In het Spoor van de Academie – persbericht

Sporen222

Het MAS huldigt 350 jaar Academie met het boek:  In het spoor van de Academie. Kunsten in Antwerpen.

In het spoor van de Academie. Kunsten in Antwerpen. vertelt over 350 jaar bewogen geschiedenis van leerlingen en leraren aan de Antwerpse Academie. Het is een Antwerps verhaal van grote en minder grote kunstenaars die talrijke sporen nalieten in het stadsbeeld en in de vele erfgoedcollecties. Samen met de catalogus vormt deze MASbooks uitgave de ideale gids bij de tentoonstelling Happy Birthday Dear Academie, van 8 september 2013 tot 26 januari in het MAS.

In het spoor van de Academie

In 1663 sticht David Teniers in Antwerpen een Academie waar jonge kunstenaars leren tekenen en boetseren. De op twee na oudste kunstschool in Europa bestaat nog altijd. 350 jaar later neemt historicus en schrijver Jan Lampo de lezer mee doorheen de geschiedenis van de Academie: naar de stichting van de school, de drukke klassen van de Academie en de vergaderzaal van het schildersgilde in de Beurs. Tijdens het woelige tijdperk van de revoluties verhuist de Academie naar het franciscanenklooster in de Mutsaardstraat. Later passeren er romantische schilders als Wappers, De Keyser en Leys de revue. Op het einde van de 19de en het begin van de 20ste heerst het conservatisme op de Academie. Maar de leerlingen ondergaan toch de invloed van de buitenlandse avant-garde. Na de Tweede Wereldoorlog breekt dan, geleidelijk, de tijd van de ‘hedendaagse’ kunst aan.
Korte uitwijdingen over ‘Vrouwen in  de Academie’, ‘Kunstenaars in de kerk’ of’ Op het kerkhof’ en bondige portretten van grote namen als Niçaise De Keyser, Mathieu Van Brée , Charles Verlat en Florent van Ertborn kleuren het geheel.

Aan de hand van het historische verhaal van de Academie volgt de lezer het spoor van de Academie. Het is een spoor bezaaid met een weelde aan artistiek en ander erfgoed. Het MAS, de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, het Letterenhuis en de Collectie Antwerpen maakten uit de talloze Academiesporen een gevarieerde selectie: iconische maar ook bescheiden schilderijen, beeldhouwwerken, bouwwerken, tekeningen en documenten. Ze bepalen (het aangezicht van) de stad, zowel in de publieke ruimte als binnenskamers in kerken en musea.

Twee publicaties: één groot verhaal

In het spoor van de Academie biedt de context voor de tentoonstellingscatalogus Kunst | Antwerpen | Academie |350, de catalogus bij de tentoonstelling Happy Birthday Dear Academie in het MAS. Beide publicaties vormen de perfecte combinatie voor wie de Antwerpse Academie in al haar facetten wil ontdekken.

 

Praktisch

Jan Lampo, In het spoor van de Academie, BAI MASbooks uitgave, 12 x 16,7 cm;  176 p.;  geïllustreerd, kleur; 14, 50 Euro

In pakket met  de tentoonstellingscatalogus  Kunst | Antwerpen | Academie | 350: 39, 50 Euro

Verkrijgbaar: MASshop, Academie voor Schone Kunsten Antwerpen (Bar ‘Ac), Stadswinkel, de betere (Antwerpse) boekhandel.

                       

[(Kunst)Geschiedenis] De moeder van de kunsten is jarig – De Antwerpse Academie bestaat 350 jaar.

   Academie1

Poortgebouw gezien vanuit de Minderbroedersstraat. In 1811 verhuisde de Academie naar het klooster van de minderbroeders waaraan deze straat en de Minderbroedertui hun naam danken (foto Jan Lampo).

In 2013 viert de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen de 350ste verjaardag van haar stichting in 1663. Daarmee is ze de op tweede na oudste kunstacademie van Europa en een van de oudste onderwijsinstellingen in België. Tentoonstellingen en publicaties zetten het feest de nodige luister bij. Hoewel de Academie de voorbije jaren vooral in het nieuws kwam als kweekvijver van Belgisch modetalent, is haar geschiedenis veel rijker. De school speelt al vanaf de 18de eeuw een essentiële rol in het Belgisch kunstgebeuren. Ook uit Nederland kwamen leerlingen die later wereldfaam verwierven, zoals Laurens Alma-Tadema en Vincent van Gogh.

We schrijven 1655, of daaromtrent. David Teniers (1610-1690), hofschilder van landvoogd Leopold Wilhelm, wisselt brieven uit met Hendrik van Halmale, buiten-burgemeester van Antwerpen en sinds 1655 hoofdman van het Sint-Lucasgilde. De heren maken zich zorgen. Het gaat niet goed met de kunst in de Scheldestad. Rubens en Van Dijck zijn dood. Het atelier van Jacob Jordaens levert alleen nog seriewerk af.

Aca5

Standbeeld van Mathieu Ignace Van Brée, directeur van de Academie tot 1829, in de tuin (foto Jan Lampo).

De schade die kerken en de kloosters in de Zuidelijke Nederlanden hebben opgelopen tijdens de godsdiensttwisten van de vorige eeuw is ruimschoots hersteld. Veel nieuwe bestellingen vallen uit kerkelijke hoek niet te verwachten. De Contrareformatie, het grote ideologische offensief van de katholieke kerk tegen het protestantisme, is trouwens over zijn hoogtepunt heen. En heel wat klanten zijn uitgekeken op de stereotiepe schilderijen die twee- en derderangs navolgers van de grote Antwerpse barokmeesters op de markt brengen.

Crisis

Alsof dat niet genoeg was, zit de hele Europese economie in het slop, zodat ook rijke verzamelaars twee keer nadenken voor ze nog kunst kopen. De Vrede van Munster die in 1648 is gesloten, heeft een einde gemaakt aan de Dertigjarige Oorlog in Duitsland en aan de Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de Noordelijke Nederlanden. Maar de Europese mogendheden wantrouwen elkaar – ook op economisch vlak.

Alle grote landen beschermen hun eigen nijverheid met hoge invoerrechten op producten uit het buitenland. Het mercantilisme – zo noemen wij die economische doctrine vandaag – leidt tot een algemene neerwaartse trend.

IMG_0519

De gevel achteraan is een overblijfsel van het laat-middeleeuwse klooster. Op de sokkel stond het standbeeld van David II Teniers, dat intussen terugkeerde naar de Teniersplaats (foto Jan Lampo).

Antwerpse schilders en beeldsnijders maar ook producenten van muziekinstrumenten, kostbare meubelen, dure boeken en ander fraais behoren tot de eerste slachtoffers van de maatregelen van de Republiek en Frankrijk tegen import uit de Zuidelijke Nederlanden.

In Frankrijk trekt de jonge, ambitieuze koning Lodewijk XIV vanaf 1661 alle macht naar zich toe. Onder impuls van zijn machtige minister Colbert schakelt hij de Franse – vooral Parijse – artiesten en beoefenaars van kunstambachten in om zijn gezag prestige en luister bij te zetten.

Een groep vooraanstaande schilders, sinds lang ontevreden met de strenge gildevoorschriften uit de middeleeuwen, sticht in de Franse hoofdstad de Académie royale de Peinture et de Sculpture. Al van in 1655 zorgt zij voor het enige rechtmatige kunstonderwijs in Frankrijk; weldra mag ze zich verheugen in koninklijke subsidies.

Demie3

Het fraaie gotische gewelf van de kloostergang (foto Jan Lampo).

Frans voorbeeld

David Teniers is veel meer dan een succesrijk schilder van vrolijke boerentaferelen. Hij treedt op als conservator van de reusachtige kunstverzameling van de aartshertog. Hij koopt en verkoopt schilderijen en andere kostbaarheden voor zijn baas.

De intelligente, maar ook ijdele Teniers – hij woont in een kasteel en droomt van een adellijke titel – kent de kunstmarkt. Met lede ogen en met een grote nuchterheid ziet hij hoe Parijs Antwerpen overklast als centrum van de artistieke productie en van de kunsthandel. Net als zijn goede vriend Van Halmale wil hij daar wat aan doen.

De oplossing, denkt hij, is een eigen Antwerpse kunstschool, naar voorbeeld van die in Parijs. Teniers wil het gildensysteem niet ondergraven, maar hij onderkent het succes van de Franse formule.

Aca6

Architect Pierre Bruno Bourla verbouwde de kerk van het klooster tot Museum en plaatste er een klassieke gevel met ionische zuilen en een fronton voor (foto Jan Lampo).

Wanneer aspirant-kunstenaars allemaal op één plaats samen naar levend model leren tekenen, hoeven de schilders bij wie ze in de leer zijn zich daar niet langer mee bezig te houden. Zo kunnen ze zich toeleggen op meer gespecialiseerde aspecten van de opleiding en hoeven ze niet elk een eigen model in te huren!

Smeekschrift

Een school kost handenvol geld. Daarom willen Teniers en Van Halmale dat de stad Antwerpen hun academie subsidieert. Maar daar is de toestemming van de koning voor nodig. In 1662 stelt Teniers een verzoekschrift op voor Filips IV die het in de Zuidelijke Nederlanden voor het zeggen heeft.

Vanuit Madrid vraagt de koning aan de nieuwe landvoogd, de markies van Caracena, wat die ervan denkt. Caracena overlegt met zijn raadgevers. Op hun beurt informeren zij naar de opinie van het Antwerpse stadsbestuur. Dat stelt oud-burgemeesters jonker Floris van Berchem en Gregorius Martens aan om informatie in te winnen. Zij komen – hoe kan het ook anders? – te biechten bij het Sint-Lucasgilde. Dat overhandigt een document waaraan Teniers zelf heeft meegewerkt.

Stadswaag

Het minderbroedersklooster op het 16de-eeuwse stadsplan van Virgilius Bononiensis (Museum Plantin-Moretus). Het plein rechts van de kerk is de Stadswaag.

Het gilde constateert dat de kunstbeoefening “door den quaden tyt ende gewesen oorloge” slabakt en dat de jonge kunstenaars slecht opgeleid zijn. Het stelt dat alleen “de geproponeerde Academie” hieraan kan verhelpen. Er wordt expliciet verwezen naar de “vrye en publicque Academie” in Parijs.

Uit een Academie in Antwerpen zullen “vele persoonen” die onrechtstreeks met kunst te maken hebben, profijt trekken, zeggen de gildedekens. Met name de leveranciers van verf, olie, doek, koper, hout en steen en de makers van penselen, lijsten enz.

Vanuit Brussel vertrekt een gunstig advies richting Madrid. Op 6 juli 1663 ondertekent Filips IV zijn goedkeuring van de stichting van de academie en haar financiering door de stad.

Aca9

De tuin van de Academie was destijds het kerkhof van de minderbroeders (foto Jan Lampo).

 Het jaar daarop stelt de Antwerpse magistraat de bovenverdieping van de oostvleugel van de Beurs ter beschikking van het Sint-Lucasgilde. Daar kan het een nieuwe vergaderzaal én zijn tekenschool inrichten.

De “schilderskamer” in het huis Spaegnien aan de Grote Markt, waar het gilde tot dan toe zijn zetel heeft, is niet groot genoeg voor een academie; de jaarlijkse huur wordt bovendien erg hoog.

De muren van het nieuwe lokaal in de Beurs worden behangen met goudleer. Daarop komen de portretten van dekens en andere belangrijke personaliteiten, samen met de vele andere schilderijen uit het patrimonium. Naast de ruimte die tot Academie zal dienen, bevindt zich nog een derde vertrek dat men inricht als keuken.

demie8

Een travee van de noordgevel van de kloosterkerk (foto Jan Lampo).

Model

Een en ander slokt een groot deel op van de 5.240 gulden die de stad geeft voor de Academie, zodat er niet genoeg geld overblijft voor een cursus architectuur. Daarom zal men zich beperken tot tekenen en boetseren naar levend model.

De tekenschool komt in een vierkant vertrek. F. Jos Van den Branden beschrijft het in zijn Geschiedenis der Academie (1863): “Door eene koperen hanglamp, met veertien bekken en voorzien van eenen blikken lichtscherm, was dit vertrek verlicht. Het was verwarmd door twee kolenvuren op koperen teilen.”

Restaurant

Refter in de Mark Mackenzaal, achter het trappenhuis van Bourla’s Museum. Let op de fraaie arduinen zuilen (foto Jan Lampo).

“De leerlingen,” vervolgt de schrijver, “zaten op houten banken en schabellen. Hun werk was nog afzonderlijk verlicht door kaarsen, welke op hooge houten kandelaars naast hen stonden […].”

” Eene blauwlakenen gordijn hing aan ijzeren geerden tegen den wand. Daarvoor stond het naakt model op een berd, dat op twee schragen rustte. Op dit slach van tafel lagen twee vierkante houten blokken, welke het model tot steun dienden, terwijl men, bij de verschillige houdingen van het lichaam, de werking der spieren bestudeerde.”

Op 26 oktober 1665 begin van het eerste Academiejaar (tot 6 maart 1666). De lessen zijn gratis en vinden ’s avonds plaats: in de winter van 6 tot 8 en in de zomer van 5 tot 8 uur. Als leraar treden dekens en oud-dekens van het gilde op. Onder hen Jordaens, Artus en Jan-Erasmus Quellin (1634-1715), de schoonzoon van Teniers, Ambrosius Bruegel en Frans III Francken (1607-1667).

“Onbehooreleyck”

Kent de Academie succes? Leerlingen zijn er zeker, maar ze gedragen zich niet altijd even goed. De komende jaren blijkt meer dan eens dat ze zich “onbehooreleyck” aanstellen en “ramoer” maken.

IMG_0503

Restanten van een renaissancegalerij op de binnenplaats bij de docentenruimte (foto Jan Lampo).

Bij de leraren, die niet voor hun werk betaald worden, is sprake van een chronisch gebrek aan autoriteit en absenteïsme. Geldgebrek blijft als een zwaard van Damocles boven de school hangen. Het bestuur van het Sint-Lucasgilde geeft liever geld uit aan spijs en drank voor zijn eigen feestmalen dan voor de verwarming en de verlichting van de academie.

Toch krijgt de school in 1694 nieuwe lokalen in de noordelijke vleugel van de Beurs. Daar komt een klas waar de almaar talrijker leerlingen gipsen beelden kunnen tekenen als voorbereiding op het tekenen naar levend model.

Van den Branden: “Al wie in het teekenen of bootseeren naar het leven nog te onbedreven was, werd naar de oefeningen der plaasterbeelden gezonden. Aldus bestond er eene hoogere en lagere klas, welke de meest gevorderden van de min bekwamen afscheidde. […]”

dubbelfluit

Vanaf het eind van de 17de eeuw gebruikte men voor het tekenonderwijs in de Academie gipsen afgietsels van klassieke beelden (foto Jan Lampo).

”De beelden, welke tot model dienden waren Hercules, de Gladiator en een Sater. […] Het beeld, dat tot studie in gebruik was, stond op een voetstuk, vóor de groote koperen hanglamp met zes bekken, die gedekt waren met eenen lichtscherm die de klaarte in overvloed op het beeld kaatste. De leerlingen zaten in eenen halven kring om het model: de teekenaars voorop, en achter deze de bootseerders.”

Vanaf 1714 ressorteren de Zuidelijke Nederlanden onder Oostenrijk. Enkele jaren later gaat de Academie een poos dicht als straf omdat de leerlingen die het naakte model met klei hebben bekogeld.

In 1722 eist de stad een deel van de school terug om er kantoren in onder te brengen. Erger zijn de geldzorgen van het Sint-Lucasgilde dat zichzelf nauwelijks in stand weet te houden.

IMG_0508

Vlakbij de Academie bouwde Bourla voor de Stad Antwerpen een lagere school. Later werd die bij de Academie geïncorporeerd. Vandaag huisvest ze de afdeling Beeldhouwen (foto Jan Lampo).

In een rapport uit 1738 lezen we dat uit de Academie meesters zijn gesproten die “geëmployeerd zijn geweest en nu nog geëstimeerd worden aan alle hoven van het Christendom”, maar “alles is zeer vervallen.”

In de strenge winter van 1740 wordt de Academie gesloten – voorgoed, lijkt het. Slechts één van de dekens, beeldhouwer en architect Alexander van Papenhoven (1668-1759), is het niet eens met de sluiting. Hij krijgt de steun van zijn veelbelovende vakgenoot Jan-Pieter van Baurscheit de Jonge (1699-1768) en van vier andere kunstenaars.

Proces

Zij gaan zoek naar geld zodat de Academie het gilde niets meer zal kosten; bovendien zijn zij bereid om zelf gratis les te geven. Van achttien Antwerpse edelen krijgen ze de schriftelijke belofte dat die jaarlijks elk 7 gulden zullen betalen om de werkingskosten van de school te dekken. Bijna alle schenkers behoren tot recentelijk in de adelstand verheven koopliedenfamilies.

Zowel de cursus naar levend model als die naar het gips gaan in 1741 opnieuw van start. Van Baurscheit en zijn collega’s genieten veel prestige. Ze zijn goede leraars en houden er artistieke opvattingen op na die aanslaan bij aspirant-kunstenaars: binnen de kortste keren stijgt het aantal leerlingen van 30 naar 75.

Minderbroedersklooster

 Het klooster van de minderbroeders of franciscanen, gezien van west naar oost (a).

Ondanks hun aanvankelijke instemming zien de dekens van het Sint-Lucasgilde dit succes met lede ogen aan. Ze spannen voor de Raad van Brabant een proces aan om de Academie opnieuw onder hun gezag te brengen – wat uiteraard niet naar de zin van de zes leraars is.

Onafhankelijk

De tijdelijke bezetting van de Zuidelijke Nederlanden door het leger van de Franse koning Lodewijk XV draagt er toe bij dat er pas in 1748 een vergelijk komt tussen het gilde en de redders van de Academie. Het gilde staat de school en haar meubilair definitief af. Het stadsbestuur zal voortaan toezicht uitoefenen over de Academie.

Jaarlijks vinden nu wedstrijden tekenen naar levend model plaats. Landvoogd Karel van Lotharingen schenkt daarvoor een zilveren koffiepot, twee zilveren kandelaars en een zilveren theepot als eerste, tweede en derde prijs. Leden van de magistraat en voorname burgers volgen zijn voorbeeld.

OudeFotoAcademie

Het Museumplein, zoals het vroeger heette, met het poortgebouw en het standbeeld van Antoon Van Dijck.

Weldra ontstaat de gewoonte dat de leerlingen de overwinnaars of “primussen” hulde brengen. Met muziek en vaandels trekken ze door de stad naar de woning van de primus en brengen hem een serenade. Daarna gaat het naar de grote zaal van de Academie voor een feest. Bier wordt gehaald in de herberg In den Grenaatappal, naast de Beurs.

De idee dat kunst een intellectuele bezigheid is en daarom superieur aan het werk van gewonde ambachtslieden wint veld sinds de renaissance. In Antwerpen vindt ze een vurige verdediger in de persoon van de schilder en academieleraar Andries Cornelis Lens (1739-1822) die in Italië heeft gereisd en het oor heeft van landvoogd Karel van Lotharingen.

In 1773 wordt een keizerlijke verordening van kracht die schilders, beeldhouwers en graveurs ontslaat van de verplichting deel uit te maken van een gilde. In de Scheldestad beschouwt iedereen dit als een overwinning van Lens. Toch speelt ook het feit mee dat de Oostenrijke overheid om puur economische het middeleeuwse gildesysteem wil afbouwen.

postkaart

Het hoofdgebouw van de Academie in de jaren 1930 (a).

De Academie overleeft de woelingen en hervormingen van de Franse Tijd (1794-1815). Meer nog, Napoleon geeft het oude franciscanen- of minderbroedersklooster van de Mutsaertstraat aan de stad Antwerpen om de kunstschool onder te brengen.

Het jaar daarop verhuist de Academie naar het complex waar ze vandaag nog altijd is gevestigd. De kloosterkerk fungeert als museum. Dat heeft in het begin alleen een didactische functie. De leerlingen komen om het werk van oude meesters te bestuderen. Maar na verloop van tijd wordt het museum ook voor de burgers van de stad toegankelijk.

Tekencursus

Tijdens de vereniging van België en Nederland onder koning Willem I stelt directeur Mathieu Ignace van Brée (1773-1839) een tekencursus op die tot diep in de 19de eeuw op vele plaatsen gebruikt wordt.

Hoewel Van Brée zelf de klassieken navolgt, voelen velen van zijn leerlingen meer voor de romantiek. Dat is de nieuwe geest die zich na Waterloo meester maakt van de kunsten in Europa. Van Brée’s dood in 1839 – België is dan bijna tien jaar onafhankelijk – en de benoeming van Gustaf Wappers (1803-1874) tot zijn opvolger, brengen de romantici in de Academie aan de macht.

DavidTeniers

David II Teniers, de stichter van de Academie (a).

Wappers laat zich, net zoals Rubens, voorlezen terwijl hij schildert. Hij geniet de gunst van Leopold I die hem de titel van baron schenkt. Wappers denkt liberaal, maar zijn Vlaamsgezindheid en zijn eigenzinnig bestuur van de school jagen velen tegen hem in het harnas. In 1852 neemt hij ontslag. Hij verhuist naar Parijs. De franskiljonse katholiek Niçaise de Keyser volgt hem drie jaar later op.

Als weergave van de werkelijkheid, haalt de fotografie de schilderkunst in. Schilders zoeken naar wat de nieuwe techniek niet kan bieden. In Frankrijk ontstaat het impressionisme. In België houdt men het bij bruingesausde taferelen uit de vaderlandse geschiedenis.

In Antwerpen ontwikkelt Henri Leys (1815-1890) zijn eigen vorm van prerafaëlitische kunst. Hij bestudeert de Vlaamse en Duitse meesters van de 15de en 16de eeuw en borstelt realistische figuren in historische decors die hij tot in de kleinste details weergeeft.

GipsenBeelden

In de vroege jaren 1960 diende de latere Mark Mackenzaal als depot voor gipsen beelden (a).

Leys, die zelf nooit aan de Academie doceert, oefent nochtans grote invloed uit op haar leerlingen. Tot hen behoort de jonge Fries Laurens Alma-Tadema die vanaf carrière maakt in Londen.

Van Gogh

Leys’ neef en leerling Henri de Braekeleer volgt wel de lessen aan de kunstschool. Hij zal groeien uit tot de grootste schilder van de 19de eeuw in de Scheldestad.

Bekend is het feit dat ook Vincent van Gogh korte tijd aan de academie studeert. De modellen zijn gratis, schrijft hij zijn broer Theo. Maar binnen de kortste keren komt het jonge genie in botsing met het conservatisme van middelmatige leraars zoals Frans Vinck en Eugène Siberdt. Van Gogh kiest eieren voor zijn geld en neemt de trein naar Parijs. De leraars, die zich niet eens van zijn vertrek bewust zijn, geven hem op het eind van het academiejaar een onvoldoende.

Met het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten krijgt de Academie in 1885 een “bovenbouw” waar haar beste studenten (en die van andere kunstscholen) hun opleiding enkele jaren kunnen voortzetten. Deze hervorming is mede te danken aan directeur Charles Verlat.

Lantaarns

Smeedijzeren lantaarns aan weerszijden van de poort van het Bureel van Weldadigheid aan de Blindestraat, waar de afdeling Conservatie & Restauratie is gevestigd (foto Jan Lampo).

Verlat is niet alleen een uitstekend dierenschilder die inwoners van de Zoo laat poseren in de “beestenklas”, maar ook een schitterend leraar. Hij countert de uitdaging van de fotografie door met zijn leerlingen enorme panorama’s te schilderen.

In de Academie blijft de liefde voor de geschiedenis tot aan de Eerste Wereldoorlog hoge toppen scheren. Pas na 1918 dringt aarzelend een modernere kijk op de wereld door. Van 1936 is de getalenteerde portrettist Isidoor Opsomer (1878-1967) directeur van de school. Een hemelbestormer kan men hem niet noemen, maar hij is een meer dan verdienstelijk kunstenaar. Alleen krijgt hij het verwijt dat hij vooral… “kleine Opsomerkes” opleidt.

Nieuwe Orde

Tijdens de jaren 1930 studeren aan de Academie en het Hoger Instituut jongeren die na de Tweede Wereldoorlog naam zullen maken zoals Marc Mendelson (1915), Vic Gentils (1919-1997), Pol Mara (1920-1998), Jan Cox, Luc Peire en Jack Godderis (1916-1971).

Demie5

De binnenplaats bij de docentenruimte, detail (foto Jan Lampo).

In Berlijn vindt van 17 mei tot 11 op initiatief van de Deutsch-Flämische Arbeitsgemeinschaft (DeVlag) van Jef van de Wiele de tentoonstelling Flämische Kunst der Gegenwart plaats, waaraan docenten van het Hoger Instituut deelnemen. Er is werk te zien van o.a. Julien Creytens, Willy Kreitz, Henry Luyten, Albert Poels en Albert Van Dijck. De meeste werken in de expositie zijn “gewoon” traditioneel en apolitiek, maar enkele beeldhouwers stellen koppen van Nieuwe Ordefiguren tentoon.

De dag dat de nokvolle bioscoop Rex aan de De Keyserlei getroffen wordt door een Duitse raket, valt ook bij de Academie een V-bom. Alle ruiten van de school sneuvelen en een deel van de kunstcollectie gaat verloren. Het is een moeilijke en verwarde tijd.

De aanstelling van de schilder Constant Permeke tot nieuwe directeur wordt na enkele maanden ongedaan gemaakt door minister Camille Huysmans. Collaborateurs vliegen aan de deur, maar sommige deelnemers aan de expositie in Berlijn mogen ondanks alles hun docentschap weer opnemen.
 
In de jaren 1950 wordt naar ontwerp van de bekende architect Leon Stynen – hij staat aan het hoofd van de intussen afgesplitste architectuuropleiding – een nieuwe vleugel gebouwd met ruime ateliers en lichte klassen. Samen met het bedreigde Zeemanshuis vormt dit gebouw een zeldzaam voorbeeld van modernisme in de Antwerpse binnenstad.

De viering van de 200ste verjaardag van de Academie in 1963 gaat gepaard met een academische zitting en de creatie van het ballet De Triomf van de Dood op muziek van de Vlaamse componist Renier Van der Velden (1910-1993) en met decors van schilder en docent Jan Vaerten (1909-1980). Er zijn verschillende tentoonstellingen.

Happenings

Mary Prijot (1917-1990), van opleiding pianiste, richt in de Academie de cursus Mode en Theaterkostuumontwerpen in. Ze geeft er les tot 1982. Wat van start gaat als een bescheiden afdeling met enkele leerlingen, groeit in twee decennia uit tot de bekendste richting van de school.

Vanaf 1966 krijgt het hoger kunstonderwijs in België een volledig dagprogramma met specialisaties waaronder ook fotografie, grafiek, grafische vormgeving, juweelontwerpen, keramiek en monumentale kunst.

Poortgebouw

Prijot is nog maar juist aan de slag met haar studenten, wanneer oud-leerlingen van de Academie als Panamerenko, Hugo Heyrman en Wout Vercammen voor de ogen van de verbaasde Antwerpenaars de eerste happenings organiseren. Het is de tijd van flower power, protesten tegen de oorlog in Viëtnam en het legendarische café De Muze, waar het storm loopt voor zanger Ferre Grignard en jazzmuzikant Mike Zinzen.

Heyrman en Panamarenko sluiten het Conscienceplein af met industriële ijsblokken. De actie wil het stadsbestuur ertoe overhalen om het plein autovrij te maken. Nieuwe galeries zoals de Wide White Space Gallery halen de internationale avant-garde naar Antwerpen; de gedrukte media maar ook de televisie besteden van langsom meer aandacht aan het mondiale kunstgebeuren.

In 1970 opent in het koninklijk paleis aan de Meir het Internationaal Cultureel Centrum (ICC) zijn deuren, dat het komende decennium uitgroeit tot een belangrijke tentoonstellingsruimte voor hedendaagse kunst. In de ogen van nogal wat studenten blijft de Academie te midden van al dat artistiek geweld te braaf en te… academisch. Maar dat verandert naargelang oudere docenten met pensioen gaan en jongeren hun plaats innemen en de creatieve inbreng van de leerlingen in de verschillende ateliers een ruimere plaats krijgt toegemeten.

Zes van Antwerpen

Anno 1987 organiseren enkele modeontwerpers die in het begin van het decennium zijn afgestudeerd tijdens de British Designer Show in Londen een groepsdefilé. Hun namen zijn Anne Demeulemeester, Dirk Bikkembergs, Walter Van Beirendonck, Dries Van Noten, Dirk Van Saene en Marina Yee.

Aca10

Het verweerde beeld van Quinten Metsys door Charles Geerts uit 1836 in de tuin aan de Mutsaertstraat (foto Jan Lampo).

Een Engelse krant noemt hen “The Six of Antwerp”. Voortaan haalt de jaarlijkse modeshow van de academie de wereldpers. Weldra komt er ook een afdeling Conservatie en Restauratie, die in 1994 een volwaardige studierichting wordt. Terwijl de modestudenten een nieuw onderdak krijgen in de Modenatie aan de Nationalestraat (2001), betrekt Conservatie en Restauratie drie monumentale 19de-eeuwse panden in de Blindestraat aan de rand van de oude academiecampus (2002).

Als gevolg van het Vlaamse Hogeschooldecreet gaat de Academie in 1996 op in de Hogeschool Antwerpen (thans Artesis Hogeschool) en wordt daarvan het Departement Audiovisuele en Beeldende Kunst. Dit wordt niet meer geleid door een directeur – de laatste is fotograaf en kunsthistoricus Johan Swinnen – maar door een verkozen departementshoofd. Acht jaar later, in 2004, is de Bolognahervorming van het hoger onderwijs een feit. Sindsdien krijgen de studenten bachelor- en masterdiploma’s.