Van de Begijnenstraat tot in Sachsenhausen. De oorlog van Lucien Dirickx en Karel Wilms.

Vandaag heb ik het over een onderwerp dat niet tot mijn specialiteit als historicus behoort. Maar ik doe het omdat ik het mijn plicht vind ten overstaan van wijlen mijn moeder en wijlen een oom die ik nauwelijks gekend heb. En omdat het toeval mij een paar jaar geleden een dreun op mijn hoofd gaf.

Mijn moeder maakte er nooit een geheim van dat haar broer, Lucien Dirickx (1922-1965), inspecteur bij het stedelijk onderwijs, vroeg in de oorlog opgepakt werd door de Duitsers. Toen ze, meer dan tachtig jaar oud, nog eens vertelde hoe hij na het einde van de oorlog – hij woog nog vijfenveertig kilo – terugkeerde in het Centraal Station van Antwerpen, kon ze haar tranen niet bedwingen. De gevangenschap van Lucien – Lus, noemden ze hem in de familie, voor mij was hij “nonkel Lus” – was een onderwerp dat voor haar decennialang te pijnlijk was om véél over te vertellen. Van het weinige dat ze zei, moet ze gedacht hebben dat wij het moésten weten, maar tegelijk liet ze voelen dat doorvragen pijn zou doen.

Wij kenden enkel de grote lijnen: sluikblaadjes gemaakt – hier, op deze plek, in wat toen de Stedelijke Normaalschool voor Jongens was – verraad, arrestatie, opsluiting in de Begijnenstraat en dan naar Duitsland, eindbestemming Oranienburg. Samen gevangengezeten met de zoon van John Wilms.

John Wilms (1893-1978) was socialistisch schepen voor onderwijs en auteur van de boeken Onder de Sint-Andriestoren en vooral De Parochie van Miserie. Dit laatste boek – dit is dan wat recentere geschiedenis – werd door de toneelschrijver Jan Christiaens voor de scène bewerkt en in het seizoen 1976-1977 opgevoerd in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in een regie van Walter Tillemans met muziek en decors van Wannes Van de Velde.

Stofwikkel van “Karel Wilms, een van de Velen”.

Over de zoon van John Willems wist ik niets, zelfs niet dat hij Karel heette. Tot ik enkele maanden voor mijn pensioen in 2022 in het Letterenhuis een boekje in handen kreeg. Het behoorde tot het archief van Emiel Willekens (1922-2009). Die was in zijn tijd adjunct-conservator in datzelfde Letterenhuis – toen nog Archief en Museum voor het Vlaams Cultuurleven – en later directeur van de Stadsbibliotheek op het Conscienceplein (nu Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience).

Het boek trof mij door de dramatische afbeelding van een schreeuwende man op de stofwikkel, gesigneerd “J. Gorus”, en het ontbreken van een titel. Ik moest naar de titelpagina om te zien dat het om Karel Wilms, één van de velen ging, geschreven door ene Armand Coenen en uitgegeven in 1945. Na wat bladeren kwam ik erachter dat het om een gedenkboek voor een verzetsman ging, maar “mijn frank” viel pas toen ik de woorden “Antwerpsche Normaalschool” en wat verderop (op bladzijde 37, om precies te zijn) “Lucien Dirickx” las.

Daar hoort een voetnoot bij. Achteraan in het boek staat dat er 850 exemplaren van werden gedrukt en dat het “niet in de handel” was. Een privé-uitgave, dus, maar waarvan zich géén exemplaar in de bibliotheek van mijn vader of die van mijn moeder bevond. Zij waren op dat ogenblik allebei al meer dan vijftien jaar dood en ik had àl hun boeken in handen gehad, dat moet u maar van mij geloven. Ik kom hier straks op terug.

Een gedenkboek. Met andere woorden: Karel Wilms overleefde zijn gevangenschap in Duitsland niet. Tragisch genoeg kwam hij op 10 april 1945 om het leven bij een geallieerd bombardement. Het blok waar hij verbleef in het Heinkel Lager, afhankelijk van het concentratiekamp Sachsenhausen, werd geraakt door een voltreffer. Daarbij kwamen honderden dwangarbeiders, onder wie Karel, om het leven. Hun lichamen werden in Sachsenhausen gecremeerd.

Karel Wilms.

Als u het nog niet wist, dan weet u het nu: ik stond wel eens voor de deur van het Letterenhuis een pijp te roken. Een van de mensen die daar geregeld langsloopt, is Omar van Meervelde, een der bezielers van de kunstkring Jacques Gorus. Die kring is gevestigd in de Venusstraat nr. 52 en organiseert niet alleen tentoonstellingen van grafiek, maar ontfermt zich ook over de artistieke nalatenschap van Gorus, bij leven leraar aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Ik vertelde Omar over de kaft van het boekje en hij zei: “Karel Wilms? Ik denk dat wij daar een foto van hebben!”. Een paar dagen later zat ze bij me in de bus. Het is de foto van Karel die u te zien krijgt.

Karel Wilms studeert aan het Koninklijk Atheneum in Antwerpen en vanaf het najaar van 1940 aan de Rijksuniversiteit Gent. Als atheneumleerling schrijft hij al boekbesprekingen voor De Roode Burcht, het maandblad van de Socialistische Propagandakring van de vierde wijk. In de retorica wordt hij bestuurslid van de vereniging Ontwikkeling die vergaderingen, feesten en andere bijeenkomsten van de leerlingen organiseert.  

Op 12 mei 1940 vertrekt Karel met acht kameraden naar Roeselare om zich bij het Belgisch leger te voegen. Zoals bij velen mislukt dat als gevolg van de alom heersende desorganisatie en de snelle Duitse opmars. Zij en talloze anderen belanden in Frankrijk – in het geval van Karel helemaal in het zuiden, de Pyreneeën. En net zoals zijn lotgenoten keert hij na verloop van tijd terug naar bezet België.

Later dat jaar schrijft hij zich in als student aan de faculteit rechten van de Rijksuniversiteit Gent. Hij wordt ook bestuurslid van VOLBA, de Vlaamse Oud-Leerlingenbond van het Antwerps Atheneum. Hij slaagt erin om de Duitsers zover te brengen dat VOLBA mag blijven bestaan.

“Toen kwam de illegale activiteit,” vertelt getuige Leo Vermaesen in het boek, “Op een of andere manier was hij [Karel] in contact gekomen met een leider der clandestiene beweging. Altijd vol diepe bewondering voor de menschen die het aandurfden den strijd aan te vatten tegen den door hem zoo gehaten bezetter, nam hij zijn kans met beide handen waar, en heelemaal stortte hij zich in de beweging. Hij kreeg opdracht in zijn vriendenkring, die enorm groot was, een organisatie op te bouwen, en overal waar het mogelijk was kernen te vormen. Met jeugdigen overmoed die hem helaas, al te dikwijls tot onvoorzichtigheden dreef, wijdde hij zich aan zijn taak. […] Met ons kalme leventje was het gedaan, want ook wij zouden meedoen […]. Hoopen vlugschriften passeerden ons ‘kot’, medewerkers liepen in en uit. In Antwerpen echter lag het zwaartepunt. Daar zou de organisatie tot stand komen, die eens effectief den bezetter met de wapens in de hand zou bestrijden.”

Armand Coenen nuanceert. Hij zegt dat Karel Wilms lid was van een groepje “Gentse” leden van Ontwikkeling en van VOLBA – ze waren met zijn zevenen. Ik citeer: “Of deze jongeren reeds zien konden hoe ver hun weg leiden zou, kan moeilijk met zekerheid worden gezegd. Romantisme en drang naar avontuur zullen wel voor een groot deel hun doorzettingsvermogen hebben aangewakkerd. Het verminder geenszins de waarde van hun daden en het offer dat zij brachten: geen held wist vooraf dat hij het worden zou.”

Lucien Dirickx

Al gauw gaat het hard: leerlingen en oud-leerlingen van andere athenea en van de Stedelijke Normaalschool sluiten zich aan. De Stedelijke Normaalschool voor Jongens, hier in dit gebouw, Pestalozzistraat nr. 5, vandaag De Tandem. Zo komen we bij mijn oom Lucien Dirickx. Hij was de informele aanvoerder van een tiental aspirant-onderwijzers die iets wilden ondernemen tegen de bezetter. Zij werden in hun overtuiging gesterkt door het feit dat hun leraar geschiedenis en “Zedelijke en Staatsburgerlijke Opvoeding” tot de allereerste leden van de SS-Vlaanderen behoorde en weleens publiek in uniform verscheen.

Die leraar was de historicus Rob van Roosbroeck, die het dankzij zijn collaboratie binnen de kortste keren  tot Antwerps schepen voor onderwijs en hoogleraar aan de universiteit van Gent schopte. Van Roosbroeck werd na de oorlog ter dood veroordeeld, maar leefde tot aan zijn feitelijke dood in 1988 ongestoord in Nederland.

Ontspanning zochten de niet-Duitsgezinde leerlingen van de Normaalschool (en andere scholen) in kringen die onder de bezetting nog een poosje konden voortwerken zoals de Jeugdkring van het Willemsfonds. Secretaris daarvan was tot eind 1941 mijn vader, de schrijver Hubert Lampo.

Op een dansavond van die Jeugdkring in zaal Grüter, een destijds bekend feestlokaal, zocht Karel Wilms contact met mijn oom. Die zat aan de ingang de kaartjes te controleren. Ik kan mij voorstellen dat het een voorzichtig en daardoor “moeilijk” gesprek was. Karel wist blijkbaar al veel over Lus die louter ontwijkende antwoorden gaf – je wist tenslotte maar nooit. “Als je verder wil praten, kom je maar eens bij mij thuis – we wonen niet ver van elkaar,” moet Karel Wilms gezegd hebben. En dat klopt: Karel Wilms woonde in de Oudekerkstraat 33 en mijn oom in de Haantjeslei 21. Lus wint op zijn beurt inlichtingen in en besluit dat hij Karel kon vertrouwen. Zij worden vrienden. Zo ook krijgt het netwerk van Karel de beschikking over de stencilmachine van de Jeugdkring van het Willemsfonds.

“Het contact was gevonden,” schrijft Coenen, “en van dien dag af werden talrijke illegale schriften verspreid in de Stedelijke Jongensnormaalschool.” Weldra werkten er zo’n dertig jongeren voor de zaak. “Zij verspreidden het propagandamateriaal, verzamelden geld voor ‘de beweging’ en het solidariteitsfonds, rekruteerden nieuwe medestanders. […] Karel Wilms was de ‘chef’ van deze groep, omdat hij ook in verbinding stond met andere instanties van de verzetsbeweging. Met  anderen vormde hij de schakel van dit ‘Revolutionair Jeugdfront’ naar het Onafhankelijkheidsfront, dat toen nog in de kinderschoenen stond.”

De bezetting duurt nog niet erg lang; de jongens waarover ik vertel, zijn piepjong, het Verzet is zichzelf nog volop aan het organiseren. Maar hebben gekozen. Ze bevinden zich in de illegaliteit en de facto in groot gevaar. De Duitsers lachen niet met wat zij doen.

John Wilms.

Het kan niet anders of mijn vader is als secretaris van de Jeugdkring van het Willemsfonds op de hoogte van of heeft zelfs toestemming gegeven voor het gebruik van de stencilmachine. Hijzelf zei eens, toen ik ernaar vroeg: “Die jongens die in het Verzet gingen, die wisten niet waar ze aan begonnen”. Maar in zijn roman uit 1984, De eerste Sneeuw van het Jaar, beschrijft hij wel gedetailleerd  hoe zo’n verzetskrantje gemaakt werd en verspreid.

De ik-persoon in de roman doet mee en schrijft een satirisch vervolgverhaal in het blad. Is dat een autobiografisch element of verzonnen? Ik weet het niet. In het boek staan veel verzonnen dingen, maar ook echte herinneringen. Het werd bovendien veertig jaar na de oorlog geschreven. Ik kan niet uitsluiten dat in de jonge hoofdpersoon, een tiener, wat berusting van de ouder wordende auteur is geslopen.

Karel Wilms werd, aldus Coenen, verantwoordelijk voor het strijdblad van het Onafhankelijkheidsfront maar werkte ook mee aan de sluikbladen Radio Moskou en de Roode Vaan en hielp de clandestiene Volksgazet verspreiden. Zonder veel details te geven, maakt Coenen melding van De Vrijheidswacht, een onderafdeling van het Onafhankelijkheidsfront, die ongeveer 250 leden telde. Ik leid daaruit af dat Karel en Lus hiertoe behoorden. Het kon nauwelijks anders of de Gestapo, geholpen door verraders uit het “eigen volk” kwam sommigen van hen op het spoor.

Karel werd op 8 december 1941 opgepakt in de Oudekerkstraat door twee Duitsers en “die eene,” aldus Coenen, “na jaren nog te herkennen Vlaamsche schurk” en opgesloten in het Standort-Arrestanstalt in de Begijnenstraat. Over de arrestatie van mijn oom, die hier in de Normaalschool plaatsvond, staat in het boek niets. Maar in het Gedenkschrift van het Gemeentelijk Antwerpsch onderwijzend Personeel, ook uit 1945, lees ik dat de Gestapo op 2 december 1941 en twee dagen later nog eens, binnenvalt in de Stedelijke Normaalschool voor Jongens.

Ook Lus belandt in de Begijnenstraat, samen met vijf kameraden – hun leeftijd varieert van 16 tot 18 jaar. Het zijn Karel Fredricx, van uitputting overleden in Hamels in 1942, Lodewijk Sel, aan tuberculose gestorven in Karlsruhe in 1944, Edgard Bellemans, in 1945 verdwenen in het concentratiekamp Flossenburg, Raymond Defaux, in 1945 door de Fransen bevrijd in Althausen en Willy Van Cant die in Dachau wordt bevrijd door de Amerikanen.

Karel had zijn arrestatie zien aankomen en alle bezwarende stukken die bij hem thuis te vinden waren, vernietigd. Mijn grootouders en mijn moeder konden het nodige laten verdwijnen tussen het moment waarop een medeleerling kwam vertellen dat Lus was opgepakt en de Duitse huiszoeking. Over een “Vlaamsche schurk” heb ik mijn moeder nooit iets horen zeggen, maar zij was er wel stellig van overtuigd dat ook haar broer verraden was.

Ik kan mij hun verdriet en hun angst niet voorstellen.  

Het arresthuis in de Begijnenstraat.

De politieke gevangenen in de Begijnenstraat mogen om de veertien dagen naar huis schrijven. Ze krijgen ook pakketten met kleding en levensmiddelen die worden geleverd via het Rode Kruis. Daarvan is het gewicht echter beperkt tot enkele kilo’s.

In de gevangenis laat Karel opnieuw zien dat hij een begenadigd organisator is en hij ontpopt er zich tot een handig ritselaar. Karel slaagt erin een redelijk contact tot stand te brengen met de Duitse bewakers. Hierdoor krijgt hij de kans het lot van zijn kameraden aanzienlijk te verlichten. Hij krijgt een baantje in de Schreibstube zodat hij clandestien brieven kon versturen met nieuws, instructies en waarschuwingen voor medestanders die nog op vrije voeten zijn. Hij ziet op kantoor de verslagen van de ondervragingen en kan zo, via zijn ouders, melden wie risico loopt. Later klopt Karel ook dienst in het “Waschkot” van de Begijnenstraat waar de pakketten voor de gevangenen worden aangenomen. Hij kan er ook “officieuze” pakketten in ontvangst nemen.

Tot zijn vele werk behoort nieuwe gevangenen naar hun cel brengen. Als de arrestant een verzetsman is, begeleidt Karel hem echter naar de cel die hem is toegewezen, maar naar die van een kameraad zodat de twee kunnen overleggen wat wel en niet mag gezegd worden en hun verhalen op elkaar afstemmen. Als hij de nieuwe gevangene dan weer moet ophalen, doet hij dat niet in de cel waar die geacht wordt te zitten, maar bij de medestander.

Karel verwittigt zijn medegevangenen als er celnazicht komt en bezorgt de arrestanten speelkaarten, lucifers, sigaretten en andere smokkelwaar die hij in het Waschkot stiekem in ontvangst heeft genomen. Hij ziet er geregeld zijn eigen ouders als die zijn pakket komen afgeven. En dat is steevast goed en met overleg gevuld.

“Terwijl de ouders van L.D. [Lus, mijn grootouders dus] thuis zaten te piekeren over het feit dat hun jongen honger zou hebben, omdat ze bijna al het eten uit het te zware pak moesten halen, ontving hij meer dan het overtollige van Karel. Die had in het ‘waschkot’ gezien en gehoord. Het was hem voldoende om van den slapenden ‘Unteroffizier’ eventjes den sleutel te ontleenen, 2 rantsoenen en een heel Duitsch brood te vinden en dit gauw aan den pechvogel te gaan geven.”

John Dirickx en Virginie Venneman, ouders van Lus.

Karel en vijf kameraden delen cel 120. Ze discussiëren, smeden plannen voor nà de oorlog en bouwen occasioneel een feestje met enkele buitgemaakte sigaretten, aldus Armand Coenen. Het zal wel zo geweest zijn. Maar over de ondervragingen en andere brutaliteiten die de arrestanten ondergaan, lezen we niets.  

We zijn hier vandaag om verzetslieden te gedenken. Dat moet met respect gebeuren. Ik denk niet dat het boek Karel Wilms. Eén van de velen onwaarheden bevat. Maar ik vermoed dat een heleboel dingen, nare dingen, er niét in opgetekend staan. Stel u de omstandigheden voor waarin de publicatie tot stand komt: we schrijven 1945, enkele maanden na de dood van Karel wanneer het verschijnt. Het is opgedragen aan Karels moeder als een monument voor haar zoon. De schrijver, maar ook de in- en uitleider (resp. substituut-krijgsauditeur Willy Clijmans en schrijver Fritz Francken) behoren tot de socialistische familie en koesteren ook voor zijn vader, John Wilms, een groot respect. Ik vermoed dat zij geprobeerd hebben de ellende van Karels gevangenschap (en dus ook die van mijn oom) niet te verzwijgen – de feiten lagen voor – maar te milderen uit medeleven met zijn ouders. Coenen vermeldt wel, terloops, dat Karel op een gegeven ogenblik een Antwerps onderwijzer ziet die tijdens zijn verhoor zo is toegetakeld dat hij hem niet meteen herkent.

Karel en negen kameraden worden op 8 mei 1942 uit de gevangenis in de Begijnenstraat gehaald en via Brussel op transport gesteld naar Essen. Dank zij Karels clandestiene correspondentie zijn hun families verwittigd en kunnen die een laatste keer hun geliefden zien voor ze naar Duitsland vertrekken.

Elke gevangene krijgt in Essen een cel in de sombere Untersuchungsgefägnis. Ze moeten al hun bezittingen afgeven – het weinige eten dat ze bij zich hebben, mogen ze houden. Zodra dat op is, moeten ze het stellen met de soep en de enkele sneetjes brood van het gevangenisrantsoen. Tijdens de wandeling – één uur per dag – mogen ze niet spreken. Begin juni worden de ze aan het werk gezet: ze moeten matjes vlechten. Omdat hij redelijk goed Duits spreekt, krijgt Karel de taak het materiaal te verdelen, wat hem toelaat kort met zijn kameraden te spreken. Hij slaagt erin pas aangekomen arrestanten uit Antwerpen in het atelier te laten werken waar hijzelf aan de pers staat.

In oktober verschijnt de “bolsjevistische jeugd” uit Antwerpen voor de rechtbank wegens het verspreiden van communistische lectuur en “sabotage” van het Duitse leger. Omdat ze nog zo jong zijn, eist de aanklager niet de doodstraf, maar acht jaar voor Karel en vijf tot zeven jaar voor de anderen. Ze verdedigen zichzelf, waarbij Karel optreedt als tolk. Uiteraard worden ze schuldig bevonden.

De Duitsers brengen hen over naar het tuchthuis van Hameln. Daar sluiten ze hen opnieuw op in aparte cellen. Deze keer moeten ze zakken plakken. Eén van hen sterft aan de gevolgen van een zware longontsteking.vNa zes maand, in mei 1943, worden Karel en drie vrienden, onder wie Lus Dirickx, overgebracht naar de gevangenis van Sonnenburg.

“Er was daar een metaalafdeling, een schrijnwerkerij, een zadelmakerij, een kleermakerij. In dit groote bedrijf werkten meer dan 1500  gevangenen. Regelmatig kwamen nieuwe groepen toe, om de overledenen te vervangen. Op een jaar stierven er 700, bijna de helft van het aantal opgeslotenen. Het eten was er zeer slecht en onvoldoende en voor het neme van een bad was slechts na vele maanden gelegenheid. In elke cel konden deze kerels, die heel den dag arbeidden, zich wasschen in een kleine teil, maar dat was onvoldoende. Natuurlijk kreeg iedereen, als gevolg van deze slechte hygiënische voorwaarden, ongedierte, maar hierover maakte niemand zich zorgen. […] Niettegenstaande de klachten over het eten en de verzorging, niettegenstaande zelfs de slagen die door een onderofficier wel eens links en rechts werden toegediend, waren de gevangenen, die reeds een echt celregime hadden doorgemaakt, er tevreden. Gedurende heel den dag waren ze immers in de gelegenheid te praten op de groote werkzalen, waar veertig tot tachtig personen met elkaar omgang hadden. Slechts ’s nachts zaten ze op cel en in vele gevallen dan nog niet alleen, maar met twee of drie personen bijeen.

De cipiers zijn Duitse burgers die nauwelijks of geen vreemde talen spreken. De Antwerpenaars, Karel voorop, doen dat wel. Het levert hun een paar kleine voordelen op, zoals af en toe wat meer eten, die het leven tussen de sombere muren iets minder ondraaglijk maken.

Op 14 november 1944 stelt men 819 politieke gevangenen uit Sonnenburg over naar het concentratiekamp Sachsenhausen-Oranienburg bij Berlijn. Onder hen Karel, Lus en Rik Veraert. In afwachting van hun tewerkstelling worden ze drie weken lang ondergebracht in ijskoude barakken. Ze krijgen er het gezelschap van enkele stadgenoten die vlak voor de Bevrijding van Antwerpen (4 september) zijn opgepakt.

Karel en Lus verhuizen naar het Heinkelkommando, een kamp met 9.000 arbeiders, 15 kilometer van Sachsenhausen. Daar worden ze bewaakt door SS’ers. Het is winter en de temperatuur zakt occasioneel tot -26°. Heinkelkommando is genoemd naar de vliegtuigfabrikant Heinkel. Karel en zijn lotgenoten moet elke morgen om halfvier opstaan om in de kou op de trein naar het arbeidskamp Klinker te reizen, staand in goederenwagons. De SS-mannen aarzelen niet om hun geweerkolven te gebruiken om bij het instappen alles in “goede orde” te doen verlopen. Klinker ligt op 15 kilometer maar door de ontreddering van het spoorverkeer duurt de reis soms uren.

Het werk begint om 6 uur en pas om halfacht krijgen de dwangarbeiders twee sneetje droog brood. Om halféén is er wat soep. Na vijf uur is er nog eens soep deze keer met wat brood. Twee keer per wijk krijgen ze een stuk worst of kaas. Wanneer de trein geen vertraging heeft, zijn ze om halfacht weer in Heinkel en kunnen na het appel om acht uur in slaap vallen op hun smerige strozak. Soms gaat drie tot vier keer per nacht het luchtalarm af en dan begeleiden SS’ers hen in de bossen. Daar is het relatief veilig, maar nog kouder.

Maart en april 1945. De geallieerden zijn in Mönchengladbach, Neuss en Trier; het Negende Amerikaanse Leger bereikt in Düsseldorf de Rijn. Keulen valt en van hier gaat het naar de brug in Remagen. De Russen staan aan de Oder. Enzovoort. Nazi-Duitsland ligt op apegapen maar de waanzin duurt voort. De productie moet opgevoerd worden, de rantsoenen verminderen en de dwangarbeiders saboteren waar ze kunnen. Karel maakt kennis met de Antwerpenaar Rooms, commissaris bij de Gerechtelijke Politie, tewerkgesteld als Halleschreiber in het kantoor van Heinkel. Die zal later getuigen dat Karel ondanks alles moedig en optimistisch blijft. Karel kan in het kantoor af en toe de hand leggen op Duitse kranten. Die slagen er niet langer de dramatische toestand efficiënt te verhullen.

“Toen de Heinkel-afdeeling ophield te werken werd Karel van zijn vriend Rooms gescheiden. Hij werd weer aangeduid voor de ijzergieterij te Klinker, samen met den jongen Dirickx. Deze voelde zich echter te zwak om terug aan dit zware werk te beginnen en liet zich afkeuren. Karel beproefde nog hem te bepraten: hij on rechtstreeks uit de bakkerij brood ‘organiseeren’ en in de ijzergieterij kon duchtig worden gesaboteerd! […] Er was echter niets meer aan te verhelpen. De pogingen van den heer Rooms om Karel bij zich te houden leden ook schipbreuk. Rooms en Dirickx vertrokken naar Sachsenhausen en Karel naar Klinker.”

“Ze hadden gezworen eens terug te Antwerpen een clubje te vormen en elkaar nooit uit het oog te verliezen. Ze verlieten elkaar, voorloopig, op 5 april 1945. Vijf dagen later werd Klinker in puin gelegd.”

De Russen bevrijden Sachsenhausen op 22 april 1945. Ik  citeer letterlijk uit de Nederlandse Wikipedia: “Er waren drieduizend gevangenen achtergebleven, hoofdzakelijk zieken en verplegers. De meesten waren te zwak om hun bevrijders te verwelkomen. Ondanks de medische zorg die de geallieerden hen gaven, kwamen na de bevrijding ten minste driehonderd gevangenen om het leven door ziekte en uitputting.”

Waren Karel Wilms en Lus Dirickx “belangrijke” verzetsleden? Nee, eigenlijk niet, maar ze hebben wel een heel hoge prijs betaald voor hun jeugdige overmoed. Daarvan getuigen, is belangrijk. Tegelijk behoorden ze tot de eersten die het opnamen tegen de bezetter. Ze maken m.a.w. deel uit van een periode in de geschiedenis van het Verzet die nog onvoldoende gekend is.

Sluikbladen waaraan Karel meewerkte, zijn te vinden in het CegeSoma, de afdeling van het Algemeen Rijksarchief die zich toelegt op de studie van o.m. de Tweede Wereldoorlog. Maar hoe heetten de clandestiene publicatie die hier, in de Normaalschool werden gestencild? Hopelijk kunnen ze nog worden opgespoord. Twee jaar geleden verscheen het uitstekende boek Stad in Verzet o.l.v. Nico Wouters en Frank Seberechts, maar daarin komen Karel en zijn kameraden niet voor.

De Stedelijke Normaalschool voor Jongens,.

Karel Wilms. Eén van de velen lijkt soms op een heiligenleven en, zoals ik al zei, ik denk niet dat het alles vertelt. Maar het vormt een valabel uitgangspunt voor toekomstig onderzoek naar bijv. de netwerken van verzetsmensen en hun sympathisanten in Antwerpen. Door zijn inhoud, maar ook door zijn toon biedt het een kijk op hoe het Verzet en wie er zich mee vereenzelvigde anno 1945 naar zichzelf keek.

Eén ding wil ik u nog vertellen. De ouders van Karel Wilms en zijn vrienden hopen de hele oorlog op zijn terugkeer. Om het daarbij een substantieel geschenk aan te bieden, stellen ze een album samen met werk van beeldende kunstenaars, componisten en schrijvers. Karel zal het nooit krijgen; wat ermee gebeurd is, weet ik niet. Maar in Karel Wilms, een van de velen staan wel fragmenten en afbeeldingen en vinden we een lijst van al wie meewerkte. Daaronder ook mijn pa.

Waarom bezaten hij noch mijn moeder dat “valabel uitgangspunt”? Wilden ze niet herinnerd worden aan wat ze, zij het onrechtstreeks, hadden meegemaakt? Of was er een “probleem”? Was mijn oom (en mijn moeder dus ook) gegriefd omdat Lus slechts een bijrol speelt in het verhaal van zijn celgenoot? Boos op de schim van Karel of misschien op schrijver Armand Coenen? Voelde mijn vader zoiets als schuld omdat hij zelf niet actief in het Verzet was gegaan? Werd hem dat verweten?

Ik weet het niet. Ik weet ook niet of mijn oom het boek zelf in de kast had staan. Zo ja, dan kan hij het ook gekoesterd hebben. Er is niemand meer om het aan te vragen.

Schilder in Pompeï. Het archief van Mathieu Ignace van Brée in het Letterenhuis.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het Letterenhuis (foto Jan Lampo).

Dit jaar viert de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen haar 350ste verjaardag. Het Letterenhuis bezit veel materiaal met betrekking tot de school en de kunstenaars die er werkten. Daartoe behoren enkele tientallen brieven en handschriften van de neoclassicistische schilder Mathieu Ignace van Brée (1773-1839). Van Brée was tot aan zijn dood in 1839 directeur van de Academie.

Vandaag is de kunstenaar zo goed als vergeten, maar in zijn tijd geniet hij de gunst van Napoleon en van koning Willem I. Door de publicatie van een monumentale Cours de Dessin verwerft hij bovendien veel invloed als tekenpedagoog.

De methode-Van Brée weegt zeker tot het derde kwart van 19de eeuw op het kunstonderwijs. Haar praktische toepassing beschrijft Hendrik Conscience in zijn roman Hoe men schilder wordt (1843). Van Brée is in Antwerpen ook de eerste om een historiserend schilderij met een tafereel uit de vaderlandse geschiedenis te borstelen.

Van Brée studeert van 1783 tot 1794 aan de Antwerpse academie. Dan vertrekt hij naar Parijs. In 1795 eindigt hij tweede in de wedstrijd voor de Prix de Rome, die opnieuw is ingesteld door Eerste Consul Bonaparte. Dan keert hij terug naar Antwerpen om in 1798 “professeur-adjoint de la classe de dessin” te worden. In 1804 krijgt hij een aanstelling tot voltijds leraar.

Tijdens het bezoek van Bonaparte aan Antwerpen in 1803, bestelt deze laatste bij de kunstenaar De Intrede van de Eerste Consul te Antwerpen. Van Brée heeft vier jaar nodig om het werk te voltooien.

Reportagestukken

In de Hollandse tijd blijft Van Brée dit soort “reportagestukken” maken, maar dan voor de Oranjes. Hij ontpopt zich tot een groot voorstander van het nieuwe regime. De schilder raakt bevriend met dichter en literatuurhistoricus Jan-Frans Willems, omstreeks deze tijd actief als bestuurslid van de Société royale pour l’Encouragement des Beaux-Arts en weldra ook van de Academie.

In 1818 publiceert Willems het lange gedicht Op het voortreffelijk Schilderstuk van Mijnheer M. Van Brée, verbeeldende de standvastigheid van den burgemeester Van de Werff. Ook de Nederlander Bilderdijk wijdt verzen aan Van Brée.

Na 1830 revolteren de jonge romantische schilders tegen Van Brée, van op veilige afstand aangestuurd door leraar Gustaf Wappers. Die laatste droomt ervan de directeur op te volgen. Hendrik Leys wordt van de academie weggestuurd na een opmerking over de ouderwetse kniebroek van Van Brée. Toch geniet de schilder ook sympathie. Hij blijft in het Nederlands doceren en dat is naar de zin van de eerste flaminganten.

De directeur waagt zich in zijn vrije uren aan de literatuur. Van zijn hand is het blijspel Brouwer’s gevangenis op het kasteel van Antwerpen over de 17de-eeuwse schilder Adriaan Brouwer. De vrijzinnige toneelschrijver Emmanuel Rosseels publiceert de tekst in 1849, tien jaar na Van Brée’s dood. Of gaat het om een alsnog onopgeloste mystificatie?

 Aca5

 Mathieu Ignace Van Brée door Jan-Baptist De Cuyper, standbeeld in wit marmer. Deze foto is enigszins verouderd, want sinds juni heeft Van Brée dank zij de afdeling Conservatie en Restauratie zijn verloren handen terug (foto Jan Lampo).

Postuum blijft Van Brée tot de verbeelding van schrijvers spreken. Zijn uitvaart vindt plaats op het Sint-Willibroduskerkhof. Na de officiële Franse redevoeringen stapt de jonge Conscience naar voren en spreekt namens de romantici een gloedvolle redevoering uit. Dat betekent meteen zijn terugkeer naar het publieke leven na de depressie die hem overmand heeft als gevolg van het geringe succes van De Leeuw van Vlaanderen.

In 1852 onthult men in de aanwezigheid van minister Charles Rogier in de vestibule van het Museum van de academie een marmeren standbeeld van Van Brée van de hand van de pas overleden Jan-Baptist de Cuyper. Schrijver en journalist Lodewijk Gerrits publiceert “op last der Commissie van het Standbeeld” een Levensbeschrijving van M.I. Van Brée.

Niet iedereen is het eens met Gerrits’ lofzang. Eugeen Zetternam (1826-1855) laat nog hetzelfde jaar het essay Bedenkingen op de Nederlandsche Schilderschool verschijnen. Daarin rekent hij af met Van Brée’s postume reputatie. Zetternam verwijt de schilder het on-Vlaamse karakter van zijn kunst, fulmineert tegen zijn restauratie van oude meesters en ontkent zelfs zijn verdiensten als leraar.

Dagboek

Hoe de papieren van Van Brée in het Letterenhuis terechtkwamen, is niet duidelijk. Het staat vast dat directeur Ger Schmook veel belangstelling koesterde voor de vroege 19de eeuw. Met Hoe Teun den Eyerboer in 1815 sprak tot de burgers van Antwerpen (1942) schreef hij een erudiet boek over het begin van de Rubenscultus en het Vlaamse kunstleven omstreeks 1815. Van Brée komt uitgebreid aan bod. Schmooks interesse verklaart alvast de aanwezigheid van fotografische reproducties van brieven die Van Brée schreef aan o.a. Johann Wolfgang von Goethe.

Het archief-Van Brée omvat ook notities en een dagboekje. Men vindt enkele korte teksten over het tekenen van de menselijke gelaatsuitdrukkingen, waaronder een velletje Over het laggen [lachen]:

“Zoo haest als men lagt is ’t voor zeker dat den mond grooter wort en genegen is om te openen en het agtersten deel zig naer boven keert, de kaek verheft haer tot tegen de oog waer door de ogen klijnder worden” (spelling was niet Van Brée’s sterkste kant). Maar de tekenaar moet oppassen, zegt hij, want als iemand lacht om wat hij ziet blijven zijn ogen groter dan wanneer hij lacht om iets wat hij hoort…

“Dat gij voortaan mo[o]gt gelukkiger zijn als deze beklagens Waardige kunstenaars,” zo besluit de schilder een oproep richt tot de leerlingen van de academie om geld te geven voor armlastige oud-studenten, “deze ongelukkige kunstenaars, die ook eens op deze Akademie Leerling hebben geweest”.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Handschrift van M.-I. Van Brée (foto Jan Lampo).

Al zet Schmook hem in zijn Teun den Eyerboer weg als een politieke opportunist, Van Brée is een sociaal bewogen man en bezeten door (kunst)onderwijs. In de Franse tijd runt hij in zijn huis een schooltje waar hij kansarme kinderen gratis lager onderwijs geeft en hen voorbereidt op studies aan de academie.

Andere documenten bevatten overwegingen van Van Brée bij pogingen om de academie te hervormen. Zo vindt hij het van kapitaal belang dat de directeur van de school een (historie)schilder is. Van een bureaucraat aan het hoofd wil hij niets weten.

Ferdinand De Braekeleer

Wanneer in 1817 de prinses van Oranje in Brussel bevalt van een zoon, is de “premier professeur” er als de kippen bij om de leerlingen bijeen te roepen en hun het heuglijke nieuws te melden. “Un évènement qui consolide le bonheur des habitans [sic] du royaume,” noemt hij het. Van Brée is uiteraard tweetalig. Zelfs aan Jan-Frans Willems schrijft hij in 1822 een Franse gelukwens bij zijn aanstelling tot ontvanger van de registratie in Antwerpen.

Het is van in de 16de eeuw gebruikelijk dat kunstenaars naar Italië reizen, bij voorkeur vlak na hun opleiding. Van Brée is 47 eer hij de kans krijgt. Hij reist in het gezelschap van zijn oud-leerling Ferdinand de Braekeleer.

  De schilder voelt zich gelukkiger en creatiever dan ooit tevoren. Dat blijkt uit de brieven aan zijn vrouw Thérèse. Naast enkele autografen zijn er twee copies van omstreeks 1900. Van Brée, die Thérèse met “vous” aanspreekt, schrijft nuchter maar liefdevol (ik vertaal): “Het mag waar zijn dat de liefde met de jaren vermindert, maar de vriendschap veroudert niet. Het is als vriend dat ik tot u spreek en uw vriendschap is het die ik wil bewaren.”

Een andere brief herinnert Thérèse aan het carnaval het jaar voor hun huwelijk “toen wij samen rondliepen als kinderen of naar het gemaskerd bal gingen in de Conijnepijp [een herberg]”.  Van Brée voegt eraan toe – opeens zegt hij “toi” – “voor mij zijn die tijden voorbij en zonder jou werkt dit soort luidruchtig amusement op mijn zenuwen; het vergroot mijn verlangen om mijn atelier weer te zien.”

Hij heeft hij ook over “notre Jules”, hun zoon, die best stage zou lopen “aux bureaux de M. Willems”. Vermoedelijk betreft het ook hier de Vader van de Vlaamse Beweging.

Vesuvius

Ondanks vreugde om de nakende terugkeer, noteert de schilder: “Nooit heb ik met meer plezier en meer moed gewerkt” en over zijn recente tekeningen en schilderijen zegt hij: “ik had ze nooit gemaakt als ik in Antwerpen was gebleven. ”

Aan burgemeester Floris van Ertborn, die bekendheid verwerft als een van de eerste verzamelaars van Vlaamse primitieven, meldt de kunstenaar: “Ik ben al enkele dagen in de omgeving van de Vesuvius. Sta mij daarom toe dat ik u vanuit Pompeï schrijf, terwijl ik de muren zie blootleggen van een nieuw plein dat men heeft ontdekt. U kunt zich voorstellen hoe ik geniet in deze gewesten, waar ik niets anders zie dan wonderen van de kunst en de natuur.”

Het reisdagboek van Van Brée biedt jammer genoeg niet veel persoonlijks. De kunstenaar noteert vooral welke schilderijen hij ziet. Zijn slordige handschrift maakt de lectuur van het schriftje – oorspronkelijk moeten er meer zijn geweest – allesbehalve gemakkelijk. Toch vormt het Van Brée-archief in het Letterenhuis een onmisbare bron voor leven en werk van een schilder-pedagoog die een vooraanstaande rol speelde in het artistieke leven ten tijde van de ontluikende de romantiek.

Verschenen in “Zuurvrij” nr. 24 van juni 2013.

[Kunst / Geschiedenis / Monument ] De (her)ontdekking van Laokoon. Een bezoek aan de Academie.

Ambtswoning 001

Ik heb iets met de Academie van Antwerpen. Ik herinner me nog dat ik het poortgebouw met het opschrift “Academie” voor het eerst zag van in de Minderbroedersrui, aan het eind van de smalle Minderbroedersstraat. Dat was begin jaren 1970, toen ik aan de verkenning van de stad begon.

Ik was vijftien, droeg een duffelcoat en probeerde er intellectueel uit te zien door achter een pijp te lopen. Duffelcoats zijn in de loop der jaren mijn dikke vel geworden en mijn pijp het instrument waarlangs ik bij voorkeur ademhaal. Ik rook halfgrove oude Semois van het legendarische huis Windels in Mechelen. Maar dat is een ander verhaal.

Ambtswoning 003

De Academie viert dit jaar haar 350ste verjaardag. Dat is niet niks – drie-eneenhalve eeuw, van late barok tot laat (?) postmodernisme, van David II Teniers tot, zeg maar, Karin Hanssen. Om het gewoon bij de schilders te houden.

De tuin van de Academie is een van de best bewaarde geheimen van Antwerpen. Je ziet er de fraaie classicistische gevel van de “eerste” ambtswoning van de directeur, waar het pand aan de Mutsaerstraat nadien tegenaan werd gebouwd. Bijna onherkenbaar is zwaar gehavende het standbeeldje van Quinten Metsijs uit de eerste helft van de 19de eeuw.

Ambtswoning 004

Een schilder was ook directeur Matthieu-Ignace van Brée, wiens gehavende marmeren beeld in 1890 letterlijk aan de deur werd gezet. Tot dan toe stond het in het Museum van de Academie, waar het in 1852 werd onthuld in aanwezigheid van minister Charles Rogier.

Het beeld is van de hand van de toen ter tijd erg bekende Jan-Baptist De Cuyper. Sinds een aantal jaren mist Van Brée een hand, als had een shariarechtbank hem voor diefstal veroordeeld. Maar ik heb mij laten vertellen dat hij binnenkort wordt gerestaureerd.

Ambtswoning 005

Achteraan links staat wat op het eerste gezicht een Griekse tempel is. Het Museum van de Academie werd voltooid in 1843 en deed dienst tot 1890. Het is een creatie van stadsarchitect Pierre Bruno Bourla die voor de oude kerk van de franciscanen of minderbroeders een voorbouw met een Grieks tempelfront met vier Dorische zuilen neerpootte.

De voorbouw is intussen in een even lamentabele staat als Bourla’s schouwburg aan de Komedieplaats dertig jaar geleden. Halverwege de hoogte van het kerkschip bracht Bourla een vloer aan, zodat een verdieping ontstond. Daar kwamen de museumzalen. Voor het trappenhuis schilderde directeur Niçaise de Keyser zijn Vlaamse School die in 1872 werd onthuld. De monumentale muurschilderingen brachten de bezoeker meteen in de juiste stemming.

Ambtswoning 006

Wie zich enkele meter verder waagt, kan een blik werpen in de brandgang tussen het Museum en de  achtergevels van oude, erg oude huizen aan de Raapstraat. Hiermee is een heuse familie-overlevering verbonden

Drie zussen van mijn grootmoeder trouwden na de Eerste Wereldoorlog met drie broers: Pol, Fons en Louis De Bruyker. Ze waren als oorlogshelden (nou ja) teruggekeerd van het IJzerfront. Hun ouderlijk huis stond aan de Raapstraat; de “koer” grensde aan de Academie.

Ambtswoning 007

Volgens een familiale overlevering vonden de drie broers er niets beter op dan op een mooie zomeravond over de scheidingsmuur te klimmen om in de tuin van de Academie een borstbeeld te stelen. Dat legden ze vervolgens op een van de hoofdkussens in het ouderlijk bed.

Toen moeder de vrouw, zichzelf bijlichtend met een kaars, wilde gaan slapen, gilde zij naar verluidt het hele huis bij elkaar: “Jef, er ligt ‘ne vent ins ons bed!” Waarop vader Jef, gewapend met een hamer, naar boven stormde en de stenen indringer verbrijzelde.

Ambtswoning 009

Ik heb me weleens afgevraagd of de kop uit  dit sterle verhaal het op mysterieuze wijze verdwenen borstbeeld van Rubens was, vervaardigd door Van Brée (in zijn vrije uren  beeldhouwer) dat in 1816 werd ingehuldigd. De plechtigheid vormde de aanleiding voor een interessante toespraak door de jonge Jan-Frans Willems, die zich toen nog bezighield met het lot van de beeldende kunsten.

Tegen de zijgevel van Bourla’s Museum, maar ook elders, plaatste men op het eind van de 19de eeuw deuromlijstingen en andere elementen van gevels van historische panden in de stad die recentelijk gesloopt waren. Het geheel vormt een wat bizarre openluchttentoonstelling van op zichzelf fraaie voorbeelden van stijlen uit de architectuur.

Ambtswoning 010

Oorspronkelijk was de Academietuin het kerkhof van de franciscanen.  Napoleon schonk hun door de staat genaaste klooster tussen Mutsaertstraat en  Blindestraat in 1810 aan de Stad Antwerpen om er de Academie onder te brengen. Die was sinds 1665 gehuisvest in enkele lokalen in de Beurs.

Ondanks de vele verbouwingen, aanpassingen en toevoegingen in het gewezen kloostercomplex bleef de kloostergang bewaard, spitsboogramen en gotische gewelven van baksteen incluis.

Demie3

De minderbroeders vestigden zich in 1446 in Antwerpen; hun klooster was klaar in 1450. De kerk werd het jaar daarop gewijd. De grond voor het complex kregen de paters van rijke stedelingen die hem met het oog daarop van de stad gekocht  hadden.

De Antwerpse minderbroeders hielpen in de 16de eeuw de dichteres Anna Bijns met de publicatie van haar “refereinen”. Ze deden dat omdat zij een lans brak voor het katholieke geloof en de vloer aanveegde met Maarten Luther en andere “ketters”. Bijns woonde overigens vlakbij, aan de Keizerstraat, waar ze een schooltje runde.

IMG_0523

Op het niet toegankelijke convent van de karmelietessen aan de Rosier na, is de Academie de enige plek waar nog iets te zien is van een van de vele kloosters die Antwerpen in het Ancien Régime rijk was.

Laten we de Academie binnenstappen via dit prachtige, neoclassicistische portiek, waarvan ik vermoed dat het ook van Bourla is. Zo komen we in een lange, op het eerste gezicht weinig inspirerende gang. Toch heeft hij iets, deze gang. Misschien omdat hij – letterlijk – “perspectief” biedt. En perspectief is iets wat ons sinds de renaissance  boeit. Vooraan links bevindt zich het kantoor van departementshoofd Eric Ubben. Wat verder, aan de rechterkant, vindt men de bibliotheek. De leeszaal kreeg haar huidige vorm begin jaren 1960, maar werd recentelijk grondig opgeknapt.

De hoofdgang van de Academie

Bibliothecarissen Karine Houthuys en  Jef Van Gool en zijn collega zijn bijzonder vriendelijk en efficiënt. Honderden studenten kunnen dat bevestigen. Jef kent de geschiedenis van de Academie als zijn binnenzak.  Beschouw dat echter niet als een invitatie om de man te veel lastig te vallen. 

Van eind 1994 tot het voorjaar van 1996 heb ik zelf in deze bibliotheek gewerkt, eerst als assistent en dan als wetenschappelijk bibliothecaris – een ambt dat bij de oprichting van de autonome Hogeschool Antwerpen werd afgeschaft. You win some, you lose some. Maar ik kom hier nog altijd graag.

Ambtswoning 012

Waar de gang zich verbreedt, bereikt men een sobere, maar fraaie trap  in wat ik gemakkelijkheidshalve “art déco” zal noemen en die – voorzover ik weet – dateert van bij de tamelijk grondige verbouwingen die hier werden uitgevoerd tussen 1940 en 1941 – in volle oorlog, dus.

Gelukkig verschijnt dit jaar een boek over de Academie, met o.m. een bijdrage van prof. Piet Lombaerde, die de ingewikkelde bouwgeschiedenis van dit complex uit de doeken doet. Als ik het goed heb, voorzag men dit deel van het gebouw toen ook van een etage, waar sindsdien de architectuuropleiding is gevestigd, die in 1946 werd losgemaakt van de Academie en verder door het leven ging als een afzonderlijk instituut.

Ambtswoning 014
In de jaren 1690 breidde men de Academie in de Beurs uit met een klas waar de jongste studenten konden tekenen naar gipsmodel. In de loop der tijd slaagde de school erin haar verzameling gipsen beelden aanzienlijk uit te breiden. Dat was geen sinecure, want gipsmodellen waren niet bepaald goedkoop.

Gelukkige waren er kunstenaars die de “plaasters” uit hun atelier aan de Academie nalieten. Kort na 1760 liet graveur Pieter Martinasie zelfs op eigen kosten 25 antieke beelden uit de verzameling van de hertog van Arenberg afgieten en schonk de modellen aan de Academie.

Ambtswoning 016

In de jaren 1960, toen beeldhouwer Mark Macken directeur van de Academie was, werden een heleboel gipsen vernietigd, wegens ouderwets en niet langer nodig geacht voor het onderwijs. Andere gaf Macken in bruikleen aan kleine academies in de provincie.

De beelden die overleefden, leden onder jarenlange verwaarlozing. Maar sinds anderhalf decennium is men zich opnieuw bewust van hun cultuurhistorische (en financiële) waarde. Docente Karolien van der Star van de afdeling Conservatie en Restauratie inventariseerde de beelden en superviseert hun geleidelijke restauratie.

Ambtswoning 021

Een beschamende episode is zonder enige twijfel die tijd die Vincent van Gogh vanaf januari 1886 doormaakte aan de Academie. Hij kwam in conflict met zijn leraren Karel Verlat, Frans Vinck (1827-1903) en vooral met Eugène Siberdt (1851-1931).

De “Hollander” verliet de Academie en vertrok naar Parijs. Een maand later, op 31 maart, beslisten de leraars dat 17 studenten, onder wie Van Gogh, hun jaar moeten overdoen. Het is dus NIET zo dat Van Gogh werd weggestuurd – een hardnekkige legende, die nog altijd de ronde doet.  

Van Gogh woonde in zijn Antwerpse tijd aan de Lange Beeldekenstraat. Hij schilderde er o.m. de achterhuizen die hij vanuit zijn raam kon zien. Dat doek hangt vandaag in het Van Goghmuseum in Amsterdam.

De avonturen van Van Gogh aan de Academie staan in het boek van de Antwerpse operazanger en nadien kunsthistoricus Mark Edo Tralbaut, een merkwaardige figuur in his own right. Tralbaut schreef in de jaren 1950 zelfs een toneelstuk over zijn idool; het werd opgevoerd in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, maar kende geen succes.

Ambtswoning 024

De enige bekende schilder, van wie ik met zekerheid weet dat hij aan de deur werd gezet, was Antwerpenaar Eugeen Van Mieghem (1875-1930). Maar dat gebeurde in 1891, vijf jaar na het vertrek van Van Gogh. Van Mieghem geniet vandaag vooral bekendheid als chroniqueur van de haven en de emigranten op weg naar Amerika.

Vanuit de hal op de foto hierboven, bereikt men de “Lange Zaal”, een tentoonstellingsruimte door Bourla bouwde voor de exposities van de Société pour l’Encouragement des Beaux-Arts die nauw met de Academie verbonden was. Boven de poort aan de Venusstraat prijkt trouwens het woord “Academie”.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Intussen ontdek ik, doorheen de lens van mijn fototoestel, dat een gehavend beeld in de gang naar de keramiek- en grafiekklassen niemand minder is dan Laokoon. De Trojaanse held werd samen met zijn beide zoons in zee gesleurd door reuzenslangen toen hij zijn stadgenoten wilde verhinderen het Torjaanse paard binnen te halen.

De Laokoongroep van ca. 40 voor Christus werd in 1506 ontdekt in de bodem van een Romeinse boomgaard. Er werd gefluisterd dat de hele beeldengroep een vervalsing zou zijn In die context viel de naam van Michelangelo. Maar die kwakkel is de wereld uit. De Laokoongroep werd een icoon van de klassieke kunst. Ca. 1770 kwam een afgietsel in het bezit van de Academie. Daarvan blijft alleen de Laokoonfiguur zelf over.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Een Academie is een stimulerende plek. Studenten leren er de technische beheersing van een artistiek medium, waarmee ze de uitdaging kunnen aangaan om hun eigen greep op de werkelijkheid of een aspect daarvan (dat kan ook het medium zelf zijn) uit te drukken.

Talent is een vermogen, maar ook een verlangen. Om het verlangen te vervullen, heeft het vermogen techniek nodig. Alleen techniek maakt talent zichtbaar. Daarom moet de blik zo scherp mogelijk zijn, de coördinatie tussen ogen en hand perfect. Alleen blijkt het verlangen altijd te groot. Wie het zelfs dan niet opgeeft, dicht de kloof met “kunst”, met wat voorbij de techniek ligt. Vreemd genoeg is juist dat zeldzame resultaat ondubbelzinnig herkenbaar.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Sinds  is de Afdeling Conservatie en Restauratie van de Academie ondergebracht in drie gebouwen aan de Blindestraat: het Bureel van Weldadigheid, het Instituut Van den Nest en Licht en Lucht. Het Weldadigheidsbureel werd opgericht in 1796 – in de Franse tijd dus – en verdeelde o.m. aalmoezen aan behoeftige Antwerpenaars.

In het Weldadigheidsbureel – of toch in een deel ervan – ging de componist Peter Benoit in 1867 van start met zijn Vlaamse muziekschool. Die verhuisde pas in 1885 naar het pand aan de Sint-Jacobsmarkt, waar voordien het atheneum was gevestigd. Later groeide Benoits school uit tot het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Architect V. Durlet herbouwde het Weldadigheidsbureel in 1888 in neo-barokstijl. De toegangspoort is versierd met prachtige smeedijzeren lantaarns. Na de opheffing van het Bureel van Weldadigheid kwam in het gebouw een politiebureau dat open bleef tot in de jaren 1980.

Het Instituut Van den Nest hield zich bezig met de opsporing en bestrijding van tuberculose. Die ziekte maakte tot aan de Tweede Wereldoorlog veel slachtoffers. Toen ik naar het atheneum gingen werden alle leerlingen nog getest op tb. Na een positief resultaat moest ik eind 1974 nog een röntgenopname van mijn longen laten maken in het gebouw Licht en Lucht. Gelukkig bleek ik niks te mankeren.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Om de zaak voor ons, arme leken, ingewikkeld te maken, “kantelt” de afdeling Conservatie en Restauratie samen met de schol voor Produktontwikkeling en de architectuuropleiding aan het Heny Van de Velde-Instituut in de Universiteit  Antwerpen.

Het parkeerterrein aan de Blindestraat is de minst aantrekkelijke plek van de Academie, maar zijn rommeligheid heeft een eigen poëzie. Ik hou van het gebouw dat architect Léon Stynen in het midden van de jaren 1950 aan de Academie toevoegde. Nu het Internationaal Zeemanshuis is gesloopt (schande!) is dit zowat het enige grote modernistische gebouw in de Antwerpse binnenstad (op de Boerentoren na, natuurlijk).

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het grijze gebouw dat een rechte hoek vormt met de Stynenvleugel is de oude Volksbibliotheek, tot in de jaren 1970 de centrale openbare bibliotheek van de stad Antwerpen. Ik ben er vaak boeken komen lenen vòòr de bibliotheek  naar de Lange Nieuwstraat verhuisde. Waar vroeger de leeszaal was, bevindt zich nu een auditorium.

De afdeling Beeldhouwen van de Academie heeft een onderkomen gevonden in het gerestaureerde “Bourlaschooltje”, ooit een stedelijke lagere school, ontworpen door stadsarchitect Pierre Bruno Bourla.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Sinds het begin van het academiejaar 2012-2013 staat dit gipsen beeld, ongetwijfeld werk van een student beeldhouwkunst, bij de zitbanken aan het parkeerterrein. Gered van de vuilniscontainer wat verderop?

De “blote madame”, bepaald geen  meesterwerk en enigszins gehavend, houdt er de rokers gezelschap. Haar verdwenen voet, denk ik soms, zorgt voor een poëtisch evenwicht met de spoorloze hand van Mathieu Ignace van Brée.

Ambtswoning 023

[(Kunst)Geschiedenis] De moeder van de kunsten is jarig – De Antwerpse Academie bestaat 350 jaar.

   Academie1

Poortgebouw gezien vanuit de Minderbroedersstraat. In 1811 verhuisde de Academie naar het klooster van de minderbroeders waaraan deze straat en de Minderbroedertui hun naam danken (foto Jan Lampo).

In 2013 viert de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen de 350ste verjaardag van haar stichting in 1663. Daarmee is ze de op tweede na oudste kunstacademie van Europa en een van de oudste onderwijsinstellingen in België. Tentoonstellingen en publicaties zetten het feest de nodige luister bij. Hoewel de Academie de voorbije jaren vooral in het nieuws kwam als kweekvijver van Belgisch modetalent, is haar geschiedenis veel rijker. De school speelt al vanaf de 18de eeuw een essentiële rol in het Belgisch kunstgebeuren. Ook uit Nederland kwamen leerlingen die later wereldfaam verwierven, zoals Laurens Alma-Tadema en Vincent van Gogh.

We schrijven 1655, of daaromtrent. David Teniers (1610-1690), hofschilder van landvoogd Leopold Wilhelm, wisselt brieven uit met Hendrik van Halmale, buiten-burgemeester van Antwerpen en sinds 1655 hoofdman van het Sint-Lucasgilde. De heren maken zich zorgen. Het gaat niet goed met de kunst in de Scheldestad. Rubens en Van Dijck zijn dood. Het atelier van Jacob Jordaens levert alleen nog seriewerk af.

Aca5

Standbeeld van Mathieu Ignace Van Brée, directeur van de Academie tot 1829, in de tuin (foto Jan Lampo).

De schade die kerken en de kloosters in de Zuidelijke Nederlanden hebben opgelopen tijdens de godsdiensttwisten van de vorige eeuw is ruimschoots hersteld. Veel nieuwe bestellingen vallen uit kerkelijke hoek niet te verwachten. De Contrareformatie, het grote ideologische offensief van de katholieke kerk tegen het protestantisme, is trouwens over zijn hoogtepunt heen. En heel wat klanten zijn uitgekeken op de stereotiepe schilderijen die twee- en derderangs navolgers van de grote Antwerpse barokmeesters op de markt brengen.

Crisis

Alsof dat niet genoeg was, zit de hele Europese economie in het slop, zodat ook rijke verzamelaars twee keer nadenken voor ze nog kunst kopen. De Vrede van Munster die in 1648 is gesloten, heeft een einde gemaakt aan de Dertigjarige Oorlog in Duitsland en aan de Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de Noordelijke Nederlanden. Maar de Europese mogendheden wantrouwen elkaar – ook op economisch vlak.

Alle grote landen beschermen hun eigen nijverheid met hoge invoerrechten op producten uit het buitenland. Het mercantilisme – zo noemen wij die economische doctrine vandaag – leidt tot een algemene neerwaartse trend.

IMG_0519

De gevel achteraan is een overblijfsel van het laat-middeleeuwse klooster. Op de sokkel stond het standbeeld van David II Teniers, dat intussen terugkeerde naar de Teniersplaats (foto Jan Lampo).

Antwerpse schilders en beeldsnijders maar ook producenten van muziekinstrumenten, kostbare meubelen, dure boeken en ander fraais behoren tot de eerste slachtoffers van de maatregelen van de Republiek en Frankrijk tegen import uit de Zuidelijke Nederlanden.

In Frankrijk trekt de jonge, ambitieuze koning Lodewijk XIV vanaf 1661 alle macht naar zich toe. Onder impuls van zijn machtige minister Colbert schakelt hij de Franse – vooral Parijse – artiesten en beoefenaars van kunstambachten in om zijn gezag prestige en luister bij te zetten.

Een groep vooraanstaande schilders, sinds lang ontevreden met de strenge gildevoorschriften uit de middeleeuwen, sticht in de Franse hoofdstad de Académie royale de Peinture et de Sculpture. Al van in 1655 zorgt zij voor het enige rechtmatige kunstonderwijs in Frankrijk; weldra mag ze zich verheugen in koninklijke subsidies.

Demie3

Het fraaie gotische gewelf van de kloostergang (foto Jan Lampo).

Frans voorbeeld

David Teniers is veel meer dan een succesrijk schilder van vrolijke boerentaferelen. Hij treedt op als conservator van de reusachtige kunstverzameling van de aartshertog. Hij koopt en verkoopt schilderijen en andere kostbaarheden voor zijn baas.

De intelligente, maar ook ijdele Teniers – hij woont in een kasteel en droomt van een adellijke titel – kent de kunstmarkt. Met lede ogen en met een grote nuchterheid ziet hij hoe Parijs Antwerpen overklast als centrum van de artistieke productie en van de kunsthandel. Net als zijn goede vriend Van Halmale wil hij daar wat aan doen.

De oplossing, denkt hij, is een eigen Antwerpse kunstschool, naar voorbeeld van die in Parijs. Teniers wil het gildensysteem niet ondergraven, maar hij onderkent het succes van de Franse formule.

Aca6

Architect Pierre Bruno Bourla verbouwde de kerk van het klooster tot Museum en plaatste er een klassieke gevel met ionische zuilen en een fronton voor (foto Jan Lampo).

Wanneer aspirant-kunstenaars allemaal op één plaats samen naar levend model leren tekenen, hoeven de schilders bij wie ze in de leer zijn zich daar niet langer mee bezig te houden. Zo kunnen ze zich toeleggen op meer gespecialiseerde aspecten van de opleiding en hoeven ze niet elk een eigen model in te huren!

Smeekschrift

Een school kost handenvol geld. Daarom willen Teniers en Van Halmale dat de stad Antwerpen hun academie subsidieert. Maar daar is de toestemming van de koning voor nodig. In 1662 stelt Teniers een verzoekschrift op voor Filips IV die het in de Zuidelijke Nederlanden voor het zeggen heeft.

Vanuit Madrid vraagt de koning aan de nieuwe landvoogd, de markies van Caracena, wat die ervan denkt. Caracena overlegt met zijn raadgevers. Op hun beurt informeren zij naar de opinie van het Antwerpse stadsbestuur. Dat stelt oud-burgemeesters jonker Floris van Berchem en Gregorius Martens aan om informatie in te winnen. Zij komen – hoe kan het ook anders? – te biechten bij het Sint-Lucasgilde. Dat overhandigt een document waaraan Teniers zelf heeft meegewerkt.

Stadswaag

Het minderbroedersklooster op het 16de-eeuwse stadsplan van Virgilius Bononiensis (Museum Plantin-Moretus). Het plein rechts van de kerk is de Stadswaag.

Het gilde constateert dat de kunstbeoefening “door den quaden tyt ende gewesen oorloge” slabakt en dat de jonge kunstenaars slecht opgeleid zijn. Het stelt dat alleen “de geproponeerde Academie” hieraan kan verhelpen. Er wordt expliciet verwezen naar de “vrye en publicque Academie” in Parijs.

Uit een Academie in Antwerpen zullen “vele persoonen” die onrechtstreeks met kunst te maken hebben, profijt trekken, zeggen de gildedekens. Met name de leveranciers van verf, olie, doek, koper, hout en steen en de makers van penselen, lijsten enz.

Vanuit Brussel vertrekt een gunstig advies richting Madrid. Op 6 juli 1663 ondertekent Filips IV zijn goedkeuring van de stichting van de academie en haar financiering door de stad.

Aca9

De tuin van de Academie was destijds het kerkhof van de minderbroeders (foto Jan Lampo).

 Het jaar daarop stelt de Antwerpse magistraat de bovenverdieping van de oostvleugel van de Beurs ter beschikking van het Sint-Lucasgilde. Daar kan het een nieuwe vergaderzaal én zijn tekenschool inrichten.

De “schilderskamer” in het huis Spaegnien aan de Grote Markt, waar het gilde tot dan toe zijn zetel heeft, is niet groot genoeg voor een academie; de jaarlijkse huur wordt bovendien erg hoog.

De muren van het nieuwe lokaal in de Beurs worden behangen met goudleer. Daarop komen de portretten van dekens en andere belangrijke personaliteiten, samen met de vele andere schilderijen uit het patrimonium. Naast de ruimte die tot Academie zal dienen, bevindt zich nog een derde vertrek dat men inricht als keuken.

demie8

Een travee van de noordgevel van de kloosterkerk (foto Jan Lampo).

Model

Een en ander slokt een groot deel op van de 5.240 gulden die de stad geeft voor de Academie, zodat er niet genoeg geld overblijft voor een cursus architectuur. Daarom zal men zich beperken tot tekenen en boetseren naar levend model.

De tekenschool komt in een vierkant vertrek. F. Jos Van den Branden beschrijft het in zijn Geschiedenis der Academie (1863): “Door eene koperen hanglamp, met veertien bekken en voorzien van eenen blikken lichtscherm, was dit vertrek verlicht. Het was verwarmd door twee kolenvuren op koperen teilen.”

Restaurant

Refter in de Mark Mackenzaal, achter het trappenhuis van Bourla’s Museum. Let op de fraaie arduinen zuilen (foto Jan Lampo).

“De leerlingen,” vervolgt de schrijver, “zaten op houten banken en schabellen. Hun werk was nog afzonderlijk verlicht door kaarsen, welke op hooge houten kandelaars naast hen stonden […].”

” Eene blauwlakenen gordijn hing aan ijzeren geerden tegen den wand. Daarvoor stond het naakt model op een berd, dat op twee schragen rustte. Op dit slach van tafel lagen twee vierkante houten blokken, welke het model tot steun dienden, terwijl men, bij de verschillige houdingen van het lichaam, de werking der spieren bestudeerde.”

Op 26 oktober 1665 begin van het eerste Academiejaar (tot 6 maart 1666). De lessen zijn gratis en vinden ’s avonds plaats: in de winter van 6 tot 8 en in de zomer van 5 tot 8 uur. Als leraar treden dekens en oud-dekens van het gilde op. Onder hen Jordaens, Artus en Jan-Erasmus Quellin (1634-1715), de schoonzoon van Teniers, Ambrosius Bruegel en Frans III Francken (1607-1667).

“Onbehooreleyck”

Kent de Academie succes? Leerlingen zijn er zeker, maar ze gedragen zich niet altijd even goed. De komende jaren blijkt meer dan eens dat ze zich “onbehooreleyck” aanstellen en “ramoer” maken.

IMG_0503

Restanten van een renaissancegalerij op de binnenplaats bij de docentenruimte (foto Jan Lampo).

Bij de leraren, die niet voor hun werk betaald worden, is sprake van een chronisch gebrek aan autoriteit en absenteïsme. Geldgebrek blijft als een zwaard van Damocles boven de school hangen. Het bestuur van het Sint-Lucasgilde geeft liever geld uit aan spijs en drank voor zijn eigen feestmalen dan voor de verwarming en de verlichting van de academie.

Toch krijgt de school in 1694 nieuwe lokalen in de noordelijke vleugel van de Beurs. Daar komt een klas waar de almaar talrijker leerlingen gipsen beelden kunnen tekenen als voorbereiding op het tekenen naar levend model.

Van den Branden: “Al wie in het teekenen of bootseeren naar het leven nog te onbedreven was, werd naar de oefeningen der plaasterbeelden gezonden. Aldus bestond er eene hoogere en lagere klas, welke de meest gevorderden van de min bekwamen afscheidde. […]”

dubbelfluit

Vanaf het eind van de 17de eeuw gebruikte men voor het tekenonderwijs in de Academie gipsen afgietsels van klassieke beelden (foto Jan Lampo).

”De beelden, welke tot model dienden waren Hercules, de Gladiator en een Sater. […] Het beeld, dat tot studie in gebruik was, stond op een voetstuk, vóor de groote koperen hanglamp met zes bekken, die gedekt waren met eenen lichtscherm die de klaarte in overvloed op het beeld kaatste. De leerlingen zaten in eenen halven kring om het model: de teekenaars voorop, en achter deze de bootseerders.”

Vanaf 1714 ressorteren de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijk. Enkele jaren later gaat de Academie een poos dicht als straf omdat de leerlingen die het naakte model met klei hebben bekogeld.

In 1722 eist de stad een deel van de school terug om er kantoren in onder te brengen. Erger zijn de geldzorgen van het Sint-Lucasgilde dat zichzelf nauwelijks in stand weet te houden.

IMG_0508

Vlakbij de Academie bouwde Bourla voor de Stad Antwerpen een lagere school. Later werd die bij de Academie geïncorporeerd. Vandaag huisvest ze de afdeling Beeldhouwen (foto Jan Lampo).

In een rapport uit 1738 lezen we dat uit de Academie meesters zijn gesproten die “geëmployeerd zijn geweest en nu nog geëstimeerd worden aan alle hoven van het Christendom”, maar “alles is zeer vervallen.”

In de strenge winter van 1740 wordt de Academie gesloten – voorgoed, lijkt het. Slechts één van de dekens, beeldhouwer en architect Alexander van Papenhoven (1668-1759), is het niet eens met de sluiting. Hij krijgt de steun van zijn veelbelovende vakgenoot Jan-Pieter van Baurscheit de Jonge (1699-1768) en van vier andere kunstenaars.

Proces

Zij gaan zoek naar geld zodat de Academie het gilde niets meer zal kosten; bovendien zijn zij bereid om zelf gratis les te geven. Van achttien Antwerpse edelen krijgen ze de schriftelijke belofte dat die jaarlijks elk 7 gulden zullen betalen om de werkingskosten van de school te dekken. Bijna alle schenkers behoren tot recentelijk in de adelstand verheven koopliedenfamilies.

Zowel de cursus naar levend model als die naar het gips gaan in 1741 opnieuw van start. Van Baurscheit en zijn collega’s genieten veel prestige. Ze zijn goede leraars en houden er artistieke opvattingen op na die aanslaan bij aspirant-kunstenaars: binnen de kortste keren stijgt het aantal leerlingen van 30 naar 75.

Minderbroedersklooster

 Het klooster van de minderbroeders of franciscanen, gezien van west naar oost (a).

Ondanks hun aanvankelijke instemming zien de dekens van het Sint-Lucasgilde dit succes met lede ogen aan. Ze spannen voor de Raad van Brabant een proces aan om de Academie opnieuw onder hun gezag te brengen – wat uiteraard niet naar de zin van de zes leraars is.

Onafhankelijk

De tijdelijke bezetting van de Zuidelijke Nederlanden door het leger van de Franse koning Lodewijk XV draagt er toe bij dat er pas in 1748 een vergelijk komt tussen het gilde en de redders van de Academie. Het gilde staat de school en haar meubilair definitief af. Het stadsbestuur zal voortaan toezicht uitoefenen over de Academie.

Jaarlijks vinden nu wedstrijden tekenen naar levend model plaats. Landvoogd Karel van Lotharingen schenkt daarvoor een zilveren koffiepot, twee zilveren kandelaars en een zilveren theepot als eerste, tweede en derde prijs. Leden van de magistraat en voorname burgers volgen zijn voorbeeld.

OudeFotoAcademie

Het Museumplein, zoals het vroeger heette, met het poortgebouw en het standbeeld van Antoon Van Dijck.

Weldra ontstaat de gewoonte dat de leerlingen de overwinnaars of “primussen” hulde brengen. Met muziek en vaandels trekken ze door de stad naar de woning van de primus en brengen hem een serenade. Daarna gaat het naar de grote zaal van de Academie voor een feest. Bier wordt gehaald in de herberg In den Grenaatappal, naast de Beurs.

De idee dat kunst een intellectuele bezigheid is en daarom superieur aan het werk van gewonde ambachtslieden wint veld sinds de renaissance. In Antwerpen vindt ze een vurige verdediger in de persoon van de schilder en academieleraar Andries Cornelis Lens (1739-1822) die in Italië heeft gereisd en het oor heeft van landvoogd Karel van Lotharingen.

In 1773 wordt een keizerlijke verordening van kracht die schilders, beeldhouwers en graveurs ontslaat van de verplichting deel uit te maken van een gilde. In de Scheldestad beschouwt iedereen dit als een overwinning van Lens. Toch speelt ook het feit mee dat de Oostenrijke overheid om puur economische het middeleeuwse gildesysteem wil afbouwen.

postkaart

Het hoofdgebouw van de Academie in de jaren 1930 (a).

De Academie overleeft de woelingen en hervormingen van de Franse Tijd (1794-1815). Meer nog, Napoleon geeft het oude franciscanen- of minderbroedersklooster van de Mutsaertstraat aan de stad Antwerpen om de kunstschool onder te brengen.

Het jaar daarop verhuist de Academie naar het complex waar ze vandaag nog altijd is gevestigd. De kloosterkerk fungeert als museum. Dat heeft in het begin alleen een didactische functie. De leerlingen komen om het werk van oude meesters te bestuderen. Maar na verloop van tijd wordt het museum ook voor de burgers van de stad toegankelijk.

Tekencursus

Tijdens de vereniging van België en Nederland onder koning Willem I stelt directeur Mathieu Ignace van Brée (1773-1839) een tekencursus op die tot diep in de 19de eeuw op vele plaatsen gebruikt wordt.

Hoewel Van Brée zelf de klassieken navolgt, voelen velen van zijn leerlingen meer voor de romantiek. Dat is de nieuwe geest die zich na Waterloo meester maakt van de kunsten in Europa. Van Brée’s dood in 1839 – België is dan bijna tien jaar onafhankelijk – en de benoeming van Gustaf Wappers (1803-1874) tot zijn opvolger, brengen de romantici in de Academie aan de macht.

DavidTeniers

David II Teniers, de stichter van de Academie (a).

Wappers laat zich, net zoals Rubens, voorlezen terwijl hij schildert. Hij geniet de gunst van Leopold I die hem de titel van baron schenkt. Wappers denkt liberaal, maar zijn Vlaamsgezindheid en zijn eigenzinnig bestuur van de school jagen velen tegen hem in het harnas. In 1852 neemt hij ontslag. Hij verhuist naar Parijs. De franskiljonse katholiek Niçaise de Keyser volgt hem drie jaar later op.

Als weergave van de werkelijkheid, haalt de fotografie de schilderkunst in. Schilders zoeken naar wat de nieuwe techniek niet kan bieden. In Frankrijk ontstaat het impressionisme. In België houdt men het bij bruingesausde taferelen uit de vaderlandse geschiedenis.

In Antwerpen ontwikkelt Henri Leys (1815-1890) zijn eigen vorm van prerafaëlitische kunst. Hij bestudeert de Vlaamse en Duitse meesters van de 15de en 16de eeuw en borstelt realistische figuren in historische decors die hij tot in de kleinste details weergeeft.

GipsenBeelden

In de vroege jaren 1960 diende de latere Mark Mackenzaal als depot voor gipsen beelden (a).

Leys, die zelf nooit aan de Academie doceert, oefent nochtans grote invloed uit op haar leerlingen. Tot hen behoort de jonge Fries Laurens Alma-Tadema die vanaf carrière maakt in Londen.

Van Gogh

Leys’ neef en leerling Henri de Braekeleer volgt wel de lessen aan de kunstschool. Hij zal groeien uit tot de grootste schilder van de 19de eeuw in de Scheldestad.

Bekend is het feit dat ook Vincent van Gogh korte tijd aan de academie studeert. De modellen zijn gratis, schrijft hij zijn broer Theo. Maar binnen de kortste keren komt het jonge genie in botsing met het conservatisme van middelmatige leraars zoals Frans Vinck en Eugène Siberdt. Van Gogh kiest eieren voor zijn geld en neemt de trein naar Parijs. De leraars, die zich niet eens van zijn vertrek bewust zijn, geven hem op het eind van het academiejaar een onvoldoende.

Met het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten krijgt de Academie in 1885 een “bovenbouw” waar haar beste studenten (en die van andere kunstscholen) hun opleiding enkele jaren kunnen voortzetten. Deze hervorming is mede te danken aan directeur Charles Verlat.

Lantaarns

Smeedijzeren lantaarns aan weerszijden van de poort van het Bureel van Weldadigheid aan de Blindestraat, waar de afdeling Conservatie & Restauratie is gevestigd (foto Jan Lampo).

Verlat is niet alleen een uitstekend dierenschilder die inwoners van de Zoo laat poseren in de “beestenklas”, maar ook een schitterend leraar. Hij countert de uitdaging van de fotografie door met zijn leerlingen enorme panorama’s te schilderen.

In de Academie blijft de liefde voor de geschiedenis tot aan de Eerste Wereldoorlog hoge toppen scheren. Pas na 1918 dringt aarzelend een modernere kijk op de wereld door. Van 1936 is de getalenteerde portrettist Isidoor Opsomer (1878-1967) directeur van de school. Een hemelbestormer kan men hem niet noemen, maar hij is een meer dan verdienstelijk kunstenaar. Alleen krijgt hij het verwijt dat hij vooral… “kleine Opsomerkes” opleidt.

Nieuwe Orde

Tijdens de jaren 1930 studeren aan de Academie en het Hoger Instituut jongeren die na de Tweede Wereldoorlog naam zullen maken zoals Marc Mendelson (1915), Vic Gentils (1919-1997), Pol Mara (1920-1998), Jan Cox, Luc Peire en Jack Godderis (1916-1971).

Demie5

De binnenplaats bij de docentenruimte, detail (foto Jan Lampo).

In Berlijn vindt van 17 mei tot 11 op initiatief van de Deutsch-Flämische Arbeitsgemeinschaft (DeVlag) van Jef van de Wiele de tentoonstelling Flämische Kunst der Gegenwart plaats, waaraan docenten van het Hoger Instituut deelnemen. Er is werk te zien van o.a. Julien Creytens, Willy Kreitz, Henry Luyten, Albert Poels en Albert Van Dijck. De meeste werken in de expositie zijn “gewoon” traditioneel en apolitiek, maar enkele beeldhouwers stellen koppen van Nieuwe Ordefiguren tentoon.

De dag dat de nokvolle bioscoop Rex aan de De Keyserlei getroffen wordt door een Duitse raket, valt ook bij de Academie een V-bom. Alle ruiten van de school sneuvelen en een deel van de kunstcollectie gaat verloren. Het is een moeilijke en verwarde tijd.

De aanstelling van de schilder Constant Permeke tot nieuwe directeur wordt na enkele maanden ongedaan gemaakt door minister Camille Huysmans. Collaborateurs vliegen aan de deur, maar sommige deelnemers aan de expositie in Berlijn mogen ondanks alles hun docentschap weer opnemen.
 
In de jaren 1950 wordt naar ontwerp van de bekende architect Leon Stynen – hij staat aan het hoofd van de intussen afgesplitste architectuuropleiding – een nieuwe vleugel gebouwd met ruime ateliers en lichte klassen. Samen met het bedreigde Zeemanshuis vormt dit gebouw een zeldzaam voorbeeld van modernisme in de Antwerpse binnenstad.

De viering van de 200ste verjaardag van de Academie in 1963 gaat gepaard met een academische zitting en de creatie van het ballet De Triomf van de Dood op muziek van de Vlaamse componist Renier Van der Velden (1910-1993) en met decors van schilder en docent Jan Vaerten (1909-1980). Er zijn verschillende tentoonstellingen.

Happenings

Mary Prijot (1917-1990), van opleiding pianiste, richt in de Academie de cursus Mode en Theaterkostuumontwerpen in. Ze geeft er les tot 1982. Wat van start gaat als een bescheiden afdeling met enkele leerlingen, groeit in twee decennia uit tot de bekendste richting van de school.

Vanaf 1966 krijgt het hoger kunstonderwijs in België een volledig dagprogramma met specialisaties waaronder ook fotografie, grafiek, grafische vormgeving, juweelontwerpen, keramiek en monumentale kunst.

Poortgebouw

Prijot is nog maar juist aan de slag met haar studenten, wanneer oud-leerlingen van de Academie als Panamerenko, Hugo Heyrman en Wout Vercammen voor de ogen van de verbaasde Antwerpenaars de eerste happenings organiseren. Het is de tijd van flower power, protesten tegen de oorlog in Viëtnam en het legendarische café De Muze, waar het storm loopt voor zanger Ferre Grignard en jazzmuzikant Mike Zinzen.

Heyrman en Panamarenko sluiten het Conscienceplein af met industriële ijsblokken. De actie wil het stadsbestuur ertoe overhalen om het plein autovrij te maken. Nieuwe galeries zoals de Wide White Space Gallery halen de internationale avant-garde naar Antwerpen; de gedrukte media maar ook de televisie besteden van langsom meer aandacht aan het mondiale kunstgebeuren.

In 1970 opent in het koninklijk paleis aan de Meir het Internationaal Cultureel Centrum (ICC) zijn deuren, dat het komende decennium uitgroeit tot een belangrijke tentoonstellingsruimte voor hedendaagse kunst. In de ogen van nogal wat studenten blijft de Academie te midden van al dat artistiek geweld te braaf en te… academisch. Maar dat verandert naargelang oudere docenten met pensioen gaan en jongeren hun plaats innemen en de creatieve inbreng van de leerlingen in de verschillende ateliers een ruimere plaats krijgt toegemeten.

Zes van Antwerpen

Anno 1987 organiseren enkele modeontwerpers die in het begin van het decennium zijn afgestudeerd tijdens de British Designer Show in Londen een groepsdefilé. Hun namen zijn Anne Demeulemeester, Dirk Bikkembergs, Walter Van Beirendonck, Dries Van Noten, Dirk Van Saene en Marina Yee.

Aca10

Het verweerde beeld van Quinten Metsys door Charles Geerts uit 1836 in de tuin aan de Mutsaertstraat (foto Jan Lampo).

Een Engelse krant noemt hen “The Six of Antwerp”. Voortaan haalt de jaarlijkse modeshow van de academie de wereldpers. Weldra komt er ook een afdeling Conservatie en Restauratie, die in 1994 een volwaardige studierichting wordt. Terwijl de modestudenten een nieuw onderdak krijgen in de Modenatie aan de Nationalestraat (2001), betrekt Conservatie en Restauratie drie monumentale 19de-eeuwse panden in de Blindestraat aan de rand van de oude academiecampus (2002).

Als gevolg van het Vlaamse Hogeschooldecreet gaat de Academie in 1996 op in de Hogeschool Antwerpen (thans Artesis Hogeschool) en wordt daarvan het Departement Audiovisuele en Beeldende Kunst. Dit wordt niet meer geleid door een directeur – de laatste is fotograaf en kunsthistoricus Johan Swinnen – maar door een verkozen departementshoofd. Acht jaar later, in 2004, is de Bolognahervorming van het hoger onderwijs een feit. Sindsdien krijgen de studenten bachelor- en masterdiploma’s.

(Kunst)geschiedenis – Florent (Floris) ridder van Ertborn (1784-1840), een van Europa’s eerste verzamelaars van 15de-eeuwse schilderkunst

 

 Afgietsel van het borstbeeld van Florent van Ertborn door Jozef Geefs (foto Jan Lampo).

In de Hollandse tijd krijgt Antwerpen er in de persoon van Floris ridder van Ertborn (1784-1840) er een collectioneur bij, die de grenzen van de verzamelpraktijk verlegt. Hij is een van de eersten in Europa om zich actief bezig te houden met het verzamelen en bestuderen van laat-middeleeuwse kunst, niet alleen uit Italië, maar ook uit Frankrijk, de Nederlanden en Duitsland.

Als lid van de stedelijke bovenlaag en als burgemeester is Van Ertborn Antwerpen zeer toegedaan. Tegelijk is hij een trouw dienaar van Willem I, die weigert om na 1830 het Belgische kamp te kiezen. Niet toevallig houdt Van Ertborn de jonge, veelbelovende Jan-Frans Willems de hand boven het hoofd en maakt hij gebruik van diens intellectuele inbreng. Beiden zijn grosso modo dezelfde denkbeelden toegedaan, maar zijn status en fortuin geven Van Ertborn de mogelijkheid om consequenter te zijn – Willems zal zich, noodgedwongen, verzoenen met de realiteit van het nieuwe België.

Florent van Ertrborn als jongeman, geportretteerd door de Franse schilder Jean-Baptiste Greuze.

De Van Ertborns zijn een Mechelse juristenfamilie, maar ook in de Scheldestad wonen sinds de 15de eeuw leden van het geslacht. Oorspronkelijk zijn ze, aldus Prims, afkomstig uit Herenthout in de Kempen. De eerste “Mechelse” Van Ertborn die zich in Antwerpen komt vestigen, is Adolf Pieter (°1670). In 1707 en 1713 is hij schepen van de stad. Hij bezit zo’n 80 schilderijen van o.a. Rubens, Van Dyck, Jordaens, Van Balen, Quellin, De Momper en Teniers – een “traditionele” collectie met meesters uit de 17de eeuw [De Schuyter, .

Zijn neef, grootvader Frans-Emmanuel (1716-1791), licentiaat in de beide rechten, komt eveneens naar Antwerpen. Hij maakt carrière als “kassier” en wordt een van de grootste aandeelhouders van de Compagnie van Triëste en Fiume. Die bestaat sinds 1750 en houdt zich bezig met de raffinage van suiker. Kapitaal en bestuur zijn Antwerps, maar het bedrijf – een van de grootste industriële ondernemingen van die tijd – bevindt zich in Fiume.

Frans Emmanuel belegt ook veel kapitaal in de koloniale groothandel. Met vijf andere financiers van diverse nationaliteiten sticht hij de Koninklijke Pruisische Handelsmaatschappij die vanuit Emden opereert. Ze ontvangt van de Pruisische koning Frederik de Grote het monopolie voor de handel op China. Frans-Emmanuel krijgt van keizerin Maria-Theresia de titel van ridder en later die van baron. Bij zijn dood laat hij meer dan een miljoen gulden na.

Neef Jozef Karel Emmanuel baron van Ertborn (1778-1823) studeert aan de universiteit van Munster. Hij wordt secretaris-generaal van het Departement der Twee-Neten. In 1805 wordt hij “raad geheimschrijver honorair” van de heropgerichte Academie, een onbezoldigde erefunctie.

Borstbeeld van Florent van Ertborn door Jozef Geefs  (Foto Lukas – Art in Flanders / Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen).

Jozef Karel Emmanuel is niet alleen beslagen in het recht, maar ontpopt zich tot een bekwaam beoefenaar van de geschiedenis. Als eerste bestudeert hij de archieven van het Sint-Lucasgilde en publiceert Geschiedkundige aenteekeningen aengaende de Ste.-Lucas-Gilde en de Rederykkamers van den Olyftak, de Violieren en de Goudbloem, te Antwerpen die in 1806 van de pers komen. In 1806 wordt hij lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.

In haar Jaarboek van 1824 lezen we o.m. over hem:

“Als Regtsgeleerde, was hij in onze burgerlijke en handelswetgeving, gelijk mede in die van andere volken, zeer bedreven. Ook het Kanonieke Regt en de Kerkelijke Geschiedenis maakten een voornaam voorwerp zijner studien uit […] Het waren echter bovenal de fraaije letteren en kunsten, voor welke hij met eene blakende geestdrift bezield was, en die hij met kunde en smaak beoefende. Aan de kennis der Grieksche en Latijnsche talen paarde hij die van vele talen van het nieuwere Europa […]. Zelve sloeg hij met gelukkig gevolg de hand aan de lier, waarvan verscheidene Fransche dichtstukken, in letterkundige verzamelingen gedrukt, en onder deze ook navolgingen van eenige Oden van Horatius, de duidelijkste bewijzen leveren. Hij vervaardigde ook eenige tooneelstukken, doch van welke slechts één, en wel met toejuiching, ten tooneele gevoerd werd.”

Verder staat: “Doch het geen den Heer van Ertborn […] bovenal tot eer verstrekt […] bijzonder belangrijk maakte, is het loffelijk voorbeeld van eene zorgvuldige beoefening der moedertaal, door hem gegeven in eenen tijd, toen alles de duurzame vestiging en heerschappij der Fransche taal scheen te voorspellen, en het meerendeel zijner aanzienlijke landgenooten op de eerstgenoemde met onbillijke versmading nederzag.”

 Wapen van de familie Van Ertborn.

Na de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden benoemt Willem I hem tot lid van de Algemene Rekenkamer in Den Haag.

Florent van Ertborn wordt geboren in het huis van  zijn grootmoeder op de hoek van de Mutsaertstraat en de Minderbroedersstraat. Bij de komst van de Fransen vluchten zijn ouders naar Bremen. Hij krijgt les van privéleraars en bezoekt met hen verschillende landen. In 1813 woont hij aan de Meir, in een pand waarvan de zijingang uitgeeft in de Grammayestraat. Hij schrijft af en toe voor La Gazette d’Anvers en L’Oracle. In 1816 verkiest men hem tot lid der gedeputeerde staten van de provincie. Willem I benoemt hem het jaar daarop tot burgemeester van de stad. Hij zal het blijven tot 1828.

Van Ertborn saneert de Antwerpse financiën en voltooit de dokken. Hij besteedt veel aandacht aan monumentenzorg. Vanaf ca. 1818 tot 1830 brengt hij geleidelijk een fabelachtige kunstverzameling bijeen met werk van Vlaamse en Hollandse meesters. Volgens Floris Prims krijgt hij daarbij hulp van de schilder, restaurateur en kunsthandelaar Jan Nicolié uit de Pelgrimstraat en later van diens zoon Jean-Chrétien, gevestigd aan de Handschoenmarkt. Van Ertborn publiceert bijdragen over werk van grote meesters als Van Eyck, Memlinc, van der Goes, Dürer in de Messager des sciences historiques de Belgique.

In 1828 benoemt Willem I hem tot gouverneur van de provincie Utrecht. Hij verhuist naar het noorden, maar een groot deel van zijn collectie blijft in het huis aan de Meir. Na 1830 willen de Antwerpenaars hem terug als burgemeester. Hij krijgt 206 stemmen, bijna twee keer zoveel als de andere kandidaat. Maar Van Ertborn bedankt voor de eer uit trouw aan de koning.

De “Madonna met Kind” of “Madonna van Melun” door Jean Fouquet, een van de schilderijen uit de collectie Van Ertborn. 

De collectie-Van Ertborn is intussen vermaard bij kunstliefhebbers in heel Europa. De bekende Duitse romanschrijfster Johanna Schopenhauer (1766-, moeder van de filosoof Arthur Schopenhauer, komt er tijdens haar reis door de Nederlanden met haar dochter Adèle naar kijken. Over dat bezoek schrijft ze in haar Ausflug an den Niederrhein und nach Belgien im Jahre 1828 (1831). Ik citeer de vertaling van Marc Carnier en Anke Gilleir uit 1998.

“De aanbevelingsbrief die we meebrachten voor ridder Florens van Ertborn, de toenmalige burgemeester van Antwerpen, bereikte hem net toen hij op het punt stond naar Utrecht te vertrekken, zijn toekomstige verblijfplaats […*. Ook zijn schilderijen zouden hem daarheen volgen en dus konden we ons gelukkig prijzen ze nog in Antwerpen aan te treffen. Hoewel we de kunstminnende eigenaar zelf niet konden ontmoeten, stond hij ons toch toe om zijn verzameling te bezoeken, zo vaak we het wensten; hij had daarvoor de nodige instructies gegeven aan zijn huispersoneel.”

“De verzameling is niet erg groot, ze vult eigenlijk alleen de muren van een tamelijk grote kamer, maar buiten de voormalige verzamelingen van Boisserée en die van Solly, die zich nu in het museum van Berlijn bevindt, bestaat er geen interessantere voor de geschiedenis van de oude kunst. Men vindt hier heel zeldzame werken van meesters van wie tegenwoordig dikwijls alleen de naam bekend is.” [Carnier en Gilleir, 1998, p. 150].

 Johanna Schopenhauer.

“[…] Dankzij een bijzonder initiatief van de eigenaar konden we op een avond in dit kabinet een uniek schouwspel meemaken, dat begrijpelijkerwijze nauwelijks voor herhaling vatbaar is. We werden uitgenodigd om de schilderijen bij kunstlicht te zien. Enkele kroonluchters, bestaande uit zes of acht lampen onder glazen klokken, verspreidden een verblindend licht dat alle schilderijen met een waarlijk magische glans overgoot. De prachtige kleuren en de gouden achtergronden leken wel transparant, het was een onbeschrijflijk mooi maar ook verwarrend gezicht; men moest er eerst aan wennen vooraleer het mogelijk werd het ene van het andere te onderscheiden. De figuren traden haast uit hun lijsten te voorschijn in hun blauwe, purperen en gouden gewaden en leken als droombeelden door elkaar te vloeien.” [Carnier en Gilleir, 1998, p. 152].

Van Ertborn zal ook tijdens zijn gouverneurschap van Utrecht nog schilderijen kopen. Hij werkt aan een boek over Jacoba van Beieren, maar de oogkwaal die hem tijdens zijn laatste levensjaren kwelt en zijn vroege dood verhinderen de voltooiing van dat project. In 1832 heeft hij in Karlsruhe een beschikking opgesteld die zijn kunstverzameling uit zijn nalatenschap licht en toewijst aan het museum van de Antwerpse Academie.

 Het thans verdwenen kasteel Hof van Brabant in Hoboken (oude prentkaart).

De collectie-Van Ertborn zal in totaal 115 kunstwerken omvatten. Ze zijn van de hand van o.a. Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hans Memling en Jean Fouquet. Diens Madonna is vandaag allicht het bekendste en van de verzameling. Ook verwerft de ridder werk van Antonella da Messina en Simone Martini.

Wanneer Van Ertborn in 1840 sterft, ziet de Nederlandse overheid af van de successierechten die op de schilderijen verschuldigd zijn. Nicolié Jr. reist naar Den Haag en superviseert er de verpakking van de doeken en panelen uit het huis van Van Ertborn in 19 kisten [Prims, 1937, p. 348]. Ook het stoffelijk overschot van de verzamelaar wordt overgebracht. Florent van Ertborn vindt zijn laatste rustplaats in de grafkelder van de familie bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Hoboken, waar de oudere tak van de Van Ertborns van 1773 tot 1808 het buitengoed Hof van Brabant bezit.

Graf van de familie Van Ertborn bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Hoboken. De zerk bovenaan rechts (met schild) is die van Florent van Ertborn (foto Jan Lampo).