graag sommigen dat ook zouden hebben. Maar de bronnen die ons ter beschikking staan, leren ons dat gisteren wel degelijk het uitzicht van vandaag bepaalt.

Jammer genoeg valt er meer te zien wanneer we over onze schouder kijken, dan wanneer we voor ons uit staren om een glimp van de toekomst op te vangen. De dageraad van een betere wereld is iets van idealisten, niet van historici. Met idealisten moet je oppassen. Voor je het weet, blazen ze zichzelf op en jou erbij, om de toekomst minder onzeker te maken.

De vraag waar ze vandaan komen, is er een die alle mensen stellen. Iedere cultuur heeft haar eigen, religieuze antwoord. De idee dat je aardse verklaringen kunt vinden, is typisch Europees en behoorlijk recent. De basis werd gelegd door de Italiaanse humanisten van het quattrocento.

Zij zagen als eersten in dat de mens in de loop der tijden verandert. Opeens beseften zij dat Augustus en Vergilius niet zomaar figuren uit het verleden waren, maar lieden met een andere cultuur dan zijzelf. Een ingrijpend besef, dat de poten van onder de stoel van hun eigen normen zaagde (geschiedenis is een les in multiculturaliteit).

Teksten van Grieken en Romeinen werden voortaan gelezen als getuigen van een “ander” verleden en als inspiratiebron voor nieuwe idealen (de humanisten waren ook idealisten). Weldra beriep de Hervorming zich op het vroege christendom om de latere dogma’s van Rome in vraag te stellen.

De strijd tussen katholieken en protestanten leidde tot een nooit geziene bloei van tekst- en Bijbelkritiek. Legenden en overleveringen uit de voorgaande eeuwen werden tegen het licht gehouden. Niet toevallig ontstond het modern wetenschappelijk onderzoek in Engeland, waar men na het eindeloze gehakketak over godsdienstige kwesties de voordelen inzag van een tolerante samenleving.

Newton maakte een begin met het achterhalen van de wetten van de kosmos. De filosofen Locke en Hume leerden dat waarneming aan de basis ligt van onze kennis. Dat principe doordrong ook de prille “menswetenschappen”. Historici leerden het belang van historische bronnen en hoe je ze aanpakt om de waarheid van de leugen en de vergissing van het juiste feitenrelaas te onderscheiden.

De Franse Revolutie deed Europa op zijn grondvesten daveren. Wie het tot dan toe weigerde te geloven, kon er niet meer omheen: alles verandert. De kennis van dat proces was fundamenteel om onszelf te begrijpen. Geschiedenis werd de koningin der menswetenschappen, of men haar nu beoefende om te begrijpen, uit verlangen naar de oude tijd of om het mensdom uit slavernij te bevrijden.

Het verlangen om het verleden te kennen, is universeel. De wetenschappelijke manier om dat te doen, werd ontwikkeld in Europa. Ze behoort tot onze maner om tegen de wereld aan te kijken – een manier die wij (het maakt er deel van uit) graag delen (en soms: opleggen, ik weet het). We mogen het ons niet laten afpakken.

Niet door fundamentalisten die niets liever doen dan andersdenkenden, Boeddhabeelden (Afghanistan) en bibliotheken (Timboektoe) naar de verdoemenis helpen. Maar ook niet door junior managers in slecht zittende pakken die zeuren dat we alleen vooruit mogen kijken.

Hun mantra’s moeten aanvaard worden, vinden ze, zonder dat iemand ze in vraag stelt. Ze lijken bijgevolg verrekte sterk op Gods Woord. De hemel waar de pakken naartoe willen, gemaximaliseerde winst, is – zoals die van Allahs martelaren – een paradijs waar hun slachtoffers niet binnen mogen.

Verschenen in “Eos Memo” nr. 5

Memo5

%d bloggers liken dit: