Skip to content
Advertenties

[Geschiedenis] Burchten en kastelen – symbolen van rijkdom en macht

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Neerhof van het (verdwenen) kasteel van Grobbendonk.

In Vlaanderen en Nederland zijn geen burchten gebouwd op ongenaakbare rotsen – daarvoor moet u naar het Rijnland of Zuid-Frankrijk. Maar we hebben wel fraaie waterkastelen waarvan de grachten de torens weerspiegelen. Elders liggen elegante landhuizen uit de 17de of de 18de eeuw verscholen in het groen.

Kastelen spreken tot de verbeelding. Ze doen denken aan krijgsgewoel en geharnaste ridders of aan geraffineerde theekransjes van aristocraten met gepoederde pruiken. Op het einde van de 18de eeuw fungeren ze als decor voor de eerste griezelromans van de Engelsen Horace Walpole en Anne Radcliffe. Maar ze zeggen vooral iets over macht, rijkdom en ongelijkheid. Dat is ook de bedoeling, en al heel lang.

Het Nederlands kasteel is, net zoals het Franse château of het Engelse castle een verbastering van het Latijn castellum dat ‘versterking’ betekent. Maar bij ons waren of zijn niet alle kastelen ook effectief versterkte gebouwen. In de middeleeuwen waren alleen koningen en regionale vorstel zoals de graaf van Vlaanderen of de hertog van Brabant in staat om grote burchten te bouwen.

Vaak bestonden zelfs die in een eerste fase uit aarden wallen en houten constructies. Graaf Filips van de Elzas herbouwt het Gentse Gravensteen pas in 1180 in steen.

‘Gewone’ edelen en ridders betrekken hun inkomsten uit een of meerdere heerlijkheden – dorpen, zeg maar, waar zij letterlijk heer en meester zijn. Ze bezitten de grond, bepalen het lot van de boeren en spreken recht. In ruil daarvoor bieden ze hun ondergeschikten in geval van nood bescherming.

Rijk in de moderne zin van het woord is de middeleeuwse adel niet. De levensomstandigheden zijn tamelijk primitief, ook voor wie een paar sporten hoger op de sociale ladder staat. De inkomsten van een dorpsheer laten hem en zijn familie toe beter te leven dan hun lijfeigenen en pachters, dat wel. Vaak is hij echter niet welgesteld genoeg om de wapenrusting en de paarden de kopen waarmee hij zich bij het leger van zijn vorst moet voegen wanneer oorlog uitbreekt.

Een heerlijk domein bestaat uit drie delen. Het eerste baat de heer zelf uit. Hier werken de lijfeigenen of laten die volledig van hem afhankelijk zijn. Daarnaast zijn er de halfvrije bewoners van mansi of boerderijen. Zij werken voor eigen rekening maar moeten de heer een deel van de opbrengst geven en allerlei “hand- en spandiensten” bewijzen.

Tenslotte zijn er gemeenschappelijke weiden, moerassen en bossen waar boeren van de mansi hun vee laten weiden, hout sprokkelen, enz. De oppereigendom behoort echter aan de heer. Supplementaire inkomsten haalt die uit zijn molen, brouwerij en/of wijnpers. Alle onderhorigen zijn verplicht om die tegen betaling te gebruiken voor hun bier, brood of wijn. Dit noemt men de ‘banrechten’.

Het centrum van het domein is het huis van de heer. Indien hij het zich kan veroorloven, bouwt hij een houten woontoren op een heuvel of anders op een motte of kunstmatige hoogte. Daaromheen ligt het neerhof met verschillende houten bijgebouwen. Een gracht en een houten palissade beschermen de neerhof tegen rovers en vijandige buren en houden het vee binnen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De waterburcht van Vorselaar (foto Jan Lampo)

Op het einde van de 11de, maar vooral in de 12de eeuw vervangen wat rijkere edelen hun houten toren of donjon  door een in steen – in onze streken is dat baksteen, al wordt soms natuursteen aangevoerd om het geheel meer aanzien te geven. Meestal bouwt men de nieuwe toren naast de motte. Opgehoogde grond biedt immers niet genoeg stabiliteit voor een stenen constructie. In zeldzame gevallen zet men de toren op de begane grond en legt men rond de onderste verdieping een motte aan.

In geval van nood heeft de donjon een defensieve functie, maar een lang beleg kan hij niet doorstaan. En hij is ook niet geschikt als uitvalsbasis om zelf een oorlogje te beginnen.

Slechts machtige heren die over uitgestrekte domeinen beschikken, zijn in staat een peperdure stenen omwalling of enceinte op te trekken. Zo krijgt Gerard van Rotselaar op het eind van de 13de eeuw van de hertog van Brabant de toelating om in het Kempense Vorselaar een waterburcht op te trekken.

Maar alles is een kwestie van perspectief, en ook de ‘gewone’ donjon is een belangrijk statussymbool.

TerHeideRotselaer

De donjon van de heren van Rotselaar.

De onderste verdieping van de woontoren – gelijkvloers of onder de grond – fungeert als voorraadruimte. Daarboven bevindt zich de ontvangstruimte, die men van buiten bereikt via een (houten) trap. Zij is soms fraai gedecoreerd en heeft versierde gewelven.

Het gezinsleven van de heer speelt zich af op de etage daarboven. Ze beschikt over ramen, een grote open haard en een latrine – een uitstekende nis, met een gat waardoor uitwerpselen langs de buitenkant van de toren naar beneden vallen. Daarboven bevinden zich idealiter een slaapverdieping, laag en zonder haard en helemaal bovenaan een zolder of een verdedigbaar platform.

Hoewel de adel tot vandaag een enorm prestige geniet, is zijn glorietijd van relatief korte duur. Vanaf de 13de eeuw versterken koningen en regionale vorsten hun macht. Ze steunen in toenemende mate op de steden. Die ontwikkelen zich sterk dankzij handel en industrie.

De lakennijverheid maakt van Vlaanderen een van de rijkste en meest verstedelijkte regio’s van Europa, zodat de evolutie hier relatief snel verloopt. Vaak zijn de stenen (stenen huizen) waarin rijke kooplieden en ondernemers wonen groter en luxueuzer dan de woontorens van de plattelandsadel.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De watermolen van Grobbendonk, ooit een banmolen van de heer.

De opkomst van de geldeconomie maakt het leven duurder, ook voor de dorpsheer. Maar zijn inkomsten, die traditioneel zijn vastgelegd en, zoals Henri Pirenne zegt, “door eeuwenoud gebruik geheiligd”, blijven dezelfde.

Vooruitziende heren maken hun lijfeigenen vrij en verpachten een stuk grond aan hen. De boeren van de mansi mogen  voortaan een deel van verplichtingen afkopen met geld. Klinkende munt vervangt lastige en tijdrovende karweien. Andere ridders verlaten het platteland en gaan aan de slag in de snel groeiende administratie van de vorst. Toch slaagt een deel van de adel er niet in zich te handhaven.

Ondernemers

De militaire rol en de politieke macht van de herengeslachten worden kleiner. Tegelijk proberen steeds meer machtige en welgestelde roturiers (niet edelen) tot de adel door te dringen. Vanaf het eind van de middeleeuwen spelen koningen, maar ook graven en hertogen daarop in met het verlenen van adelsbrieven (waarvoor flink betaald moet worden) aan verdienstelijke onderdanen. De oude noblesse d’épée (adel ‘met het zwaard’) kijkt op hen neer, maar zal zijn zonen en dochters noodgedwongen aan hen uithuwelijken.

De kooplui en ondernemers in de steden verdienen handenvol geld. Ze gebruiken een deel van hun winst om opnieuw te investeren of ze lenen geldt uit tegen interest. Maar ze willen hun rijkdom vooral veilig stellen. Daarom investeren ze liefst in grond, nog altijd de zekerste belegging. In Vlaanderen financieren stedelingen zelfs het indijken van polders.

Grobbendonk

Het kasteel van Grobbendonk.

Zo komt het dat stedelingen invloed verwerven op het platteland – eerst in de omgeving van de stad, maar weldra elders. De rijkste burgers kopen heerlijkheden en nemen de plaats van de heren in. Anderen stellen zich (voorlopig) tevreden met een paar goed renderende boerderijen.

In de laatmiddeleeuwse steden leven de mensen dicht op elkaar. Arm en rijk wonen zijn aan zij; eigen wijken hebben ze nog niet. Van systematische vuilnisophaling is geen sprake. Rioleringen bestaan niet. Varkens, pluimvee en zwerfhonden maken de straten onveilig. Die zijn niet geplaveid. Zodra het regent, veranderen ze in slijkpoelen. Om de haverklap breken besmettelijke ziekten uitbreken. Vanaf mei of juni maakt de zomerhitte alles nog veel erger.

Virgilius

Edelen met een huis in de stad keren sinds mensenheugenis ’s zomers terug naar hun kasteel op de buiten om te ontsnappen aan de herrie en de stand. De rijkste burgers doen dat nu ook. Het voorbeeld spreekt sterk tot de verbeelding, ook van wie iets minder welgesteld is.

Sommige stedelingen met een boerderij komen op de idee daar een of meer kamers wat beter in te richten, zodat ook zij en hun familie in het warme seizoen kunnen ontsnappen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De 18de-eeuwse voorbouw van het kasteel van Vorselaar, vermoedelijk een ontwerp van Jan Pieter van Baurscheit de Jonge (foto Jan Lampo).

Dit fenomeen doet zich het eerst voor in het sterk verstedelijkte Toscane. Men put inspiratie uit het werk van Romeinse schrijvers als Horatius, Martialis en Plinius de Jongere die in de eerste eeuw van onze tijdrekening het landleven verheerlijken.

Rijke, gevultiveerde Romeinen verkiezen de eenvoud en de informele levenswijze in hun villa boven de drukte en de verdorvenheid van de stad. Hun standpunt is dat van geprivilegieerde burgers die zich een buitengoed kunnen veroorloven waar ze lezen, discussiëren met vrienden en wandelen in gecultiveerde landschappen. Wat slechts mogelijk is dankzij het hard labeur van pachters en slaven.

Decamerone

Virgilius propageert de landbouwpolitiek van keizer Augustus en verwoordt de idealen van de rijke landeigenaar. Hij verheerlijkt een natuur die door de mens “getemd” is; het bestaan van landbouwers en herders stelde hij voor als nobel en zorgenloos. Leiding geven aan een landbouwbedrijf, zo vinden al deze schrijvers, is een waardige en moreel hoogstaande bezigheid voor een heer van stand.

Beersel

De waterbucht van Beersel.

n de 14de eeuw wekt Petrarca met zijn Vita Solitaria en zijn brieven de Romeinse opvatting over het landelijk leven opnieuw tot leven. Zijn geschriften oefenen een grote invloed uit. Omstreeks het midden van de 14de eeuw houden tientallen rijke burgers van Firenze er een villa buiten de stad op na. Giovanni Bocaccio vertelt in zijn Decamerone hoe zeven adellijke jongedames en drie jonkers in 1348 de pestepidemie in de stad ontvluchten naar een nabijgelegen villa.

“Na amper twee mijlen bereikten zij reeds hun bestemming. Het landgoed lag een heel eind van de grote wegen op een heuvel, die met een weelde van groene struiken en planten was begroeid. Op de kruin ervan stond een paleis met een grote en fraaie binnentuin en talloze prachtige zuilengalerijen, zalen en vertrekken, die allemaal met bonte muurschilderingen waren opgesmukt. Eromheen lagen groene weiden en betoverende tuinen.”

“In de putten was fris water in overvloed, en de kelders puilden uit van kostelijke wijnen, die meer van pas zouden komen voor drinkebroers dan voor deze matige en ingetogen dames.  Alles was piekfijn in orde, in alle slaapkamers waren de bedden opgemaakt, de vloeren waren met biezen matten bedekt, en overal stonden tot genoegen van het gezelschap grote ruikers veldbloemen.” (BOCACCIO, G. Decamerone [vertaald uit het Italiaans door Frans Denissen], Antwerpen; Amsterdam, Manteau, 1982, p. 20).

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Grobbendonk (foto Jan Lampo).

Een gelijkaardige ontwikkeling doet zich voor in de omgeving van Venetië. Families uit de Dogestad bouwen kasteelvilla’s die geïnspireerd zijn op hun eigen paleizen in de stad, zoals bijv. de Villa Porto-Colleone in Thiene, ten noorden van Vicenza.

Vooruitstrevende architecten als Jacopo Sansovino en Michele Sanmicheli ontwerpen vanaf de jaren 1530 echte renaissancelandhuizen. Zij zijn de onmiddellijke voorlopers van de beroemde Palladio, die zich verdiept heeft in de Romeinse architectuur. Hij maakt illustraties voor de commentaar die een van zijn opdrachtgevers schrijft op de traktaten over architectuur van Vitruvius. Palladio bouwt tientallen eenvoudig ogende, maar elegante villa’s. Door de publicatie van zijn I quattro libri dell’architettura (1570) raken zijn ideeën tot ver buiten Italië bekend.

Cleydael

Ten noorden van de Alpen zijn de Antwerpenaars de pioniers van de villa rustica. De stad steekt vanaf het einde van de 15de eeuw Brugge naar de kroon als belangrijkste haven van noordwest Europa. Na 1525 richten nieuwe (en minder nieuwe) rijken uit de stad een buitenverblijf in.

De voornaamste kooplieden kopen een heuse heerlijkheid, doorgaans met een oud kasteel. De Italiaan Giovanni d’Affaitadi wordt heer van het oude Selsaeten in Wommelgem. Erasmus Schetz – zijn familie komt oorspronkelijk uit Duitsland – koopt in 1545 de Kempense heerlijkheid Grobbendonk met haar kasteel aan de samenvloeiing van Nete en Aa. De puissant rijke Gillis Hooftman verwerft de waterburcht Cleydael tussen Aartselaar en Hemiksem.

Cleydael2

De waterbucht Cleydael in Aartselaar.

Anderen moeten het voorlopig stellen met een herenkamer in een hoeve. Maar ook ‘kleine’ kooplui bouwen steeds vaker een nieuwe, comfortabele ‘villa’ naast hun boerderij. In het begin zien deze bouwsels er precies zo uit als een woning in de stad, met bakstenen trapgevels met speklagen en raamomlijstingen in natuursteen. Sommigen bezitters schrikken er echter niet voor terug hun huysinghe van plaisantie te versieren met een of meerdere torentjes.

Dankzij de publicaties van schilder Pieter Coecke van Aalst en de plaatwerken van de beeldhouwer en architect Cornelis Floris maakt men kennis met de moderne (Italiaanse) interpretaties van de klassieke architectuur en decoratieve kunsten. Zelf blijft men nog een hele poos in traditionele stijl bouwen, maar in de versiering van gevels en interieurs duiken klassieke elementen op.

Playsantie

De landbouwuitbating blijft bestaan: zij levert de eigenaar groenten en fruit voor eigen consumptie; soms zijn er overschotten voor de verkoop. Vaak scheidt men het eigenlijke hof van playsantie of speelhof doormiddel van grachten en hagen af van zijn omgeving. Naar de toegangspoort leidt een fraaie dreef. Rondom het huis wordt een formele Franse tuin met wandelpaden en perkjes aangelegd. Daartussen komen beelden te staan. Boomgaarden zijn ook erg in trek.

Op sommige plaatsen – Hoboken, bijvoorbeeld, maar ook Wilrijk, Borgerhout en Merksem – komen zoveel hoven van playsantie dat ze het uitzicht van het dorp bepalen. Hun aanwezigheid heeft invloed op de lokale economie. Ambachtslui en herbergiers profiteren van de aanwezigheid van talrijke kapitaalkrachtige stedelingen – en van anderen, minder begoed, die op zon- en feestdagen op het platteland bier komen drinken waarop geen of minder hoge accijnzen worden geheven.

Bouwel

Het  bescheiden “kasteel” van Bouwel.

Ook aan het interieur van het hof van playsantie besteedt men veel aandacht. Muntmeester Nicholaas Jonghelinck draagt de schilder Frans Floris op een kamer van zijn hof van de stad te decoreren met wandschilderingen over het leven van Hercules. Een ander vertrek versiert Floris met de voorstelling van de zeven vrije kunsten.

Carel van Mander schrijft: “Daer zijn van hem [Frans Floris] gheweest seer heerlijcke stucken t’Antwerpen by eenen liefhebber […] in zijn nieuw ghebouw in Marck-graven Leye. Eerstlijck in een Camer, die Hercules Camer was gheheeten, d’historie van Hercules, ick meen in thien stucken. Noch in de Camer van de seven vry Consten, waren oock de seven vry Consten. Alle dese dinghen waren seer heerlijck gheschildert, uytnemende van studie, naeckten en aerdigh van lakenen en ordinantien.”

Pieter Bruegel de Oude

Daarnaast bezit Jonghelinck nog ander werk van de schilder – en zestien (!) schilderijen van Pieter Bruegel de Oude. In het goed Zurenborg van burgemeester Michel van der Heyden hangen talrijke schilderijen, waaronder een werk van Quinten Metsys, twee van Jeroen Bosch en een hele reeks familieportretten. Vermeld worden ook een schilderij met Venus en Cupido, een olieverfschilderij met personages en een hof van playsantie in een landschap. Voorts zijn er wandtapijten met jachttaferelen, bloemen en bomen.

De speculant en bouwpromotor Gilbert van Schoonbeke koopt in 1547 van schout Willem van de Werve het uitgestrekte Hof ter Beke ten zuidoosten van de stad. Het gaat om een domein van 46 hectare dat 15.900 gulden kost. Van Schoonbeke legt wegen aan – de Markgravelei, de Emmauslei (Van Schoonbekestraat) en verscheidene straten in de omgeving).

De percelen daarlangs verkoopt hij aan welgestelde Antwerpenaars die er een hof van playsantie bouwen. Het Hof ter Beke, thans eigendom van de Provincie Antwerpen, is daar het enige overblijfsel van. Maar omstreeks 1570 bevinden zich hier en op het nabije Kiel 126 buitenverblijven – sommige klein, maar andere groot en luxueus. In een straal van 20 km om de stad zijn er tussen 1540 en 1600 minstens 240.

In de 17de eeuw is de Schelde gesloten en raakt de economie van de Zuidelijke Nederlanden steeds meer in het slop. Amsterdam neemt de rol van Antwerpen over. Hier en in andere steden van de Republiek doet zich hetzelfde fenomeen voor. De stedelijke bovenlaag bouwt riante buitenverblijven, zoals het Catshof in Den Haag (thans residentie van de Nederlandse minister-president), het beroemde Hofwijk, het buiten van de diplomaat en dichter Constantijn Huygens of de landhuizen aan de Vecht, ten noorden van Utrecht.

In het zuiden streeft de klasse van rijk geworden handelaars naar assimilatie met de adel. Een vrouw uit de beroemde drukkersfamilie Moretus wordt op de vingers getikt omdat ze zich zoals een adellijke dame ‘mevrouw’ laat noemen, in plaats van ‘juffrouw’, de aanspreektitel voor vrouwen uit de burgerij (ook als ze getrouwd zijn). Anderen plaatsen op het graf van hun voorouders zerken met wapenschilden en andere heraldische tekens waar ze geen recht op hebben.

Maar de aanhouder wint. Vaak dienen leden van aanzienlijke burgerfamilies de koning van Spanje en nadien de keizer van Oostenrijk als officier, leverancier aan het leger of als geldschieter. En zulke diensten worden beloond met adelsbrieven. Adeldom niet alleen een kwestie van prestige, maar ook van voorrechten. Een edelman is vrijgesteld van belasting. Hij geniet bovendien allerlei privilegies, zoals het dragen van een degen. Bepaalde functies in het leger of het overheidsapparaat zijn enkel voor edellieden toegankelijk.

Een van de voorwaarden waaraan men zeker moet voldoen om in aanmerking te komen voor een verheffing in de adelstand, is leven ‘zoals een edelman’. Dat laatste is een stimulans te meer om een oud kasteel te kopen of een fraai buitenverblijf op te trekken.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Kasteel Sorghvliedt in Hoboken (foto Jan Lampo).

Zelfs de echelons van de hoge adel zijn niet immuun voor nieuwkomers. De Schetz’en, in de 16de eeuw nog groothandelaars en financiers, mogen zich in de 18de eeuw hertogen van Ursel en Hoboken noemen. Talrijker zijn de nieuwe jonkers – ze krijgen een adelsbrief, maar geen echte titel – die hun familienaam voortaan laten volgen door een ‘particule’ en de naam van een heerlijkheid.

De eigenaars van oude kastelen, wie ze ook zijn – oude of jonge adel, semivorstelijke families of nouveaux riches – kiezen al vòòr 1600 resoluut voor comfort. Het geweld is een monopolie van de staat; legers zijn steeds professioneler en burchten spelen geen rol meer in de oorlogvoering.

Ze breken de hoge wallen van hun slot af en veranderen het sombere binnenplein in een open cour d’honneur. In dikke burchtmuren en stoere hoektorens komen ramen die licht en lucht naar binnen laten. In de tweede helft van de 18de eeuw schrijft de prins van Ligne trots een verhandeling over de romantische Engelse tuin rond zijn kasteel van Beloeil. De D’Ursels laten hun waterslot in Hingene door de beroemde architect Servandoni ombouwen tot een elegant classicistisch kasteel.

Gotiek

Paradoxaal genoeg grijpen de kasteelheren van de 19de eeuw – er zijn nu ook sigarenrokende industriëlen in donkere pakken bij – bij onder invloed van de romantiek en de opkomende architectuurgeschiedenis terug naar de gotiek. Aan kastelen zoals het vervallen Gaasbeek, maar bijv. ook het gemoderniseerde waterslot van Vorselaar, voegen ze nieuwe “middeleeuwse” elementen toe – hoektorentjes, spitsboogramen, kantelen en noem maar op.

De cirkel is rond, zo lijkt het. Maar die constatering houdt geen rekening met de badkamers, de toiletten en de centrale verwarming die moderne kasteelheren nodig hebben. En er is nog een groot verschil. De Franse revolutie heeft komaf gemaakt met de privilegies van de adel. De Belgische wet ziet een adellijke titel slechts als ‘accessorium van de naam’ waaraan geen voorrechten verbonden zijn die indruisen tegen het grondwettelijk principe dat alle burgers van het land gelijk zijn.

Kastelen. Soms zijn het hotels geworden of gemeentehuizen of goldclubs. Elders doen eigenaars hun uiterste best om hun eeuwenoude erfgoed in stand te houden. Maar de schoonheid is vaak gebleven. En niets zegt dat wij bij het bekijken van historisch eroed geen echo mogen voelen van de bewondering en de afgunst die onze niet geprivilegieerde voorouders ervoeren.

Gepubliceerd in “Eos Memo” nr.5.

Memo5

Advertenties
No comments yet

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: