Skip to content
Advertenties

Archief voor

[Geschiedenis] – De Verenigde Nederlandse Staten of de korte onafhankelijkheid van de Belgische gewesten in 1789-1790

10 januari 1790. De Oostenrijke regeringstroepen hebben Brussel hals over kop verlaten. In het gebouw van de Staten van Brabant, het huidige Paleis der Natie, vindt een merkwaardige plechtigheid plaats. Vertegenwoordigers van de verschillende gewesten van de Oostenrijke Nederlanden (Vlaanderen, Brabant, Henegouwen enz.) roepen de Verenigde Nederlandse Staten (in het Frans Etats belgiques unis) uit. Daarmee stichten ze een onafhankelijke, confederale republiek. Dit moment vormt het hoogtepunt van de Brabantse Omwenteling, de opstand tegen de Oostenrijkse keizer Jozef II, die een jaar geleden is uitgebroken.

De opstand in de Zuidelijke Nederlanden maakt deel uit van de golf revolutionaire bewegingen die begint met de Amerikaanse vrijheidsstrijd en eindigt met de Franse revolutie van 1789. Het grote verschil bestaat erin dat de Brabantse Omwenteling een conservatieve opstand is. De leidende groepen in de “Belgische” gewesten gaan in het verweer omdat keizer Jozef II hun eeuwenoude voorrechten en privilegies op de helling zet omdat hij de staat in moderne zin wil hervormen.

Jozef II bestijgt de troon van Oostenrijk in 1780. Zijn rijk is geen gecentraliseerde staat maar een amalgaam van grote en kleine vorstendommen in Midden- en Oost-Europa, Italië, ex-Joegoslavië en de Nederlanden. Geografisch noch politiek vormen ze een eenheid; bovendien is men overal sterk gehecht aan hun eigen gebruiken en gewoonten.

De keizer kan in de meeste streken alleen belastingen heffen als de plaatselijke staten – vertegenwoordigers van de adel, de geestelijkheid en de steden – daarmee akkoord gaan. Zo komt het dat Wenen niet genoeg geld heeft voor een groot staand leger, terwijl Oostenrijk vanuit het noorden bedreigd wordt door het steeds machtiger Pruisen en in het zuidoosten door de Turken.

Maar het gaat Jozef niet alleen om geld. Hij wil het bestuur van het keizerrijk over gelijkschakelen en de economie nieuw leven inblazen. Hij meent ook dat een zekere emancipatie van de kleine man tot een God welgevallige gelijkheid kan leiden. Daarom geeft hij protestanten en joden dezelfde rechten als katholieken en neemt hij maatregelen tegen de zwaarste vormen uitbuiting van de boeren door de landadel in Hongarije.

Grote dingen

Zijn ideeën put de keizer uit de geschriften van de filosofen en politieke denkers van de Verlichting. Maakt dat van hem geen democraat? Niet bepaald. Jozef II vindt dat het zijn taak is hervormingen door te voeren, niet die van zijn onderdanen, en hij duldt geen tegenspraak. De keizer is een intellectueel, maar dan wel één die niet wil inzien dat het niet volstaat de wereld te begrijpen om ze ook te veranderen.

“Grote dingen,” schrijft Jozef, “moeten in één keer volbracht worden. Veranderingen zorgen […] voor meningsverschillen. De zekerste manier om op te schieten is een beslissingen nemen, het publiek er meteen over inlichten en niet naar andere meningen luisteren. Dan moet men de beslissing alleen nog maar op de juiste manier uitvoeren.”

Het Paleis der Natie, vandaag zetel van het Belgische parlement, werd in de 18de eeuw gebouwd voor de Staten van Brabant.

Het Tolerantie Edict over de gelijkberechtiging van religieuze minderheden valt niet in goede aarde in de Oostenrijkse Nederlanden. De katholieke kerk en de clerus zijn er oppermachtig en dulden geen afwijkende opinies. Maar daar blijft het niet bij – weldra schaft de keizer de contemplatieve, d.w.z. in zijn ogen “nutteloze” kloosterorden af. Paters en nonnen hebben alleen bestaansrecht wanneer ze iets nuttigs doen – zieken verzorgen of onderwijs verstrekken. De orden die hij laat blijven, decreteert de keizer, mogen niet langer gehoorzamen aan oversten in het buitenland.

In 1784 verbiedt Jozef II de doden nog langer in de kerk of op een kerkhof in de stad te begraven. Dat is ongezond. Parochiekermissen moeten overal op dezelfde dag plaatsvinden. Anders lopen zijn onderdanen van de ene kermis naar de andere en werken ze niet genoeg. Twee jaar later schaft de keizer de bestaande priesteropleidingen af. Alle aspirant priesters dienen voortaan aan het Seminarie Generaal in Leuven te studeren. Dat wordt niet gecontroleerd door de bisschoppen, maar door de staat.

Tradities

Kort daarop vervangt de keizer de oude vorstendommen van “zijn” Nederlanden door zg. Kreitsen. Dat zijn districten die grote overeenkomsten vertonen met de huidige Belgische provincies. Jozef II is de uitvinder van “Oost-” en “West-“Vlaanderen. Alle instellingen die met de vorstendommen samenhangen, worden afgeschaft. Ook het gerecht moet eraan geloven. De keizer wil rechtbanken met professionele juristen als rechter, geen dorpsheren of amateurs die hun ambt gekocht hebben. Daardoor verliest een groot aantal ambtenaren – vaak gaat het om mensen uit de kleine adel – zijn baan.

De gilden spelen sinds de middeleeuwen een belangrijke rol in het economische leven van de steden. Maar met al hun reglementen en bepalingen over werkwijze, materialen en personeel remmen de ontwikkeling af van moderne productiemethoden, oordeelt de vorst. Daarom schroeft hij hun bevoegdheden terug en legt allerlei beperkingen op. Na adel en clerus jaagt hij zo een groot deel van de middenklasse in de steden tegen zich in het harnas.

Maria-Christina bestuurde samen met haar echtgenoot Albrecht van Saksen-Teschen de Oostenrijke Nederlanden voor keizer Jozef II.

De keizer wil privilegies afschaffen, maar is blind voor het feit dat zijn onderdanen gehecht zijn aan hun eigen tradities, mentaliteit en religieuze beleving. Hij begrijpt ook niet dat de moderne ideeën waarop hij zijn politiek baseert, de meer vooruitstrevenden onder zijn vele onderdanen juist naar meer inspraak doet verlangen, niet naar minder.

Jozef II wordt in Brussel vertegenwoordigd door zijn zus, aartshertogin Maria-Christina en haar man, Albrecht van Saksen-Teschen. Zijn wonen in het kasteel van Laken. Weldra neemt het verzet tegen de hervormingen van de keizer zo’n dreigende vorm aan, dat zij geen kant meer op kunnen. In 1787 weigeren de Staten van Brabant de belastingen goed te keuren. De Brusselse advocaat Hendrik van der Noot, een verstokte conservatief, publiceert een Mémoire sur les Droits du Peuple Brabançon waarin hij zijn bezwaren tegen Jozefs politiek uit de doeken doet.

Officiële woordvoerder

Hendrik van der Noot is in 1731 geboren als zoon van Nikolaas Franciscus van der Noot, heer van Vrechem en andere plaatsen Gobbelschrooy en amman of hoofd van de politie in Brussel. De Van der Noot’s zijn een oud Brabants geslacht waarvan leden in de loop der eeuwen een rol spelen in het bestuur van de hoofdstad of in dat van het hertogdom. Precies die aristocratische achtergrond verklaart Van der Noots fanatieke gehechtheid aan het Ancien Régime en de voorrechten van de adel. Hij wil ook de macht van de kerk onverminderd bewaren.

Van der Noot is in 1757 aan de universiteit van Leuven gepromoveerd tot licentiaat in de rechten en woont in het huis dat hij van zijn vader heeft geërfd aan de Brusselse Nieuwstraat in Brussel, tussen de St.-Michielstraat en de Koolstraat.

Van der Noot groeit uit tot de officiële woordvoerder van de Staten. In 1788 wordt de grond hem te heet onder de voeten en neemt hij de wijk naar Breda, vanwaar hij zijn activiteiten voortzet. Maar behalve de “Brabantsche Washington” (!) en zijn conservatieve vrienden, zijn er ook vooruitstrevende opposanten tegen de politiek van de keizer. Zij ergeren zich minder aan de inhoud van diens hervormingen, dan aan de manier waarop hij ze doorvoert.

Hùn leider is een andere advocaat, Jan-Frans Vonck, in 1743 als (rijke) boerenzoon geboren in Baardegem en sinds 1769 licentiaat in de rechten. In Brussel bouwt Vonck een succesvolle praktijk uit. Hij is goed op de hoogte van de Franse Verlichting en citeert met gemak klassieke auteurs. Eind 1788 gaat hij actief op zoek naar medestanders om de Oostenrijkers te bestrijden. Samen met zijn confrater en vriend Jan-Baptits Verlooij sticht hij het geheime genootschap Pro Aris et Focis (Voor Altaar en Haard) dat anti-Oostenrijkse acties plant.

Vonck wil minder privileges, meer democratie en een scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Hoewel zijn denkbeelden eigenlijk heel gematigd zijn, beschouwt Van der Noot hem als een gevaar. Maar voorlopig zijn de twee verplicht om samen te werken.

Oproer

Hier en daar breken vanaf 1787 relletjes uit. De keizer roept de landvoogden naar Wenen terug voor overleg. Jozef II is niet opgezet met het verzet van zijn Zuid-Nederlandse onderdanen. In juni 1789 schaft hij de Staten van Brabant af en vernietigt de privilegies die zijn voorgangers aan de inwoners van het hertogdom hebben verleend. Daartoe behoort de Blijde Inkomst, een soort contract tussen de vorst en de edelen en steden.

De Brabanders beschouwen de Blijde Inkomst als hun grondwet. In Tienen en Leuven breekt oproer uit. Zelfs in het Vlaamse Kortrijk zijn er rellen. Steeds meer “patriotten” – zo noemen de opposanten zichzelf – steken de grens met de Noordelijke Nederlanden. Ze willen er een leger vormen om de Oostenrijkers te verjagen.

In de pastorij van het Brabantse dorpje Bekkerzeel onderhandelt Vonck met kolonel Van der Mersch. De kolonel, afkomstig uit het West-Vlaamse Menen, is een oud-gediende van het Oostenrijkse leger. Hij blijkt bereid het opstandelingenlegertje aan te voeren.

Wanneer de Oostenrijkers Pro Aris et Focis dreigen op te rollen, vlucht ook Vonck naar Breda. Hij voegt zich bij zijn eigen aanhangers en die van concurrent Van der Noot. Als agent plénipotentiaire du peuple Brabançon zoekt die laatste steun in Engeland, de Verenigde Provinciën en Pruisen. Vooral Pruisen, de aartsvijand van Oostenrijk, ziet daar wel wat in.

De patriotten beseffen dat ze het ijzer moeten smeden terwijl het heet is. Van der Noot wil met een aanval wachten tot de lente van 1790; ook Vonck stelt de actie liever nog wat uit zodat de plaatselijke comités van Pro Aris et Focis zich wat beter kunnen voorbereiden. Maar Vander Mersch geeft het startsein. In de nacht van 23 op 24 oktober 1789 vertrekt zijn legertje naar het zuiden.

Slag van Turnhout

De patriotten namen het fort van Zandvliet in, waar ze een manifest voorlezen dat Jozef II van zijn soevereiniteit vervallen verklaart. Daarna trekt Vander Mersch met zijn troepen naar Turnhout. Hij wil een open veldslag met de sterkere Oostenrijkse troepen vermijden. De bevolking laat de opstandelingen binnen. Op 27 oktober volgt een confrontatie in de stad die in het voordeel van Vander Mersch uitvalt.

Tot veel meer zijn de onervaren, slecht bewapende patriotten generaal niet in staat. Bovendien raakt hun munitie op. In november trekken Vander Mersch zijn manschappen zich terug in de Verenigde Provinciën. Intussen opereren in de Zuidelijke Nederlanden andere patriottische legerbendes. Een kleine troepenmacht o.l.v. de zoon van de prins de Ligne bevrijdt in de nacht van 16 op 17 november Gent. De dag daarop vluchten Albert en Marie-Christine op bevel van de keizer uit Brussel naar Keulen.

Het kasteel van Laken, waar Albrecht en Marie-Christine van Saksen-Teschen resideren.

Eind november rukt Vander Mersch opnieuw Brabant binnen. Hij verovert Diest en Tienen, al is dat vooral te danken aan de gebrekkige motivatie van de Oostenrijkers. Omdat hij beseft dat hij nooit een geregelde veldslag kan winnen, stelt de generaal een staakt-het-vuren van tien dagen voor. Nog voor dat is afgelopen, komt de Brusselse bevolking in opstand. De Oostenrijkse soldaten in de hoofdstad deserteren massaal en de regering vlucht naar Luxemburg. Ook Namen wordt ontruimd.

Van der Noot houdt op 18 december 1789 een triomfantelijke intocht in Brussel. Hij geniet de volle steun van de clerus en is ook erg populair bij het volk. Vonck arriveert pas de dag voor Kerstmis. Men heeft hem eerst naar Gent gestuurd om een betere samenwerking tussen Vlaanderen en Brabant te bepleiten. Zijn afwezigheid maakt het Van der Noot gemakkelijk zichzelf als “echte” leider van de revolutie op te werpen.

Dat gaat des te vlotter omdat Vonck en zijn aanhangers lang in het diepste geheim hebben gewerkt en dus minder bekendheid genieten. Van der Noot laat niet na om het volk tegen hen op te ruien. Vonck krijgt echter wel steun van invloedrijke edellieden zoals de hertog van Ursel.

Confederale staat

Op 10 januari roepen de patriotten de republiek uit. De Verenigde Nederlandse Staten vormen een confederale staat waarin elke provincie bijna volledig zelfstandig blijft. Alleen voor militaire, diplomatieke en monetaire zaken zullen ze een gezamenlijk beleid voeren. Om die “nationale” bevoegdheden uit te oefenen, roept men een congres in het leven. De Staten-Generaal krijgen de wetgevende, het congres de uitvoerende macht. Maar omdat in beide organen dezelfde afgevaardigden zetelen, is van een echte scheiding der machten geen sprake. Van der Noot wordt minister; zijn aartsconservatieve kompaan, kannunik Van Eupen, krijgt een benoeming tot staatssecretaris.

Vonck zet zijn ideeën over de staatsinrichting uiteen in de brochure Considérations impartiales sur l’état actuel du Brabant, later vertaald als Onzeydige Aenmerkingen over den tegenwoordige gesteltenis van Brabant. Schrijver verwerpt een Assemblée Nationale zoals die in Frankrijk tijdens de revolutie is ingevoerd. Hij wil hervormingen binnen de bestaande structuren. Hij wil vooral een “democratischer” samenstelling van de Staten.

De Verenigde Nederlandse Staten (Wikipedia Commons).

Hoe voorzichtig ook, Voncks ideeën gaan te ver voor Van der Noot en de kerk. Kardinaal De Franckenberg, aartsbisschop van Mechelen, kiest stelling tegen de vonckisten. Hij vraagt de gelovigen niet te luisteren “naar woelzieke en arglistige lieden die […] slechts tweedracht zoeken te zaaien en wantrouwen willen inboezemen jegens de vaders des vaderlands” [Van der Noot].

In Brussel breken onlusten uit tussen aanhangers van beide strekkingen. De conservatieven in de Staten versterken zienderogen hun macht, zeker in de hoofdstad.“Men geniet een volledige vrijheid, als men niet schrijft, niet praat en zelfs niet denkt”, schrijft Dotrenge, de Luikse zaakgelastigde en aanhanger van Vonck, al op 15 januari 1790.

Maîtresse

Intussen paradeert Van der Noot met zijn maîtresse in de adellijke salons om het Warandepark.

 “Groot, met een zeer blanke huid en een prachtig gevormd lichaam, indringende zwarte ogen, lange zwarte krullen en schitterende tanden,” kortom, “une beauté troublante”. Zo beschrijft een pamflettist Jeanne Pinaut alias Mademoiselle de Bellem. Ze vormt trouwens het voorwerp van een hele reeks min of meer boosaardige geschriften van vonckisten en keizersgezinden. Die schilderen Jeanne af als de grijze eminentie van Van der Noot.

Een groot deel van haar leven blijft nog altijd duister. Jeanne is in ieder geval de dochter van een sloffenmaker en een naaister. Als jonge vrouw komt ze aan de kost in een bordeel van de Brusselse Bloemenstraat. Daar “ontdekt” burggraaf Alexandre Bertout de Carillo haar. Hij neemt Jeanne mee naar zijn buitengoed in Laken en laat haar een rudimentaire opvoeding geven. Aan zijn kinderen maakt hij wijs dat ze een wees van goeden huize is en Mademoiselle de Bellem heet.

Jan-Frans Vonck.

 Wanneer Jeanne zwanger raakt, installeert de edelman haar in een huis aan de Koolstraat. Ze bevalt er van een kind over wie verder niets bekend is. Rond 1758 ontmoet Jeanne de jonge Hendrik Van der Noot. De twee maken geen geheim van hun verhouding die tientallen jaren zal duren. Na Van der Noots triomfantelijke terugkeer in Brussel wordt Jeanne de first lady van de Verenigde Nederlandse Staten.

Naarmate de tegenstelling tussen “aristo-teokraten” en vonckisten zich scherper aftekent, neemt et aantal pamfletten en spotprenten tegen haar en haar minnaar toe. Men beschuldigt Jeanne ervan dat ze officiersbrevetten en ambten verkoopt en bij alle benoemingen een vinger in de pap heeft. Ze is ook de aanstichtster van de plundering van de huizen van vonckisten in 1790, beweren die.

Hendrik van der Noot, de “Brabantsche Washington”.

 De situatie van Jan-Frans Vonck en zijn medestanders wordt zo precair dat de advocaat in het voorjaar van 1790 onderduikt en Brussel verlaat. Velen van zijn vrienden worden opgepakt. Op 13 april arresteert men zelfs Vander Mersch. Hij wordt opgesloten in de citadel van Antwerpen. In juni volgt een arrestatiebevel voor Vonck zelf. Maar in Gent geeft het volk blijk van democratische sympathieën en in Zuid-Vlaanderen komen de boeren in opstand tegen de Staten.

Lynchpartij

Vonck vlucht samen met Jan Baptist Verlooy en de handelaren Weemaels en Daubremez naar Frankrijk. Via Dinant bereiken ze Givet. Daar krijgen ze op 17 april 1790 een paspoort. Vonck heet volgens dat document Van Nuffel, naar zijn moeder; Verlooy wordt Lebrun. De twee mannen belanden in Rijsel waar ze het geheime genootschap Pro Patria oprichten. Pro Patria verspreidt pamfletten in Brussel die de Statisten, vooral dan Van der Noot en van Eupen, op de korrel nemen.

Op 6 oktober 1790 levert de Brusselse vonckist Van Krieken spottend commentaar op de vele “monnikskappen” tijdens een optocht ter ere van “Heintje” Van der Noot. Van Krieken wordt in elkaar geslagen en aangehouden. Op de Grote Markt moet hij biechten. Daarna probeert de menigte hem aan een straatlantaarn op te knopen. Wanneer het touw breekt, probeert men hem met een sabel dood te steken maar ook dat mislukt – Van Krieken schiet er alleen zijn halve kin bij in. Uiteindelijk haalt een van de omstanders een zaag waarmee hij ’s mans hoofd afzaagt…

Intussen is Jozef II gestorven en opgevolgd door zijn jongere broer, Leopold II. Die blijkt bereid tot onderhandelen. Maar in Brussel heeft men daar voorlopig geen oren naar.

Leopold II, de opvolger van “keizer-koster” Jozef II.

De Oostenrijkers vragen de progressieven onder welke voorwaarden die een eventueel herstel van het keizerlijk gezag zouden aanvaarden. Vonckisten publiceren daarover twee rapporten. Daarin kennen ze de wetgevende macht aan de vorst en de Staten-Generaal toe, maar onder invloed van de Franse revolutie eisen ze getrapte verkiezingen en een stemming per afgevaardigde in de Staten, niet per stand. De Oostenrijkers wijzen dit af.

Op 27 juli 1790 sluiten Engeland, Pruisen en de Verenigde Provinciën de overeenkomst van Reichenbach. Die bepaalt dat de Zuidelijke Nederlanden opnieuw onder Oostenrijks gezag komen en dat de oude privileges en grondwetten worden hersteld worden.

Amnestie

In november 1790 vallen Oostenrijkse soldaten de Verenigde Nederlandse Staten binnen. De ene stad na de andere geeft zich over. Brussel capituleert op 3 december, Antwerpen en Gent op 6 en 7 december. Van der Noot, zijn maîtresse en Van Eupen zijn dan al lang naar Holland gevlucht. Na de overwinning herroept Leopold II de omstreden beslissingen van zijn broer en worden de oude eeuwenoude privileges opnieuw van kracht.

Voor vele democraten betekent de terugkeer van de Oostenrijkers het einde van hun ballingschap. Leopold II belooft al wie zich aan zijn gezag onderwerpt amnestie. Vonck blijft echter Rijsel. Zijn gezondheid laat te wensen over. Hij wil bovendien weten of de keizer democratische hervormingen toelaat. Maar inplaats daarvan proberen de Oostenrijkers vonckisten tegen traditionalisten uit te spelen.

De slag bij Jemappes.

 De ontevredenheid groeit. Velen kijken richting Frankrijk. In Parijs richt de progressieve bankier Walckiers het democratisch Comité des Belges et Liègeois Unis op dat in de Nederlanden een republiek naar Frans voorbeeld wil oprichten. Vonck weigert toe te treden omdat de groep volgens hem té radicaal en té antiklerikaal is.

In april 1792 verklaart Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk. Een eerste expeditie in de Nederlanden mislukt maar op 6 november verslaat het Franse leger de Oostenrijkers bij Jemappes. Na de Franse overwinning denkt Vonck eraan naar Brabant terug te keren om het land te helpen hervormen. Zijn ziekte verhindert dat echter. Hij sterft op 1 december 1792 in de armen van zijn broer. Twee dagen later wordt hij op het kerkhof van Rijsel begraven.

Volgens de laatste wil van de overledene wordt zijn stoffelijk overschot kort daarop opgegraven en overgebracht naar Baardegem. Van der Noot leeft enkele jaren als balling in Engeland en sterft aan de vooravond van de tweede, “echte” Belgische revolutie – die van 1830 – in zijn buitengoed te Strombeek-Bever.

 

Bibliografie

TASSIER, Suzanne, Les Démocrates belges de 1789 Brussel, Hayez, 1989 (2de).

DE CLERCK, Jan C.A. Jean-François Vonck, Juriste et chef démocrate de la Révolution belgique, Brussel, Hayez, Nouvelles Annales de Prince de Ligne (hors série), 1992.

PIRENNE, Henri, Les États Belgiques Unis (hoofdstukken over de Brabantse Omwenteling uit deel 5 van de Histoire de Belgique van Pirenne uit in 1920), Louvain-la-Neuve, Éditions Duculot, 1992.

POLASKY, Janet L., Revolution in Brusels 1787-1793, Brussel, Académie Royale de Belgique, Mémoire de la Classe des Lettres, 2de reeks in 8º, deel LXVI, aflevering 4, 1985.

VANHEMELRYCK, Fernand [RED.] Revolutie in Brabant, 1787-1793,
Brussel, Ufsal, Centrum voor Brabantse Geschiedenis, 1990.

Oostenrijks België. 1713-1794. Brussel, Gemeentekrediet van België, 1987.

Verschenen in Memo nr. 1. Dit artikel is deels gebaseerd op een artikelenreeks die ik in 1992 samen met mijn collega Els Groessens publiceerde in het dagblad De Standaard.

Advertenties

Geschiedenis – Hitlers trouwste vrienden. Jef Van de Wiele en zijn Vlaamse Landsleiding (1944-1945).

Sommige leiders van de Vlaamse collaboratie geloven tot het bittere eind dat Hitler de Endsieg zal behalen. In de septemberdagen van 1944 vluchten zo’n 15.000 “zwarten” met de terugtrekkende Wehrmacht naar Duitsland. Daar stichten Jef Van de Wiele, Cyriel Verschaeve, August Borms en enkele medestanders met goedkeuring van de SS-top de Vlaamsche Landsleiding. Die “regering in ballingschap” tekent in een tochtig kasteel de toekomst van een nationaalsocialistisch Vlaanderen uit, terwijl de lucht vol geallieerde bommenwerpers hangt.

In 1972 al publiceerde historicus Willem C.M. Meyers een baanbrekend artikel over deze episode vol zelfbedrog en ideologische verblinding. Toch blijft het relaas over de Vlaamse Landsleiding een wat onderbelicht deel van de geschiedenis van de collaboratie in België.

Cyriel Verschaeve met kat, 1939.

30 juli 1944. In het Vlaams-Brabantse Meensel-Kiezegem schieten drie weerstanders een leider van de Zwarte Brigade neer. Dat is de paramilitaire arm van het Vlaams Nationaal Verbond (VNV), de grootste collaboratiebeweging in Vlaanderen. Twee dagen later jagen “zwarten” uit wraak vier inwoners van het dorp over de kling en verrichten arrestaties.

Op 11 augustus omsingelen Duitse soldaten en een groep Vlaamse medestanders het dorp. Het bevel tot de actie komt van de beruchte Ss’er Robert Verbelen (1911-1990). Vijfennegentig inwoners worden opgepakt. De meesten worden vlak voor de Bevrijding op transport gesteld naar het concentratiekamp van Neuengamme. Slechts 28 van hen keren terug.

Rond deze tijd breken Amerikaanse en Britse troepen door de Duitse verdediginglinies in Normandië waar ze op 6 juni geland zijn. Gealliëerde tanks rollen weldra over de wegen van Noord-Frankrijk.

17 augustus – acht dagen voor de bevrijding van Parijs, twee weken voor de Engelsen de Belgische grens oversteken. In het bos van Rognac in het Henegouwse Courcelles schieten verzetslui de rexistische burgemeester van Groot-Charleroi, Prosper Teughels, neer. Ook zijn vrouw en zoon komen aan hun eind.

Plaatselijke rexisten en geestesgenoten uit Brussel – Rex is de Duitsgezinde partij in Franstalig België – brengen de volgende dagen vier weerstanders om het leven. Op 19 augustus fusilleren ze bij dageraad in Courcelles 19 onschuldige gijzelaars – onder hen politieagenten, dokters en zelfs de pastoor-deken van Charleroi.

Jef Van de Wiele

De gecensureerde pers laat uitschijnen dat de Duitsers zich enkel “strategisch” terugtrekken en dat de Wehrmacht ieder moment een succesrijk tegenoffensief kan inzetten. Maar de meerderheid van de Belgen wacht vol spanning op de Bevrijding. Het Verzet wordt driester; grote en kleine collaborateurs maken zich zorgen.

In Vlaanderen zijn de trouwste aanhangers van Hitler te vinden bij de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag), een organisatie die deel uitmaakt van de SS. Aan het hoofd ervan staat SS-ObersturmbannführerJef Van de Wiele (1903-1979). Hij ziet de bui hangen en vraagt op 15 augustus of de Duitsers van plan zijn op Belgisch grondgebied weerstand te bieden.

Jef van de Wiele spreekt zijn aanhangers toe.

Hij krijgt geen duidelijk antwoord, maar twee weken later laat de vertegenwoordiger van Reichsführer-SS Heinrich Himmler, Richard Jungclaus, aan Van de Wiele weten dat de kaderleden van de DeVlag samen met de bezetter het land mogen verlaten. Jungclaus heeft dat op 1 september met Himmler bedisseld. Van de Wiele en de zijnen moeten naar Brussel komen waar treinen en vrachtwagens op hen zullen wachten. Vanuit Gent en Antwerpen legt men eveneens speciale transporten in.

Omdat vele havens aan de Franse kust nog in Duitse handen zijn, wil het geallieerde opperbevel zo snel mogelijk doorstoten naar Antwerpen – een grote zeehaven is essentieel voor de bevoorrading van de soldaten. Op 2 september steken Engelse tanks de Belgische grens over. Doornik en Brussel worden de volgende dag bevrijd; Antwerpen zelf volgt op 4 september.

Maaseik

De leiding van de DeVlag, de Vlaamse SS-mannen en hun familie en alle mogelijke andere collaborateurs verzamelen in Maaseik. Limburg ligt ver van het front; de Duitsers denken er bovendien aan zich in te graven langs het Albertkanaal. De meeste vluchtelingen arriveren per trein; anderen komen op de fiets. De drukte in het (eind)station van Maaseik is zo groot dat sommige treinen moeten terugkeren om via Tongeren en Wezet naar Duitsland om te rijden. De vele auto’s die in het stadje aankomen, veroorzaken verkeersopstoppingen. SS-Obersturmführer Jef François en zijn collega Paul Suys trachten een en ander in goede banen te lijden.

Hendrik Elias in gelukkiger tijden, 1926.

Priester Cyriel Verschaeve, de “geestelijke leider van het Vlaamsche volk” is al op 31 augustus uit Brussel naar Duitsland vertrokken. VNV-leider Hendrik Elias en zijn medewerkers houden een tussenstop in Lummen, waar het VNV een kasteel heeft in beslag genomen, maar willen ook via Maaseik naar het Reich. Een ooggetuige vertelt in oktober aan een reporter van de Antwerpse socialistische krant Volksgazet:

“Op zondag 3 september kreeg Maaseik hoog bezoek. Onder de volgens van diverse pluimage bevond zich niemand minder dan… de Leider Elias, in hoogsteigen persoon. De fiere sicamber scheen ditmaal niet gekomen om een van zijn groote redevoeringen uit te brallen. Hij kon in die opstopping niet snel genoeg vooruitkomen, en sakkerde omdat zijn auto versperd geraakte in den warboel van optrekkende vervoermiddelen.”

Josias zu Waldeck-Pyrmont (foto Bundesarchiv)

“Er is toen zelfs een hevig incident ontstaan, toen Elias zich den voorrang wilde doen verschaffen. Midden in de opeengepakte menigte werd hij aangebruld door een jongen SS-man van Maaseik, die aan het Oostfront gestaan heeft, en die hem midden tusschen het volk in het gezicht striemde: Gij hebt ons van de schoolbanken gehaald en naar de hel van het Oostfront gestuurd: maar gij zelf zijt veilig thuisgebleven! En nu op het oogenblik dat ge naast ons zoudt moeten staan, nu laat ge ons in den steek!”

“[…] Ook Jef Van de Wiele en Piet Wijnendaele zijn dien dag toegekomen. Zij zijn natuurlijk ook een tijdje door de verkeersopstopping opgehouden geworden. zij hebben al dien tijd rondgelopen met een mitraillette in de hand. Gelachen mocht er niet worden. Zelfs niet geglimlacht, of er vielen slagen.”

De vluchtelingen maken zich zorgen over het Duitse voornemen om de bruggen over de Maas en het Julianakanaal op te blazen. Gelukkig slagen ze erin hen op andere gedachten brengen. Zo kunnen de Vlamingen op weg gaan naar Nederlands Limburgse Susteren waar een NSB-burgemeester de plak zwaait. Van daar zetten ze hun weg voort naar het Duitsland. Uiteindelijk belanden zo’n 15.000 Vlaamse collaborateurs in het Duizendjarige Rijk. De meesten worden zo goed en zo kwaad als mogelijk ondergebracht in opvangkampen verspreid over de Gau Oost-Hannover.

Kasteel

Van de Wiele logeert in Keulen. Zijn getrouwen mogen een radiozender gebruiken om uitzendingen naar België te maken. Hijzelf probeert het contact met medewerkers en sympathisanten te herstellen. Doordat de DeVlag Duitse afdelingen heeft en Van de Wiele een uitstekende relaties onderhoudt met de SS-top, krijgt hij weldra de beschikking over het kasteel van de familie Zu Waldeck-Pyrmont in het kuuroord Bad Pyrmont. Dat ligt in het Wesenbergerland, zo’n 70 km ten zuidwesten van Hannover.

De eigenaar van het slot, SS-Obergruppenführer und General der Polizei prins Josias zu Waldeck-Pyrmont, stelt het kolossale zomerverblijf van zijn familie al enkele jaren las hospitaal ter beschikking van de SS. Ook elders in de stad verblijven gewonde militairen. Het kasteel is niet comfortabel. De prins heeft het luxueuze meubilair laten weghalen. Het tocht in de hoge slaapzalen er en er is nauwelijks verwarming. Voor het sanitair moeten de bewoners naar de kelder.

Het kasteel van Pyrmont, heden.

In het Oosten rukken de Sovjets op. In het westen stijgt golf na golf van Britse en Amerikaanse bommenwerpers op om de Duitse steden in de as leggen. Zelfbenoemde Vlaamse voormannen krijgen de opdracht zich naar Bad Pyrmont te begeven om hun Landsleider Van de Wiele te helpen.

Van de Wiele heeft carte blanche gekregen om een Landesleitung Flandern – een Vlaamse regering in ballingschap – te vormen. Himmler wil dat hij een statuut uitwerkt voor het Reichsland Flandern dat na de herbezetting van België moet worden opgericht. Met het oog daarop mag de Landsleider “gevolmachtigden” of ministers aanstellen.

Elias en zijn VNV weigeren mee te doen. De partij was altijd voorstander van een min of meer zelfstandig Vlaanderen (of “Dietsland”) binnen het Duitse rijk. Maar wanneer de leiding beseft dat de bezetter de partij voor het lapje houdt door haar alleenheerschappij in Vlaanderen voor te spiegelen, is het te laat om uit de collaboratie te stappen.

Elias beseft dat de oorlog verloren is. In de huidige, benarde omstandigheden, ziet hij er geen graten in dat zijn aanhangers in Duitse fabrieken werken, maar hij wil niet dat ze dienst nemen in de SS of in de Wehrmacht. In januari 1945 zullen de Duitsers Elias zelfs gevangenzetten.

Adviesraad

De eerste “Vlaamsche kop” die in Bad Pyrmont van een trein zonder ruiten stapt, is Cyriel Verschaeve. Achteraf zal hij schrijven dat de Duitsers eerst aan hem hebben aangeboden grote baas van de Vlamingen te worden. De profeet wordt gevolgd door historicus Rob Van Roosbroeck (1898-1988). Die was tijdens de bezetting als Ss’er onderwijsschepen van Groot-Antwerpen en hoogleraar aan de universiteit van Gent.

Zij krijgen het gezelschap van de econoom Edgard Delvo (1905-1999), gewezen leider van de collaborerende eenheidsvakbond Unie van Hand- en Geestesarbeiders, en overloper van het VNV naar de DeVlag. Nog meer vreugd is er bij de aankomst van August Borms (1878-1946), een van de propagandistische boegbeelden van de collaboratie. Antoon Jacob (1889-1947), jurist en literatuurhistoricus, heeft jarenlang aan de universiteit van Hamburg gedoceerd, waar hij in de ban van het nazisme geraakt. In 1941 geven de Duitsers hem de leerstoel van de socialist August Vermeylen aan de Rijksuniversiteit Gent.

August Borms, reliëf van Albert Poels.

Verschaeve, Borms en Jacob zijn geen politici in de strikte zin des woords. Maar in collaboratiemiddens genieten ze een enorm aanzien wegens hun rol in het Activisme en de Vlaamse Beweging. Hoewel ze geen lid van de DeVlag zijn, weet iedereen dat hun sympathieën die kant uitgaan. Ideologisch zijn ze, ook in Duitse ogen, volkomen betrouwbaar. Daarom vormen ze ideale kandidaten voor de Adviesraad die de Landsleiding bijstaat en er op termijn moet voor zorgen dat alle gevluchte Vlaamse neuzen in dezelfde richting wijzen. Verschaeve krijgt de voorzittersstoel.

Van Roosbroeck wordt door Van de Wiele tot gevolmachtigde voor Kunst en Onderwijs benoemd. Delvo zal zich buigen over Sociale Zaken; ingenieur J. Haesaerts krijgt Techniek en Wederopbouw. De jurist René Lagrou (1904-1969) wordt gevolmachtigde voor Binnenlandse Zaken. SS’er Robert Verbelen leidt het departement Politie.

Propaganda wordt toegewezen aan de dichter en SS-man Pol Le Roy (1905-1983), wiens literaire werk merkwaardig genoeg beïnvloed is door het surrealisme.  Voorts zijn er kleinere “ministeries” zoals Arbeidsdienst, Gezondheidszorg en Jeugdzaken. Dat laatste wordt de job van Hauptsturmführer Raf Van Hulse (1903-1977), tot voor kort leider van de Hitlerjeugd Vlaanderen (waar ook de jonge Hugo Claus lid van is geweest).

Er worden plannen gesmeed om het Reichsland Flandern te verdelen in 12 gouwen, waaronder “Zeeland” en “Noord-Brabant” die moeten losgemaakt worden van Nederland, en “Westland” en “Zuid-Vlaanderen” die de Fransen zullen afstaan. Gent krijgt het statuut van Vlaamse hoofdstad. Het Vlaamse leger zal deel uitmaken van de Wehrmacht, maar er een eigen opperbevel op nahouden.

Antoon Jacob.

Van Roosbroeck wil voorgoed een einde maken aan de strijd tussen de verschillende onderwijsnetten. Hij besluit het katholiek onderwijs af te schaffen, op de universiteit van Leuven na. Hij vindt ook dat het studievak Folklore meer aandacht moet krijgen in het academische curriculum. Voorts wil de Landsleiding af van de typisch Belgische lintbebouwing en neemt zich voor de ontwikkeling van de dorpskernen te stimuleren.

Een waarnemer van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken kan niet nalaten in een rapport het “professorale” karakter van zulke plannen te bekritiseren. De Vlamingen gaan degelijk te werk, maar erg realistisch zijn ze niet…

Divisie Langemarck

De Russen komen dichter; de geallieerde bommenwerpers blijven overvliegen.

Wie dat laatste aan den lijve ondervindt, is Pol Le Roy. Hij  verblijft hoofdzakelijk in Berlijn. Daar vertegenwoordigt hij de Vlaamsche Landsleiding bij het Europäisches Propagandabüro waar Noorse, Deense, Franse, Nederlandse, Waalse en andere Hitlerianen samenwerken om de “Europese” gedachte uit te dragen.

Ook Lagrou, die Van de Wiele “president” van de Landsleiding noemt en zichzelf “voorzitter”, verblijft in de hoofdstad. Hij neemt er als factotum de piepjonge André Leysen in dienst. De latere captain of industry vertelt dat zelf in zijn boek Achter de Spiegel. Terugblik op de Oorlogsjaren (1995).

André Leysen (foto DBNL)

Leysen beschrijft hoe Lagrou hem naar Zittau aan de Tsjechische grens stuurt om de ex-directeur van een Vlaamse verzekeringsmaatschappij te ronselen als minister voor de Landsleiding. Maar de man staat aan het hoofd van een bedrijfskeuken en verkiest warm eten boven een onzekere politieke toekomst.

Inmiddels tobt de Landsleiding over manieren om het lot van de Vlamingen in Duitsland te verbeteren. Ze wil scholen openen voor de kinderen en probeert jongen mannen over te halen om te werken in de oorlogsindustrie of dienst nemen in de Vlaamse SS-Volkgrenadierdivisie Langemarck.

Jef François.

 Op 1 november moeten de Vlamingen het kasteel Waldeck-Pyrmont ontruimen. De leden van de Landsleiding raken verspreid. Borms vertrekt naar het kuuroord Teplitz. Verschaeve logeert in het kasteel Gross-Priessen bij de adellijke familie Chotek. Anderen verkassen richting Hildesheim.

Tijdens een bijeenkomst in Potsdam spreekt Verschaeve zich namens de Landsleiding uit tegen het bestoken van Antwerpen met V-bommen. Maar de Duitsers zijn niet echt onder de indruk. Vanuit Aussig, waar de volgende vergadering plaatsvindt, stuurt Van de Wiele een telegram aan Himmler. Hij spreekt zijn geloof in de Endsieg uit. Le Roy houdt een toespraak waarin hij de hautaine houding van de Duitsers jegens de Vlamingen laakt. Ook uit artikels in het blad Vlaamsche Post blijkt dat het Herrenvolk nogal neerkijkt op de Ausländer en hen discrimineert.

Toch krijgt de Landsleiding – behoorlijk laat, vinden velen – een min of meer officiële erkenning van de Duitse overheid. Het ministerie van Buitenlandse Zaken belooft zelfs geld – al moet dat na de “bevrijding” van België worden terugbetaald. Op 15 december 1944 tenslotte, ontvangt Hitlers buitenlandminister minister Joachim von Ribbentrop (1893-1946) Van de Wiele. Die laatste mag zich voortaan “Leider van het Vlaamse Bevrijdingscomité” noemen.

Ardennenoffensief

De Vlaamse Wacht is inmiddels ingelijfd bij de SS-Sturmbrigade Langemarck. SS’er Jef François wordt adjudant van Standartenführer Müller en Van de Wiele – hij is ooit nog leraar geweest – organiseert lessen Nederlands voor de Duitse officieren. Ex-leden van de Vlaamse SS worden intussen opgeroepen om dienst te nemen bij de Waffen-SS. Maar nogal wat Vlamingen behoren tot andere militaire eenheden en willen niet van een overstap horen.

Foto uit een naoorlogse Amerikaanse speelfilm over het Ardennenoffensief.

Van de Wiele denkt dat Elias de weigerachtige manschappen  manipuleert. Verschaeve beklaagt zich in een Duitse brief aan Himmler over de tegenwerking door de VNV-leider: “Dr. Elias begint weer met zijn spelletjes. Hij verbiedt zijn mensen iedere medewerking. Erger nog, hij saboteert een van de belangrijkste taken van de Landsleider: de uitbouw van de Volksgrenadierdivisie Langemarck. Hij raadt de leden van het VNV af zich daarvoor te melden.” Toch telt de divisie in december zo’n 6.000 manschappen.

Met het oog op de herovering van Antwerpen, lanceren de Duitsers op 16 december 1944 het Ardennen- of Von Rundstedt-offensief. Vierentwintig divisies vallen aan tussen Trier en Monschau. De opmars komt onverwacht. De Amerikanen krijgen zware klappen. Het slechte weer belet hun luchtmacht in te grijpen.

Heinrich Himmler.

 De Duitsers hijsen de actieve leden van de Landsleiding in een nieuw uniform en brengen hen per trein naar Wahn bij Keulen. François krijgt de leiding over een “kampgroep” – zo’n 3000 manschappen die als reservetroepen kunnen fungeren. De Duitsers beloven de macht in Vlaanderen zo snel mogelijk aan Van de Wiele over te dragen en in Wallonië aan Rex-leider Degrelle. Die laatste is voorlopig in Bonn gestationeerd. Zodra België is veroverd, krijgt Lagrou te horen, moet hij Radio-Brussel weer opstarten.

Een laatste poging om Elias te dwingen lid te worden van de Landsleiding, loopt op een sisser uit. Van de Wiele hoopt op verzoening, zegt hij, zelfs met “attentisten” en andere niet-collaborateurs in België. Maar het “nieuwe” Vlaanderen zal geleid worden door een eenheidspartij. Eén met weinig leden – “om de zuiverheid van de idee te waarborgen” – en met hemzelf aan het roer.

Strovuur

Het Ardennenoffensief jaagt de Belgische bevolking de stuipen op het lijf. Even lijkt het alsof de bezetter terugkeert. Maar op 22 december verwerpt generaal McAuliffe met het gevleugelde woord “Nuts!” een Duits verzoek tot overgave. Dankzij beter weer kan de Amerikaanse luchtmacht het belegerde Bastogne van munitie voorzien. Op Kerstdag vertrekken Amerikaanse tanks op vanuit Martelange. De val van La Roche op Oudejaar vormt het begin van het einde van de Battle of the Bulge. Vanaf 13 januari trekken de Duitsers zich terug.

De Vlaamsche Landsleiding komt een laatste keer in februari plaats bijeen in Aussig. Verschaeve noteert: “Al de hoop om Vlaanderen terug te zien, zo hel opgeflakkerd in ’t Ardennenoffensief van Kerstdag, zonk als een strovuur neer, uitgedoofd, en Vlaanderen zelf verdween uit het zicht, werd ten minste ver weg achteruitgedreven op een schemerende achtergrond door dit uitbreken van de moderne Hunnen.”

Pol le Roy in 1965.

De instorting van Duitsland belet het verder functioneren van de Landsleiding. De eenheden van de brigade Langemarck worden her en der in de pan gehakt. De Sovjets vernietigen het jeugdregiment omstreeks 25 april 1945 in de omgeving van Prenzlau.

Doodvonnissen

Na de Duitse nederlaag veroordelen Belgische krijgraden alle protagonisten van de Landsleiding ter dood. Maar alleen Borms wordt ook terechtgesteld. Soldaten executeren hem in april 1946 op het oefenterrein van de kazerne in Etterbeek (vandaag campus van de VUB). Van de Wiele zit tot 1963 in de gevangenis. Na zijn vrijlating gaat hij in Duitsland wonen. Hij sterft in 1979 in Brugge zonder nog een politieke rol te hebben gespeeld.

Verschaeve vlucht naar Oostenrijk en woont tot zijn dood in 1949 hij in Solbad Hall. In 1973 graven leden van de extreemrechtse Vlaamse Militanten Orde zijn lijk op en smokkelen het naar België. Ze nodigen journalisten uit om het te komen bekijken in de kelder van een café in het Oost-Vlaamse Bazel. Uiteindelijk wordt Verschaeve opnieuw begraven in Alveringem waar hij kapelaan was – het gemeentebestuur zorgt voor zes ton beton om een herhaling van het groteske ontgravingsavontuur te voorkomen.

Graf van Cyriel Verschave in Alveringem. 

De Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging vertelt anno 1998 niets over het naoorlogse leven van Edgard Delvo. De website Blokwatch signaleert dat hij gratie krijgt en in de jaren 1980 uit Duitsland terugkeert. Hij publiceert Sociale collaboratie: pleidooi voor een volksnationale socia­le poli­tiek met een voorwoord van prof. Karel van Isacker.

Het boek, dat al van 1944 dateert, is volgens de historicus geschreven voor Delvo’s  “gees­tesver­wanten en […] de hele arbeiderswereld” als “een uitvoerige belijdenis van zijn geloof in de volksstaat, ge­bouwd op de organische, solidaris­tische volksge­meenschap, een ge­zindheid die alle groepen en standen solidair tot een volksge­meenschap verbindt en op elkaar richt.” Later vindt Delvo steun bij het Vlaams Blok dat hem na zijn dood in 1999 bedenkt met een paginagroot in memoriam in het partijblad.

Robert Verbelen spreekt bij een uitvaart (foto Tony Van Dyck).

Van Roosbroeck leeft ondergedoken in Antwerpen tot in 1947 en ontkomt dan naar Nederland. Onder talrijke pseudoniemen publiceert hij in Vlaamse dag- en weekbladen. Hij schrijft  verscheidene historische studies waaronder een Willem van Oranje die bij de Antwerpse uitgeverij Mercatorfonds uitkomt. Van Roosbroeck overlijdt in 1988 in het Noord-Brabantse Oosterhout.

 Tweede leven voor Verbelen

Jef François komt in juli 1952 vrij. Op het einde van de jaren 1960 werkt hij voor de Volksunie in Antwerpen. In 1977 sluit hij zich aan bij de Vlaams-Nationale Partij van Karel Dillen. Hij treedt op als raadgever van de VMO van kroegbaas Bert Eriksson. François overlijdt in 1996 in Gent.

In 1945 pakt de Staatsveiligheid Pol Le Roy op in Lüneburg. Drie jaar later wordt zijn doodvonnis omgezet in levenslang. Door bemiddeling van vroegere Dinaso-vrienden, intussen christendemocraat, komt de dichter in 1951 vrij. Hij verdient de kost als vertaler en reiziger in boeken en verdiept zich in filosofie en esoterie. Na de oorlog publiceert hij een vijftiental dichtbundels. Hij sterft in 1983 in Bornem.

Rob van Roosbroeck in de jaren 1970.

 De Amerikaanse militaire counter intelligence ontfermt zich over de fervent anticommunistische Robert Verbelen, die uit Duitsland naar Oostenrijk is gevlucht. Zo ontloopt de ex-Ss’er uitlevering aan België. Tijdens de Koude Oorlog werkt Verbelen tien jaar voor de Amerikanen. Later treedt hij op als informant van de Oostenrijkse federale politie. In 1959 krijgt hij zelfs de Oostenrijkse nationaliteit.

De beroemde nazi-jager Simon Wiesenthal komt Verbelen op het spoor en dat leidt tot een aanklacht wegens oorlogsmisdaden. Maar in 1965 spreekt een Weense rechtbank hem vrij, al erkent ze dat hij twee moorden heeft gepleegd (!). Later zal het Oostenrijkse Hooggerechtshof dat vonnis nietig verklaren, maar tot een nieuw proces komt het nooit.

Een parlementaire onderzoekscommissie brengt aan het licht dat België nalatig is geweest in het doorspelen van informatie over Verbelens oorlogsverleden aan Wenen. Verbelen verkeert intussen openlijk in Oostenrijkse neonazikringen. Hij publiceert ook detective- en spionageromans. Robert Verbelen overlijdt in 1990 in de Oostenrijkse hoofdstad.

Hendrik Elias, de man die niet wilde meedoen met de Landsleiding, krijgt in 1951 gratie van de Belgische regent, prins Karel. Hij moet levenslang zitten, maar komt om gezondheidsredenen vrij in 1959. Van 1963 tot ’65 verschijnt zijn Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte. Na zijn dood in 1973 ziet men af van de uitgave van het manuscript Het Vlaams-nationalisme tijden de Tweede Wereldoorlog. De historicus Albert De Jonghe heeft immers na een voorpublicatie aangetoond dat Elias soms een loopje neemt met de realiteit.

Verschenen in Memo, nr. 1.

Column – Onbekend en onbemind. Geschiedenis is een nukkige wetenschap.

Portret door Dilys Klitsée.

Af en toe brengen de media musea of archieven ter sprake. Ze  gebruiken dan altijd het adjectief “stoffig”, dat daarna enigszins hypocriet wordt gerelativeerd. Vervolgens mag de conservator in de krant zijn nieuwe tentoonstelling toelichten of de archivaris op de televisie over een bij voorkeur bloedige gebeurtenis uit het verleden vertellen.

Mediatypes verslijten historici voor betweterige lui die zich vermeien in zouteloze anekdotes over de gulzigheid en geilheid van middeleeuwse paters of die gebukt gaan onder een minderwaardigheidscomplex en daarom dwepen met Napoleon.

Bestaan zulke historici? Nou en of.

Maar journalisten, vaak te slecht opgeleid om iets te weten en te jong om het zich te herinneren, zijn vooral bang van geschiedenis omdat ze er niets van afweten. Onbekend maakt onbemind, etc. Al in de jaren 1970 wilde de Belgische onderwijsminister komaf maken met het vak. En wie zich vandaag inschrijft aan de universiteit, moet “vaardigheden” en “attitudes” in huis hebben, geen kennis.

Als dinosaurus mag ik dat zeggen. Dertig jaar geleden schreef ik mijn eerste artikels op een mechanische schrijfmachine. Corrigeren deed ik met de vulpen.

Wanneer ik door een boekhandel loop, zie ik daar nog altijd hoge stapels historische boeken liggen. Onze kennis is misschien niet meer wat ze geweest is, de dorst ernaar blijkt niet gelest. (Ik ga voorbij aan de historische sites op het Web en het succes van kitcherige maar uitputtend gedocumenteerde televisieserie als The Tudors).

De politiek correcte tijdsgeest wil dat iedereen een identiteit heeft, behalve wijzelf. De absurditeit daarvan is zo evident dat er geen tekeningetje bij hoeft. En eigenlijk beseffen we dat ook wel – waar komen anders discussies vandaan over een “historische canon” met essentiële feiten en ideeën uit onze geschiedenis?

Iets afweten van geschiedenis levert geen gewin op, maar wel historisch bewustzijn. Laat nu net dàt zijn wat ons slim genoeg maakt om mensen met een ander verleden, een andere identiteit, NIET het hoofd in te slaan of te deporteren.

Wie zijn we? Waar komen we vandaan? Waarom zien we onszelf zo en niet anders? Zijn de verhalen over ons verleden (de Slag der Gulden Sporen, het Beleg van Leiden, “wit” en “zwart” of “goed” en fout” in de oorlog) juist? Of juist niet?

De antwoorden op zulke vragen zijn nooit ondubbelzinnig of definitief. Daarom moeten we er voor onszelf naar op zoek gaan en dat vooral niet overlaten aan fanatici, aan fundamentalisten met een bord voor hun kop of utopisten met een geëxalteerde blik.

Historisch bewustzijn is een collectief zelfbewustzijn – dat laatste is niet hetzelfde als zelfoverschatting. Elk van ons is een minderheid; samen kunnen we proberen een gemeenschap te vormen. Het is – jawel – een attitude. Het besef dat niets in de samenleving uit de lucht komt vallen en onveranderlijk is. Dat alles het resultaat is van groei, van botsende belangen, en daarom geen eindpunt.

Iedereen heeft recht op historisch bewustzijn, niet alleen vaklui. Geschiedenis laat zien dat de wereld ingewikkelder in elkaar zit dan wij denken. Ze maakt het leven moeilijker, want ze drukt ons met onze neus op onze mogelijkheden en dus op onze verantwoordelijkheid.

Dat leer ik uit dertig jaar nukkig artikels schrijven over geschiedenis. Mezelf heb ik overtuigd. Ik hoop van u hetzelfde.

Verschenen in Memo nr. 1.

Recensie – Franstalige Antwerpenaars wijken uit naar VS in 1794

Soms verschijnt een historisch boek dat de lezer een directe kijk gunt in het denken en handelen van mensen van vroeger. Dat is het geval met L’Épopée américaine de la Famille Stier d’Anvers door de Franstalige Antwerpse juriste en cultuurhistorica Jacqueline Letzter (1955).

Wanneer de Franse revolutionaire legers in 1794 de Oostenrijkse Nederlandenbinnenvallen, vluchten vele edellieden, ook uit Antwerpen. De meesten belanden in Duitsland. De grote uitzondering vormt het gezin van Henri Stier d’Aertselaer en zijn vrouw Marie-Louise Peeters. Zij wijken uit naar de Verenigde Staten. Ze nemen de beroemde schilderijencollectie van de Peetersen mee, waarover Henri Stier zich ontfermt sinds de dood van zijn schoonvader in 1786.

Tot het reisgezelschap behoren zoon Charles die op zijn beurt uitgroeit tot verzamelaar en kunstkenner, zijn vrouw Marie Joséphine (“Mimi”) van Havre, en de twee dochters, de 16-jarige Rosalie en de tien jaar oudere Isabelle, getrouwd met Jean Michel van Havre.

Op Mimi na, keren de Stiers onder Napoleon terug naar Antwerpen. De peripetieën van het gezin geven aanleiding tot een uitgebreide correspondentie tussen de leden, die de Antwerpse archivaris Alfons Bousse in de jaren 1970 terugvond en waarop Letzter zich baseert.

De collectie die de Stiers meenemen naar Amerika bestaat uit minstens 63 schilderijen van o.a. Rubens, Van Dyck, David Teniers de Jonge, Jan I Breugel, Titiaan en Rembrandt. Maar L’épopée américaine gaat over veel meer dan kunst. De Stiers sluiten vriendschap met de top van de politieke wereld en dineren met George Washington.

Het echtpaar bouwt in de omgeving van de hoofdstad een schitterend landhuis. De familie wordt geconfronteerd met de slavernij. Charles ziet zich genoodzaakt om zijn boterham te verdienen – adellijk nietsdoen is in Amerika onbekend en ongewenst. Maar dat is niet zo gemakkelijk als hij denkt. De vrouwen van de familie schrijven over danspartijen en kinderen, maar ook over boeken en zakelijke aangelegenheden.

 De brieven die ontstaan na de terugkeer van de Stiers in het Napoleontische Antwerpen, roepen de sfeer op van familiebijeenkomsten, theaterbezoeken en vertrouwen in de Eerste Consul. Interessant is ook te zien dat de hogere klassen anno 1800 volledig verfranst zijn en zich daar geen vragen bij stellen. De Stiers schrijven trouwens goed Frans, zonder fouten, en geven blijk van een grote vertrouwdheid met de politieke denkbeelden en de literatuur van hun tijd.

Jacqueline Letzter. Entre deux Mondes. L’épopée américaine de la famille Stier d’Anvers. Brussel, Académie royale de Langue et de Littérature françaises de Belgiques en Éditions Racine, 2011. Paperback, 229 blz., zwart-wit illustraties, ISBN978-2-87386-681-5.

Literatuur – Van “kakkentisten en artisten” . Het Sint-Luybrechtsgilde of het geheime oeuvre van Theodoor van Rijswijck.

Wy krauwen en spouwen

In speekzel en zyk,

En rekken en trekken,

Op eens na den Dyk.

Dan vragen en plagen

Wy teven en hoer,

En neuken in keuken

Op tafel en vloer.

Wy neuken en beuken

De wanden in ’t rond

En reuselen neuzelen

Een hoer in haer kont.

Anoniem gedicht in Archiven van de Sint Luybrechtsgilde

Omstreeks 1835, twee jaar voor Hendrik Conscience In ’t Wonderjaer publiceert, behoort een aantal van zijn Antwerpse vrienden tot het Sint-Luybrechtsgilde. Dat is een informeel clubje van kunstenaars. Ze treffen elkaar in de bekende herberg Het Roosken aan de Gildekamersstraat “agter het stadhuys”.

Spilfiguur van dit “deftig gezelschap” is de dichter en flamingant Theodoor Van Rijswijck (1811-1849). Van zijn hand is het merendeel van de gedichten, opgetekend in De Archiven van de Sint-Luybrechtgulde, een ingebonden handschrift dat sinds 1934 in het Letterenhuis berust.

Waar de naam van het gilde precies vandaan komt, blijft onduidelijk. De titel van het schrijfboek is gekalligrafeerd in grote gotische letters – die zijn in de jaren 1830 erg in de mode. Daaronder is met zorg het wapenschild van de club geschilderd. Op een rode achtergrond prijken twee gekruiste tabakspijpen.

Van Rijswijck in zijn interieur, door Carolus Louis Antoine (Letterenhuis).

Links ziet men een takje met een pruim (een verwijzing naar het vrouwelijk geslachtdeel), rechts een jeneverkelk. Het schild wordt bekroond door een hoed met daarop het woord “Libertas”, Latijn voor “vrijheid”. Het devies van de vereniging luidt: “Kort is het leven – zoet is de vreugd”.

“Toen sloot zich de trut en de lul stond verslagen / En zag dat de trut geen goesting en had.” – “Die niet en schijt, die moet kapot!” Een paar willekeurige verzen (de eerste twee van Van Rijswijck) illustreren waarover de teksten in het dikke schrijfboek handelen – seks, stront en in mindere mate “kwak” of jenever.

De inleiding voert Van Rijswijck op als stichter van het genootschap. “Altoens telde men in de Sint Luybrecht Gulde een aental zeer uytmuntende kakkentisten, artisten en Luybrechten,” lezen we.

Theodoor Van Rijswijck (Letterenhuis).

Waar de namen van de andere leden stonden, heeft een bezorgde hand een laag papier afgeschraapt. Gelukkig lezen we verderop dat het “altemael felle goede mannen” zijn en staat onder nogal wat gedichten de (voor)naam van de auteur. Waar mogelijk noteerde een andere, even geheimzinnige hand (die van Ger Schmook, eertijds directeur van het Museum van de Vlaamsche Letterkunde?) daar een familienaam bij.

De Theodoor “den Door” Van Rijswijck die men hier leert kennen, is veel stouter dan de overlevering en zijn eerste biografen hem voorstellen. Maar zijn verzen zijn beter en zijn humor is (iets) subtieler dan die van zijn vrienden. Dat blijkt o.m. uit zijn spotzieke en zéér oneerbiedige Sodoma, een navertelling van het bijbelse verhaal van Lot. Over de inwoners van Sodom vernemen we:

“Zy zochten nimmer naer een meisje

Als wy, geheel nachten rond

Maer zaten doorgaens ’t liefst van allen

Elkanderen agter in de kont.”

Braver is het gedicht Verhuys – zijn laatste – dat Van Rijswijck schrijft wanneer Angélique, de alom bewonderde caféhoudster van Het Roosken, de Gildekamersstraat verlaat en De Faem opent aan de Grote Pieter Potstraat, zodat ook de Luybrechten moeten verhuizen.

Vaerwel dan kamer lief

Met uw antieke stukken,

Met al uw kwak gerief,

Dat ons zoo kon verkwikken.

[…]

Wy trekken dan ook mee

Het zyn de laetste ueren.

’t Is voor de laetste mael

Dat wy ons klooten schueren.

Maer tot de naeste week,

Dan vangt het ginder aan.

Daer zal een enkel fles

Voor onzen inkoom staen.

Wy mannen blyven aen een,

Wy minnen het plaisir.

Wy doen ons klooten deugd

In schiedam en in bier.

Vaerwel dan klyn locael

Dat wy uw salueren.

God weet of geenen paep

Hier, naer ons komt logeeren.

[…]

Wy trekken haest van hier

Met onze klootery

Naer Sint Andries kwartier.

Na “den Door” blijkt het productiefste lid van het Sint-Luybrechtsgilde Willem-Jozef Vertommen (Aarschot, 1815-ca. 1860), schilder van interieurs en genretaferelen. Vertommen studeert aan de Antwerpse academie bij Ferdinand De Braekeleer en wordt lid van De Olijftak.

Net als Van Ryswyck ontwikkelt hij een drankprobleem. Vertommen verlaat Antwerpen in 1846 en gaat aan de slag in drukkerijen die lithografieën produceren, eerst in Brugge en dan in Brussel. Hij wordt blind en sterft naar verluidt omstreeks 1860 in bittere armoede.

Van Vertommen zijn de onsterfelijke verzen:

Waerom toch die freetpartyen

Van rosbief en carmeneyen?

[…]

Alles dient om strond te maken!

Van Edouard Gevers – telg van de bekende Antwerpse familie waaruit ook de Franstalige schrijfster Marie Gevers (1883-1975) stamt? – zijn in De Archiven van de Sint-Luybrechtgulde verscheidene gedichten opgenomen.

Andere teksten werden geschreven door de onbekenden “Sus Carpentier”, “Nys”, “Kistemakers”, “Thomas” en een zekere De Haes. Een parafrase in Brussels dialect van de beroemde fabel van Jean de La Fontaine over de vos en de raaf is van de hand van Victor – eigenlijk: Vincent – Joli (1807-1870).

Joli publiceert in 1835 een historisch drama over Artevelde. Vijf jaar nadien volgt de roman Siège de Maestricht sous Alexandre Farnèse, duc de Parme en 1579. Joli schrijft ook een veelgelezen boek over de Ardennen.

Hij is bevriend met de Franstalige Leuvenaar Eugène Gens, dichter en auteur van een soms fantasierijke Histoire de la Ville d’Anvers (1861). Joli is ook een verdienstelijk schilder en etser.

De Luybrechten profileren zich als uitgesproken antiklerikaal, wat des te meer opvalt omdat het “unionisme” van katholieken en liberalen voorlopig nog altijd hoogtij viert in het jonge België. Ze behoren hiermee tot een in Vlaanderen nauwelijks in kaart gebrachte “vrijzinnige” traditie die allicht teruggaat tot de Brabantse Omwenteling van 1790.

Uitgesproken politieke gedichten bevat de bundel niet, maar er wordt uitgebreid de spot gedreven met “Sterkus”, i.e. aartsbisschop Engelbertus Sterckx (1792-1867), vòòr 1832 pastoor deken van Antwerpen, en burgemeester Gerard Le Grelle (1793-1871).

Burgemeester Gérard Le Grelle.

Sterckx zet zich in voor de herinrichting van het katholiek onderwijs en voor de katholieke universiteit die is opgericht in Mechelen en nadien naar Leuven verhuist. In 1838 wordt hij kardinaal.

Jonkheer Gerard Le Grelle, in functie van 1831 tot 1848, stamt uit een bankiersfamilie die in 1794 is geadeld door de Oostenrijkse keizer Frans II. De uitgesproken katholiek Le Grelle heeft dertien kinderen. In 1835 keert hij zich tegen subsidies voor de Franse schouwburg omdat hij die als een oord van verderf beschouwt.

Tegelijk steunt hij goede werken en neemt als burgemeester adequate maatregelen tegen de ergste vormen van armoede na de revolutie van 1830. Le Grelle beschermt ook de schilder en latere academiedirecteur Niçaise De Keyser. In 1852 verleent de paus hem de titel van graaf omdat hij zijn klanten in de loop der jaren veel Vaticaans staatspapier heeft verkocht.

Vertommen schrijft een gedicht waarin de aartsbisschop bij de vrouwtjes is geweest zodat hij platzak is en voor een lening aanklopt bij de bankier. Hoewel de “e”’s uit de naam Le Grelle zijn weggelaten, kan de (voor)lezer zich onmogelijk vergissen in diens identiteit.

Sterkus den verloren kost

Had gevost,

In kroegen en in kasten

[…]

Maer zyn centen schoven fel

En toen ging hy naer L gr l

Over zynen nooddruft klagen.

En een luttel duiten vragen

Om naer huis te kunnen gaen.

Zoo gezeyd en zoo gedaen:

En beloofde hem op het leven

Van die somme weértegeven

Hy zwoer het op zyn woord van eer.

Ja, zei L gr l voor dezen keer

‘k Hou anders niet van leenen

’t Valt my zoo hard als steenen

Zeg Buskop lief wat deed gy met uw geld

Waer hebt ge’t zoo verspeld?

Wel ‘k heb daer liggen neuken

In ’t wynhuis in de keuken

Gy neuken wel Godome dat is laf

Wat dat ge doet, ga speelt hem nu wat af.

Ook met Hendrik Conscience en diens jeugdvriend de dichter en latere politicus Jan-Alfried De Laet wordt in De Archiven de draak gestoken – maar minder uitgebreid. In zijn Redevoering bij zijne aenneming tot Lid der Gulde zegt “De Haes”:

“[…] ik heb in mijn leven […] maer eens versen gemaekt en dat waren stront versen, en die een dubbel regt op dien titel hadden, ten eersten om dat er van Jan de Laet en Conscience ingesproken werd, en voorts om dat [ik] er myn gat mede gevaagd heb.”

Men kan daaruit afleiden dat het stuk van omstreeks 1847 dateert, toen de tegenstellingen tussen de “katholieken” Conscience en De Laet en hun “liberale” vrienden aan de oppervlakte kwamen.

De jonge Conscience, door Xavier De Cock (Letterenhuis).

De inleiding tot het handschrift besluit met de “vervloeking” van de vijanden van Theodoor Van Rijswijck. Zij worden niet bij naam genoemd.

“Haet en vloek op de ellendige die door hunne afgunstige vervolgingen, het leven zoo verbitterden van onzen geliefden Meester en Président Th. Van Rywyck, dat Hy er van op [sic] een kwyning [kreeg] en ten laesten ontroofd [werd] van den uytmuntenden geest die hem bezielde overleed den 10 mey 1849.” Het handschrift waarin een anonymus de nalatenschap van het Sint-Luybrechtsgilde bijeenbracht, is dus allicht kort na Van Rijswijcks dood ontstaan.

Dodenmasker van Theodoor Van Rijswijck (Letterenhuis).

De teksten in De Archiven van de Sint-Luybrechtgulde zijn seksistisch en vrouwonvriendelijk en geven blijk van een soms tamelijk infantiele obsessie met pis en kak. Als ze een beetje eeuwigheid verdienen, komt dat doordat ze laten zien hoeveel spot, verzet, drift en grote dorst schuilgaan achter de officiële en gemystificeerde geschiedenis van de prille Vlaamse letteren.

%d bloggers liken dit: