Skip to content

Posts from the ‘Nederlandse literatuur’ Category

[Literatuurgeschiedenis] Censuur / geen censuur. Belgische priesters en politiemannen tackelen ‘pornografie’

liseuse

Antoine Wiertz, ‘La Liseuse de Romans’ (a).

Censuur is in België onmogelijk. Artikel 25 van de Grondwet van 1831 bepaalt dat de drukpers vrij is en censuur ‘nooit’ kan worden ingevoerd. Voorts bestaat de vrijheid ‘om op elk gebied zijn mening te uiten […]’, behalve wanneer daarbij misdrijven worden gepleegd. Dat kan zijn wanneer de ‘openbare zedelijkheid’ (een begrip uit de strafwet) wordt geschonden. Bij ‘openbare schennis van de goede zeden’ denkt de wetgever bijv. aan liederen en teksten – maar de concrete invulling van wat ‘de eerbaarheid kwetst’ is de taak van de rechter.

Een en ander belet de katholieke kerk niet te zeggen wat de gelovigen wel of niet mogen lezen, wat in de 19de en een flink stuk van de 20ste eeuw leidt tot herhaalde ingrepen van de clerus. Nogal wat schrijvers kunnen daarvan meespreken.

Hendrik Conscience

In 1842 werkt de schrijver Hendrik Conscience (1812-1883) als ‘griffier’ in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Enkele jaren eerder heeft hij De Leeuw van Vlaenderen gepubliceerd. In Vlaamsgezinde kringen is Conscience een gevierd man; hij geniet de vriendschap en bescherming van zijn directeur, de liberale schilder (n vrijmetselaar) Gustaf Wappers.

Maar in de ogen van de Kerk is Conscience verdacht. Romans, zo menen veel priesters, zijn een product van de liberale Franse geest. Voor de gelovigen zijn ze gevaarlijk omdat ze tot de verbeelding spreken zonder daarom per se de waarheden van het geloof te propageren.

Bovendien heeft Conscience in zijn debuutroman, In ’t Wonderjaer (1837) openlijk de lof van de Geuzen die in de 16de eeuw in opstand komen tegen Spanje gezongen. Alsof dat niet erg genoeg is bevat De Leeuw bevat niet gewelddadige taferelen, maar vertelt de roman ook over de liefde tussen (de fictieve) Machteld, dochter van de graaf van Vlaanderen, en de heldhaftige ridder Adolf van Nieuwland.

250px-Kortrijk_1302_Henri_De_Pondt_portret_van_Hendrik_Conscience_ca__1870_9-01-2010_14-59-41

Hendrik Conscience.

Omdat de uitgeverij in Vlaanderen nog nergens staat, moeten auteurs die hun werk gedrukt willen zien de kosten zelf dragen. Zo komt het dat In ’t Wonderjaer en De Leeuw hun auteur niets hebben opgebracht. Conscience mag dan een baan hebben, rijk wordt hij daar niet van. Groot is dan ook zijn blijdschap wanneer Wappers hem in contact brengt met de ‘inspecteur van de gevangenissen’ T. Sorlus. Die overweegt beide boeken aan te kopen voor de bibliotheken van de strafinrichtingen in het Nederlandstalige landsgedeelte. Conscience stapt naar zijn drukker en die bestelt prompt de nodige riemen papier.

Maar dat is gerekend buiten de invloed van kanunnik Jan-Baptist Van Hemel (!), hoofd van het Klein Seminarie in Mechelen en censor librorum van het aartsbisdom. Ondanks de bepalingen van de Grondwet en de scheiding van kerk en staat weegt de clerus zwaar op de besluitvorming – waaronder die in het gevangeniswezen.

Van Hemel verzet zich tegen een eventuele aankoop van In ’t Wonderjaer en De Leeuw, tenzij de schrijver zich bereid toont om veranderingen aan te brengen. Conscience, die sowieso geen sterk karakter heeft, staat met zijn rug tegen de muur. Toegeven, maakt Van Hemel hem duidelijk, betekent niet alleen dat de bestelling voor de gevangenisbibliotheken doorgaat, maar ook dat zijn romans door de zeshonderd leerlingen van het Mechelse Klein Seminarie zullen gelezen worden. En omdat hij het ijzer wil smeden wanneer het heet is, doet de kanunnik meteen een reeks suggesties.

Conscience gaat door de knieën. Van Hemel, maar ook P.J. Visschers, de pastoor van de Antwerpse Sint-Andrieskerk en –  naar verluidt – de felle polemist priester Jan-Baptist Buelens, onderpastoor van de Sint-Jacobskerk, buigen zich over de gewraakte boeken. De schrijver luistert en gaat aan de slag.

Gecastreerd

In ’t Wonderjaer zal voortaan Het Wonderjaer heten; de priesters in het boek krijgen een mooiere rol en het behoud van het katholieke geloof komt centraal te staan. In De Leeuw sneuvelen bloeddorstige uitlatingen van opstandelingenleider Jan Breydel en Machteld bemint haar ridder niet langer ‘met onrustige drift’, maar als een zuster. Beide romans verliezen ook hun Vlaamsgezinde voorwoord.

De nieuwe versie van Het Wonderjaer verschijnt in 1843, weldra gevolgd door de ‘gecastreerde’ Leeuw. Voor Conscience is het pad naar succes geëffend, maar zijn geloofwaardigheid ligt aan diggelen en zijn liberale vrienden keren zich van hem af. Voortaan legt hij een voorzichtigheid aan de dag die zijn oeuvre niet ten goede komt.

Timmermans

Felix Timmermans.

‘Ik heb slechts gelachen en niet gespot met het domme bijgeloof in onzen schonen godsdienst en ’t ware goed dat dit veel gedaan wierd, ter ere van den godsdienst zelf,’ schrijft de beroemde Felix Timmermans (1886-1947) in 1920 naar aanleiding van de kritiek op zijn roman Pallieter (1917). ‘Dat wil nu niet zeggen, dat ik een vierkantig voorbeeld van katholiek ben. Ik probeer slecht een goede katholiek te zijn’.

Maar goede wil volstaat niet, zelfs niet voor onverdacht katholieke schrijvers. Pallieter doet in kerkelijk kringen nogal wat wenkbrauwen fronsen.

De roman is eerst in afleveringen verschenen in het Nederlandse literaire tijdschrift De Nieuwe Gids en komt het jaar daarop in boekvorm van de pers bij P.N. Van Kampen en Zoon in Amsterdam. Pallieter kent dadelijk een groot succes maar werkt ook op de zenuwen van bepaalde pastoors en zelfs van protestantse dominees.

Timmermans’ titelheld houdt intens van de natuur – zozeer dat de enen hem ‘heidens’ vinden en de anderen hem voor een ‘pantheïst’ verslijten. De humor die de auteur zich permitteert wanneer hij over kerkelijke gebruiken en priesterlijke gedragingen spreekt – de pastoor in Pallieter kijkt soms te diep in het glas – heten bij hen ‘godslasterlijk’.

In 1918 noemt de Nederlandse redemptorist M. Stoks Pallieter in het dagblad De Tijd ‘een veeg en denkelijk teken des tijds, en […] een sterk typerend symptoom van nieuw-humanisme […] De ware, verfrissende, sterkende levensvreugde welt naar onze Roomse opvatting uit diepere en heldere bronnen’.

Kanunnik

Stoks heeft veel invloed in het noorden. Het Nederlandse episcopaat klopt aan in Rome en krijgt er gedaan dat ‘de lezing van Pallieter, door Felix Timmermans […] de katholieken verboden is’, hoewel de roman niet officieel op de kerkelijke Index komt. De bekendmaking hiervan verschijnt in drie Nederlandse kranten.

Het pauselijk verbod geldt natuurlijk in België, maar kardinaal Mercier, de aartsbisschop van Mechelen, beperkt zich tot de publicatie van de Latijnse tekst in de ‘vaktijdschriften’ van de bisdommen, zonder er verder ruchtbaarheid aan te geven.

Timmermans, die een en ander van zijn vrienden moet vernemen, is geschokt, maar het komt niet bij hem op zich te verzetten. Pallieter staat op een lijst van boeken, zo vertelt men hem,  die de katholieken niet mogen lezen tot ze ‘verbeterd’ zijn. Ondanks zijn onvrede is de schrijver meteen bereid om in zijn boek veranderingen aan te brengen. Alleen weet hij niet hoe zoiets in zijn werk gaat en daarom vraagt hij hulp aan de invloedrijke Antwerpse essayiste Marie Belpaire (1853-1948).

AffichePallieter

Affiche voor de film ‘Pallieter’ van Roland Verhavert (a).

Belpaire schakelt de theoloog kanunnik Theodoor Van Tichelen in, die op zijn beurt contact opneemt met kardinaal Van Roey. Intussen blijken ook Nederlandse katholieken, onder wie de aartsbisschop van Utrecht bereid om het voor Timmermans op te nemen. Uiteindelijk richt de schrijver een brief aan het Heilig Officie in Rome. Of die verder raakt dan het aartsbisdom in Mechelen is onduidelijk. Het is best mogelijk dat Van Roey of een vertegenwoordiger van de Nederlandse bisschoppen in Rome voor Timmermans ten beste spreken.

Intussen blijft Pallieter op de markt. Toch weigert de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde de roman te bekronen met de August Beernaertprijs. Ook hier is het een priester, kanunnik Muyldermans, die zijn voet dwars zet.

In 1922 verschijnt de elfde druk van Pallieter, die is aangepast. Pallieter ziet niet langer ‘de tepeltjes’ van de borsten van zijn vriendin Marieke; haar ‘boezemkens’ ‘waggelen’ niet meer en Pallieter drukt geen ‘mals en zeer dun gekleed lijf’ tegen zich aan. En een verwijzing naar de heidense god Pan wordt afgezwakt.

Maar dat alles volstaat niet. Kanunnik Van Tichelen adviseert Timmermans bij een aantal bijkomende schrappingen en veranderingen die uiteindelijk leiden tot de ‘definitief’ aangepaste 16de druk van Pallieter.

Naakt

Een scène waarin Pallieter een naakt Marieke achtervolgt en haar vervolgens meeneemt op zijn paard, is verdwenen. Andere wijzigingen zijn van nog verregaander onnozelheid – een paar volkse en grappige (maar niet ‘oneerbiedige’) omschrijvingen van God en de heiligen vervallen en Pallieter gaat een keer meer naar de mis. Pas in de jaren 1970 ontdoet men het boek van deze ‘verbeteringen’.

Walschap1933Carla

Gerard Walschap met dochter Carla.

Helemaal anders pakt het uit wanneer de kerk zich gaat bemoeien met de romans van Gerard Walschap (1898-1989). Ook de jongeman uit Londerzeel is een vroom katholiek en droomt van een leven als missionaris (maar wordt ter elfder ure weggestuurd uit het seminarie).

Walschap, intussen getrouwd en vader, wordt redactiesecretaris van  het katholieke weekblad Het Vlaamse Land. Wanneer dat wegens zijn flamingantisme in een kwaad daglicht komt te staan bij de bisschoppen, wordt Hooger Leven opgericht, een periodiek waarvan de schrijver redacteur blijft tot in 1939.

Walschap heeft een fel temperament. Hij heeft gestudeerd en veel gelezen en de buitenlandse literatuur. Hij weet dat katholieke auteurs in Engeland, Duitsland en Frankrijk niet terugdeinzen voor de publicatie van probleemromans waarin het geloof van de personages op de proef wordt gesteld. Hun wereld, vindt Walschap, staat mijlenver af van de kritiekloosheid, volgzaamheid en de sentimentaliteit waarvan de Vlaamse literaire productie (of toch het katholieke deel daarvan) getuigt.

De ambitieuze auteur droomt ervan om zelf ook zo’n ‘moderne’ katholieke roman te schrijven. Adelaïde ontstaat tijdens een vakantie die Walschap deels in Maaseik bij zijn schoonfamilie doorbrengt, deels in Wenduine aa, zee. Het boek is geschreven ‘zoals men ademt,’ getuigt de schrijver nadien.

Pallieter(dbnl)Adelaïde vertelt het verhaal van een jonge vrouw die non wil worden maar dat uiteindelijk niet doet omdat ze vreest dat ze het celibaat niet aankan. Ze trouwt en krijgt maar een kind omdat ze aan contraceptie doet. Dat wekt de wrevel op van de onderpastoor die voorspelt dat ze zal getroffen worden in haar enige zoon. Adelaïde doet alles om haar kind te beschermen. Maar haar angst en de ziekelijke jaloersheid die ze koestert ten overstaan van haar man ontaarden in krankzinnigheid. Adelaïde sterft bij een val uit het raam, die men kan interpreteren als zelfmoord.

Adelaïde bevat geen wezenlijke kritiek op het geloof. De ‘heldin’ gaat ten onder aan het conflict tussen ‘zinnelijkheid’ en zondebesef (dixit Walschapbiograaf Jos Borré). Het lot van Adelaïdes zoon en kleindochter beschrijft Walschap in de romans Eric en Carla die samen met Adelaïde de trilogie De familie Roothooft vormen.

‘Ik wilde een door en door authentiek katholieke roman schrijven, die aansloot bij de werkelijkheid van dat ogenblik,’ verklaart Walschap achteraf. ‘Omstreeks de dertiger jaren leek mij de huwelijksmoraal wel het meest aangewezen thema, juist omdat geen twintig procent der gelovigen toen de kerk op dat punt nog volgde.’

Net als Pallieter heeft Adelaïde in het katholieke kamp bewonderaars en vijanden. Belangrijke critici zoals Marnix Gijsen (op dat ogenblik zelf ook nog katholiek) reageren positief. Maar in het tijdschrift Jong Dietschland fulmineert ene S. Linde: ‘Weg met die bezetenheid, want dit is niets voor ons, katholieke Vlamingen’.

Jezuïeten

Deze keer verloopt de strijd bijzonder bits. Enkele jezuïeten met belangen in de literatuur ontketenen een ware hetze. In kranten verschijnt een oproep van 75.000 leden van de Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ) die verklaren dat zij ‘nooit Walschap zullen lezen’. Twintigduizend ‘katholieke huismoeders’ beweren dan weer dat de auteur ‘pornografie’ schrijft.

De leider van het Algemeen Christelijk Werkersverbond (ACW), de grootste vakbond van het land, spreekt zijn eigen banvloek uit over de schrijver. Wanneer de katholieke krant De Standaard toch – heel kort – meldt dat Walschap de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza heeft gekregen, protesteert minister P.W. Seghers met een woedende lezersbrief.

De pastoor van de Antwerpse Sint-Laurentiuskerk – Walschap woont om de hoek, in de Lemméstraat, tegenover Willem Elsschot – houdt een donderpreek tegen de schrijver, terwijl diens vrouw en kinderen in de kerk zitten.

Van Aken

Piet Van Aken.

Maar de tijden zijn veranderd. Walschap behoort tot een jongere generatie dan Timmermans. Hij heeft ook een heel ander karakter. De schrijver reageert met een combinatie van onverschrokkenheid en geduld. Hij probeert zijn motieven uit te leggen en voelt zich daarbij niet weinig gesterkt door de positieve reacties op zijn werk in katholieke publicaties in Nederland en Duitsland.

Walschap tracht duidelijk te maken dat preutsheid en hypocrisie contraproductief zijn en dat ze indruisen tegen de essentie van de christelijke boodschap. Maar in Vlaanderen valt zijn pleidooi voor ‘realistisch katholieke kunst’ bij de meesten in dovemansoren. Toch kan hij zich staande houden. In 1933 wordt hij zelfs redacteur van het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort, waaraan ook Maria Belpaire, Marnix Gijsen en August Van Cauwelaert meewerken.

Van Walschaps roman Bejegening van Christus verschijnt eerst de Duitse vertaling, omdat de zijn vrienden van de schrijver hem het boek niet uit te geven in Vlaanderen. In 1939 publiceert Walschap zijn meesterwerk Houtekiet dat resoluut kiest voor ‘absolute vrijheid en eigengerechtige zelfbeschikking’ (Borré). In januari 1940 komt trouwens ook de originele Nederlandse van Bejegening van Christus van de pers. En kort daarop volgt – in een beperkte oplage – het pamflet Vaarwel dan, waarin Walschap openlijk afstand neemt van kerk en geloof en ook uitlegt hoe het zover is gekomen. De Duitse inval van 10 mei 1940 maakt een voortijdig einde aan de polemiek die losbreekt.

Black Venus

Na de oorlog blijft België een verzuild land, maar de almacht van de kerk is gebroken. Toch blijven ‘ketterjagers’ als kanunnik Joris Baers met zijn tijdschrift Boekengids de katholieken (en hun bibliothecarissen) voorhouden welke boeken ze wel en niet in huis mogen halen, dit tot grote ergernis van niet-gelovige uitgevers als Angèle Manteau die hierdoor veel minder exemplaren kunnen slijten dan ze wel hadden gewild.

Geeraerts

Jef Geeraerts.

Begin 1968 verschijnt de roman Gangreen 1. Black Venus van Jef Geeraerts (1930). Daarin beschrijft de ex-koloniaal ambtenaar zijn avonturen in het Congo van vòòr de onafhankelijkheid van 1960. De uitgever zet het boek in de markt als een ‘autobiografie’. De expliciete seks bezorgt menige lezer rode oortjes, terwijl nogal wat mensen de voorstelling van de Congolezen in het boek racistisch en kolonialistisch vinden. Het bijwijlen lyrische Black Venus groeit uit tot een druk besproken bestseller.

In november van het volgende jaar vergadert de jury van de Driejaarlijkse Staatsprijs – op dat ogenblik de belangrijkste literaire onderscheiding in Vlaanderen. Er zijn vijf juryleden. Voorzitter Paul De Vree onthoudt zich bij de stemming. Prof. Marcel Janssens, dichteres Clara Haesaerts en Lieve Scheere stemmen voor. Maar de romancier Piet Van Aken is zo kwaad dat hij weigert mee te stemmen – boze tongen beweren later dat hij een eigen kandidaat had.

Dat uitgerekend de vrijzinnige en linkse Van Aken zich ergert aan Gangreen 1 is merkwaardig. Koestert hij bezwaren tegen het beeld vat Geeraerts van de Congolezen ophangt of tegen de expliciete seks? Misschien. Maar de kans is groter dat Van Aken, die de Amerikaanse literatuur heel goed kent, meent wat hij zegt, nl. dat hij zich stoort aan Geeraerts’ navolging van de lange zinnen zonder punten of komma’s van de Amerikaan Henry Miller – Miller die trouwens ook bekendstaat om zijn bedscènes.

Wat er ook van zij, Geeraerts krijgt zijn Staatsprijs.

Razzia

Groot is dan ook de verontwaardiging wanneer de Brusselse politie medio december 1969 binnenvalt bij de bekende boekhandel Corman aan de Ravensteinstraat en er een exemplaar van Gangreen 1 meeneemt.

Dat gebeurt op donderdag. De dag daarop verneemt de uitgever het nieuws. Hij brengt meteen een Nederlands weekblad op de hoogte. Geeraerts is zondagavond al te horen op de radio en lucht zijn verontwaardiging. ’s Maandags verklaart de gerechtelijke brigade van de Brusselse gemeentepolitie dat ze een aantal boeken heeft meegenomen omdat iemand een klacht heeft neergelegd omdat Corman o.m. het bekende ‘voorlichtingsboek’ Variaties van de Deen Oswald Kolle verkoopt. Naast Black Venus en Variaties zijn ook de bekende 18de-eeuwse Engelse ‘zedenroman’ Fanny Hill van John Cleland, de Kama Soetra en Ik, Jan Cremer meegenomen.

CormanLabisse

Felix Labisse ontwierp voor boekhandel Corman wikkels en bladwijzers (Delcampe.net).

De Vereniging van Vlaamse Letterkundigen laat protest horen en weldra komt de zaak ter sprake in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Eerst gaat de discussie over de schadelijke gevolgen van het gebruik van de insecticide DDT, maar dan interpelleert de Franstalige Brusselse socialist Guy Cudell. Hij herhaalt de bezwaren van Van Aken tegen Black Venus.

De Vlaamse minister van cultuur, de christendemocraat Frans Van Mechelen, verdedigt de beslissing van de jury. Daarop ondervraagt de Vlaams-nationalist Belmans de socialistische minister van Justitie Vranckx over de inval in de boekhandel. Vranckx antwoordt dat het boek, in tegenstelling tot wat wordt beweerd, niet in beslag is genomen maar ‘voor nazicht’ meegenomen in het raam van een gerechtelijk onderzoek op basis van artikel 383 van het Strafwetboek betreffende schending van de ‘openbare zedelijkheid’.

Senaat

Er komt ook een discussie in de Senaat, waar de socialist Willy Calewaert wijst op de ‘contradictie’ tussen artikel 383 en de vrijheid van drukpers, gewaarborgd door de Grondwet. Hij krijgt steun van de liberalen. Maar ook minister Van Mechelen verklaart zich een voorstander van de artistieke vrijheid. Vranckx zegt dat niet hij, maar het gerecht – dat onafhankelijk is – besloot tot een onderzoek. Waarop hij een pleidooi houdt tegen pornografie “als inzet voor de strijd voor de vrijheid”.

Bij een andere gelegenheid noemt hij Black Venus ‘een boek waarin de Belgen worden afgeschilderd als een Herrenvolk’.

Op 3 december adviseert het parket aan de Brusselse onderzoeksrechter dat er geen reden is tot vervolging of inbeslagname en Corman zijn exemplaar van Black Venus terugkrijgt.

Verschenen in ‘Eos Memo’, nr. 12.

Advertisements

Drie romans van Hubert Lampo als e-book bij Meulenhoff

De komst van Joachim Stiller

De komst van Joachim Stiller verscheen voor het eerst in 1960, en is sindsdien uitgegroeid tot een van de grote klassiekers van de Nederlandse literatuur. Het is de indrukwekkende en raadselachtige geschiedenis van journalist Freek Groeneveld en zijn geliefde Simone Marijnissen, die voorspellende boodschappen ontvangen van Stiller, de mysterieuze hoofdpersoon. Zijn zij het slachtoffer van een practical joke? Van een geestelijk gestoorde?

Uitgave: Gebonden met stofomslag Prijs: € 17,95
Ook verschenen als:

Delen

Share on twitter                          Share on hyves                          Share on facebook 

Terugkeer naar Atlantis

Na het overlijden van zijn moeder komt de Vlaamse arts Christiaan Dewandelaer erachter dat zijn vader niet is overleden, zoals hij altijd heeft gedacht, maar met de noorderzon vertrokken. Als hij gaat graven in het verleden ontdekt hij steeds meer over de geheimzinnige verdwijning van zijn vader en diens grenzeloze belangstelling voor het verdwenen eiland Atlantis. Maar terwijl hij door zijn jeugd grasduint komen er ook herinneringen naar boven aan Eveline, zijn eerste vriendinnetje. Hij realiseert zich dat zij het enige meisje is waarvan hij ooit heeft gehouden en besluit haar op te zoeken.

Bestel deze titel

Uitgave: e-book met social drm Prijs: € 9,99

Delen

Share on twitter                          Share on hyves                          Share on facebook 

Een geur van sandelhout

Hubert Lampo

Met twee vrienden uit de film- en televisiewereld keert een schrijver ’s nachts terug uit Parijs. Als hij afscheid van hen heeft genomen wordt hij plots gegrepen door een ander bestaan. Zo beleeft hij gedurende enkele uren een leven dat hij, als de omstandigheden anders waren geweest, geleid zou kunnen hebben.

Een geur van sandelhout is een verrassende roman over de gevolgen van verschillende werkelijkheden die door elkaar heen lopen.

Hubert Lampo (1920-2006) debuteerde op tweeëntwintigjarige leeftijd en brak door met met De komst van Joachim Stiller (1960). Zijn werk is vertaald in het Engels, Hongaars, Zweeds, Pools, Spaans, Tsjechisch, Russisch, Italiaans en Portugees.

Bestel deze titel

Uitgave: e-book met social drm Prijs: € 9,99

Delen

Share on twitter                          Share on hyves                          Share on facebook 

[Column] Bloot op de catwalk.

Jan_van_Eyck_059Elke zin is een gevecht. De inzet is welluidendheid. Een zin moet goed klinken. Niet in mijn oren, maar op de onbepaalde plaats in mijn hoofd waar zinnen klinken. Duidelijkheid is ook van groot belang. Ik koester een atavistisch verlangen naar ondubbelzinnigheid. Aan metaforen heb ik eigenlijk een broertje dood. Metaforen zijn aanstellerij, al is de ene  spitsvondiger dan de andere. Soms besluit ik om er eentje te bewonderen, maar het gaat zelden van harte.

Ik probeer zo streng voor mezelf te zijn als de Franse classicisten uit de 17de eeuw die niet accepteerden dat “heure” rijmde op “coeur”. Goddank hoeft proza niet te rijmen – het is het meest vrije vers ter wereld. Tot mijn spijt ben ik de alexandrijn niet machtig, maar in de 21ste eeuw is die, eerlijk gezegd, overbodig.

Sorteert dit alles effect? Geen enkel. De meeste lezers in de Vlaamse gouw zijn stilistisch toondoof. Als ze een slecht geschreven tekst lezen, worden ze aan de rand van hun bewustzijn weleens iets gewaar. Daarop springen ze een gat in de lucht, overtuigd dat ze juist een symptoom van kwaliteit of, godbetert, vernieuwing hebben waargenomen.

Slechts de allergrootsten vernieuwen, meestal huns ondanks.

Ik begrijp Flauberts verlangen om over niets te schrijven. Om woorden in de pas te laten lopen bij gratie en genade, voor niets dan het genot. “Siet de ghenade”, luidde de kenspreuk van de Antwerpse rederijkerskamer De Olijftak in de 17de eeuw. Mijn verwondering en soms mijn trots over klank en ritme zijn vandaag niet kleiner omdat het Opperwezen geen plaats heeft in mijn wereldbeeld. Af en toe ontstaat de genade waarvan sprake gewoon tussen onze oren, de punt van onze neus en de kromming van ons achterhoofd.

Maar een geschrift over niets, dat houdt alvast de lezer niet langer vol dan enkele paragrafen. Ooit geprobeerd om Salammbô te lezen?

Mijn ongeneeslijke lichtzinnigheid sluit hard labeur niet uit: schaven en schrappen, vloeken en verwensen. Voorgoed voorbij zijn de dagen toen kreupel proza uit de tikmachine werd gesleurd en met driftig geritsel tot prop gereduceerd. Geen computer verdraagt de kracht waarmee ik het vel weg graaide zodat de rol van mijn Remington een halve slag draaide onder het slaken van een eenmalig nijdig geblaf.

Voorbij ook de overschildering van hele paragrafen met vloeibare Tipp-Ex, die tot veel zelfkritiek leidde – wat kon ik anders onder het wachten tot het zaakje weer was opgedroogd?

Wat telt, is de tekst.

Nooit heb ik een goed artikel, een fatsoenlijke column of een degelijk hoofdstuk in één keer geschreven. Elke tekst heeft drie zittingen nodig, liefst door een nacht diepe slaap van elkaar gescheiden.

Lieden die het ontstaan van teksten – de zogeheten tekstgenese – bestuderen, onderscheiden twee soorten schrijvers. De eersten zijn de Kopfarbeiter. Zij construeren de zinnen vooraf in hun hoofd en hoeven ze “maar” op te schrijven. Papierarbeiter daarentegen zoeken al schrijvend de juiste formulering. Ze weten niet waaraan ze beginnen, soms zelfs niet waarover ze het willen hebben. Tot die tweede categorie behoor ik. Maar dat hadden jullie al gemerkt.

(Benieuwd naar de toekomst van de tekstgenese, een toekomst zonder handgeschreven epen of toegetakelde typoscripten.)

Ben ik deze principes altijd trouw gebleven? Op een onbepaalde plek in mijn kop waar ik principes trouw ben, ja (met een volgens sommigen demoraliserende koppigheid – die mij overigens geen enkele inspanning kost). Maar in de praktijk? Nee, natuurlijk niet. Het rommelige rijk van de praktijk is onderworpen aan verschrikkingen als deadlines. En die nopen een schrijver tot voor-zich- uitschuiverij, tot een schuldige onbekommerdheid. Achteraf moet het dan allemaal te snel en zodra de ergste stress voorbij is, treedt soms een noodlottige onverschilligheid in (“klinkt het niet, dan botst het wel”).

Waarvoor ik mijzelf straf – berouw komt na de zonde – met de gêne van wie in een droom bloot over de catwalk moet.

[Verhaal] Jeanneke (doet niet aan politiek) (1993)

”Dag, meneer. Wat zegt gij? Voor de gazet? Amai, dat is ook den eerste keer dat die aan mij iet komt vragen. Ah, dié gazet. Mijne man zaliger las altijd de Volksgazet, en later de Nief Gazet. Maar allez, daar kunt gij ook nie aan doen. Komt binnen.’

”k Heb tijd – als ne mens ne keer gepensioneerd is, dan weet hij met zijnen tijd genen blijf. Daar zijn er wel die zeggen dat zij daar gene last van hebben. Maar eerst zien en dan geloven, hé. Allez, manneke, blijft daar nie staan, ge gaat kou krijgen. Maar valt nie over de paraplubak.’

‘Whisky, is ’t nu gedaan met blaffen!? Koest, meneer is van de gazet. Past op, of ik zal u eens! Daar, in uw mand. En kop toe! ’t Is toch wreed hé, meneer, dat heeft schrik van zijn eigen schaduwen dat maakt van zijne neus of dat het nen tiger uit de zoologie is.’

‘Zet u, meneer, hier, bij de stoof. ’t Is nie warm buiten, hé? Een taske thee of hebt ge liever koffie? Ja, ik ook. Troost noemde mijne man zaliger dat. Daar is ’t leven mee te houden, zei ‘m, de Frans. Maar nu is ‘m toch ook dood. Al van in vijfentachtig.’

‘Longkanker, wat wilt ge – heel zijn leven twee pakskes blauwen Bastos per dag. Wij hadden nie voor niet ne sigarettenwinkeL Wacht, ik gaan eens direct het machien opzetten.’

‘Voilà. Als ‘m te straf is, moet ge ’t maar zeggen, dan doen ik er wat warm water bij. Het gaat over Borgerhout, zegt ge? Daar is tegenwoordig nogal iet over te doen, hé? Zelfs op den televisie. Dat is natuurlijk met al die … euh … gastarbeiders.’

‘Ah, gij smoort ook? Doe maar, daar staat ne cendrier. Trouwens, als ‘m nie gesmoord had, dan stak de Frans er nu toch ook al onder. Van puur hartvreterij. ’t Was ne moeilijke mens, mijne Frans. Nooit content. Altijd zagen, over de belastingen, den btw en den onnozele klap van de mensen. Maar wat wilt ge, als winkelier .. .’

‘Zijt gerust, ik gaan daar nie over zitten zagen gelijk een oud mens. Jawel, meneer, negenenzeventig in oktober. De migranten, just, dat is waar dat gij voor gekomen zijt. Gelijk ge wilt. Maar ik verwittig u: ik ga mijn gedacht zeggen en als dat uw gazet nie aanstaat, dan moet gij uw bandopnemerke maar afzetten.’

‘Ze zeggen op den televisie dat wij hier allemaal racisten zijn. Maar dat is geen waar. Ik ben absoluut gene racist. Alleen is ’t in Borgerhout nie meer wat dat het geweest is. En daar zitten de Belgen voor heel weinig tussen, voor heel weinig. Er zijn hier d’ailleurs bijkans geen Belgen nie meer. Ja, ja, schrijft dat maar bijkans geen Belgen.’

‘Met de vreemdelingen, daar hebben wij vroeger nooit gene last mee gehad. Hier, aan deze kant van Borgerhout, tussen de Kroonstraat en de Plantin en Moretuslei, awel, hier zit het vol joden. Gewone, en ook van die met zo nen langen baard en krolle kens. Daar is heel chic volk bij.’

‘En proper – niet te geloven! Trouwens, het schijnt dat ze veel slimmer zijn dan wij! Hoe kunt ge daar nu iets tegen hebben? Ze zeggen swijlen op den televisie dat die mannen van het Vlaams Blok met die tjoektjoeken van nu hetzelfste willen doen als den Duits met de joden in den oorlog.’

‘Maar dat is dikke zever. Ik heb de joden hier nog weten oppakken. En bij madam Smekens in de edenkovenstraat – die haar vader kwam vroeger bij ons op de winkel, nen hele brave mens awel, daar hebben er gans den oorlog op zolder gezeten, zonder dat de Moeffen het wisten.’

‘Annemans en diejen anderen van het Vlaams Blok, hoe noemt ‘m weeral? – die hebben wel een groot bakkes, maar die willen die bruin mannen alleen maar terug naar de Sahara sturen. Dat is de gasoven nie, hé, al is ’t er ook heel warm.’

‘D’ailleurs, zolang dat den Bob Cools met zijn witte moustache het hier voor ’t zeggen heeft, zal dat ook nie gebeuren. Ik denk dat ‘m nog altijd denkt dat de Marokkanen voor hem gaan kiezen – allez, zo gauw dat ze mogen.’

‘Neeje, ik zijn nie van het Vlaams Blok. Ik doen nie aan politiek. Niemand doet dat hier. Mijne zoon ook nie, den Johnny. De Frans zaliger zei altijd tegen den Johnny: Johnny, jong, politiek dat is ne vuilen boel. En dat heeft den Johnny goed in zijn oren geknoopt. Zelf was de Frans pertang nen hevige socialist toen dat hij jonk was. Altijd in ’t Volkshuis en den eerste mei zo zat als honderdduizend man.’

‘Of dat wij hier last hebben van die bruin? Dat hangt er maar van af wat dat gij last noemt, hé? Die van hiernaast, die slachten geen varkens op hun koerke, als het dat is wat dat ge bedoelt. En hier is ook nog nooit nie ingebroken – ze weten dat ge hier toch niks kunt rapen. Ik zijn trouwens nie zo zot dat ik met twintigduizend frang in mijn sacoche over de Turnhoutsebaan ga defileren.’

‘Voor de moment hebben we ten andere ook nog geen moskee, al weet ge natuurlijk nooit wanneer dat die mannen met hun lang kleed zoiet in hunne kop krijgen. Maar dat belet nie dat de mensen heel goed weten voor wat dat ze dat hier Borgerokko noemen.’

‘Als ge hier in de geburen rondloopt, amai, dan weet ge direct wat dat ze willen bedoelen. Dat wemelt hier gewoon van die bruin mannen. En maar joeng maken, ge kunt het nie volgen. Die van hierover, nevens madam Peeters, die hebben er acht of negen, ik ben den tel kwijt. En ge kunt ze nie uiteenhouden, hé. Dat trekt allemaal gelijk twee druppelen water opeen.’

‘Ge vraagt uw eigen somtijds echt af of dat die niks anders te doen hebben dan … allez, ge weet wat dat ik wil zeggen, hé – ’t is daar gelijk bij de konijnen, precies of dat ze ’s avonds genen televisie kunnen zien, gelijk wij.’

‘Ze hebben er pertang allemaal ene, en distributie ook. Al die hopen kindergeld dat ze krijgen, dat zal daar wel voor iet tussen zitten, zeker. Allah is groot en ziekenkas is groter, gelijk in het lieke van de Strangers.’

‘Die klein mannen, dat is vantijd om zot te worden. Zeker in de zomer. Dan zitten die allemaal van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op straat katteke te spelen. En maar lawijt maken! Ge kunt geen venster openzetten. Ik verstaan d’ailleurs nie dat ze nie veel méér ruiten kapotsjotten met hunnen bal. Of met de stenen waar dat ze den helen tijd mee smijten.’

‘Vaneigens dat wij vroeger ook op ’t straat speelden. Maar wij, wij maakten zo geen ambras. Wij zouden dat nie gedurfd hebben, want ons ma en onze pa, die hielden ons in de mot – die zaten zelf ook op hunnen dorpel, of op ne stoel voor de deur.’

‘Nee, nee, wij moesten nie proberen om zo de beest uit te hangen. En wij gingen rap op den trottoir als er nen otto kwam. Niet dat daar toen al zo veel otto’s waren. Maar toch. Ge verstaat nie dat die ouders hun jong nie wijsmaken dat ze uit hun ogen moeten zien.’

‘Den Johnny zegt altijd dat ‘m hier nooit rapper durft rijden dan twintig, zo ne schrik dat ‘m ne kleine Marokkaan overrijdt. Ik KRUIP hier, ma. Rosa, de dochter van madam Tersago van hiernevens, die vindt dat ook. Jeanneke, zegt ze, voor dat ge ’t weet, liggen ze eronder. En die is pertang wreed voorzichtig, Rosa.’

‘Die is dat trouwens nie gewoon: ze woont ieverans over de Ring en daar zijn geen Marokkanen. Die zitten liever hier, bij hun eigen soort. Zij mogen dat. Dat is d’ailleurs nog zoiet dat ne mens nie verstaat: dat die allemaal op nen hoop willen zitten.’

‘Dat heeft centen voor ne Mercedes, maar dat woont toch in Oud-Borgerhout. Knoopt dat nu aaneen. Enfin, daar was natuur lijk plaats toen dat ze kwamen. Na den oorlog zijn hier heel veel jonge mensen weggetrokken, ge kent dat – ze woonden liever in nen blok dan in een van die ouw’ koten die dat ge nie kunt verwarmen, en die dat toen ook al op invallen stonden.’

‘Ge kunt ze geen ongelijk geven. Ik had ook geiren in Deurne gaan wonen, of in Ekeren. Maar die van mij, de Frans zaliger, die wou nie. Zie-de mij al in zo’n kruipkot op het vijftiende gaan wonen? zei ‘m, met een balkonneke van ne voorschoot groot?

‘Nee, dat was niks voor de Frans. Hij kost nie zonder zijn duiven kot en zonder zijnen hof. En hij wou de winkel nie alleen laten. Als de Frans ene keer iet in zijne kop had gestoken, dan kreegt ge dat daar nie meer uit. Op ne keer .. .’

‘Maar daar zijt ge nie voor gekomen. Nog een taske koffie? Waar was ik gebleven … ? Als ne mens oud wordt. Ha ja, dat wij hier zijn blijven wonen. In het begin ging dat nog. We hebben toens zelfs chauffage laten steken en een nief dak.’

‘Van de oorlogsschade. Er is hier achter den hoek een V-bom gevallen, patáát, midden in de nacht, op een stuk vage grond. Hij was eraan voor zijn moeite, den Duits. Maar al ons ruiten lagen eruit en ’t dak van ’t kot in den hof was eraf.’

‘Feitelijk was het hier in dien tijd nog gezellig. De mensen klapten tegeneen. In de winkel van de Marcel, dat was den beenhouwer op ’t hoekske, daar stonden de vrouwen uit de geburen heelder uren te laméren. Niet dat ik dat ook deed, hé, ik had daar genen tijd voor, met de kleine en met de affaire.’

‘Bij ons op de winkel wierd ten andere ook heel wat afgezeverd. Vantijd had ik echt goesting om die zagemannen met hun klikken en hun klakken buiten te zwieren. Maar allez, ge verstaat wat dat ik wil bedoelen. De mensen kuisten hun straat, ze schilderden op tijd en stond hun corniche en als er iet kapot was, dan wierd dat gerepareerd.’

‘Alleen: schoon liekens duren nie lank. Voor dat ge ’t wist, begosten ze met den tunnèl te graven – dat moet in de jaren zestig geweest zijn – en ineens zat ’t spel op de wagen. Overál Spanjaarden en Italianen en Marokkanen en Algerijnen. Overál, ge kondt dat nie geloven.’

‘Eerst kropen ze met zijn allemalen bijeen in een paar huizen – dicht bijeen is ’t warm, zegden de mensen – maar toen kwamen hun vrouwen en hun klein mannen en de bomma en den bompa en toens stak het hier vol.’

‘Gezinshereniging noemen ze dat op den televisie. Gezinshereniging, mijn botten! Toen dat de Frans doodging en den Johnny op een ander ging wonen met zijn lief, toen was er voor Bibi ook geen gezinshereniging!’

‘Ze mogen zeggen dat er tegenwoordig veel racisme is, hé, maar toen hingen er voor de vensters van de cafés ook al kaartjes met Défendu aux Nord-Africains. Ikke met mijn eigen ogen gezien, in zevenenzestig!’

“t Ergste van al, vind ik, is dat ge die gasten nie verstaat. En zij u ook nie, natuurlijk. Dat staat hier den helen vrijdagavond voor de deur te klappen, maar ge hebt er geen gedacht van wat dat ze zeggen. Ze kunnen u omzeggens verkopen terwijl dat ge erbij staat. En ne simpele goeiendag kan er ook al nie af – ’t is alsof dat ze dwars door u door zien.’

‘Maar dat is nog niks – vergeleken met de vrouwen. Dié zijn pas ambetant! Als die ’s middags hun klein mannen gaan halen aan de Fröbelschool, dan blokkeren ze met hun dik achterste heel den trottoir en dan moet ge begot door de goot om voorbij te kunnen!’

‘En swenst staan die madams het maar uit te leggen. Ge zoudt dat moeten zien! Allemaal met zo’n vod op hunne kop. Ze zeggen dat die allemaal hunnen boterham verdienen als werkvrouw, maar werken heb ik ze toch nog nie dikwijls zien doen – als ge ’t maar weet.’

‘De straat kuisen, dat is voor de jonge maskes. Die worden getraind tegen dat ze moeten trouwen met zo ene van ginderachter met zand tussen zijn tenen, dan kan dien ook naar hier komen. Hoe zoudt ge zelf zijn? Dop, ziekenkas, en warm en koud water op ieder verdiep. Dat hebben ze daar nie, bij den ayatollah.’   ‘Die jonge maskes, dat vind ik pertang wel triestig. Het schijnt dat er daar bij zijn die heel goed leren in ’t school, maar ze moeten toch thuisblijven, om op de klein pagadders te passen en om te trouwen.’

‘En ze mogen nog geeneens nie kiezen met wie, hé. Dat hadden ze eens met mij moeten proberen! Toen dat ik naar huis kwam met de Frans toens zat het er ook tegen – maar onze pa heeft er zijne kop kunnen neven leggen. Ik trouw met de Frans, of ik gaan in ‘t klooster, zei ik.’

‘Ze wisten dat Mère Marie-Madeleine van Sint-Agnès (waar dat ik naar ’t school ging) vond dat ik een heel schoon nonneke zou zijn. Dat was natuurlijk maar voor te zwanzen, want er was geen haar op mijne kop dat goesting had om nonneke te worden. Daar zag ik de jongens veel te geiren voor – vooral de Frans.
Maar onze pa dacht serieus dat ik het meende. Nu dat ik erop peins, dan had ik óók een kappeke op mijne kop gehad .. .’

‘Maar waar dat ik echt bang van heb, dat zijn die jonge gasten. Die staan altijd met heel der hopen op ’t pleintje ginder achter sigaretjes te paffen en onder de maskes hun rokken te loeren – die van de Belgische maskes, want die van hun dragen rokken tot op de grond.’

“t Zijn doppers, of anders fatsen ze van ’t school. Er zijn er bij met een brommerke die er uitzien of dat ze nog geen achttien jaar zijn, en ander die al met nen otto rijden. Den oudste van over de deur hier, dien is er ook altijd bij en dien heeft begot nen BMW’

‘Mijnen Johnny zegt dat die in occasie nog een half miljoen kosten. Hij heeft er zelf ene willen kopen, maar dat kost den bruine nie trekken, zegt ‘m. Zoiet, dat kan toch gene zuivere koffie zijn, hé?’ ‘Die met die brommerkes, dat is het soort dat de mensen hun sacoche rat op ’t straat. Dat gaat zo: ze zitten daar met hun getweeën op en ze komen heel rap aangereden, zo van ééééé. Die van vanachter, die geeft u ne stamp en terwijl sleurt ‘m uw sacoche van uw lijf.’

‘En de poliest zult ge zeggen. Die zetten hun klak zo wat meer naar achter en die krabben ne keer op hunne kop en ze zeggen: Madammeke, wij hebben al genoeg rond ons oren en er zijn nog vijftien wachtenden voor u. En dan zien ze eens op hun uurwerk.’

‘Nee, nee, zelfs heb ik dat nog nie meegemaakt. Maar madam Van Overmeieren van het fritkot hier achter den hoek, die wel. Die heeft wél altijd veel eens in haar sacoche. Den Johnny zegt: Dat is omdat ze de mensen in hunne nek zien met hun fritten een groot pak, daar zitten er maar drie méér in dan in een kleintje, maar ’t is wel twintig [rang duurder, hé. En hun cervelas, dat is puur zagemeel!‘Hij kan ’t weten, want hij gaat daar dikwijls fritten halen als ‘m hier is. Ik mag geen fritten eten van den doktoor. ’t Schijnt dat de Marokkanen ook geen fritten mogen eten omdat die gebakken zijn in peerdenvet en ze mogen van geen peerden eten. Maar ik geloof daar niks van. Ze mogen ook genen alcool drinken en die gasten op ’t pleintje, die hebben altijd buskes bier bij. Maar wat dat ik wou zeggen: als ge daar zo als oud menske voorbij moet, helemaal op uwen alleen voorbij zo’n bank vol maka … migranten – dan doet ge ze bijeen van de grote schrik, willen of nie.

‘Er moet er zo maar éne op het gedacht komen van u nen trek te geven en voor dat ge ’t weet, ligt ge in ’t gasthuis. Over tijd hebben ze hier nog een meneerke van zevenentachtig jaar uit de Kroonstraat bijkanst dood geklopt. Ge zoudt dat moeten weten, ’t heeft in alle gazetten gestaan.’

‘Die van hiernaast? Nee, daar heb ik geen klagen van. Door den band zijn dat schappelijke mensen. De vent heeft nog in Hoboken gewerkt, op de Zilver. Waar dat die koeien van dood vielen in de wei. Hij mag nu ook nie meer gaan werken. Ik weet nie wat dat ‘m just mankeert, maar voor zo nen bruinen ziet hij heel
bleek.’

‘Enfin, swenst zitten die van ons zonder job. Den Johnny heeft ook twee jaar kunnen gaan doppen als ‘m van ’t school kwam. Op dat punt hebben die van het Vlaams Blok zeker gelijk. En dat de koning hier ne keer geweest is, dat zal daar niks aan veranderen.’

‘Versta mij nie verkeerd, hé, ik heb ook naar zijn begrafenis gezien op de VTM. Maar zo ne koning – als dat hier geweest is, dan stapt dat terug in zijn voiture en dat rijdt naar zijn paleis in Brussel en gedaan. Enfin, ’t is erg genoeg voor Fabiola – ik weet wat dat het is om zo ineens alleen komen te staan.’

‘Wat zegt ge? Ja, daar is nen tijd van komen en nen tijd van gaan. Dat is waar. Wanneer verschijnt uwen artikel? Ah, da’s goed, dan koop ik mij een gazet. Wacht, ik doen de deur open. Past op voor de paraplubak, hé!’

‘Maar wat is dat nu? Whisky, áf Af, zeg ik u, áf, en laat meneer gerust. Raar hé, meneer? Zo’n lief beestje, en dat kan geen vreemde mensen uitstaan – allez, vooruit, in uw mand! En dat ik u nie meer hoor!’

[Polemiek] Oratie over Hendrik Conscience, tot Geert Van Istendael.

Dag mijnheer Van Istendael.

U “walgt” van de schrijverij van Hendrik Conscience. U vindt hem “vervelend”. Ja, dat is best mogelijk. Maar wat moet ik daarmee? “Walging” is een emotie waar ik niet veel mee heb. Is al dat gewalg van uw generatie niet een beetje een pose geworden?

Ik walg helemaal niet van Conscience. Ik vind hem interessant. Niet dat ik daarom met hem dweep of hem op mijn nachtkastje heb liggen. Hij boeit mij als historische persoonlijkheid, als mens en als schrijver uit die nabije, maar toch zo “andere” 19de eeuw, uit dat rare Vlaanderen waar ik ben geboren en waarvan ik mee het literaire erfgoed in stand probeer te houden.

Katholiek ben ik niet en flamingant evenmin. In tegenstelling tot heel veel mensen ben ik het zelfs nooit geweest. Intussen ben ik mij goed bewust van de belangrijke, maar ook vaak verstikkende rol die het flamingantisme in dit gewest en in zijn literatuur heeft gespeeld.

Ik geef toe dat ik als historicus (daar ben ik voor naar school gegaan) en als schrijver van een paar romans (erg slechte, volgens de dominante opinie) een grote interesse koester voor historische toestanden en voor, ja, romans.

Conscience deed aan politiek en stak soms vlammende redevoeringen af, maar hij was in de eerste plaats een schrijver van romans – een romancier, om dat in onbruik geraakte Franse woord weer eens te gebruiken. Met andere woorden, wie hem wil wegen als schrijver, moet ook dàt meenemen in zijn betoog.

Een beetje ketterij, af en toe, moet kunnen, zelfs in de literatuur. De mijne bestaat erin dat je een romancier niet alleen mag beoordelen op zijn stijl, maar ook op zijn vermogen om een goed verhaal goed te vertellen (Walschap: “Een roman is een verhaal”).

Volgens mij kon Conscience dat, en deed hij het meestal ook. Zijn romans zijn goed in elkaar gezet en ze werken. U ziet dat blijkbaar niet zo, maar er is geen wet van Meden en Perzen die zegt dat iedereen zoiets onvermijdelijk moet of kan zien.

Wat mij aan uw betoog stoort, is dat u met uw walging zwaait alsof het om een universele waarheid met een grote “W” gaat.

U heeft in het Letterenhuis een paar fragmenten uit Conscience voorgelezen om aan te tonen hoe krakkemikkig zijn stijl is. Volgens mij heeft u eigenlijk net het omgekeerde bewezen: je kunt de zinnen van Conscience zeggen. Zelfs als je ervan walgt!

Er staan rare woorden in die zinnen; ze roepen emoties op waar wij niks (meer) mee hebben, maar je kunt ze probleemloos “uitgalmen” zoals een echt goed geschoold acteur (die bestaan niet meer) met een vers van Vondel kan doen.

Oké, ik overdrijf. Maar proza dat je zo goed kunt voorlezen, heeft stilistische kwaliteiten. Het zijn niet de enige en zeker niet de enig denkbare stilistische kwaliteiten, maar ze zijn wel reëel.

(Stijl is een van die onderwerpen waar we niet uitkomen. Maar we moeten erover blijven discussiëren. Vreemd genoeg komt het onderwerp vandaag de dag in geen enkele recensie nog aan bod. De allerellendigst geschreven boekjes worden derhalve nooit op meer dan, ik zeg maar wat, de helft van hun merites beoordeeld).

U stelt het voor alsof Conscience in 1838 de hele Europese literatuur op zijn boekenplank had staan en dat hij die bijgevolg beter en met meer vlijt had moeten navolgen.

Dat is natuurlijk niet zo.

Zeker de Nederlandse literatuur stond niet op de plank van Conscience. Men zegt weliswaar dat Walter Scott zijn grote voorbeeld was, maar dat is tot nu toe nooit serieus onderzocht. Ik heb mijn vermoedens over Ivanhoe (dat is zeker niet de hele Scott).

Zoals u zelf toegeeft, telde de “Hollandse” literatuur (nog) weinig of geen valabele voorbeelden voor Conscience. Bovendien was het de literatuur van de “vijand”. Als er na 1830 nog überhaupt Nederlandse literaire boeken in Antwerpen rondslingerden – gesteld dat ze er voor 1830 ook echt waren – was dat bij een paar erudiete orangisten uit een sociale klasse waarmee Conscience geen contact had. En zelfs dat betwijfel ik, want die orangisten waren vermoedelijk niet erg erudiet en bovendien zeer Franstalig.

U vindt het moedig dat Conscience besloot het Nederlands te bezigen. Dat is het ook, en nog geen klein beetje. Al ben ik de eerste om daar aan toe te voegen dat daar zeker commerciële overwegingen bij speelden. De Franstaligen in Belgïe lazen boeken van Franse auteurs die in Brussel op grote schaal en goedkoop werden nagedrukt (tot grote ergernis van diezelfde Franse auteurs).

In zijn eigen taal met Victor Hugo concurreren, was wat hoog gegrepen. Dat wisten de Vlamingen ook wel, al deed bijvoorbeeld Consciences boezemvriend Jan-Alfried De Laet een poosje erg zijn best. U moet er de Indrukken en Ervaringen van Domien Sleeckx maar eens op nalezen. Een aardig boek, overigens.

De romans en gedichten waar Conscience en zijn maats mee dweepten, waren zeer zeker die van nagedrukte Fransen – vaak zg. tweederangsauteurs als, zeg maar, Charles Nodier. Diens verhalen vol bovennatuurlijks wogen zwaar op Phantazy, de tweede publicatie van onze grote vriend. Allicht lazen Conscience en co. ook Fransschrijvende Vlamingen zoals hun vrienden Joseph Ernest Buschmann, Felix Bogaerts en De Cort.

Dit gezegd zijnde, blijft de vraag welk taal of talen  Conscience ter beschikking stonden. Dat waren, inderdaad, in de eerste plaats het Frans (de taal van zijn vader, een ex-zeeman) en het Antwerps (de taal van zijn moeder, een winkelierster en gewezen dienstmeid). In het beste geval schilderachtige idiomen, al weet je natuurlijk nooit.

Veel beschaafd Nederlands zal Conscience niet gehoord of onder ogen hebben gekregen, zelfs niet in de Hollandse tijd. Willem I, u heeft het erover, kreeg immers geen tijd om die taal via zijn onderwijs fatsoenlijk te introduceren.

Als Conscience iets beter Nederlands hoorde of las, was het dat van lokale figuren die zich uitdrukten in wat overbleef van de “beschaafde” omgangstaal uit het Ancien Régime – wat die taal juist was en hoe ze klonk, weten wij niet eens (en kunnen wij ook niet weten).

Natuurlijk, Conscience wijst er in de Geschiedenis mijner Jeugd zelf op, zag hij ook de soms zeer oude boeken die zijn vader in bulk aankocht opdat zijn moeder haar kruidenierswaren in hun uitgescheurde bladzijden kon verpakken.

Op basis daarvan een literaire taal, hoe onbeholpen ook, verzinnen waarin je je kunt uitdrukken, dat is een geweldige prestatie.

U zegt dat Conscience de niet de “taal van het volk” schreef. Maar wat is dat, de taal van het volk? Dialect kun je niet schrijven omdat het niet valt te spellen. Je kunt er hooguit een gestileerde vorm van verzinnen zoals Cyriel Buysse of Felix Timmermans (en in zijn toneelstukken Hugo Claus) een halve tot een hele eeuw later deden. Om dat te doen, moet je alleen inzichten hebben (van politieke, van taalkundige aard) die Conscience in zijn tijd niet kon hebben. Overigens, u stelt de vraag zelf, wat is een “volk”?

Schrijftaal is altijd een min of meer kunstmatige taal. Zelfs al ben je Elsschot. Of een Hollander.

Bombastisch? Sentimenteel? Dat was Conscience zeker. En met hem driekwart van de 19de eeuw, hier en elders. Het is niet anders. Daar komt bij dat het Nederlands (en niet alleen in Vlaanderen) sinds Conscience veel sterker geëvolueerd is dan het Engels, het Frans of het Duits. Stendhal kun je zo lezen, Dickens ook, terwijl je voor Domien Sleeckx of Pieter-Frans Van Kerckhoven een hogere drempel over moet. Zo ook voor Oltmans en Van Lennep, by the way.

Volgens u zijn er Tsjechische schrijvers die moesten werken in omstandigheden, vergelijkbaar met die waarin Conscience aan de slag ging. Ik geloof u op uw woord – ik moet wel; mijn Tsjechisch is niet zo geweldig. Maar kan het niet zijn dat de Tsjechische taal en de dito literaire traditie in betere doen waren dan de Nederlandse, in Vlaanderen, vlak na 1830?

Ik denk dat niemand met enige kennis van zaken zal ontkennen dat er in de 19de eeuw grotere en betere, “universelere” schrijvers waren dan Hendrik Conscience. Schrijvers, wier werk vandaag (voor een literair geschoold publiek, laten we wel wezen) een relevantie heeft die het zijne al lang kwijt is.

Dat doet, historisch gesproken, niets af aan zijn verdiensten. Of aan het feit dat hij in zijn eentje driekwart van de Vlaamse of zo u wil Zuid-Nederlandse literaire geschiedenis van de 19de eeuw uitmaakt. Ik had ook graag Stendhal “bompa” genoemd, maar het is niet anders.

De slogan dat Conscience zijn volk leerde lezen, vindt u onzin.

Tja, dat vind ik eigenlijk ook.

U stelt terecht dat het de onderwijzers zijn die het volk hebben leren lezen. Ik ben zelf de afstammeling van zo’n onderwijzers (uit het officieel onderwijs, zelfs). Maar Conscience is niet verantwoordelijk voor de slogans die grotendeels na zijn dood en om politieke redenen werden uitgebroed. Het komt eropaan die retoriek te analyseren, te situeren en, nadat het historisch onderzoek zijn gang is gegaan, te relativeren.

Multatuli. Natuurlijk. Alleen had die man een literaire traditie achter zich van meer dan twee eeuwen. Een burgerlijke traditie, met veel conformisme, maar ook veel tegenspraak, discussie en polemiek. In een land, zoals uzelf opmerkt, iedereen opgegroeid was met de Statenbijbel. Een protestants land.

U beschouwt La Légende d’Ulenspiegel van Charles De Coster als de ultieme toetssteen om Conscience naar de volstrekte vergetelheid te bonjouren.

Zal ik u eens wat vertellen?

Dat is nu eens een boek waar ik nooit ben doorgeraakt en ik verzeker u, aan mijn Frans heeft het niet gelegen. Al dat folkloristisch pseudo-Rabelaisiaans gearchaïseer, daar word ik wee van. Hoezeer ik het, ideologisch gesproken, ook zou moeten prefereren boven het gelegenheidskatholicisme van onze Hendrik.

Het eigenaardige Vlaanderen dat veel Franstalige auteurs (ook Vlamingen) van de tweede helft van de 19de eeuw oproepen, is – misschien op een andere manier, maar in dezelfde mate – een creatie als dat van de Vlaamsgezinden. Ook dat van de door mij nogal bewonderde en bijwijlen vertaalde Georges Eekhoud. Documentair vaak interessant (ik denk ook aan Marie Gevers), maar “echt”?

Allez, allez.

Dat de (Sovjet)Russen zo dwe(e)p(t)en met La Légende, vind ik intussen niet zo’n… euh… argument. Enfin, wat er ook van zij, feit is dat De Costers Uilenspiegel zo mogelijk nog meer door de flaminganten geaccapareerd en “vermassacreerd” werd dan de Leeuw van Conscience. Om de een of andere reden bent u dat blijkbaar vergeten.

Misschien was De Coster een groter schrijver dan Conscience, dat kan best – maar daar gaat het eigenlijk niet over.

“Gevaarlijke gezwellen”, zegt u over het proza van onze vriend Conscience. Nou, in die termen discussieer ik niet over literatuur. Ik durf niet te denken aan het gejouw dat zou opstijgen als Bart De Wever zich in soortgelijke termen uitliet over het proza van, zeg maar, Tom Lanoye.

Het kot zou te klein zijn, zoals het volk zegt.

U sleept er, zoals te verwachten en te voorzien was, Cyriel Buysse bij. Die leefde, inderdaad, veel later dan Conscience en kwam uit een welgesteld, gecultiveerd, Franstalig midden. Buysse hoèfde voor niemand te buigen; hij kon in zijn automobiel stappen en wegrijden (wat hem overigens zwaar is aangerekend door onze flamingante en christelijke volksbroeders).

Uw verhaal over de Armeniërs is ontroerend. Ik ken zelf een Armeniër, een gecultiveerd mens en volstrekt geïntegreerd, zoals dat heet. Ook een goed mens, denk ik. Maar ondanks zijn aanstekelijke Armeense zelfspot vindt hij wel dat alle Turken (dat begrijp ik nog, van een Armeniër), homo’s, joden, zigeuners en vrijmetselaars moeten doodgemaakt worden. Laten we het maar bij de Hollanders houden, dat is een stuk veiliger – hoewel, sinds Fortuyn en Wilders zijn er ook boven de Moerdijk nog maar weinig zekerheden.

Kijk, iedereen die een beetje geschiedenis heeft gestudeerd, weet dat u een boel juiste dingen zegt (het zou er nog aan mankeren), ook over de mythes die Conscience heeft helpen creëren en populariseren. U zegt dat die “krom” zijn. Ik wil zelfs nog een stuk verder gaan en poneren dat alle mythes min of meer krom zijn.

Wat Conscience kan verweten worden, is dat hij zich inschikkelijk toonde voor de katholieken, dat hij de situatie van de arbeiders niet begreep en dat hij een ietwat zweterig respect had voor autoriteit.

Orwell heeft ooit ergens geschreven dat je een goed schrijver die je politieke tegenstander is, kunt doodschieten zonder daardoor de intellectuele eerlijkheid geweld aan te doen. Maar als je in plaats daarvan ten onrechte zegt dat hij een slecht schrijver is, vond de Engelsman, is dat wél een aanslag op de intellectuele eerlijkheid.

Daarmee bedoel ik niet dat ik u voor oneerlijk verslijt. Maar wel dat ik het over Conscience nogal grondig met u oneens ben.

Literatuur – De karaktermoord op Hendrik Conscience

In de 20ste eeuw werd Hendrik Conscience (1812-1883) verguisd door progressieve, vrijzinnige critici en verdedigd door, zeg maar, katholieken en flaminganten. De schrijver en zijn werk werden in de loop der jaren beladen met ideologische connotaties die meer met de actualiteit van het moment te maken hadden dan met de historische werkelijkheid. Beide kampen maakten zich, elk op hun manier, schuldig aan een (literaire) karaktermoord.

De historicus Tom Verschaffel (1964) publiceerde hierover in 2001 onder de titel De kwade faam van Hendrik Conscience een artikel in het culturele tijdschrift Ons Erfdeel. Hij pleitte voor een meer genuanceerde benadering van Conscience. In dat verband geef ik hier een korte voorzet, met mijn bedenkingen over een aantal vaak gehoorde kritieken aan het adres van “de man die zijn volk leerde lezen” (waar anno nu inderdaad niet zoveel van te merken valt).

Conscience schreef geen Algemeen Nederlands. Dat kon ook niet want AN moest nog worden uitgevonden. De schrijver was opgevoed in het Frans en het Antwerps. Desondanks slaagde hij erin een taal “uit te vinden” waarin hij zijn verhalen op een efficiënte en voor iedereen (ook in Nederland!) verstaanbare manier wist te vertellen. Misschien is het zo dat hij op die manier juist bijdroeg tot het ontstaan en de ontwikkeling van het Algemeen Nederlands.

Stijl

De stijl van Conscience is, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, helemaal niet slecht. Hij schreef helder, duidelijk en beeldend. Zijn taal is uiteraard sterk verouderd (Jacob van Lennep klinkt ook niet modern). Maar wat hij zegt, is nog altijd begrijpelijk. Zijn proza laat zich gemakkelijk hardop voorlezen – iets wat m.i. veel zegt over de kwaliteit ervan.

Consciences beschrijvingen, maar ook zijn actietaferelen zijn voorbeeldig. Hij gebruikte efficiënt tal van literaire middelen – men moet dat alleen willen zien. Dat de schrijver zich “bezondigde” aan Franse wendingen en constructies is onvermijdelijk; het doet niets af aan de intrinsieke literaire kwaliteit van zijn stijl – het is hoogstens voer voor puristen en schoolmeesters.

 De personages van Conscience hebben een rudimentaire psychologie. Dat kan niemand ontkennen. Als zodanig boeien ze ons niet. De romans en verhalen van de schrijver worden aangedreven door hun plot, niet door de karakters van de hoofdpersonen. Dat is trouwens bij een heleboel 19de-eeuwse schrijvers zo – ik begrijp niet goed waarom men zich daar bij ons, in het geval Conscience, zo over verwondert.

Uitstekend verteller

De auteur slaagde er overigens een aantal types te verzinnen – baas Gansendonk of  uit Het Goudland – die in Vlaanderen lange tijd “spreekwoordelijk” waren. Charles Dickens deed dat op een veel grotere schaal, toegegeven, maar zijn beroemde typetjes zijn ook geen wonderen van psychologische analyse.

Conscience was een uitstekende verteller – dat vonden onderling sterk verschillende schrijvers als Louis-Paul Boon en Marnix Gijsen. Hij was een broodschrijver en produceerde novellen en romans van middelmatige kwaliteit. Maar als hij goed was, was hij erg goed. Naast zijn overvloedige romanproductie schreef hij enkele bijzonder merkwaardige boeken, zoals De geschiedenis mijner Jeugd die getuigt van een groot literair inzicht.

Eenige bladzijden uit het boek der natuur is een hoogstpersoonlijk en doorleefd opus, waarin de schrijver zijn passie (en grote kennis van) de natuur en zijn religieus gevoel combineert. Misschien niet “spannend” in de alledaagse betekenis, maar “letterkundig” beslist interessant en uniek in de Europese literatuur.

Conscience “verkocht” zichzelf aan de katholieken. Maar is het niet hypocriet hem met de vinger te wijzen, wanneer het hedendaagse Vlaanderen als vanzelf accepteert dat cultuurpausen als Jan Hoet Sr. of Eric Antonis zich openlijk associëren met een politieke partij? De “steun” vanwege de overheid die kunstenaars als Panamarenko of Jan Fabre genieten, is ook niet echt denkbaar zonder politieke bemoeienis.

Twijfel

Conscience wierp zich overigens nooit op als propagandist van de katholieke partij of van het ultramontaanse katholicisme van de 19de-eeuwse Belgische kerk. Het religieuze gevoel dat uit een aantal van zijn boeken spreekt, is “breder” dan het katholicisme; het is typisch voor de romantiek en niet kerkelijk “orthodox”. In katholieke kringen bleef trouwens lang twijfel bestaan over de morele deugdelijkheid van het werk van Conscience.

Wat ons vandaag het meest stoort, is het paternalisme van de schrijver. Vooral in later werk – Het Ijzeren Graf, bijv. – geeft hij blijk van een zweterig respect voor de maatschappelijke orde. Dat de arbeidersklasse haar lot kon verbeteren door iets anders dan vlijt en spaarzaamheid, begreep hij niet.

Maar hij was zich bewust van het probleem. Uit het feit dat hij er nogal wat aandacht aan besteedde en met paternalistische oplossingen voor de dag kwam, kan men afleiden dat hij er juist niét blind voor was – alleen kende hij, net zomin als de overgrote meerderheid van zijn tijdgenoten, de “oplossing”.

Socialisme

Op socialisme in de literatuur – men vindt dat niet bij Dickens of Balzac en zelfs niet bij Victor Hugo – was het, zelfs in Frankrijk, nog een of twee generaties wachten. De enige Vlaamse schrijver van het midden van de 19de eeuw die in één boek het kapitalisme aan de orde stelde – en dan nog heel voorzichtig – was Eugeen Zetternam.

Ik weet dat Marx en Engels hun Communistisch Manifest al in 1848 lieten verschijnen, maar het duurde zeker tot de jaren 1880 voor in België leden van de middenklasse zich aangesproken voelden door een links gedachtegoed.

Conscience werd vaak “verdedigd” door conservatieve critici en literatuurhistorici. Maar dat zegt weinig over de historische persoon die de schrijver was en ook niet zoveel over zijn werk. Naarmate het Vlaams-nationalisme op het eind van de 19de en in de 20ste eeuw een (hoofdzakelijk) katholieke en rechtse politieke stroming werd, manipuleerde zij haar helden, van wie Conscience er een was. Zo ontstond een verdraaid beeld van de schrijver, dat in het andere kamp tot weinig genuanceerde reacties leidde.

Literatuur – “Bloot gat” of Walschap aan Lampo, over Claus (1956)

Gerard Walschap.

In de bibliotheek van mijn vader vond ik enkele jaren geleden een exemplaar van de eerste druk van Een Bruid in de Morgen van Hugo Claus, verschenen bij De Bezige Bij in Amsterdam en Ontwikkeling in Antwerpen in 1956.

Vooraan zat, keurig dubbelgevouwen, een brief die Gerard Walschap aan Lampo sr. zond. Dat gebeurde nadat mijn vader in Volksgazet een opvoering van Claus’ Het Lied van de Moordenaar in de Antwerpse KNS had gerecenseerd.

Het gaat om een uiterst Walschapiaans epistel dat een grappige voetnoot vormt bij de opvattingen van degenen die Claus en Walschap per se tot eenzelfde “traditie” in de Vlaamse literatuur willen rekenen.

De volledige brief luidt als volgt:

“Beste Hubert,

Ik lees daar uw stuk over Het lied van de moordenaar dat ik helaas ook gezien heb. Volgens mij was dit prachtig regiewerk voor een infantiel werk op het dichterlijk peil van Jef Mennekens of Fonske Van De Maele. Zeg, Hubert, die mannelijke man die snauwt: geef mij de fles en dan met een snok drinkt en die snauwt tegen ‘het wijf’ en ze een duw geeft dat ze daar  henen vliegt en dan zot wordt van een barones met een wit kleed, gelooft gij, schrijver van Hélène Defraye, daar in? Hewel ik, van Houtekiet, niet. En de zaal ook niet.

Ik had heel lang willen klappen voor Fred Engelen, primo, voor Luc Philips secundo en dat is alles. In onze tijd en dat durf ik zonder één aarzeling zeggen namens zowel Van Ostaeyen, Marnix Gijsen, Wies Moens, Mussche als voor mezelf zouden wij zulke kruiskragie uitgelachen hebben met zoveel brio dat het er eens en voorgoed zou gedaan mee geweest zijn.

Hugo Claus (foto NRC).

 Luister Hubert, ik zweer u dat ik op niemand in de hele wereld jaloers ben en dat ik al wie het enigszins zou kunnen verdienen, zelfs al zie ik het niet goed in, de volle literaire roem toewens (die in mijn ogen niet veel betekent overigens). Maar hier zie ik maar al te goed dat Claus niets anders verdient dan goed op zijn bloot gat. Hij heeft meer aanmoediging gekregen dan iemand van uw generatie en hij profiteert met zulke papschoolkunst van de karakterloosheid en smaakloosheid van de literaire “massa” van vijfduizend Vlamingen die weten dat Claus een groot jong kunstenaar is omdat al die bevoegdheden het gezegd hebben en die dit niet schoon vinden, maar doen alsof.

En als er geen reactie komt in het kort, Hubert, zal ik nog eens mijn mes trekken zoals ik al een paar keren in mijn leven heb gedaan en dan kunnen al de schijters en de moedwilligen weer eens zoveel kwaad over mij spreken als ze willen.

Neem mij dit niet kwalijk. Het is niet tegen u gericht maar tot u in volle genegenheid.

  Gerard, 13 mei 56″

Literatuur – Louis Van Keymeulen (1842-1915), de volstrekt vergetene

Louis Van Keymeulen werd in 1842 geboren te Antwerpen. Hij stierf in 1915 te Bergen op Zoom. Over zijn levensloop bieden naslagwerken weinig informatie. Het enige, algemeen bekende feit is dat hij vanaf 1896 literatuurgeschiedenis doceerde aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten. Daaruit kan afgeleid worden dat hij tot de gezeten burgerij behoorde – burgerij die toen nog volledig franstalig was.

Van Keymeulen publiceerde uitsluitend in het Frans. Hij was actief als vertaler, criticus en auteur van romans en verhalen. Hij schreef bijdragen in verschillende binnen- en buitenlandse dagbladen, revues en literaire tijdschriften, zoals de Antwerpse Précurseur, de Revue de Belgique, L’Opinion, de Revue Artistique en de Parijse Revue des Deux Mondes, eertijds het orgaan van de Franse romantische school.

Zijn oeuvre ontstond tussen de late jaren zeventig van vorige eeuw en 1903. Bijzonder omvangrijk is het niet. Het omvat Le Monde-Diable (1877), de vertaling van een gedicht door de Spanjaard Espronceda, de roman Le Fils Adoptif (1881), de bundels Etudes de Genre (1882) en Mémoires d’un Géant (1883), de romans Andy Marks le Dompteur (1885), La Fortune d’Otto Greiffer (1888), La Maison Smits (1889), Le Mariage du Baron (1892), de bundel kritische opstellen Esquisses flamandes et hollandaises (1899) en Au Cimetière (1903).

La Maison Smits

Op één kritiek van Paul Frédéricq na (De Heer Van Keymeulen over de Nederlandsche Letterkunde, verschenen in het juli- en augustusnummer van Het Volksbelang en opgenomen in de bundel Taal en Kultuur uit Vlaanderen, Antwerpen, 1914) bestaat er geen enkele zelfstandige studie over Van Keymeulen. Hij wordt alleen vermeld in het tweede deel van Francis Nautets Histoire des Lettres belges d’Expression française (Brussel, 1893) en in het tweede deel van De Seyns Dictionnaire des Ecrivains belges. Bio-Bibliographie (Brugge, 1931).

De volkomen vergetelheid die Van Keymeulens deel werd, heeft verschillende oorzaken. Hij was natuurlijk een tweederangsschrijver, ook in het raam van de toenmalige Frans-Belgische literatuur met tenoren als Camille Lemonnier, Georges Eekhoud, Emile Verhaeren, Edmond Picard en Max Waller.

Emile Verhaeren.

Ondanks zijn stukken in de Revue des Deux Mondes – een tijdschrift dat op het eind van de 19de eeuw lang niet meer zo toonaangevend was als zestig jaar tevoren – werd Van Keymeulen, anders dan de dichter Verhaeren of de naturalistische romancier Lemonnier, niet beschouwd als Belgische steunpilaar van de Franse literatuur.

Zo de hedendaagse historici van de Frans-Belgische literatuur al van hem gehoord hebben, wordt hij weggelaten uit hun overzichten en studies die belangrijker auteurs tot onderwerp hebben. Bovendien is de herinnering aan de Vlamingen die zich van het Frans bedienden bij het Vlaamse publiek nagenoeg verdwenen. Wie leest er in Vlaanderen nog Maeterlinck, Eekhoud of Verhaeren? Wie is er zich op dit moment van bewust dat er ook hier, in het noorden, tot voor zestig of zeventig jaar twéé literaturen bestonden: naast de Vlaamse’ die zich van het Nederlands bediende ook de Frans-Belgische?

Verteller

Zonder zich aan franskiljonisme schuldig te maken, kan men die collectieve vergeetachtigheid alleen maar betreuren, hoe begrijpelijk ze ook is. Toch bewijst de commentaar van Nautet dat Van Keymeulen in zijn eigen tijd gewaardeerd werd:

“En dehors de nos romanciers dont la forme plus ou moins ésotérique n’est accessible qu’aux initiés ou aux raffinés de littérature, la Belgique commence à posséder depuis M. Emile Greyson ( … ) un groupe de conteurs à qui est dévolue la faculté de provoquer l’ émotion simple, d’ éveiller l’intérêt et parmi lesquels M. Louis Van Keymeulen oecupe le premier rang.”

En inderdaad, veel meer dan een conteur, een verteller, was Van Keymeulen niet. Uit La Maison Smits (Het enige boek dat ik van hem gelezen heb) blijkt zonneklaar dat hij een groot stilist, noch een vormvernieuwer, een origineel denker of een fijnzinnig psycholoog was. Maar hij kon een goed verhaal opbouwen dat de aandacht van de lezer van bij het begin gevangen houdt. En hij was een scherp, vaak cynisch observator van het menselijke bedrijf.

Het Centraal Station, gezien van op het Astridplein.

La Maison Smits speelt zich af in het milieu van de Antwerpse handelaarsaristocratie en stadsadel. Het boek verscheen in 1889 – het enige exemplaar waarop ik in de Stadsbibliotheek van Antwerpen de hand kon op leggen dateert uit 1891; het is een uitgave van J. Lebègue & Cie te Brussel, ook Consciences uitgever – maar de actie wordt even na het midden van de eeuw gesitueerd.

De roman beschrijft hoe de bloeiende handelsonderneming van de oude François-Xavier Smits dreigt ten onder te gaan door het wanbeheer van zijn zoon en opvolger Oswald. Net voor de firma failliet gaat kan Oswald haar verkopen, maar diens bedenkelijke levenswandel eist uiteindelijk toch zijn tol: hij belandt in de gevangenis, wordt krankzinnig en sterft.

Kantoren van de firma

Het eerste hoofdstuk van La Maison Smits geeft een beeld van de kantoren van de firma. De atmosfeer herinnert sterk aan gelijkaardige passages uit Consciences De Koopman van Antwerpen, La NouveIle Carthage van Georges Eekhoud en, alle relativiteit in acht genomen, ook aan Les Mensonges van de te Antwerpen geboren Françoise Mallet-Joris – een roman die er toch zijn decor aan ontleent.

De lezer maakt kennis met enkelen van de belangrijkste nevenfiguren: de kommies Théodore Stevens, de oude kassier van de zaak en de geslepen Lambert De Wolf, naaste medewerker en rechterhand van baas François-Xavier Smits.

Onderwerp van hun gesprek zijn het aanstaande huwelijk van Stevens en de aankomst van een brief van Oswald die na mislukte studies in de rechten en in de medicijnen de wens heeft geuit om zoals zijn vader in zaken te gaan en door hem bij een Londense firma werd geplaatst om er het vak te leren. Hoofdstuk twee is dan ook gewijd aan de gemengde gevoelens waarmee de oude Smits de missive van zoonlief ontvangt.

De verdwenen Hippodroomschouwburg aan de Leopold de Waelplaats.

Oswald beklaagt zich bitter over zijn behandeling door de zaakvoerders van het huis Wilson & Grey; hij beweert dat zijn dokters hem ten stelligste hebben aangeraden om het desastreuze Engelse klimaat zo spoedig mogelijk te verlaten. François-Xavier weet beter. Hij is er zich van bewust dat zijn gewiekstheid in zaken hem niet heeft behoed voor een uitgesproken zwakheid als vader.

Mede door de aanbidding waarvan Madame Smits haar zoon het voorwerp heeft gemaakt en diens opvoeding bij de jezuïeten is Oswald opgegroeid tot een kortzichtige, luie, cynische en domme fils-à-papa, en zijn vader weet dat. Bovendien is hij kort tevoren door Wilson en Grey van Oswalds wangedrag op de hoogte gebracht.

De oude Smits neemt zich voor om niet op de argumenten van zijn zoon in te gaan; hij stoot echter op het hardnekkige verzet van zijn vrouw die het ergste vreest als Oswald langer in Engeland blijft.

Kruidenier

Uit het voorgaande blijkt hoe stereotiep Van Keymeulens personages zijn. De beginsituatievan La Maison Smits zou die van een zedenroman door Conscience kunnen zijn. Van Keymeulen hoedt zich echter voor expliciet moraliseren; de spot die hij tegenover zijn romanfiguren hanteert is veel scherper dan bij Conscience; verder probeert hij hun doen en laten vanuit hun sociale herkomst en het milieu waarin ze leven te verklaren.

François-Xavier Smits is op het einde van de achttiende eeuw geboren als zoon van een kruidenier. Hij heeft school gelopen tot zijn vader hem in de winkel kon gebruiken. Iedere ontwikkeling of culturele belangstelling is hem vreemd. Alleen zijn groter commercieel doorzicht onderscheidt hem van zijn vader en hij slaagt er in om in enkele decennia miljonair en één der meest geziene figuren van de Antwerpse zakenwereld te worden.

Carolina Smits, zijn echtgenote, is de dochter van de waard uit de herberg waar Smits als vrijgezel iedere avond met zijn vrienden kwam kaarten – dat deed hij, zegt Van Keymeulen, omdat hij niet genoeg verbeelding had om een andere vorm van ontspanning te zoeken. Caroline is bij de nonnetjes op school geweest; ze is braaf, maar oliedom. Aan die eigenschappen paart ze een ijzeren wil waar haar echtgenoot niet tegenop kan. Ook wat betreft Oswalds terugkeer naar Antwerpen zal ze haar zin krijgen.

De Meir.

Wanneer Oswald in Mechelen overstapt op een andere trein, ontmoet hij in zijn eersteklascoupé een goede bekende van de familie: gravin Duval de Girelles, die net haar dochterErnestine heeft afgehaald in het Parijse klooster waar ze tot dan toe werd opgevoed. Gravin Duval is de dochter van een arme Henegouwse edelman.

Haar eerste man, van wie ze twee kinderen – Ernestine en haar broer Albéric – heeft, is met haar getrouwd in de hoop daardoor zijn schuldeisers wat langer van zich te kunnen af houden. Dat is maar gedeeltelijk gelukt, en wanneer hij om het leven komt bij een val van zijn paard, staat zijn weduwe een somber lot te wachten.

Straalbezopen

Gelukkig is één van de schuldeisers de Antwerpse bankier Duval die kort tevoren in ruil voor een lening aan een obscuur Duits vorstje, de titel van graaf heeft gekregen en niets liever vraagt dan met een vrouw uit de “echte” adel te trouwen. Zonder verwijl huwt hij de weduwe en voegt aan zijn eigen doodgewone naam De Girelles toe.

Tijdens de treinrit komt Ernestine diep onder de indruk van de dandyeske Oswald. Na het afscheid in het station van Antwerpen maakt die een scène tegen zijn moeder, omdat ze hem in een huurrijtuig, en niet in de koets van de familie is komen afhalen. Dit incident zet meteen de toon voor zijn verder optreden.

Kort na zijn terugkeer troont hij Lambert De Wolf mee naar een etentje in een club waarvan de leden Oswalds behouden thuiskomst willen vieren. Het aanwezige gezelschap is in de kortste keren straalbezopen. Oswald is ervoor verantwoordelijk dat De Wolf zijn been breekt. De bediende herstelt, maar zal blijven manken, en dat vormt de oorzaak van zijn intense haat tegen de zoon van zijn baas. Die weet hij echter handig te camoufleren.

De Wolf gaat daarbij zover dat hij zelfs bereid blijkt om bepaalde taken die de oude Smits aan zijn zoon heeft opgedragen, van Oswald over te nemen. Oswald is daar erg dankbaar voor, want in de praktijk blijkt weinig van zijn verlangen om de kunst van de groothandel te leren.

 De Wereldtentoonstelling van 1894.

Meer dan uitgaan en drinken doet hij niet. Dat brengt hem in conflict met François-Xavier, die hem tot de orde probeert te roepen en weigert zijn krankzinnige vernieuwingsplannen voor de zaak in overweging te nemen.

Maar het is niet alleen De Wolf die langzaam maar zeker de macht krijgt over Oswald. Hij raakt ook steeds meer onder de invloed van de Franse wijnhandelaar Rouvière, die vriendendiensten voor hem verricht en hem grote sommen geld leent.

Van Keymeulens lage dunk van het ontwikkelingspeil en de literaire belangstelling voor zijn stadgenoten wordt scherp verwoord in de passage over de club waar Oswald en Rouvière elkaar ontmoeten:

“Les habitués du lieu ne sont pas des bourgeois routiniers et encrassés: ce sont des hommes à l’esprit cultivé et qui s’intéressent au mouvement des idées, aux progrès des sciences, aux productions des lettres et des arts. Quoi d’ étonnant dans une ville grande et riche, située au confluent des trois grandes civilisations europeennes, et qui, parmi ses deux cent mille habitants, compte presque autant d’ abonnés aux revues littéraires et scientifiques que telle ville anglaise de dixmille âmes, ou tel gros bourg d’Allemagne?

 Revue des Deux Mondes

Sur cette table de marbre se trouvent les journaux illustrés, et il n’est pas rare de voir un grave commerçant les feuilleter et regarder les gravures; s’il ne pousse pas toujours la curiosité jusqu’à lire les légendes explicatives, cela prouve en faveur’ de son bon sens et de sa modération. Il ne faut abuser de rien et s’il peut être permis de donner un moment aux choses de l’ esprit, il ne faut pas y consacrer un temps qui pourrait être employé à jouer aux dominos, à échanger des appréciations sur les tendances des cafés ou des cotons, ou à prêter l’ oreille au recit de quelque anecdote un peu croustillante. Sur une autre table gisent la Revue des Deux-Mondes et d’autres publications périodiques du même genre. Elles ne sont pas coupées, c’ est vrai, mais cela s’ explique par l’indisposition d’un des garçons, quelque peu lettré (il a fait sa cinquième), qui leur rend d’ordinaire ce bon office.”

Op een bal bij de familie Duval besluiten de gravin en Madame Smits dat een huwelijk tussen Oswald en Ernestine een goede zaak zou zijn. Ernestine is verliefd op Oswald en die laat zich haar aandacht welgevallen, maar als hij het hotel Duval verlaat, gaat hij naar zijn maîtresse. Madame Smits rijdt alleen naar huis.

Haar man, die zich eerder die avond onwel voelde, is intussen erg ziek geworden. Een bij geroepen arts diagnosticeert longontsteking, toen nog een gevaarlijke aandoening. Schitterend is de dialoog tussen de dokter en een veelbelovende jonge collega die de oude Smits mee komt onderzoeken:

“- Confrère, dit le plus jeune des deux médecins lorsqu’ils se trouvèrent seuls, avant toute chose je dois vous remercier d’ avoir songé à moi pour cette consultation. Un malade comme M. Smits en vaut dix. Il n’y a pas de quoi, confrère, répondit le docteur Boen, c’ est à nos petites conditions ordinaires. Le docteur Steen n’en était pas moins reconnaissant à son confrère. Pour ne pas le faire attendre, il avait mëme réduit un peu précipitamment la fracture d’un maçon, qui s’ était cassé le poignet en tombant d’un échafaudage. Après tout, pour entasser des briques, on n’a pas besoin de tant de souplesse dans I’ articulation. M. Steen n’eut garde de faire allusion à cette circonstance, lorsque l’ autre médecin le complimenta sur sa réputation croissante comme chirurgien.
– Vous êtes trop bon, répondit-il. Il est vrai que j’ ai eu epuis quelque temps plusieurs opérations bien réussies, et qui ont été remarquées. Avant-hier, entre autres, j’ai coupé un bras dans des conditions ou personne ne l’ aurait fait à ma place, soit dit sans vanité. – Vraiment?
Le patient n’avait plus qu’une heure à vivre, qu’on fit ou non l’amputation. Je l’ai faite sans hésiter, et de cette façon je crois avoir agi à la satisfaction générale. La familie aura la consolation de se dire qu’ on a fait tout ce qu’il était possible de faire; le malade n’aura pas le regret d’emporter dans la tombe un membre qui l’a tant fait souffrir; et moi, enfin, j’ ai fait une excellente opération.”

De dood van de oude Smits plaatst Oswald aan het hoofd van diens onderneming en fortuin. In de praktijk wordt de zaak geleid door De Wolf, die in sommige gevallen volkomen bereid blijkt om de stompzinnige orders van zijn werkgever uit te voeren.

Intussen heeft Oswald het hele huis opnieuw laten inrichten, meer personeel aangeworven en een stel rijtuigen gekocht. Hij krijgt bezoek van Rouvière, die het hem verschuldigde bedrag van meer dan tweehonderdduizend frank komt terugvragen. Oswald ziet daar volstrekt geen graten in. Wanneer zijn kassier hem erop wijst dat het bedrag niet diezelfde dag kan betaald worden, ontslaat hij hem, en benoemt de onbekwame Stevens in zijn plaats. De Wolf laat Oswald betijen…

Het tweede deel van La Maison Smits begint wanneer Oswald en Ernestine al vijf jaar getrouwd zijn. Zoals te voorzien was is Ernestines leven een hel. Hun enige kind is gestorven aan de gevolgen van een geslachtsziekte die Oswald bij één van zijn maîtresses heeft opgelopen. Oswald doet overigens niets om zijn liaisons verborgen te houden.

Gebrek aan literaire cultuur

Gravin Duval verwijt Caroline Smits zijn absoluut gebrek aan zakelijk inzicht: al twee keer heeft graaf Duval hem voor bankroet moeten behoeden. Oswalds moeder is nog altijd blind voor de fouten van haar zoon en wijt zijn problemen aan de bedrieglijke praktijken en het failliet van niet-solvabele handelspartners.

Ook in de persoon van Caroline neemt Van Keymeulen het gebrek aan literaire cultuur van de Antwerpse burgerij op de korrel. Wanneer de gravin en zij in de tuin van het hotel bij de bank komen waar Ernestine David Copperfield zit te lezen, volgt dit stukje dialoog:

“- Et quel est ce livre qui a le don de vous intéresser si prodigieusement? C’est David Copperfield. – Je sais, dit Mme. Smits… David Copperfield. Oh! Je ne connais que ça: c’est de Chakespire, un auteur allemand qui a écrit aussi Don Quichotte, je crois.”

De rede van Antwerpen door Henri de Braekeleer (Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten).

Caroline krijgt het bezoek van Emma, die vroeger voor de familie werkte en nu getrouwd is met Théodore Stevens. thans blijkt dat ze jaren geleden een amourette heeft gehad met de jonge Oswald die haar het hof maakte. Stevens’ aanstelling tot kassier heeft de vroegere loopjongen geen geluk gebracht. Hij is boven zijn stand beginnen leven en drinkt overmatig. Dat heeft zijn gezin in moeilijkheden gebracht die hij heeft willen oplossen door geld te ontvreemden. De diefstal werd door Oswald ontdekt en Stevens is ontslagen.

Caroline geeft Emma geld zodat ze voorlopig de eindjes aan elkaar kan knopen. Wanneer Emma het huis verlaat wordt ze gezien door De Wolf. Dezelfde avond sterft graaf Duval en Oswald ontvangt bericht over het faillissement van het Braziliaanse handelshuis Schuft, Schwindler en Fuchsendreck (!) dat voor hem een ernstig verlies met zich meebrengt. Terwijl De Wolf zijn werkgever inlicht over de zware moeilijkheden waarin de firma zich bevindt en Oswald met het voornemen speelt om zich uit zaken terug te trekken, arriveert een bediende met een raadselachtig briefje van gravin
Duval de Girelles.

Oswald moet naar haar toe en hij vraagt De Wolf op hem te wachten. Wanneer hij terug in zijn kantoor komt, is hij vastbesloten zijn handelsfonds van de hand te doen. De Wolf zal uitkijken naar potentiële kopers.

Interieur van een herberg aan de haven door Hendri de Braekeleer (Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten)

Het volgende hoofdstuk begint met een accurate beschrijving van het Sint-Andrieskwartier. Die passage is de enige uit La Maison Smits waarin het Antwerpse stadsbeeld uitvoerig aan bod komt. Zo belandt de lezer in het huisje van Théodore Stevens die een scène maakt tegen Emma omdat hij niet begrijpt waar ze geld heeft gevonden. De ruzie eindigt ermee dat hij haar het overschot ontfutselt. Op dat moment wordt er aangeklopt.

De bezoeker is Oswald die Théodore wil spreken. Het volgende hoofdstuk beschrijft de opening van het testament van graaf Duval de Girelles, enkele dagen later. Naast de gravin, haar kinderen, Oswald en Caroline zijn daarbij ook de broer van de graaf, een rentenier uit Mechelen, en diens vrouw Pulchérie aanwezig. Tenzij de graaf er in zijn testament ànders over beschikt heeft, moet de erfenis hun toevallen.

Wilsbeschikking

François Duval en zijn vrouw (“née Pulchérie Janssens’, zoals Van Keymeulen er giftig aan toevoegt), zijn nog erger karikaturen dan de andere personages: Over Pulchérie zegt de schrijver onder meer:

“il suffisait de jeter un coup d’ oeil sur une dame, longue, maigre, osseuse et pointue qui lui donnait le bras et qui n’était autre que sa femme (…). La Bible nous apprend que Dieu créa l’homme à son image; et avec un peu d’effort nous parviendrons à le croire, non sans nous étonner toutefois de la peine que se donnent la plupart des individus de l’espèce humaine pour effacer chez eux-mêmes et chez les autres tous vestige de l’ empreinte divine, et sans regretter le succès étonnant et complet qui presque toujours couronne leurs efforts. Mais pour la femme, la Bible ne dit rien; et c’ est bien heureux, car si elle eût été aussi positive sur ce point, depuis Adam beaucoup de maris, et parmi eux M. François Duval, auraient sans doute perdu toute croyance dans la véricacité des livres saints.”

Gelukkig bepaalt Duvals laatste wilsbeschikking dat hij zijn goederen aan de kinderen van zijn vrouw nalaat en dat zijzelf er het vruchtgebruik van zal hebben.

Langs de kade.

Oswald vertrekt op reis. De Wolf en Rouvière, van wie nu blijkt dat zij al lang medeplichtigen zijn, bereiden de overname van het huis Smits voor. Wanneer Oswald terug in de stad komt, is hij blij verrast dat zijn oude vriend Rouvière de zaak wil overnemen. De koop wordt gesloten en Oswald onderneemt stappen om een betrekking in de diplomatie te krijgen.

Op oudejaarsavond zoekt De Wolf, die ook Oswalds persoonlijke ondergang wil, Stevens op en fluistert hem in dat Emma een verhouding met Oswald heeft. Thuis vindt Stevens de brieven die Oswald indertijd aan Emma geschreven heeft. Hij is er van overtuigd dat zijn vrouw hem bedriegt en vermoordt haar. Enkele uren later wordt hij gearresteerd.

Voor hij naar de gevangenis wordt gebracht, vraagt hij om een onderhoud met de Procureur des Konings. Nadat hij met één van diens substituten heeft gesproken, slaagt hij erin te ontsnappen aan de agenten die hem begeleiden. Hij pleegt zelfmoord door zich in de Schelde te verdrinken. De Wolf is er op Nieuwjaarsdag toevallig getuige van dat zijn lijk uit de stroom wordt opgevist.

Egypte

Enkele uren later wordt Oswald gearresteerd, want Stevens heeft aan de substituut bekend dat hij in zijn opdracht een vals testament heeft vervaardigd. Gravin Duval, het eigenlijke brein achter de vervalsing, vlucht het land uit. Door de schuld op haar af te wentelen, komt Oswald er van af met een relatief lichte gevangenisstraf. In de gevangenis krijgt hij een hersenbloeding. Hij herstelt, maar zijn mentale vermogens zijn definitief aangetast. Ernestine slaagt erin gratie voor hem te verkrijgen. Samen met zijn moeder heeft ze een bescheiden huis in een voorstad betrokken; daar wijden ze zich tot bij zijn dood aan Oswalds verzorging.

Gravin Duval is uitgeweken naar Egypte, waar ze een groot hotel voor tuberculosepatiënten opent. Ze ontmoet er een Russische edelman met wie ze trouwt en uitwijkt naar Rusland. Albéric, Ernestines broer, maakt carrière in het leger van de Egyptische khedief.

De rede van Antwerpen gezien van op de Linkeroever; vooraan de “Sint-Annekesboot” (1911).

Et la maison Smits?”, zoals Van Keymeulen onderaan de voorlaatste bladzijde van zijn boek vraagt – vooraleer zélf het antwoord te leveren:

“Sous la direction de ses nouveaux chefs elle a reconquis son importance d’ autrefois (…) M. De Wolf a parfaitement compris que si l’on peut s’élever par l’intrigue et la fourberie, on ne peut rester sur le faire que par la loyauté et la conscience. Ce malhonnête homme est devenu un très honnête commerçant (…) Il ne tiendrait à lui de jouer un rôle politique; mais il trouve que par temps qui court, un homme qui se respecte ne peut plus mettre la main à des choses aussi malpropres. En un mot, il a tout ce qu’il ne désirait, et plus qu’il ne désirait. Est-il heureux? C’est une autre question.”

In zijn Histoire des Lettres belges verkiest Nautet Van Keymeulens romans La Fortune d’Otto Greiffer die zich te Bilbao afspeelt, en Andy Marks le Dompteur waarvan het verhaal in Odessa werd gesitueerd, boven het al te realistische La Maison Smits. Die voorkeur heeft stilistische gronden, maar ook het feit dat de avonturen van Oswald Smits te “objectief” werden weergegeven speelt voor hem een rol.

Dickens

Van Keymeulens scrupuleuze realisme doet Nautet denken aan dat van niet nader genoemde Engelse schrijvers:

La Maison Smits’ rappelle assez bien ces romans de Londres ou la vie est peinte sévèrement et simplement.”

Het gebruik van de term realisme hoeft niet te verbazen: ook de weinig waarschijnlijke peripatieen in La Maison Smits behoren tot de conventie van de 19de-eeuwse realistische roman. Dat dit soort realisme rond 1890 verouderd was, schijnt Nautet als zodanig niet te storen. Zijn opmerking over de verwantschap tussen La Maison Smits en “bepaalde Engelse romans” is echter correct.

Het enige boek dat één van de personages leest is niet toevallig David Copperfield. Er is trouwens méér dat bij Van Keymeulen naar Dickens verwijst, zoals de ambitie een zedenroman te schrijven waarin een breed maatschappelijk panorama wordt geschetst – al vindt men die vanaf de romantiek ook in de Franse literatuur -, de ironische voorstelling van de personages, en het feit dat het daarbij steevast gaat om zg. flat characters die hun voorbestemde rol spelen zonder te evolueren.

Het was er Van Keymeulen duidelijk om te doen een roman de moeurs en geen psychologische roman te schrijven. Ook daarom doet La Maison Smits meermaals aan de stedelijke zedenromans van Conscience denken. Zijn “objectivisme” blijft daarbij heel relatief. Van Keymeulen moraliseert misschien niet expliciet en hij bedient zich van een vertellende instantie die wel losstaat van de optredende personages, maar uitsluitend spottende, kritische commentaar op die personages en hun milieu levert (het is trouwens zeker dat Van Keymeulen vertrouwd was met het “wetenschappelijke” naturalisme van zijn tijdgenoot Emile Zola, dat geen expliciet gemoraliseer inhield). Zijn zedenlessen zijn dan ook in het verhaal zelf verwerkt – wat ze intussen niet minder triviaal maakt.

Naturalisme

Ondanks een laagje naar het naturalisme zwemend vernis – van de vroegtijdige dood van Oswalds zoontje tengevolge van een venerische ziekte, opgelopen door de vader en Oswalds instorting die uiteindelijk het gevolg is van zijn uitspattingen – is La Maison Smits immers een roman waarin de boosdoener uiteindelijk gestraft wordt. Ook de gesprekken tussen de cynische dokters Boen en Steen zijn niets minder dan een aanklacht.

De Grote Markt, noordzijde.

Toch was Van Keymeulen geen sociaal geëngageerd auteur. Het hele mensdom moet het bij hem ontgelden, arbeiders zo goed als aristocraten. De enige sympathieke personages in La Maison Smits zijn Ernestine, de ongelukkige vrouw van Oswald, en het gewezen kamermeisje Emma dat door haar echtgenoot wordt vermoord. Beiden zijn bovendien stereotiepen die uit een boek van Conscience konden zijn weggelopen: vlijtige, liefdevolle en toegewijde slachtoffers. Daar verandert hun verschillende sociale herkomst niets aan. Precies hun optreden verleent Van Keymeulens pessimistische houding een nogal incoherent karakter.

Ondanks het gebrek aan een consistente visie op het maatschappelijk gebeuren blijft La Maison Smits een merkwaardige roman. Het boek is oppervlakkig, maar precies door die eigenschap biedt het een betrouwbaar beeld van een milieu en een mentaliteit die in de Vlaamse literatuur van rond die tijd zo goed als ontbreken.

Van Keymeulen kon niet alleen een boeiend verhaal verzinnen; ondanks de sjablonerigheid van zijn typen was hij een goed observator die wist waarover hij schreef. La Maison Smitsmag dan geen grote roman zijn, het blijft niettemin de neerslag van een boeiend stuk cultuurgeschiedenis.

Oorspronkelijk verschenen in De Nieuwe van donderdag 12 juli 1984.

 

Literatuur – Vuile manieren in Vlaamsche Arbeid. Karel Van den Oever wordt het slachtoffer van een mystificatie.

In het voorjaar van 1910 valt een omslag in de brievenbus van het fraaie art nouveauhuis van advocaat Jozef Muls (1882-1961) aan het Antwerpse Vleminckveld. Muls, die na de Eerste Wereldoorlog zijn praktijk opgeeft om zich aan de kunstgeschiedenis te wijden, is de oprichter van het katholieke en flamingante literaire tijdschrift Vlaamsche Arbeid. Zijn adres is ook dat van de redactie.

Huis van Jozef Muls aan het Vleminckveld (foto Jan Lampo).

Muls vertrouwt  de omslag toe aan redactiesecretaris Karel Van den Oever (1879-1926). De dichter Van den Oever woont enkele honderden meter verder, aan de Steenhouwersvest. Daar runt hij met zijn twee, eveneens ongehuwde zussen, een textielwinkel. Van den Oever, die zich na de oorlog tot het expressionisme zal bekeren, werkt op dat ogenblik aan een bundel die in neo-renaissancistische verzen het Antwerpen van de 16de eeuw oproept. Van den Oever is een militant katholiek.

Karel Van den Oever (foto AMVC-Letterenhuis).

De inhoud van de omslag brengt de ietwat wereldvreemde dichter in verrukking. Het gaat om verzen van een jonge vrouw, Maria Broeckx, uit Nieuwkerken in het Waasland. Een Engels motto, ontleend aan Dante Gabriel Rosetti, gaat de verzen vooraf. Van den Oever kiest twee gedichten en laat ze, met het motto, verschijnen in het 7de nummer van de 5de jaargang 1909-1910 van Vlaamsche Arbeid. Vermoedelijk schrikken de vrienden van Van den Oever wanneer ze de jongste aflevering van hun blad ontvangen. Hun oncomfortabele geheim blijft niet lang geheim.

Huis van Jozef Muls, détail (foto Jan Lampo).

In zijn septembernummer pakt De Blauwvoet, “vrijzinnig letterkundig Orgaan van den Oud-leerlingenbond van School 14”, onder de kop Een schandaal!! uit met de waarheid over Maria Broeckx en haar gedichten. De Blauwvoet is een op veredeld krantenpapier gedrukt maandblad dat nog maar net is opgericht en waarvan de nummers 8 bladzijden beslaan. Het besteedt uitsluitend aandacht aan onderwerpen uit de literatuur en het theater. De samenstellers zijn oud-leerlingen van een Antwerpse stadsschool. Ze noemen zichzelf uitdrukkelijk “vrijzinnig”, d.w.z. niet-katholiek, on- of antikerks.

Medewerker “Sherlock Holmes” publiceert de enthousiaste brief die Van den Oever aan Maria Broeckx heeft gestuurd om de publicatie van haar gedichten aan te kondigen. Met geveinsde ernst meldt hij dat Van den Oever het motto niet begrepen heeft – anders had hij het niet gepubliceerd. De verzen “O, the prick, the prick, the lovely prick / O, I faint, I faint, I close my eyes,” betoogt hij verder, zijn niet van Rosetti.

Huis van Karel Van den Oever aan de Steenhouwersvest (foto Jan Lampo).

“Holmes” brengt ook aan het licht dat de gedichten van Maria Broeckx eigenlijk van de Nederlandse dichters W.G. van Nouhuys en van Marie Metz-Koning zijn – slechts enkele verzen werden van plaats veranderd. Ook dat heeft Van den Oever over het hoofd gezien…

“Wat bewijst dat nu?” vraagt de literaire detective zich af. Hij antwoordt zelf: “Dat geen enkele der redacteuren van Vl. arbeid de Nederlandsche letterkunde kent, geen enkele, zelfs niet de zeer Eerwaarde Heer Jozef De Cock, Hoogleraar en Kritikus.” Erger nog, het voorval bewijst dat “morgen gelijk welke ploert vrij kan plagiëeren en mits geringe wijziging, zijn afschrift kan in de letterwereld brengen, aangemoedigd […] door Vlaamsche Arbeid.” En, voegt hij eraan toe, “dat is een Schandaal, dat ieder rechtgeaard en weldenkend mensch afkeuren moet en tegenwerken.” Om zijn aantijgingen hard te maken, laat hij de gedichten van Maria Broeckx en de originelen van de Nederlandse dichters volgen.

Gedenkplaat voor Karel Van den Oever aan de gevel van zijn huis (foto Jan Lampo).

De geest is uit de fles. Muls en/of Van den Oever zijn, om verschillende redenen, even boos als “Sherlock Holmes”. Ze doen hun beklag bij de katholieke Antwerpse kranten. Het Handelsblad gewaagt op 9 september van “een ploertenstreek”, op het getouw gezet door “verbitterde schrijvelaars, die hunne meesterstukken niet konden geplaatst krijgen”. Vervolgens, aldus nog de krant, heeft een “nietig blaadje” van “overal afgedankte of weggeschopte ploerten” geprobeerd daar garen van te spinnen. Het echte schandaal, aldus “Fides”, is dat “vandaag op zulke rotheid in de letterkundige Vlaamsche wereld moet gewezen worden.”

Enkele dagen later, op 11 september, doet Gazet van Antwerpen er nog een schepje bovenop met een artikel over “Oneerlijke praktijken in de Vlaamsche letterkunde”. Net zoals zijn collega van Het Handelsblad, vindt de journalist dat Van den Oever niets te verwijten valt. Men kan niet alle gedichten van tweederangspoëten kennen, men verwacht zich niet aan soortgelijk bedrog en de verzen getekend “Maria Broeckx” zijn niet geheel onverdienstelijk…

Cover van “Vlaamsche Arbeid”.

Blijkbaar worden in de wandelgangen van de literatuur al snel namen genoemd. De prozaschrijver André De Ridder (1888-1961), redacteur van het literaire tijdschrift De Boomgaard en oud-medewerker van Vlaamsche Arbeid, stuurt een lezersbrief op hoge poten naar Het Handelsblad. “Zekere vermoedens, die ik rond me opduiken zie en zekere geruchten, die mijn oor reikten” nopen hem ertoe te verklaren dat niet hij verantwoordelijk is voor de mystificatie en evenmin voor de berichtgeving daarover in De Blauwvoet. Niet zozeer Vlaamsche Arbeid is de gedupeerde van de grap, zegt De Ridder, “als […] den onbezonnen redacteur” wiens brief aan Maria Broeckx “feitelijk de pittigste en gekste kant van ’t avontuur uitmaakt.”

Blijkbaar vindt de aanstichter van de hele zaak het nu welletjes. In de Franstalige, katholieke krant La Métropole en ook in een lezersbrief aan Het Handelsblad (21 september), maat hij zich bekend. Het blijkt om Leo Van Goethem te gaan. Van Goethem is zelf journalist bij La Métropole. Hij verzekert zijn lezers van zijn katholieke rechtzinnigheid en wijst op het feit dat hijzelf reeds herhaaldelijk in Vlaamsche Arbeid heeft gepubliceerd.

Jozef Muls (foto AMVC-Letterenhuis).

“Ik zie er hoegenaamd geen bezwaar in openlijk te doen kennen dat ik alleen de dader ben der in den grond heel schuldelooze beetnemerij, waarvan M. Karel Van den Oever het beklagenswaardige slachtoffer werd,” schrijft Van Goethem. “Wat mij echter spijt is, dat er van die zaak misbruik gemaakt werd met ze zoo’n tint van politieke harenplukkerij te geven. […] Ik denk dat het nu zal uit zijn met de commentariën (vooral de politiek getinte) over die guitenstreek, die nooit (door wiens toedoen en in wiens voordeel?) zulke uitbreiding hadde moeten nemen.”

Krokodillentranen? Het ziet ernaar uit. Van Goethem zegt niets over de verontwaardiging van “Sherlock Holmes” in De Blauwvoet. Hij zinspeelt evenmin op het uitgebreide (en bijzonder grappige) interview met Maria Broeckx dat ene “Lieven Vogelaer” in een volgend nummer van diezelfde Blauwvoet heeft laten verschijnen. Daarin verklaart de dichteres “Mijnheer ik was Maagd. […] Litteraire en artistieke Maagd. ‘k Had nooit iets gepubliceerd, Mr Van den Oever heeft me ontmaagd (litterarisch!).”

André De Ridder in 1930 (foto Schrijversgewijs).

“Lieven Vogelaer” steekt genadeloos de draak met Van den Oever door o.m. alle verzen van een gedicht van hem in een andere volgorde te plaatsen en zijn prozastijl te pasticheren. Van Goethem maakt een cameo appearance in de tekst wanneer “Vogelaer” Maria Broeckx laat zeggen dat Van Goethem net als Van den Oever “een bries van vleeschelijke liefde zal doen waaien door de stille kamers onze Vl. Poëzie”.

Zijn “Vogelaer” en Van Goethem een en dezelfde? Het lijkt er sterk op. Wie is Leo Van Goethem en wat bezielt hem? Hoewel de biografie van deze auteur vaag blijft, weten we dat hij vanaf 1909 o.m. in De Boomgaard van André De Ridder verhalen, beschouwende stukjes, gedichten en “poëmen in proza” laat verschijnen. In 1920 zal hij meewerken aan Het roode Zeil, het literaire tijdschrift dat gedurende een jaar de lijn van De Boomgaard voorzet. Tot de redactie behoort behalve P.G. Van Hecke en Arthur H. Cornette o.a. André De Ridder.

Uit zijn teksten treedt Van Goethem naar voor als een nog wat voorzichtige, vroege modernist – een melancholisch gestemde, diep-religieuze rebel die af en toe blijk geeft van talent voor bijtende satire.

Van Goethem sterft in 1931. Uit zijn overlijdensbericht, verschenen in de Brusselse krant Le Soir van 7 mei, blijkt dat hij geboren is in 1887 in Beveren-Waas en dat hij sinds elf jaar voor de krant werkt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog dient hij aan het Ijzerfront, voordat hij in Parijs in opdracht van de Belgische overheid de Nederlandstalige soldatenkrant Het Vaderland opricht.  Le Soir herinnert aan Van Goethems werk bij La Métropole, waar hij zich al jong journalist “onderscheidde door zijn kwaliteiten als nieuwsgierige onderzoeker en liefde voor zijn vak.”

Hoewel de liberale Nieuwe Gazet en het weekblad De Gazet van de “Toneelboekhandelaren Gebr. Janssens, Antwerpen” er nog op terugkomen, raakt de Marie Broeckx-mystificatie snel vergeten. Van Goethem zal nooit de bekendheid van Van den Oever genieten, Vlaamsche Arbeid boert rustig verder en De Blauwvoet wiekt weg in de nacht der tijden.

Verschenen in Zuurvrij nr 22 van juni 2021

Geschiedenis – Kroniek van het Schipperskwartier

Gade weg, gade weg, gade weg:

wij zijn hier, wij zijn hier.

Wij zijn de mannen van het Schipperskwartier.

En zie ze maar eens gaan,

en ze maar een staan,

zoude nu niet zeggen

daar kan geen een ploeg aan.

Liedje van de straatjeugd uit het Schipperskwartier, omstreeks 1900

Kraaiwijk (1000-1300)

De populaire TV-serie Lili en Marleen speelt in een café aan de Koolkaai. Dat is de naam die men in 1885 geeft aan het pleintje dat ontstaat na de overwelving van de Koolvliet. Die vormt al vòòr 1200 het laatste stuk van de watersingel om Antwerpen en fungeert tegelijk als een binnenhaven. Geen wonder dus, dat er scheepsvolk woont: reders-kapiteins die de zee bevaren en hun matrozen, maar ook lieden die hun kost verdienden op de Schelde en haar bijrivieren.

Het Schipperskwartier vandaag – de Vingerlingstraat.

Gehard en roerig volk, welbespraakt en met een bijtend gevoel voor humor, dat zich afzijdig houdt van de handwerkers en de boeren uit de omgeving. De Scheldemonding heeft voor de schippers geen geheimen. In de 12de en de 13de eeuw steken ze al het Kanaal over, tot in Engeland.

De buurtschap waar deze mensen wonen, krijgt de naam Kraaiwijk. Wat die naam precies betekent, weten we vandaag niet meer. Maar “wijk” wijst in ieder geval op een haventje, een plek waar handel wordt gedreven. Vandaag resten ons nog de straatnamen Grote en Kleine Kraaiwijk.

Aan de overkant van de Koolvliet, van aan de Schelde tot aan de weg naar het noorden (Lange Koepoortstraat, Klapdorp, Paardenmarkt) vinden we een drassig weidegebied, de Dries. Hier laten de Antwerpenaars hun vee grazen. Dat doen ook de bewoners van het gehucht Klapdorp. Het ligt aan weerszijden van de weg waaraan het op de duur zijn naam geeft.

De cast van “Lilly en Marleen”.

Tot in 1249 verandert het uitzicht van de buurtschap weinig. Maar dan krijgen de predikheren of dominicanen van kanunnik Hugo Nose (Nosestraat) een

stuk van de Dries om er een klooster te bouwen. Weldra beslaat dat zowat het hele gebied tussen de huidige Dries, Keistraat en Zwartzusterstraat. Bij de Tweede Stadsuitbreiding zal Antwerpen het klooster en een stuk van het oude weidegebied inlijven.

De Sint-Pietersvliet wordt de noordgrens van de stad. Wallen of poorten zijn er niet. Alleen grachten houden de vijand (of veedieven) buiten dit deel van de stad.

Falco en zijn plein (1350)

De Italianen zijn al vroeg bekwame geldwisselaars en bankiers. In de eerste helft van de 14de eeuw slaat Falco de Lampage uit Florence munt in opdracht van hertog Jan III van Brabant. Falco is een rijk man. Van zijn werkgever koopt hij een stuk van de Dries ten noordwesten van Klapdorp. Hij maakt het droog en sticht er op zijn beurt een klooster.

De nonnetjes die er wonen, noemt men naar Falco de falcontinnen en de open plaats voor het klooster heet Falconplein. Lang duurt de falcontinnen alle ruimte tussen Falconplein, Falconrui, Oudeleeuwenrui en Generaal Belliardstraat in handen hebben. Ze beschikken over een kerk en een gastenverblijf en bouwen zelfs huizen die ze verhuren aan particulieren.

Het Falconplein vandaag.

Het gaat Antwerpen voor de wind. Stilaan groeit het uit tot de voornaamste handelsplaats van Brabant. Ook de schippers boeren goed. Ze zwermen uit over de nieuwe buurtschap ten noorden van Kraaiwijk. Aan de Sint-Pietersvliet vestigen zich scheepsbouwers.

Waar nu de Sint-Paulusplaats is, vindt twee keer per jaar de huidenmarkt plaats. Ze duurt twee of drie dagen en men verkoopt er huiden en leder uit de Nederlanden en van daar buiten.

Het Vingerlinc en het ontstaan van het Schipperskwartier (1400-1548)

Bij de Vierde Stadsuitbreiding (14de- begin 15de eeuw) schuift de noordgrens van Antwerpen weer eens op – ditkeer tot aan de Brouwersvliet. Daarover komen twee bruggen die naar heuse stadspoorten leiden.

De vierde stadsuitbreiding (naar Prims).

In de “hoek” tussen de Sint-Pietersvliet en de Brouwersvliet komt omstreeks 1410 een heuse versterking. Zij krijgt de naam Het Vingerlinc – vandaar de naam van de Vingerlingstraat. Bij de bouw van het Vingerlinc ontstaat de Schippersstraat. Eerst heet ze Bredestraat of Klappeistraat. Pas in 1856 krijgt ze haar huidige naam, om verwarring met de Klappeistraat bij de Sint-Willibrorduskerk te vermijden.

De hebben geleerd dat ze er voordeel bij hebben hun gemeenschappelijke belangen samen te verdedigen. Omdat hun activiteit zo belangrijk is voor het economisch leven, legt het stadsbestuur hen allerlei reglementen op. In 1421 verenigen de schippers zich dan ook officieel in een ambacht. Zo’n een organisatie houdt het midden tussen een vakbond en middenstandsvereniging.

Het schippersambacht groeit uit tot een rijke en machtige organisatie. Ze drukt mee haar stempel op de Antwerpse politiek. Bij de huidige Korte en Lange Schipperskapelstraat bouwt het ambacht ca. 1406 een godshuis voor bejaarde schippers. In 1443 krijgt dat een (nieuwe) kapel die de beide straten hun naam geeft.

“Les Demi-Grues” door Carel De Poorter.

In 1477 spelen de schippers een voorname rol in de opstand tegen de jonge hertogin Maria van Bourgondië. Deze kleine revolutie gaat de geschiedenis in als de Quaeye Werelt. Eén van de grootste oproerkraaiers is Peter Biggen, die in de volksmond de heer van Kraaiwijk heet.

Een paar jaar later, in 1480, breekt de stad het Vingerlinc af. In de buurt worden straten geopend: de Vingerlingstraat (die in het begin ook de Oudemansstraat omvat) en de Broekstraat. Die laatste gaat later de Blauwbroekstraat heten, naar een verwerij. Aan de noordkant van de Blauwbroekstraat bevinden zich verscheidene gangen met kleine huisjes. De Oudemansstraat ontleent haar naam aan een godshuis voor oude mannen dat omstreeks 1470 is gesticht.

Zo groeit het Schipperskwartier uit tot een levendige, drukke wijk met woon- en werkhuizen, kroegen en opslagplaatsen, kloosters en kapellen. Het deelt het lief en leed van Antwerpen.

Gilbert van Schoonbeke en daarna (16de-18de eeuw)

Iets voor het midden van de 16de eeuw bouwt Antwerpen nieuwe stadsmuren, de zg. “Spaanse” wallen. Een groot gebied ten noorden van de Brouwersvliet wordt ingelijfd bij de stad. In 1548 sluit bouwpromotor Gilbert van Schoonbeke een contract met de schepenen. Hij zal de Nieuwstad, zoals het daar is gaan heten, verkavelen, er straten trekken en twee nieuwe vlieten graven.

Gilbert van Schoonbeke.

Net zoals de Brouwersvliet staan de Middenvliet en de Timmervliet in verbinding met de Schelde. De Middenvliet kan schepen tot 200 ton ontvangen, de andere twee schepen tot 80 ton. Nabij zijn vlieten trekt Van Schoonbeke straten en bouwt hij huizen. De werken duren tot in 1552. Twaalf jaar later legt men in de Nieuwstad de eerste steen van het Hansa- of Oosters Huis. Dat fungeert als hotel en opslagplaats voor de kooplieden uit de steden van de Duitse Hanze.

Om de waren op te slaan die met platte wagens uit andere plaatsen in Duitsland naar Antwerpen komen, begint men nog datzelfde jaar aan het Hessenhuis.

Het eigenlijke Schipperskwartier is niet langer de noordelijkste buurt van Antwerpen.

Jozef II, de “keizer-koster”.

De Oostenrijkse keizer Jozef II schaft op het einde van de 18de eeuw de “nutteloze” kloosterorden af. Zo ook de falcontinnen. Zij verlaten hun klooster in 1784. De Fransen gebruiken de gebouwen nadien als militair hospitaal. Omstreeks 1810 maakt het klooster plaats voor een kazerne, die blijft staan tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

Alleen de Falconpoort, die toegang verleende tot het klooster, overleeft. Er komt in de 19de eeuw een gang met twintig huisjes achter. Die verdwijnen pas wanneer men 1955 op het terrein van de Falconkazerne het Internationaal Zeemanshuis bouwt.

Napoleons dokken en de Kapel onder de Sint-Paulusplaats

In 1803 besluit de Franse keizer Napoleon om van Antwerpen een militaire haven te maken. Hij beveelt de aanleg van getijdenvrije dokken. Daarvoor maakt men gebruik van de vlieten van Gilbert van Schoonbeke. In 1807 gaan de graafwerken aan het Petit Bassin of Bonapartedok van start. Zes jaar later volgt het Grand Bassin, later Willemdok genoemd omdat de koning der Nederlanden het overdraagt aan de stad Antwerpen.

Napoleon door Ingres.

Anno 1855 overwelft men de Sint-Pietersvliet. Dwars over de gronden van het oude dominicanenklooster trekt men de Sint-Paulusstraat. Aan weerszijden komen voorname burgershuizen.

In één van die huizen wordt in de Franstalige dichter Max Elskamp geboren. Hij verhuist naar de Belgiëlei, maar vereeuwigt “zijn” straat in het gedicht La Chanson de la rue Saint Paul (Het Lied van de Sint-Paulusstraat).

Men legt ook de Sint-Paulusplaats aan. Die krijgt op termijn haar eigen politiebureau. En vlakbij verrijst verrijst het Tolhuis.

De ruien.

Onder de Sint-Paulusplaats vinden we de zg. Kapel, een onderdeel van Antwerpens legendarische ruien. De kapel heeft een oppervlakte van bijna 250 vierkante meter. Ze bestaat uit twee beuken van zo’n vijf meter breed en vier meter hoog, die door twee machtige zuilen van elkaar worden gescheiden.

De Kapel vormt de verbinding van de Minderbroedersrui met de Koolvliet en de Sint-Pietersvliet. De legende wil dat een dertigtal Engelse ingenieurs met hun echtgenote hier in 1890 op bootjes een banket hielden. Eten en champagne zouden daarbij via mangaten van op straat zijn neergelaten.

De leerjaren van een kapitein (ca. 1860)

Omstreeks deze tijd schrijft Domien Sleeckx (1818-1901) de roman In ’t Schipperskwartier (1861). In dit populaire boek, dat tot halverwege de 20ste eeuw geregeld herdrukt wordt, vertelt Sleeckx het leven van de straatjongen Jan Savoir uit het Schipperskwartier. Dankzij zijn grote verstand en doorzettingsvermogen brengt hij het tot scheepskapitein en trouwt met Rozeke, de dochter uit een florissante kaaswinkel aan de Keistraat.

Sleeckx blijft niet blind voor de armoede en de ellende in de gangen en op de zolderkamers van de wijk, maar zijn Schipperskwartier is toch burgerlijker en vooral “braver” dan het echt moet zijn geweest.

De Sint-Pauluskerk.

“Waar ik geboren werd, en wie eigenlijk mijn ouders waren,” vertelt Jan Savoir, “zou ik, om de waarheid te zeggen, niet met juistheid kunnen opgeven. Zooveel is zeker, dat ik een jongen ben van het zoogenaamde Schipperskwartier, dat is, van de wijk, nabij de haven en de dokken gelegen, waar sinds eeuwen dat gedeelte der Antwerpsche bevolking huist, dat in de scheepvaart zijn bestaan vindt. Zoover mij heugt, heb ik nooit andere bloedverwanten gehad, dan een oud vrouwtje, dat ik moeitje noemde, en dat, op de Citernebrug, rechtover de Oude-Leeuwenrui, met een kraampje kersen en krieken, appel en peren zat, of met andere lekkernij, al naar ’t seizoen het meebracht.”

“Wij woonden op een zoldertje, in een gang der Oudemanstraat, waar het ’s zomers zeer heet en ’s winters fel koud was. Eten kreeg ik in nogal tamelijke maat, want moeitje had veel vertier, en genoot zekere befaamdheid bij de snoepzieke jeugd van het Schipperskwartier, zoowel voor haar caramellen en babbelaren, als voor haar smoutebollen, die zij, volgens het oordeel zelfs van meer bejaarde personen, zeer smakelijk wist te bakken, en zonder dat zij noodig had Spaansche zeep te gebruiken, om het beslag te doen rijzen.”

Domien Sleeckx.

Sleeckx heeft het verder over de “veldtochten” die de jeugd van het Schipperskwartier in andere wijken onderneemt: “’t Gebeurde in dien tijd meermalen, dat de jongens van het Schipperskwartier, niet tevreden met onder elkaar te vechten en te borstelen, noodig oordeelden, waarschijnlijk om zich beter in den krijg te oefenen, een grooten, algemeenen veldtocht te ondernemen tegen de knapen van een andere wijk der stad, ik zal maar eens zeggen tegen die van het St. Jacobskwartier (…). Onder het zingen van

“Wij zijn hier, wij zijn hier,

jongens van het Schipperskwartier”

en andere krijgszuchtige liederen, togen dan een paar honderd of meer snaken van onzen kant tegen den vijand uit, werden slaags met dezen, na de onvermijdelijke voorloopige schermutselingen, klopten of werden geklopt, zoodanig, dat er soms zwaar gewonden op het slagveld achterbleven.”

De beschrijving van het huis van Jan Savoirs toekomstige schoonvader leert ons hoe het er uitzag bij de kleine burgerij, niet alleen in het Schipperskwartier, maar in heel Anterpen:

“Overal heerschte een smaak en een pracht, waaraan ik natuurlijk niet gewend was. Zij (de kamer) bevatte vooreerst een kostelijke commode van mahoniehout, waarop een porceleinen servies stond met gouden bloemen. Voor den schoorsteen hing een grooten spiegel, waarin men zich bijkans van het hoofd tot de voeten kon zien, en verder aan de muren schilderijtjes met de historie van Genoveva in print, met vergulde lijsten.”

Huis aan de Sint-Paulusstraat.

“In het midden van de kamer bevond zich een groote ovale tafel, met een rood zwartgebloemd kleed, en de vensters waren behangen met rolgordijnen van wit percal met franjes. Op een hoekkastje prijkten een paar kinkhoren, van de schoonste die ik nog had te zien gekregen, en van de zoldering daalde boven de tafel een nette kleine driemast, voorzien van al zijn takelage en staande want, met volle zeilen. Het was verrukkelijk, zonder te rekenen dat de stoelen en verdere meubels, zorgvuldig geboend, blonken als zoovele zonnen, en dat het gansche vertrek door een zindelijkheid en een rijkdom schitterden, die mij met eerbied vervulden voor de gelukkige bezitters van al die kostbaarheden.”

Verhuizen naar het Schipperskwartier (1885)

De rechttrekking van de Scheldekaaien in 1880-1885 veegt een groot deel van het oudste Antwerpen van de kaart. Duizenden mensen moeten verhuizen. Van Burchtplein en Mattenstraat, Steenstraat en Palingbrug, Visberg en Burchtgracht gaat het naar het meer noordelijk gelegen Schipperskwartier.

Het zijn niet alleen zeelui en arbeiders die verhuizen. Ook een groot deel van de Antwerpse prostituées volgt hen. Zo krijgt een aantal straten in het Schipperskwartier weldra het karakter van rosse buurt.

Jan Denucé.

Tot de vele “landverhuizers” van die dagen behoort de familie van de latere stadsarchivaris Jan Denucé. Eind jaren 1920 schrijft hij zijn herinneringen neer aan het Schipperskwartier anno 1890:

“Het eigenlijke Schipperskwartier, van de (…) sint-Paulusplaats tot aan de Falconplein, kende toen zijn bloeiendste dagen, denk ik. Het was een zuiverder zeeliedencentrum dan de Jordaanskaai; er waren geen groote kantoren noch magazijnen. In de hoofdstraat, Oude-Man, Vingerling- en Schippersstraten waren bijna zonder uitzondering huizen met verlokkende Engelsche en Scandinaafsche uithangborden, veel logementen of ‘slaapsteeën’ waar het zeevolk zoo niet geplunderd dan toch van zijn meeste geld heel snel verlicht werd, vóór het tot standkomen van de officieele zeemanshuizen. Even gemengde bevolking als aan de Werf, maar de Engelschen niet meer zo domineerend; veel Zweden, Denen en Noren, meer en meer Duitschers, Russo-Finnen, Indiërs, minder graag geziene Italianen, weinig Franschen.”

Aan de Schelde…

“Een atmosfeer van Beiersche en Engelsche bieren was niet van de straat; ’s avonds (…) groepen twistzieke dronken matrozen, gillende meiden, gevechten waarin toch steeds de een of andere Antwerpsche vechtbaas, in allerijl geroepen, de nationale eer moest redden. Voor de jeugd was het een erbarmelijk midden; op straat gejaagd omdat de meeste huizen tuin noch binnenplaats hadden, speelden grooten en kleine op het Boelvarke (Oude Leeuwenrui), deden aan grof atletensport met gewichten, krachtmetingen aan natiewagens, ondernamen rooftochten (…), trokken op expeditie naar St-Anneken of naar het Noordkasteel, om fakkels te plukken – en om te gaan zwemmen. (…) Zoo leefde (…) men (…) in het Schipperskwartier, van de rest van de stad afgescheiden en ontkend – behalve de Vastenavonddagen, wanneer een deel van het

De Sint-Paulusplaats.

Antwerpen het Schipperskwartier kwam ontdekken, tuk op exotisme. Toen was het in de smalle straten een gedrang, een waanzinnig gejoel van verkleede groepen, van de gemeenste voddejoën en brooiken-bijt tot de gepruikte markiezinnetjes. De dwaze tocht begon aan de Van Schoonbeke- en Falconpleinen, trok door de Schippersstraat, waar natuurlijk de schitterendste danszaal van de stad, ‘Lucifer’, later ‘Zwarte Kat’ bezocht werd. Dan ging het gewoel door de Vingerling- en Mannekensstraten of Verwersrui, waar bij talrijke ‘Norske Mamas’ even in- en uitgeloopen werd, tot aan de Kalkbrug.”

Vechtersbazen van de Dries (ca. 1900)

Een ander talentrijk kind van het Schipperskwartier is de dichter Armand Willem Grauls (1889-1968). Hij groeit op aan de Dries en zet daarover dertig jaar later zijn herinneringen op papier.

“Inderdaad,” schrijft Grauls, “de mannen van den Dries (…) kónden vechten. In de week waren het gewoonlijk de kolendragers, die den slag aangingen. Er waren in de straat twee naties, de Koolnatie en de Rijnnatie. Van ’s morgens zes uren kwamen de arbeidslustigen naar werk uitzien. In afwachting dat de sjouwersbaas hen kwam uitpikken, stelden zij zich langs de muren der huizen, zaten zij in groepjes gehurkt tegen de deuren, riepen een galant kompliment naar de voorbijkomende zakkennaaisters, sakkerden en vloekten al de engelen uit de hemel (…), trokken uit verveling een kaartspel of liepen in en uit ‘Den gevonden Heiligen’ herberg-afspanning, waar de genever geschonken werd in groote kappers met weinig water en bijna geen peper tegen zeer matigen prijs.”

“Het gebeurde zeer dikwijls dat reeds tegen acht uren het kantje in rep en roer stond om twee boksende kolenlossers te zien beslechten wie het meeste recht had om het eerst aangeworven te worden bij de kolenvoorziening van de aankomende Congoboot. In de venster verschenen ongewasschen vrouwen, trossen kinderen met slechts hun hemdeken aan, werklooze of werkschuwe venten, die met kennis van zaken den strijd volgden en tegelijkertijd toeschouwer en scheidsrechter waren.”

Het is met minder nostalgie dat Grauls terugdenkt “aan de muffe gangetjes en de volgepropte woonhuizen, waar gezinnen met twaalf kinderen geen uitzondering waren, waar de huisvrouwen drie, vier dagen rink-aan-een aan de waschtob stonden, en als hoogste en eenigste weelde met Carnaval en Halfvasten er evenveel dagen en nachten op loszwierden.”

De auteur beschrijft “typen als Den Scheele, een metserdiender, die elken Zaterdag op de lappen ging en eerst ’s Maandags nachts terugkeerde om zijn kamerdeur in te stampen en zijn wijf af te troeven; en Rik de Rat, die zich uitgaf als buildrager, maar nooit werkte, den heelen dag in de kroeg zat en u van alles en nog wat kon aan de hand doen tegen een civiel prijsken”. Voorts herinnert Mie de Rets, een klein moedig huismoederken, met negen kinderen, dat zich letterlijk doodwroette om haar kroost uit de armoede te houden en toch vooral deftig groot te krijgen. Haar oudste jongen geraakte in ’t prison en een van haar dochters belandde als ontuchtvrouw in een bordeel der Spuistraat…”

De Sint-Pietersvliet.

En Grauls besluit: “De ruwe, armoedige doch zoo levensblijde bevolking van havenwerkers en straatjesvolk, de zonnekloppers, de rabauwen, de nachtridders, het rumoerig bedrijf der naties (…), de winkelier- en herbergierkens met hun zeden en gewoonten van Deezekens tijd zijn niet meer te vinden in de thans gemoderniseerde, kleinburgerlijke straat.”

De smaak van opium (1933)

In 1931 publiceert de journalist Carel De Poorter in het Franstalige, liberale dagblad Le Matin een reeks reportages over de onderwereld in het Schipperskwartier. Hij beschrijft expedities die hij zelf in de buurt heeft ondernomen. Twee jaar later verschijnt een ongecensureerde versie van de artikelenreeks in een boek over de prostitutie in de Scheldestad.

Met Ouala, een zwarte ex-bokser en gigolo, bezoekt de reporter een kelder waar Afrikanen hennep komen roken. De Egyptische drugshandelaar Ghyssa neemt De Poorter mee naar een Chinees restaurant aan de Verversrui (waar er toen vele waren) en clandestiene goktent boven, waar Chinezen spelen voor grof geld.

Via een deurtje binnen naast een café komen de twee in een donkere gang. Aan het eind gaan ze een trap op en bereiken een tweede deur. Die geeft toegang tot een elegant gemeubeld appartement. Een Chinees brengt de gasten door een deur achter een gordijn naar een zolder, ingericht in “oosterse stijl”.

Er brandt een kacheltje. Op een tafel staat een elektrische lamp met een rode lampenkap, versierd met paradijsvogels. Twee Chinezen en een blanke matroos liggen op sofa’s, onderhevig aan een opiumroes.

“Ghyssa strekte zich uit op een smalle sofa en schikte de kussens onder zijn hoofd. Ik deed hetzelfde. De Chinees zette een tafeltje bij ons (…). Hij haalde twee pijpen tevoorschijn. Ze hadden een lange steel en een kop, maar half zo groot als een vingerhoed. Met een lange naald viste hij uit een pot op een driepoot twee bruine bolletjes. Hij hield ze bij de vlam van een alcohollamp naast de pot. Vervolgens stopte hij de knisperende bolletjes in de pijpenkopjes en gaf ons elk ons rookinstrument. Ghyssa sloot zijn ogen en bracht de steel naar de mond. Ik volgde zijn voorbeeld.”

Opium…

De rook bezorgt De Poorter een geweldige hoestbui en hij is allesbehalve opgetogen over de vieze smaak van de opium die geen enkel onmiddellijk effect sorteert. De misselijke reporter en zijn Egyptische vriend verlaten de opiumkit.

Een groot café in een straat bij het Falconplein fungeert meer als plaats waar louche deals worden gesloten, dan als drankgelegenheid. De Poorter en Ghyssa ontmoeten er de Duitse cocaïnedealer Fred. Die laatste betrekt zijn waar in Brussel en brengt ze van daar naar Antwerpen, verstopt in de koplampen van zijn auto. Maar een cocaïne waagt De Poorter zich niet.

Naar de hoeren

In een volgend hoofdstuk bezoekt de journalist één van de logementhuizen aan de Schippersstraat. Daar worden zeelui systematisch uitschud en dronken gevoerd, zodat ze minstens één nacht moeten blijven. Terwijl ze hun roes uitslapen, doorzoekt men hun zakken om de naam van hun schip te vinden. Iemand van het logement gaat dan naar de kapitein om bij wijze van voorschot op het loon van de matroos (!) het geld te innen dat hij verschuldigd is voor zijn logies en verbruik…

(foto Het Laatste Nieuws).

Geen wonder dat het logement waar De Poorter neerstrijkt, ook als bordeel fungeert. De uitbaatster heeft een nichtje van zeventien, dat voor driehonderd frank naar boven gaat met ietwat kapitaalkrachtiger klanten. De journalist gaat naar bed met het meisje. Overnachten doet hij in een andere kamer. Hij wordt er opgeschrikt door een Engelsman die zijn bed moet delen en die onbeschaamd op de vloer watert.

In een volgend hoofdstuk vermeldt de journalist terloops de oude, tandenloze (!) hoeren die in de buurt van Steen en Vleeshuis hun klanten oraal bevredigen.

Hij heeft het uiteraard ook over de raamprostitutie. “In de havenbuurt vindt men zowat overal vrouwen die achter een raam op klanten zitten te wachten,” noteert hij. “Ze bewonen een kamer op het gelijkvloers. ’s Avonds steken ze het licht aan, schuiven het gordijn open en stallen zichzelf uit achter hem venster. Bij mooi weer doen ze dat zelfs open, opdat niemand hen over het hoofd zou zien.”

“Vooral aan de Burchtgracht tiert deze soort prostitutie welig. Achter alle ramen aan deze straat zitten vrouwen; de woningen zien er overal min of meer hetzelfde uit. Achterin staat een tweepersoonsbed waarvan de witte gestikte deken uitnodigend is teruggeslagen. In het midden staat een kacheltje met daarop een pot warm water. Voorts ziet men een tafel, twee of drie stoelen en een min of meer aantrekkelijk meisje, wachtend op een logé voor één uur. Ik ken zo’n meisje, dat in haar eentje de economische crisis heeft opgelost: ze is erin gelukt al haar leveranciers, tot zelfs haar huisbaas, in natura te betalen.”

De Burchtgracht, richting Vleeshuis.

Het volk van het Schipperskwartier interesseert Carel De Poorter slechts matig. Toch biedt hij ons even een kijk op het amusement van de buurtbewoners. Dat doet hij in een passage over de “N…-Palace”, een danszaal aan de Schippersstraat, “onbegrijpelijkerwijze getooid met de pompeuze naam van ‘paleis’.”

“Een man met een pet en een wijde trui ontvangt er u aan de deur. Zo beleefd mogelijk, dat wil zeggen zonder u te beledigen, brengt hij u naar een soort kassa, waar u twee frank entree betaalt. De danszaal bereikt men langs een dubbele. Het is een grote, vierhoekige zaal, badend in schel licht en een doordringende stank van mensen. Aan weerszijden loopt een strook van drie meter breed over de hele lengte van de zaal. Hier staan tafels en stoelen; langs de wand zijn banken gemonteerd. Naast de ingang, in een grote nis, staat een verbazend grote tapkast. Vijf of zes mensen zijn erachter in de weer. Dat moet ook, want de clientèle van het paleis houdt evenveel van drinken als van dans, misschien zelfs meer.”

“Tegenover de ingang neemt een enorm wit orchestrion de hele muur in beslag. Het is formidabel groot, gedecoreerd met vergulde cupido’s en met Venussen die zich schijnen af te vragen hoe ze daar terecht zijn gekomen. Er zijn ook nog engelen, wier trompetten een Laatste Oordeel aankondigen waarvan de aanwezigen volstrekt niet wakker liggen.

(foto Gazet van Antwerpen).

“Links achteraan is een podium. Daar zit een jazzkwartet: piano, sax, banjo en drums. De muzikanten, zelfs de dikke banjospeelster, dragen een pet en een trui. Live ensemble en orchestrion wisselen elkaar af. (…)”.

“De clientèle van het havenpaleis is niet afkerig van plezier. Ze bestaat uit aangeschoten matrozen en arbeiders uit de buurt met hun vrouw of vriendin. Jongelui met slechte bedoelingen zitten zonder ophouden achter de meisjes aan. Hun gebaren maken overduidelijk wat ze denken. Het vrouwelijk schoon maakt zich daar overigens niet druk over – integendeel zelfs.”

Een dichter in het Schipperskwartier (ca. 1960)

Van het Schipperskwartier tussen 1957 en 1960 krijgen we een idee dankzij de roman Een hondsdolle tijd (1978) van de vooral als dichter bekende Paul Snoek (Edmond Schietekat, 1933-1981). Hij beschrijft hoe hij van de bushalte bij de kerk voor Noorse zeelui aan de Imalsotunnel door de buurt:

Paul Snoek.

“Om kwart voor acht stopte de bus aan de Norske Sjomanskirke en mijn (…) dasje in een mooie knoop strikkend liep ik de Grote Tunnelplaats over richting Falconplein en wandelde naar Blacky’s bar (…), want alles moest nog beginnen.”

“Het was een prachtige septemberavond. Voor hun huizen op het trottoir zaten dokwerkers en schippers in gestreepte onderhemden van pluizig flanel, tot halverwege de borst trokken brede zware bretellen hun broeken op, zodat hun dikke bierbuiken uitpuilden tussen de gespreide benen. Tot aan de ellebogen waren hun armen gebruind, maar de bovenarmen waren wit en dikwijls versierd met een door onderhuids vet vervormde tatouage uit betere dagen.”

“De dokwerkers droegen kaki petjes van katoenen stof afkomstig uit een Amerikaanse legerstock, de schippers donkerblauwe zeemanskepis. Tussen hun lippen stak een uitgedoofde peuk van een zelfgerolde sigaret en als ze hun mond opendeden om iets te zeggen of om te geeuwen, bleef de peuk aan hun onderlip hangen. Vrouwen leunden tegen de lijst in het deurgat en droegen strak spannende, zwarte satijnen jurken, waaronder men de baleinen van zware korsetten zag uitpuilen. Hun hoofden zaten vol krulspelden, de armen hielden ze boven de zware borsten gekruist en een netwerk van gezwollen donkerblauwe spataders stak fel af tegen de witte, misvormde kuiten. Hier en daar stond een jonge kerel zijn nieuwe scooter op te poetsen onder het bekijks van kinderen in pyjama.”

De Noorse zeemanskerk.

“De geur van opdrogend zeepsop kon de stank uit de riolen niet verdrijven en de muziek die uit de deuren klonk was bijna in elk huis dezelfde en niemand scheen ze te horen.”

“De cafés liepen vol met jonge kerels en hun haar blonk van de brillantine, meisjes, die nog maar pas voor goed de schoolbanken hadden verlaten, stonden in groepjes van drie onvast op hun veel te hoge hakken in hun pettycoats te draaien op het trottoir voor de ingang van de dancings. De zeelui waren nog niet bedronken en drentelden door de smalle straten voorbij de vitrines waarachter oude hoeren zich zaten te schminken of vlug nog een stukje aan het breien waren in het laatste avondlicht dat hun smalle hokje binnensijpelde.”

Bronnen:

FRANCK, L. (ED.). Weerspiegeld Antwerpen. Hoe ’t vroeger was: onze schrijvers over hun stad. Antwerpen, De Sikkel, 1929.

LAMPO, J. Tussen Kaai en Schip, Leuven, Davidsfonds, 2002.

LAMPO, J. Vermaerde Coopstadt. Antwerpen in de Middeleeuwen. Leuven, Davidsfonds, 2000.

LAMPO, J. Zwarte gids voor Antwerpen, Antwerpen, De Dageraad, 1989.

POORTER, Carel de, Les Demi-Grues. La Vie nocture à Anvers. Dans les bas-fonds du port. Reportage vécu. Anvers, Delko, s.d. (1933).

PRIMS, F., Geschiedenis van Antwerpen. Nieuwe uitgave van de oorspronkelijke tekst van 1927-1948, deel IV, Brussel, 1980.

SLEECKX, D. In ’t Schipperskwartier, Brussel, Steenlandt, 1943.

SNOEK, P., Een hondsdolle tijd, Antwerpen; Amsterdam, Manteau, 1978.

THIJS, A. Historiek der Straten en openbare Plaatsen van Antwerpen, anastatische herdruk, Antwerpen, De Vries-Brouwers, 1973.

VANDE WEGHE, R., Geschiedenis der Antwerpse Straatnamen, Antwerpen, Mercurius, 1977.

%d bloggers liken dit: