Zonder onderzoek in de doos. Dagboeknotities van Emmanuel de Bom, 10-13 september 1914

Emmanuel de Bom (foto Letterenhuis).

Op donderdag 10 september 1914 om 13 uur hameren gendarmes in burger op de deur van nummer 76 in de Antwerpse Clementinastraat. Ze komen voor de bewoner van het huis, hoofdbibliothecaris en schrijver Emmanuel de Bom. Een maand eerder, op 4 augustus, zijn Duitse troepen de grens van het neutrale België overgestoken. In het land heerst paniek.

De rijkwachters arresteren een ontredderde De Bom en voeren hem te voet naar hun kazerne in de Vlierstraat. Daarvandaan gaat het naar het hoofdkwartier van het Belgische leger in de Kipdorpvest. De bibliothecaris wordt voorgeleid bij niemand minder dan generaal Deguise, bevelvoerder van de Versterkte Stelling Antwerpen. ‘Emmenez cet homme’, commandeert de officier tot slot van een korte, onvriendelijke ondervraging. Men brengt de schrijver, per rijtuig deze keer, over naar de neogotische gevangenis in de Begijnenstraat. De man weet nog altijd niet waarvan hij beschuldigd wordt.

De waarheid heet het eerste slachtoffer van de oorlog te zijn. Emmanuel de Bom ondervond dat aan den lijve. Sinds 27 augustus mocht hij op last van zijn werkgever, het Antwerpse stadsbestuur, geen artikelen meer schrijven voor de Nieuwe Rotterdamse Courant. Die verscheen immers in het neutrale Nederland en men vreesde dat de oprukkende Duitse vijand er informatie uit zou kunnen halen over wat er achter de Belgische linies gebeurde.

Nederlander

Daarop kwam er een Nederlandse medewerker van de krant naar Antwerpen, identiteit niet bekend. Zijn lange en kritische verslag over de toestand had als strekking dat de Belgen er niets van bakten. Toen de NRC het stuk publiceerde – artikelen verschenen vaak anoniem – dacht de Belgische militaire overheid direct, en verkeerdelijk, dat De Bom de auteur was. Of iemand fluisterde het haar in, dat is een eeuw later nog niet duidelijk.

De detentie van de schrijver duurde bijna vier dagen vol angst, onzekerheid en verontwaardiging. Men kan erover lezen in het dagboekje dat hij van 10 tot 13 september in de gevangenis bijhield en dat zich in zijn archief in het Letterenhuis bevindt. De Bom schreef zijn indrukken en gedachten neer met een potlood op dubbelgevouwen vellen papier van 42 bij 27 centimeter. Zo haalde hij uit elk vel vier bladzijden. Die kleine pagina’s genoten overigens ook buiten de gevangenis zijn voorkeur, zowel voor zijn literaire werk als voor vele van zijn ontelbare brieven.

In cel met warm bad – word misselijk van de vochtige hitte – daarna door barmhartigheid in luchtige kamer wat bekomen – in cel met [onleesbaar] – men brengt eten van thuis – in cel nr. 36 op 1e verdiep – Licht – soldaat ernaast is in zijn nest.

De gevangenis in de Antwerpse Begijnenstraat (foto Letterenhuis).

Ondanks het eten dat zijn vrouw Nora van thuis uit de Clementinastraat liet brengen – dat mocht, blijkbaar – beleefde De Bom een ‘slechte’ nacht. Hij beklaagt zich in zijn notities over het ‘groflinnen laken’ en lag naar eigen zeggen de hele tijd te piekeren. Geen wonder, want ook al in zijn brieven uit vredestijd komt de bibliothecaris naar voren als een overgevoelige, vrij egocentrische man wiens psychische gesteldheid steeds ook fysieke reacties bij hem oproept.

“Honderd maal wakker. ’s Ochtends met zieke ingewanden, voel ik me afgetobt – Ik blijf liggen[,] aangekleed. “

Journalist

De Bom heeft een goed herkenbaar, duidelijk handschrift, maar emotie en zuinigheid – de hoeveelheid papier die hij bij zich heeft, is ongetwijfeld beperkt en hij weet niet hoelang zijn opsluiting zal duren – maken de woorden soms moeilijk leesbaar. De zeventien dicht beschreven kantjes van het gevangenisdagboekje bewijzen in ieder geval dat hij zelfs achter de tralies een journalist bleef:

“Zaterdag 7 1/2u. Ik ben al anderhalf uur op, het grauwe licht valt uit het kleine van ijzeren staven ruim voorziene raampje. Het geeft geregend en gedonderd. Buiten hoor ik praten, misschien wel door hier ook opgehouden soldaten. In de gangen almaar getrappel van klompen, gevangenen die huiswerk verrichten.”

De Bom twijfelde er niet aan dat zijn vrouw alles in het werk stelde om hem vrij te krijgen. Hij hoopte dat ze de Vlaamsgezinde katholieke advocaat en volksvertegenwoordiger Frans van Cauwelaert kon inschakelen.

“Ach, als Van Cauwelaert toch den koning kon spreken, die me op de Conscience-dag in de tentoonstelling zoo vriendelijk toesprak. Dat hij hem zegge dat ik de vriend van Streuvels, Verriest en van al de bekende Vlamingen” noteerde De Bom niet zonder enige zelfoverschatting. Hij doelt in zijn notitie op het bezoek van koning Albert I aan de tentoonstelling die De Bom in 1912 had georganiseerd bij de honderdste geboortedag van Hendrik Conscience – de expositie die trouwens de aanzet zou vormen tot de oprichting van het Museum voor de Vlaamsche Letterkunde, het huidige Letterenhuis.

Frans van Cauwelaert (foto Letterenhuis).

Dat de bibliothecaris hoopte dat Van Cauwelaert voor hem op de bres zou springen, is enigszins onverwacht, want De Bom staat niet bekend als enorm kerks. Als jongeman genoot hij de steun van liberale Antwerpse kopstukken, onder wie de vrijmetselaars Frans Gittens en Pol de Mont. Na de oorlog zou hij redacteur worden van het socialistische dagblad Volksgazet dat bepaald geen klerikale koers voer. Speelde hier de invloed van zijn vrouw Nora mee, die erg katholiek was? Betrof het persoonlijke affiniteit? Of was het puur pragmatisme? Mogelijk ook identificeerde de schrijver zich meer met het flamingantisme van Van Cauwelaert dan met dat van de liberaal Louis Franck.

Afrekening

Maar hoe kwam De Bom überhaupt in het gevang? Deden collega’s in stedelijke dienst moeilijk? Hij voorzag in ieder geval problemen, want al op 29 augustus liet hij zijn vriend en medewerker J. van den Bergh een brief richten aan de liberale burgemeester Jan Devos. Van den Bergh getuigt in dat schrijven, dat zich eveneens in De Boms archief bevindt,

“dat de correspondentie, die de heer De Bom sinds lange jaren voor de N.R.Ct. voerde van die aard geweest is, dat hij altijd de Vlaamsche belangen ten zeerste heeft voorgestaan en dat ik gerust mag zeggen, dat ik in zijn optreden en in zijn persoon steeds het grootste vertrouwen heb gekoesterd.”

Deze preventieve actie sorteerde geen effect.

“Zoo gerust als mijn geweten is, toch ben ik, nu ik van dicht heb gezien hoe de mentaliteit der menschen vergiftigd is, niet zonder zorg omtrent den afloop. Hoe is het mogelijk dat men iemand die een hooge plaats bekleedt als ik, die in de stad algemeene bekendheid geniet, zoomaar zonder enig onderzoek in de doos stopt? Wat een onmenschelijkheid.”

Intussen was het zaterdag geworden. De Bom wist nog altijd niet wat men hem precies verweet. Wel schreef hij opnieuw goedgebouwde zinnen. Op bladzijde 5 van zijn dagboekje recapituleert hij zijn aanhouding, nu met meer namen en details. We vernemen dat hij thuis gearresteerd is na een bezoek aan de dichter en hoofdconservator Pol de Mont in het Museum voor Schone Kunsten. En hij vertelt dat hij Nora vanuit het hoofdkwartier bij generaal Deguise op de hoogte mocht brengen van zijn toen aanstaande opsluiting in de Begijnenstraat. Ook noteert hij dat de bekende advocaten Jozef Muls en Georges Serigiers hem toevalligerwijze in de gevangenis gezien hebben – Muls gaf het literaire tijdschrift Vlaamsche Arbeid uit en Serigiers was de echtgenoot van de Franstalige Hollandse ex-prostituee en schrijfster Neel Doff; later zou hij voor de rechtbank Paul van Ostaijen verdedigen.

“O die angst, ik zal trachten me goed te houden. Maar zal ik dit lang volhouden? Als ik maar een levensteeken bemerk, leeft de hoop weer in me op. Maar – In de verte hoor ik altijd trompetschallen en volksgeruchten – Wie weet wat er met ons arme land gebeurt?”

Om halftien ’s morgen kreeg de gevangene bezoek van de gevangenisdirecteur – een ‘welwillend man’. Anderhalf uur later was het de beurt aan Nora. En uit de bibliotheek van de gevangenis leende De Bom een Franse vertaling van Dickens’ David Copperfield. Hij noteerde in zijn dagboekje ook dat die bibliotheek zijn eigen essay over Ibsen in huis had, plus werk van Streuvels, Teirlinck, Sabbe en Toussaint van Boelaere. En: de ‘onderwijzer bibliothecaris – mijn collega – zegt dat ze vermoedelijk inlichtingen inwinnen – zoodra ze die hebben, zal ik bij auditeur militaire […] worden geroepen’.

Van Cauwelaert

In de loop van de dag kwam Van Cauwelaert naar de gevangenis – er waren waarschijnlijk nog meer cliënten van hem opgesloten – maar werd niet bij De Bom toegelaten. Op zondagmorgen stuurde Nora een ‘overjas & sargie’ (een deken) tegen de kou. De Bom woonde de mis bij in de kapel: ‘Ik heb niet gevoel dat er veel deemoed was. Af en toe geeuwen en getrappel van ongeduld. Ik zag een cipier rechtstaande in slaap vallen.’ Maar daar voegde de bibliothecaris wel aan toe: ‘Daar zijn onder hen goede menschen.’

Nora de Bom (foto Letterenhuis).

“Ik hoor nu huilen, huilen – verschrikkelijk – lijk een dier dat gaat geslacht worden – dit behoort tot het aller-diepste. Mij dunkt het is een vrouw. Dieper dan alle gebed dringt dit tot in uw diepste. Helaas, wat een ellende. […] Maar het is waarlijk beneden alles hoe de mensch den mensch opsluiten kan – Hoor toch dat lamento, dat gekreun zonder eind, neen dàt behoort tot het aller-droefste!”

De Bom werd er niet vrolijker op toen een cipier hem vertelde dat het gehuil afkomstig was van ‘een die moet gefusiljeerd worden!’ – vermoedelijk een deserteur.

Om 11.40 uur tenslotte kwam men De Bom ophalen om bij de militaire auditeur commandant Rémy te verschijnen. Die deelde de schrijver mee dat er een ‘valsche aantijging’ tegen hem was geweest. De Bom herinnerde zich het stuk in de krant. ‘Ik heb dat inderdaad gelezen’, noteerde hij,

“en we hebben onmiddellijk gezegd thuis: dat dit een van die Hollandsche stommiteiten was. […] Ik vertel nog woensdag op de Meir aan Louis Franck de heele geschiedenis. En nu is er een lafaard, die mij beschuldigen durft! Ik ben niet wraak-gierig, maar die schurk verdient dat hij in mijn cel plaats neme. […] Ik wist niet dat er zulke laagheid in de wereld was. Zal ik altijd een eenvoudige van geest blijven?”

Geen literatuur

Hoe dan ook, De Bom zou zondag om vijf uur worden vrijgelaten. In afwachting daarvan schreef hij:

“Te midden van al deze ellende heb ik ’t recht niet zoo gelukkig te zijn. Waarlijk, dit is geen literatuur. Ik beken dat ik met vreugde ga. Maar, die sukkelaren hier – waaronder, ik zou er op zweren, 9 op 10 zijn die uitsluitend medelijden verdienen. De gevangenen-gezichten die ik zag vervulden me met sympathie. Geen echter menschelijker blik zag ik als die van den man die mij water brengt. Hij had medelijden met mij.”

De Bom keerde terug naar huis, naar zijn Nora, en op maandag ook naar de bibliotheek. Weldra zorgde een aanbeveling van Minister van Oorlog de Brocqueville ervoor dat hij van het Antwerpse stadsbestuur opnieuw voor de NRC mocht schrijven. Daarin liet hij na de capitulatie van Antwerpen schetsen verschijnen over het leven in de bezette stad.

Verschenen in Zuurvrij

Picknick met Hubert Dethier. Een in memoriam.

Hubert Dethier.

Hubert Dethier. De beminnelijke, overwerkte prof met zijn piepklein kantoortje in gebouw C van de Campus Etterbeek van de VUB. De man die even meesterlijk over film doceerde als over ethiek of middeleeuwse filosofie. En dat niet alleen in Brussel, maar ook in Amsterdam.

Hubert Dethier was voor duizenden studenten “de” patron van de sectie Wijsbegeerte. Ondanks de bijzonder smalle gangen in gebouw C en de brutalistische betonarchitectuur van de campus was er niet genoeg geld om de zware last van al die vakken te verdelen over meer schouders. Ik kan mij voorstellen dat Hubert daaronder heeft geleden, maar het deed nooit iets af aan het enthousiasme waarmee hij les gaf. Hij deed dat briljant – een geboren lesgever was hij. Hubert was niet exclusief “opgegroeid” in de ivoren toren van de academische wereld, maar had de knepen van het vak nog onder de knie had gekregen in het middelbaar onderwijs.

Een geboren docent. Een orator didacticus. Maar heel toegankelijk voor zijn studenten. Zo empatisch en betrokken dat sommigen daar in de loop der tijden ongetwijfeld misbruik van hebben gemaakt. Ook strebers en andere arrivisten beginnen hun loopbaan als student. Maar anderen, veel anderen, werden door Hubert gerustgesteld en gesterkt – “empowered”, zoals we nu zeggen. Hubert steunde en stimuleerde.

Ik heb geschiedenis gestudeerd, geen filosofie. Zo komt het dat ik bij Hubert maar één vak volgde: middeleeuwse wijsbegeerte. Averroës en de leer van de Dubbele Waarheid – een eye opener, zeker in een land waar men toen de hele intellectuele geschiedenis voor Luther nog probeerde te herleiden tot Thomas van Aquino. Toen ik aan mijn thesis over ketterij begon, ontpopte Hubert zich dan ook tot begeesterde en begeesterende “tweede lezer”.

Hij sprak weleens over mijn vader. Dat vond ik niet zo leuk, omdat geen enkele zoon van twee- of drieëntwintig graag te veel over zijn vader hoort. Tegelijk verbaasde het me, omdat ik me er zeer van bewust was dat (vooral) “nieuwe” linksen en vrijzinnigen mijn pa sinds de jaren 1960 hadden weggezet als oude krokodil en tjevenvriend. 

Later kwam Hubert opnieuw persoonlijk met mijn vader in contact. Er ontstond of herleefde een diepe vriendschap, gebaseerd op beider ondogmatische, speculatieve natuur. Die – tot spijt van wie het niet graag leest – ook bij vader Lampo op een fundamentele en onwrikbare vrijzinnigheid was gebaseerd. Hubert en Hubert waren elkaars broeder.

Mijn vader was toen al in de zeventig. Ik weet dat de affectie van zijn jongere naamgenoot veel voor hem betekend heeft. Daar zal ik de “jongere” Hubert altijd dankbaar voor blijven. En natuurlijk ook voor het feit dat hij voor Pa Lampo het pad naar de Prijs van het Vrijzinnig Humanisme (2003) effende. De trofee die daarbij hoort, een loodzware (!) koperen vlam, staat op een prominente plaats in mijn boekenkast. Ik heb hem zelf niet verdiend, maar ernaar kijken is een daad van herinnering – nu ook aan Hubert Dethier.  

In 2002 had ik het voorrecht om met Hubert op reis te gaan. Niet met hem alleen, maar met de groep die later de harde kern van het Hubert Lampo Genootschap zou vormen. We gingen naar Zuid-West Frankrijk, het land van de katharen, waar zich het dorpje Rennes-le-Château bevindt.

Rennes-le-Château speelt een centrale rol in een wereldberoemde mystificatie. De pastoor van het dorp, de abbé Saunière, zou er omstreeks de vorige eeuwwisseling de schat de Wisigoten hebben gevonden. Mijn vader gebruikte dat gegeven in zijn roman De geheime Academie, niet vermoedend dat dezelfde stof enkele jaren later ook aan bod zou komen worden in Dan Browns bestseller The Da Vinci Code. De Geheime Academie is een beter boek, maar dat terzijde.

Picknick in Rennes-le-Château (foto Emmy van Kerckhoven)

Rennes-le-Château is al decennia een bedevaartsoord voor aanhangers van “alternatieve” waarheden en complottheorieën. De inwoners hebben o.m. meegemaakt hoe een enthousiasteling, die hoopte zelf nog een deel van de schat van de Wisigoten op te duikelen, er een huis huurde, de waterput in de tuin uitgroef en toen dat niets opleverde, zijn toevlucht nam tot dynamiet om verder in de rotsbodem door te dringen. Zo komt het dat ze een beetje schichtig werden. Het was bijgevolg ten strengste verboden te picknicken op het gras van het dorpsplein.

Laat dat nu uitgerekend zijn wat mijn reisgenoten wilden doen. Wie zou hen tegenhouden? Ik had daar geen goed gevoel bij, maar legde me neer bij de meerderheid. We zaten nog maar net onze baguette te verorberen, toen een verontwaardigde meneer op ons afstormde. Hij bleek de burgemeester van Rennes-le-Château te zijn en maande ons in niet mis te verstane termen aan het gemeentelijk gazon te ontruimen.

Hubert Dethier – hij droeg een Van Goghachtige strohoed – stond recht. In volzinnen die uit Victor Hugo leken te komen, verontschuldigde hij zich  maar voegde er meteen aan toe dat wij “schrijvers en filosofen” waren, die helemaal uit Belgïe en uit oprechte interesse naar het dorp waren gekomen.

De burgemeester was zo onder de indruk dat wij mochten blijven zitten en buigend afscheid nam van Hubert en van ons. Dit maar om te zeggen dat Hubert, net door zijn inlevingsvermogen, in staat was tot een stukje subliem theater waarvan zijn tegenstander geen seconde de ironie aanvoelde.

Hubert was ook de man die mij (en vele anderen met mij) deed kennismaken met een bizar meesterwerk als L’année dernière à Marienbad van Alain Resnais, naar een scenario van Alain Robbe-Grillet, een film die mijn kijk op de wereld en op de kunst zeker een duwtje heeft gegeven.

De twee Huberts in Grobbendonk, ca. 2000 (foto Emmy van Kerckhoven).

Tenslotte – en daar wil ik ook graag aan herinneren – was Hubert een toegewijde, bezorgde vriend én de promotor van mijn betreurde vriendin Daniëlle Girardin, die in 1993 op straat in Antwerpen werd vermoord. Toen ik hem in dat verband interviewde voor mijn boek De Campusmoorden vertelde hij me dat hij Daniëlle min of meer als een opvolgster zag. Het heeft niet mogen zijn.

Hubert en Hubert. Als er een hiernamaals voor speculatieve goddelozen bestaat, hoop ik dat ze daar aan een tafeltje samen zitten te discussiëren. Maar ja, voor goddelozen is er geen hiernamaals. Hubert wist dat op het zijn het niet-zijn volgt en dat men daar niet bang voor moet zijn. Maar zolang ik er ben, zal ik met achting en vriendschap aan hem denken. Mijn lieve, betreurde maître à penser.     

De oude krokodil (4)

Opeens behoor ik tot de categorie mensen die binnen enkele jaren met pensioen gaan. Dat komt, denk ik, doordat jongere collega’s in de meerderheid zijn. De zestigplussers (niet zo heel plus, een klein beetje) worden er vriendelijk, maar in niet mis te verstane termen op gewezen waar de uitgang is.

Zelfs de bijna-vijftigers kijken met een superieur airtje onze kant op – niet beseffend hoe snel ook hun tijd zal gekomen zijn. Enfin, wie weet moeten zij tot hun zevenenzestigste aan de slag blijven. Om ons pensioen mee te betalen. Misschien zit de wereld toch nog niet zó slecht in elkaar. Wij lopen dan wel een verhoogd risico op allerlei nare ziektes, maar onze digitale skills raken in dit leven niet meer achterhaald.

Sinds kort brengen de jongelui allemaal hun laptopje mee naar steeds talrijker vergaderingen waar hun smartphone voortdurend ligt te trillen en te zoemen. Ik gebruik nog altijd een notitieboekje of godbetert mijn papieren agenda en een potlood (ja, een potlood!). Gelukkig heb ik in een Deens winkeltje een leesbril van vijf Euro gekocht die niet alleen een stuk duurder lijkt dan hij was, maar mij er ook nog enigszins intelligent doet uitzien.

“Ja,” zegt de baas, “jullie moeten ervoor zorgen dat jullie je expertise doorgeven.” Ik knik. Dat is helemaal waar en aan mij zal het “niet gelegen hebben,” zoals ze hier zeggen. Maar expertise, dat zijn vooral “vaardigheden” en daar zijn de jongelui van zichzelf al heel goed in. Een recentelijk gediplomeerde in de archivistiek begon mij vorige week nog uit te leggen hoe ik mijn werk moet aanpakken.

Zo iemand vertellen wie Herman Teirlinck was of – om even echt moeilijk te doen – Julius De Geyter, daar ga ik me niet meer mee bezighouden, denk ik soms bij mezelf. Waar is anders het Internet voor? Uit pure tegendraadsheid heb ik alle handschriften van diezelfde Julius de Geyter vorige week en stoemmelings ingevoerd in onze database. De liefhebbers van de liberale rijmelarij uit de tweede helft van de 19de eeuw zullen blij zijn.

Gediplomeerden in de managementkunde (heet dat echt zo?) zullen mij nu ongetwijfeld indelen bij de “cynici”. Dat zijn de mensen met neuzen die weleens de andere kant op staan. Maar artrose en papegaaienbekken eisen bij de oudere werknemer hun tol. Die kan soms met zijn kop en dus ook met zijn neus de gewenste kan niet meer op. Dat is geen cynisme, maar een constatering.

Daarstraks, toen het jonge volkje zich nog enthousiast en werkgroepsgewijs op de digitale toekomst zat te verheugen, heb ik de zes vuilnisbakken naar buiten geduwd. Men was dat vergeten en hoewel het vuil werk is, moet iemand het doen. Ik voelde mij helemaal één worden met het oud papier. Niet slecht, voor een archivaris.

Het wee van juffrouw Spit

Ik vind juffrouw Spit best aardig. En ik ben een van de weinige schrijvers die hun vakgenoten het succes niet misgunnen. Ik heb als literaire archivaris (en man van gevorderde) een hoge leeftijd gehad.

‘J’en ai vu d’autres’, zegt ze in het Frans.

We zijn allemaal teruggebracht tot mapjes oud papier in de kelders van het Letterenhuis. In het beste geval. De wereld maalt niet, laat staan ​​eergisteren.

Het enige dat ik van ‘Het smelt’ kan zeggen, is dat de eerste bladzijden mij, euh, ontmoedigden. Door het vele slecht geformuleerd en overbodige dat erop te lezen staat.

Gelukkig ben ik geen recensent.

Intussen laat het mij onverschillig dat juffrouw Spit met de opvolger van haar verpletterend debuut. Het is geen nieuws, ik hoef het niet te weten. Laat de geliefden van juffrouw Spit er zich druk over maken, niet het brede publiek. Er is genoeg te kwetsen in de wereld aan krantenkolommen mee te vullen.

De oude krokodil (3)

Ik ben zestig geworden. Daar sta je zelfs als oude krokodil wel even bij stil.

Ja, dit rijmt, en nee, dat was mijn bedoeling niet.

Bibliotheken behoren tot mijn oudste en liefste herinneringen. Als kleuter werd ik meegenomen naar een klein filiaal van de openbare bibliotheken op het Kiel in Antwerpen. Dat was toen nog een witte buurt, die enthousiast surfte op de golf van toenemende welvaart omstreeks 1960.

Een boekje dat op de een of andere manier nooit werd teruggebracht (en dat nog altijd in een doos op zolder zit) ging over een zebra die zijn streepjesvel kon uittrekken als een pyjama.

Intussen was men aan de voet van ons flatgebouw druk in de weer met de nieuwe bibliotheek aan de Schijfstraat. Het gedoe van grondwerkers en metselaars, elf verdiepingen beneden onze woonkamer, deed mij dromen van een carrière in de bouw (daarvoor wilde ik brandweerman worden). Het is anders gelopen.

We verhuisden naar de voorstad Hoboken en daar ging ik naar de bibliotheek in de conciërgewoning van mijn eigen lagere gemeenteschooltje.

De conciërge, een lieve mevrouw die een soort moederrol vervulde in een jongensschool met alleen mannelijke leerkrachten, was ook de bibliothecaris. Vermoedelijk beantwoordde ze niet aan hedendaagse professionele standaarden, maar het was een plezier om bij haar om boeken te gaan.

boeken waren, buiten de klas, alleen voor het plezier. Ik was een van de gelukkige kinderen aan wie nooit werd gezegd: “Legt dien boek weg en gaat buiten spelen, dat is veel gezonder”.  Zodra ik gedrukte lettertjes onder de knie had, was ik niet meer te stoppen.

Na een volgende verhuizing – ik was intussen tien of zo – belandden mijn moeder en ik terug op Antwerps grondgebied en bezocht ik een heuse parochiebibliotheek. Daar werkte een al wat oudere, manke bibliothecaris, die mij probeerde te winnen voor jeugdliteratuur met een katholiek tintje.

Zo leerde ik dat in Vlaanderen eigenlijk van alles een katholieke en een vrijzinnige versie bestaat.

Een paar jaar later ontleende ik toneelstukken van Jean-Paul Sartre in de oude Volksbibliotheek aan de Blindestraat (de grootmoeder van de huidige Permekebibliotheek).

Ik droomde nu van een loopbaan als schrijver en zag mezelf al wonen in een grote, kale leefzolder met een indrukwekkende stereoketen en een breed bed om te delen met mijn vele veroveringen. Ook dat pakte anders uit.

En als student leerde ik de Stadsbibliotheek kennen, vandaag de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. Daar ben ik, zij het met tussenpozen, niet meer weg te slaan. Zeggen dat het mijn “tweede thuis” is, zou overdreven zijn en het Letterenhuis en enkele koffiehuizen onrecht aandoen. Maar van alle gebouwen waarvan in de kronkels van mijn oude  krokodillenbrein een maquette staat, is ze toch wel het belangrijkste.

Als ik sterf – liefst zo laat mogelijk – laat het dan snel zijn, tussen de boeken.

Verschenen in Meta