Skip to content

Posts from the ‘loge’ Category

[Literatuur] De priester, de papenvreter en hun plakboek.

 

antwerpen_sintandrieskerk_14__normal

Interieur van de Antwerpse Sint-Andrieskerk met de preekstoel vanwaar pastoor Visschers zijn parochianen toesprak (a).

Van acteurs en zangers is bekend dat zij recensies verzamelen in plakboeken. Het Letterenhuis bezit er heel wat. Maar in het verleden gingen ook schrijvers met schaar en lijmkwast aan het werk om hun publieke imago uit te knippen en op te plakken. Er is overigens geen wet van Meden en Perzen die bepaalt dat plakboeken alleen knipsels mogen bevatten. Sommige bevatten ook brieven en/of foto’s. Het zijn, zo men wil, hybride pakboeken.

De Antwerpse priester Pieter-Jozef Visschers (1804-1861), een productief auteur van religieuze en stichtende werkjes, vertelde heiligenlevens na en pleegde gelegenheidspoëzie bij plechtige communies, priesterwijdingen en jubilea.

VisschersDeBraekeleer

Pieter-Jozef Visschers.

Het uitgebreide netwerk van Visschers valt te reconstrueren aan de hand van zijn Brievenboek, een groot (42 x 27 cm.) in leer gebonden album, waarvan hij 316 pagina’s gebruikte. De priester plakte er de brieven in van zijn belangrijkste correspondenten uit kerkelijke, historische en literaire kringen. Bovendien transcribeerde hij (behalve op het einde) elk epistel in zijn eigen, duidelijke handschrift.

Uit heel ander hout was de liberale scheepsmakelaar, politicus, filantroop en toneelschrijver Frans Gittens (1842-1911) gesneden. Maar ook Gittens maakte voor zichzelf en het nageslacht een indrukwekkend plakboek. Het is ongeveer even groot als dat van de priester, maar ziet er met zijn linnen band bescheidener uit (al prijkt op de rug een etiket met in vergulde letters: ‘Souvenirs / Fr. Gittens’). Gittens verzamelde hoofdzakelijk krantenknipsels van en over zichzelf, maar laste ook affiches en een occasionele brief in.

Pastoor Visschers koesterde een levendige belangstelling voor de letteren – men veronderstelt dat hij hielp bij de ‘zuivering’ van Conscience’s Leeuw van Vlaenderen – en voor de geschiedenis. Of beter, voor historische monumenten. Hij was een antiquarian of liefhebber van oudheden (er bestaat geen accurate vertaling van de Engelse term).

Gittens3

Frans Gittens (foto Letterenhuis).

Hiermee bedoelt men de erudiete lieden die zich vanaf de 16de eeuw bezighielden met het verzamelen en bestuderen van ‘oude’ spullen, vaak Romeinse munten en cameeën, waarvan bijv. Rubens en zijn vriend Nicholaas Rockox er veel bezaten. Stilaan kregen de antiquarians ook interesse tonen voor vondsten uit ‘vaderlandse’ bodem en middeleeuwse overblijfselen (gebouwen, meubels, gebruiksvoorwerpen enz.).

Een ‘serieuze’ antiquarian bestudeerde dat alles grondig en publiceerde achteraf zijn bevindingen. In de 18de eeuw werd antiquarianism in Engeland een rage. De antiquarian groeide uit tot een type dat soms het voorwerp werd van spot en satire. Veel ‘filologen’ die begin 19de eeuw middeleeuwse teksten in de volkstaal opspoorden, zoals Jan-Frans Willems, waren niets anders dan ‘literaire’ antiquarians. Ze hadden meer aandacht voor het verzamelen, veiligstellen en bespreken van relieken uit het verleden dan voor het construeren van ‘grote’ historische verhalen.

Petrus Visschers schreef geen fictie – in de eerste helft van de 19de eeuw stond de clerus in Vlaanderen daar huiverig tegenover. Frans Gittens daarentegen, zag geen graten in verzonnen verhalen. Hij gebruikte ze zelfs als middel om geld op te halen voor het goede doel. Zo publiceerde hij (anoniem) de brochure Une Victime du Choléra met een tranerig verhaal. De opbrengst was bestemd voor steun aan families, getroffen door de gevreesde ziekte.

Gittens4

Frans Gittens (foto Letterenhuis).

Visschers beoefende de geschiedenis om haarzelf – al waren apologetische doelstellingen hem niet vreemd. Gittens beminde Clio omdat ze hem de stof leverde, niet zozeer voor verhalen als wel voor toneelstukken. Het was immers als dramatisch auteur dat de scheepsmakelaar succes oogstten. In 1843 werd Visschers pastoor van de Antwerpse Sint-Andriesparochie (eerder werkte hij in Heist-op-den-Berg).

Hij publiceerde oudheidkundige werkjes over grafzerken van leden van Antwerpse families in Rome, maar ook over zijn eigen kerk, zoals bijv. Aenteekening nopens het eergraf van Barbare Moubray en Elisabeth Curle, staetsdamen van […] Maria Stuart in St.-Andries kerk […] (1857).

Veel brieven in Visschers’ dagboek zijn dankbetuigingen van mensen die hij bedacht met een exemplaar van een of andere brochure.

Frans Gittens was, net als Visschers, Vlaamsgezind, maar hij leerde pas fatsoenlijk Nederlands op zijn 27ste. Zijn vader was een Engelsman, zijn moeder Waalse. Tijdens zijn leerjaren bereisde hij Europa en leverde artikelenreeksen over o.m. Engeland en Zweden aan de Franstalige liberale krant Le Précurseur. Onder het pseudoniem Dick O’The Flannel schreef hij ook verhalen voor het dagblad. Zijn artikels kwamen allemaal in het plakboek. De brieven die Gittens over zijn novellen kreeg van Conscience, aan wie hij er een opdroeg, liet hij in een exemplaar van hun uitgave in boekvorm (1870) binden.

300px-De_RamMechelen Mapt

P.F.X. de Ram (foto Mechelen Mapt).

Het album van pastoor Visschers bevat 161 brieven van sommiteiten als diezelfde Conscience, Jan-Frans Willems, Ferdinand Augustijn Snellaert, politicus Pierre De Decker provinciegouverneur Teichmann, rector P.F.X. de Ram van de universiteit van Leuven en andere figuren uit het intellectuele leven. De Antwerpse geschiedschrijvers Frederik Verachter en Pieter Génard ontbreken evenmin.

Voorts zijn er brieven van en over de Académie Royale d’Archéologie de Belgique (een Antwerpse vereniging) en de Commissie voor de Graf- en Gedenkschriften van de Provincie Antwerpen, waarvan de priester lid was.

Visschers stierf anderhalf decennium voor Gittens doorbrak met het antiklerikale historisch drama ‘in 8 [!] Bedrijven’ De Geuzen. Het stuk  ging op 24 februari 1875 in première in de ‘Schouwburg van Antwerpen’. De schrijver, maar ook het nieuwe stadsbestuur en zijn aanhang vereenzelvigden zichzelf met de 16de-eeuwe opstandelingen.

scannen0003

De Vlaamse Schouwburg aan de Kipdorpvest, oude prentbriefkaart (a).

De katholieke pers gewaagde met veel tremolo’s van geschiedenisvervalsing. De liberale ‘dagbladschrijvers’ konden hun vreugde niet op. Zij maakten De Geuzen tot een groot succes. Gittens plakte alle recensies in.

In 1883 kreeg de scheepsmakelaar de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Toneel voor zijn stuk Jane Shore over de minnares van de Engelse koning Edward IV. Inspiratie putte hij uit het stuk Edward IV van Thomas Heywood (1600) en misschien ook uit Richard III van Shakespeare, waarin Jane ter sprak komt.

1791_siddons_sarah

Sarah Siddons als Jane Shore in het stuk van Thomas Heywood (a).

Nog meer bijval genoot De Maire van Antwerpen (1891). De auteur voert burgemeester Jan Steven Werbrouck ten tonele die onder Napoleon wegens fraude in de gevangenis belandde.

Hij stelt Werbrouck voor als een ‘Vlaams’ slachtoffer van Franse willekeur. Het stuk dankte zijn populariteit ook aan het komische personage van de ‘dichter, muzikant en stadsbediende’ Van Blek, vertolkt door de gevierde acteur Hubert Laroche.

In de pers brak een kleine rel uit: de Franse consul woonde de creatie van De Maire bij; enkele lieden die het stuk een aanval tegen Frankrijk vonden, eisten dat hij naar Parijs werd teruggeroepen (wat niet gebeurde). Gittens liet niet na een en ander in zijn album te documenteren. Hij was trouwens niet te beroerd om ook ronduit slechte kritieken voor het nageslacht te bewaren.

In 1887 componeerde Edward Keurvels muziek bij Gittens’ libretto Parisina. Later schreef Emile Wambach de partituur voor Melusina. Beide zangspelen werden opgevoerd door het Nederlandsch Lyrisch Tooneel – de allereerste voorloper van de Vlaamse Opera. Beide muziekdrama’s leverden een pak knipsels op.

Gittens1

Frans Gittens, poserend à la Hamlet met een schedel (foto Letterenhuis).

Gittens, met enige zin voor overdrijving ‘de Antwerpsche Shakespeare’ genoemd, bemoeide zich als gemeenteraadslid – hij zetelde sinds 1879 namens de Liberale Vlaamsche Bond – met de heraanleg van de kaaien na de rectificatie van 1885. Hij bedacht de ‘wandelterrassen’ langs de stroom. Ook was hij een van de gangmakers van de Wereldtentoonstelling van 1885.

Jammer genoeg plakte hij hierover weinig of niets in. Stond het te ver af van zijn literair werk?

De filantropische ingesteldheid van de schrijver blijkt uit de stichting in 1867 van de kinderkribbe Marie-Henriëtte voor arbeiderskinderen. Het ging om een particulier initiatief, gefinancierd door leden van de liberale haute bourgeoisie.

De kribbe was gevestigd aan de Offerandestraat.  Beschermster was de vrouw van Leopold II, na haar dood opgevolgd door prinses Clémentine. Gittens’ kinderkribbe heeft in het Letterenhuis haar eigen dossier met foto’s en jaarverslagen.

Gittens2

Frans Gittens, zijn vrouw en een onbekende dame op het balkon van het nr. 20 van de Minderbroedersstraat (foto Letterenhuis).

In 1891 schokte Frans Gittens voor de zoveelste keer een deel van zijn medeburgers met het voorstel om op de stedelijke begraafplaats een ‘gebouw tot lijkverbranding’ op te richten.

‘Speelgoed voor ledige hersens’ meende het katholieke Handelsblad. Dit incident kreeg wel een plaatsje in Gittens’ plakboek.

Als vrijmetselaar ijverde de schrijver voor Nederlandstalige zittingen in de loge Les Élèves de Thémis waarvan hij lid was. Maar dat was natuurlijk top secret. Er werd niets over gepubliceerd dat in het album kon.

Frans Gittens eindigde zijn loopbaan als ambtenaar: in 1903 werd hij directeur van de Stadsbibliotheek (thans Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience). Hij richtte een zaaltje in voor bezoekers die kranten wilden lezen en legde de basis voor het Bestendig Dotatiefonds dat sponsors aantrok.

De laatste jaren van zijn leven – hij stierf in 1911 – bewoonde Gittens een appartement op de eerste verdieping van de Minderbroedersstraat 20 waar vandaag het Letterenhuis is gevestigd. Dat bewaart niet alleen zijn album, maar ook het handschrift van o.m. De Geuzen en vele documenten over de schrijver.

Visschers en Gittens – de verschillen tussen beiden springen veel in het oog dan hun overeenkomsten. Maar toch.

In 1849 publiceerde priester zijn Notice sur l’hospice et l’église de St. Julien des Belges à Rome. Bij die gelegenheid stuurde dichter en archivaris Prudens van Duyse hem een gedicht. De autograaf plakte Visschers in zijn album.

Toen zijn vrienden Frans Gittens vierden in 1894 lieten zowel Jef Van de Venne als Emmanuel Hiel een gedicht verschijnen in het blad Vlaamsch en Vrij. Of Gittens de originele handschriften kreeg, is niet duidelijk. Zijn plakboek bevat enkel de gedrukte versie.

 

Verschenen in “Zuuevrij” , berichtenblad van het Letterenhuis, van januari 2016.

 

Advertisements

[Geschiedenis] Kardinaal Sterckx en de Grote Architect.

PasserWinkelhaak

We schrijven 1837. België is sinds zeven jaar onafhankelijk. Het land heeft een vooruitstrevende grondwet, een tweekamerstelsel en een koning met een beperkt gezag. De afscheuring van 1830 is het resultaat van de samenwerking tussen liberalen en katholieken. De eerste Belgische regeringen zijn dan ook ‘unionistisch’. Ze stellen de nationale belangen boven de politieke en levensbeschouwelijke meningsverschillen tussen beide strekkingen. Van echte partijen is voorlopig nog geen sprake.

Maar het evenwicht blijft wankel. De behoudsgezinde liberalen in Kamer en Senaat denken vooral aan hun economische belangen. De godsdienst stoort het niet, zolang de kerk niet dwarsligt. Maar onder hun jongere, meer progressieve geestesgenoten zijn er veel intellectuelen met een uitgesproken antiklerikale instelling.

Grootoosten

De katholieken verdedigen de belangen van de Belgische kerk. Die probeert de grondwettelijke vrijheden zo efficiënt mogelijk aan te wenden om het gezag van de godsdienst en de katholieke moraal te vergroten. Van groot belang vindt ze haar quasi monopolie wat betreft het onderwijs en armenzorg. Haar machtigste wapen is de invloed die de priesters uitoefenen op hun parochianen.

Sterckx

Kardinaal Sterckx (a).

De Belgische vrijmetselarij wordt sinds 1832 geleid door het overkoepelende Grootoosten van België. Dat heeft zijn zetel in de hoofdstad. Slechts enkele loges of werkplaatsen in Gent en in het Waasland zweren nog bij het huis van Oranje en weigeren zich aan te sluiten. Zowel Napoleon als Willem I hebben de maçonnerie gebruikt als middel om hun gezag te versterken. Zo komt het dat veel ambtenaren, officieren, handelaars, industriëlen en beoefenaars van vrije beroepen deel uitmaken van de loge.

Het gaat hen minder om het beleven van het maçonniek ‘geheim’ en het streven naar zelfvervolmaking, dan om netwerking en carrière maken. Toch telt de vrijmetselarij ook heel wat vooruitstrevende lieden in haar rangen. Van in de tweede helft van de 18de eeuw trekken de gelijkheid onder de broeders en de debatcultuur en de democratische besluitvorming binnen de werkplaatsen aanhangers van Verlichting aan.

 

Pierre Théodore Verhaegen

De loge mag dan een eerder conformistische en vaderlandslievende club zijn – politiek actieve broeders proberen zelfs de eerste barsten in het unionisme te lijmen – zij wordt ook een verzamelplaats van antiklerikalen die de invloed van de kerk aan banden willen leggen. Tot hen behoort de dynamische Pierre Théodore Verhaegen, achtbare meester (voorzitter) van de Brusselse loge Les Amis philantropes.

Verhaegen staat de facto aan het hoofd van het Grootoosten. Hij treedt namelijk op als plaatsvervanger van grootmeester baron De Stassart. Die is als grote baas van de Belgische maçonnerie naar voor geschoven door koning Leopold I. Maar omdat De Stassart als senaatsvoorzitter en gouverneur van de provincie Brabant eigenlijk geen tijd heeft om de functie daadwerkelijk uit te oefenen, laat hij Verhaegen opdraven.

Verhagen

Pierre Theodore Verhaegen (a).

Verhaegen gaat iedere week naar de kerk, maar is voorstander van een lekenstaat en van lekenonderwijs. Wanneer de kerk in 1834 in Mechelen een katholieke universiteit opricht (die nadien naar Leuven verhuist), vreest hij dat de toekomstige leiders van het land slaafs de kerkelijke belangen zullen dienen. Daarom stichten hij en zijn vrienden op een drafje de Université libre de Bruxelles.

In het aartsbisschoppelijk paleis in Mechelen maakt men zich geen illusies over de antikerkelijke tendens in de loges. Eind december 1837 publiceren kardinaal Sterckx en de bisschoppen een herderlijke brief. Ze stellen dat de pauselijke veroordelingen van de vrijmetselarij onverminderd geldig zijn. Gelovigen kunnen geen lid blijven van de loge.

Al in 1738 heeft paus Clemens XII een encycliek uitgevaardigd die elke katholieke logebroeder bedreigt met excommunicatie. In de Pauselijke Staten, waartoe in die tijd een flink stuk van Italië behoort, kan een vrijmetselaar zelfs de doodstraf krijgen. Dat is ook zo in Spanje en Portugal, waar de Inquisitie op dat ogenblik nog steeds erg actief is.

Grote architect

De vrijmetselarij wijst religieuze dogma’s af en staat in principe open voor aanhangers van alle godsdiensten. Ze verwacht slechts van haar leden dat ze geloven ‘waarover alle mannen het eens zijn’. Haar activiteiten vinden dan ook plaats in de naam van de Grote Architect van het Universum. Dat kan een godsdienst die zichzelf als het enige ware geloof beschouwt, niet tolereren. Rome wil bovendien de totale controle over de gedachten van de gelovigen; het accepteert niet dat bepaalde groepen er geheimen op nahouden die zelfs in de biecht niet ter sprake mogen komen.

De herderlijke brief van 1837 brengt in de Belgische loges een schokgolf teweeg. Zoals Verhaegen zelf, zijn de meeste leden kerkgangers die oprecht geloven of zich minstens aan de uiterlijke gebruiken van de godsdienst houden. Er zijn zelfs enkele priesters bij. Weten zij dan niet dat de kerk hun al sinds een eeuw het lidmaatschap van de loge verbiedt?

Charles Rogier

Charles Rogier (a).

Het antwoord is een voorzichtig ‘nee’. In de 18de eeuw taant het gezag van Rome. Grote mogendheden zoals Frankrijk en Oostenrijk voelen niets voor de inmenging van de paus in wat zij als ‘interne aangelegenheden’ beschouwen. Daarom maken de overheden een aantal pauselijke encyclieken en bullen gewoon niet bekend. In het beste geval herinnert men zich in België een edict van de Oostenrijkse keizer Jozef II uit 1786  dat bepaalt dat alleen nog de hoofdsteden van de gewesten van het keizerrijk twee maçonnieke werkplaatsen mogen tellen. Voor de Oostenrijke Nederlanden betekent dit dat alleen nog in Brussel loges blijven bestaan.

Misrekening

Het Belgische episcopaat heeft zijn herderlijke brief gelanceerd in de vaste overtuiging dat de loges zullen leeglopen. Dat blijkt een grove misrekening. Het document weerhoudt katholieken die nog geen lid zijn om bij de loge aan te kloppen, dat wel. Maar van wie al is ingewijd, stapt bijna niemand op. Veel broeders voelen zich bovendien gesterkt in hun antiklerikale houding. Pastoor Morsomme uit Hoei verlaat niet de loge, maar de kerk. Hij brengt het op termijn tot achtbare meester van zijn werkplaats.

Dankzij het herderlijk schrijven oefent de vrijmetselarij plots een grote aantrekkingskracht uit op antiklerikalen die voordien weinig of geen interesse toonden. Broeders van wie de maçonnieke activiteiten al een poos op een laag pitje staan, keren terug – onder hen Alexandre Gendebien, vlak na de revolutie lid van het Voorlopig Bewind en van het Nationaal Congres. In 1842 kondigt Theodoor Verhaegen aan dat het aantal leden van Les Amis philantropes is verdubbeld.

De actie van de bisschoppen dwingt de vrijmetselarij om grondig na te denken over de praktische invulling van haar beginselen. De loges voeren het geloof in de vooruitgang, de vervolmaking van de mens, de gelijkheid en de broederlijkheid hoog in het vaandel. Die principes hard maken in een samenleving waarop de kerk haar greep opnieuw tracht te versterken, kan eigenlijk alleen via politieke weg.

Cijnskiesrecht

Geen wonder dus dat de vrijmetselarij in een aantal steden aan de wieg staat van liberale kiesverenigingen. Zij stellen de lijsten met liberale kandidaten voor de verkiezingen op en voeren propaganda. Verhaegen speelt in de politisering van de loges een actieve rol.

ZitingDe prominente rol van de loge en bij uitbreiding van de liberalen in de politiek van een land met een katholieke bevolking, is te danken aan het cijnskiesrecht. Hierdoor bepaalt maar één procent van de bepaalt wie het land regeert. Binnen die kleine minderheid zijn de krachtsverhoudingen tussen katholiek en liberaal ongeveer gelijk.

Leopold I is, om begrijpelijke redenen, niet blij met de polarisering in het land. Volgens hem zijn alleen de liberalen daarvoor verantwoordelijk. Men vermoedt dan ook dat de koning aan de basis ligt van de circulaire waarmee minister van Oorlog baron Prisse de legeroverheden vraagt actie te ondernemen tegen officieren die lid zijn van militaire loges.

In 1846 vindt in Brussel een liberaal congres plaats dat leden van de hoofdstedelijke werkplaatsen hebben voorbereid. Hun goede organisatie bezorgt de liberalen grote winst bij de verkiezingen van het jaar daarop. Charles Rogier wordt premier en Verhaegen zit de Kamer voor.

Goddeloos

Constitutie2

De “Constituties van Anderson” (a).

Stilaan wint bij de Belgische vrijmetselaars de opvatting veld dat artikel 135 van de statuten van het Grootoosten achterhaald is. In de praktijk wordt er vaak geen rekening mee gehouden. Uiteindelijk schrapt men het in 1854 opdat de broeders ook in de tempel in alle vrijheid zouden kunnen discussiëren. Toch verbreken heel wat buitenlandse maçonnieke groeperingen hun relatie met de Belgische vrijmetselarij. Door politieke debatten toe te laten, maakt die komaf met een van de basisregels van de zg. Constituties van Anderson uit het begin van de 18de eeuw. Die bepalen wat in de loge wel en niet mag.

De Belgen gaan op termijn nog een stap verder. In 1866 verklaart het Grootoosten expliciet dat geloof in God en in de onsterfelijkheid van de ziel geen voorwaarde meer is om ingewijd te kunnen worden. Dit maakt de weg vrij voor een areligieuze maçonnerie die in de tweede helft van de 19de eeuw een niet geringe rol speelt achter de coulissen van de liberale politiek.

A C H T E R G R O N D

Het ontstaan van de vrijmetselarij

Op 24 juni 1717 vergaderen afgevaardigden van vier Londense loges in de herberg The Goose and the Gridiron. Ze stichten er de Grand Lodge, een overkoepelende organisatie die de activiteiten van de loges in heel Engeland en Schotland zal coördineren. Die loges zijn (volgens de meest gangbare theorie) in de loop van de 17de eeuw ontstaan.

PubGentlemen worden lid van oude broederschappen van metselaars, waarvan ze de tradities en de symboliek aanwenden om vorm te geven aan hun eigen filosofische aspiraties. Na de godsdienstige conflicten en burgeroorlogen die Engeland lange tijd verscheurd hebben, dromen ze van tolerantie en verstandhouding. Het moet mogelijk zijn om over de grenzen van de verschillende (protestantse) strekkingen heen tot een morele gedragscode te komen en op eendrachtige wijze goede werken te beoefenen. Het belangrijkste doel van de vrijmetselarij is haar leden te helpen op weg naar zelfvervolmaking.

Dominee James Anderson krijgt van de Grand Lodge de opdracht om de geschiedenis van de vrijmetselarij te schrijven en reglementen op te stellen. De Constituties van Anderson laten de vrijmetselarij opklimmen tot in het Aards Paradijs. Een centrale plaats in het verhaal bekleedt Hiram, de architect van de tempel van Salomon uit het Oude Testament.

Dominee Anderson is op de hoogte van de recente wetenschappelijke ontwikkelingen en hun filosofische consequenties. God noemt hij ‘de Grote Architect van het Universum’. De maçonnieke activiteiten vinden plaats in Zijn naam. Maar in de loge mag niet over godsdienst of politiek gesproken worden. De broeders moeten bovendien goede burgers zijn die gehoorzamen aan de wetten van hun land.

***

De vrijmetselarij op het Europese continent

James Anderson

Dominee James Anderson (a).

De eerste vrijmetselaars in Frankrijk zijn aanhangers van de verdreven katholieke Engelse Stuart-koning James II. Ze introduceren Franse aristocraten met wie ze vertrouwelijk omgaan. Velen Fransen koesteren een grote bewondering voor het Engelse politieke systeem en bijgevolg voor alles aanwaait van over het Kanaal. Het mysterie dat de vrijmetselarij omringt, spreekt hen sterk aan.

Bovendien beweert de Schot Ramsay die erg actief is in Frankrijk dat er een historische band bestaat tussen de vrijmetselarij en de middeleeuwse ridderorden, in casu de Tempeliers. In 1728 stichten Franse vrijmetselaars hun eigen Grootloge. De hertog van Antin wordt de eerste grootmeester.

In de Oostenrijkse Nederlanden ontstaan vanaf de jaren 1740 loges. Over hun geschiedenis is weinig bekend. De eerste werkplaats die erkend wordt door een ‘officiële’ obediëntie, de ‘Hollandse’ Grootloge der Nederlanden, is La Candeur in Gent (1763). In de 18de eeuw ontstaan in de Zuidelijke Nederlanden zo’n 90 loges. De meeste bestaan slechts korte tijd. Een dertigtal werkplaatsen in steden zoals Gent, Aalst, Antwerpen, Mechelen Brussel, Doornik, Luik en Namen zorgt echter voor continuïteit.

Antimaçonnieke schrijvers – het zijn in deze tijd zonder uitzondering priesters – wijten de Franse revolutie aan een complot van de vrijmetselarij. Maar dat is flauwekul. Onder de broeders zijn er even veel of meer aanhangers van de monarchie dan revolutionairen. Enkele voormannen van het nieuwe bewind zijn inderdaad vrijmetselaar, maar ook de gevluchte aristocraten tellen er heel veel in hun rangen. In 1794 verdenkt het revolutionaire bewind de loges er trouwens van dat ze samenspannen tegen… de republiek. Toch wordt de vrijmetselarij in Frankrijk niet verboden.

Talrijke officieren van de Franse legers die vanaf 1794 de Zuidelijke Nederlanden bezetten, behoren tot ambulante militaire loges. Zij zoeken contact met gelijkgezinden ter plaatse. Vaak ontstaan zo nieuwe werkplaatsen met een permanent karakter. Zij ressorteren onder de Franse Grootloge.

GrandLodge

De buitenkant van het gebouw van de Grand Lodge in Londen (ook te zien in de serie “Spooks” (a).

Eerste Consul en nadien keizer Napoleon Bonaparte beschouwt de vrijmetselarij als een geschikte ‘uitlaatklep’ voor wie de republikeinse idealen verkiest boven zijn dictatuur. Tegelijk vormt ze een milieu waar keizerlijke ambtenaren, officieren en burgers elkaar vrijelijk kunnen ontmoeten en draagt ze zo bij tot de samenhang van het regime. De keizer stelt zijn broer Joseph Bonaparte aan tot grootmeester van het Grand Orient.

Een en ander leidt tot de heropbloei van de maçonnerie in onze gewesten. Er komen nieuwe loges, o.m. in Kortrijk, Brugge, Leuven, Oudenaarde en Oostende. Vrijmetselaars die hun engagement ernstig nemen, ergeren zich aan het opportunisme van nieuwe leden die via de loge hopen hogerop te komen.

Ramsay1

Ramsay (a).

Vanaf 1815 ‘gebruikt’ ook koning Willem I de werkplaatsen als steunpilaar van het regime. Veel broeders zijn functionarissen, kooplui en industriëlen. Zij kunnen het best vinden met een vorst die de economie van het zuiden actief stimuleert en die de macht van de kerk enigszins aan banden legt.

Maar de sympathie die de vrijmetselaars koesteren voor de Oranjes, doet niets af aan het feit dat ze katholiek en Franstalig zijn. Ze kunnen ook niet verhinderen dat de oppositie tegen Willem I in het zuiden steeds feller wordt.

%d bloggers liken dit: