Skip to content
Advertenties

[Column] Vergeet niet te bewaren

JanAMVC

(foto Bert Weis)

Ik ben jarenlang journalist geweest. Dat verklaart, denk ik, hoe het komt dat uiteenlopende dingen mijn nieuwsgierigheid opwekken. Binnen zekere grenzen toch – sport laat mij onverschillig, kookprogramma’s zap ik weg en bier lust ik niet (wat van mij een abnormale Belg maakt).

Uiteenlopende dingen? Bij nader inzien zijn het vooral historische periodes. Ik heb voor historicus geleerd en wat ik doe is, vrees ik, wat ik ben. Ik heb geen kinderen, geen druk sociaal leven, geen hobby’s. De dingen die mij passioneren zijn het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw toen de romantiek hoogtij vierde, de Dark Ages van 400 tot 800, middeleeuwse ketters en de geschiedenis van mijn stad. Om de voornaamste te noemen.

Is het dan niet moeilijk om te werken in een archief dat zich, theoretisch, alleen bezighoudt met het ontsluiten en bewaren van materiaal van en over Vlaamse schrijvers? Dat valt best mee, want ook literatuur is een onderwerp waar ik niet genoeg van krijg.

Sinds ik druklettertjes leerde ontcijferen, bijna een halve eeuw geleden, ben ik onvoorwaardelijk verslaafd aan lezen. Soms is de film beter dan het boek, maar ik blijf lettertjes boeiender vinden dan plaatjes.

Mijn werk dwingt mij om mij met dezelfde zorg te ontfermen over archief van de schrijvers die ik bewonder als over dat van hen die ik minacht. Dat leidt soms tot gevloek, maar het is een nuttige oefening.

Lieden van mijn generatie – ik ben een (late) babyboomer – voeren discipline niet erg hoog in het vaandel. Ik heb moeite met vroeg opstaan en kantooruren; op school was ik geen gemotiveerde leerling. In plaats van naar het leger te gaan, heb ik burgerdienst verricht. Maar ik heb, tandenknarsend, geleerd dat het toch wel nuttig is en leerzaam om zekere vormen van intellectuele rigueur te beoefenen.

Het Letterenhuis, waar ik mijn boterham verdien, noemt zichzelf het “geheugen” van de Vlaamse letteren. Archieven en musea bestaan om als geheugen van de maatschappij te fungeren. Iedere psycholoog zal beamen dat het individuele geheugen – dat van u en mij – subjectief en selectief is. Maar het geheugen van een samenleving is geen hersenfunctie – het is een maatschappelijk, wetenschappelijk project in dienst van het algemeen belang.

Daarbij is het essentieel om in alle omstandigheden zo objectief mogelijk te werk te gaan. Gemakkelijk is dat niet, want objectiviteit is geen gegeven maar een ideaal. Iedere menswetenschapper beseft dat – of zou het moeten beseffen. Objectiviteit is zoals democratie: ze moet voortdurend nagestreefd, bewaakt en beschermd worden.

Concreet betekent dit dat wij ook de papieren van schrijvers die wij niet bewonderen – elk van ons heeft, vermoed ik, zijn bêtes noires – met de grootste zorg behandelen. Daar worden wij voor betaald en het is onze intellectuele plicht.

Wie mij kent, weet dat ik privé een anarchist ben; lieden die moreel of intellectueel gezag over mij claimen maak ik het, vaak zonder het te beseffen, moeilijk. Maar van de muzen van de geschiedenis en de schone letteren ben en blijf ik de onvoorwaardelijk trouwe dienaar.

Wij moeten weten wie wij zijn, waar we vandaan komen; dat maakt onze keuzes voor vandaag en morgen beter. Ik geloof dat behalve de administratieve dossiers uit grote archiefinstellingen ook de woorden van dichters en romanschrijvers daarbij een rol kunnen spelen.

Het is de nederige, maar soms spannende taak van ons, archivarissen, al dat verstilde leven en voorbije schrijven zó te ordenen dat wetenschappers en nieuwsgierigen – de biografen, de literaire en andere historici – ermee aan de slag kunnen.

Archief inventariseren leert je niet alleen iets over de persoon die het archief “vormde” (zoals dat in het jargon heet). Het brengt de archivaris ook veel bij. Empathie of op zijn minst begrip voor mensen uit een andere tijd, wier opvattingen over morele en politieke zaken soms verrassend ver van de onze af staan. Inzicht in literaire opvattingen die niet de onze zijn. En de onthutsende constatering dat schrijvers die elkaar bij leven rauw lustten op dezelfde manier hun typoscripten verbeterden.

Ik vind dat kostbare kennis, in een tijd dat iedereen verhangen is aan zijn eigen emoties en opinies, kortetermijndenken en tunnelzicht.

 

Verschenen in “Eos Memo” nr. 10 van juni 2014.

Memo10

Advertenties
One Comment Post a comment
  1. Roger De Maertelaere #

    Verdomme Lampo, wat is dit alweer een mooi, want fraai geformuleerd en niet van zelfkennis gespeend, stukje proza. Een bouwstuk zoals ik ze graag hoor.
    Semper fidelis.
    Roger De Maertelaere

    juni 9, 2014

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: