Gelukkige Stad

Eind september verschijnt bij Amsterdam University Press mijn nieuwe boek ‘Gelukkige Stad. De gouden jaren van Antwerpen (1485-1585).

 

 

Emile Verhaeren en andermans verlangen. Nostalgie in de praktijk.

Graf2kerk

Aan een meander van de Schelde, op de rechteroever, ligt het dorp Sint-Amands, de geboorteplaats van Emile Verhaeren. En omdat de dichter in L’Escaut de wens uitte om aan de stroom begraven te worden, vindt men hier ook zijn graftombe.

In een tijd de televisiekoks veel meer media-aandacht krijgen dan dichters, inspireert Verhaerens graf de bezoeker tot enige nostalgie.

Dat mag.

Maar nostalgie brengt het voorbije en het verre niet echt dichterbij. Ze vertroebelt onze blik erop. De dood en de opeenvolgende begrafenissen – drie in totaal – van Emile Verhaeren hebben niets heroïsch. Vooral des dichters stoffelijke resten waren de inzet van enkele typisch Belgische anekdotes.

2.25Sint-Amands is, of was, een afgelegen dorp van vissers en ambachtslui. Toen Verhaeren jong was, kostte het een dag om van hier Brussel of Antwerpen te bereiken. Er moeten ook welvarende mensen hebben geleefd. Dat bewijzen de grote oude huizen in het dorpscentrum en de omvang van de kerk.

Aan de overkant ligt, achter hoge dijken, het groene Castel. Wie vanuit Sint-Amands naar de overkant kijkt, ziet niets dan bomen, ziet hoe het vroeger op veel meer plaatsen aan weerszijden van de Schelde was.

Hop, daar is de nostalgie weer, nostalgie naar een tijdperk dat wij ons niet alleen harmonischer, rustiger en mooier voorstellen dan het onze, maar ook een waarin de natuur nog werd gerespecteerd.

Allemaal flauwekul, natuurlijk. Emile Verhaeren zelf schreef over armoede, de leegloop van het platteland, dronkenschap, vechtpartijen en ander onfraais. Hij was allesbehalve blind voor de miserie in zijn geboortedorp. Ja, er was nog meer groen, maar niet overal. Niet in de steden. Niet in de Borinage. Om maar iets te zeggen.

Alleen de miserie van toen vandaag onzichtbaar – onrecht wordt gauw vergeten en de kleine man laat weinig sporen na. Zo ook die uit Sint-Amands.

Verhaeren de socialist, Verhaeren de anarchist, de vriend van symbolisten en postimpressionisten, de verkondiger van de moderniteit. Ook hij stemt nostalgisch. Sommigen zien hem als een soort kampioen van de progressiviteit. Terecht? Ja en nee. Verhaeren was een overtuigde Belg en Europeaan. Maar hij was niet tegen kolonisatie en beleed de superioriteit van zijn ras.

Kind van zijn tijd, jawel.

Dam

Iedereen is een kind van zijn tijd, dat kan niet anders. Dat is, ondanks alles, een soort excuus.

De nostalgie naar het België van Verhaerens gaat in ieder geval voorbij aan nogal wat aspecten van de historische realiteit. Ze komt voor bij progressieve lieden die liever hadden dat er geen Vlaamsnationalisten waren geweest, geen collaboratie, geen Vlaams Blok en geen Bart De Wever.

Ik begrijp dat volkomen. Zoals men weet, kom ik niet uit een Vlaams nest. Maar dat ideële Belgique à papa heeft nooit bestaan, tenzij misschien in de hoofden van de toenmalige elites.

De Belgische realiteit was gebaseerd op de afwezigheid van sociale wetten, kinderarbeid, genadeloze uitbuiting van proletariaat, landarbeiders en kleine boeren. Het was een realiteit van honger, onwetendheid, machteloosheid, alcoholisme – de “plaag der dorpen, zoals Conscience schreef, maar ook die van de stad.

Martien_Beversluis_(1932)Wikipedia
Verhaerenvertaler en nazi Martien Beversluis (Wikipedia).

En de taal en cultuur van de Vlamingen werd niet gerespecteerd. Of dat in het geheel der dingen meer gewicht in de schaal legde dan de exploitatie waar ik net op wees, is natuurlijk de vraag. Het maakt weinig uit of je als proleet in het Frans of in het Nederlands wordt uitgebuit. Maar het was wel een bijkomende, secundaire vorm van verknechting.

Wat niet wegneemt dat de Vlaamse bewegers uit de middenklasse weinig oog hadden voor sociaal onrecht en zich onledig hielden met het bedenken van een ideaal verleden Vlaanderen dat nooit bestaan heeft.

L’histoire se répète. Niet altijd, maar toch.

En: une nostalgie peut en cache une autre.

Was Verhaeren dan zelf geen nostalgicus? Schreef hij niet in tal van gedichten over de morzel gronds waar zijn wiegje had gestaan? Sint-Amands, de Schelde, het ouderlijk huis, de mensen uit het dorp? Absoluut. Ze vormden het substraat van zijn inspiratie en hij kwam er keer op keer op terug.

Alleen was Verhaeren, zijn tekortkomingen ten spijt, een schrijver, een dichter, geen ideoloog van de lokale folklore – ook al putte hij daar zo nodig uit. Het beste bewijs is dat Verhaeren bewonderd werd door de grootsten onder zijn collega’s, van Mallarmé tot Rilke. En die kenden Sint-Amands en Klein-Brabant niet, ze kenden alleen Verhaerens gedichten.

emile-verhaeren-marthe-massin(MusEmVerg)
Emile Verhaeren en zijn vrouw Marthe Massin (Foto Provinciaal Emile Verhaerenmuseum).

Zij wisten niet hoe de kerktoren van Sint-Amands eruitzag en ook de plaatselijke molen was hun onbeked. Als ze de veerman of molenaar tegen het lijf waren gelopen, hadden ze hem niet herkend. Ze lazen over een kerktoren, een veerman, een molen en een molenaar. En wat ze zich daarbij voorstelden, had niets met de feitelijke omstandigheden uit de jeugd van Verhaeren te maken, maar met wat en hoe hij daarover dichtte. Waar hij zijn indrukken en herinneringen voor gebruikte, de emoties en ideeën die hij wilde uitdrukken.

Verhaeren dacht en dichtte in het Frans, in een Europees, zelfs niet in een Belgisch verband. Kende hij momenten van nostalgie? Ongetwijfeld. Maar hij moet ook gedacht hebben: liever heimwee dan Holland. Tenslotte woonde hij tot aan zijn dood in Parijs.

Dat zijn versbouw en zijn Frans de scherpslijpers van de Parijse kritiek niet altijd voldeden, verandert daaraan niets. Zeggen dat zijn vrije vers, zijn retoriek, zijn occasionele vertaling van Vlaamse wendingen van hem, in “laatste instantie” “toch” een Germaan of een Vlaming maken, is onzin. In die zin dat het geen zin heeft.

AloisGerlo(UGent)
Alois Gerlo (Foto UGent).

Pure nostalgie, zou je kunnen zeggen, terugverlangen naar iets dat niet is en ook niet is geweest.

Verhaeren was nog iets niet dat een waarachtig Vlaam moest zijn: een katholiek. Hij studeerde aan het Collège Sainte-Barbe van de jezuïeten in Gent en aan de universiteit van Leuven, maar hij verloor ergens onderweg zijn geloof. Dat hij gecharmeerd bleef door de katholieke liturgie, verandert daar niets aan. Is dat mogelijk? Ja, dat is mogelijk. Ik ben niet eens gedoopt; toch hou ik van de Mattheuspassie en de Kroningsmis.

Net als een halve eeuw later zijn streekgenoot Gerard Walschap werd Verhaeren door biografen, zoals kanunnik De ook uit Sint-Amands, trouwens – betuttelenderwijs voorgesteld als een afvallige, die vast niet gelukkig was. De dichter Jan Hammenecker uit Mariekerke, een tijdlang de boezemvriend en mentor van diezelfde Walschap, voerde Verhaeren als zodanig zelfs ten tonele in zijn enige roman.

IMG_0741Verhaerens biograaf Paul Servaes doet een en ander uitgebreid uit de doeken. Maar hij vindt minder aanstootgevend dan ik.

Verhaeren deed twee voorname dingen die de “goede” Vlamingen hem meer dan een eeuw kwalijk namen. Hij schreef in het Frans – ze verweten hem dat openlijk, terwijl ze het ook probeerden te relativeren (“toch een Germaan!”). En hij was geen christen. Dat laatste werd, dunkt mij, iets minder fel in de verf gezet in de hoop Verhaeren alsnog postuum te recupereren.

Paranoïa? Eind jaren 1980 kende ik een letterkundige pastoor die ambieerde om de toen al hoogbejaarde (en in de boosheid volhardende Walschap) alsnog neer te zetten als niet meer dan een afvallige katholiek. En afvalligen, wel, die zijn er om naar de stal terug te keren. Ik ben ook de zoon van een vrijzinnig schrijver die tijdens de tweede helft van zijn leven omstuwd werd door vrome lieden die zijn vriendje wilden worden (hij liet zich dat ook welgevallen).

Ja, zulke dingen gebeur(d)en. Dat vervult mij niet met nostalgie.

Verhaeren was geen streekdichter, geen chauvinist, hij cultiveerde geen nostalgie. Maar na zijn dood veranderde dat, alweer dankzij de goede zorgen van derden.

De eerste die een belangrijk deel van het oeuvre van de dichter in het Nederlands vertaalde, was de Nederlander Martien Beversluis. Beversluis publiceerde in 1935 een bloemlezing van vooraal “sociale” gedichten van Verhaeren. De schrijver  was toen nog communist, maar in 1939 vinden we hem bij een organisatie met de enigszins onheilspellende naam Zwart Front.

Emile_Verhaeren01Wikipedia)
Emile Verhaeren door Theo van Rysselberghe (Foto Wikipedia).

Dit belette niet dat zijn Verhaerenbloemezing in 1940 werd herdrukt.

In 1941 ontpopte Beversluis zich tot NSB’er en een jaar later trad hij toe tot de Germaanse SS. Weldra kreeg hij de functie van lector bij het Departement van Voorlichting en Kunsten.

Mede op basis van zijn leesverslagen bepaald men of een boek al dan niet mocht verschijnen in het bezette Nederland. Alsof dat niet genoeg was, werd hij ook nog eens burgemeester van Veere en Vrouwenpolder.

Jawadde.

En andere Verhaerenvertaler (op kleinere schaal) was dichter Bert Peleman uit Puurs die in 1942 Departementsleider voor Propaganda bij de Dietsche Militie-Zwarte Brigade werd en in augustus van dat jaar naar het Oostfront vertrok om de Vlamingen aldaar een “groet van de leider” te brengen en, mede doormiddel van grammofoonplaten, te getuigen van “den opgang van het Volk der Zuidelijke Nederlanden naar zijn algeheele bevrijding.” Zo staat het in Volk en Staat van 7 augustus 1942.

DorpenDam

In 1943 voerde Peleman het bevel over een groep leden van de Zwarte Brigades die een razzia hield in Sint-Kwintens-Lennik. Daarbij werd geïntimideerd, bedreigd en gestolen dat het een lust was. De Duitsers zaten zo met Pelemans fratsen verveeld dat ze de buit zelf ophaalden in het Vlaamsch Huis en ze aan de eigenaars terugbezorgde. De door Peleman gearresteerde oud-burgemeester, notaris Velghe, werd prompt in vrijheid gesteld.  Men vindt dit alles in de verrassend volledige Peleman-knipselmappen in het Letterenhuis.

Na dit voor hem vernederende incident legde de dichter zich tot het eind van de bezetting toe op de volkskundige vereniging De Meivis. Die cultiveerde de Klein-Brabantse gebruiken, ambachten en wat dies zij. Niet zo apolitiek als Peleman naderhand beweerde, want de bezetter (meerbepaald de SS) was verzot op folklore als overblijfsel van en wegwijzer naar een authentieke Germaanse oercultuur. Ja, de Duitsers hadden hun nostalgische kant.

Peleman-0bSchrijversgewijs
Bert Peleman (Foto Schrijversgewijs).

Wogen de feiten in Sint-Kwintens-Lennik zwaar genoeg om Peleman ter dood te veroordelen, zoals de Krijgsraad deed in 1947?

Ik ben tegen de doodstraf.

Peleman kwam er vanaf met zes jaar cel, om zich nadien opnieuw toe te leggen op folklore en streekgeschiedenis, wat hem “alom” erkenning opleverde.

Peleman koos herhaaldelijk gedichten van Verhaeren voor de bloemlezingen die hij samenstelde en occasioneel vertaalde hij daar zelf een stukje uit. Doorgaans ging het echter om d orginele Franse tekst of om vertalingen door bijv. Bert Decorte.

Peleman trok Verhaeren mee in het bad met figuren als hijzelf, de Frans-Vlaming Emmanuel Looten en andere Maurice Carêmes.

Maar ook streekgenoot, oud-communist en op dat moment socialist Aloïs Gerlo, prof aan de Vrije Universiteit Brussel, zei bij de Verhaerenhulde in 1966: “Naar zijn diepste wezen, naar zijn intiemste natuur is de auteur van Toute la Flandre een Vlaming. […] Om de originaliteit van Emile Verhaeren te begrijpen moet men hem situeren in het milieu en in het volk waaruit hij stamt.”

Twee opmerkingen hierbij: Gerlo was geboren in het zeer nabije Baasrode, en ik meen mij te herinneren dat hij, naarmate hij ouder werd, rechtser opvattingen verkondigde.

Nostalgie kan leiden tot het ontstaan van poëzie; gedichten kunnen (en mogen) nostalgie vertolken en ons helpen bij het omgaan met onze eigen nostalgie. Maar nostalgie, tenzij misschien in een algemene, existentiële zin, maakt niet het wezen uit van nostalgie. Een gedicht is in laatste instantie een ding van woorden en de manier waarop ze zijn gerangschikt.

Graf1

Wie poëzie reduceert tot nostalgie, doet aan reductie. En dat kan een soort schuldig verzuim zijn, maar ook bewuste manipulatie om gevaarlijke ideeën te promoten, te bevestigen of in te kleden.

Daarom ben ik blij dat Verhaeren honderd jaar na zijn geboorte vertalers heeft gevonden als Stefaan Van den Bremt, Benno Barnard en Koen Stassijns, die zich op een voorbeeldige, respectvolle en vooral virtuoze wijze over zijn oeuvre buigen. Ik heb gezegd.

En nu kan ik in Sint-Amands met een vol hart en een gerust geweten naar een van slechte smaak druipende zonsondergang kijken. Zoals in de tv-serie Stille Waters. Zelf die was met haar  streekliteratuur meets Marc Dutroux-achtig karakter via een omweg schatplichtig aan de dichter van Le Passeur d’eau.

 

 

 

De dood van een pelgrim. Het oudste toneelstuk van Europa.

01-Ruiters-800x600

Het oudste toneelstuk van Europa is het mysteriespel van de H. Evermarus dat de inwoners van het Haspengouwse dorp Rutten sedert de middeleeuwen iedere eerste mei opvoeren. Hoewel de huidige tekst uit 1924 dateert, gaat het Sint-Evermarusspel volgens de overlevering terug tot het jaar 968. Het herdenkt de marteldood van de Friese pelgrim Evermarus en zijn zeven gezellen, die het slachtoffer werden van de heidense roofridder Hacco.

Het Sint-Evermarusspel vormt de neerslag van een oeroude mondelinge traditie waarachter historici en archeologen interessante feiten ontwaren en waarin zowel christelijke als voorchristelijke elementen verweven zijn.

Volgens de Vita Sancti Evermari leefde de heilige tijdens de regering van hofmeier Pepijn van Herstal, na de dood van koning Dagobert II in 679 de machtigste man van Austrasië. De vita dateert van 1107, maar gaat terug op oudere bronnen; zij bevat zowel historische als legendarische elementen.

St-Evermaruskapel, Rutten

Evermarus was een Fries edelman die met zijn zeven gezellen bedevaartplaatsen bezocht. Op de terugweg van Compostella deden zij o.m. Nijvel, Stavelot en Sint-Truiden aan, waar zij de relieken van resp. de HH. Gertrudis, Remaclus en Trudo vereerden. Voor hij naar Friesland terugkeerde, wou Evermarus in Maastricht bidden op het graf van Sint-Servatius. Tussen Sint-Truiden en Maastricht belandden de pelgrims bij valavond in het bos van Rutten. Zij klopten aan bij het landgoed van de heidense edelman Hacco in het nabije dorpje Herstappe.

Hacco terroriseerde de hele streek. Vanuit de versterking Haccourt aan de Maas, waar hij in opdracht van Pepijn tol hief, maakte hij zelfs schippers het leven zuur. Omdat Hacco zich die avond in Haccourt bevond, durfde zijn vrouw de bedevaarders binnenlaten; zij vroeg hun voor zonsopgang te vertrekken opdat haar man niets zou merken. Maar een dienaar verried Evermarus aan Hacco, die in de loop van de ochtend thuiskwam en met zijn trawanten de achtervolging inzette.

Evermarus foto 1 - aangepast

Zij vermoordden de pelgrims die zich in de schaduw van enkele bomen te ruste hadden gelegd en lieten hun lijk onbegraven liggen. Toen Pepijn in de streek kwam jagen, werden de lichamen gevonden door een lid van zijn hofhouding. Een edelman brak zijn schild in twee; men legde er Evermarus’ lijk op de ene helft en bedekte het met de andere. Zo begroef men de heilige en zijn gezellen.

Volgens de Vita Sancti Evermari bleef de plaats van het graf onbekend tot Eraclius, bisschop van Luik, op een nacht in het jaar 986 bezoek kreeg van een engel, die hem de plaats meedeelde. Om de sceptische bisschop zover te krijgen dat hij het lichaam van de martelaar liet opgraven, waren nog twee engelachtige tussenkomsten nodig. Men ontdekte Evermarus’ graf tussen de wortels van een boom met weelderige kruin en heerlijke vruchten. Bij de ontgraving bleek het perfect bewaard. De kerkvorst liet het daarop overbrengen naar de Ruttense Sint-Maartenskerk. Volgens de plaatselijke traditie voert men het Sint-Evermarusspel sindsdien jaarlijks op.

seniorennet

Historici zijn nog sceptischer dan Eraclius. Zij nemen aan dat in het 10de-eeuwse Rutten relieken van ene Evermarus werden vereerden en dat de bisschop die op verzoek van de plaatselijke pastoor Ruzelinus verhief “tot de eer der altaren”, wat toen neerkwam op een heiligverklaring.

Rutten was toen eigendom van de Pepiniden; later kwam het in handen van de Karolingische vorsten. Zij schonken de kerkelijke goederen in en om het dorp aan de benedictijnenabdij van Seligenstadt aan de Main in Duitsland. Na een goederenruil kwamen ze in het bezit van de abdij van Burtscheidt bij Aken. De Vita Sancti Evermari vertelt hoe abt Wedericus in de 11de eeuw op het graf van Evermarus een bedevaartkerk liet bouwen, waaraan hij een klooster hechtte. Bisschop Theodwinus van Luik (1048-1075) wijdde het heiligdom.

HuisvanAlijnIn 1986 ondernam de Buitendienst van het Gallo-Romeins Museum in Tongeren o.l.v. archeoloog Vanvinckenroye opgravingen om de huidige Sint-Evermaruskapel, die van 1787 dateert. Zij staat in de zg. Heilige Weide, even buiten de dorpskern. De oudheidkundigen vonden fundamenten van een stenen kerkgebouw, opgetrokken in Karolingische stijl, die in het Rijn- en Maasgebied verspreid werd door de benedictijnen. Of de kerk van de 11de eeuw of van vroeger dateerde, konden zij niet bepalen. Men bouwde ze op de puinen van de bijgebouwen van een nabije Gallo-Romeinse villa en recycleerde daarbij bouwmateriaal. Wanneer en hoe de kerk werd gesloopt, is niet duidelijk. Een visitatieverslag van 1628 spreekt alleen van een toen al sterk vervallen houten kapel, wat erop wijst dat de Karolingische kerk al lange tijd verdwenen was.

Welke vorm de Sint-Evermarusviering aanvankelijk had, is niet te achterhalen. Het mysteriespel gaat zeker terug tot de late middeleeuwen. In de 17de eeuw gaf men met de stichting van de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Evermarus – zij bestaat uit de vertolkers van de heilige en zijn gezellen – een definitieve vorm aan een oud gebruik. Het lidmaatschap van de Broederschap gaat over op de mannelijke erfgenaam van een gestorven lid; pas wanneer deze geen mannelijke nakomelingen heeft, kan een andere Ruttenaar lid worden. Traditiegetrouw speelt de oudste en meest eerbiedwaardige broeder de rol van Evermarus.

Bij het gilde der Haccoeren, de Ruttenaren die Hacco en zijn trawanten uitbeelden, gaat het er anders toe. Ouders laten hun zoon rond zijn twaalfde inschrijven; hij maakt dan deel uit van Hacco’s bende. Na verloop van tijd kan hij “hoofdman” worden en deelnemen aan het eigenlijke martelarenspel. De langst ingeschreven Haccoer – meestel is hij de oudste van het gezelschap – vertolkt Hacco.

www.evermarus.beVroeger kenden alleen de leden van de Broederschap en de Haccoeren de woorden van het Sint-Evermarusspel, die zij voor de buitenwereld geheim hielden. Zulks blijkt o.m. uit de brochure De eerste Mei te Rutten van L. Van Ruckelingen, in 1858 verschenen bij de Antwerpse uitgever Dela Montagne.  De auteur heette in werkelijkheid Mathot en was de zoon van een inwonen van Rukkelingen die in 1830 uitweek naar de Scheldestad. Mathot jr. stichtte daar een vlechterij van strohoeden, maar keerde later naar Limburg terug. In zijn bokje beschrijft hij het mysteriespel. Over zij poging om de tekst van de liederen der pelgrims te bemachtigen, zegt hij:

“Ik heb, niettegenstaende al de moeite die ik my gegeven heb, my nooitb dit gezang, noch het voorgaende kunnen aenschaffen. Zoo het schynt werden geen van beide ooit in druk uitgegeven, zelfs bezit het niemand geschreven. De pelgrims leren het by overlevering en bewaren het slechts mondeling. Men hecht zoo groote prys eraen, dat het aen geenen vreemde mogelyk is zich deze liederen aen te eigenen; altoos, na vruchteloos verscheidene persoonen uit het dorp Rutten erom gevraegd te hebben, wendde ik my ten langen laetste tot den ouden Sint Evermaere zelven, met wien ik een liter of twee dronk, om onze kennis nauwe toe te halen. De ouden man nam zynen rol in ernst en ik bekwam welhaest de zekerheid, dat ik er my zou moeten mede getroosten, naer huis te keeren, zonder deze eigenaerdige volksgezangen te kunnen opschryven.”

phoca_thumb_l_rutten_evermarusspielKortom, de Ruttenaren verzwegen hem dat ene Johannes Frisson, over wie voorts niets bekend is, in 1809 de teksten optekende. De eerste jaren van de Franse overheersing was de opvoering van het spel verboden; pas na het concordaat mocht het opnieuw plaatsvinden. Omdat de protagonisten bij het ingaan van het verbod al oud waren, bestond het risico dat wat de overlevende zich herinnerden snel verloren ging. Wellicht liet men daartom Frisson zijn werk doen.

In 1921 stelde de pastoor van Rutten – hij vond de overgeleverde tekst onduidelijk – Frissons handschrift ter beschikking van de letterkundige August Cuppens, pastoor van Loksbergen, om er een eigentijds Sint-Evermarusspel van te maken. De in 1862 geboren Cuppens behoorde tot het toentertijd florerende slag der priester-dichters. Hij onderhield contacten met al wie meetelde in de katholieke literaire wereld (en met priester Danes). Zowel zijn grote voorbeeld Gezelle als de jongeren Hilda Ram, Alice Nahon, Marie Elisa Belpaire en Streuvels verbleven bij hem. Zijn bewondering voor Streuvels’ Lenteleven leverde de priester zelfs een bisschoppelijke berisping op. Later bewerkte Cuppens mee de fusie van de literaire tijdschriften Dietsche Warande en Belfort.

In Rutten tekende Cuppens de zangwijze van het lied van Evermarus en zijn gezellen op uit de mond van de oude Jan Werelds, die al zestig jaar meedeed aan het spel. Volgens musicologen stamt zij uit het gregoriaans zoals men dat op het einde van de middeleeuwen in het Germaanse taalgebied kende. Naast het Frisson-handschrift gebruikte Cuppens een ander Middelnederlands pelgrimslied, waarvan niet zeker is of het verband houdt met Evermarus. Aan de handeling van het spel veranderde de priester niets, maar hij laste een dialoog in tussen Evermarus en Hacco, schreef een voor- en een slotwoord voor de twee wildemannen die traditioneel deel uitmaken van de cast, en introduceerde een koor van acht engelbewaarders. Voor hun lied componeerde de Tongerse toondichter Edmond Jaminé nieuwe muziek.

Evermarus foto 3 - aangepast

De acteurs van het Sint-Evermarusspel stappen ’s morgens op in de processie. Na het H. Sacrament komen de twee wildemannen, gehuld in en kostuum van (echte- klimopbladeren en met een indrukwekkende knuppel in de hand. Dan volgt het “graf” of reliekschrijn van Sint-Evermarus met de heilige en zijn gezellen. Evermarus draagt een kniebroek, witte kousen en een bruine pij; op zijn lederen kraag zijn grote St.-Jacobsschelpen bevestigd; hij heeft een pelgrimsstaf bij. Na de pelgrims verschijnen hun engelbewaarders. Op korte afstand volgen de als jagers uitgedoste Haccoeren die een bolhoed met linten dragen. Hacco is herkenbaar aan zijn sabel. De Haccoeren rijden op feestelijk opgeschikte trek- of rijpaarden.

In de vroege namiddag nodigt een der wildemannen de toeschouwers uit om het mysteriespel bij te wonen. Onder het zingen van een klaaglied trekken Evermarus en de pelgrims, gevolgd door hun engelbewaarders, rond de Heilige Weide Zij scharen zich om de miraculeuze bron en lopen dan naar de groep van acht bomen die men de “Rings” noemt en waar de handeling plaatsvindt.

Delcampe.net

Onder elke boom gaat een pelgrim liggen. Dan duiken de Haccoeren op en galopperen driemaal in wilde vaart om de wei. Vervolgens rijden Hacco en de hoofdmannen er binnen, draven driemaal om de kapel en stijgen vaf om de pelgrims te zoeken. Na een dialoog tussen Hacco en Evermarus zeggen de pelgrims hun laatste gebed en worden vermoord; alleen de jongste ontsnapt. Terwijl de tweede wildeman de toeschouwers dankt, volgen Hacco en de hoofdmannen de ontsnapte bedevaarder naar de nabije, heuvelachtige “Zwarte Wei” waar een spectaculair stokkengevecht plaatsvindt. Ten slotte schiet Hacco de pelgrim neer met zijn pistool.

[Longread] Maria Malibran (1808-1836). Leven en dood van een romantische diva.

Maria_Malabran_by_Henri_Decaisne
Maria Malibran door Henri Decaisne (a).

‘Schoonheid, vernuft en liefde waren de namen / die glommen in haar ogen, gegrift stonden in haar hart en klonken in haar stem. / Driewerf behoorde deze ziel de hemel toe / Ween, o wereld! / En gij, hemelen, ontvang haar nu ook driemaal.’ Deze woorden van de Franse dichter Alphonse de Lamartine staan gebeiteld in de grafzerk van de mezzosopraan Maria Malibran, de eerste grote operadiva van de 19de eeuw.

Sinds 1836 rust de zangeres onder een indrukwekkend mausoleum op het kerkhof van Laken bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk waar de leden van het Belgisch koningshuis begraven worden. Haar hedendaagse evenknie, de Italiaanse Cecilia Bartoli, nam in 2007 bij wijze van eerbetoon een cd op met aria’s die deel uitmaakten van het repertoire van La Malibran, die trouwens ook als rolmodel voor Maria Callas fungeerde.

GrafMalibran
Het mausoleum van Maria Malibran op het kerkhof van Laken (a).

‘La Malibran’, zoals haar bewonderaars haar noemden, had een prachtige stem met een verbazend groot bereik. Ze kon zowel alt- als mezzo- en sopraanpartijen aan. Bovendien deed ze met haar rijzige, slanke verschijning heel wat mannenharten sneller slaan.

Maria de la Felicidad García wordt op 24 maart 1808 geboren – Napoleon zwaait dan als keizer de scepter over Frankrijk – in de Parijse Rue de Condé. Haar vader, de Spanjaard Manuel García, is als tenor verbonden aan het Théâtre des Italiens. Ook haar moeder is operazangeres. Manuel beleeft zijn grootste artistieke triomf bij de feestelijkheden ter gelegenheid van de geboorte van het zoontje van Napoleon, de koning van Rome.

De zanger geniet dan ook de gunst van het hof. Weldra krijgt hij een aanstelling tot kapelmeester van de koning van Napels. Dat is Joachim Murat, een gewezen Franse legermaarschalk die als een soort vazalkoning heerst over uitgestrekte territoria in het zuiden van Italië. Samen met zijn vrouw treedt Manuel ook geregeld op in de San Carlo-opera. In Napels sluit de zanger vriendschap met de jonge componist Giacomo Rossini (1792-1868). De kinderen García, Maria en Manuel Jr., krijgen muzieklessen van de pianist Héron en de toondichter Panseron.

Manuel%20Garcia
De Spaanse tenor en componist Manuel Garcia, vader van Maria Malibran (a).

In 1815 komt er een eind aan het Franse keizerrijk. Ook Murat verliest zijn troon. Kapelmeester García reist met zijn gezin naar Rome. Rossini vergezelt hen. De toondichter geeft zijn vriend er de rol van graaf Almaviva in de wereldcreatie van zijn Barbieri di Sevilla.

Ondanks dat éclatante succes keert García het jaar daarop met zijn gezin terug naar Parijs. Hij vestigt zich als zangpedagoog en vormt heel wat latere sterren. Tussen de bedrijven door vindt hij de tijd voor een verblijf in Londen. Maria gaat mee; voor enkele maanden wordt ze ondergebracht in een katholieke een kostschool in Hammersmith waar ze alvast de basis van het Engels oppikt.

Met de zanglessen die Manuel vanaf 1818 of 1819 aan zijn dochter geeft, wil het niet bijzonder vlotten. Maria’s stem ontwikkelt zich vrij onvoorspelbaar. Bovendien heeft de tiener heeft een even groot ego als haar pa. Dat belet Manuel echter niet om zijn nieuwe zangpedagogische inzichten op haar uit te proberen.

Ego

Manuel wil dat zangers rechtop staan met hun handen op hun rug om ‘de borst te ontwikkelen en hun stem goed voor zich uit te laten klinken’. Waarschijnlijk begint Maria’s opleiding met langzame mesa di voce-oefeningen, gevolgd door steeds zwaarder en ingewikkelder oefeningen met toonladders en arpeggio’s en tenslotte uitgebreide vocalises.

García leert zijn dochter ook improviseren en haar partijen versieren, essentieel is voor het belcanto.

rossini
Giacomo Rossini op gevorderde leeftijd (a).

Op een dag lopen de componist Ferdinando Paer en een vriend voorbij het appartement van de Garcia’s. Plots horen ze een luide gil. ‘Maak je geen zorgen,’ zegt Paer, ‘dat is García die zijn dochter slaat zodat ze een triller produceert.’

Papa Manuel is echter niet de enige talentrijke tenor in de Franse hoofdstad. Hij krijgt concurrentie van de Italianen Donzelli en Rubini. Wanneer men hem een engagement aanbiedt om in de Londense King’s Opera op te treden in werk van Rossini, maakt hij van de nood een deugd en vertrekt.

Zijn succes op de planken (en in de salons van de Londense aristocratie) biedt meteen ook de kans om Maria’s carrière te lanceren. In 1824 debuteert ze tijdens een concert met haar vader en enkele gevestigde zangeressen. Ze voeren een cantate uit die speciaal gecomponeerd is n.a.v. de dood van de bekende en beruchte dichter Lord Byron in Griekenland. Geen spectaculair debuut, maar de toehoorders zijn wel erg te spreken over de stem en de schoonheid van de jonge Maria.

DaPonte
Lorenzo da Ponte (a).

Toch duurt het nog bijna een jaar voor ze echt doorbreekt. Directeur John Ebers van het King’s Theatre heeft de laatste grote Italiaanse castraatzanger, Giambattista Velluti, geëngageerd voor een concert. Velluti staat bekend voor zijn fraaie, hoge stem en briljante zangstijl.

Helaas heeft Ebers ook een sopraan nodig om samen met hem een duet te zingen, maar blijkt geen enkele zangeres de confrontatie met de Italiaanse vedette aan te durven. Tot Manuel dochter Maria naar voor schuift – zij is van niets of niemand bang, verzekert hij. En hij kan het weten..

De grote avond breekt aan. Het publiek luistert ademloos wanneer Velluti uitpakt met zijn canto fiorito – nuances, modulaties, vocalises en andere effecten waarmee hij de partituur van de zangstukken versiert.

Maria houdt intussen het hoofd koel en wanneer ze met de castraat het duet uit Romeo en Julia van Zingarelli inzet, doet ze dat met nog meer effecten dan hij. De Italiaan is woedend, maar de toehoorders gaan uit hun bol.

Pasta

Ebers biedt Maria stante pede een contract aan om Rosina in de Barbier van Rossini te zingen. Volgens een andere versie van het verhaal is Maria lid van het koor en krijgt ze de kans om te schitteren pas wanneer sopraan Giuditta Pasta (!) ziek wordt en vader Manuel van de gelegenheid gebruikt om haar als invalster naar voor te schuiven.

GrafDaPonte
Het graf van Lorenzo da Ponte in New York (a).

De opera trekt in ieder geval zes weken lang volle zalen. Elke opvoering maakt Maria populairder. Ook wanneer ze met het eigen gezelschap van haar vader voorstellingen geeft van Il Crociato en Egitto van Giacomo Meyerbeer in Londen, Manchester en Liverpool, scheert ze hoge toppen.

In Liverpool schepen de García’s en hun troep in voor New York. Ze zijn uitgenodigd door de directeur van het Park Theater. Dat wordt gefinancierd door de steenrijke operaliefhebber en wijnhandelaar Dominick Lynch.

Hij wil de Italiaanse opera in Amerika introduceren. Tot zijn kring behoort trouwens de librettist van enkele grote Mozartopera’s, Lorenzo de Ponte. Da Ponte.  Da Ponte woont al sinds 1805 in de Verenigde Staten.

Barbier

Een eerste opvoering van Il Barbiere de Sevilla brengt drieduizend dollar op – voor die tijd een enorm bedrag. Weldra volgen nog andere opera’s van Rossini, Zingarella, twee van Maria’s vader en tot slot Mozarts Don Giovanni – wat tekstschrijver Da Ponte veel plezier doet.

Intussen blijven er spanningen tussen Maria en haar tirannieke vader, die nu natuurlijk ook haar werkgever is. Volgens sommige bronnen is dat de reden waarom ze in 1826 instemt met een huwelijk met de veel oudere bankier Eugène Malibran (1781-1836). Malibran is een Fransman, maar woont en werkt in New York. Naar verluidt, belooft hij Maria’s vader 100.000 frank hebben in ruil voor diens instemming met het huwelijk.

Pauline Viardot depicted in an 1844 painting by Karl Bryullov.
Pauline Viardot door Karl Bryullov, 1844 (a).

Of de relatie tussen Eugène en Maria gelukkig is, valt te betwijfelen, maar Malibran leert zijn jonge bruid in ieder geval zwemmen en paardrijden. Vooral dat laatste wordt, naast zingen, haar grote passie. Vader Manuel en zijn operagezelschap zijn intussen naar Veracruz in Mexico vertrokken voor een nieuwe tournee. Maria blijft nog een seizoen in New York.

Dat is maar goed ook, want plots blijken de zaken van Eugène slecht gaan en vraagt hij het faillissement aan. Zijn vrouw wordt zo de enige kostwinner.

Gelukkig blijft het New Yorkse publiek Maria trouw. Haar populariteit wordt in de hand gewerkt door het feit dat ze Engels kent en niet te beroerd is om ook in die taal te zingen.

Ze stelt inderhaast een eigen gezelschap samen waarmee ze het Bowery Theatre bespeelt. ’s Zondags luistert ze ook nog eens kerkdiensten op – voor haar natuurlijk een koud kunstje.

Maar omdat het publiek van het Bowery Theatre vooral het lichtere repertoire wil horen – in 1827 treedt Maria op in Love in a Village van de nog altijd erg populaire Engelse componist Thomas Arne (1710-1788) – voelt ze zich artistiek niet voldoende uitgedaagd.

Ondanks het protest van haar man besluit Maria naar Europa terug te keren.

Maria Malibran als Desdemona door François Bouchot (Louvre).

Onderweg heeft de zangeres last van zeeziekte en tijdens een hevige storm breekt een mast van het schip. Maar ze bereikt heelhuids Le Havre.

In Parijs trekt ze in bij haar twee schoonzussen met wie ze goed bevriend raakt. Maar in een brief aan haar man beklaagt Maria zich wel over het feit dat ze haar in zijn opdracht bespioneren.

Dankzij een oude vriend van Manuel treedt ze op tijdens benefietconcerten – goed voor haar reputatie.

Ze geeft ook recitals bij een vriendin die in haar salon Rossini en schrijvers als Balzac, George Sand en Prosper Mérimée ontvangt. Zo raakt de mezzosopraan bekend in de toonaangevende artistieke middens van de hoofdstad.

Op 14 januari 1828 debuteert Maria in de Opéra tijdens een benefietconcert ten voordele van de bas Galli. Ze zingt de titelrol in een fragment uit Sémiramide van Rossini en een bedrijf uit Romeo en Julia, samen met de alt Benedetta Pisarini en de Duitse sopraan Henriette Sontag.

In het begin is de zangeres nerveus en presteert slecht. Het publiek blijft onverschillig. Maar naarmate haar zelfvertrouwen terugkeert, worden Maria’s uitzonderlijke kwaliteiten als zangeres duidelijk.

Charles-Auguste de Bériot door Charles Baugniet (a).

De Franstalige Belgische muziekhistoricus en componist François-Joseph Fétis zit in de zaal en legt nadien zijn indrukken vast: ‘Het publiek raakte in haar ban en kille afwijzing maakte plaats voor ongebreidelde geestdrift’.

Een contract met de Opéra wijst Maria af, maar tegen de 75.000 frank die het Théâtre des Italiens biedt, zegt ze geen nee, ook al omdat haar broer Manuel daar in dienst komt.

Behalve in Sémiramide treedt ze er op in de Othello van Rossini en in zijn nog steeds erg populaire La Cenerentola (Assepoester).

‘La Malibran’, zoals ze voortaan genoemd wordt, groeit uit tot een ster van de eerste orde. Intussen is haar relatie met haar echtgenoot sterk bekoeld. Maria onderneemt pogingen om te scheiden en doet daarvoor zelfs een beroep op haar goede vriend, de militair en politicus  markies De La Fayette, een oudgediende van de Amerikaanse vrijheidsstrijd.

In 1829 onderneemt Maria een tournee die haar naar Londen en naar Brussel brengt. Op de terugweg stapt ze af in Chimay in Henegouwen. Daar treedt ze op in het prachtige privétheater in het kasteel van de prinsen.

Bériot

Ze ontmoet er de befaamde Charles de Bériot (1802-1870) die zich sinds enige tijd eerste violist van de koning der Nederlanden mag noemen. Die koning is Willem I, sinds Waterloo heerser over het huidige België en Nederland.

De Bériot, in 1802 geboren in Leuven, begint zijn loopbaan als wonderkind. Op zijn negende speelt hij in een concertzaal een van de moeilijkse solo’s van de Italiaanse componist Giovanni-Baptista Viotti (1755-1824).

Hij krijgt les van de Leuvense vioolleraar Tibi en studeert vanaf zijn twaalfde in Parijs. Nadien keert hij terug naar Leuven, maar als 21-jarige vertrekt hij opnieuw naar de Franse hoofdstad waar hij zich laat horen in de salons van de aristocratie. In 1822 geeft hij zijn eerste publieke concert.

John MacVicar Anderson
Gezicht op de Theems in Londen door John MacVicar Anderson (a).

Weldra bouwt De Bériot een repertoire uit met bewerkingen van aria’s van Rossini, zeer tot tevredenheid van de componist. Vanaf 1824 is hij actief in Londen, waar hij een prominente rol speelt in het concertleven.

Tussen de zangeres en de violist is het liefde op het eerste gezicht. Als volbloed romantici worden ze heel gauw minnaars.

Alternatief relaas

Allicht is dat de reden waarom Fétis enkele decennia later in zijn officiële levensbeschrijving van De Bériot in de Biographie Nationale van de Belgische Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten een ander verhaal opdist over hun eerste ontmoeting.

266px-Francois_joseph_fetis
De Belgische muziekhistoricus François-Joseph Fétis (a).

Volgens Fétis leren Charles-Auguste de Bériot en Maria Malibran elkaar door zijn toedoen kennen in Londen. Tijdens een studiereis naar Engeland verbleef Fétis in hetzelfde hotel als de violist. En die wilde, aldus de muziekhistoricus, samen met een beroemde zangeres een concert geven. Hij dacht meerbepaald aan Maria en omdat die een bekende van Fétis was, vroeg hij die om te bemiddelen.

‘Als vriend van haar vader had ik haar zien geboren worden,’ schrijft Fétis, ‘en hij [De Bériot] vroeg me om van haar de belofte te krijgen dat ze aan het concert zou deelnemen. […] Tijdens dat concert ontstond bij beide musici en wederzijdse affectie, die later bevestigd werd door een huwelijk waaraan de dood – helaas! – te vroeg een einde maakte.’

Een elegante manier om een affaire, een buitenechtelijk kind en een echtscheiding voor het preutse Belgische publiek te verzwijgen!

Tussen een tournee in Italië en een reis naar Londen bevalt Maria van een zoon, Charles-Wilfrid de Bériot die later een uitstekend pianist wordt en lesgeeft aan de componisten Granados en Ravel.

fayette
De Franse generaal en staatsman markies De la Fayette in zijn glorietijd (a).

Een rem op haar carrière zet het moederschap alvast niet: in 1834 en het jaar daarop is La Malibran alweer in Italië waar ze in de grootste operahuizen optreedt. In Napels hoort ze dat een Parijse rechtbank eindelijk haar echtscheiding heeft uitgesproken.

Enkele maanden later trouwt ze in de Franse hoofdstad met De Bériot. Felix Mendelsshohn componeert speciaal voor de gelegenheid een aria voor sopraan met vioolbegeleiding.

Intussen is Manuel García overleden. De laatste jaren van zijn leven heeft hij zich toegelegd op zanglessen aan Maria’s zestien jaar jongere zusje Pauline (1821-1910).

Het echtpaar De Bériot – Maria blijft de naam Malibran gebruiken – vestigt zich in Sint-Gillis in de nog landelijke omgeving van Brussel en wat later in Elsene waar De Bériot door architect Charles Vanderstraeten een landhuis laat bouwen (thans gemeentehuis aan het Fernand Cocqplein).

La Milibran is zo beroemd, dat haar verhuizing naar de ietwat provinciale hoofdstad van het jonge koninkrijk België haar carrière evenmin schaadt. Maar ze moet natuurlijk wel veel op reis.

Enkele maanden na haar huwelijk is ze alweer in Londen.

HuisBériot
Het landhuis van De Bériot en Maria Malibran in Elsene (a).

Op 5 juli 1836 maakt Maria met vrienden een rijtochtje in Regent’s Park. Haar paard slaat op hol. Maria schreeuwt om hulp. Een politieman die toevallig voorbijkomt, ziet wat er aan de hand is en slaagt erin de teugel te grijpen zodat het paard stopt.

Maar de zangeres wordt eraf geslingerd en komt tegen een houten paal terecht. Ondanks haar verwondingen en de pijn die ze lijdt, weigert ze haar engagementen in het bekende theater aan Drury Lane af te zeggen. Ze treedt er nog vijf avonden op, toegejuicht door een publiek dat nu zich nu ook door haar moed en toewijding laat charmeren.

Dood in Manchester

Twee maand later is Maria Malibran in Manchester voor een festival. Hoewel ze zich nog altijd beroerd voelt, geeft ze op 13 en 14 september een concert. Sommigen beweren zelfs dat ze krukken nodig heeft om overeind te blijven.

louis-haghe-1850-lg-folio-antique-print.-town-hall-brussels-belgium-[2]-92889-p
De Grote Markt van Brussel door Louis Haghe (a).

Maar ze blijft zich gedragen als de primadonna die ze is. De avond van 14 september zingt ze samen met haar collega Maria Caradori-Allan (1800-1865) een duet uit Andronico van Mercadante. De twee zangeressen gaan tot het uiterste om elkaar te overtroeven en, zoals verwacht, eisen de enthousiaste toehoorders een encore.

Aan dirigent Sir George Smart zegt Maria: ‘Als ik nu nog zing, ben ik dood’. ‘Doe het dan niet,’ antwoordt de ongeruste orkestleider. ‘Ik denk er niet aan, ik zing haar van de scène,’ repliceert de diva.

De volgende morgen laat Maria zich naar de kerk brengen waar ze een recital moet geven, maar daar geraakt ze niet. Haar entourage brengt haar terug naar haar hotel. Daar raakt ze in een coma en overlijdt om 23 u. 35 op 23 september 1836, vermoedelijk ten gevolge van een bloedklonter in de hersenen.

Pauline_Viardot_by_Timoleon_von_Neff
Pauline Viardot, geportretteerd door Timoleon von Neff (a).

De Bériot trekt zich enkele jaren uit het muziekleven terug, maar onderneemt dan een lange tournee door Duitsland en Oostenrijk. In 1840 hertrouwt hij met de Oostenrijkse Maria Hueber.

Drie jaar later krijgt hij een aanstelling tot hoofddocent viool aan het Conservatorium van Brussel. Hij legt er de basis voor wat de geschiedenis ingaat als de ‘Frans-Belgische’ vioolschool.

Hij schrijft een tiental vioolconcerti en een heleboel ‘kleiner’ werk. Vanaf 1858 gaan zijn ogen sterk achteruit en in 1858 wordt hij volledig blind. Maar dat belet hem niet om voort te componeren. Hij overlijdt in 1870 op achtenzestigjarige leeftijd in zijn geboortestad Leuven en wordt in Laken naast Maria begraven.

Maria’s zus Pauline die lange tijd gedroomd heeft van een carrière als pianiste debuteert als zangeres met een concert in Brussel. Het jaar daarop staat ze voor het eerst op de planken in Londen.

Pauline Viardot raakt bevriend met de schrijfster George Sand en beleeft een decennialange passionele aanuit relatie met de Russische romancier Ivan Toergenjew. In tegenstelling tot Maria wordt ze stokoud worden en beleeft de dageraad van de 20ste eeuw.

[Geschiedenis] De kanunnik drinkt bier op de buiten, of de lange vrijage van stad en platteland

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Bartholomeus de Mompere, “De Kermis van Hoboken”, burijngravure naar een tekening van Pieter Bruegel de Oude (a).

In 1895 publiceert de Franstalige Vlaamse dichter Emile Verhaeren de bundel Les Villes tentaculaires. De titel verwijst naar de snelle uitbreiding van de steden die zich met hun ‘grijparmen’ meester maken van het omliggende platteland. En inderdaad, in de tijd van Verhaeren gaat dat erg snel: Brussel, Gent en Antwerpen hebben zich bevrijd uit de greep van hun oude stadswallen. De bevolking en de nijverheid zwermen uit en veranderen oude dorpen in voorsteden. Maar de symbiose van de steden en hun ommelanden dateert al van veel, veel vroeger.

Het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant zijn, samen met Noord-Italië, vanaf de late middeleeuwen de dichtstbevolkte, meest verstedelijkte gebieden van Europa. De Vlaamse steden danken hun groei en hun macht vooral aan de lakenindustrie. Ook in Brabant worden lakens geweven, maar hier draagt het drukke handelsverkeer tussen Keulen en Brugge vanouds bij tot de economische bloei van een heleboel plaatsen.

De bevolking van de steden moet eten. Dat heeft zijn weerslag op het platteland, waar de boeren hun productie aanpassen en opdrijven om te voldoen aan de vraag. Tegelijk jaagt de strenge reglementering van de arbeid en de productie door de gilden de kosten omhoog en wijken sommige stedelijke nijverheden uit naar dorpen en kleine steden waar de arbeid veel goedkoper is.

Potagie

In dunbevolkte streken eet men vooral brood, vlees en zuivel. Maar waar veel mensen op een kleine oppervlakte wonen, vormen groenten een belangrijk deel van het dieet. Men eet ze in de vorm van potagie, een dikke soep met gehakte groenten of een soort stamppot van rapen, wortelen of kolen met bonen en erwten.

aardappelClusius
Aardappelplant (a).

Zo ontstaat in de buurt van vele steden een bloeiende tuinbouw. Aanvankelijk zijn het inwoners van de stad zelf, die binnen de muren groenten kweken. In Brussel gebeurt dat in de 14de eeuw tussen het stadscentrum, de Schaarbeekse poort en de plaats van het huidige Noordstation. Maar weldra neemt de aanleg van straten en de huizenbouw zo’n vlucht dat de stedelijke ‘hoveniers’ in de verdrukking komen. De Brusselaars betrekken hun groenten voortaan uit Molenbeek, Anderlecht, Sint-Gillis en Schaarbeek. In de loop van de 18de eeuw  leggen tuinbouwers in verderaf gelegen plaatsen als Dilbek, Zellik en Sint-Agatha-Berchem zich toe op de productie van groenten.

Ook rondom Leuven en Mechelen worden veel groenten geteeld. De Brabantse groentetelers bewerken goede grond en bouwen een grote expertise op. Even na het midden van de 16de eeuw schrijft de Italiaan Guiccardini, die in Antwerpen woont, dat de groenten daar lekkerder zijn dan in zijn vaderland en twee eeuwen later vindt de Franse schrijver Dérival de Gomicourt ze beter dan wat in de buurt van Parijs wordt gekweekt.

Aardappel

In het begin van de 16de eeuw vinden de Brusselaars op hun  groentemarkt ‘allerhande grunder pottaigien’, waaronder ‘rapen, peterselie, wortelen, ayuyn’. Weldra zorgen de Brabantse hoveniers voor de introductie van de spruiten (vandaag heten ze in het Engels nog altijd ‘Brussels sprouts’) die zeker in de 18de eeuw courant voorkomen en van het witloof dat vermeld wordt in publicaties van het eind van de 17de eeuw.

Al in de jaren 1400 brengt men groenten van Vlaamse en Hollandse tuinders naar Engeland, waar ze op tafel verschijnen bij de adel en de rijkste kooplieden. Koningin Catharina, de eerste vrouw van Hendrik VIII, laat haar groenten uit Vlaanderen komen. Het zijn ook Vlamingen die in Engeland uien, bloemkool, rapen, wortelen en pastinaak introduceren.

Clusiaus
Carolus Clusius (a).

Tuinders die hun waar aan de man brengen in de stad staan afgebeeld op schilderijen van meesters als Pieter Aertsen, Joachim Beuckelaer, Sebastiaan Vrancx en vele anderen. Alle latente (moraliserende en/of erotische) betekenissen men ook aan deze taferelen wil geven, ze bewijzen dat groenten, net zoals vlees, vis en andere voedingsmiddelen én hun verkopers in de ogen van schilders uit de stad en hun publiek belangrijk en ‘schilderachtig’ worden gevonden.

Potagie van groenten vormt, zoals gezegd, een belangrijk onderdeel van de voeding van de kleine man. Vanaf de 18de eeuw vervangt men de rapen in de potagie geleidelijk aan door aardappelen. De introductie van die ‘nieuwe’ Amerikaanse groente is op haar beurt te danken aan tuinders die er al vroeg het belang van inzien.

Stalmest

Ze maken er kennis mee via het werk van de botanicus Clusius die in zijn Rariorum Plantorum Historia vertelt hoe hij in 1588 in Wenen taratouffli (in het Duits worden dat Kartoffeln) krijgt die afkomstig zijn uit Italië waar men ‘de knol verorbert […] gekookt met varkensvlees, gelijk vroeger de raap en de pastinaak en dat zij er zelfs gekweekt wordt om zwijnen te mesten’.

Belangrijker nog is dat de Engelse kartuizermonnik Robert Clark in 1620 aardappels naar Vlaanderen brengt. Voorlopig blijft de patat een curiosum in de tuinen enkele liefhebbers, maar in 1702 deelt de Brugse hovenier Antoon Verhulst plantgoed uit aan alle belangstellenden. Nadat de tuinders de aardappel geïntroduceerd hebben op groentemarkt in de steden, krijgen ook de boeren er oog voor en neemt de teelt grote uitbreiding. In 1740, na een strenge winter die de graanoogst doet mislukken, helpt de aardappel in Vlaanderen de ergste hongersnood voorkomen.

DTR114681
Pieter Breugel de Oude, “De Bruiloftsdans”.

Het belangrijkste onderdeel van de dagelijkse voeding van het merendeel van de bevolking blijft natuurlijk brood. Daarom teelt men in de Zuidelijke Nederlanden waar mogelijk graan – zelfs op zandgrond. Dat kan dankzij intense bemesting, waarvoor men niet alleen stalmest gebruikt, maar vanaf de late middeleeuwen ook ‘stadsbeer’ en huishoudelijk afval uit de steden.

De boeren van het omliggende platteland komen de stedelijke beerputten leegscheppen en voeren de kostbare vracht naar hun akkers. Dat gebeurt vaak per schip – daarom zijn er langs de Schelde tussen Sint-Amands en Baasrode gemetselde putten waarin het goedje in afwachting van transport naar de dorpen in het westen van Brabant wordt opgeslagen.

Stadsmest wordt ook vanuit het buitenland ingevoerd. In Vlaanderen komen in 1805 zo’n driehonderd schepen met mest uit Frankrijk en Nederland binnen, respectievelijk via Rijsel en Sas-van-Gent. Geen wonder dus dat de Antwerpenaren een nabijgelegen dorp met een rijmpje omschrijven als ‘Hoboken, waar de boeren stront koken’.

Jenever

Een andere bron van mest is, hoe vreemd dat ook mag lijken, de jeneverstokerij. In de 17de eeuw groeit het stoken van jenever uit graan tot een heuse nijverheid. Omdat ze bang is dat dit de voedselvoorziening in gevaar kan brengen, probeert de overheid een en ander te verbieden, maar dat lukt niet. In 1671 gooit ze die politiek overboord. In de 18de eeuw groeit het aantal stokerijen in de steden, maar ook (en vooral) op het platteland. Met de draf en de spoeling kan de stoker een fraaie stal vee vetmesten en dat vee produceert mest van goede kwaliteit. De streek ten zuiden van Gent dankt haar vruchtbaarheid grotendeels aan de stokerijen in Deinze, Petegem en andere plaatsen. In de Franse tijd zijn er in het Departement van de Schelde (Oost-Vlaanderen) zo’n 250 stokerijen die jaarlijks vijftienhonderd hectaren landbouwgrond van mest voorzien.

11837-view-of-kiel-jacob-grimmer
Abel Grimmer, “Het Kiel” (a).

De tuiniersbedrijven met hun specifieke uitzicht bepalen mee het karakter van het platteland in de omgeving van de grote steden. Maar in de dorpen om de stad kweekt men niet alleen groenten. Vlak buiten de wallen, langs de drukke verkeerweg die Antwerpen verbindt met zijn oostelijke hinterland, groeit het dorp Borgerhout al vroeg uit tot een heuse voorstad.

Er zijn tal van slagers en brouwers gevestigd, die ontsnappen aan de reglementeringen van de stedelijke gilden én aan de stedelijke accijnzen. Geen wonder dat de Turnhoutsebaan in Borgerhout aan beide zijden bebouwd is met panden met trapgevels, net als een straat in de stad. Van die trapgevels blijft er vandaag welgeteld één over, maar op foto’s van het eind van de 19de eeuw ziet men er nog verscheidene.

Ook in andere dorpen in de nabijheid van de stad doen zich gelijkaardige ontwikkelingen voor. Blijkbaar gaan zoveel stedelingen zich er bevoorraden en/of bezatten dat de stad heel wat onrechtstreekse belastingen misloopt. Dat is zeker een van de belangrijkste motieven waarom Antwerpen al in het begin van de 16de eeuw probeert om bepaalde heerlijkheden in handen te krijgen.

Abuz et malefices

Dorpen als Deurne (waar Borgerhout dan nog deel van uitmaakt), Berchem en Wilrijk hebben geen lokale heer; ze behoren tot het persoonlijke bezit van de vorst. Maar wanneer die in ernstige geldnood verkeert, werpt de stad Antwerpen zich op als kandidaat-koper.

Burgemeesters en schepenen betogen dat er veel stedelingen gaan ‘drinken’ en dat misdadigers er vrij spel hebben; wanneer de stad het er voor het zeggen krijgt, kan zijn een einde maken aan al die ‘exces, abuz et malefices’ (in de 16de eeuw correspondeert het stadsbestuur met het hof in het Frans, de diplomatieke taal van die tijd).

TuindersbedrijfIn 1509 wordt Antwerpen de ‘heer’ van de drie dorpen en mag het er de schout en de schepenen aanstellen. Een halve eeuw later komt de stad ook in het bezit van de polderdorpen Oorderen, Oosterweel en Wilmarsdonk.

Niet alleen de lage prijzen lokken de inwoners van de grote steden naar buiten; de talrijke dorpskermissen spelen ook een rol. We kennen ze van de schilderijen van Pieter Breugel de Oude en vele andere, vaak kleinere meesters, die niet alleen het boerenleven afbeelden, maar ook de interactie met de stad.

De kermis van het dan nog groene Hoboken is zo populair en wordt blijkbaar zo vaak afgebeeld, dat in 17de-eeuwe inventarissen van kunstcollecties de term ‘een Hoboken’ een idee moet geven van de thematiek van een schilderij. Bruegel is een van de eersten om de Hobokense kermis te tekenen; Frans Hogenberg snijdt er een prent naar. Bekend is ook de ‘Hoboecken dans’ die wordt uitgegeven door muziekdrukker Tielman Susato.

Allerlei slach van lieden 

De landschapschilder Jacob Grimmer, geboren omstreeks 1526, ‘dede veel ghesichten van landtschappen nae ’t leven, omtrent Antwerpen en elders,’ vertelt Carel van Mander in zijn Schilder-Boeck. Over Grimmers schilderij Het Kiel (Antwerpen, KMSK) schrijft de kunsthistoricus F. Jos Van den Branden eind 19de eeuw:

‘Het verbeeldt het Kiel, een voorgeborcht van Antwerpen, met zijne weiden en hoveniershoven. […] Heel die schilderachtige landstreek, met haar malsch groen en lommerrijke boomen, heeft den breeden, gebogen Scheldestroom, […] voor achtergrond, en rechts in het verschiet, verheffen zich […] de torens en gevels der stad. […] Op de gansche uitgestrektheid van het voorplan loopt de heerbaan. Daarover trekken een drietal huifkarren met vroolijke gasten en een paar ruiters naar de stad, en tusschenin ontwaart men dansende en vechtende boeren, benevens allerlei slach van lieden, die er zeer opgeruimd en geestig uitzien.’

PieterVanderHeydenDe voorstelling is eigenlijk een gezicht op de Lage Weg – eertijds de drukke verbindingsweg tussen de Kronenburgpoort en Hoboken – ter hoogte van het buitengoed Schottshof. Ze geeft een goed idee van een hof van plaisantie in de tweede helft van de eeuw. Van de passagiers van de wagens en de voetgangers neemt men aan dat het stedelingen zijn die terugkeren van de Hobokense kermis.

In Antwerpen breekt het fenomeen van de ‘villa rustica’ door in het tweede kwart van de 16de eeuw. In een straal van 20 km om de stad komen tussen 1540 en 1600 minstens 240 buitenverblijven van min of meer gefortuneerde burgers. Ook zij drukken hun stempel op het uitzicht van de dorpen. Vaak begint het met een boerderij waar de nieuwe bezitter een of enkele kamers inricht als buitenverblijf.

Weldra wil men meer en beter en wordt een fraai huis gebouwd. Dat vertoont aanvankelijk nog de karakteristieken van een stedelijke woning: opgetrokken in baksteen met ‘speklagen’ in natuursteen en met trapgevels.

Pieter Bruegel

De landbouwuitbating blijft bestaan: zij levert de eigenaar groenten en fruit voor eigen consumptie; soms zijn er overschotten voor de verkoop. Vaak scheidt men het eigenlijke ‘hof van playsantie’ of ‘speelhof’ door grachten en hagen van zijn omgeving. Naar de toegangspoort leidt een fraaie dreef. Rondom het huis wordt een formele Franse tuin met wandelpaden en perkjes aangelegd. Daartussen komen beelden te staan. Boomgaarden zijn ook erg in trek.

Ook aan het interieur besteedt men veel aandacht. Muntmeester Nicholaas Jonghelinck draagt de schilder Frans Floris op een kamer van zijn hof te versieren met wandschilderingen over het leven van Hercules en een andere met de allegorische voorstelling van de Zeven Vrije Kunsten.

‘Alle dese dinghen waren seer heerlijck gheschildert, uytnemende van studie, naeckten en aerdigh van lakenen en ordinantien,’ noteert Van Mander. Daarnaast bezit Jonghelinck nog ander werk van de schilder – en zestien (!) schilderijen van Pieter Bruegel de Oude.

1567_Aertsen_Marktfrau_am_Gemuesestand_anagoria
Pieter Aertsen, Groentenverkoopster (a).

In het goed Zurenborg van burgemeester Michel van der Heyden hangen talrijke schilderijen, waaronder een werk van Quinten Metsys, twee van Jeroen Bosch en een hele reeks familieportretten. Vermeld worden ook een schilderij met Venus en Cupido, een olieverfschilderij met personages en een hof van playsantie in een landschap. Voorts zijn er wandtapijten met jachttaferelen, bloemen en bomen.

Op het eind van de 16de en in de eerste helft van de 17de eeuw verstoort de oorlog de relatie tussen de Scheldestad en het omringende platteland. Maar na de Vrede van Munster in 1648 knoopt men weer aan bij het verleden. De grote commerciële bloei van de stad is voorbij, maar speelhoven worden heropgebouwd en opnieuw trekt het volk op zon- en feestdagen naar de plattelandskroeg.

Laken

Ook om de andere grote steden – Brussel, Gent, Brugge – ligt intussen een gordel riante van buitenverblijven. De evolutie van de architectuur – van ‘Vlaamse renaissance’ over rococo en neoclassicisme – illustreert de toenemende segregatie tussen rijk en arm (ook in de steden zonderen de hogere klassen zich steeds meer af).

In Laken bouwen de landvoogden Marie-Christine en Albert van Saksen-Teschen die de Zuidelijke Nederlanden besturen voor de Oostenrijkse keizer Jozef II tussen 1782 en 1784 het kasteel Schoonenberg, later het woonpaleis van de Belgische koningen. Vlakbij trekt de bankier Edouard Walckiers vier jaar later het moderne buitengoed Belvédère op.

Grote fabrieken komen er pas in de tweede helft van de 19de eeuw op het platteland om de steden. Maar een toch wel grootschalige ‘ambachtelijke’ industrie als de steenbakkerij in de Rupelstreek, die vanaf de late middeleeuwen dateert, is ondenkbaar zonder de nabijheid van Brussel, Antwerpen en Mechelen. In 1753 krijgt de firma Beerenbroeck & Cie een octrooi om buiten de Antwerpse stadsmuren, in het gehucht Dambrugge, een katoendrukkerij te bouwen, waar men met houtblokken op katoen motieven drukt. Anno 1769 werken er 576 arbeiders.

Al veel langer zijn er stedelingen die hun economische activiteit – of een deel ervan – uitoefenen in de groene omgeving. In Hoboken huurt de schilder van havens en zeegezichten (!) Bonaventura Peeters omstreeks het midden van de 17de eeuw een klein buiten om er te wonen en te werken.

In 1734 koopt de bekende architect Jan-Peter van Baurscheit de Jonge een buitenplaats aan de Schelde in hetzelfde Hoboken. Hij slaat er bouwmaterialen op die per boot van elders worden aangevoerd en stelt er steenkappers tewerk. In Borgerhout is dan weer het atelier van de Italiaanse ‘mouleur’ Giovanni Derchi gevestigd die overal in Europa gipsen kopieën van klassieke beelden vervaardigt.

Kanunnik

Het contact tussen de steden en hun ommeland vaart wel bij de aanleg van de eerste steenwegen. Tot dan toe zijn zelfs de belangrijkste verkeersaders onverhard en moeilijk berijdbaar. Het Oostenrijkse bewind probeert daar verandering in te brengen. Hoewel de werken vaak voortijdig stranden door allerlei financiële en juridische hindernissen, leiden korte stukken steenweg in de stadsbuitenijen toch tot een merkelijke verbetering van de toestand en krijgen sommige dorpen een uitgesproken ‘voorstedelijk’ karakter.

Eten en drinken in herbergen vlak buiten de stadsmuren blijft tot na de Eerste Wereldoorlog een vast onderdeel van de vrijetijdsbesteding van de kleine burgerij. Dat ook ‘hoge heren’ graag op de buiten de bloemetjes buitenzetten, leren we uit een brief die de Engelse excentriekeling en schrijver William Beckford in 1780 schrijft. Antwerpen is een van de eerste etappes op zijn ‘grand tour’ naar Italië. Hij bezoekt de vermaarde kunstverzameling van kanunnik Knyff van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Beckford schrijft over Knyff:

WilliamBeckford
William Beckford (a).

‘Naar mijn bescheiden mening maakte de Eerwaarde een wat verwarde indruk en waarachtig, de beschrijving die ik naderhand hoorde van zijn levensstijl, bevestigde in niet geringe mate mijn gissingen. Deze eerbiedwaardige dignitaris geniet, met zijn privé-inkomen en de goede dingen der kerk, een vijfduizend pond sterling aan inkomsten, die hij weet te spenderen aan de geneugten van de tafel en het bevorderen van de schilderkunst. Zijn personeel is hem misschien wel behulpzaam bij het opmaken van zo’n ruim inkomen, aangezien de kanunnik met hen allemaal op zeer vertrouwelijke voet omgaat. Om vier uur ’s middags vergezelt een select gezelschap hem in zijn rijtuig naar een bierhuis, ongeveer een mijl buiten de stad, waar hen een tafel, rijkelijk voorzien van pullen bier en fraaie kazen, wacht. Na deze eenvoudige kost brengt dezelfde equipage hen terug, naar wat we ervan horen veel sneller dan ze gekomen zijn – wat men zich wel voor kan stellen, want de koetsier is een van de geestigsten van het gezelschap’ (vertaling Gerlof Janzen).

Kunsthistorici zeggen vaak dat de stedelingen in het Ancien Régime neerkijken op de boeren en dat kunstenaars hen vaak afbeelden om aan hun stedelijke publiek te tonen hoe ‘boers’ ze zijn. Het antagonisme tussen de ambachtslui uit de stad en de goedkopere arbeiders op het platteland is reëel. Maar stad en platteland kennen elkaar goed en hebben elkaar broodnodig.

 Verschenen in “Eos Memo” nr. 13.

 

 

[Geschiedenis] Joseph Lies reist naar het Eeuwige Oosten. De eerste burgerlijke begrafenis in Antwerpen (1865).

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Jaak De Braekeleer, grafmonument van Jozef Lies (foto Jan Lampo).

Omstreeks het midden van de 19de eeuw blijven steeds meer Belgen weg uit de kerk. Boeken en tijdschriften verspreiden wetenschappelijke inzichten die het katholieke wereldbeeld op de helling zetten. Progressieve liberalen willen de politieke macht van de kerk aan banden leggen. De prille arbeidersbeweging is zich bewust van de onzalige band tussen kerk en kapitaal.

Naarmate hun zelfvertrouwen groeit, proberen de vrijdenkers hun opvattingen zichtbaar maken, ook na hun dood. Ze kiezen voor een burgerlijke uitvaart.

Daarbij krijgen ze de steun van talrijke vrijdenkersverenigingen en loges. Maar de kerk, die de facto de baas is op de begraafplaatsen, gaat in het verweer. Zelfs in het katholieke Vlaanderen komt het in de staden tot een felle pennenstrijd en af en toe zelfs fysieke incidenten.

In mei 1866 overlijdt in zijn huis op de hoek van de Kammenstraat en de Steenhouwersvest in Antwerpen de 41-jarige boekhandelaar en uitgever Herleyn.

Herleyn staat bekend als uitgever van herdrukken van oude volksboeken. Maar onder de titel Traité scientifique et philosophique de la doctrine spirite heeft hij in 1864 ook een lijvig werk uitgebracht over het spiritisme. Sinds dat eind jaren 1840 is komen overwaaien uit de Verenigde Staten, zijn seances over in Europa aan de orde van de dag.

Vrije gedachte

In Antwerpen bestaan verschillende spiritistische groepen. Toneelschrijver (en later adjunct-stadsarchivaris) F. Jos Van den Branden steekt in 1864 de draak met het verschijnsel in zijn komische eenakter ‘met zang’ Spiritisme, die wordt opgevoerd door het Nationaal Tooneel.

Herleyn is lid van de vrijdenkersvereniging La libre Pensée. Op zijn sterfbed weigert hij de priester te ontvangen die hem de laatste sacramenten komt brengen. Hij eist een burgerlijke begrafenis, daarin gesteund door zijn weduwe en familie.

In de ogen van de pastoor van de Sint-Andrieskerk en van de diepgelovige bevolking is het hek van de dam. Herleyn is immers al de tweede Antwerpenaar die een uitvaart zonder kerkdienst vraagt.

Twee dagen lang komt het gepeupel – in die tijd gebruikt men de schilderachtige term ‘gepuffel’ – het sterfhuis met modder en stenen bekogelen. Tijdens de uitvaart zelf moeten politie en rijkswacht de lijkkist met bajonet en getrokken sabel tegen de tierende menigte beschermen.

Weg naar de hel

JosephLies
Joseph Lies (foto Letterenhuis).

Herleyns voorganger op weg naar de hel is niemand minder dan de bekende kunstschilder Joseph Lies, die een jaar tevoren is gestorven. Wat Herleyn precies denkt over politiek en godsdienst zal altijd een raadsel blijven, maar van Lies weten we dat hij vrijmetselaar is en zijn radicale keuze grondig heeft overdacht.

Joseph Lies wordt in 1821 in Antwerpen geboren als zoon van een hoefsmid en handelaar in ijzerwaren. Na diens vroegtijdige dood heeft zijn weduwe het moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Toch geeft ze haar kinderen een goede opvoeding. Lies houdt aan zijn schooltijd een uitstekende kennis van het Frans over. Zoals veel mensen uit de (lagere) middenklasse in het Vlaanderen van die tijd zal hij die taal

Vanaf 1834 studeert Joseph aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Die wordt geleid door de classicistische schilder Mathieu Ignace van Brée (1773-1839). Maar veel leerlingen dwepen met de romantisch ingestelde “eerste leraar” Gustaf Wappers (1803-1874).

Wappers, die eigenlijk op zijn Frans “Gustave” heet, geniet de steun van de Belgische regering en van koning Leopold I. Hij heeft zopas in opdracht van de staat zijn Tafereel van de Septemberdagen van 1830 op de Grote Markt te Brussel geschilderd.

Wappers beschouwt zichzelf als de coming man van de schilderkunst in het jonge koninkrijk en wil Van Brée opvolgen zodra die het loodje legt. Hij doet daarom alles om een zo breed mogelijke machtsbasis uit te bouwen, o.m. door de veelbelovende jonge schrijver Hendrik Conscience (1812-1883) onder zijn vleugels te nemen.

 Weggestuurd

Wappers’ enige artistieke rivaal, de talentrijke Niçaise De Keyser (1813-1887), doceert eveneens aan de Academie. Net als Wappers huurt hij een atelier in het 16de-eeuwse Vleeshuis. Daar borstelt De Keyser De Slag der Gulden Sporen. Het grote doek inspireert Conscience mee tot zijn historische roman De Leeuw van Vlaanderen (1838). Van openlijke vijandschap tussen Wappers en De Keyser is echter geen sprake.

De Dritte im Bunde van de romantische schilderkunst in Antwerpen is Henri Leys (1815-1869). Hij verblijft voorlopig  nog in Parijs. Hoewel de bekende genreschilder en academieleraar Ferdinand De Braekeleer (1792-1883) zijn oom is, heeft Van Brée Leys weggestuurd van de Academie.

Ambtswoning 004
Mathieu-Ignace Van Brée (foto Jan Lampo).

De overlevering wil dat de leerling-kunstenaar tijdens een uiteenzetting van Van Brée over de drapage van toga en peplum bij klassieke personages een grap maakt over de ouderwetse kniebroek van de directeur.

Van Brée kan daar niet mee lachen, maar het jonge heethoofd weigert zich te verontschuldigen. Daarop zet de directeur hem aan de deur. Leys zal nooit naar de Academie terugkeren, ook niet als leraar.

Na zijn studies aan de Academie moet Lies deelnemen aan de loting die bepaalt wie wel en wie niet legerdienst moet verrichten. Hij trekt een slecht nummer. Geld om een vervanger in te huren heeft hij niet.

De jonge schilder wordt gekazerneerd in Luik. Daar ontdekken zijn superieuren zijn talent. Een kolonel laat hem teken- en schilderles aan zijn dochter geven – een wending die doet denken aan een roman van Conscience.

Lies correspondeert druk met zijn vrienden, de leden van de Franstalige kunstenaarskring La Fleur de Lys (De Lelie) die vergadert in een lokaal aan de Kammenstraat.

De brieven van de schilder bewijzen dat de jonge Vlaamsgezinden uit de kring van Wappers en Conscience niet de enige romantici in Antwerpen zijn.

‘Veelzijdig ontwikkelden geest’

‘Lies,’ schrijft de criticus Max Rooses (1839-1914) na de dood van de kunstenaar, ‘bezat eenen helderen, veelzijdig ontwikkelden geest, een edel karakter; studie over het algemeen, en wijsbegeerte in het bijzonder trokken hem aan; hij schreef daarbij eenen gelouterden sierlijken stijl en was immer bereid zich ten dienste te stellen van wien het verlangde, wanneer het een openbaar belang gold.’

F.JosVandenBranden
Toneelschrijver, archivaris en kunsthistoricus F. Jos Van den Branden (foto Letterenhuis).

Na zijn terugkeer in Antwerpen bouwt de kunstenaar een succesvolle carière uit. In een gelikte en bevallige stijl borstelt hij genretafereeltjes die erg in trek komen bij de verzamelaars. Voor het “grote” historische genre dat opgeld maakt in de Belgische schilderkunst koestert hij weinig belangstelling.

Lies beweegt zich in de kring van Henri Leys, die zich na zijn terugkeer uit Parijs ontworstelt aan de invloed van Delacroix en op zoek gaat naar een alternatief voor de bombast van Wappers en Co. Net zoals de Engelse prerafaëlieten negeert Leys de invloed van het maniërisme en de barok. Hij pakt zijn tamelijk alledaagse onderwerpen uit de geschiedenis aan in een stijl die schatplichtig is aan de meesters van de 16de eeuw – en ten dele aan het realisme dat vanuit Parijs aarzelend doordringt in België. Ook de fotografie beïnvloedt hem.

Op termijn oefent Leys meer invloed uit op de volgende generatie schilders dan Wappers of De Keyser. Tot de jongeren die zijn atelier frequenteren, behoren naast mindere goden sterke artistieke persoonlijkheden zoals de Fries Laurens Alma-Tadema (1836-1912) en Leys’ eigen neef Henri De Braekeleer (1840-1888). Beiden verwerken de lessen van de meester op hun eigen, hoogst originele manier.

Ondanks hun vertrouwelijke omgang – Lies schildert een portret van Leys’ dochtertje en vestigt zich in dezelfde straat als de meester – wordt hij geen navolger; hij blijft zijn eigen werkwijze trouw. Maar het is wel zo dat hij onder invloed van Leys vaker historische onderwerpen gaat schilderen.

Loge

In 1842 wordt Lies ingewijd bij de loge La Persévérance (De Volharding). Hij is een van de vele kunstenaars die rond deze tijd lid vrijmetselaar worden. In de tempel aan de Kipdorpvest ontmoet hij o.a. de graveur Henry Brown (1816-1870), de drukker en fotografiepionier Joseph Ernest Buschmann (1814-1853) en de schilders Ernest Slingeneyer (1820-1894) en Emmanuel Noterman (1808-1863).

Buschmann door Hamman
Dichter, drukker en fotograaf:Joseph Ernest Buschmann. Schilderij van Haman (foto Letterenhuis).

Vijf jaar later, in 1847, treedt de vooruitstrevende radicaal Emile Grisar (1821-1882) aan als achtbare meester van La Persévérance. Hij pleit voor sociale hervormingen en maakt geen geheim van zijn republikeinse sympathieën. Hij prijst de revolutie die in juli 1848 in Parijs een eind maakt aan de regering van koning Louis-Philippe.

Emile Grisar stamt uit een voorname koopliedenfamilie van Duitse afkomst. Toch is zijn beroemdste verwant de operacomponist Albert Grisar (1808-1869) die een succesrijke carrière uitbouwt in Parijs. De politieke opvattingen van Emile Grisar jagen nogal wat behoudsgezinde broeders op de kast. Zij lopen over naar de concurrerende loge Les Amis du Commerce. Hierdoor komt La Persévérance in financiële moeilijkheden.

Dat het Antwerpse maçonnieke milieu niet rijp is voor zijn radicale ideeën draagt allicht bij tot Grisars beslissing om uit te wijken naar Chili, waar hij in Valparaiso de leiding van de firma De Broom, Grisar & Vigneaux op zich neemt. Nog later vestigt hij zich als scheepsmakelaar in San Francisco in de Verenigde Staten.

Discussie

Zijn vertrek breekt het ‘linkse’ elan van La Persévérance. Hoewel academieleraar Louis De Taeye nog de gelegenheid krijgt om in een ‘bouwstuk’ te zeggen dat de vrijmetselarij gestalte moet geven aan ‘het socialisme in zijn vredelievende en beschavende vorm’ – een voor die tijd bijzonder gedurfde uitspraak! – gooit het logebestuur het roer om. Het komt zelfs tot een fusie met Les Amis du Commerce.

Het samengaan van beide loges is een verstandshuwelijk, geen verbintenis uit liefde, maar het zorgt voor een hergroepering van de gematigde progressieve krachten in de stad. Via broeders- politici zal de nieuwe loge de komende decennia bijdragen tot de uitbouw van stedelijke sociale- en onderwijsvoorzieningen.

DeKeyser
Niçaise De Keyser (foto Letterenhuis).

Als vriend van Henri Leys raakt Lies betrokken bij de felle discussie over de hervorming van de Academie. Zij verdeelt de Antwerpse kunstwereld na het ontslag van directeur Gustaf Wappers. Wappers heeft ruzie met zijn Franskiljonse liberale vrienden omdat hij in 1851 steun verleent aan Conscience wanneer die als Vlaamsgezind kandidaat opkomt bij de gemeenteraadsverkiezingen.

Bovendien verzet hij zich tegen de plannen van zijn beschermheer, de liberale minister Charles Rogier, om de Prijs van Rome van Antwerpen naar Brussel over te brengen. De Prijs van Rome is een belangrijke wedstrijd waaraan sinds 1817 beurtelings de talentrijkste jonge schilders, beeldhouwers en graveurs deelnemen. De winnaar krijgt een studiebeurs om naar Italië te reizen. 

Wappers’ tegenstanders ontketenen een perscampagne. Ze verwijten de directeur administratief wanbeleid en benadrukken dat het onderwijs aan de Academie eigenlijk niet volstaat om volleerde kunstenaars af te leveren. Uiteindelijk gooit Wappers in 1852 de handdoek in de ring en wijkt uit naar Parijs.

In het jaar van Wappers’ ontslag is een aantal schilders – onder hen Leys en Lies – lid geworden van de nieuwe Cercle Artistique, Litéraire et Scientifique d’Anvers, een overwegend Franstalig gezelschap van intellectuelen en kunstenaars onder voorzitterschap van de populaire liberale burgemeester Loos.

De Cercle bepleit een diepgaande hervorming van de Academie. Hij wil het herstel van het magistrale onderricht en de afschaffing van het directeurschap voor het leven. Het zakelijk en het artistiek bestuur van de school moeten gescheiden worden.

Volgens sommigen is niemand anders dan Joseph Lies de auteur van het voorstel van de Cercle. Leys, die sinds enige tijd in de gemeenteraad zetelt, verdedigt het met vuur bij zijn collega’s. Maar de overheid heeft er geen oren naar.

Weldra wordt Niçaise De Keyser de nieuwe directeur van de Academie. De Keyser is al lang geen flamboyante romanticus meer, maar een gematigde figuur van veeleer katholieke signatuur; hij koestert weinig of geen sympathie voor de Vlaamse Beweging. Een ‘betrouwbare’ directeur, kortom. Onder zijn bewind wordt de Academie een stuk ‘Franstaliger’, maar leerstof en wijze van doceren blijven nagenoeg dezelfde als onder Wappers.

Tuberculose

In 1859 doen zich bij Lies de eerste symptomen van tuberculose voor. Zijn dokter raadt hem een reis naar Italië aan. Zo’n tocht biedt ook interessante artistieke perspectieven. De kunstenaar vertrekt. Aan zijn moeder en zijn familie stuurt hij brieven – de meeste in het Frans, maar sommige in onvervalst Antwerps. Dat laatste schrijft hij bijna fonetisch, wat duidelijk laat zien dat Lies nooit “beschaafd” Nederlands heeft geleerd. Aan zijn moeder meldt hij vol optimisme:

Kunstverbond
De feestzaal van de Cercle Artistique (foto Letterenhuis).

‘En zoo zal diën tyd al stillekens omgaen, eerweerdig mensch [Lies’ ironische aanspreektitel voor zijn moeder] zonder dat wy het zelf zullen weten en dan zullen we alweer koken eten spelen gelyk van veuren. T’ is t’hopen dat myn wielen en blaespypen dan weer heelegans goed zullen gesmeerd zijn en dan zulle we ons winkeltje weer openen en werken voor de kalanten. Ik moet regt uyt zeggen daerby, dat, als ik me wel examineer, dat mynnen blaesbalk [zijn longen] al veul gewonnen heeft. Als ik thuys zal komen zullen er agterlappen, halfzolen en huyfkens op staan, en zal weer zoo goed zyn als nief.’

Lies verblijft in Florence en in Venetië waar hij zich vergaapt aan het werk van de Italiaanse meesters. Met zijn gezondheid schijnt het in het warme en droge klimaat inderdaad heel wat beter te gaan. Eind juni 1860 is hij terug in Antwerpen. Hij gaat weer volop aan het werk. Maar echt genezen is hij niet.

Intussen raakt zijn vaderstad steeds meer in de greep van de ‘Antwerpse kwestie’. De regering wil de stad versterken met een gordel van forten zodat ze bij een Franse invasie – en in afwachting van Engelse hulp – kan dienen als toevluchtsoord voor de koning, de ministers en het leger.

De Antwerpenaars zijn daar volstrekt niet voor te vinden. Ze vrezen niet alleen de verwoesting hun stad door het oorlogsgeweld. De bouw van de forten dreigt de uitbreiding van de haven te verhinderen. Grond- en huiseigenaars uit de voorsteden zijn dan weer niet te spreken over het feit dat ze voortaan alleen houten gebouwen mogen optrekken. Ze vrezen ook de vele onteigeningen die eraan dreigen te komen.

Meeting

Er komt een brede protestbeweging op gang die meetings organiseert waar duizenden boze Antwerpenaars lucht geven aan hun ergernis. Hieruit ontstaat de Meeting- of Antwerpse partij, een coalitie van radicale links-liberalen, flaminganten.

Henri-Leys--1815---1869
Henri Leys (foto Letterenhuis).

De regering houdt het been stijf en de werken beginnen in de lente van 1860. Dertienduizend arbeiders verdienen hun boterham bij de bouw van de verdedigingsgordel. Maar de Antwerpenaars halen hun gram, want de Meetingpartij wint in 1862 de gemeenteraadsverkiezingen en maakt een eind aan decennia van liberaal bewind. De ooit zo populaire burgemeester Loos heeft hun belangen niet hard genoeg verdedigd, vinden de stedelingen. De katholiek Joseph Cornelis Van Put (1811-) volgt hem op.

Is het toeval dat Joseph Lies in 1859 De rampen van de oorlog borstelt? Het mag dan wel om een middeleeuws tafereel gaan, de afschuw van de schilder voor het oorlogsgeweld is duidelijk.

Rond deze tijd ontstaan nog meer ernstige doeken met een onderliggende actuele boodschap. Albrecht Dürer de Rijn afvarend is een verheerlijking van de grote Duitse meester uit de 16de eeuw die in Antwerpen op bezoek komt. Maar Dürer hing de leer van Maarten Luther aan. En de Antwerpse liberalen vereenzelvigen zichzelf maar al te graag met de Hervorming.

Taferelen als Erasmus die de Lof der Zotheid schrijft en Erasmus en Holbein getuigen eveneens van sympathie voor de critici van de kerk. Het schilderij Een contrast van omstreeks 1862 oogt lieflijk, maar stelt een verveeld rijk liefdespaar tegenover een oprecht verliefd volks koppeltje.

Anno 1864, een jaar vòòr de dood van de schilder, stichten de Antwerpse vrijdenkers uit de burgerij hun eigen afdeling van La libre Pensée (De vrije Gedachte), een organisatie die is ontstaan in Brussel. Gangmaker in de Scheldestad is koopman Victor Lynen, de nieuwe achtbare meester van Les Amis du Commerce et la Persévérance réunis.

Het genootschap wil ‘het geweten van de mensen bevrijden doormiddel van onderwijs en burgerlijke begrafenissen’. La libre Pensée telt aanvakelijk zestig leden en betrekt een lokaal aan de Twaalfmaandenstraat.

In de stad bestaat trouwens al van in 1857 een afdeling van Les Solidaires of De Solidairen, een linkse arbeidersvereniging die eveneens de burgerlijke begrafenis voorstaat. Ook zij is de locale afdeling van een Brusselse vereniging, die zich op haar beurt heeft afgescheurd van de in 1854 opgerichte L’Affranchissement (‘Bevrijding’).

Tuberculose – ‘tering’, zegt het volk – is in veel sentimentele romans uit de 19de eeuw de doodsoorzaak van de heldin. Maar het is ook een verschrikkelijke realiteit, en niet alleen voor vrouwen. Joseph Lies verzwakt, ’s avonds voelt hij zich koortsig, hij hoest en weldra geeft hij bloed op. Werken wordt onmogelijk. Maar de schilder heeft wel de tijd om zijn familie en vrienden op het hart te drukken dat hij geen ‘zwartrok’ aan zijn sterfbed wil en ook geen uitvaartmis.

Hondenhoek

Joseph Lies overlijdt op 3 januari 1865. Tal van mensen komen zijn opgebaarde lichaam groeten. ‘Onze stadgenoten, die Lies kenden van kindsbeen, waren, als een stroom die stil-ruischend zeewaarts spoedt, ten sterfhuize getogen,’ schrijft Edward Poffé in zijn Plezante Mannen in een plezante Stad, een destijds erg populaire kroniek van het leven in Antwerpen tussen 1830 en 1880. Maar burgemeester Van Put en de schepenen laten zich niet in het sterfhuis zien. Een notoir vrijmetselaar die bovendien een burgerlijke uitvaart wil, dat is voor hen een brug te ver.

EmileGrisar
Emile Grisar, de radicale achtbare meester van Les Amis du Commerce (a).

Lies’ vrienden stellen intussen alles in het werk om de uitvaartplechtigheid luister bij te zetten. Poffé noemt het een ‘wonder schouwspel, daar zoowel oude mannen als jonge vrouwen te zien weenen, toen de lijkkist werd buitengebracht, waarover een witzijden laken was gelegd, versierd met een lauwerkrans en het eereteeken van de Koningorde’. De schilders Leys, Joseph Van Lerius (1823-1876), Ignatius Van Regemorter (1785-1873) en François Lamorinière dragen een tip van het baarkleed. Van hen is alleen Lamorinière sinds 1863 lid van Les Amis du Commerce et la Persévérance réunis.

Hoewel de begraafplaatsen in België eigendom zijn van de gemeenten, zwaait de clerus er de plak. Ze zijn in hun geheel gewijd en de kerkfabrieken beschikken over de sleutels van de toegangspoort; ze beheren tevens het materiaal dat nodig is om graven te delven. Bisschoppen en pastoors vinden dat vrijdenkers onder geen beding in gewijde grond morgen worden begraven.

Daarom belanden ze in de ‘hondenhoek’ buiten de eigenlijke begraafplaats. Die vernedering valt, alle liberaal protest, ook Joseph Lies ten deel op het kerkhof Stuivenberg (vandaag Stuivenbergplein) in de 5de wijk, een voorstad buiten de stadswallen.

Gemeenteraadslid en dichter Jan Van Rijswijck (vader van de latere burgemeester en zelf lid van de Meeting) interpelleert het stadsbestuur.

De bevoegde schepen verschuilt zich echter achter een wet uit de Franse tijd – al bepaalt die slechts dat op een begraafplaats muurtjes, hagen of grachten de zones moeten scheiden waar mensen van een verschillend geloof worden begraven.

De manier waarop de kerk die wet interpreteert, betoogt Van Rijswijck, is in strijd met de Belgische Grondwet. Maar de schepen geeft geen krimp. Alsof dat niet erg genoeg was, treden oudere, meer behoudsgezinde liberalen het stadsbestuur bij.

Gemeenteraadslid D’Haene-Steenhuyse, nochtans zelf ook lid van de loge, vindt dat men er beter aan doet de Antwerpse belangen (i.v.m. de fortenbouw) te verdedigen dan ‘tweedracht te zaaien onder de bevolking’.

Lamorinière
Maçonniek overlijdensbericht van François Lamorinière (a).

Van Rijswijck laat het er niet bij. Hij organiseert een petitie die de afschaffing van de ‘hondenhoek’ vraagt en slaagt erin 124 handtekeningen van vooraanstaande Antwerpenaren te verzamelen. Het gemeentebestuur verklaart zichzelf echter onbevoegd om maatregelen te nemen.

Van alle ondertekenaars is de Friese schilder Laurens Alma-Tadema vandaag zeker het bekendst. Hij heeft aan de Antwerpse Academie bij logebroeder Louis De Taeye gestudeerd en werkt nadien samen met Leys. Tadema verhuist weldra naar Brussel en dan naar Londen. In de Britse hoofdstad bouwt hij een grote carrière uit als schilder van taferelen uit de klassieke oudheid.

De uitvaart van Lies is het begin van een hevige ‘begrafenisstrijd’ tussen katholieken en vrijzinnigen. De katholieke pers, Het Handelsblad voorop, bewerkt de gelovige bevolking. De vrijzinnigen zien het ledenaantal van La libre Pensée stijgen tot 124 en enkele maanden later zelfs tot 304.

Aan de Mattenstraat bij de Werf, in het oudste stuk van Antwerpen dat bij de rectificatie van de kaaien in 1880-1885 verdwijnt, sterft de bejaarde weduwe Adriaenssens. Zij krijgt op 4 mei 1866 een burgerlijke begrafenis die geregeld (en allicht ook bekostigd) wordt door La libre Pensée.

‘Daar, in het hartje van het Schipperskwartier,’ schrijft Edward Poffé, ‘namen de menschen tegenover het lijk en de nabestaanden der overledene eene schandige houding aan, waartegen geen enkel ooggetuige en ook geen enkel politie-man zich verzette. Nauwelijks was de familie in de rijtuigen gezeten, welke haar ter begraafplaats zouden voeren, of vrouwen en mannen uit den omtrek kwamen geloopen, spuwden in de koetsen […]’.

‘De schandaligste boeken’

Kort daarop volgt de uitvaart van Herleyn. Zoals gezegd, treedt de politie deze keer wel op – ze moet of de zaak loopt compleet uit de hand. Wanneer de oppositie burgemeester Van Put in de gemeenteraad op het matje roept over de schade die buren aan het huis van Herleyn hebben toegebracht, wijt hij alles aan de vervallen toestand van de woning.

Het Handelsblad voegt daaraan toe dat de menigte die de orde verstoorde minder verontwaardigd was over de burgerlijke uitvaart dan over het feit dat Herleyn bij leven ‘de schandaligste boeken verkocht, die er te vinden waren’.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Jaak De Braekeleer, grafmonument van Joseph Lies (foto Jan Lampo).

Intussen beslissen de leden van Les Amis du Commerce et la Persévérance hun overleden broeder Lies te eren met een indrukwekkende grafzerk. Om die te bekostigen, openen ze een publieke inschrijving. Eens te meer weigert het stadsbestuur zijn medewerking.

Toch slagen de broeders erin om voldoende fondsen bij elkaar te brengen. Het beeld voor Lies’ graf wordt gemaakt door broeder Jaak De Braekeleer, neef van schilders Ferdinand en Henri.

Artistiek is het monument niet bijzonder geslaagd, maar het is wel typisch voor zijn tijd.

Een halfnaakt meisje met in haar linkerhand een lauwerkrans treurt bij het borstbeeld van de schilder. Achter hem staat een vrouwenfiguur die de schilderkunst voorstelt (zij heeft penselen in haar hand) en met gestrekte arm ‘de weg’ wijst.

De inhuldiging van de zerk vindt plaats op 3 december 1866.

Victor Lynen zegt bij die gelegenheid: ‘Dit beeld is niet alleen opgericht ter herinnering aan een kunstenaar, maar ook aan een dappere die zijn overtuiging trouw wist te blijven tot in de dood.’

Ontgraving

Zoals te verwachten en te voorzien was, beschouwen ook de opposanten van de burgerlijke uitvaart het monument als een symbool. Het wordt herhaaldelijk het voorwerp van vandalenstreken. De Braekeleer ziet zich genoodzaakt zijn beeld te versterken met ijzeren staven. De loge richt een ad hoc commissie op om het graf te onderhouden en, zo nodig, te herstellen.

De Meetingpartij verliest de gemeenteraadsverkiezingen van 1872. Er komt opnieuw een liberaal stadsbestuur. Burgemeester Leopold de Wael vaardigt een gemeentelijk reglement uit dat een einde maakt aan de discriminatie van niet-kerkelijk begraven overledenen.

In heel België neemt het aantal burgerlijke uitvaarten toe. Na de begrafenis van een ongelovige in gewijde grond in Ukkel bij Brussel in 1869 wil de pastoor de kist weer laten opdelven. Dat leidt tot felle debatten in de Kamer.OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Toch duurt het nog tot 1891 vooraleer de aartsbisschop van Mechelen het principe aanvaardt dat voortaan elk graf afzonderlijk gewijd wordt – of niet.

Bij de ruiming van de begraafplaats Stuivenberg brengt men de stoffelijke resten van Joseph Lies in 1883 over naar het Kielkerkhof (thans Kielpark). Ook zijn zerk wordt verplaatst.

Bij de plechtigheid n.a.v. de dertigste verjaardag van Lies’ overlijden spreekt zijn collega en logebroeder François Lamorinière een rede uit. Na de Eerste Wereldoorlog tenslotte, brengt men de graven van Lies en andere prominenten over naar de nieuwe stedelijke begraafplaats Schoonselhof (perk Z 1, rij D).

Bibliografie

Poffé, Edward. Plezante Mannen in een plezante Stad. (Antwerpen tussen 1830 & ’80). Antwerpen, J-E. Buschmann, 1913.

Todts, H. ‘Een superromanticus: Joseph Lies,’ in Zaal 7, Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, jaargang 1 (2013), nr. 4, pp. 14-17.

Thys, K. Hiram aan de Schelde. 250 jaar Vrijmetselarij in Antwerpen. Antwerpen; Rotterdam, C. De Vries-Brouwers, 2006.

Zuttere, René De, Histoire de la Loge ‘Les Amis du Commerce et la Persévérance réunis’ au sein de la vie anversoise du XIXième siècle. Antwerpen, 2006.

[Geschiedenis] Trekschuiten op de Willebroekse vaart. Het oudste kanaal van Noord-Europa.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Klein-Willeberoek en het kanaal gezien vanop de noordelijke oever van de Rupel (foto Jan Lampo).

Het Zeekanaal Brussel-Schelde werd gegraven in de 16de eeuw en is een van de oudste van ons land. Dubbele sluizen, de eerste die men bouwde ten noorden van de Alpen, overwonnen een aanzienlijk hoogteverschil. De oprichting van een dienst die reizigers op geregelde tijdstippen per trekschuit van Brussel naar Klein-Willebroek bracht, was een wereldprimeur. Sindsdien speelde de vaart een grote rol in de economische ontwikkeling van het land. In de 18de eeuw leidde de trafiek op de vaart mee tot de aanleg van de eerste steenwegen; vanaf het midden van de 19de eeuw vestigden vele industrieën zich in de regio. Daarom is in feite het hele kanaal een belangrijk monument.

Even voorbij Mechelen, aan het Zennegat, stort de Zenne zich in de Dijle, die op haar beurt bij Rumst samenvloeit met de Nete. Zo ontstaat de Rupel. Twaalf kilometer verderop, tegenover Rupelmonde, mondt de Rupel uit in de Schelde. In de middeleeuwen voeren alle schepen die vanuit Brussel, Leuven of Zoutleeuw – verderop waren de Brabantse waterlopen niet bevaarbaar – naar de Schelde wilden, hier voorbij.

Zenne, Dijle, Nete en bijrivieren zoals de Demer en de Gete, waren gedeeltelijk aan de getijden onderhavig; ze waren bovendien ondiep. Ook hun talrijke meanders hinderden de scheepvaart. Zelfs in de beste omstandigheden had een boot enkele dagen nodig om vanuit Brussel de Rupel te bereiken.

Klein-Willebroek, gezien vanaf de sluis.
Klein-Willebroek (foto Jan Lampo).

Al in het begin van de 15de eeuw dachten vooruitziende lieden aan een kanaal dat de hoofdstad met de rivier verbond; de trafiek van en naar Antwerpen dat een steeds voornamere economische rol speelde, groeide. Niet alleen de stedelijk overheid van Brussel, maar ook de centrale overheid zag het niet daarvan in.

In 1477 gaf Maria van Boergondië aan Brussel de toelating voor de werken en in 1531 bevestigde keizer Karel V die nog eens; toch duurde het nog eens bijna twintig jaar voor de eerste spadesteek werd gegeven.

Het kanaal moest niet alleen 28 kilometer lang worden, men diende ook een hoogteverschil van 14 meter te overwinnen. Dat vroeg om de bouw van dubbele sluizen waarin schepen konden versassen. Zulke sluizen waren op punt gesteld in Italië.

Op 16 juni 1550 trok de magistraat van Brussel in vol ornaat naar Willebroek om er het startsein te geven. Drie maand later begon men in de hoofdstad zelf te graven. Het was een van de Brusselse burgemeesters, Jan van Locquenghien, heer van Koekelberg, die de werken leidde. Er kwam heel wat bij kijken, want behalve sluizen moest men ook dijken en bruggen bouwen.

Het kanaal in Klein Willebroek; gezien vanuit het noorden.
Klein-Willebroek, de oostelijke oever van het kanaal in de richting van Willebroek (foto Jan Lampo).

De onderneming kostte zo’n 800.000 gulden. Brussel sloot leningen af en hief nieuwe belastingen om de interest te betalen. Het werk verliep niet zonder problemen. In Klein-Willebroek, waar de vaart de Rupel bereikte, voorzag men aanvankelijk geen sluis. Twee hoge dijken moesten beletten dat het water dat vanuit de Rupel in het kanaal liep buiten zijn overs trad. De sluis van Tisselt, enkele kilometer verderop, zou het debiet regelen.

Maar toen men in 1554 de Rupeldijk in Klein-Willebroek doorstak, bleek de dijk langs het kanaal ter hoogte van datzelfde Tisselt niet sterk genoeg; hij brak en het dorp werd grotendeels vernield. De sluis was zo zwaar beschadigd dat men besloot er meteen een nieuwe te bouwen, deze keer met grondvesten op vaste bodem inplaats van op houten peilers.

Bruggen bouwde men in Laken en Vilvoorde, bij Verbrande Brug (Grimbergen) en in Humbeek, Kapelle-op-den-Bos en Willebroek. In Brussel rustte men de oevers van het kanaal uit met stenen kaaien voor het lossen en laden van schepen.

Klein-Willebroek, de brug en het Veerhuis.
Klein-Willebroek, de ophaalbrug (foto Jan Lampo).

De vaart was klaar in 1561. In de hoofdstad hild met schitterende feesten. Van koning Filips II mocht Brussel “ten gerieve van den gemeynen cooplieden ende andere ingesetenen onser landen van herweerts overe” en met “sekere menighte van schuyten ende schepen” geregeld passagiersvervoer organiseren – een wereldprimeur.

Dagelijks trokken paarden de grote, platte schuiten naar Willebroek en terug. In Klein-Willebroek staten de passagiers over op grote zeilschepen of heuden die over Rupel en Schelde naar Antwerpen voeren. In 1575 vaardigde de overheid een ordonnantie uit die bepaalde dat het traject Brussel-Willebroek maar vijf uur mocht duren.

In Brussel vertrokken de schuiten ’s winters om 7 uur en in de zomer om 6 uur. De pachter van de lijn moest zijn schepen zó uitrusten dat ook hooggeplaatste lieden comfortabel konden reizen. In 1573 gebruikte men voor het eerst een met ijzer belagen schuit die door vele paarden werd getrokken om het ijs op de vaart te breken.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Klein-Willebroek, het Sashuis (foto Jan Lampo).

Naast de trekschuiten voor passagiers – de reizigers mochten maar een beperkte hoeveelheid bagage meenemen – voeren op het kanaal natuurlijk ook vrachtschepen. Ze vervoerden onder meer baksteen uit de Rupelstreek. De vaart stimuleerde immers de baksteenindustrie die al van in de middeleeuwen bloeide in Hemiksekm, Niel, Boom en Rumst.

In 1570 kwam er dan toch een sluis in Klein-Willebroek. Op deze plek, waar de reizigers vaak lang moesten wachten, was een nieuw dorp ontstaan met tientallen herbergen. Ze hadden welluidende namen zoals De Koning van Spanje, De Zwaan, De Ster, De Walvis, De Papegaai en Het Bourgondisch Kruis.

Kroatische huurlingen in Spaanse dienst bouwen er in 1576 een shcans en in 1608 richtte de Maatschappij der Schipvaart, de Brusselse instelling die het kanaal exploiteerde, bij het sas het Sashuis op. Dat is sinds 1945 als monument beschermd; in 1989 richtte de gemeente Willebroek het in als museum.

trekschuit
Trekschuit. Hollands tegeltableau (a).

In het Sashuis wachtten voorname reizigers op de heude; ze aten in de mooie Rentmeesterskamer op de verdieping. De zoldering is nog altijd versierd met een medaillon in stucwerk. Het stelt Sint-Michiel voor, de patroon van Brussel, omgeven door de spreuk “Wel Vaeren Wordt Benyt”.

Bij de Brusselse haven, tussen de Lakense- en de Vlaanderenstraat, was intussen een nieuwe wijk met stapelhuizen en de riante woningen van kooplui ontstaan.

De sluiting van de Schelde in 1585 zette een punt achter de “gouden” eeuw van Antwerpen, maar de scheepvaart op het kanaal bleef zo druk dat en in 1614 de Brusselse Houtkaai vergrootte en in 1639 twee dokken groef. De oostelijke dijk lngs de vaart verbreedde men in 1704 tot Laken; zo ontstond de beroemde Groendreef waar voorname Brusselaars tot in de 19de eeuw graag rondjes reden met hun koets.

trekschuit2
Trekschuit bij een landhuis aan de Vecht. Nederlandse prent, 18de eeuw (a).

Het toenemende verkeer noopt de overheid weldra tot de aanleg van steenwegen die de hoofdstad met Gent en Leuven verbonden. Ook tussen Antwerpen en Mechelen kwam er, op initiatief van de Staten van Brabant, een steenweg. In 1698 legden de Mechelaars een volgens stuk aan, dat van Zemst naar de vaart ter hoogte van Vilvoorde leidde.

De heudetocht van Klein-Willebroek naar Antwerpen was niet zonder risico. Op enkele plaatsen was de stroming in de Rupel sterk en de felle wind vergrootte nog het gevaar. “Den 2 december is de heugde van Brussel op Antwerpen comende van Kleyn Willebroeck door het groot onweder omgevallen ontrent Wintam,” lezen we in een document van 1740. Het was niet de eerste en ook niet de laatste keer.

Geheel in overeenstemming met de tijdsgeest, besloot de stad Brussel de heuden uit de vaart te nemen. Een veer kon de reizigers naar Boom brengen. Vandaar zou men een steenweg naar Antwerpen aanleggen. Koetsen, die plaats boden aan 14 passagiers en bespannen waren met drie paarden, verzekerden de dienst. Voor et gemak van de reizigers bouwde men in 1765 aan de straat van de Veerdam naar de Bovenstraat (thans Leopoldstraat) in Boom de afspanning De Scheepvaart.

De Duitse natuurkundige Heinrich Sander (1754-1782) maakte in 1776 per trekschuit de reis van Brussel naar Klein-Willebroek en per koets van Boom naar Antwerpen. Hij schreef in zijn dagboek:

“Tijdens deze tocht leerde ik voor het eerst de trekschuiten of barken, die door paarden getrokken worden, kennen. Men rekent de reis van Brussel slechts op 8 uren, maar ik kwam toch pas om 5 uur ’s avonds in Antwerpen aan.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
De brug van Willebroek, door Wannes Van de Velde bezongen als “brug der zuchten” (foto Jan Lampo).

“Iedere dag vertrekt de schuit in Brussel om 8 uur. De trap en het kantoor waar men betaalt, gaan om half acht open. Men betaalt voor zichzelf en een koffer maar 29 sous tot in Antwerpen, en ontvangt een getekend stukje lood.”

“De schuiten zijn groot, hoog en mooi. Achteraan is een deel van het dek overdekt en e zijn ook enkele rijen zitplaatsen met kussens. Vooraan en in het midden zet men de koffers. De kleine pakjes legt men in gevlochten korven waarop men gaat zitteen. Beneden zijn kleine, aardige kamers, een keuken met een over, thee, koffiegerei en dergelijke.”

“Wie onder dak en op een kussen wil zitten, betaalt per uur 6 liards extra en ook voor de plaatsen in de kamers beneden moet men bijbetalen. Men spant de paarden aan een lang touw dat van bovenaan de mat neerdaalt. Soms treken twee paarden, soms drie de schuit. Vaak zit er een man op een van de paarden; anders loopt hij ernaast. Men verandert onderweg vier keer van paarden en bark.”

“Gewoonlijk vindt het verschepen plaats bij een klein dorp, waar de lieden reeds gebak, gebraad, worsten en dergelijke klaar hebbe. Iedere reiziger draagt zijn bagage mee; de koffers worden door de schipper op een slede uit de schuit van het ene schip in ’t andere gebracht. Iedereen haast zich om weer een goede plaats te hebben.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Willebroek, fabriek Denaeyer (foto Jan Lampo).

“Als men weer vertrekt, blaast men op de horen om de reizigers uit de huizen samen te roepen. De paarden trekken de schuit uur aan uur […]. Het kanaal is breed genoeg voor twee schuiten en loopt vijf uur rechtdoor. In het begin ziet men langs beide kanten de mooiste wandelingen van Brussel, dan weiden, velden, landhuizen, kleine dorpen en een weinig bos. Bij elke wisseling der schuiten is een dok, daarin machines die het water doen stijgen en weer in het volgend kanaal brengen.”

Sander, die de Rupel verkeerdelijk voor de Schelde houdt, is niet te spreken over de koetsen tussen Boom en Antwerpen.

Swedenborg1
Emmanuel Swedenborg (a).

“Pas is men overgestoken met het eerste schip [vanuit Klein-Willebroek] of men vecht om een plaats in de rijtuigen. Ik kroop langs het venster naar binnen. Er zaten vijftien personen in de koets. Men zit er heel gedrongen.”

Maar, “de weg naar Antwerpen is een tweeëneenhalf uur lange, rechte en zeer aangename baan. Men ziet de torens van de stad wel anderhalf uur van tevoren.”

Komend uit Holland maakte de Zweedse mysticus Emmanuel Swedenborg (1688-1772) dezelfde reis in omgekeerde richting. Hij schreef:

“Daarna nam ik plaats in een grote trekschuit, veertig ellen lang en zes ellen breed, voorzien van mooie vertrekken: cabines, keukens en andere plaatsen, en vooraan een tent waar men kon neerzitten. […] Het was een aangename en plezierige reis. Langs beide zijden van het kanaal stonden mooie bomen. De mensen waren heel vriendelijk: hun beleefdheid stak voordelig af tegen de grofheid en de onbeschaafdheid der Hollanders.”

In de Hollandse (1815-1830) tijd groef men een kanaal van Brussel naar Charleroi. Het raakte pas voltooid na de Belgische onafhankelijkheid, in 1832. Men verbond het met de Willebroekse vaart, die men omstreeks 1830 dieper maakte. De sluis van Klein-Willebroek werd verplaatst.

De schepen op het kanaal werden nog altijd door paarden getrokken, maar de trekschuit voor reizigers moest het tenslotte afleggen tegen de trein. In 1868 kreeg een zekere ingenieur Lambert een vergunning om de vrachtschepen te slepen met stoomsleepboten.

Zijn slepers hadden opzij een groot kamwiel dat paste in een ketting die onder water van sluis tot sluis liep. In 1898 verschenen “gewone” sleepboten, die op hun beurt verdwenen toen de binnenschepen zelf met een stoommachine werden uitgerust.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Willebroek, oostelijke kanaaloever met fabriek Denaeyer (foto Jan Lampo).

Industriëlen vestigden hun fabrieken langs de vaart, waarvan het economische belang toch al sterk was toegenomen door de nieuwe bloei van de Antwerpse haven. In 1881 ontstond in Brussel de Cercle des Installations maritimes de Bruxelles, een propagandavereniging die de Brusselse havenbelangen behartigde en met het oog daarop de modernisering van de vaart bepleitte.

Een wet van 1896 maakte dit mogelijk. Diverse overheden hadden inmiddels de naamloze vennootschap Zeekanaal en Haveninrichtingen van Brussel opgericht. De ingenieurs haalden een oud plan uit de Hollandse tijd boven. De vaart kreeg een zijarm, van even ten noorden van Willebroek naar een nieuwe sluis langs de Rupel in Wintam.

Vanaf 1922 konden zeeschepen tot 6.000 bruto laadvermogen het kanaal opvaren. Twee jaar later paste men de sluis van Klein-Willebroek aan voor de moderne binnenscheepvaart. Na de Tweede Wereldoorlog noodzaakten de groeiende trafiek en de steeds grotere tonnenmaat van de schepen de NV Zeekanaal tot nieuwe werken.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Boom, gezien vanop de Rupeldijk in Klein-Willebroek (foto Jan Lampo).

In 1968 begon men met de verbreding van de vaart. Men verminderde het aantal sluizen en bouwde nieuwe bruggen. Naast de aftakking vanaf Willebroek groef men een nieuwe vaargeul die via de zeesluis van Hingene toegang moest verlenen tot de Schelde. Eind jaren 1990 kwam daar de sluis van Wintam bij. Sindsdien zijn er nog maar twee sluizen op het traject Brussel-Rupel.

Ook binnenschepen laten Klein-Willebroek vandaag links liggen. Waar ooit de passagiers van de trekschuit wachtten op de heude naar Antwerpen of het veer naar Boom, genieten dagjesmensen van een onwaarschijnlijke rust en besteden de eigenaars van plezierboten menig uur aan het onderhoud van hun trotse bezit.

Intussen is NV Zeekanaal geregionaliseerd. Haar Brussels vermogen is overgedragen aan de publiekrechtelijke rechtspersoon Haven van Brussel; het Vlaamse stuk kwam bij het agentschap Waterwege en Zeekanaal terecht.