Literatuur – Louis Van Keymeulen (1842-1915), de volstrekt vergetene

Louis Van Keymeulen werd in 1842 geboren te Antwerpen. Hij stierf in 1915 te Bergen op Zoom. Over zijn levensloop bieden naslagwerken weinig informatie. Het enige, algemeen bekende feit is dat hij vanaf 1896 literatuurgeschiedenis doceerde aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten. Daaruit kan afgeleid worden dat hij tot de gezeten burgerij behoorde – burgerij die toen nog volledig franstalig was.

Van Keymeulen publiceerde uitsluitend in het Frans. Hij was actief als vertaler, criticus en auteur van romans en verhalen. Hij schreef bijdragen in verschillende binnen- en buitenlandse dagbladen, revues en literaire tijdschriften, zoals de Antwerpse Précurseur, de Revue de Belgique, L’Opinion, de Revue Artistique en de Parijse Revue des Deux Mondes, eertijds het orgaan van de Franse romantische school.

Zijn oeuvre ontstond tussen de late jaren zeventig van vorige eeuw en 1903. Bijzonder omvangrijk is het niet. Het omvat Le Monde-Diable (1877), de vertaling van een gedicht door de Spanjaard Espronceda, de roman Le Fils Adoptif (1881), de bundels Etudes de Genre (1882) en Mémoires d’un Géant (1883), de romans Andy Marks le Dompteur (1885), La Fortune d’Otto Greiffer (1888), La Maison Smits (1889), Le Mariage du Baron (1892), de bundel kritische opstellen Esquisses flamandes et hollandaises (1899) en Au Cimetière (1903).

La Maison Smits

Op één kritiek van Paul Frédéricq na (De Heer Van Keymeulen over de Nederlandsche Letterkunde, verschenen in het juli- en augustusnummer van Het Volksbelang en opgenomen in de bundel Taal en Kultuur uit Vlaanderen, Antwerpen, 1914) bestaat er geen enkele zelfstandige studie over Van Keymeulen. Hij wordt alleen vermeld in het tweede deel van Francis Nautets Histoire des Lettres belges d’Expression française (Brussel, 1893) en in het tweede deel van De Seyns Dictionnaire des Ecrivains belges. Bio-Bibliographie (Brugge, 1931).

De volkomen vergetelheid die Van Keymeulens deel werd, heeft verschillende oorzaken. Hij was natuurlijk een tweederangsschrijver, ook in het raam van de toenmalige Frans-Belgische literatuur met tenoren als Camille Lemonnier, Georges Eekhoud, Emile Verhaeren, Edmond Picard en Max Waller.

Emile Verhaeren.

Ondanks zijn stukken in de Revue des Deux Mondes – een tijdschrift dat op het eind van de 19de eeuw lang niet meer zo toonaangevend was als zestig jaar tevoren – werd Van Keymeulen, anders dan de dichter Verhaeren of de naturalistische romancier Lemonnier, niet beschouwd als Belgische steunpilaar van de Franse literatuur.

Zo de hedendaagse historici van de Frans-Belgische literatuur al van hem gehoord hebben, wordt hij weggelaten uit hun overzichten en studies die belangrijker auteurs tot onderwerp hebben. Bovendien is de herinnering aan de Vlamingen die zich van het Frans bedienden bij het Vlaamse publiek nagenoeg verdwenen. Wie leest er in Vlaanderen nog Maeterlinck, Eekhoud of Verhaeren? Wie is er zich op dit moment van bewust dat er ook hier, in het noorden, tot voor zestig of zeventig jaar twéé literaturen bestonden: naast de Vlaamse’ die zich van het Nederlands bediende ook de Frans-Belgische?

Verteller

Zonder zich aan franskiljonisme schuldig te maken, kan men die collectieve vergeetachtigheid alleen maar betreuren, hoe begrijpelijk ze ook is. Toch bewijst de commentaar van Nautet dat Van Keymeulen in zijn eigen tijd gewaardeerd werd:

“En dehors de nos romanciers dont la forme plus ou moins ésotérique n’est accessible qu’aux initiés ou aux raffinés de littérature, la Belgique commence à posséder depuis M. Emile Greyson ( … ) un groupe de conteurs à qui est dévolue la faculté de provoquer l’ émotion simple, d’ éveiller l’intérêt et parmi lesquels M. Louis Van Keymeulen oecupe le premier rang.”

En inderdaad, veel meer dan een conteur, een verteller, was Van Keymeulen niet. Uit La Maison Smits (Het enige boek dat ik van hem gelezen heb) blijkt zonneklaar dat hij een groot stilist, noch een vormvernieuwer, een origineel denker of een fijnzinnig psycholoog was. Maar hij kon een goed verhaal opbouwen dat de aandacht van de lezer van bij het begin gevangen houdt. En hij was een scherp, vaak cynisch observator van het menselijke bedrijf.

Het Centraal Station, gezien van op het Astridplein.

La Maison Smits speelt zich af in het milieu van de Antwerpse handelaarsaristocratie en stadsadel. Het boek verscheen in 1889 – het enige exemplaar waarop ik in de Stadsbibliotheek van Antwerpen de hand kon op leggen dateert uit 1891; het is een uitgave van J. Lebègue & Cie te Brussel, ook Consciences uitgever – maar de actie wordt even na het midden van de eeuw gesitueerd.

De roman beschrijft hoe de bloeiende handelsonderneming van de oude François-Xavier Smits dreigt ten onder te gaan door het wanbeheer van zijn zoon en opvolger Oswald. Net voor de firma failliet gaat kan Oswald haar verkopen, maar diens bedenkelijke levenswandel eist uiteindelijk toch zijn tol: hij belandt in de gevangenis, wordt krankzinnig en sterft.

Kantoren van de firma

Het eerste hoofdstuk van La Maison Smits geeft een beeld van de kantoren van de firma. De atmosfeer herinnert sterk aan gelijkaardige passages uit Consciences De Koopman van Antwerpen, La NouveIle Carthage van Georges Eekhoud en, alle relativiteit in acht genomen, ook aan Les Mensonges van de te Antwerpen geboren Françoise Mallet-Joris – een roman die er toch zijn decor aan ontleent.

De lezer maakt kennis met enkelen van de belangrijkste nevenfiguren: de kommies Théodore Stevens, de oude kassier van de zaak en de geslepen Lambert De Wolf, naaste medewerker en rechterhand van baas François-Xavier Smits.

Onderwerp van hun gesprek zijn het aanstaande huwelijk van Stevens en de aankomst van een brief van Oswald die na mislukte studies in de rechten en in de medicijnen de wens heeft geuit om zoals zijn vader in zaken te gaan en door hem bij een Londense firma werd geplaatst om er het vak te leren. Hoofdstuk twee is dan ook gewijd aan de gemengde gevoelens waarmee de oude Smits de missive van zoonlief ontvangt.

De verdwenen Hippodroomschouwburg aan de Leopold de Waelplaats.

Oswald beklaagt zich bitter over zijn behandeling door de zaakvoerders van het huis Wilson & Grey; hij beweert dat zijn dokters hem ten stelligste hebben aangeraden om het desastreuze Engelse klimaat zo spoedig mogelijk te verlaten. François-Xavier weet beter. Hij is er zich van bewust dat zijn gewiekstheid in zaken hem niet heeft behoed voor een uitgesproken zwakheid als vader.

Mede door de aanbidding waarvan Madame Smits haar zoon het voorwerp heeft gemaakt en diens opvoeding bij de jezuïeten is Oswald opgegroeid tot een kortzichtige, luie, cynische en domme fils-à-papa, en zijn vader weet dat. Bovendien is hij kort tevoren door Wilson en Grey van Oswalds wangedrag op de hoogte gebracht.

De oude Smits neemt zich voor om niet op de argumenten van zijn zoon in te gaan; hij stoot echter op het hardnekkige verzet van zijn vrouw die het ergste vreest als Oswald langer in Engeland blijft.

Kruidenier

Uit het voorgaande blijkt hoe stereotiep Van Keymeulens personages zijn. De beginsituatievan La Maison Smits zou die van een zedenroman door Conscience kunnen zijn. Van Keymeulen hoedt zich echter voor expliciet moraliseren; de spot die hij tegenover zijn romanfiguren hanteert is veel scherper dan bij Conscience; verder probeert hij hun doen en laten vanuit hun sociale herkomst en het milieu waarin ze leven te verklaren.

François-Xavier Smits is op het einde van de achttiende eeuw geboren als zoon van een kruidenier. Hij heeft school gelopen tot zijn vader hem in de winkel kon gebruiken. Iedere ontwikkeling of culturele belangstelling is hem vreemd. Alleen zijn groter commercieel doorzicht onderscheidt hem van zijn vader en hij slaagt er in om in enkele decennia miljonair en één der meest geziene figuren van de Antwerpse zakenwereld te worden.

Carolina Smits, zijn echtgenote, is de dochter van de waard uit de herberg waar Smits als vrijgezel iedere avond met zijn vrienden kwam kaarten – dat deed hij, zegt Van Keymeulen, omdat hij niet genoeg verbeelding had om een andere vorm van ontspanning te zoeken. Caroline is bij de nonnetjes op school geweest; ze is braaf, maar oliedom. Aan die eigenschappen paart ze een ijzeren wil waar haar echtgenoot niet tegenop kan. Ook wat betreft Oswalds terugkeer naar Antwerpen zal ze haar zin krijgen.

De Meir.

Wanneer Oswald in Mechelen overstapt op een andere trein, ontmoet hij in zijn eersteklascoupé een goede bekende van de familie: gravin Duval de Girelles, die net haar dochterErnestine heeft afgehaald in het Parijse klooster waar ze tot dan toe werd opgevoed. Gravin Duval is de dochter van een arme Henegouwse edelman.

Haar eerste man, van wie ze twee kinderen – Ernestine en haar broer Albéric – heeft, is met haar getrouwd in de hoop daardoor zijn schuldeisers wat langer van zich te kunnen af houden. Dat is maar gedeeltelijk gelukt, en wanneer hij om het leven komt bij een val van zijn paard, staat zijn weduwe een somber lot te wachten.

Straalbezopen

Gelukkig is één van de schuldeisers de Antwerpse bankier Duval die kort tevoren in ruil voor een lening aan een obscuur Duits vorstje, de titel van graaf heeft gekregen en niets liever vraagt dan met een vrouw uit de “echte” adel te trouwen. Zonder verwijl huwt hij de weduwe en voegt aan zijn eigen doodgewone naam De Girelles toe.

Tijdens de treinrit komt Ernestine diep onder de indruk van de dandyeske Oswald. Na het afscheid in het station van Antwerpen maakt die een scène tegen zijn moeder, omdat ze hem in een huurrijtuig, en niet in de koets van de familie is komen afhalen. Dit incident zet meteen de toon voor zijn verder optreden.

Kort na zijn terugkeer troont hij Lambert De Wolf mee naar een etentje in een club waarvan de leden Oswalds behouden thuiskomst willen vieren. Het aanwezige gezelschap is in de kortste keren straalbezopen. Oswald is ervoor verantwoordelijk dat De Wolf zijn been breekt. De bediende herstelt, maar zal blijven manken, en dat vormt de oorzaak van zijn intense haat tegen de zoon van zijn baas. Die weet hij echter handig te camoufleren.

De Wolf gaat daarbij zover dat hij zelfs bereid blijkt om bepaalde taken die de oude Smits aan zijn zoon heeft opgedragen, van Oswald over te nemen. Oswald is daar erg dankbaar voor, want in de praktijk blijkt weinig van zijn verlangen om de kunst van de groothandel te leren.

 De Wereldtentoonstelling van 1894.

Meer dan uitgaan en drinken doet hij niet. Dat brengt hem in conflict met François-Xavier, die hem tot de orde probeert te roepen en weigert zijn krankzinnige vernieuwingsplannen voor de zaak in overweging te nemen.

Maar het is niet alleen De Wolf die langzaam maar zeker de macht krijgt over Oswald. Hij raakt ook steeds meer onder de invloed van de Franse wijnhandelaar Rouvière, die vriendendiensten voor hem verricht en hem grote sommen geld leent.

Van Keymeulens lage dunk van het ontwikkelingspeil en de literaire belangstelling voor zijn stadgenoten wordt scherp verwoord in de passage over de club waar Oswald en Rouvière elkaar ontmoeten:

“Les habitués du lieu ne sont pas des bourgeois routiniers et encrassés: ce sont des hommes à l’esprit cultivé et qui s’intéressent au mouvement des idées, aux progrès des sciences, aux productions des lettres et des arts. Quoi d’ étonnant dans une ville grande et riche, située au confluent des trois grandes civilisations europeennes, et qui, parmi ses deux cent mille habitants, compte presque autant d’ abonnés aux revues littéraires et scientifiques que telle ville anglaise de dixmille âmes, ou tel gros bourg d’Allemagne?

 Revue des Deux Mondes

Sur cette table de marbre se trouvent les journaux illustrés, et il n’est pas rare de voir un grave commerçant les feuilleter et regarder les gravures; s’il ne pousse pas toujours la curiosité jusqu’à lire les légendes explicatives, cela prouve en faveur’ de son bon sens et de sa modération. Il ne faut abuser de rien et s’il peut être permis de donner un moment aux choses de l’ esprit, il ne faut pas y consacrer un temps qui pourrait être employé à jouer aux dominos, à échanger des appréciations sur les tendances des cafés ou des cotons, ou à prêter l’ oreille au recit de quelque anecdote un peu croustillante. Sur une autre table gisent la Revue des Deux-Mondes et d’autres publications périodiques du même genre. Elles ne sont pas coupées, c’ est vrai, mais cela s’ explique par l’indisposition d’un des garçons, quelque peu lettré (il a fait sa cinquième), qui leur rend d’ordinaire ce bon office.”

Op een bal bij de familie Duval besluiten de gravin en Madame Smits dat een huwelijk tussen Oswald en Ernestine een goede zaak zou zijn. Ernestine is verliefd op Oswald en die laat zich haar aandacht welgevallen, maar als hij het hotel Duval verlaat, gaat hij naar zijn maîtresse. Madame Smits rijdt alleen naar huis.

Haar man, die zich eerder die avond onwel voelde, is intussen erg ziek geworden. Een bij geroepen arts diagnosticeert longontsteking, toen nog een gevaarlijke aandoening. Schitterend is de dialoog tussen de dokter en een veelbelovende jonge collega die de oude Smits mee komt onderzoeken:

“- Confrère, dit le plus jeune des deux médecins lorsqu’ils se trouvèrent seuls, avant toute chose je dois vous remercier d’ avoir songé à moi pour cette consultation. Un malade comme M. Smits en vaut dix. Il n’y a pas de quoi, confrère, répondit le docteur Boen, c’ est à nos petites conditions ordinaires. Le docteur Steen n’en était pas moins reconnaissant à son confrère. Pour ne pas le faire attendre, il avait mëme réduit un peu précipitamment la fracture d’un maçon, qui s’ était cassé le poignet en tombant d’un échafaudage. Après tout, pour entasser des briques, on n’a pas besoin de tant de souplesse dans I’ articulation. M. Steen n’eut garde de faire allusion à cette circonstance, lorsque l’ autre médecin le complimenta sur sa réputation croissante comme chirurgien.
– Vous êtes trop bon, répondit-il. Il est vrai que j’ ai eu epuis quelque temps plusieurs opérations bien réussies, et qui ont été remarquées. Avant-hier, entre autres, j’ai coupé un bras dans des conditions ou personne ne l’ aurait fait à ma place, soit dit sans vanité. – Vraiment?
Le patient n’avait plus qu’une heure à vivre, qu’on fit ou non l’amputation. Je l’ai faite sans hésiter, et de cette façon je crois avoir agi à la satisfaction générale. La familie aura la consolation de se dire qu’ on a fait tout ce qu’il était possible de faire; le malade n’aura pas le regret d’emporter dans la tombe un membre qui l’a tant fait souffrir; et moi, enfin, j’ ai fait une excellente opération.”

De dood van de oude Smits plaatst Oswald aan het hoofd van diens onderneming en fortuin. In de praktijk wordt de zaak geleid door De Wolf, die in sommige gevallen volkomen bereid blijkt om de stompzinnige orders van zijn werkgever uit te voeren.

Intussen heeft Oswald het hele huis opnieuw laten inrichten, meer personeel aangeworven en een stel rijtuigen gekocht. Hij krijgt bezoek van Rouvière, die het hem verschuldigde bedrag van meer dan tweehonderdduizend frank komt terugvragen. Oswald ziet daar volstrekt geen graten in. Wanneer zijn kassier hem erop wijst dat het bedrag niet diezelfde dag kan betaald worden, ontslaat hij hem, en benoemt de onbekwame Stevens in zijn plaats. De Wolf laat Oswald betijen…

Het tweede deel van La Maison Smits begint wanneer Oswald en Ernestine al vijf jaar getrouwd zijn. Zoals te voorzien was is Ernestines leven een hel. Hun enige kind is gestorven aan de gevolgen van een geslachtsziekte die Oswald bij één van zijn maîtresses heeft opgelopen. Oswald doet overigens niets om zijn liaisons verborgen te houden.

Gebrek aan literaire cultuur

Gravin Duval verwijt Caroline Smits zijn absoluut gebrek aan zakelijk inzicht: al twee keer heeft graaf Duval hem voor bankroet moeten behoeden. Oswalds moeder is nog altijd blind voor de fouten van haar zoon en wijt zijn problemen aan de bedrieglijke praktijken en het failliet van niet-solvabele handelspartners.

Ook in de persoon van Caroline neemt Van Keymeulen het gebrek aan literaire cultuur van de Antwerpse burgerij op de korrel. Wanneer de gravin en zij in de tuin van het hotel bij de bank komen waar Ernestine David Copperfield zit te lezen, volgt dit stukje dialoog:

“- Et quel est ce livre qui a le don de vous intéresser si prodigieusement? C’est David Copperfield. – Je sais, dit Mme. Smits… David Copperfield. Oh! Je ne connais que ça: c’est de Chakespire, un auteur allemand qui a écrit aussi Don Quichotte, je crois.”

De rede van Antwerpen door Henri de Braekeleer (Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten).

Caroline krijgt het bezoek van Emma, die vroeger voor de familie werkte en nu getrouwd is met Théodore Stevens. thans blijkt dat ze jaren geleden een amourette heeft gehad met de jonge Oswald die haar het hof maakte. Stevens’ aanstelling tot kassier heeft de vroegere loopjongen geen geluk gebracht. Hij is boven zijn stand beginnen leven en drinkt overmatig. Dat heeft zijn gezin in moeilijkheden gebracht die hij heeft willen oplossen door geld te ontvreemden. De diefstal werd door Oswald ontdekt en Stevens is ontslagen.

Caroline geeft Emma geld zodat ze voorlopig de eindjes aan elkaar kan knopen. Wanneer Emma het huis verlaat wordt ze gezien door De Wolf. Dezelfde avond sterft graaf Duval en Oswald ontvangt bericht over het faillissement van het Braziliaanse handelshuis Schuft, Schwindler en Fuchsendreck (!) dat voor hem een ernstig verlies met zich meebrengt. Terwijl De Wolf zijn werkgever inlicht over de zware moeilijkheden waarin de firma zich bevindt en Oswald met het voornemen speelt om zich uit zaken terug te trekken, arriveert een bediende met een raadselachtig briefje van gravin
Duval de Girelles.

Oswald moet naar haar toe en hij vraagt De Wolf op hem te wachten. Wanneer hij terug in zijn kantoor komt, is hij vastbesloten zijn handelsfonds van de hand te doen. De Wolf zal uitkijken naar potentiële kopers.

Interieur van een herberg aan de haven door Hendri de Braekeleer (Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten)

Het volgende hoofdstuk begint met een accurate beschrijving van het Sint-Andrieskwartier. Die passage is de enige uit La Maison Smits waarin het Antwerpse stadsbeeld uitvoerig aan bod komt. Zo belandt de lezer in het huisje van Théodore Stevens die een scène maakt tegen Emma omdat hij niet begrijpt waar ze geld heeft gevonden. De ruzie eindigt ermee dat hij haar het overschot ontfutselt. Op dat moment wordt er aangeklopt.

De bezoeker is Oswald die Théodore wil spreken. Het volgende hoofdstuk beschrijft de opening van het testament van graaf Duval de Girelles, enkele dagen later. Naast de gravin, haar kinderen, Oswald en Caroline zijn daarbij ook de broer van de graaf, een rentenier uit Mechelen, en diens vrouw Pulchérie aanwezig. Tenzij de graaf er in zijn testament ànders over beschikt heeft, moet de erfenis hun toevallen.

Wilsbeschikking

François Duval en zijn vrouw (“née Pulchérie Janssens’, zoals Van Keymeulen er giftig aan toevoegt), zijn nog erger karikaturen dan de andere personages: Over Pulchérie zegt de schrijver onder meer:

“il suffisait de jeter un coup d’ oeil sur une dame, longue, maigre, osseuse et pointue qui lui donnait le bras et qui n’était autre que sa femme (…). La Bible nous apprend que Dieu créa l’homme à son image; et avec un peu d’effort nous parviendrons à le croire, non sans nous étonner toutefois de la peine que se donnent la plupart des individus de l’espèce humaine pour effacer chez eux-mêmes et chez les autres tous vestige de l’ empreinte divine, et sans regretter le succès étonnant et complet qui presque toujours couronne leurs efforts. Mais pour la femme, la Bible ne dit rien; et c’ est bien heureux, car si elle eût été aussi positive sur ce point, depuis Adam beaucoup de maris, et parmi eux M. François Duval, auraient sans doute perdu toute croyance dans la véricacité des livres saints.”

Gelukkig bepaalt Duvals laatste wilsbeschikking dat hij zijn goederen aan de kinderen van zijn vrouw nalaat en dat zijzelf er het vruchtgebruik van zal hebben.

Langs de kade.

Oswald vertrekt op reis. De Wolf en Rouvière, van wie nu blijkt dat zij al lang medeplichtigen zijn, bereiden de overname van het huis Smits voor. Wanneer Oswald terug in de stad komt, is hij blij verrast dat zijn oude vriend Rouvière de zaak wil overnemen. De koop wordt gesloten en Oswald onderneemt stappen om een betrekking in de diplomatie te krijgen.

Op oudejaarsavond zoekt De Wolf, die ook Oswalds persoonlijke ondergang wil, Stevens op en fluistert hem in dat Emma een verhouding met Oswald heeft. Thuis vindt Stevens de brieven die Oswald indertijd aan Emma geschreven heeft. Hij is er van overtuigd dat zijn vrouw hem bedriegt en vermoordt haar. Enkele uren later wordt hij gearresteerd.

Voor hij naar de gevangenis wordt gebracht, vraagt hij om een onderhoud met de Procureur des Konings. Nadat hij met één van diens substituten heeft gesproken, slaagt hij erin te ontsnappen aan de agenten die hem begeleiden. Hij pleegt zelfmoord door zich in de Schelde te verdrinken. De Wolf is er op Nieuwjaarsdag toevallig getuige van dat zijn lijk uit de stroom wordt opgevist.

Egypte

Enkele uren later wordt Oswald gearresteerd, want Stevens heeft aan de substituut bekend dat hij in zijn opdracht een vals testament heeft vervaardigd. Gravin Duval, het eigenlijke brein achter de vervalsing, vlucht het land uit. Door de schuld op haar af te wentelen, komt Oswald er van af met een relatief lichte gevangenisstraf. In de gevangenis krijgt hij een hersenbloeding. Hij herstelt, maar zijn mentale vermogens zijn definitief aangetast. Ernestine slaagt erin gratie voor hem te verkrijgen. Samen met zijn moeder heeft ze een bescheiden huis in een voorstad betrokken; daar wijden ze zich tot bij zijn dood aan Oswalds verzorging.

Gravin Duval is uitgeweken naar Egypte, waar ze een groot hotel voor tuberculosepatiënten opent. Ze ontmoet er een Russische edelman met wie ze trouwt en uitwijkt naar Rusland. Albéric, Ernestines broer, maakt carrière in het leger van de Egyptische khedief.

De rede van Antwerpen gezien van op de Linkeroever; vooraan de “Sint-Annekesboot” (1911).

Et la maison Smits?”, zoals Van Keymeulen onderaan de voorlaatste bladzijde van zijn boek vraagt – vooraleer zélf het antwoord te leveren:

“Sous la direction de ses nouveaux chefs elle a reconquis son importance d’ autrefois (…) M. De Wolf a parfaitement compris que si l’on peut s’élever par l’intrigue et la fourberie, on ne peut rester sur le faire que par la loyauté et la conscience. Ce malhonnête homme est devenu un très honnête commerçant (…) Il ne tiendrait à lui de jouer un rôle politique; mais il trouve que par temps qui court, un homme qui se respecte ne peut plus mettre la main à des choses aussi malpropres. En un mot, il a tout ce qu’il ne désirait, et plus qu’il ne désirait. Est-il heureux? C’est une autre question.”

In zijn Histoire des Lettres belges verkiest Nautet Van Keymeulens romans La Fortune d’Otto Greiffer die zich te Bilbao afspeelt, en Andy Marks le Dompteur waarvan het verhaal in Odessa werd gesitueerd, boven het al te realistische La Maison Smits. Die voorkeur heeft stilistische gronden, maar ook het feit dat de avonturen van Oswald Smits te “objectief” werden weergegeven speelt voor hem een rol.

Dickens

Van Keymeulens scrupuleuze realisme doet Nautet denken aan dat van niet nader genoemde Engelse schrijvers:

La Maison Smits’ rappelle assez bien ces romans de Londres ou la vie est peinte sévèrement et simplement.”

Het gebruik van de term realisme hoeft niet te verbazen: ook de weinig waarschijnlijke peripatieen in La Maison Smits behoren tot de conventie van de 19de-eeuwse realistische roman. Dat dit soort realisme rond 1890 verouderd was, schijnt Nautet als zodanig niet te storen. Zijn opmerking over de verwantschap tussen La Maison Smits en “bepaalde Engelse romans” is echter correct.

Het enige boek dat één van de personages leest is niet toevallig David Copperfield. Er is trouwens méér dat bij Van Keymeulen naar Dickens verwijst, zoals de ambitie een zedenroman te schrijven waarin een breed maatschappelijk panorama wordt geschetst – al vindt men die vanaf de romantiek ook in de Franse literatuur -, de ironische voorstelling van de personages, en het feit dat het daarbij steevast gaat om zg. flat characters die hun voorbestemde rol spelen zonder te evolueren.

Het was er Van Keymeulen duidelijk om te doen een roman de moeurs en geen psychologische roman te schrijven. Ook daarom doet La Maison Smits meermaals aan de stedelijke zedenromans van Conscience denken. Zijn “objectivisme” blijft daarbij heel relatief. Van Keymeulen moraliseert misschien niet expliciet en hij bedient zich van een vertellende instantie die wel losstaat van de optredende personages, maar uitsluitend spottende, kritische commentaar op die personages en hun milieu levert (het is trouwens zeker dat Van Keymeulen vertrouwd was met het “wetenschappelijke” naturalisme van zijn tijdgenoot Emile Zola, dat geen expliciet gemoraliseer inhield). Zijn zedenlessen zijn dan ook in het verhaal zelf verwerkt – wat ze intussen niet minder triviaal maakt.

Naturalisme

Ondanks een laagje naar het naturalisme zwemend vernis – van de vroegtijdige dood van Oswalds zoontje tengevolge van een venerische ziekte, opgelopen door de vader en Oswalds instorting die uiteindelijk het gevolg is van zijn uitspattingen – is La Maison Smits immers een roman waarin de boosdoener uiteindelijk gestraft wordt. Ook de gesprekken tussen de cynische dokters Boen en Steen zijn niets minder dan een aanklacht.

De Grote Markt, noordzijde.

Toch was Van Keymeulen geen sociaal geëngageerd auteur. Het hele mensdom moet het bij hem ontgelden, arbeiders zo goed als aristocraten. De enige sympathieke personages in La Maison Smits zijn Ernestine, de ongelukkige vrouw van Oswald, en het gewezen kamermeisje Emma dat door haar echtgenoot wordt vermoord. Beiden zijn bovendien stereotiepen die uit een boek van Conscience konden zijn weggelopen: vlijtige, liefdevolle en toegewijde slachtoffers. Daar verandert hun verschillende sociale herkomst niets aan. Precies hun optreden verleent Van Keymeulens pessimistische houding een nogal incoherent karakter.

Ondanks het gebrek aan een consistente visie op het maatschappelijk gebeuren blijft La Maison Smits een merkwaardige roman. Het boek is oppervlakkig, maar precies door die eigenschap biedt het een betrouwbaar beeld van een milieu en een mentaliteit die in de Vlaamse literatuur van rond die tijd zo goed als ontbreken.

Van Keymeulen kon niet alleen een boeiend verhaal verzinnen; ondanks de sjablonerigheid van zijn typen was hij een goed observator die wist waarover hij schreef. La Maison Smitsmag dan geen grote roman zijn, het blijft niettemin de neerslag van een boeiend stuk cultuurgeschiedenis.

Oorspronkelijk verschenen in De Nieuwe van donderdag 12 juli 1984.

 

Literatuur – Vuile manieren in Vlaamsche Arbeid. Karel Van den Oever wordt het slachtoffer van een mystificatie.

In het voorjaar van 1910 valt een omslag in de brievenbus van het fraaie art nouveauhuis van advocaat Jozef Muls (1882-1961) aan het Antwerpse Vleminckveld. Muls, die na de Eerste Wereldoorlog zijn praktijk opgeeft om zich aan de kunstgeschiedenis te wijden, is de oprichter van het katholieke en flamingante literaire tijdschrift Vlaamsche Arbeid. Zijn adres is ook dat van de redactie.

Huis van Jozef Muls aan het Vleminckveld (foto Jan Lampo).

Muls vertrouwt  de omslag toe aan redactiesecretaris Karel Van den Oever (1879-1926). De dichter Van den Oever woont enkele honderden meter verder, aan de Steenhouwersvest. Daar runt hij met zijn twee, eveneens ongehuwde zussen, een textielwinkel. Van den Oever, die zich na de oorlog tot het expressionisme zal bekeren, werkt op dat ogenblik aan een bundel die in neo-renaissancistische verzen het Antwerpen van de 16de eeuw oproept. Van den Oever is een militant katholiek.

Karel Van den Oever (foto AMVC-Letterenhuis).

De inhoud van de omslag brengt de ietwat wereldvreemde dichter in verrukking. Het gaat om verzen van een jonge vrouw, Maria Broeckx, uit Nieuwkerken in het Waasland. Een Engels motto, ontleend aan Dante Gabriel Rosetti, gaat de verzen vooraf. Van den Oever kiest twee gedichten en laat ze, met het motto, verschijnen in het 7de nummer van de 5de jaargang 1909-1910 van Vlaamsche Arbeid. Vermoedelijk schrikken de vrienden van Van den Oever wanneer ze de jongste aflevering van hun blad ontvangen. Hun oncomfortabele geheim blijft niet lang geheim.

Huis van Jozef Muls, détail (foto Jan Lampo).

In zijn septembernummer pakt De Blauwvoet, “vrijzinnig letterkundig Orgaan van den Oud-leerlingenbond van School 14”, onder de kop Een schandaal!! uit met de waarheid over Maria Broeckx en haar gedichten. De Blauwvoet is een op veredeld krantenpapier gedrukt maandblad dat nog maar net is opgericht en waarvan de nummers 8 bladzijden beslaan. Het besteedt uitsluitend aandacht aan onderwerpen uit de literatuur en het theater. De samenstellers zijn oud-leerlingen van een Antwerpse stadsschool. Ze noemen zichzelf uitdrukkelijk “vrijzinnig”, d.w.z. niet-katholiek, on- of antikerks.

Medewerker “Sherlock Holmes” publiceert de enthousiaste brief die Van den Oever aan Maria Broeckx heeft gestuurd om de publicatie van haar gedichten aan te kondigen. Met geveinsde ernst meldt hij dat Van den Oever het motto niet begrepen heeft – anders had hij het niet gepubliceerd. De verzen “O, the prick, the prick, the lovely prick / O, I faint, I faint, I close my eyes,” betoogt hij verder, zijn niet van Rosetti.

Huis van Karel Van den Oever aan de Steenhouwersvest (foto Jan Lampo).

“Holmes” brengt ook aan het licht dat de gedichten van Maria Broeckx eigenlijk van de Nederlandse dichters W.G. van Nouhuys en van Marie Metz-Koning zijn – slechts enkele verzen werden van plaats veranderd. Ook dat heeft Van den Oever over het hoofd gezien…

“Wat bewijst dat nu?” vraagt de literaire detective zich af. Hij antwoordt zelf: “Dat geen enkele der redacteuren van Vl. arbeid de Nederlandsche letterkunde kent, geen enkele, zelfs niet de zeer Eerwaarde Heer Jozef De Cock, Hoogleraar en Kritikus.” Erger nog, het voorval bewijst dat “morgen gelijk welke ploert vrij kan plagiëeren en mits geringe wijziging, zijn afschrift kan in de letterwereld brengen, aangemoedigd […] door Vlaamsche Arbeid.” En, voegt hij eraan toe, “dat is een Schandaal, dat ieder rechtgeaard en weldenkend mensch afkeuren moet en tegenwerken.” Om zijn aantijgingen hard te maken, laat hij de gedichten van Maria Broeckx en de originelen van de Nederlandse dichters volgen.

Gedenkplaat voor Karel Van den Oever aan de gevel van zijn huis (foto Jan Lampo).

De geest is uit de fles. Muls en/of Van den Oever zijn, om verschillende redenen, even boos als “Sherlock Holmes”. Ze doen hun beklag bij de katholieke Antwerpse kranten. Het Handelsblad gewaagt op 9 september van “een ploertenstreek”, op het getouw gezet door “verbitterde schrijvelaars, die hunne meesterstukken niet konden geplaatst krijgen”. Vervolgens, aldus nog de krant, heeft een “nietig blaadje” van “overal afgedankte of weggeschopte ploerten” geprobeerd daar garen van te spinnen. Het echte schandaal, aldus “Fides”, is dat “vandaag op zulke rotheid in de letterkundige Vlaamsche wereld moet gewezen worden.”

Enkele dagen later, op 11 september, doet Gazet van Antwerpen er nog een schepje bovenop met een artikel over “Oneerlijke praktijken in de Vlaamsche letterkunde”. Net zoals zijn collega van Het Handelsblad, vindt de journalist dat Van den Oever niets te verwijten valt. Men kan niet alle gedichten van tweederangspoëten kennen, men verwacht zich niet aan soortgelijk bedrog en de verzen getekend “Maria Broeckx” zijn niet geheel onverdienstelijk…

Cover van “Vlaamsche Arbeid”.

Blijkbaar worden in de wandelgangen van de literatuur al snel namen genoemd. De prozaschrijver André De Ridder (1888-1961), redacteur van het literaire tijdschrift De Boomgaard en oud-medewerker van Vlaamsche Arbeid, stuurt een lezersbrief op hoge poten naar Het Handelsblad. “Zekere vermoedens, die ik rond me opduiken zie en zekere geruchten, die mijn oor reikten” nopen hem ertoe te verklaren dat niet hij verantwoordelijk is voor de mystificatie en evenmin voor de berichtgeving daarover in De Blauwvoet. Niet zozeer Vlaamsche Arbeid is de gedupeerde van de grap, zegt De Ridder, “als […] den onbezonnen redacteur” wiens brief aan Maria Broeckx “feitelijk de pittigste en gekste kant van ’t avontuur uitmaakt.”

Blijkbaar vindt de aanstichter van de hele zaak het nu welletjes. In de Franstalige, katholieke krant La Métropole en ook in een lezersbrief aan Het Handelsblad (21 september), maat hij zich bekend. Het blijkt om Leo Van Goethem te gaan. Van Goethem is zelf journalist bij La Métropole. Hij verzekert zijn lezers van zijn katholieke rechtzinnigheid en wijst op het feit dat hijzelf reeds herhaaldelijk in Vlaamsche Arbeid heeft gepubliceerd.

Jozef Muls (foto AMVC-Letterenhuis).

“Ik zie er hoegenaamd geen bezwaar in openlijk te doen kennen dat ik alleen de dader ben der in den grond heel schuldelooze beetnemerij, waarvan M. Karel Van den Oever het beklagenswaardige slachtoffer werd,” schrijft Van Goethem. “Wat mij echter spijt is, dat er van die zaak misbruik gemaakt werd met ze zoo’n tint van politieke harenplukkerij te geven. […] Ik denk dat het nu zal uit zijn met de commentariën (vooral de politiek getinte) over die guitenstreek, die nooit (door wiens toedoen en in wiens voordeel?) zulke uitbreiding hadde moeten nemen.”

Krokodillentranen? Het ziet ernaar uit. Van Goethem zegt niets over de verontwaardiging van “Sherlock Holmes” in De Blauwvoet. Hij zinspeelt evenmin op het uitgebreide (en bijzonder grappige) interview met Maria Broeckx dat ene “Lieven Vogelaer” in een volgend nummer van diezelfde Blauwvoet heeft laten verschijnen. Daarin verklaart de dichteres “Mijnheer ik was Maagd. […] Litteraire en artistieke Maagd. ‘k Had nooit iets gepubliceerd, Mr Van den Oever heeft me ontmaagd (litterarisch!).”

André De Ridder in 1930 (foto Schrijversgewijs).

“Lieven Vogelaer” steekt genadeloos de draak met Van den Oever door o.m. alle verzen van een gedicht van hem in een andere volgorde te plaatsen en zijn prozastijl te pasticheren. Van Goethem maakt een cameo appearance in de tekst wanneer “Vogelaer” Maria Broeckx laat zeggen dat Van Goethem net als Van den Oever “een bries van vleeschelijke liefde zal doen waaien door de stille kamers onze Vl. Poëzie”.

Zijn “Vogelaer” en Van Goethem een en dezelfde? Het lijkt er sterk op. Wie is Leo Van Goethem en wat bezielt hem? Hoewel de biografie van deze auteur vaag blijft, weten we dat hij vanaf 1909 o.m. in De Boomgaard van André De Ridder verhalen, beschouwende stukjes, gedichten en “poëmen in proza” laat verschijnen. In 1920 zal hij meewerken aan Het roode Zeil, het literaire tijdschrift dat gedurende een jaar de lijn van De Boomgaard voorzet. Tot de redactie behoort behalve P.G. Van Hecke en Arthur H. Cornette o.a. André De Ridder.

Uit zijn teksten treedt Van Goethem naar voor als een nog wat voorzichtige, vroege modernist – een melancholisch gestemde, diep-religieuze rebel die af en toe blijk geeft van talent voor bijtende satire.

Van Goethem sterft in 1931. Uit zijn overlijdensbericht, verschenen in de Brusselse krant Le Soir van 7 mei, blijkt dat hij geboren is in 1887 in Beveren-Waas en dat hij sinds elf jaar voor de krant werkt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog dient hij aan het Ijzerfront, voordat hij in Parijs in opdracht van de Belgische overheid de Nederlandstalige soldatenkrant Het Vaderland opricht.  Le Soir herinnert aan Van Goethems werk bij La Métropole, waar hij zich al jong journalist “onderscheidde door zijn kwaliteiten als nieuwsgierige onderzoeker en liefde voor zijn vak.”

Hoewel de liberale Nieuwe Gazet en het weekblad De Gazet van de “Toneelboekhandelaren Gebr. Janssens, Antwerpen” er nog op terugkomen, raakt de Marie Broeckx-mystificatie snel vergeten. Van Goethem zal nooit de bekendheid van Van den Oever genieten, Vlaamsche Arbeid boert rustig verder en De Blauwvoet wiekt weg in de nacht der tijden.

Verschenen in Zuurvrij nr 22 van juni 2021

Geschiedenis – Kroniek van het Schipperskwartier

Gade weg, gade weg, gade weg:

wij zijn hier, wij zijn hier.

Wij zijn de mannen van het Schipperskwartier.

En zie ze maar eens gaan,

en ze maar een staan,

zoude nu niet zeggen

daar kan geen een ploeg aan.

Liedje van de straatjeugd uit het Schipperskwartier, omstreeks 1900

Kraaiwijk (1000-1300)

De populaire TV-serie Lili en Marleen speelt in een café aan de Koolkaai. Dat is de naam die men in 1885 geeft aan het pleintje dat ontstaat na de overwelving van de Koolvliet. Die vormt al vòòr 1200 het laatste stuk van de watersingel om Antwerpen en fungeert tegelijk als een binnenhaven. Geen wonder dus, dat er scheepsvolk woont: reders-kapiteins die de zee bevaren en hun matrozen, maar ook lieden die hun kost verdienden op de Schelde en haar bijrivieren.

Het Schipperskwartier vandaag – de Vingerlingstraat.

Gehard en roerig volk, welbespraakt en met een bijtend gevoel voor humor, dat zich afzijdig houdt van de handwerkers en de boeren uit de omgeving. De Scheldemonding heeft voor de schippers geen geheimen. In de 12de en de 13de eeuw steken ze al het Kanaal over, tot in Engeland.

De buurtschap waar deze mensen wonen, krijgt de naam Kraaiwijk. Wat die naam precies betekent, weten we vandaag niet meer. Maar “wijk” wijst in ieder geval op een haventje, een plek waar handel wordt gedreven. Vandaag resten ons nog de straatnamen Grote en Kleine Kraaiwijk.

Aan de overkant van de Koolvliet, van aan de Schelde tot aan de weg naar het noorden (Lange Koepoortstraat, Klapdorp, Paardenmarkt) vinden we een drassig weidegebied, de Dries. Hier laten de Antwerpenaars hun vee grazen. Dat doen ook de bewoners van het gehucht Klapdorp. Het ligt aan weerszijden van de weg waaraan het op de duur zijn naam geeft.

De cast van “Lilly en Marleen”.

Tot in 1249 verandert het uitzicht van de buurtschap weinig. Maar dan krijgen de predikheren of dominicanen van kanunnik Hugo Nose (Nosestraat) een

stuk van de Dries om er een klooster te bouwen. Weldra beslaat dat zowat het hele gebied tussen de huidige Dries, Keistraat en Zwartzusterstraat. Bij de Tweede Stadsuitbreiding zal Antwerpen het klooster en een stuk van het oude weidegebied inlijven.

De Sint-Pietersvliet wordt de noordgrens van de stad. Wallen of poorten zijn er niet. Alleen grachten houden de vijand (of veedieven) buiten dit deel van de stad.

Falco en zijn plein (1350)

De Italianen zijn al vroeg bekwame geldwisselaars en bankiers. In de eerste helft van de 14de eeuw slaat Falco de Lampage uit Florence munt in opdracht van hertog Jan III van Brabant. Falco is een rijk man. Van zijn werkgever koopt hij een stuk van de Dries ten noordwesten van Klapdorp. Hij maakt het droog en sticht er op zijn beurt een klooster.

De nonnetjes die er wonen, noemt men naar Falco de falcontinnen en de open plaats voor het klooster heet Falconplein. Lang duurt de falcontinnen alle ruimte tussen Falconplein, Falconrui, Oudeleeuwenrui en Generaal Belliardstraat in handen hebben. Ze beschikken over een kerk en een gastenverblijf en bouwen zelfs huizen die ze verhuren aan particulieren.

Het Falconplein vandaag.

Het gaat Antwerpen voor de wind. Stilaan groeit het uit tot de voornaamste handelsplaats van Brabant. Ook de schippers boeren goed. Ze zwermen uit over de nieuwe buurtschap ten noorden van Kraaiwijk. Aan de Sint-Pietersvliet vestigen zich scheepsbouwers.

Waar nu de Sint-Paulusplaats is, vindt twee keer per jaar de huidenmarkt plaats. Ze duurt twee of drie dagen en men verkoopt er huiden en leder uit de Nederlanden en van daar buiten.

Het Vingerlinc en het ontstaan van het Schipperskwartier (1400-1548)

Bij de Vierde Stadsuitbreiding (14de- begin 15de eeuw) schuift de noordgrens van Antwerpen weer eens op – ditkeer tot aan de Brouwersvliet. Daarover komen twee bruggen die naar heuse stadspoorten leiden.

De vierde stadsuitbreiding (naar Prims).

In de “hoek” tussen de Sint-Pietersvliet en de Brouwersvliet komt omstreeks 1410 een heuse versterking. Zij krijgt de naam Het Vingerlinc – vandaar de naam van de Vingerlingstraat. Bij de bouw van het Vingerlinc ontstaat de Schippersstraat. Eerst heet ze Bredestraat of Klappeistraat. Pas in 1856 krijgt ze haar huidige naam, om verwarring met de Klappeistraat bij de Sint-Willibrorduskerk te vermijden.

De hebben geleerd dat ze er voordeel bij hebben hun gemeenschappelijke belangen samen te verdedigen. Omdat hun activiteit zo belangrijk is voor het economisch leven, legt het stadsbestuur hen allerlei reglementen op. In 1421 verenigen de schippers zich dan ook officieel in een ambacht. Zo’n een organisatie houdt het midden tussen een vakbond en middenstandsvereniging.

Het schippersambacht groeit uit tot een rijke en machtige organisatie. Ze drukt mee haar stempel op de Antwerpse politiek. Bij de huidige Korte en Lange Schipperskapelstraat bouwt het ambacht ca. 1406 een godshuis voor bejaarde schippers. In 1443 krijgt dat een (nieuwe) kapel die de beide straten hun naam geeft.

“Les Demi-Grues” door Carel De Poorter.

In 1477 spelen de schippers een voorname rol in de opstand tegen de jonge hertogin Maria van Bourgondië. Deze kleine revolutie gaat de geschiedenis in als de Quaeye Werelt. Eén van de grootste oproerkraaiers is Peter Biggen, die in de volksmond de heer van Kraaiwijk heet.

Een paar jaar later, in 1480, breekt de stad het Vingerlinc af. In de buurt worden straten geopend: de Vingerlingstraat (die in het begin ook de Oudemansstraat omvat) en de Broekstraat. Die laatste gaat later de Blauwbroekstraat heten, naar een verwerij. Aan de noordkant van de Blauwbroekstraat bevinden zich verscheidene gangen met kleine huisjes. De Oudemansstraat ontleent haar naam aan een godshuis voor oude mannen dat omstreeks 1470 is gesticht.

Zo groeit het Schipperskwartier uit tot een levendige, drukke wijk met woon- en werkhuizen, kroegen en opslagplaatsen, kloosters en kapellen. Het deelt het lief en leed van Antwerpen.

Gilbert van Schoonbeke en daarna (16de-18de eeuw)

Iets voor het midden van de 16de eeuw bouwt Antwerpen nieuwe stadsmuren, de zg. “Spaanse” wallen. Een groot gebied ten noorden van de Brouwersvliet wordt ingelijfd bij de stad. In 1548 sluit bouwpromotor Gilbert van Schoonbeke een contract met de schepenen. Hij zal de Nieuwstad, zoals het daar is gaan heten, verkavelen, er straten trekken en twee nieuwe vlieten graven.

Gilbert van Schoonbeke.

Net zoals de Brouwersvliet staan de Middenvliet en de Timmervliet in verbinding met de Schelde. De Middenvliet kan schepen tot 200 ton ontvangen, de andere twee schepen tot 80 ton. Nabij zijn vlieten trekt Van Schoonbeke straten en bouwt hij huizen. De werken duren tot in 1552. Twaalf jaar later legt men in de Nieuwstad de eerste steen van het Hansa- of Oosters Huis. Dat fungeert als hotel en opslagplaats voor de kooplieden uit de steden van de Duitse Hanze.

Om de waren op te slaan die met platte wagens uit andere plaatsen in Duitsland naar Antwerpen komen, begint men nog datzelfde jaar aan het Hessenhuis.

Het eigenlijke Schipperskwartier is niet langer de noordelijkste buurt van Antwerpen.

Jozef II, de “keizer-koster”.

De Oostenrijkse keizer Jozef II schaft op het einde van de 18de eeuw de “nutteloze” kloosterorden af. Zo ook de falcontinnen. Zij verlaten hun klooster in 1784. De Fransen gebruiken de gebouwen nadien als militair hospitaal. Omstreeks 1810 maakt het klooster plaats voor een kazerne, die blijft staan tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

Alleen de Falconpoort, die toegang verleende tot het klooster, overleeft. Er komt in de 19de eeuw een gang met twintig huisjes achter. Die verdwijnen pas wanneer men 1955 op het terrein van de Falconkazerne het Internationaal Zeemanshuis bouwt.

Napoleons dokken en de Kapel onder de Sint-Paulusplaats

In 1803 besluit de Franse keizer Napoleon om van Antwerpen een militaire haven te maken. Hij beveelt de aanleg van getijdenvrije dokken. Daarvoor maakt men gebruik van de vlieten van Gilbert van Schoonbeke. In 1807 gaan de graafwerken aan het Petit Bassin of Bonapartedok van start. Zes jaar later volgt het Grand Bassin, later Willemdok genoemd omdat de koning der Nederlanden het overdraagt aan de stad Antwerpen.

Napoleon door Ingres.

Anno 1855 overwelft men de Sint-Pietersvliet. Dwars over de gronden van het oude dominicanenklooster trekt men de Sint-Paulusstraat. Aan weerszijden komen voorname burgershuizen.

In één van die huizen wordt in de Franstalige dichter Max Elskamp geboren. Hij verhuist naar de Belgiëlei, maar vereeuwigt “zijn” straat in het gedicht La Chanson de la rue Saint Paul (Het Lied van de Sint-Paulusstraat).

Men legt ook de Sint-Paulusplaats aan. Die krijgt op termijn haar eigen politiebureau. En vlakbij verrijst verrijst het Tolhuis.

De ruien.

Onder de Sint-Paulusplaats vinden we de zg. Kapel, een onderdeel van Antwerpens legendarische ruien. De kapel heeft een oppervlakte van bijna 250 vierkante meter. Ze bestaat uit twee beuken van zo’n vijf meter breed en vier meter hoog, die door twee machtige zuilen van elkaar worden gescheiden.

De Kapel vormt de verbinding van de Minderbroedersrui met de Koolvliet en de Sint-Pietersvliet. De legende wil dat een dertigtal Engelse ingenieurs met hun echtgenote hier in 1890 op bootjes een banket hielden. Eten en champagne zouden daarbij via mangaten van op straat zijn neergelaten.

De leerjaren van een kapitein (ca. 1860)

Omstreeks deze tijd schrijft Domien Sleeckx (1818-1901) de roman In ’t Schipperskwartier (1861). In dit populaire boek, dat tot halverwege de 20ste eeuw geregeld herdrukt wordt, vertelt Sleeckx het leven van de straatjongen Jan Savoir uit het Schipperskwartier. Dankzij zijn grote verstand en doorzettingsvermogen brengt hij het tot scheepskapitein en trouwt met Rozeke, de dochter uit een florissante kaaswinkel aan de Keistraat.

Sleeckx blijft niet blind voor de armoede en de ellende in de gangen en op de zolderkamers van de wijk, maar zijn Schipperskwartier is toch burgerlijker en vooral “braver” dan het echt moet zijn geweest.

De Sint-Pauluskerk.

“Waar ik geboren werd, en wie eigenlijk mijn ouders waren,” vertelt Jan Savoir, “zou ik, om de waarheid te zeggen, niet met juistheid kunnen opgeven. Zooveel is zeker, dat ik een jongen ben van het zoogenaamde Schipperskwartier, dat is, van de wijk, nabij de haven en de dokken gelegen, waar sinds eeuwen dat gedeelte der Antwerpsche bevolking huist, dat in de scheepvaart zijn bestaan vindt. Zoover mij heugt, heb ik nooit andere bloedverwanten gehad, dan een oud vrouwtje, dat ik moeitje noemde, en dat, op de Citernebrug, rechtover de Oude-Leeuwenrui, met een kraampje kersen en krieken, appel en peren zat, of met andere lekkernij, al naar ’t seizoen het meebracht.”

“Wij woonden op een zoldertje, in een gang der Oudemanstraat, waar het ’s zomers zeer heet en ’s winters fel koud was. Eten kreeg ik in nogal tamelijke maat, want moeitje had veel vertier, en genoot zekere befaamdheid bij de snoepzieke jeugd van het Schipperskwartier, zoowel voor haar caramellen en babbelaren, als voor haar smoutebollen, die zij, volgens het oordeel zelfs van meer bejaarde personen, zeer smakelijk wist te bakken, en zonder dat zij noodig had Spaansche zeep te gebruiken, om het beslag te doen rijzen.”

Domien Sleeckx.

Sleeckx heeft het verder over de “veldtochten” die de jeugd van het Schipperskwartier in andere wijken onderneemt: “’t Gebeurde in dien tijd meermalen, dat de jongens van het Schipperskwartier, niet tevreden met onder elkaar te vechten en te borstelen, noodig oordeelden, waarschijnlijk om zich beter in den krijg te oefenen, een grooten, algemeenen veldtocht te ondernemen tegen de knapen van een andere wijk der stad, ik zal maar eens zeggen tegen die van het St. Jacobskwartier (…). Onder het zingen van

“Wij zijn hier, wij zijn hier,

jongens van het Schipperskwartier”

en andere krijgszuchtige liederen, togen dan een paar honderd of meer snaken van onzen kant tegen den vijand uit, werden slaags met dezen, na de onvermijdelijke voorloopige schermutselingen, klopten of werden geklopt, zoodanig, dat er soms zwaar gewonden op het slagveld achterbleven.”

De beschrijving van het huis van Jan Savoirs toekomstige schoonvader leert ons hoe het er uitzag bij de kleine burgerij, niet alleen in het Schipperskwartier, maar in heel Anterpen:

“Overal heerschte een smaak en een pracht, waaraan ik natuurlijk niet gewend was. Zij (de kamer) bevatte vooreerst een kostelijke commode van mahoniehout, waarop een porceleinen servies stond met gouden bloemen. Voor den schoorsteen hing een grooten spiegel, waarin men zich bijkans van het hoofd tot de voeten kon zien, en verder aan de muren schilderijtjes met de historie van Genoveva in print, met vergulde lijsten.”

Huis aan de Sint-Paulusstraat.

“In het midden van de kamer bevond zich een groote ovale tafel, met een rood zwartgebloemd kleed, en de vensters waren behangen met rolgordijnen van wit percal met franjes. Op een hoekkastje prijkten een paar kinkhoren, van de schoonste die ik nog had te zien gekregen, en van de zoldering daalde boven de tafel een nette kleine driemast, voorzien van al zijn takelage en staande want, met volle zeilen. Het was verrukkelijk, zonder te rekenen dat de stoelen en verdere meubels, zorgvuldig geboend, blonken als zoovele zonnen, en dat het gansche vertrek door een zindelijkheid en een rijkdom schitterden, die mij met eerbied vervulden voor de gelukkige bezitters van al die kostbaarheden.”

Verhuizen naar het Schipperskwartier (1885)

De rechttrekking van de Scheldekaaien in 1880-1885 veegt een groot deel van het oudste Antwerpen van de kaart. Duizenden mensen moeten verhuizen. Van Burchtplein en Mattenstraat, Steenstraat en Palingbrug, Visberg en Burchtgracht gaat het naar het meer noordelijk gelegen Schipperskwartier.

Het zijn niet alleen zeelui en arbeiders die verhuizen. Ook een groot deel van de Antwerpse prostituées volgt hen. Zo krijgt een aantal straten in het Schipperskwartier weldra het karakter van rosse buurt.

Jan Denucé.

Tot de vele “landverhuizers” van die dagen behoort de familie van de latere stadsarchivaris Jan Denucé. Eind jaren 1920 schrijft hij zijn herinneringen neer aan het Schipperskwartier anno 1890:

“Het eigenlijke Schipperskwartier, van de (…) sint-Paulusplaats tot aan de Falconplein, kende toen zijn bloeiendste dagen, denk ik. Het was een zuiverder zeeliedencentrum dan de Jordaanskaai; er waren geen groote kantoren noch magazijnen. In de hoofdstraat, Oude-Man, Vingerling- en Schippersstraten waren bijna zonder uitzondering huizen met verlokkende Engelsche en Scandinaafsche uithangborden, veel logementen of ‘slaapsteeën’ waar het zeevolk zoo niet geplunderd dan toch van zijn meeste geld heel snel verlicht werd, vóór het tot standkomen van de officieele zeemanshuizen. Even gemengde bevolking als aan de Werf, maar de Engelschen niet meer zo domineerend; veel Zweden, Denen en Noren, meer en meer Duitschers, Russo-Finnen, Indiërs, minder graag geziene Italianen, weinig Franschen.”

Aan de Schelde…

“Een atmosfeer van Beiersche en Engelsche bieren was niet van de straat; ’s avonds (…) groepen twistzieke dronken matrozen, gillende meiden, gevechten waarin toch steeds de een of andere Antwerpsche vechtbaas, in allerijl geroepen, de nationale eer moest redden. Voor de jeugd was het een erbarmelijk midden; op straat gejaagd omdat de meeste huizen tuin noch binnenplaats hadden, speelden grooten en kleine op het Boelvarke (Oude Leeuwenrui), deden aan grof atletensport met gewichten, krachtmetingen aan natiewagens, ondernamen rooftochten (…), trokken op expeditie naar St-Anneken of naar het Noordkasteel, om fakkels te plukken – en om te gaan zwemmen. (…) Zoo leefde (…) men (…) in het Schipperskwartier, van de rest van de stad afgescheiden en ontkend – behalve de Vastenavonddagen, wanneer een deel van het

De Sint-Paulusplaats.

Antwerpen het Schipperskwartier kwam ontdekken, tuk op exotisme. Toen was het in de smalle straten een gedrang, een waanzinnig gejoel van verkleede groepen, van de gemeenste voddejoën en brooiken-bijt tot de gepruikte markiezinnetjes. De dwaze tocht begon aan de Van Schoonbeke- en Falconpleinen, trok door de Schippersstraat, waar natuurlijk de schitterendste danszaal van de stad, ‘Lucifer’, later ‘Zwarte Kat’ bezocht werd. Dan ging het gewoel door de Vingerling- en Mannekensstraten of Verwersrui, waar bij talrijke ‘Norske Mamas’ even in- en uitgeloopen werd, tot aan de Kalkbrug.”

Vechtersbazen van de Dries (ca. 1900)

Een ander talentrijk kind van het Schipperskwartier is de dichter Armand Willem Grauls (1889-1968). Hij groeit op aan de Dries en zet daarover dertig jaar later zijn herinneringen op papier.

“Inderdaad,” schrijft Grauls, “de mannen van den Dries (…) kónden vechten. In de week waren het gewoonlijk de kolendragers, die den slag aangingen. Er waren in de straat twee naties, de Koolnatie en de Rijnnatie. Van ’s morgens zes uren kwamen de arbeidslustigen naar werk uitzien. In afwachting dat de sjouwersbaas hen kwam uitpikken, stelden zij zich langs de muren der huizen, zaten zij in groepjes gehurkt tegen de deuren, riepen een galant kompliment naar de voorbijkomende zakkennaaisters, sakkerden en vloekten al de engelen uit de hemel (…), trokken uit verveling een kaartspel of liepen in en uit ‘Den gevonden Heiligen’ herberg-afspanning, waar de genever geschonken werd in groote kappers met weinig water en bijna geen peper tegen zeer matigen prijs.”

“Het gebeurde zeer dikwijls dat reeds tegen acht uren het kantje in rep en roer stond om twee boksende kolenlossers te zien beslechten wie het meeste recht had om het eerst aangeworven te worden bij de kolenvoorziening van de aankomende Congoboot. In de venster verschenen ongewasschen vrouwen, trossen kinderen met slechts hun hemdeken aan, werklooze of werkschuwe venten, die met kennis van zaken den strijd volgden en tegelijkertijd toeschouwer en scheidsrechter waren.”

Het is met minder nostalgie dat Grauls terugdenkt “aan de muffe gangetjes en de volgepropte woonhuizen, waar gezinnen met twaalf kinderen geen uitzondering waren, waar de huisvrouwen drie, vier dagen rink-aan-een aan de waschtob stonden, en als hoogste en eenigste weelde met Carnaval en Halfvasten er evenveel dagen en nachten op loszwierden.”

De auteur beschrijft “typen als Den Scheele, een metserdiender, die elken Zaterdag op de lappen ging en eerst ’s Maandags nachts terugkeerde om zijn kamerdeur in te stampen en zijn wijf af te troeven; en Rik de Rat, die zich uitgaf als buildrager, maar nooit werkte, den heelen dag in de kroeg zat en u van alles en nog wat kon aan de hand doen tegen een civiel prijsken”. Voorts herinnert Mie de Rets, een klein moedig huismoederken, met negen kinderen, dat zich letterlijk doodwroette om haar kroost uit de armoede te houden en toch vooral deftig groot te krijgen. Haar oudste jongen geraakte in ’t prison en een van haar dochters belandde als ontuchtvrouw in een bordeel der Spuistraat…”

De Sint-Pietersvliet.

En Grauls besluit: “De ruwe, armoedige doch zoo levensblijde bevolking van havenwerkers en straatjesvolk, de zonnekloppers, de rabauwen, de nachtridders, het rumoerig bedrijf der naties (…), de winkelier- en herbergierkens met hun zeden en gewoonten van Deezekens tijd zijn niet meer te vinden in de thans gemoderniseerde, kleinburgerlijke straat.”

De smaak van opium (1933)

In 1931 publiceert de journalist Carel De Poorter in het Franstalige, liberale dagblad Le Matin een reeks reportages over de onderwereld in het Schipperskwartier. Hij beschrijft expedities die hij zelf in de buurt heeft ondernomen. Twee jaar later verschijnt een ongecensureerde versie van de artikelenreeks in een boek over de prostitutie in de Scheldestad.

Met Ouala, een zwarte ex-bokser en gigolo, bezoekt de reporter een kelder waar Afrikanen hennep komen roken. De Egyptische drugshandelaar Ghyssa neemt De Poorter mee naar een Chinees restaurant aan de Verversrui (waar er toen vele waren) en clandestiene goktent boven, waar Chinezen spelen voor grof geld.

Via een deurtje binnen naast een café komen de twee in een donkere gang. Aan het eind gaan ze een trap op en bereiken een tweede deur. Die geeft toegang tot een elegant gemeubeld appartement. Een Chinees brengt de gasten door een deur achter een gordijn naar een zolder, ingericht in “oosterse stijl”.

Er brandt een kacheltje. Op een tafel staat een elektrische lamp met een rode lampenkap, versierd met paradijsvogels. Twee Chinezen en een blanke matroos liggen op sofa’s, onderhevig aan een opiumroes.

“Ghyssa strekte zich uit op een smalle sofa en schikte de kussens onder zijn hoofd. Ik deed hetzelfde. De Chinees zette een tafeltje bij ons (…). Hij haalde twee pijpen tevoorschijn. Ze hadden een lange steel en een kop, maar half zo groot als een vingerhoed. Met een lange naald viste hij uit een pot op een driepoot twee bruine bolletjes. Hij hield ze bij de vlam van een alcohollamp naast de pot. Vervolgens stopte hij de knisperende bolletjes in de pijpenkopjes en gaf ons elk ons rookinstrument. Ghyssa sloot zijn ogen en bracht de steel naar de mond. Ik volgde zijn voorbeeld.”

Opium…

De rook bezorgt De Poorter een geweldige hoestbui en hij is allesbehalve opgetogen over de vieze smaak van de opium die geen enkel onmiddellijk effect sorteert. De misselijke reporter en zijn Egyptische vriend verlaten de opiumkit.

Een groot café in een straat bij het Falconplein fungeert meer als plaats waar louche deals worden gesloten, dan als drankgelegenheid. De Poorter en Ghyssa ontmoeten er de Duitse cocaïnedealer Fred. Die laatste betrekt zijn waar in Brussel en brengt ze van daar naar Antwerpen, verstopt in de koplampen van zijn auto. Maar een cocaïne waagt De Poorter zich niet.

Naar de hoeren

In een volgend hoofdstuk bezoekt de journalist één van de logementhuizen aan de Schippersstraat. Daar worden zeelui systematisch uitschud en dronken gevoerd, zodat ze minstens één nacht moeten blijven. Terwijl ze hun roes uitslapen, doorzoekt men hun zakken om de naam van hun schip te vinden. Iemand van het logement gaat dan naar de kapitein om bij wijze van voorschot op het loon van de matroos (!) het geld te innen dat hij verschuldigd is voor zijn logies en verbruik…

(foto Het Laatste Nieuws).

Geen wonder dat het logement waar De Poorter neerstrijkt, ook als bordeel fungeert. De uitbaatster heeft een nichtje van zeventien, dat voor driehonderd frank naar boven gaat met ietwat kapitaalkrachtiger klanten. De journalist gaat naar bed met het meisje. Overnachten doet hij in een andere kamer. Hij wordt er opgeschrikt door een Engelsman die zijn bed moet delen en die onbeschaamd op de vloer watert.

In een volgend hoofdstuk vermeldt de journalist terloops de oude, tandenloze (!) hoeren die in de buurt van Steen en Vleeshuis hun klanten oraal bevredigen.

Hij heeft het uiteraard ook over de raamprostitutie. “In de havenbuurt vindt men zowat overal vrouwen die achter een raam op klanten zitten te wachten,” noteert hij. “Ze bewonen een kamer op het gelijkvloers. ’s Avonds steken ze het licht aan, schuiven het gordijn open en stallen zichzelf uit achter hem venster. Bij mooi weer doen ze dat zelfs open, opdat niemand hen over het hoofd zou zien.”

“Vooral aan de Burchtgracht tiert deze soort prostitutie welig. Achter alle ramen aan deze straat zitten vrouwen; de woningen zien er overal min of meer hetzelfde uit. Achterin staat een tweepersoonsbed waarvan de witte gestikte deken uitnodigend is teruggeslagen. In het midden staat een kacheltje met daarop een pot warm water. Voorts ziet men een tafel, twee of drie stoelen en een min of meer aantrekkelijk meisje, wachtend op een logé voor één uur. Ik ken zo’n meisje, dat in haar eentje de economische crisis heeft opgelost: ze is erin gelukt al haar leveranciers, tot zelfs haar huisbaas, in natura te betalen.”

De Burchtgracht, richting Vleeshuis.

Het volk van het Schipperskwartier interesseert Carel De Poorter slechts matig. Toch biedt hij ons even een kijk op het amusement van de buurtbewoners. Dat doet hij in een passage over de “N…-Palace”, een danszaal aan de Schippersstraat, “onbegrijpelijkerwijze getooid met de pompeuze naam van ‘paleis’.”

“Een man met een pet en een wijde trui ontvangt er u aan de deur. Zo beleefd mogelijk, dat wil zeggen zonder u te beledigen, brengt hij u naar een soort kassa, waar u twee frank entree betaalt. De danszaal bereikt men langs een dubbele. Het is een grote, vierhoekige zaal, badend in schel licht en een doordringende stank van mensen. Aan weerszijden loopt een strook van drie meter breed over de hele lengte van de zaal. Hier staan tafels en stoelen; langs de wand zijn banken gemonteerd. Naast de ingang, in een grote nis, staat een verbazend grote tapkast. Vijf of zes mensen zijn erachter in de weer. Dat moet ook, want de clientèle van het paleis houdt evenveel van drinken als van dans, misschien zelfs meer.”

“Tegenover de ingang neemt een enorm wit orchestrion de hele muur in beslag. Het is formidabel groot, gedecoreerd met vergulde cupido’s en met Venussen die zich schijnen af te vragen hoe ze daar terecht zijn gekomen. Er zijn ook nog engelen, wier trompetten een Laatste Oordeel aankondigen waarvan de aanwezigen volstrekt niet wakker liggen.

(foto Gazet van Antwerpen).

“Links achteraan is een podium. Daar zit een jazzkwartet: piano, sax, banjo en drums. De muzikanten, zelfs de dikke banjospeelster, dragen een pet en een trui. Live ensemble en orchestrion wisselen elkaar af. (…)”.

“De clientèle van het havenpaleis is niet afkerig van plezier. Ze bestaat uit aangeschoten matrozen en arbeiders uit de buurt met hun vrouw of vriendin. Jongelui met slechte bedoelingen zitten zonder ophouden achter de meisjes aan. Hun gebaren maken overduidelijk wat ze denken. Het vrouwelijk schoon maakt zich daar overigens niet druk over – integendeel zelfs.”

Een dichter in het Schipperskwartier (ca. 1960)

Van het Schipperskwartier tussen 1957 en 1960 krijgen we een idee dankzij de roman Een hondsdolle tijd (1978) van de vooral als dichter bekende Paul Snoek (Edmond Schietekat, 1933-1981). Hij beschrijft hoe hij van de bushalte bij de kerk voor Noorse zeelui aan de Imalsotunnel door de buurt:

Paul Snoek.

“Om kwart voor acht stopte de bus aan de Norske Sjomanskirke en mijn (…) dasje in een mooie knoop strikkend liep ik de Grote Tunnelplaats over richting Falconplein en wandelde naar Blacky’s bar (…), want alles moest nog beginnen.”

“Het was een prachtige septemberavond. Voor hun huizen op het trottoir zaten dokwerkers en schippers in gestreepte onderhemden van pluizig flanel, tot halverwege de borst trokken brede zware bretellen hun broeken op, zodat hun dikke bierbuiken uitpuilden tussen de gespreide benen. Tot aan de ellebogen waren hun armen gebruind, maar de bovenarmen waren wit en dikwijls versierd met een door onderhuids vet vervormde tatouage uit betere dagen.”

“De dokwerkers droegen kaki petjes van katoenen stof afkomstig uit een Amerikaanse legerstock, de schippers donkerblauwe zeemanskepis. Tussen hun lippen stak een uitgedoofde peuk van een zelfgerolde sigaret en als ze hun mond opendeden om iets te zeggen of om te geeuwen, bleef de peuk aan hun onderlip hangen. Vrouwen leunden tegen de lijst in het deurgat en droegen strak spannende, zwarte satijnen jurken, waaronder men de baleinen van zware korsetten zag uitpuilen. Hun hoofden zaten vol krulspelden, de armen hielden ze boven de zware borsten gekruist en een netwerk van gezwollen donkerblauwe spataders stak fel af tegen de witte, misvormde kuiten. Hier en daar stond een jonge kerel zijn nieuwe scooter op te poetsen onder het bekijks van kinderen in pyjama.”

De Noorse zeemanskerk.

“De geur van opdrogend zeepsop kon de stank uit de riolen niet verdrijven en de muziek die uit de deuren klonk was bijna in elk huis dezelfde en niemand scheen ze te horen.”

“De cafés liepen vol met jonge kerels en hun haar blonk van de brillantine, meisjes, die nog maar pas voor goed de schoolbanken hadden verlaten, stonden in groepjes van drie onvast op hun veel te hoge hakken in hun pettycoats te draaien op het trottoir voor de ingang van de dancings. De zeelui waren nog niet bedronken en drentelden door de smalle straten voorbij de vitrines waarachter oude hoeren zich zaten te schminken of vlug nog een stukje aan het breien waren in het laatste avondlicht dat hun smalle hokje binnensijpelde.”

Bronnen:

FRANCK, L. (ED.). Weerspiegeld Antwerpen. Hoe ’t vroeger was: onze schrijvers over hun stad. Antwerpen, De Sikkel, 1929.

LAMPO, J. Tussen Kaai en Schip, Leuven, Davidsfonds, 2002.

LAMPO, J. Vermaerde Coopstadt. Antwerpen in de Middeleeuwen. Leuven, Davidsfonds, 2000.

LAMPO, J. Zwarte gids voor Antwerpen, Antwerpen, De Dageraad, 1989.

POORTER, Carel de, Les Demi-Grues. La Vie nocture à Anvers. Dans les bas-fonds du port. Reportage vécu. Anvers, Delko, s.d. (1933).

PRIMS, F., Geschiedenis van Antwerpen. Nieuwe uitgave van de oorspronkelijke tekst van 1927-1948, deel IV, Brussel, 1980.

SLEECKX, D. In ’t Schipperskwartier, Brussel, Steenlandt, 1943.

SNOEK, P., Een hondsdolle tijd, Antwerpen; Amsterdam, Manteau, 1978.

THIJS, A. Historiek der Straten en openbare Plaatsen van Antwerpen, anastatische herdruk, Antwerpen, De Vries-Brouwers, 1973.

VANDE WEGHE, R., Geschiedenis der Antwerpse Straatnamen, Antwerpen, Mercurius, 1977.

Literatuur – André De Weerdt, Antwerps volksdichter (1828-1893)

André De Weerdt.

De Weerdts gedichten staan op zichzelf, in die zin dat men ze ook gewoon kan lezen – ze verschijnen zonder muziek inkranten en weekbladen en worden zelfs zo gebundeld (10 deeltjes). Toch zijn ze (vooral) bedoeld om te zingen. De Weerdt schrijft teksten op bestaande melodieën; andere worden door onder meer Alfons Janssens (1836-1915) van eenoriginele partituur voorzien.

Zijn enorme productiviteit ten spijt, komt Dré De Weerdt niet voor in de literatuurgeschiedenis. Daarvoor is zijn werk te volks en te zeer aan de actualiteit gebonden. Dit belet echter niet dat de protestzanger – politiek is één van zijn passies – meesterlijk overweg kan methet Antwerps van zijn tijd, en met rijm en ritme.

De dichter wordt op 6 december 1828 geboren in de slecht befaamde Lepelstraat, vlakbij de Citadel. Daar zijn sinds de 17deeeuw talrijke van bordelen (cfr. Trijntje Cornelis van Constantijn Huygens). In het Ancien Régime verzorgen nonnen er zieken en vestigt men er een ziekenhuis en een begraafplaats voor protestanten. Als we Edward Poffé’s kroniek Vader Vertelt mogen geloven, wonen in de Lepelstraat in het begin van de 19de eeuw veel joden. Dat zij letterlijk aan de rand van de stad zijn neergestreken, heeft uiteraard alles met discriminatie te maken.

Vader De Weerdt is zeilmaker. Dré’s ouders vrouwen pas wanneer hij drie is. Van zijn achtste tot zijn dertiende bezoekt de toekomstige dichter een stadsschool. Na de dood van zijn vader in 1840 gaat hij aan de slag, eerst in de zeilmakerij, vervolgens als leidekker.

Op zijn zestiende monstert De Weerdt aan als matroos op het douaneschip dat in de Antwerpse haven kruist. Hij leert Frans, de taal waarin hij naar eigen zeggen zijn eerste liedtekst zal schrijven. Onder invloed van “Van Ryswyck Theodoor / de kloeke Vlaming en Sinjoor” publiceert De Weerdt vanaf 1849 echter alleen nog in het Nederlands.

Het Willemdok.

Zijn Vlaamse “debuut” draagt de titel Californie en illustreert de grote weerklank van de eerste goudvondst (1848) aldaar. De dichter refereert tegelijk aan de ellende in Vlaanderen, waar een schrijnende economische crisis heerst. De vlasindrustrie legt het af tegen de buitenlandse concurrentie. Vooral in 1846-47 heerst hongersnood, mede door de aardappelziekte. Een en ander resulteert in de emigratie van nogal wat Vlamingen naar het verre “Goudland”.

In tegenstelling tot Conscience, wiens populaire roman Het Goudland (1862) juist rechtstreeks en expliciet tégen de emigratie pleit, raadt De Weerdt de Vlaming zogezegd wél aan om naar Californië te gaan. Hij doet dat echter op ironische wijze, om zijn anklacht tegen materiële en culturele ellende in het eigen land te versterken.

De dichter is eerst liberaal, maar neigt in de loop der jaren steeds meer naar wat hij zelf de “jap” (Antwerpse term voor de katholieken) noemt. Tenslotte sympathiseert hij met de antimilitaristische, Vlaamsgezinde Meetingpartij. Flamingant blijft hij voor het leven. Franskiljonisme en het franskiljonse stadsbestuur zijn bijgevolg zijn bêtes noires en leveren hem het onderwerp voor tientallen scherpe teksten.

Goudkoorts in Calfornië.

De Weerdt brengt die soms zelf, maar de meeste schrijft hij voor zijn vriend Karel Goedemé, bijgenaamd De Scheve (1843-1928), die een café-chantant heeft aan de Visberg, bij de Werf. Ook andere “kluchtzangers” nemen De Weerdts werk op in hun repertoire. Het kan niet anders, of de thans vergeten volksdichter draagt op die manier veel bij tot de verspreiding van de Vlaamse gedachte.

De kleinburger De Weerdt bekritiseert niet alleen het bestuur van zijn vaderstad. Hij steekt ook de draak met de mode, de prostitutie, koffiekletsende huisvrouwen, het spiritisme, de veranderingen in het stadsbeeld, het drankmisbruik, de Franse keizer Napoleon III en zelfs met  diens felle tegenstander Victor Hugo.

Het feit dat men in de Wereldtentoonstelling van 1885 moet betalen om naar het toilet te gaan, brengt hem buiten zichzelf van verontwaardiging. In De grootste strooperij der wereld (15 juli 1885) beschrijft de dichter een bezoek dat hij met zijn vrouw en dochters aan de expo brengt. De lezer verneemt:

“Daar kreeg mijn vrouw in eens de kuur, / (…) Om ook de reis eens t’ ondernemen / (…) in ’t kabinet / Dat is gezet pour la toilette / (…) Ik liet heur doen wat zij begeerde / (…) En ‘k wachtte maar op mijn Paulien / Daar aan de deur / En par bonheur / Mijn dochters ook, die bleven veur /  Het poortje staan, / Als z’ hadt gedaan / Mijn vrouw riep gauw: Niet binnen gaan! / Een kwaartje frank moest ik daar geven / Is dat nu toch niet scandaleus!”

“Roept dat geen wraak! Als g’ hebt gedronken / Een pintje melk of twee of dry / En als het dan wat is gezonken, / Dat ge dan nog betaald daarby / Zooveel verdost (1) / als ’t heeft gekost / Op dat ge’r weer zijt van verlost.”

De Weerdt geeft blijk van een typisch stedelijke humor. Hij is zeer kritisch en staat sceptisch tegenover de heersende vooruitgangsideologie. Naarmate hij ouder wordt, krijgen zijn verzuchtingen een ronduit conservatief karakter. Toch blijft hij een even aandachtig chroniqueur van het stadsleven. De sloop van de Spaanse wallen, de rectificatie van de Scheldekaaien en de aanleg van de Nationalestraat inspireren hem tot tientallen strofen.

Wie zijn verouderd Nederlands voor lief neemt en een beetje op de hoogte is van Antwerpse toestanden in de 19de eeuw, beleeft aan de liederen van De Weerdt even veel plezier als aan een album vol sepiakleurige foto’s uit dezelfde tijd.   Andreas De Weerdt sterft in 1893 in zijn huis aan de Sint-Jobstraat in de Vijfde Wijk. De man die in de inleiding tot zijn eerste bundel Vlaemsche liedjes (1857) heeft geschreven “Wilt het my, och Heer! Vergeven, / Zoo er soms een enkel lied / Naer uw goesting slecht uitziet, / Wees zoo goed, verwyt my niet / Dat ik ook wil dichter heeten”, wordt onder massale belangstelling ter aarde besteld op de begraafplaats van Deurne.

Nader onderzoek is nog nodig, maar een aanzienlijk deel van De Weerdts handschriften in het Letterenhuis is destijds niet in druk verschenen – althans niet in boekvorm.

(1) Verdost:
verdorie, verdomme

Verschenen in Zuurvrij nr. 7 van december 2004