Skip to content

Fictie

Eigen leden

(Novelle naar mijn debuutroman “In Altijd Lege Kamers”, Leuven, Kritak, 1985, herwerkt in 1999. Onvolmaakt op vele manieren, maar ik blijf eraan gehecht – ook om ronduit sentimentele redenen).

Voor Martine van Kooten

Wezen buiten de wet.
Afspraken met
sterren en eigen leden
voor eeuwig en zonder reden.

(Gerrit Achterberg, Zestien)

 

 

Met de gekleurde band die het lange haar uit haar gezicht moest houden, en haar katoenen jurk waarvan de ooit helle Indische motieven tot pasteltinten waren verbleekt, en haar sandalen – als ze niet op blote voeten liep – was ze een hippiemeisje, een jong hoertje uit de tempel van Astarte. Haar lijf was nog niet helemaal volwassen en soms leek ze nauwelijks zestien. Maar vaak zat ze voor zich uit te staren als was ze eeuwen oud. Ze danste hiëratisch, als de concubine van een farao. Ze danste voor de Zon in het licht van de laaiende spots, het almaar wentelende schijnsel. Ze danste op de vloer vol scherven, gemorst bier en braaksel, in de weeë geur van op elkaar gepakte mensen en vrijend met de lucht of het bruine gedreun van de muziek die de ruimte obsederend vulde.

1.

De zon stond op het grote raam. Niemand had eraan gedacht de gordijnen dicht te schuiven. De klas baadde in de hitte. Helga zat met haar rug naar de deur. Ze kon het dus niet zien. Maar aan de stilte die inviel, merkte ze dat de leraar binnenkwam. Hij betrad haar blikveld. Hij ging achter de lessenaar staan en opene zijn aktetas. Martine kneep hard in Helga’s arm. Het deed pijn, maar Helga verroerde niet. Haar hart klopte met trage slagen die ze duidelijk voelde.

De leraar grijnsde – het had hem razend populair gemaakt. ‘Ik heb de lijst met de geslaagde leerlingen,’ zei hij. ‘Het zijn: Aerts, Backeljauw, Backer, Berthels, De Belder .. .’

Het was of Helga ook haar naam gehoord had – zo vertrouwd was ze met de stem van de leraar wanneer die hem uitsprak: ‘Cooreman.’ Ze probeerde zich de betekenis van het ontbreken van haar naam voor de geest te halen. De leraar legde het blad neer. Het signaal voor de meisjes om druk door elkaar te praten.  Drie waren niet geslaagd. Helga voegde zich bij de twee die bij de leraar stonden om te vragen welke vakken ze opnieuw moesten doen. Achter hen verlieten de anderen de klas.

‘Wiskunde,’ zei hij tegen haar. ‘Scheikunde. En fysica.’

Helga keek hem aan. Langzaam duwde hij zijn bril, die een eindje langs zijn neus naar beneden was geschoven, op zijn plaats. Martine wachtte beneden aan de trap. Het was onmogelijk haar te ontlopen.

‘Ga je mee iets drinken?’

Twee uur later kwam Helga thuis. Dronken, maar niet genoeg om zichtbaar te zijn. Haar moeder jammerde, alsof zij, en niet Helga, gezakt was. Van verwijten was voorlopig geen sprake.

Omdat het vrijdag was, douchte Helga en trok schone kleren aan. Ze werd bij haar vader verwacht. Die begroette het nieuws met onderkoelde verontwaardiging. Alsof dat niet volstond, zette zijn vriendin Pauline een gerecht op tafel dat in hoofdzaak uit koude kip bestond.

Ze keken naar de televisie tot haar vader en Pauline zoveel cognac ophadden dat ze niet meer van elkaar konden afblijven en Pauline aanhoudend giechelde. Pauline was nog jong – zo jong dat ze ook zijn dochter had kunnen zijn.

Helga ging naar bed.

Ze lag in het midden van de matras, haar ogen op de zoldering gericht. Langzaam kneep ze haar zakdoek samen, en ontspande haar hand. Knijpen, ontspannen, telkens opnieuw. Waarom kregen ze geen ongeluk? Ze haatte hen. Nooit had ze het zo bewust geweten: haat.

Haar vader en Pauline deden het niet. Of hadden ze het op de  sofa gedaan? Je stiefdochter op bezoek hebben, had nadelen – zeker wanneer de muur tussen haar en jouw kamer zo dun is.

Helga luisterde naar de waterspoeling van de wc, het gesuis in de buizen. De deur en het bed. Doffe woorden die ze niet kon verstaan. Helga stond op. Haar ogen hadden seconden nodig om aan het donker op de gang te wennen. Ze drukte een oor tegen hun deur.

‘Misschien moeten we ons erbij neerleggen dat ze niet zo intelligent is als we dachten,’ zei haar vader tegen Pauline.

Helga liep op haar tenen naar de keuken. Ze trok de deur van de ijskast open en pakte de fles melk. Ze viste een sigaret uit het pakje dat Pauline had laten liggen.

‘Sue was negentien toen ze werd geboren,’ hoorde Helga hem zeggen toen ze op de terugweg opnieuw haar oor tegen het hout hield. Sue was haar moeder. ‘Een ongelukje – ja, natuurlijk.’

Ze reden op de snelweg. Een keitje raakte de voorruit die in een duizendste van een seconde veranderde in een ondoorzichtig stuk ijs. Dat was wat Helga zich herinnerde.

 Het licht verblindde haar. Ze hoorde de deurknop tegen de kleerkast knallen. Ze spuwde de woorden uit: ‘Dat heb ik gehoord. Zak!’

Haar vader zwaaide zijn benen over de rand van het bed.

‘Helga!’

Ze smakte de deur van haar kamer achter zich dicht en draaide de sleutel om.

‘Doe open! Verdomme, Helga!’

 Ze zat op de grond met haar handen voor haar gezicht. Ze was toeval.

Haar vader, de dokter, vond de leraar fysica direct bereid om  haar bijles te geven. Vanaf vandaag, voor vierhonderd ballen per uur. ‘Natuurlijk, dokter. Graag, dokter.’

De leraar woonde niet ver van de school. Het was nog vroeg.

Helga liep het Stadspark in. Op de brug over de vijver bleef ze staan om naar het spiegelbeeld van de boomkruinen op het wateroppervlak te kijken. Het was windstil. Minuten gingen voorbij; het viel Helga in dat het leek alsof ze de tijd probeerde te horen. Het gemis nam groot en langzaam bezit van haar. Haar bloed vloeide trager, alsof het aan het stollen was.

De avond onttrok de intensiteit aan de kleuren. Opeens, als was het er daarnet niet, was ze zich bewust van het gesuis van het verkeer op de lanen om het park. Het was een dimensie van de schemering die veld won.

Waren de dingen die Helga zag dichtbij, of veraf? Hadden ze met elkaar te maken? Waren ze er zomaar, naast elkaar, als opgesomde namen of een leven dat een vergissing was?

2.

The Great Gatsby,’ zei Martine. Mensen verdrongen zich op het terras van de villa. In de struiken om het gazon brandden lampions. Op het gras stond een tent met de tapkast en een diskjockey achter een batterij knoppen. Vlakbij lag een houten dansvloer.

Een paar twintigers hosten op een nummer van Barry White.

De villa was van de ouders van hun klasgenote Annemie (haar grootvader, zei Armemie elke dag twee keer, was provinciegouverneur geweest). Ze had de ultieme eindejaarsparty beloofd, maar eigenlijk ging het om het verjaardagsfeest van haar zus, die rechten studeerde. Helga, Martine en de anderen liepen verloren tussen studenten die hun geen blik waardig keurden.

Helga had nog steeds het gevoel dat ze haar blik niet scherp kon stellen. De pils die ze achterover sloeg, hielp niet.

Martine lachte. Het klonk altijd schor, alsof ze te veel had gerookt. Maar ze raakte nooit een sigaret aan. De jongen (man?) die met Martine had gedanst, keek Helga aan. Ze zag zijn mond bewegen. De muziek veegde de woorden weg.

‘Wat?’

Hij bewoog zijn hoofd in de richting van de dansvloer.

Hij was groter dan Helga en trok haar dicht tegen zich aan, zodat ze niet anders kon dan haar hoofd tegen zijn schouder te laten rusten. Vond ze dat prettig?

Hij zei zijn naam, Michel, en nog een paar dingen, zoals: ‘Ik dacht dat je ouder was – negentien, twintig.’ En: ‘Ik val op blonde vrouwen.’

Helga was achterdochtig. Maar ook zestien. Michel wilde haar kussen. Ze wendde haar gezicht af. Zijn lippen verkenden haar hals. Het maakte haar zo geil dat ze er bang van werd.

‘Al in een Porsche gereden?’

Ze wilde, kon geen uitvlucht bedenken.

Michel hield het portier voor haar open. Hij startte en reed tot aan de weg. Er was geen ander verkeer. Hij gaf gas. Helga werd tegen het portier gesmakt.

‘Sorry.’

Ondanks de pijn glimlachte ze. De auto sprong vooruit, ze zag de snelheidsmeter klimmen. Als een vis die met sterke vinslagen over de zeebodem scheert, kliefde de Porsche door de avond. De villa’s aan weerszijden van de laan met hun grote, verlichte ramen schoven voorbij. Ze kwamen op de hoofdweg, die baadde in droog, extatisch neonlicht. Even had Helga de indruk dat het regende.

Ze was bereid, maar ze wist niet waartoe. Ze nam een trek van haar sigaret. Hield Michel haar in de gaten? Hij vroeg of ze bang was. Ze schudde van nee. Haar handen waren klam en haar rug plakte aan het leer van de zetel.

Op een groot kruispunt in het midden van het dorp sloeg Michel rechtsaf. Het was of de auto in een horizontale put viel. Als stroboscooplicht viel het schijnsel van de straatlantaarns op Michels gezicht. Bomen, in een flits door de koplampen gevangen fragmenten van huizen doken op uit het donker. Hun dolle opeenvolging was beverig als een film vol vlekken en krassen.

De wereld was verboden terrein. Niets, niets anders bleef over dan in deze stalen eierschaal over een brug van licht te razen, zeker van de klap achter de volgende bocht. Zou haar schedel kraken als een luciferdoosje dat je in je hand verplettert?

De koele meren des doods. Een koel, blauw meer. De lijn in het midden van het asfalt wees de weg. Plots minderde Michel vaart. Ze hoorde de richtingwijzer; het lampje naast het stuur ging aan en uit. Even slipten ze. Het was donker, takken schuurden tegen het dak. Ze hotsten over een zandweg. Helga klampte zich vast aan de handgreep. In het midden van niets kwamen ze tot stilstand.

Michel keek haar aan. Ze drukte haar sigaret uit. Sigaret. De rit had een halve sigaret geduurd. Hij klikte beide veiligheidsgordels los, schoof naar haar toe en drukte zijn mond op de hare. Het dunne vlies om haar schrik begaf. Toch beantwoordde ze zijn kus.

Hij schoof haar jurk naar boven. Ze kneep haar dijen tegen elkaar en slaagde erin haar mond van de zijne los te maken.

‘Nee,’ zei ze.

Hij pakte haar kin. Ze kon haar hoofd niet bewegen. Tranen van woede (woede, geen schrik) sprongen in haar ogen. Ze hoorde dat hij zijn gulp openritste. Even ging haar angst ieder besef te buiten.

Hij trok zichzelf af. Ze zag het, hij dwong haar om ernaar te kijken, in het groene licht van het dashboard. Haar verbazing maakte plaats voor opluchting. En, toen hij haar moest loslaten en met gesloten ogen zat te hijgen, voor een hevige aandrang om te lachen. En toch liepen er tranen over haar gezicht.

‘Zielig,’ zei ze, bang, en tegelijk zeker dat Michel haar niet zou aankijken.

Van de terugrit zou ze zich herinneren dat ze niets meer zei en dat  ze kou had. Michel negeerde haar, zelfs toen ze hoorbaar begon te klappertanden. Voor de villa stopte hij en liet haar uitstappen.

Ze liep rond het huis en glipte naar binnen. In de badkamer bracht ze haar kleren en make-up in orde. Onderaan was de naad van haar jurk losgekomen, maar dat kon niemand zien.

‘Shit,’ zei Martine, nadat Helga het haar had verteld, ‘je had met die gast kunnen neuken.’

3.

Helga stapte van haar fiets. De volkstuintjes lagen aan de rand van een nog half landelijk gebied tussen de fabrieken aan de stroom en de spoorweg. Vlakbij stond Het Kasteel, een verlaten villa van omstreeks 1900. Hun volkstuin was de laatste van een rij tuintjes, die zich slechts van elkaar onderscheidden door de kleur van de houten optrekjes.

Na Opa’s dood had haar moeder de volkstuin aangehouden, en haar vader kweekte er groenten – tot Pauline. Hij had trouwens nooit gevonden dat het strookte met zijn waardigheid van arts. Vorig jaar had Helga met Martine in de volkstuin gekampeerd. En nu was er de brief van de gemeente: de tuintjes werden opgedoekt.

Helga deed het hek open. Met de fiets aan haar hand liep ze langs de lege groentebedden – lange stroken opgehoogde aarde die er uitzagen als vers gedolven graven.

Het huisje stond achteraan. Het was roze; naast de deur zat een vierkant raam. Ze zette haar fiets tegen de wand. Binnen rook het muf. Ze pakte een stoel en ging voor het huisje in de zon zitten. Zou ze wat aan de tuin proberen te doen? Onzin, ze was gekomen om te zien welke spullen ze naar huis moest brengen.

Helga bekeek het kleine landschap dat ze van hier overzag.

Het was rommelig, maar er zat evenwicht in. De kleuren en de vormen die er deel van uitmaakten – de struiken, de bomen, de bruinrode muur rond de tuin van Het Kasteel (hij hing scheef, Helga verwachtte dat hij met een enorme plof zou omvallen), de pasteltinten van de huisjes, het hield verband met elkaar. Als had iemand er ooit een bedoeling mee gehad.

Bomen, optrekjes en muur vormden samen een uitzicht. Helga zou het niet in haar hoofd hebben gehaald te beweren dat ze dat niet waren. Met andere mensen was het precies zo: desnoods hoefde ze hen maar aan te raken om zich van hun echtheid te vergewissen.

Had het daarmee te maken? Vaak wanneer ze hier rondhing, overviel haar dat het met haar ànders was – dat haar gedrag en haar ideeën niét samenhingen; dat haar gevoelens haaks stonden op wat er van haar werd verwacht. Dat wist ze anders ook, maar om de ene of andere reden maakte deze plek het besef sterker.

Helga keek op haar horloge. Als ze snel de inventaris maakte die haar moeder wilde, had ze nog tijd. Ze ging naar binnen.

Helga kwam bij de scheve muur en stapte af. Ze zette haar fiets tegen het metselwerk en gebruikte het zadel als trede. Een seconde later zat ze schrijlings op de muur. Ze sprong naar beneden – anderhalve meter, meer niet. Onder de bomen was het donker en koel.

Ze liep naar de villa. Niets in de tuin of bij het huis wees erop dat er iemand anders was geweest. Opgelucht zette ze haar schouder tegen de deur van de veranda.

In de salon met neo-Egyptische (het goeie woord, dacht ze) muurschilderingen verschoof ze een helft van de dekplaat van de marmeren schoorsteenmantel. Het was één stuk geweest, maar het was gebroken. Ze haalde de recorder in de plastic zak uit de holte. Ze stak er de nieuwe batterijen in die ze bij zich had. En de cassette.  De zoemtoon van de cello stroomde de kamer in, luid en te schril (de opname natuurlijk, en geen meubels of gordijnen om de klank te temperen). Helga stond stil, haar ogen toe.

Dan bewoog ze.

Traag.

Haar lichaam wilde ritme, zoals altijd in het begin. Maar die wens onderdrukte ze. Dit was Bach, niet Jethro Tull, Ze zette haar ene voet voor de andere, boog haar hoofd. Haar hersens spanden zich in om de lijnen, de strepen en de vlekken te zien die de cello aanbracht op het oppervlak van de stilte. Haar beenderen, zenuwen, spieren en pezen konden niet brommen en trillen sidderen en dreunen als de muziek. Ze konden het alleen proberen. Hun verlangen viel niet samen met de emotie in de muziek; het liep er evenwijdig mee.

De snaren spraken okeren woorden, stelden bruine vragen of fluisterden grijs, zongen donkerrood. Bedoeling, kracht en druk losten elkaar af in Helga’s kuiten, billen, armen, nek. De klanken en haar bewegingen konden niet versmelten, nooit – maar ze kruisten elkaar, af en toe. Dat kon Helga voelen en gadeslaan: soms zag ze zichzelf in de spiegel aan de schoorsteen. Zo kon ze alles enkele ogenblikken aan elkaar knopen.

4.

Terwijl ze het doosje zocht, vroeg ze zich af waarom het medicijnkastje bij haar moeder in de keuken hing en niet in de badkamer, zoals bij normale mensen. Uit het buffet pakte ze een glas. Ze vulde het aan de wastafel in haar kamer.

 Ze is hooguit vijf. Iedere dag neemt Opa haar mee uit wandelen. Ze verkennen de voorstad. Helga hoort hem praten met andere oude mannen, die hem allemaal kennen. Ze krijgt ijsjes waarover ze haar moeder niets mag vertellen. Opa vertelt over hoe de voorstad er vroeger uitzag. Ze begrijpt niet alles. Toch zal ze het verhaal later, wanneer ze de woorden kent, nog uit het hoofd kennen. Er stonden maar enkele huisjes, en de mensen waren arm. Vroeger, toen Opa jong was, staat voor armoede. Dan wordt de spoorweg aangelegd die het gebied met de stad verbindt. Hij heeft het als jongen beleefd en beschrijft hoe het in zijn werk ging: de arbeiders die de bedding groeven en de bielzen en de sporen legden.

Vandaag gaat het naar de petroleumopslagplaatsen langs de stroom, aan de overkant van de spoorweg. Van thuis (ze wonen op de tiende verdieping) zie je de lichtgrijze tanks in het gelid staan. Opa zegt dat hier vroeger boerderijen stonden en dat er weiden waren, met koeien en paarden. Ze luistert ademloos en probeert het zich voor te stellen. Achteraf maakt ze voor Opa een tekening: op de bovenste helft van het blad schildert ze gekartelde blauwe wolken.

‘Omdat de lucht blauw is,’ zegt ze, en Opa knikt.

De onderste helft van het blad, behalve het stuk dat door de boerderij in beslag wordt genomen, maakt ze groen. De boerderij bestaat uit een geel vierkant, met daarop een rode driehoek. Ramen en deuren heeft de boerderij niet, omdat de mensen arm zijn. Koeien en paarden ontbreken ook. De plaatjes in haar prentenboeken hebben haar ervan overtuigd dat ze die nooit zal kunnen tekenen. En omdat ze daar toch al in staan, is het ook niet nodig, legt ze uit.

De grote raffinaderij – een wirwar van pijpen, waar je geen mens ziet, maar die toch geluid maakt – is het verste punt van de wandeling. Ze keren terug. Over de weg, die er tot dan toe verlaten bij lag, rijdt een colonne van drie tankwagens. Opa neemt met haar zijn toevlucht op de berm.

‘Ik heb dorst,’ jengelt ze.

Ze slaan een onverhard pad in. In de diepe sporen staan grote plassen; delen van het braakland aan weerszijden, achter de knotwilgen, zijn onder water gelopen. In+de verte ziet Helga tegen de witte lucht het silhouet van hoge kranen. Daar worden boten gemaakt, zegt Opa, grote boten die naar zee varen. Gaan ze er een kijkje nemen? Het is te ver. Opa begint moe te worden. Hij heeft zin in een glas bier.

Ze komen langs een stortplaats. Ze houdt Opa staande om naar de badkuip te kijken die op een berg afval staat te pronken – het enige voorwerp dat ze herkent in de chaos van schroot en rommel, met daartussen zwarte plassen en bruin gras. Ze heeft medelijden met de badkuip.

Een rij kale populieren. Een enorme loods. En daarnaast het café, een laag huis in baksteen, wat haar teleurstelt – in dit onbekende land verwachtte ze iets grandiozers. Er verroert niets. Opa neemt haar hand. De deur geeft mee. Ze stappen de lege gelagzaal binnen. Dit blijft haar het scherpst bij: Opa, met zijn imposante gestalte, die in de schemerige ruimte twee keer luid ‘Vollek!’roept.

De caféhoudster verschijnt. Ze verwachtte op dit uur geen klanten, zegt ze, en veegt haar handen af aan haar schort. En wat de mijnheer en de juffrouw willen drinken?

Wanneer Helga haar cola heeft, volgt de onvermijdelijke vertedering. De vrouw heeft ook kleinkinderen, mijnheer, een jongen en een meisje. Dan gaat het gesprek over het weer en over de arbeiders van de raffinaderij die hier elke middag hun boter hammen komen opeten.

Helga kijkt om zich heen en klimt op een van de houten banken langs de muur, verbaasd over de spiegels, waarin ze zichzelf bestudeert. Ze ontdekt de gammele buffetpiano, de regelmaat in het patroon van de vloertegels. Tenslotte keert ze terug naar de lauwe cola die anders smaakt dan in de cafés van de voorstad. Terwijl ze eindelijk naar huis lopen, wordt ze almaar moeër, tot ze huilt en Opa haar op zijn schouders neemt.

Zo, maar sneller, werd ze moe. Ze wilde zich op haar buik rollen en merkte dat ze daar de kracht niet toe had. Ze was een vis op het droge. Duidelijk zag ze de geschubde vis op de zoldering doodgaan. Ze liet het telkens weer gebeuren – tot het beeld zich opdrong als de onophoudelijk herhaalde woorden die door haar hoofd hamerden als ze koorts had.

5.

Ze haalde diep adem. Ze was dood. Niets kon haar overkomen. Ze klopte aan. De leerlingen monsterden haar, maar ze keek voor zich uit en stapte naar de lessenaar. Ze fluisterde haar naam. De lerares was op de hoogte.

Met klamme handen hoorde ze hoe die haar voorstelde aan de klas. Ze moest naast een meisje op de laatste rij gaan zitten. Dat meisje bleek Hilde te heten. Hilde had verwonderde, groene ogen en volle lippen. Na schooltijd liep ze met Helga naar de bushalte. Het enige andere meisje dat dezelfde bus nam, lachte even en bleef uit de buurt.

‘Trut,’ zei Hilde. En: ‘Weet je dat ze je laten stikken als je met mij optrekt? Ik kan iedere gast krijgen. Ik luister niet naar soul.’

Het kwam niet bij haar op dat Helga bedenkingen kon hebben. Van aan de halte tot in het centrum van de voorstad had ze het over Led Zeppelin, Deep Purple en de Stones.

Er stond een strakke wind. De lucht rook naar de herfst. Helga stapte door, de handen diep in haar jaszakken, en probeerde niet na te denken. Hilde liet haar onverschillig. Ze kon hooguit wat aan haar hebben om de eerste dagen door te komen. Ze wilde geen vriendin.

Anders dan in de zomer, bevatte het donker veel grijs. Het licht van de straatlantaarns gloeide kil. Motregen deed zijn intrede en legde een waas van druppels over de straten. Het Kioskplein was verlaten. Alleen in de cafés zag Helga mensen. Aan de eindhalte bij het politiebureau stond een lege tram.

Ze stak het plein over en sloeg de Kapelstraat in. Honderd meter verder was het Volkshuis. Dus toch. Ze hield haar pas in. Aarzelend stapte ze op het eiland van licht dat de lampen van de gelagzaal op het trottoir wierpen.

De grote ruimte zag er uit zoals ze zich herinnerde: modern, onpersoonlijk. Op barkrukken voor de tapkast zaten een paar stamgasten. Besluiteloos bleef ze staan, hopend dat niemand haar zou zien. Hilde was nergens te bespeuren – of toch?

Opzij, naast de flipperautomaat, stond ze met een jongen tafelvoetbal te spelen. In haar hoofd hoorde Helga het gepiep van de staven waar de houten voetballers aan vast zaten en het rollen van het balletje over het glas.

Ze liep door.

De volgende morgen stond ze vroeger op dan anders en deed haar best om zich mooi te maken. Ze liet de deur achter zich in het slot vallen. Vóór haar lag het parkeerterrein van het flatgebouw. Spookauto’s stonden er in de mist. De huizen aan de overkant waren niet méér dan papieren rechthoeken waarin de verlichte ramen uitgeknipt schenen.

Met tegenzin begon ze te lopen. De mist sloot zich om haar.  De vochtige kilte drong in haar kleren. Ze zag de wagens maar een paar seconden voor ze voorbij gleden, om zonder een spoor na te laten opnieuw het niets binnen te zweven. De dag was een lange, donkere gang die voor haar lag. De nieuw school. De leerlingen. Leraren die wisten waarom ze niet langer op het Lyceum zat. Ze stond te kijk. Waarom kon het niet stil worden?

Minuscule druppels hechtten zich aan het schapenhaar van haar Afghaanse jas. Haar adem vormde een ijl wolkje voor haar mond – alsof de mist de zichtbaar geworden adem was van alle mensen in de stad. Een fabriekssirene. Ze zag het woord, in haar hoofd, in rode neonletters: fabriekssirene – de letters knipperden aan en uit op het ritme waarmee het gehuil in uitdijende kringen over de voorstad woei.

Plots omringde haar het dokkeren van de dieselmotor. Ze kon niet horen uit welke richting het geluid kwam. Eerst zag ze alleen koplampen, twee identieke lichtschijven die niet dichterbij schenen te komen. Dan dreef het silhouet van de bus een moment op het melkglazen oppervlak van de mist. Het voertuig kwam tevoorschijn als een vis die vanuit de diepte naar het licht zwemt.

‘Helga, hé, Helga!’

Hildes gezicht schoof voor de herinnering – twee dia’s die per ongeluk samen voor de lamp van de projector terechtkomen.

Hilde wreef verwoed een appel langs haar mouw.
‘Bijten?’

Helga was een vuist die een hand wordt.

6.

Gearmd liepen ze onder Hildes paraplu langs de oude Stadsschouwburg en door de Huidevettersstraat. Er viel een alles doordringende motregen, maar in hun Afghaanse jassen hadden ze het warm. Hilde had zich opgemaakt. Helga gebruikte voor het eerst patchoeli uit het flesje dat ze van haar had gekregen.

Ze gingen een platenzaak binnen. Hilde wou de nieuwe elpee van Deep Purple kopen. Terwijl ze met de verkoper praatte, keek Helga door het uitstalraam naar buiten. Mensen liepen gehaast voorbij. Misschien, dacht ze, had het iets te maken met het glas tussen haar en hen: het was of ze hen van op grote afstand gadesloeg. De anderen. Waar gingen ze naartoe?

‘Heb jij sigaretten?’ vroeg ze buiten aan Hilde.

De rookwarenafdeling bevond zich op de benedenverdieping van het grootwarenhuis.

‘Koop kauwgum,’ zei Hilde.

Het klonk beslist. Helga durfde haar niet tegen te spreken. Ze nam Stimorol en betaalde aan de kassa. Toen ze weer op straat stonden, haalde Hilde uit haar jaszakken een pakje Samson en een pakje Belga. Helga nam de shag, maar kon niet nalaten iedere vijf stappen over haar schouder te kijken.

De zwakke gloeilampen in De Muze verspreidden onvoldoende  licht, wat de indruk deed ontstaan dat het buiten guurder was dan in werkelijkheid. Uit de zak van haar jurk diepte Helga de shag en de vloeitjes op. Met het puntje van haar tong maakte ze de gom nat. Ze merkte het eerst aan Hilde, aan hoe die zich opeens gedroeg. Flauw, hoewel ze grappig probeerde te zijn, met ogen die ze wijd opensperde, een diepere stem en afgemeten gebaartjes. Hilde speelde toneel, maar kon je je stem de hele tijd anders laten klinken?

Hij was kalm – zo kalm dat Helga erover nadacht en tot de conclusie kwam dat jongens van hun leeftijd dat niet waren, toch  niet zo. Hij had grote handen, waarover je de aders zag lopen. Zwart haar, niet gewoon donkerbruin, zwart. Ogen die je lieten binnenkijken in zijn ziel. Er was geen ander woord voor. Je zag dat in zijn kop van alles gebeurde, dat alleen zijn buitenkant kalm was. Helga dacht aan soep die begint te koken. Dat vond ze grappig. Het gaf haar ook het gevoel dat ze iets zag dat niet voor haar ogen bestemd was. Ze durfde hem niet meer aankijken. Ze wilde het ook niet.

Hilde stemde zich op hem af zoals je de radio afstemt op een zender. Ze schermde hem van haar af. Helga gunde Hilde niet het plezier te merken dat ze dat vervelend vond. Marc heette hij en hij zat bij hen op school, in de kunstafdeling (Helga herinnerde zich niet dat ze hem ooit gezien had). Binnen twee jaar wilde hij naar de academie om beeldhouwer te worden.

Hilde was onder de indruk. Ze bestelde een nieuw rondje. Helga zei iets over een vriend van haar vader die beeldhouwer was, maar Hilde onderbrak haar. Marc deed geen poging om de draad van wat Helga gezegd had op te pakken. Helga gaf het op en liet zich van haar barkruk glijden. Ze bleef langer dan nodig in de wc en las de graffiti op de muur.

7.

‘Hij werd toen zo koleirig dat hij mij op mijn gezicht heeft geslagen.’

Hilde betastte het blauw om haar oog.

‘Het doet nog altijd verrekt zeer.’

Het was begonnen met een ruzie tussen haar vader en moeder. Die laatste was buitenmate trots op het feit dat Hilde de ster was van het majorettenkorps. Daarom verbood Hildes vader haar nog te gaan.

‘Hij vindt het ineens niet meer deftig om in je bloot gat over straat te lopen,’ voegde Hilde eraan toe. ‘Hij staat anders zelf altijd op de eerste rij.’

‘Shit,’ zei Helga.

De bus kwam er aan.

‘Ik trek er mij in ieder geval niks van aan,’ ging Hilde voort, zodra ze zaten. ‘Het wordt tijd voor iets anders. Maar ik weet nog niet wat. Is er iets dat jij graag zou doen?’

‘Dansen,’ zei Helga. ‘Toen ik klein was, wilde ik naar de balletschooI. Maar ik mocht niet. Mijn moeder moest als kind naar de dansles en daar baalde ze van. Het verschil is dat ik het zelf  vroeg.’

‘Shit,’ zei Hilde.

8.

De gymzaal baadde in gedempt licht; op een verhoog ging een batterij gekleurde spots aan en uit op het ritme van de loeiharde Motown-muziek. In het midden van de ruimte maakten honderd mensen er pasjes op.

Hilde was opgedoken met een tot dan toe geheim vriendje, Jean- Pierre. Marc had een vriendin met zwaar opgemaakte ogen. Ze was een stuk ouder dan hij. Alleen Bert bleef over om aandacht aan Helga te besteden. Hij stelde voor een joint te roken.

‘Heb jij dat al gedaan?’ vroeg Helga aan Hilde.

‘Jij niet?’

‘Niemand heeft het ooit gevraagd.’

Helga dronk haar pils op en volgde de anderen naar buiten. Ze staken het basketbalterrein over, naar de schooltuin. In een kring wachtten ze tot Bert de eerste joint had opgestoken. De zoete geur drong in haar neusgaten. Bert gaf haar de joint.

‘Welnee, stomme trut!’

Ze hield de joint tussen haar vingers als een sigaret. Berts toon maakte haar zo aan het schrikken dat ze hem liet vallen. Hilde kneep in haar hand. Toen Helga weer aan de beurt was, legde Hilde uit hoe je van je handen een doosje maakt, zodat de rook kan afkoelen voor je inhaleert. Door de rook voelde Helga haar longen zitten – wat waren ze groot. Terwijl Jean-Pierre het laatste restje oprookte, zoog Bert een lucifervlam in de tweede joint.

De muziek was tot hier te horen. Opeens wou Helga dat het ophield. Alles wat op haar afkwam, was te fel. De vuisten van het donker. Het achterdochtige gefluister van de anderen. Het geluid van auto’s op straat, met geregelde tussenpozen, alsof dezelfde wagen blokje om reed. Ze huiverde. Dit kon het toch niet zijn – deze misselijkheid?

Het geluid van de sirene – het duurde even voor ze het herkende – zwol niet merkbaar aan: het was er eerst niet, dan wel: een mateloos gehuil dat omhoogklom in de avondlucht. Een ogenblik bleven ze staan – wachtend op het bombardement waarvan Helga uit films wist dat het onafwendbaar moest volgen.

Marc en zijn vriendin zetten het op een lopen. De anderen volgden. Enkele jongens met te veel op waren erin geslaagd de brandsirene uit de opslagruimte naar buiten te slepen.

Met bonzend hart stond Helga naast Bert te hijgen. Ze verstond niet wat er werd gezegd. Het gejammer van de sirene drukte de woorden plat.

Het geloei stokte. De stilte die volgde was een ravijn. Van ver hoorde Helga boze stemmen. Ze zakte op haar knieën. De bittere smaak van het bier vulde haar mond.

Bert zat op een bank tegen de muur en staarde naar de figuren op de dansvloer.

‘Ik ben stoned,’ zei hij, ‘zo stooooned…’

‘Waar is Hilde?’ vroeg Helga.

‘Geen idee. Ik ga mee zoeken.’

Helga vergat haar vest aan te trekken. Ze stapten naar buiten en volgden het pad tussen de gymzaal en de fietsenstalling. Het was koud. Ik word ziek, dacht Helga. Het grind knarste onder hun voeten. Ze bereikten de zijgevel van Het Paviljoentje – een  houten gebouw uit de begintijd van de school.  Bert drukte haar tegen de wand en kuste haar. Zijn lijf bescherm de haar tegen de kou. Dat woog op tegen de planken. Stappen, stemmen. Een stel dat met de armen om elkaar heen voorbijliep.

Bert pakte Helga’s hand en schoof ze van beneden naar boven over de bobbel tussen zijn dijen. Hij duwde ze weg en maakte zijn gulp open. Een stuk van iemand anders, warmer dan haar vingers.

Het was of haar hand ervoor gemaakt was, zo gemakkelijk ging het.

‘Harder. Harder. Aaaah!’

Dat vond ze grappig. Warme nattigheid liep over de binnenkant van haar pols.

‘Hé!’ zei ze.

ert lachte. Hij gaf haar een zakdoek.

Terwijl ze naar de gymzaal terugliepen, dacht Helga: iets dat ik goed heb gedaan.

9.

Helga volgde het pad langs de vijver waar ze vroeger met Opa de karpers kwam voeren. Die zwommen omhoog om stukjes brood van het wateroppervlak te pakken. Ze verliet het park en liep door uitgestorven straten tot ze aan de afgesproken plek kwam. De bebouwing hield op. In de verte zag ze schoorstenen en de kranen van de scheepswerf.

Ze had zich versproken tegen Hilde. En Hilde wilde overal haar neus insteken.

Marc en zijn vriendinnetje verschenen eerst, een paar minuten later gevolgd door Hilde en Jean-Pierre.

Helga liep voorop. Ze staken de spoorweg over en kwamen langs de verlaten boerderij.

‘Daar woon ik,’ zei Marc.

Ze keken in de richting die zijn vinger aanwees: aan de andere kant van een uitgestrekt braakland, de rechte contouren van een nieuwbouwwijk.

Een plas in het midden van de aardeweg verplichtte hen om door het hoge, natte gras te lopen.

‘Mijn schoenen,’ zeurde Hilde.

‘Zanik niet,’ zei Marc.

‘We kunnen teruggaan,’ zei Helga, terwijl Hilde Marc een stomp verkocht. Samen met Jean-Pierre probeerde hij Hilde te pakken, maar ze zette het op een lopen.

Helga verliet de weg. Ze volgden haar over een smal, door onkruid overwoekerd pad. Van het bruggetje over de droge gracht zaten alleen de steunbalken nog op hun plaats, maar ze waren breed genoeg om aan de overkant te komen.

Helga duwde tegen de linkerhelft van de poort. De deuren waren uit hun hengsels gezakt en de planken trilden, maar er kwam geen beweging in. Marc en Jean-Pierre duwden mee. Zo ontstond een opening waardoor Helga zich naar binnen wurmde.

Ze snoof de sterke humusgeur op. Onkruid maakte het grindpad zo goed als onzichtbaar. Aan weerszijden stonden gladde, grijze beukenstammen. Het pad splitste zich; de twee armen omhelsden wat een ovaal grasperk was geweest.

Ze bereikten de treden naar de veranda. De achtergevel ging schuil onder verwilderde klimop. Hij groeide tot voor de ramen en kroop langs regenpijpen omhoog naar de kapotte dakgoot. De ruiten van de benedenverdieping waren gebroken.  Ze verkenden het huis van de gelijkvloerse verdieping tot de zolders. Hun stemmen klonken hol in de hoge, lege ruimten die hen tenslotte het zwijgen oplegden. Beneden, in de salon, gingen ze in kleermakerszit op de parketvloer zitten. Ook nu leek het of de stilte ieder woord voor het werd uitgesproken, opzoog.

Marc zat tussen Helga en zijn vriendinnetje. Hij probeerde een wijsje te fluiten. Helga speelde met de uiteinden van haar veters.   Jean-Pierre en Hilde kusten elkaar: ze waren niet langer bij de situatie betrokken.

Marc keek Helga aan tot ze haar ogen opsloeg. Een lang moment maten ze elkaars blik. Dan trok Marc zijn vriendinnetje naar zich toe en kuste haar. Helga zag één wang van het meisje – hoe de huid op- en neerging door het bewegen van haar tong.

Helga vond dat mooi. Hoe het meisje tegen Marc aan hing, hoe open ze was. Helga werd er nat van. Ze krabbelde overeind en ging eerst de kamer uit, dan de villa.

10.

Alleen de gordijnen onderscheidden het huis van de andere in de straat. Opgelucht herkende Helga de figuur die aan de andere kant van het matglas op haar afkwam als Marc. Hij nam haar mee naar zijn kamer en deed de deur op slot.

Ze maakte de haakjes van haar Afghaanse jas los en keek om zich heen. Aan de muur hingen zwart-witfoto’s en kleurenposters van beelden: de koppen van het Paaseiland, een Boeddha, Egyptische farao’s, heiligen in een Romaans kerkportaal, Michelangelo’s slaven en een stuk of wat moderne beelden.

Het venster. En beneden: een gazon met bruine plekken en lege bloemperken langs de dofrode muren. Andere tuinen, sommige alleen door een haag gescheiden. Ramen zonder licht, hoewel het een sombere namiddag was.

Marc zocht in een stapel op de grond naar een elpee. Gekras van de naald in de rand van de plaat. Blues. Helga wist niet wie, maar ze kende het genre van een radioprogramma waar ze naar luisterde, laat op donderdagavond.

Ze voelde dat Marc achter haar stond – hij maakte haar rug warmer (kon je dat voelen?). Ze draaide zich om. Vóór zijn mond de hare raakte, sloot ze haar ogen, bewust dat ze het deed omdat het werd verwacht.

Marc schoof een been tussen de hare. Door haar katoenen rok voelde ze de stof van zijn jeans tegen de binnenkant van haar dijen. Ze drukte haar kruis tegen hem aan.

‘Ik heb geweldige weed. Zin?’

De rook deed haar longen geen pijn meer. Haar gedachten kropen bij elkaar. Ze ging languit liggen. Ik ben heet, dacht ze, nat, en ze zei het ook. Het maakte de opwinding groter, alsof de woorden ze scherp stelden. Ze was doorschijnend, een meisje van glas dat vanbinnen nog niet was gestold.

Helga herkende het weke gevoel in haar hartstreek, de tinteling in haar liezen. Hetzelfde en toch anders, omdat Marc een ander was, en omdat haar lijf anders op hem reageerde. Vuurwerk viel door haar buik.

Marc vond het strookje huid tussen haar rok en haar trui. Ze ging recht zitten en trok de trui over haar hoofd. Marc keek.

‘Maar ik wil niet neuken,’ fluisterde ze.

Terwijl hij haar opnieuw kuste, wurmde hij de knoop van haar rok los. Helga liet hem begaan.

‘Je nam toch de pil?’ zei hij, schor.

Hilde? Ja, natuurlijk – Hilde.

‘Ik ken je niet genoeg.’

‘Godverdomme!’

Hij liet haar los, zwaaide zijn benen over de rand van het bed en bleef zo zitten. Wat haar lijf voelde, deed haar denken aan neonlampen die je met één schakelaar uitdeed, maar die niet allemaal tegelijk doofden. Ze merkte dat teleurstelling je keel dichtschroeft met de handen van iemand die probeert je te wurgen.

11.

Het was koud. De dikke trui was een goed idee geweest. Met een papieren zakdoekje veegde Helga het stof van de schoorsteen. Ze legde haar Afghaanse jas op het gebarsten marmer. Deze keer stond het Kerstoratorium van Schütz op het bandje. Eerst hadden de ijle, breed uitwaaierende koren haar aangesproken – ze
maakten van de oortelefoon een hoge, holle kerk. Maar het waren de lange passages van de verteller – halfgesproken, half gezongen – die haar lichaam deden trillen van verlangen om te bewegen.

Helga trok haar sportschoenen aan en drukte de play-knop in.

Ze liep naar het midden van de kamer. Ze sloot haar ogen en luisterde hoe de spanningsbogen, de klemtonen van de muziek in haar hoofd weerklonken. De stemmen, waarvan ze de woorden niet verstond, ook niet wilde verstaan (ze stonden haar verhaal in de weg). Verhaal?

Armbewegingen, passen. Aarzelend nog. Iedere stap, elk gebaar een poging. Zonder houvast – alleen de muziek. Bevelen van haar hersens aan haar lijf die ze maar voor een stuk onder controle had. Het besef, aan de rand van haar bewustzijn, dat ze ooit (wanneer?) zou leren waar het verhaal over ging.

Na enkele minuten gaven haar benen het op. Ze zakte in elkaar, een marionet waarvan de draden worden losgelaten. De muziek ging voort – beweeglijk, beheerst. Het was haar niet gelukt in haar hoofd een gelijklopende spanning op te wekken. De snikken begonnen in haar maag, schudden haar door elkaar als iemand in een film die elektrische schokken krijgt toegediend.

12.

De regen van de voorbije dagen had de oprijlaan in een modderpoel herschapen. De bar van de tennisclub was, op enkele habitués na, leeg. Haar vader was nergens te bespeuren. De barman bediende met een paar snelle grepen het espressoapparaat. Van waar Helga ging zitten, overzag ze door een glazen wand de overdekte courts. Eén baan werd bespeeld. Ze luisterde naar het doffe tikken van de bal wanneer die door de racket van een van de spelers werd geraakt.

De wandklok wees kwart over elf. Haar vader was een halfuur over tijd. Maar Helga’s erge nis had meer te maken met haar onwil om te tennissen. Vroeger deed ze het graag, nu baalde ze ervan. Ze vond het volstrekt geen goed idee van haar vader om hier met haar af te spreken.

‘Wat?’ vroeg Helga geschrokken.

‘Of je zin hebt om te spelen?’ Hij wees met zijn racket in de richting van de courts. Grijsblauwe ogen, zag ze, ogen die je blik niet beantwoordden, maar tegenhielden.

Ze knikte en volgde hem door de gang naar de tennisbanen. Ze keek naar zijn iets te korte, gespierde benen, even bruin als zijn armen en zijn gezicht.

Hij was veel geoefender dan zij, maar zijn bewegingen verscherpten haar ncentratie, alsof zijn kracht zich ook van haar meester maakte.

Pok! – de bal bewoog zich traag (vond ze) en sierlijk door de lucht. Ze keek naar zijn boogvormige baan.

Pok!

Bal, rennen, gemist. Pok!

Ze maakte haar bewustzijn leeg. Ze zag haar vader die vanuit de bar op het tennisveld neerkeek. Stil, als had hij haar niet herkend. Ze stak haar hand op. Hij zwaaide terug, een kort, wat onwillig gebaar.

‘Wie?’ riep de jongen (man?), en sloeg de bal op.

‘Mijn vader.’

‘Moet je naar ‘m toe?’

‘Ja!’

‘Ga je vanavond mee iets drinken? De Muze – negen uur?’

Ze knikte en deed een laatste, verbeten uithaal naar de bal. Hijverdween naar de douches. Ze wachtte voor ze zijn voorbeeld volgde, zodat ze hem niet meer hoefde te zien.

De mensen met wie Helga aan de eindhalte op de Groenplaats van de tram stapte, verdwenen in alle richtingen. Ze hield de hand om de vlam van haar aansteker. Ze inhaleerde diep. Ze hoorde het gedokker van de pompen die het grondwater uit de bouwputten van de metro zogen.

Zou hij er zijn? De hele namiddag had ze zichzelf voorgehouden dat het niet kon. De schrik die haar middenrif deed samentrekken, verried dat ze het niet echt geloofde. Ze duwde de deur van De Muze open. Snel liet ze haar blik langs de opeengepakte mensen glijden.

De lift suisde geruststellend. Ook de pijn suisde, de pijn in haar  hoofd – ze had zelden méér gedronken – en de andere pijn, tussen haar dijen. Tot de lift stopte, luisterde ze naar de pijn.

Haar moeder had de deur van de flat niet op het nachtslot gedaan en het licht laten branden. Helga sloop naar binnen. Ze liet zich neerploffen op de sofa.

Hij heette Paul. Hij was naar haar toegekomen en had haar kort maar beslist op haar mond gekust.

‘Sorry dat ik laat ben,’ zei hij, zonder verdere uitleg.

Hij had nog niet gegeten en nam haar mee naar een restaurant bij het Conscienceplein. Het kaarslicht verzachtte zijn trekken.   Helga dronk grote glazen rode wijn die snel naar het hoofd steeg.

‘Ik mag niet te laat thuis zijn. Mijn moeder blijft op me zitten wachten,’ zei ze.

Het had allemaal geen moeite gekost. Ze had zijn blikken en hints als vanzelf beantwoord. Ze ging mee naar een discotheek waar ze zich niet op haar gemak voelde, en ze dansten op muziek waar ze niet van hield. Ze dronk nog meer wijn. Dan boog hij zich over haar heen en kuste haar. Een koele, ervaren kus.

Hij nam haar mee in zijn auto. Hij bleek niet eens erg ver bij haar vandaan te wonen. Hij had haar opnieuw gekust en de kleren van het lijf gestroopt. De pijn – ze was later teruggekomen – duurde minder lang dan zijn verwondering, dan de excuses die hij had gemaakt. Hij wist geen raad met haar bloed op zijn lakens.

Rood, een oorlogskleur. Verwonderd keek ze ernaar terwijl ze op de rand van het bed een sigaret rookte en hij in de badkamer rondstommelde. Zwijgend bracht hij haar thuis. Hij vroeg niet of ze elkaar zouden weerzien.

13.

Helga opende het raam van haar kamer en ging op de vensterbank zitten. Het was stil in de flat: haar moeder was met haar nieuwe vriend gaan zeilen en kwam niet voor zondag terug. De namiddag vergleed in de avond. De tuin – was het zo of ver- beeldde ze het zich? – geurde naar de zomer. Zoals het donker werd aangekondigd door iets in de atmosfeer – misschien werd het minder warm of verdichtte het blauw van de lucht zich – voorspelde die geur een seizoen. De eerste zomer sinds die van haar dood.

Het moment loste op. Er was nog slechts verwachting. Vreemd hoe de toekomst voelbaar was, hoe die zich als een tastbaar iets aan haar meedeelde. Er kwam opwinding over haar, een lichte, niet echt onprettige pijn. Ze staarde naar het licht op de bladeren, getroffen door het besef dat ze dit gevoel kende, en dat het door de herkenning zelf werd versterkt. Ze verlangde naar de toekomst en ze was bang het verleden te verliezen, al leek het of ze zich bij voorbaat bij dat verlies had neergelegd. Ze zocht in haar herinnering waar het thuishoorde.

Twaalf is ze, misschien dertien. September, onverwacht veel doorzichtiger dan augustus. De hoge lucht: een scherm, gespannen achter de gebouwen die het park omzomen. De school is uit en ze zijn met hun drieën op stap, Veronique, Martine en zij.

Veronique likt aan een roze ijsje. Martine vertelt dat ze verliefd is op Nico, de overzitter. Haar ijle, nerveuze stemmetje drenst aan één stuk door. Ze gaan op een bank zitten. Het hout is nog warm van de zon, Helga voelt het door de stof van haar bloes. Een eind verder, op het gazon, een groep tieners, ouder dan zij, zestien. Ze hebben een transistorradio bij zich: In the year 2525 van Zager & Evans.

Een van de jongens legt zijn arm om het middel van een meisje. De beweging, gevangen in het korrelige licht, het gevoel van de aanraking – de warmte van een andere huid die langs de hare glijdt. Er is niets te begrijpen.

Het werd donker. Door de kruinen van de bomen zag Helga de verlichte vensters van de huizen in een evenwijdige straat. Een kamer lichtte op in het verspringende grijze schijnsel van een televisiescherm. De stencil met examenvragen lag links van haar ruitjesblad op de bank. De andere leerlingen waren opgehouden met praten en de leraar gaf een paar verduidelijkingen. Helga probeerde het beven van haar handen te doen ophouden door het dopje van haar vulpen los en weer vast te schroeven. Haar mond was droog en smaakte naar de laatste sigaret van zoeven. Voor de bel ging, had ze er niet meer dan drie trekken van kunnen nemen.

Links bovenaan het blad schreef ze in drukletters haar naam en daaronder haar klas. Inhet midden Examen Wiskunde en helemaal rechts 12 juni 1974. De letters waren niet allemaal even groot en ze werkte ze bij, minutenlang. Tenslotte zagen ze eruit of iemand anders ze geschreven had.

Helga keek ernaar, alsof ze hoopte dat ze onder haar blik van vorm zouden veranderen. Als bij een trip. Bert had gezegd dat het kon. Dat je alles van vorm kon doen veranderen. L.S.D. Omgekeerd: D.L.S. Nee: D.S.L. Het letterwoord bleef doorzichtig, onaantastbaar. Ze merkte dat ze het in de marge had geschreven: D.S.L. De letters waren beverig, zoals de andere. Lucy in the Sky with Diamonds. Diamonds. Sky. Lucy. Diamonds in the sky with Lucy. Geen verschil.

Ze keek op, merkte dat de anderen al begonnen waren. De blik van de leraar kruiste de hare. Ze boog zich over haar blad. Ze schoof dat met de vragen dichterbij en telde tot tien.

Ze durfde te kijken. Een alcoholstencil met kliederige blauwe letters en kleine, onduidelijke tekeningen. Ze las de eerste vraag en begon te cijferen. Tot ze zeker was dat het niet hielp. Ze herinnerde zich de formule, maar slaagde er niet in met de cijfers iets zinnigs te doen. De cijfers leken op de letters 1, s en d. Waarom zat ze in dit stukje tijd gevangen? En niet in gisteren? Ze stopte haar schrijfgerei in haar pennenzak. Een poot van haar stoel miste een rubberen dop en kraste over de vloertegels. Tussen twee rijen banken, onder een kruisvuur van blikken, liep ze de leraar tegemoet. Ze keek door hem heen en legde het blad op zijn lessenaar. Ze ging de grote trap af en de school uit. Een paar minuten later was ze bij de tramhalte.

Haar stappen klonken luider op de parketvloer dan anders. Het was of ze dit wekenlang had voorbereid, want ondanks haar opwinding slaagde ze erin systematisch te werk te gaan. Veel spullen had ze niet. Kleren. De boeken die ze het afgelopen jaar had gekocht. Haar teddybeer, het fotoalbum waarvan ze zelf het hoofdpersonage was. Platen. Ze propte alles in de koffer.

Ze ging aan tafel zitten en keek naar het flatgebouw aan de overkant. De kraan boven de gootsteen in de keuken drupte nog steeds. De dingen verscholen zich achter hun vertrouwdheid, probeerden vat op haar te krijgen, haar te vangen in een web van kleverige herinneringen aan ogenblikken die ze niet had liefgehad.

Er was niets dat haar dwong weg te gaan. Waarom dan? Het antwoord was eenvoudig: het verleden dat de voorwerpen om haar had geordend, bestond niet meer. Het had geen zin eraan terug te denken.

Tussen Helga en de stilte schoof het gerinkel van de telefoon.

In haar hoofd begon een knipperlicht te werken. Op de lift wachtte ze niet, ze stormde langs de trap naar beneden. Na de schemer van het trappenhuis deed het zonlicht pijn aan haar ogen. Wanneer haar moeder morgen thuiskwam, zou koelte haar eerste gewaarwording zijn.

Geen mens op straat, maar Helga was er zeker van dat vanuit alle huizen naar haar werd gekeken. Ze pakte de koffer, begon de straat uit te lopen. Bij iedere stap bonsde de koffer tegen haar linkerbeen. Ze lette niet op de pijn. Ze moest weg, zo snel mogelijk.

Buiten adem kwam ze bij de hoek. Ze kreeg een hoestbui die haar verplichtte de koffer neer te zetten. Mensen – kwamen ze uit de huizen, waren ze haar gevolgd? – keken. Haar knalgele T-shirt plakte tegen haar lijf. Een man met een brieventas onder zijn arm gluurde naar haar borsten.

14.

Hij zei het niet met zoveel woorden, maar haar vader weet Helga’s vertrek aan haar moeder. Hij nam zich voor haar te bellen. Helga mocht blijven. Hij beloofde dat ze samen zouden uitzoeken hoe het verder moest. Daarna gingen hij en Pauline over tot de orde van de dag.

15.

Fred de dealer had een lichtblond snorretje. Hij besteedde geen aandacht aan haar, fluisterde druk tegen Bert. Bert gaf haar de trip: een minuscule groene pil in een stukje cellofaan.

‘Wat voor soort is het?’ vroeg Helga’.

‘Een groen monster,’ zei Bert. ‘Heb je wat om ‘m mee in te nemen?’

Ze schudde van nee. Hij hield haar zijn glas voor. Ze frunnikte aan het cellofaan.

‘Hoe lang voor hij werkt?’ vroeg Helga.

‘Een kwartier,’ antwoordde Fred.

Ook na de slok lauw bier had Helga nog dorst. Maar het was te warm om het Pannenhuis binnen te stappen. Ze keek naar een kat die langs de gevels liep, hoorde de gillende hippiekinderen. Vliegen zoemden om de verdroogde hondendrollen die bij de bank op de grond lagen – drollen die hard en licht waren geworden, die je makkelijk kon wegschoppen.

Fred ging weg. Bert zei iets tegen hem over zijn Duitse familie aan wie hij vanmiddag de stad moest laten zien. Ze lachten. De angst kwam vanuit haar maag, waar nu de trip zat: een staaf schrik die omhoogschoof in haar slokdarm.

Helga liep naast Bert. Ze was bang. Bang (Bang! – m’n kop ontploft). Ze probeerde aan een muur te denken, zoals die man in een film die ze had gezien. Hij werd bedreigd door telepathische marsmannetjes.

Berts oom en tante bekeken haar eerst wantrouwig. Bert liet echter geen kans onbenut om een hand op haar knie of een arm om haar schouders te leggen, zodat ze aannamen dat ze zijn vriendin was. Toen ze vroegen wat haar vader deed, nam hun enthousiasme toe.

De tante was een rond vrouwtje met rode armen die uit de pofmouwen van haar jurk puilden. Ze vond alles sehön en kirde van verrukking bij iedere straathoek die ze omsloegen. De oom was kleurenblind: het hemd dat over zijn buik gespannen zat, was oranje. En – Helga was er bijna zeker van – fosforescerend.

Dieter, hun zoontje van acht, was kogelrond – een big met blond haar. Kinderen vertederden haar zelden, dit exemplaar boezemde haar afschuw in. Sinds Bert en zij het drietal hadden gevonden op het terras van café De Post – oom Willi was zelf loketbeambte in het Keulse hoofdpostkantoor – zeurde het sjagrijn om een ijsje.

Dieters moeder boog zich naar Helga toe en vertelde dat hij er vandaag al vier gegeten had. Kinderen kunnen toch zo gulzig zijn, Präulein. Maar hij deed het goed op school, zo goed als der Bert.

Op de Grote Markt kreeg Onkel Willi behoefte aan nog een biertje. De veter van Dieters linkerschoen was losgeraakt. Het joch begon nog harder te jengelen.

Wilde ze een goeie beurt maken?

 ‘Ich wil es machen,’ zei Helga, en knielde voor hem neer.

Ze pakte de uiteinden van de veter en haar vingers maakten de gewone bewegingen. Ze trok, maar in elke hand hield ze nog steeds een uiteinde, zonder dat er een knoop tussenin zat. Als rook dreef verwondering haar hoofd binnen. Het jongetje zette zijn voet achteruit. Ze tastte naar zijn enkel, maar die was verder bij haar vandaan dan ze dacht. De grond kantelde langzaam omhoog, tot ze op haar knieën zat. Van ergens achter haar klonk veel (hoeveel?) later de stem van Dieters moeder:

‘Dieter!’

Ze bleef op de grond zitten, maar richtte zich op, en probeerde het opnieuw. Ze voelde dat haar vingers ontzettend dik waren. De spieren om haar mond plooiden zich tot een grijns – het voelde als een grote druppel olie die uiteenspat. Ze lachte door een microfoon. Het geluid bereikte haar van ver, versterkt.

Bert. Zijn gealarmeerde vollemaansgezicht, vlakbij het hare.
‘Oppassen!’

Ze schaterde het uit.

Berts familie was ergens achtergebleven en ze liepen naar boven over het hellend vlak naar het wandelterras bij de Schelde. Helga herinnerde zich niet meer  wanneer en hoe ze beneden vertrokken waren. Alleen dat de stad achter hen lag, en dat het panorama prachtig zou zijn – Bert had het beloofd en Bert hield van
haar. Daarom liepen ze hand in hand. Voortdurend kwamen ze mensen tegen die terugkeerden van het uitzicht. Vriendelijke mensen in zomerkleren, met kinderwagens. Het geluid van hun stemmen hechtte zich kleverig aan haar trommelvliezen.

De helling zakte voor haar voeten weg en maakte plaats voor  een ruimte, zo duizelingwekkend hoog en diep dat Helga een ogenblik dreigde haar evenwicht te verliezen. Aarzelend, als had ze wekenlang het bed moeten houden, liet ze zich leiden. De ruimte opende zich om haar door te laten. Ze keek naar de groene lucht en dacht: ik val helemaal naar boven. Even leek het of de grond haar losliet en ze omhoog zou tuimelen, maar haar voeten kleefden aan het asfalt. Naast Bert waadde ze verder. De zwarte substantie sloot zich over hun diepe voetindrukken.

Bert troonde haar mee naar de borstwering. Naarmate ze dichterbij kwamen, schoven de torenflats op de andere oever verder achteruit. Tenslotte zag Helga, tussen de borstwering en de muur van teruggeweken gebouwen, de stroom. Boven de andere oever – een scherm waar ze haar hand maar naar hoefde uit te
steken – schoof een blauwe wolk voor de zon. Helga wachtte op de klap die met de explosie gepaard moest gaan.

Het licht, en zijn weerkaatsing door het hete metaal in de bedding van de stroom, troffen haar als een vuistslag tussen de ogen. Uren hield ze die gesloten. Ze volgde het spel van de tinten die de ontploffende hemel op de binnenkant van haar oogleden toverde. Dan – ze was vergeten waarom ze haar ogen zo stijf dichthield – durfde ze weer te kijken.

Haar handen. Ze lagen op de borstwering. Waarom waren ze zo zwaar? Ze vroeg het aan Bert. Hij antwoordde iets dat ze niet verstond. Ze staarde naar de poliepachtige bewegingen van zijn lippen, en naar de donkere holte erachter, maar haar handen trokken haar blik weer naar zich toe. De balustrade dreigde onder hun gewicht te bezwijken. In de verte begon de dunne potloodlijn, de bovenste staaf van de borstwering, te trillen. De golven bereikten haar en gingen als stroomstoten door haar lijf – een van elders toegediende hartslag. Ze liet hem ophouden, het werd stil in haar. Handen, dacht ze. De huid waardoor ze de fragiele beenderen zag.

De huid over haar vingers. Poriën. Steeds groter naarmate ze ze naderbij haalde. En kleuren. Ze wist niet dat haar huid uit rode en oranje en bruine en gouden korrels bestond die door elkaar warrelden. Helga bewoog haar hoofd naar achter en het was of een grote afstand haar plots van de handen scheidde.

Ze keek door dikke lagen glas naar de twee wezens die op de borstwering lagen te slapen. Een stuk van het lichaam waarin ze niet langer woonde. Ze stond er buiten, vormeloos, op een onbepaalde plaats. Ze was lucht, afstand, doorzichtig. De gedachte aan haar vel, pijn die langs haar zenuwen kon lopen, was absurd.
Zolang ze in haar lijf zat, konden ze haar vangen, straffen, verplichten hen te ondergaan. Nu konden ze alleen de doos pakken waaruit ze was ontsnapt. Ze was alleen, onzichtbaar en volmaakt.

Bert stak zijn arm uit en wees. Helga’s blik volgde zijn mouw en stortte zich, door de afstand aangezogen, in de verte. De kolom bruine rook steeg recht omhoog.

De sirene van een brandweerwagen. Het geloei drong haar schedel binnen. Ritmisch, als een hysterische hartslag, trok het samen en zette uit. Helga bedekte haar oren, maar nu het in haar hoofd zat, liet het geluid zich niet meer verjagen.

Ze haastten zich over het trottoir van de straat langs de stroom.

Helga wilde er niet heen, maar ze durfde niet alleen te blijven. Bij iedere stap die ze zette, werd de weerstand van de lucht groter. Ze hoorde zichzelf hijgen.

Het binnenste van de loods was herschapen in een oven. Door de wind aangewakkerde vlammen likten aan het dak van gegolfd metaal. In het schijnsel van vlammen en knipperlichten kregen de omstanders oranje, rubberachtige tronies.

Door de stank van verbrand papier en het gedruis van het vuur stapte een brandweerman – onaantastbaar met zijn helm van schitterend wit – op de dreiging af. Hij hield het koperen stuk van de brandslang als een machinegeweer voor zich uit en zette zich schrap om de schok van het water op te vangen. De waterstraal verhief zich in een boog en stortte sissend in de gloeiende massa.

Hitte schroeide Helga’s gezicht. Vuisten van angst drukten op haar slapen. De vlammen braken door het dak van de loods. Helga zag druppels van vuur langs de helling glijden. De balken begaven. Met oorverdovend gekraak en een hete windvlaag stortte het dak in. Een regen van vonken klom omhoog. Helga gilde het uit.

Fred, die ze daarstraks opnieuw tegen het lijf waren gelopen, schoof de mouw van zijn tot op de draad versleten leren jasje omhoog om op zijn horloge te kijken. Tien uur, zag Helga. Maar haar eigen gezicht eiste al haar aandacht op. De spiegel boven de tapkast zat vol vlekken en dwars over haar voorhoofd liep
een barst.

Hoe ze ook probeerde niet op hen te letten, de mensen in het Pannenhuis achtervolgden haar tot hier, waar ze niet meer van vlees en bloed was: hoofden en gebaren bevolkten het geschonden glas.

Helga schrok van de hardheid in haar eigen ogen. Alsof haar  spiegelbeeld haar niet meer nodig had en alleen wilde voortleven. Het gezicht van haar spiegelbeeld was vals. Schuldig. Wat had ze gedaan?

De anderen wisten het, maar deelden hun geheim alleen met elkaar. Hun gesprekken waren een maskerade, ze wisselden blikken vol betekenis uit. Op het afgesproken moment zouden ze zich naar haar toe keren en haar hun verwensingen in het gezicht slingeren.

16.

De zon spatte open als een overrijpe vrucht. Zelfs waar hoge gevels haar licht beletten door te dringen, hing de hitte zwaar in de straten van de binnenstad. Toch gaf de Wijngaardstraat een indruk, niet van koelte, maar van vochtigheid, van plantaardige rust, na de drukte op de trottoirs van de Groenplaats en de Melkmarkt.

Helga bleef staan voor het uitstalraam van een boetiek en keek naar kleren, juwelen en kleurige doosjes met Aziatische schoonheidsmiddelen die haar deden geloven dat er nog karavanen door de steppen trokken. Vanuit de schaduw betrad ze even later het plein als was het een toneel.

De gevel van de Carolus Borromeuskerk baadde in het gloeiende licht. Helga keek omhoog. De blauwe kromming van de lucht gaf haar de indruk dat ze leefde aan de binnenkant van een reusachtige azuren ballon.

Ze haalde een pils in het Pannenhuis en ging tegen het hek voor de kerk zitten. Een jongen die een eindje verderop zat, probeerde een gesprek te beginnen. Ze liet merken dat ze er geen zin in had. De zon stond boven de Stadsbibliotheek en scheen recht in haar gezicht. Helga vrijde met het licht. Ze voelde de bijna onverdraaglijke warmte over haar lijf glijden, zachter dan Freds handen.

Ze mocht niet aan hem denken. Ze zag hem vanavond. De namiddag was voor haarzelf. Haar gedachten zouden niet verder reiken dan haar huid.

Ze leidde Freds hand langs haar lijf. Zijn vingers boetseerden haar na. Ze liet zich naar beneden glijden, haar mond op zijn buik.

Hij begroef zijn handen in haar haar, de weelde om haar schedel. Ze nam hem in haar mond. Ze kwam weer bij hem. Haar bewustzijn kromp samen tot de kleur achter haar oogleden. Ze was alleen met het feilloos functioneren van haar lichaam. De gebaren die ze maakte, ontstonden uit elkaar als delen van één lange, sierlijke beweging.

Freds hand gleed even, een fractie van een seconde, langs haar wang. Ze rook de scherpe geur van haar kut. Met haar twee handen bracht ze hem in zich. Hij zette het ritme in en ze beantwoordde zijn bewegingen. Ze sloot zich op in het egoïsme van haar lijf.

Het licht doofde onder haar huid. Helga hield hem in zich. Zo bleven ze liggen.

De kamer was even hoekig als het weinige dat Fred sinds de eerste keer tegen haar had gezegd: een paar auto stoelen met vlekken op de bekleding, een verveloze keukenkast, de matras.

Helga liet zich op haar zij rollen. Op de vensterbank zag ze een metalen doosje. Ze stak haar arm uit, te snel opdat Fred haar kon tegenhouden. Het doosje bevatte een zwartgeblakerde koffielepel en een injectiespuit.

Fred sloeg haar. Zonder zich op te winden, met zijn vlakke hand. Op allebei haar wangen. Ze verroerde niet. Haar blik zat vast aan zijn gezicht. Haar huid gloeide – ze kon aan niets anders denken. Het leek of alle gevoel zich erin samentrok – haar armen, borsten, buik, waren er niet langer, voelden als rubber. Daarom – daarom? – had ze plaats voor de opwinding. Die was zo plots en hevig dat haar zenuwen waren geknapt als ze nog iets anders was gewaargeworden. Even was ze gewichtloos. Een kat op de rand van een dak die voor- en achterwaarts wiegt voor ze springt. Ze drukte zich tegen hem aan. Ademloos voelde ze hoe groot en hard hij in haar gleed. Hij schoof zijn handen onder haar kont. Nooit was ze zo snel gekomen. Zijn gewicht smoorde het schokken van haar lijf en hij ging door tot ze opnieuw zwom in de elektrische golfslag. Ze schreeuwde het uit.

Helga hoorde Freds blote voeten op de vloerplanken. Ze bewoog niet. Als ze stil lag, ging het misschien over – dat ze open was, aan alle kanten en dat alles haar kon bereiken. Al wat ze zag en hoorde. Ieder verlangen ook, zodat ze niets en alles wilde. Ze dreef op zee op een doorschijnende luchtmatras. Onder haar voelde ze honderden meters zwart, bewegend water.

17.

The Rocks. Metershoge neonletters aan de gevel die rusteloos aan en uit knipten, hun effect gehalveerd door het daglicht. Nog voor haar ogen aan het donker gewend waren – blacklight en gekleurde spots creëerden een onzekere schemer – wist ze dat de dancing leeg was.

Fred ging in het midden van de rij lege barkrukken zitten. Ze hees zich op die naast hem. Hij hield haar zijn sigaretten voor (de eerste trek verscherpte haar hoofdpijn). Fred wenkte de barman. Het was een kleine gespierde man met ontzagwekkende schouders en onderarmen, zo breed als Helga’s dijen. Ze pakte Freds hand. Hij verroerde niet tot de man – een worstelaar, een bokser? – bij hen was en Fred herkende.

‘Freddy!’ De stem klonk lichter dan ze zich had voorgesteld.

De kolos grijnsde breed. Aarzelend legde Helga haar hand in de berenpoot die hij uitstak. De barman heette Theo. Hij vroeg wat ze dronken en begon druk tegen Fred te fluisteren.

‘Nee,’ hoorde ze Fred antwoorden, ‘ze is oké.’

Theo verdween door de deur achter de tapkast en kwam terug met in elke hand een pak met krantenpapier eromheen. Hij gaf de pakken aan Fred, die ze in de zakken van zijn jasje liet glijden.

De schrik die Helga bij hun entree overviel, was weg. Na haar biertje bestelde ze rode wijn. Het gesprek ging eerst over het huis aan de Stephaniestraat, waar de mensen bij wie Fred zijn spul betrok, hun voorraad bewaarden. Het huis werd gesloopt en moest worden ontruimd. Fred informeerde in de loop van het gesprek naar een zekere Karl. Die kwam volgens Theo binnen anderhalf uur aan met de express uit Amsterdam.

‘Met vijfduizend trips in zijn valies.’

‘Vijfduizend?’

‘Ja, poppetje, dit is business.’

‘We halen hem af,’ zei Fred. ‘Hebben ze intussen al een idee van een nieuwe plek voor de rommel?’

Theo schudde zijn zware kop. Het was niet gemakkelijk, zei hij,om een huis te vinden dat verlaten was en dat ook voor een poosje bleef.

‘Ik ken een plaats,’ zei Helga.

‘Jij?’ vroeg Fred. ‘Flauwekul.’

‘Laat haar uitspreken. Waar, poppetje?’ Ze vertelde over de villa in de voorstad.

Het verkeer raasde langs hen heen. Ze klemde Freds hand zo stevig in de hare dat hij opzij keek.

‘Niks,’ zei ze.

Het verkeerslicht stond op rood. Naast en achter hen vormde zich een drom voetgangers. Helga hoorde stemmen, rook zweet. Het Centraal Station stond te trillen in de hitte. Freds hand lag als lood in de hare. Klam. Huid. Vlees.  Vingerkootjes wit als kippenbotjes. Iemand anders.

Helga zweette hevig. Haar bloed stroomde te traag. Voor haar ogen trad een vlekkerig donker in. Haar hielen gleden van de rand van de stoep. De schok die ze voelde, was veroorzaakt door Fred die haar tegenhield. Schimmen zweefden voorbij. Ze hoorde zichzelf hijgen.

‘Het is niks,’ herhaalde ze. Haar benen werden weer echt.

De lucht in de stationshal smaakte naar stof. Fred nam geen risico en liep naar een automaat met perronkaartjes. Helga had geen zin om te wachten – haar hoofd bleef zwaar, de misselijkheid week langzaam – maar durfde niet alleen weg te gaan. Ze namen de roltrap naar de perrons. De zon brak door de wolken en zette de glazen stationskap in brand.

De blauw-en-gele locomotief verscheen van achter de bocht, de trein gleed langs het perron. De portieren werden opengegooid. Onwennig overspoelden de reizigers het perron. Terwijl ze naderbij kwamen, reed ook aan de overkant een trein binnen waarvan de passagiers zich met die van de eerste vermengden.

‘Dáár!’

Helga keek, maar zag enkel de compacte groep die op hen afkwam. Uit een aantal keurig geklede heren – ze leken bij elkaar te horen – maakte zich een figuur los. Ook hij droeg een pak; in zijn linkerhand hield hij een aktetas die heen en weer bewoog bij iedere stap. Iets in zijn verschijning zei haar dat het fake was.

Karl.

Maar ook: twee mannen in lichte regenjas die hun pas versnelden en aan weerszijden van hem gingen lopen. Hij kreeg hen in de gaten, schrok. Ze pakten hem beet. Een van de mannen probeerde de tas uit zijn hand te sleuren.

‘Godverdomme! Smeerlappen! Houd de dief!’ riep Karl. Hij probeerde zich los te rukken, worstelde. ‘Houd de dief!’

Mensen werden opzij geduwd. Drie havenarbeiders – Helga dacht dat het  havenarbeiders waren, maar zeker was ze niet – baanden zich een weg door de omstanders. De eerste politieman kreeg een vuistslag in zijn gezicht. Hij viel languit. De tweede kon een klap afweren. Karl bukte zich, greep de tas die op de grond was gevallen en zette het op een lopen. Niemand hield hem tegen. Hij rende langs hen heen en verdween door de openstaande deuren naar de trap. De verwarring op het perron duurde voort.

Fred troonde haar mee. Ze hoorden de gil van een politiefluit, maar keken niet om. Karl was weg.

Alsof er niets aan de hand was, verlieten ze het station.

“Ik moet terug naar The Rocks,’ zei Fred. ‘Misschien verdwijn ik voor een paar dagen…’

Helga bleef alleen met haar angst. Haar zekerheid.

18.

Ze bereikte de overloop en wilde het licht aanknippen. De lamp vertikte het, precies zoals daarstraks, toen ze voor het eerst was komen kijken of Fred er al was.

Ze liep door de donkere gang. Bij het raam bleef ze staan. Er zaten druppels op het glas. Het huis leek op een bergmassief waarin de gangen en kamers  uitgespaard waren. En Helga was een bange holbewoner.

Ze klopte aan.

‘Fred,’ zei ze, ‘Fred.’

Ze klopte harder. Nu hoorde ze voetstappen. Hij had zijn leren jas aan en in zijn mondhoek hing een sigaret.

‘O, jij,’ zei hij.

Ze wilde zich tegen hem aandrukken maar er was nog iemand in de kamer – Karl.

‘Ik moet je iets zeggen. Onder vier ogen.’

‘Geen tijd. We moeten weg.’

‘Het is belangrijk.’

Met tegenzin volgde hij haar tot op de overloop.

‘Heb je sigaretten?’ vroeg ze.

De rook deed haar hoesten. Fred keerde haar zijn rug toe en keek over de trapleuning. Haar mond was droog. De hand waarin ze haar sigaret hield, trilde.

‘Waar blijft die klootzak?’ vroeg Fred. Dan draaide hij zich naar haar om. ‘Nou, wat is er?’

‘Ik krijg een kind.’ De woorden waren kiezels die ze voor zijn voeten gooide, in de hoop dat hij zich zou bukken om ze op te rapen. Hij verroerde niet.

‘Ik ben in verwachting!’

De lijnen om zijn mond verstrakten. Het duurde lang genoeg om het te merken voor hij antwoordde: ‘Daar heb ik nu geen tijd voor.’

De betekenis van het zinnetje drong niet tot haar door. Toch werden haar woorden voorafgegaan door ‘maar’: ‘Maar ik krijg een kind. Ik heb geld nodig.’

‘Ik heb geen geld. En wie zegt dat het van mij is?’

‘Fred, godverdomme!’

‘Vraag het aan je ouwe, die stikt in het geld!’

Hij trapte de peuk van zijn sigaret uit. Hij wilde teruglopen. Helga pakte zijn arm en klampte zich vast aan de revers van zijn jas.

‘Klootzak!’

Hij gaf haar een duw. Om haar evenwicht te hervinden, deed ze een stap achteruit. En nog één. Haar voet kwam niet meer op de vloer terecht. Ze  probeerde de leuning te pakken. De zoldering viel van haar weg. Kort voelde ze pijn van vuistslagen op haar lijf. En niets meer.

19.

Pauline schonk een kop koffie voor haar uit en las voort in een dik medisch tijdschrift dat ze uit de stad had meegebracht.

‘Mijn collega heeft gebeld,’ zei Helga’s vader. ‘Donderdag kan het.’

Ze knikte.

‘Je wilt het toch echt?’

‘Het moet.’

Ze luisterde naar de vogels die in de bomen om het gazon huis den. Ze had zelfs geen hoofdpijn meer. Iemand had een ziekenwagen gebeld. In het ziekenhuis was ze onderzocht door een vriend van haar vader, die ontdekt had dat ze zwanger was. Toeval? Het deed niet terzake.

Haar vader liep naast haar.

‘Ik schrijf je de pil voor,’ zei hij. En: ‘De vader, is dat iemand die we moeten verwittigen?’

Helga schudde van nee.

Cumuluswolken dreven in de richting die ze uitgingen, hun hoge toppen verblindend wit in het licht. Het duurde tot ze weer een stuk gelopen hadden, eer hij vertelde dat ook haar moeder die morgen gebeld had.

‘Ze wil je zien.’

Zijn ogen tastten Helga’s gezicht af. Ze knikte.

Het pad liep het bos in dat al een poos als een donkergroene heuvel voor hen lag. Koele schaduw vouwde zich om hun schouders als een sjaal. Na honderd meter maakten de sparren plaats voor kreupelhout. Vroeger – amper zes jaar geleden – had ze er met de kinderen uit de andere buitenhuizen gespeeld. Ze schoof de herinnering opzij.

Haar vader stak een sigaar op.

‘Heb ik je nooit horen zeggen dat je een dansopleiding wilde?’ vroeg hij.

‘Mmm,’ antwoordde Helga.

‘Thuis ligt een artikel dat Pauline uit de krant heeft geknipt. Je moet het maar eens bekijken.’

Helga knikte.

Het pad liep omhoog en maakte een bocht. Ze lieten de begroeiing achter zich. Opeens stonden ze in het volle zonlicht op het jaagpad langs het kanaal. Lijnen vluchtten links en rechts naar de einder.

Zuigende leegte. Fred.

Helga pakte haar vaders hand.

20.

Helga leunde achterover in de met leer overtrokken fauteuil van haar vader en stak een sigaret op. Ze luisterde naar het gezoem van de elektrische klok op de schrijftafel. De cijfers versprongen met een klik: 15:45.

Als Fred was waar Bert hem hoopte te vinden en als die hem het papiertje met het adres had gegeven, kwam hij. Helga schoof de fauteuil achteruit. De deur van de wachtkamer zat niet op slot. De onderste helft van de ramen was melkwit, maar als ze op haar tenen stond, kon ze over de strook kijken. Het hoofd van een voorbijganger dat op minder dan een halve meter langs het venster kwam, maakte haar aan het schrikken. Ze wankelde achteruit. De herinnering aan de leegte die haar lijf had vermoed net voor ze van de trap viel, deed haar met bonzend hart stilstaan in het midden van de kamer.

Waarom wou ze dat ze elkaar hier terugzagen – om hem te imponeren, om duidelijk te maken dat ze zich alleen met hem inliet omdat ze daar zin in had en dat ze veilig was?

Fred was vermagerd. De lijnen om zijn mond waren scherper. En toch maakte hij een weerloze indruk. Helga deed de stappen die hen van elkaar scheidden. Ze legde haar armen om zijn hals, maar drukte zich niet tegen hem aan.

Ze probeerden de reden van hun roerloosheid op elkaars gezicht te lezen. Fred schraapte zijn keel. Hij hield zijn hand met de palm naar haar toe als om haar op afstand te houden.

‘Ik heb je gemist,’ zei hij.

Zijn gebaar was echter zo absurd en ging zo slecht met zijn woorden samen, dat Helga lachte. Ze schaterden het uit. Ze lag tegen hem aan in de warmte van hun lijven en luisterde naar de regen in de tuin.

‘Chique tent,’ zei Fred. En: ‘Wanneer komen jullie terug naar de stad?’

‘Als het voorbij is.’

‘Heb je ’t gehoord van Karl? Opgepakt, op straat. Bijna niks op zak, maar toch te veel voor eigen gebruik. Iedereen is bang dat hij gaat kletsen. Maar Karl houdt zijn bek.’

‘En de villa?’

‘Dat gaat door.’

Haar vader en Pauline zaten beneden op het terras. Helga ver stond niet wat ze zeiden. De Van der Aa’s aan de overkant hielden een feest. Ze zag de lampions tussen het loof. Ze sloot het raam en schoof de gordijnen dicht.

De lamp die aan een draad hing, bracht de bijna lege kamer tot in de geringste details aan het licht: de barsten, het verschoten behang, de matras op de grond. Hoe lang was haar vader al van plan de verdieping in orde te brengen?

Ze liep tot bij de oude kleerkast – lang geleden stond die bij Opa; als het bedtijd was had ze zich er vaak in verstopt – en keek naar zichzelf, de gevangene van de spiegel in elk van de deuren. Ze zette een stap dichterbij. Trok haar sweatshirt over haar hoofd, haakte haar beha los en liet hem langs haar armen neerglijden, maakte haar wikkelrok los.

Haar borsten waren groter geworden, dacht ze, maar dat had er niks mee te maken; het leek zelfs of haar buik platter was. Ze bekeek zichzelf van opzij en liet haar handen over de strakke huid glijden. Het was onmogelijk.

Ze deed het licht uit. Haar lijf herkende de bobbels en inzinkingen van de matras. Ze trok het laken op tot aan haar kin.

21.

Barokmuziek op de radio. De lucht kromde zich over de akkers. De bomen langs de weg flitsten voorbij. Tussen hen lag haar vaders hand op de versnellingspook. De wegwijzer bij een kruispunt zei Nederland.

Helga drukte de dashboardaansteker in. Ze draaide het raampje omlaag. Koele lucht streek langs haar elleboog. Ze stak een sigaret op. En wachtte op het aanbreken van de angst. Dat die niet kwam, maakte haar onrustig.

Het dorp. De slagerswinkel, cafés en huizen met sanseveria’s in koperen potten voor de ramen. De hoofdstraat maakte een bocht. Daar lag de grenspost. Haar vader minderde vaart. De douanebeambte in het glazen hok keek niet eens hun kant uit.

Het bleef stil in haar hoofd. Met pijnlijke precisie dacht ze aan haar laatste afspraak bij de tandarts. De muurposter met het bosgezicht tegenover de stoel, het tafeltje met de tangetjes en boren en andere instrumenten waarvan ze zich het gebruik niet voorstellen kon, de armleuning van de stoel onder haar klamme handen. Ook toen had het uitblijven van de angst haar ontredderd. En achteraf was het geweest alsof ze nooit een kies had laten vullen.

Ze sloegen rechtsaf. Voor de hoofdingang van het lage, witte gebouw bracht paps de auto tot stilstand. Op de vensterbanken bloeiden geraniums. Ze opende haar portier. Zoals het vullen van de kies zou de abortus straks, volgend jaar, niet hebben plaatsgevonden.

22.

Op het plein zaten de caféterrassen vol gewone luitjes die de roestige Amerikaan niet eens nakeken. Fred herinnerde zich niet goed hoe hij moest rijden, Helga gidste hem naar de weg die de polder inliep. Ze reden voorbij de verlaten boerderij. Honderd meter verder stopte Fred op de smalle grindstrook langs de weg. Hij zette de radio af.

‘Mag ik echt niet mee?’ vroeg Helga.

‘De anderen hoeven je niet kennen. En het blijft gevaarlijk.’

Fred verdween. Helga stapte op haar beurt uit. De ondergaande zon, die nog even tussen twee schoorstenen van de fabriek hing, verfde het dak van de Chevrolet rood. Langzaam week het licht, de kleuren werden van hun helderheid beroofd. Bomen en struiken kleurden blauw.

Zou ze een sigaret opsteken? En als iemand haar zag? Ze inhaleerde diep. Het was zo goed als donker. Op de schoorstenen en op de kranen van de scheepswerf gloeiden rode lichten. Krekels sjirpten; ergens reed een auto.

Helga stapte in. Ze zette de radio aan en zocht Hilversum Drie.

Rock Your Baby. Ze draaide aan de knop. Tot ze George McGrae op een andere golflengte terugvond. Ze opende het handschoenkastje en pakte het kubusje van zilverpapier. Straks, dacht ze.

Ze klapte de zonneklep naar beneden en probeerde zichzelf in het spiegeltje te zien. Alleen wanneer ze een trek nam, zag ze haar gezicht even in het rosse schijnsel.

Zou het nog lang duren? Helga stapte weer uit en liep weg van de auto, de kant van de boerderij uit. Ze ging op haar hurken tegen een boom zitten. Ze plukte een lange grasspriet, stak het uiteinde in haar mond.

Een droog geluid – het afstrijken van een lucifer. Helga keek in de richting van de wagen. Net zoals dat van haarzelf, een paar minuten geleden, zag ze het gezicht van de man. Helga liet zich op de grond vallen. Het zweet brak haar uit. Ze legde haar hand op haar hart om het bonzen te bedwingen. Ze luisterde. Niets. Of toch: in de verte, een naderende auto.

Helga richtte haar hoofd op. Hij was er nog. Ze voelde meer dan dat ze zag hoe hij roerloos op wacht stond bij de Chevrolet. Centimeter na centimeter kroop ze naar een bosje bremstruiken. Hier kon hij haar onmogelijk zien.

Koplampen kwamen dichterbij over de weg, verdwenen. Het geronk van de motor stopte. Bij het paadje dat naar de achter kant van de ommuurde tuin leidde, daar ergens moest de auto gestopt zijn.

Ik moet weg, dacht Helga, maar ik kan niet bewegen. De geur van onkruid, gras.

Geklik van omzichtig gesloten portieren. Silhouetten. Mannen die zich naar Freds Chevrolet haastten. Ze waren met z’n vieren, dacht Helga. Eén bleef achter bij de man die de wagen bewaakte. De anderen liepen naar de poort.

Een tweede wagen kwam even langzaam aanrijden als de eerste. De boerderij! Gebukt liep ze achter de struiken tot bij de weg.

De tweede auto – een blauw Volkswagenbusje – stond geen tien meter verderop. Ze zag de mannen in hun donkere uniform. Ze droegen geweren, stapten heen en weer.

Helga volgde de gracht. Eenmaal ver genoeg, stak ze met drie sprongen de weg over en liet zich van het talud rollen. Haar handen klauwden in het gras en ze drukte haar hoofd tegen de grond.

Kort, een krekel die gek werd: het fluitsignaal. Overal in het donker was er niet of nauwelijks zichtbare, goed gesynchroniseerde beweging. Zelf zette ze het ook op een lopen. Drijfnat bereikte ze de schaduw van het huis. Daar zakte ze in elkaar.

Een harde knal. En nog een. Gevolgd door geroep van veel stemmen ten minste één ervan versterkt door een megafoon.

Ze kon geen zuurstof krijgen, maar rende, rende. Ze werd niet ingehaald door een kogel. Over de braakliggende velden bereikte ze een rij huizen in aanbouw. Ze stormde het eerste binnen, struikelde en kwam met een smak op de betonnen vloer terecht.

Sirenes. Een ziekenwagen? Of versterking voor de flikken? Ze piste. Ze voelde hoe de urine haar jeans natter, warmer maakte. En afkoelde.

Drie keer vulde het blauwe schijnsel van een knipperlicht de kamer.

Om half twee waagde Helga zich naar buiten. De nacht was donkerblauw en kil. Ze liep langs de schuttingen en gevels. Vanaf hier waren de huizen bewoond, maar nergens brandde nog licht.

23.

‘Ik wil dansen,’ zei Helga tegen Alex.

Ze had hem een paar dagen geleden leren kennen voor de deur van ’t Kaffee. Binnen was het te vol. Ze had Bert een sigaret gevraagd en was tussen hen in op de stoep gaan zitten. Alex schreef gedichten en hij had een interessant gezicht. Ze hadden een halve nacht gepraat. Hij viel op haar, zoveel was duidelijk. Maar zij niet op hem. Toch maakte hij indruk en was ze gevleid.

Helga voelde Alex kijken, ook al kon het niet anders of de andere mensen op de dansvloer onttrokken haar de helft van de tijd aan zijn gezicht. De muziek (Dirty Love van Bad Company) stelde geen vragen, maar gaf bevelen, zoals water zwemmen gebiedt of seks strelingen en kussen. Helga gooide haar hoofd in haar nek, keek over haar schouder. Daar stond Alex met zijn kop vol woorden, ogen die haar niet loslieten.

Met één vinger duwde ze de gekleurde band die het lange haar uit haar gezicht moest houden op zijn plaats. Ze voelde het bezwete katoen van haar jurk tegen haar huid plakken.

24.

De telefoon ging. Helga legde haar boek neer en liep naar het toestel.

‘Trutteke?’

Een duif maakte zich los van de dakgoot van het huis aan de
overkant en stortte als een grijze kei naar beneden. Dan vloog ze op, pijlsnel, om – net voor ze tegen het venster te pletter zou slaan – verticaal naar boven uit te wijken.

De hand waarin Helga de hoorn hield, werd klam.

‘Ik ben los. Kom je naar het Pannenhuis?’

‘Nee. Mijn pa.’

‘Is die daar?’

‘Hij is weg.’

‘Zal ik komen?’

‘Nee.’

‘Vanavond? Ben je vanavond in de stad?’

Ze schudde haar hoofd, luisterde naar het suizen van de lijn – alsof ze naar een lege kamer luisterde.
‘Ben je daar nog?’

Zijn intonatie vlijmde door haar heen. Ze deed haar ogen dicht.
‘Vanavond gaan we naar Zoersel,’ zei haar stem. Stilte. Fred probeerde haar woorden en toon te interpreteren.
‘Wanneer zie ik je?’

Haar vader was hier: de witte muren, de okeren fauteuils, de schilderijen. Die vulden haar blikveld, met scherpe hoeken, en veel wit. Er was geen verband tussen Fred en wat ze zag. En ze was hier.

‘Niet,’ zei ze, ‘we zien elkaar beter niet.’

Geen antwoord. Helga telde een, twee, drie seconden. Hij verbrak de verbinding.

Ze staarde naar buiten. Leegte, wit als cocaïne. Vervolgens keek ze hoe haar hand voorzichtig de hoorn neerlegde. Ze ging zitten.
Boog voorover om haar sigaret uit te drukken in de asbak op de salontafel. Het leer van de bank kraakte.

Dan zat ze, de armen naast haar lijf.

copyright: Jan Lampo en SABAM.

Advertisements
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: