Skip to content

[Column] Fantomen. Emmanuel De Bom en Clara Gaesch (Antwerpen, 1891-1895).

Panorama

Mensen van wie alleen woorden overblijven, in bruine inkt neergeschreven op vergeeld papier, kunnen na meer dan een eeuw heuse fantomen worden. Al een paar weken voel ik ze, ergens schuin achter me: Clara en Mane.

Om beter naar het huis te kunnen kijken, steek ik de straat over. Het is een onopvallend pand met een etage en een gevel die lang geleden wit werd geverfd. Ik kan mij de gang, waartoe de donkerblauwe voordeur toegang geeft, de trap en de kamers goed voorstellen. In Antwerpen zijn omstreeks de voorlaatste eeuwwisseling een paar duizend van zulke burgershuizen neergepoot.

Hier heeft ze herhaaldelijk een poos gewoond, Clara Gaesch, die in 1894 op haar 29ste stierf in het nabije Stuivenbergziekenhuis. Men begroef Clara op het sindsdien verdwenen Kielkerkhof. Ze kwam uit Köningsberg, nu Kaliningrad en scharrelde haar kostje bijeen als ‘zangeres’ in een café chantant aan het Falconplein in de havenbuurt. Omdat ze een klein percentage kreeg van de prijs van elk glas dat in het café werd geschonken, deelde ze haar bed met de eigenaar van een ander café, die haar daarvoor betaalde.

Een ‘entretenueke’, zoals ze zeggen in mijn stad, een vrouw die zich liet onderhouden.

De cafébaas verwekte bij haar een zoontje dat ze uitbesteedde bij de eigenares of huurster van dit huis, een zekere Madame Agneessens die het zelf vermoedelijk ook niet breed had. Na  Clara’s dood belandde hij in een openbaar weeshuis. Wat er verder met hem gebeurde valt allicht uit te zoeken, maar ik weet niet of ik daar de moed toe heb.

Centraalstation

In 1891 werd Clara (ook) het vriendinnetje van de piepjonge schrijver Emmanuel De Bom, die haar tegenkwam aan het Falconplein. De Bom – zijn familie noemde hem bij zijn eerste voornaam, Karel – woonde nog thuis en had een slecht betaald baantje als bediende bij de gemeente. Clara en ‘Mane’ (zo spraken zijn artistieke en literaire vrienden hem aan) ontpopten zich tot fervente brieschrijvers. Hun correspondentie, die loopt tot aan Clara’s dood, beslaat honderden velletjes.

Ze zaten in de eerste doos die ik opendeed toen ik in het Letterenhuis begon aan de inventarisatie van het stuk van Manes archief dat de voorbije decennia aan de aandacht ontsnapte.

Clara (verliefd en/of hopend op een alternatief scenario voor de toekomst?) ging met De Bom naar bed, maar bleef de vriendin van cafébaas ‘R’ zoals hij in de brieven heet. In het begin was Mane erg verliefd, maar na korte tijd kreeg hij serieuze twijfels. Zijn kleinburgerlijke familie stelde bovendien alles in het werk om de relatie te fnuiken.

De ‘zangeres’ Clara Gaesch kreeg bezoek van de vreemdelingenpolitie en moest het land uit. Hadden de De Boms haar verklikt? Wilde de betalende minnaar haar uit de buurt van het jonge, niet betalende exemplaar? Clara trok in bij haar zus Anna, die in Keulen woonde. Haar zoontje liet ze bij Mme. Agneessens. Zowel Mane als ‘R’ zochten haar in Duitsland op. Na de onverwachte dood van ‘R’ leende Mane voortdurend bij iedereen geld om aan Clara te sturen. En intussen maakte nu eens hij, dan weer zij epistolair een eind aan de relatie.

Schouwburg

Clara verzeilde in Rotterdam, in Amsterdam – ze verbleef er in de beruchte Stoofsteeg – en ook in Den Helder. In die laatste stad was ze opnieuw aan de slag als zangeres. De Bom zocht haar geregeld op, maar uiteindelijk besloten de twee elkaar niet meer te zien.

Tot Clara in 1894 opnieuw in Antwerpen is, berooid en wanhopig. Ze probeert Mane te heroveren, maar die wil niet meer, al blijft hij helpen. Clara woont op kamers. Ze is ziek en krijgt zenuwtoevallen. Uiteindelijk belandt ze met ‘chronische bronchitis” in het ziekenhuis.

‘Clara is op haar uiterste,’ schrijft De Bom aan een vriend, ‘de arme meid zal misschien de week niet uitdoen. De dokter heeft het me in een plechtig moment verklaard. Zij hijgt nu met vreeselijke snokken naar haar adem, heeft een lijkkleur, heur haar is lang droog gestreken, ze kijkt met oogen die al elders zijn; haar stem is onhoorbaar, ze zijgt vermoeid neer na een woord, zij hoort bijna niet meer. Zij spuwt haar longen uit. O wat miserabel ding is een mensch toch!’

I

I

Clara sterft. Mane betaalt haar uitvaart. Hij probeert haar zoontje onder te brengen bij Anna, die intussen in Kopenhagen woont, maar die wil niet. Hij moet toezien hoe het kind in een weeshuis belandt.

Mane schrijft weldra een roman; hij heeft nog een lang, tamelijk voorspoedig leven voor de boeg. Maar het is een jonge Mane die mij samen met zijn Clara gezelschap houdt wanneer ik door de stad loop. Ik weet nu dat ik een boek over hen zal moeten schrijven om hen uit mijn ooghoek te doen verdwijnen.

Advertisements

[Literatuur] ‘Verlangen’ of de liefdesverklaring in het bos.

Emmanuel De Bom, ca. 1893.

Emmanuel De Bom, ca. 1893.

Op 20 oktober 1908 richtte Jacob Nicolaas Van Hal (1840-1918), ‘redacteur-secretaris’ van het Nederlandse literaire tijdschrift De Gids, een brief aan de Vlaamse schrijver Emmanuel De Bom (1868-1953). ‘Bij geruchte kwam mij ter oore,’ schreef Van Hal, ‘dat gij de fragmenten van een roman in portefeuille hebt, waaruit echter niet zoo spoedig een roman zal ontstaan. Zoudt gij mij echter – in afwachting […] – niet een enkel, op zichzelf staand, fragment aan De Gids kunnen afstaan?’

De kopijnood bij De Gids was blijkbaar groot. Maar sinds de publicatie van de bijzonder gave korte roman Wrakken (1897) genoot De Bom de reputatie van een uitstekend schrijver. Het boek vertelt over de liefdesdriehoek en was gebaseerd op de tragische liefde van de jonge De Bom voor de Duitse cabaretzangeres Clara Gaesch (1866-1895). Niet zonder reden geniet Wrakken de reputatie dat het de eerste ‘psychologische stadsroman in de Vlaamse literatuur’ is.

De Bom, in 1893 medestichter van het prestigieuze tijdschrift Van Nu en Straks, werkte in de Antwerpse stadsbibliotheek, waar hij in 1911 hoofdbibliothecaris werd. Daarnaast ontwikkelde hij een indrukwekkende activiteit als journalistiek chroniqueur van het culturele en literaire leven in Vlaanderen. Hierdoor, zo staat in menig literair historisch overzicht te lezen, komt het dat hij zijn strikt literaire arbeid verwaarloosde, om pas op hoge leeftijd – hij was achtenzeventig – een tweede roman, Het Land van Hambeloke (1946), te publiceren.

Maar, zoals uit de brief van J.N. Van Hal blijkt, is het plaatje iets genuanceerder (ook al verandert het niet fundamenteel). De Bom antwoordde immers: ‘De bescheiden waarheid is, dat ik (helaas!) verscheidene jaren al een soort roman op ’t getouw heb, waar alle personages en toestanden in mij van [sic] leven’. Maar, voegt de schrijver eraan toe, hij mag ‘er in de eerste maanden niet […] aan denken  U zelfs maar een fragment van dit “geheimzinnige boek” aan te bieden.’

VandeWoestijne

Karel van de Woestijne.

Dat Van Hall op de hoogte was van het feit dat De Bom aan een roman werkte, weet de schrijver aan zijn vriend Karel van de Woestijne die het ‘een babbelzuchtig reporter in ’t oor geblazen [had]’, waarna Johan de Meester ‘die alles weet’ het aan Van Hall doorvertelde. Twee jaar eerder had De Bom Van de Woestijne een baantje bezorgd als Brussels correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Maar de loslippigheid van de dichter leidde niet tot een verkoeling van de vriendschap. De Nederlandse romancier Johan de Meester (1860-1931) was redacteur van de NRC.

Aan ambitie ontbrak het De Bom alvast niet. Hij wilde een roman schrijven ‘waar ik werkelijk in hoop alles te kunnen zeggen wat eenige jonge menschen van twintig tot dertig jaar aan innerlijk leven ervaarden’. Het boek zou ‘Aan “gebeurtenissen” tamelijk arm’ zijn en moest vooral ‘het zwijgende, het immer onvoldane verlangen-leven van jonge menschen uit onzen tijd teekenen.’

De correspondentie van Emmanuel De Bom i.v.m. de oprichting van Van Nu en Straks en die met Stijn Streuvels zijn gepubliceerd. Een deel van het omvangrijke De Bom-archief staat trouwens sinds jaren ter beschikking van de bezoekers van het Letterenhuis. Maar op de derde verdieping bevonden zich tot voor kort drie kasten vol materiaal van De Bom, dat nog niet ontgonnen was – elk archief heeft zijn ‘winkeldochters’ die door allerlei omstandigheden in de vergeethoek geraken.

Archief1959

Het archief van Emmanuel De Bom in 1959.

De brief van Jacob Nicolaas Van Hall aan De Bom en een kladje van diens antwoord behoren tot een verzameling papieren die de schrijver destijds bijeenbracht in een kaft met daarop, in zijn handschrift, het woord ‘Verlangen’ – meteen de titel van de onvoltooide roman.

Onvoltooid? ‘Niet geschreven’ is eigenlijk juister. De Bom worstelde duidelijk met zijn onderwerp. Gedateerde velletjes maken duidelijk dat hij al in 1898 aan Verlangen werkte. In 1908 was hij er nog steeds mee bezig en rekende hij er blijkbaar op het binnen project afzienbare tijd tot een goed einde te brengen: ‘Toen ik er laatst met den moed der wanhoop opnieuw de hand zou aan leggen, en ditmaal de beslissende hand – moest ik gaan verhuizen en werd ik ziek. Nu gaat het weer goed, ik raak op dreef – en, lukt het al, dan zal ik, eer we een jaar ouder zijn, het boek “Verlangen” voltooid den geachten Redacteur-Secretaris van den Gids in handen brengen’.

Tegelijk realiseerde De Bom zich dat hij nog veel werk voor de boeg had. ‘Wat betreft “fragmenten uit te lichten”, dat gaat in geen geval. Geen enkel fragment is in eind-vorm klaar, en ik moet het hele verhaal van A tot Z in éen adem opnieuw schrijven – terwijl al ’t bestaande, ook dat wat reeds een tamelijk samenhangend voorkomen heeft, daarbij alleen de rol van canvas of klad zal spelen.’

NoraAulit1904

Nora De Bom – Aulit, 1904.

De schrijver had gelijk. Het Verlangen-dossier mag dan vier centimeter dik zijn, voltooide hoofdstukken bevat het zeker niet. Het bestaat voor een groot deel uit losse notities, invallen en overwegingen. De Bom amuseerde zich zelfs met het tekenen van een voorontwerpje voor een frontispies. Maar zelfs de min of meer uitgeschreven fragmenten die de auteur samenbracht vormen geen volledig kladhandschrift.

Uit een (rudimentair) schema van de plot leren we dat De Boms hoofdpersonage Frank zou heten (elders wordt hij dan weer Frederik genoemd). Verlangen moest bestaan uit vijf ‘episoden’. ‘Elke episode,’ noteerde de schrijver, ‘is een stuk leven, dat op zijn geheel afzonderlijk kan beschouwd worden’. De eerste episode wilde De Bom wijden aan Franks jeugd, de tweede aan zijn vriendschap met ene Sander en zijn ziekte, met name tuberculose, waarvan hij echter geneest. Franks ‘nieuw leven’ vormt het onderwerp van de derde episode, waarin hij ook verliefd wordt op Mienke.

Sander, die met zijn achternaam Dirven blijkt te heten en dokter is (de arts van Frank?) staat centraal in de vierde episode, die zich grotendeels afspeelt in Den Haag: ‘Zijn bezoek Laan van Meerdervoort of Voorhout of Bezuidenhoutsche Dreef’, noteert De Bom.

DeBom1940

Emmanuel De Bom in de Stadsbibliotheek, 1940.

De vijfde episode gaat over de ‘vrijagie’ van Frank en de ‘zomerwandelingen’ die hij, zo staat in het schema gepreciseerd, met zijn vriendin ‘in de bosschen van Hoogboom’ maakt. Er is sprake van een ‘liefdesverklaring in ’t Bosch’ en die is ‘geheim voor al de anderen’.

Elders lezen we over de roman en de personages: ‘Frank blijft de eeuwige verlanger – in ’t ijle – zijn weifelende, door geen werkelijkheid te bevredigen dwepende ziel, is tot eenzaamheid gedoemd – ’t is Sander, met zijn rustig sereen temperament die vindt en zijn leven tot éen evenwichtige blijheid vermag op te voeren… Frank zal steeds zoeken, verlangen baart weder nieuw verlangen – en dat is de beteekenis van ’t boek – goed in het motto uitgedrukt) de realist, zonder droomen, grijpt en houdt vast het onmiddellijke geluk; de wijze, die voor zich heengaat, alleen denkend om zijn arbeid, vindt zonder zoeken; de eeuwig zoekende, de smachtende blijft onvoldaan.’

Het is dus maar de vraag of de liefdesverklaring in het bos tot Franks permanente geluk of tot een leefbaar compromis met de condition humaine zou hebben geleid.

De geplande structuur en de schaarse uitgeschreven passages doen vermoeden dat Verlangen, indien het voltooid was, een structureel zwak en tamelijk tobberig boek zou zijn geworden. Het is verleidelijk te denken dat de schrijver, intussen ambtenaar en gehuwd met Nora Aulit (1879-1955), niet langer gedreven werd door de teleurstelling en de daaruit voortvloeiende helderheid die leidden tot de strakke spanningsboog van Wrakken. Maar dat is psychologische speculatie.

Intussen was De Bom er zich zelf ook wel van bewust dat zijn vele werk een hinderpaal vormde voor zijn schrijverschap. Aan Van Hall zei hij: ‘Door velerlei in- en uitwendige oorzaken waaronder mijn onderbibliothecaris-ambt te Antwerpen en mijn couranten-geschrijf de twee uitwendige zijn – kon ik niet altijd geregeld aan mijn boek schrijven, heele tijden er zelfs niet aan denken.’

Frank had alvast pertinente ideeën over de vrouw, zoals blijkt aan het eind van een beschrijving van Mienke: ‘En vooral één trek die hij adoreerde als hij hem bij een mooi meisje zag – juist omdat die zoo zelden voorkomt – ernst, die geen droefheid is, – dat joeg hem van de meeste vrouwen weg dat ze ofwel kletsten als hersenlooze kippen – met taterend gesnebber ofwel gedurig gieberden [giechelden] als onnoozele, ofwel dat ze uit onbeduidenheid nooit den mond ontsluiten.’

 

Verschenen in ‘Zuurvrij’ nr. 28 van juni 2015.

[Column] De denkbeelden van Konijntje Woelwater.

JanLHVerhalen gaan vooraf aan wat men eigenlijk vertellen wil. Waar het mij over gaat, ontvouwt zich altijd heel geleidelijk, terwijl ik me op de voorgrond zorgen maak over de keuze en de volgorde van woorden, het vermijden van herhalingen en het uit de weg gaan van onwaarschijnlijkheden.

Soms komt zo een overtuiging of een idee aan het licht waarvan ik (nog) niet wist dat ik ze erop nahield. Degene waarvan ik me wel bewust ben, lijken dan ineens een stuk minder interessant.

Toen ik vier of vijf was, zat ik al aan het bureau van mijn vader in de voorkamer van ons huis aan de Antwerpsesteenweg in Hoboken. Ik was gewapend met een blauwe balpen van het merk Bic, geleverd door het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur, de werkgever van Lampo Sr. Voor me lag een stapeltje dikke lichtroze (of lichtgroene) vellen papier.

Ik maakte tekeningen, heel snel, en leverde luidkeels commentaar. Die was, dat kan niet anders, bestemd voor een publiek – al was dat er niet (op mij na).

Het verhaal dat ik zo vertelde, was uiterst primitief, losweg gebaseerd op wat Suske en Wiske en Kuifje in mij hadden losgemaakt. Hoe ik mij mijn spookachtige toehoorders voorstelde, die ook kijkers waren en over mijn schouder het ontstaan van mijn tekeningen gadesloegen, kan ik mij volstrekt niet meer voor de geest halen.

Misschien stelde ik ze mij helemaal nièt voor – toch niet in de voor de hand liggende zin.

Mensen of dieren kon ik niet tekenen – of toch niet goed genoeg. Dat wist ik al. Ik tekende auto’s die elkaar achtervolgden of in ravijnen stortten, huizen die afbrandden en dies meer (heel slecht natuurlijk).

Vandaag had een kinderpsycholoog mij direct bij de probleemgevallen ondergebracht. Goddank was het ergens tussen 1962 en ’63. Mishandeld of misbruikt werd ik niet, maar ons gezin was wel in nood. Mijn vader was meestal het huis uit – hij bracht vanaf 1963 een groot deel van zijn tijd door bij zijn vriendin die later berucht werd onder de door hem bedachte naam Lucia – en mijn moeder kreeg het steeds moeilijker met de haar opgelegde rol van huisvrouw. Leuk was dat allemaal zeer zeker niet, maar ik herinner mij er weinig van.

Ik vertelde verhalen vòòr ik had leren schrijven, zoveel is zeker.

Mijn moeder en mijn grootmoeder, De Bomma, lazen mij sinds mijn prilste kindertijd voor. Ik heb het elders al gehad of Oe-woe, de voorhistorische mens. Ik vergat de onsterfelijke Lew de Boerekat van Erik Suls, de eerste schrijver die ik heb bewonderd.

Ik besefte dat verhalen in boeken te vinden waren en dat men ze door lezen tot leven wekte – wat ik zelf nog niet kon. Ik wist dat schrijvers de verhalen in boeken achterlieten en dat mijn vader dat ook deed, maar dan voor grote mensen.

Zonder erover na te moeten denken, ging ik ervan uit dat een verhaal een mededeling aan derden is – iets dat je vertelt aan een publiek, ook al bestaat dat laatste alleen in je hoofd. Een verhaal in stilte tekenen – het verzwijgen, dus – was niet aan de orde.

Dat moet een gevolg van het voorlezen zijn geweest.

Mijn moeder, noch De Bomma ventileerden daarbij hun eigen emoties. Hun intonatie gaf alleen die van de personages weer. Van Konijntje Woelwater, bijvoorbeeld. Van de grote bekendheid van dat konijntje ben ik mij een halve eeuw later pas, dankzij het Internet, bewust geworden.

Dat is vast de reden waarom ik liever andere instanties – historische feiten of fictieve personages – beschrijf en zo nodig aan het woord laat, eerder dan mijn eigen opinies uit te schrijven. Maar, zoals gezegd, al schrijvend blijk ik die wel te hebben.

En het publiek van de voorlezerij, dat was ikzelf natuurlijk.

[Column] Het bezoek van mijn grootmoeder in de nacht.

Talbot House

Voor de deur van Talbot House, Poperinge, 5 augustus 2015.

Er wordt mij meegedeeld – door wie is niet duidelijk – dat mijn grootmoeder nog leeft en in een bejaardentehuis verblijft. Ik besef dat ik dat had moeten weten en voel me behoorlijk schuldig. No voor ik me heb voorgenomen om haar te bezoeken, zie en hoor ik mijn grootmoeder en die ervaring is levendiger dan wat mijn geheugen normaliter toelaat. Dan, met een groot gevoel van verlies, word ik wakker.

Mijn grootmoeder (die aan moederszijde, om precies te zijn) is volgend jaar vijftig jaar dood. Een hele heuse halve eeuw. Ik kan mij niet herinneren wanneer ik nog eens van haar gedroomd heb – het moet decennia geleden zijn. Waarom, vraag ik mij af, verschijnt ze mij, op mijn zevenenvijftigste, en in het holst van de nacht, van gene zijde?

Ik hecht geen geloof aan boodschappen uit het hiernamaals – ik heb er ook geen ontvangen. De droom vertelt mij iets dat pertinent onwaar is en zadelt mij – objectief gezien slechts gedurende enkele seconden – op met een acuut schuldgevoel en laat mij vervolgens aanspoelen op het strand van de realiteit.

Vreemd. En meteen een onweerlegbaar bewijs (toch voor mij, die het heb ervaren) dat onze herinneringen niet verdwijnen, dat ze diep in ons onderbewustzijn opgeslagen blijven om af en toe naar de oppervlakte te zwemmen.

Ergens tussen mijn schedeldak en mijn bovenste nekwervel sluimeren de stem en de wat zorgelijke uitdrukking van de vrouw die mijn grootmoeder was en die in 1966 is gestorven. Ze zijn de enige elementen van mijn droom die op iets slaan.

Wij worden ouder, maar onze herinneringen blijven jong – alleen kunnen we er, wanneer we dat willen, niet bij. Of toch niet altijd. Want ik weet nog wel hoe ik als drie- of vierjarige voor mijn moeder uitloop op het hellende grindpad dat van de Sint-Bernardsesteenweg op het Antwerpse Kiel omhoogloopt naar de ingang van het plaatselijke park. En dat ik daarbij zoveel mogelijk stof (grindpartikeltjes, zand?) doe opwaaien omdat ik dan – denk ik – lijk op een van de stoomlocomotieven die dagelijks enkele keren over de spoorweg achter ons flatgebouw rijden, omgeven door dikke wolken waterdamp.

Nee, ik was in een vorig leven geen stoomtrein – dit is wel degelijk een overgebleven herinnering.

Evolutionair gesproken is het nuttig om het verleden te onthouden – het laat ons toe om ons, zoals de spreekwoordelijke ezel, geen twee keer aan dezelfde steen te stoten.

Stelt mij dat gerust? Een beetje, in die zin dat ik dus geen ezel ben. Ik stoot mij doorgaans veel meer dan twee keer aan die fameuze steen. Het zij zo.

Individuele herinneringen zijn voer voor psychologen, voor romanschrijvers en uiteindelijk voor ieder van ons. Dat laatste kan ook gezegd worden van de geschiedenis, die men weleens omschrijft als ons collectieve geheugen.

Over het mogelijke nut van de geschiedenis heb ik het hier al vaker gehad, al blijft dat altijd wat fluiten in het donker van het onbewijsbare en onbecijferbare.

Het voorbije jaar heb ik vrij weinig archiefwerk verricht, al is dat waar ik in eerste instantie voor betaald word. Ik heb mij, samen met enkele moedige collega’s, toegelegd op het reorganiseren van een deel van het depot van het Antwerpse Letterenhuis, om ons toekomstig archiefwerk efficiënter te maken.

De bizarre droom over mijn grootmoeder deed mij wel even twijfelen, terwijl ik onderdelen van archiefrekken hielp verslepen – leidt ons werk, vroeg ik mij af, niet min of meer tot hetzelfde als wat onze neuronen doen wanneer wij dromen: het aan de oppervlakte brengen van fragmenten, van – in het beste geval – halve waarheden waarvan de interpretatie betwistbaar blijft en nooit een waarachtige blauwdruk vormt van lang vervlogen feiten, ideeën en… dromen? En dan nog, want wat vertelt een blauwdruk over de werkelijkheid?

Ja en nee, natuurlijk. De meeste ideeën die waar zijn, worden tegengesproken door een andere idee die even waar is. Historici kunnen feiten checken door bronnen met elkaar te vergelijken. Maar meer dan een echo van het verleden roepen die toch niet op.

Aan de andere kant, als wij niet droomden, werden we gek. Misschien worden we dat ook wel als we ons niet over ons collectieve verleden buigen. Geschiedenis – de droom die verhindert ons leven ontaardt in één lange psychose. Daar valt iets voor te zeggen. Misschien doen krankzinnige regimes – van de Nazi’s tot IS – daarom alles om het verleden te vertroebelen of het gewoon op te blazen.

 

[Geschiedenis] De kanunnik drinkt bier op de buiten, of de lange vrijage van stad en platteland

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Bartholomeus de Mompere, “De Kermis van Hoboken”, burijngravure naar een tekening van Pieter Bruegel de Oude (a).

In 1895 publiceert de Franstalige Vlaamse dichter Emile Verhaeren de bundel Les Villes tentaculaires. De titel verwijst naar de snelle uitbreiding van de steden die zich met hun ‘grijparmen’ meester maken van het omliggende platteland. En inderdaad, in de tijd van Verhaeren gaat dat erg snel: Brussel, Gent en Antwerpen hebben zich bevrijd uit de greep van hun oude stadswallen. De bevolking en de nijverheid zwermen uit en veranderen oude dorpen in voorsteden. Maar de symbiose van de steden en hun ommelanden dateert al van veel, veel vroeger.

Het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant zijn, samen met Noord-Italië, vanaf de late middeleeuwen de dichtstbevolkte, meest verstedelijkte gebieden van Europa. De Vlaamse steden danken hun groei en hun macht vooral aan de lakenindustrie. Ook in Brabant worden lakens geweven, maar hier draagt het drukke handelsverkeer tussen Keulen en Brugge vanouds bij tot de economische bloei van een heleboel plaatsen.

De bevolking van de steden moet eten. Dat heeft zijn weerslag op het platteland, waar de boeren hun productie aanpassen en opdrijven om te voldoen aan de vraag. Tegelijk jaagt de strenge reglementering van de arbeid en de productie door de gilden de kosten omhoog en wijken sommige stedelijke nijverheden uit naar dorpen en kleine steden waar de arbeid veel goedkoper is.

Potagie

In dunbevolkte streken eet men vooral brood, vlees en zuivel. Maar waar veel mensen op een kleine oppervlakte wonen, vormen groenten een belangrijk deel van het dieet. Men eet ze in de vorm van potagie, een dikke soep met gehakte groenten of een soort stamppot van rapen, wortelen of kolen met bonen en erwten.

aardappelClusius

Aardappelplant (a).

Zo ontstaat in de buurt van vele steden een bloeiende tuinbouw. Aanvankelijk zijn het inwoners van de stad zelf, die binnen de muren groenten kweken. In Brussel gebeurt dat in de 14de eeuw tussen het stadscentrum, de Schaarbeekse poort en de plaats van het huidige Noordstation. Maar weldra neemt de aanleg van straten en de huizenbouw zo’n vlucht dat de stedelijke ‘hoveniers’ in de verdrukking komen. De Brusselaars betrekken hun groenten voortaan uit Molenbeek, Anderlecht, Sint-Gillis en Schaarbeek. In de loop van de 18de eeuw  leggen tuinbouwers in verderaf gelegen plaatsen als Dilbek, Zellik en Sint-Agatha-Berchem zich toe op de productie van groenten.

Ook rondom Leuven en Mechelen worden veel groenten geteeld. De Brabantse groentetelers bewerken goede grond en bouwen een grote expertise op. Even na het midden van de 16de eeuw schrijft de Italiaan Guiccardini, die in Antwerpen woont, dat de groenten daar lekkerder zijn dan in zijn vaderland en twee eeuwen later vindt de Franse schrijver Dérival de Gomicourt ze beter dan wat in de buurt van Parijs wordt gekweekt.

Aardappel

In het begin van de 16de eeuw vinden de Brusselaars op hun  groentemarkt ‘allerhande grunder pottaigien’, waaronder ‘rapen, peterselie, wortelen, ayuyn’. Weldra zorgen de Brabantse hoveniers voor de introductie van de spruiten (vandaag heten ze in het Engels nog altijd ‘Brussels sprouts’) die zeker in de 18de eeuw courant voorkomen en van het witloof dat vermeld wordt in publicaties van het eind van de 17de eeuw.

Al in de jaren 1400 brengt men groenten van Vlaamse en Hollandse tuinders naar Engeland, waar ze op tafel verschijnen bij de adel en de rijkste kooplieden. Koningin Catharina, de eerste vrouw van Hendrik VIII, laat haar groenten uit Vlaanderen komen. Het zijn ook Vlamingen die in Engeland uien, bloemkool, rapen, wortelen en pastinaak introduceren.

Clusiaus

Carolus Clusius (a).

Tuinders die hun waar aan de man brengen in de stad staan afgebeeld op schilderijen van meesters als Pieter Aertsen, Joachim Beuckelaer, Sebastiaan Vrancx en vele anderen. Alle latente (moraliserende en/of erotische) betekenissen men ook aan deze taferelen wil geven, ze bewijzen dat groenten, net zoals vlees, vis en andere voedingsmiddelen én hun verkopers in de ogen van schilders uit de stad en hun publiek belangrijk en ‘schilderachtig’ worden gevonden.

Potagie van groenten vormt, zoals gezegd, een belangrijk onderdeel van de voeding van de kleine man. Vanaf de 18de eeuw vervangt men de rapen in de potagie geleidelijk aan door aardappelen. De introductie van die ‘nieuwe’ Amerikaanse groente is op haar beurt te danken aan tuinders die er al vroeg het belang van inzien.

Stalmest

Ze maken er kennis mee via het werk van de botanicus Clusius die in zijn Rariorum Plantorum Historia vertelt hoe hij in 1588 in Wenen taratouffli (in het Duits worden dat Kartoffeln) krijgt die afkomstig zijn uit Italië waar men ‘de knol verorbert […] gekookt met varkensvlees, gelijk vroeger de raap en de pastinaak en dat zij er zelfs gekweekt wordt om zwijnen te mesten’.

Belangrijker nog is dat de Engelse kartuizermonnik Robert Clark in 1620 aardappels naar Vlaanderen brengt. Voorlopig blijft de patat een curiosum in de tuinen enkele liefhebbers, maar in 1702 deelt de Brugse hovenier Antoon Verhulst plantgoed uit aan alle belangstellenden. Nadat de tuinders de aardappel geïntroduceerd hebben op groentemarkt in de steden, krijgen ook de boeren er oog voor en neemt de teelt grote uitbreiding. In 1740, na een strenge winter die de graanoogst doet mislukken, helpt de aardappel in Vlaanderen de ergste hongersnood voorkomen.

DTR114681

Pieter Breugel de Oude, “De Bruiloftsdans”.

Het belangrijkste onderdeel van de dagelijkse voeding van het merendeel van de bevolking blijft natuurlijk brood. Daarom teelt men in de Zuidelijke Nederlanden waar mogelijk graan – zelfs op zandgrond. Dat kan dankzij intense bemesting, waarvoor men niet alleen stalmest gebruikt, maar vanaf de late middeleeuwen ook ‘stadsbeer’ en huishoudelijk afval uit de steden.

De boeren van het omliggende platteland komen de stedelijke beerputten leegscheppen en voeren de kostbare vracht naar hun akkers. Dat gebeurt vaak per schip – daarom zijn er langs de Schelde tussen Sint-Amands en Baasrode gemetselde putten waarin het goedje in afwachting van transport naar de dorpen in het westen van Brabant wordt opgeslagen.

Stadsmest wordt ook vanuit het buitenland ingevoerd. In Vlaanderen komen in 1805 zo’n driehonderd schepen met mest uit Frankrijk en Nederland binnen, respectievelijk via Rijsel en Sas-van-Gent. Geen wonder dus dat de Antwerpenaren een nabijgelegen dorp met een rijmpje omschrijven als ‘Hoboken, waar de boeren stront koken’.

Jenever

Een andere bron van mest is, hoe vreemd dat ook mag lijken, de jeneverstokerij. In de 17de eeuw groeit het stoken van jenever uit graan tot een heuse nijverheid. Omdat ze bang is dat dit de voedselvoorziening in gevaar kan brengen, probeert de overheid een en ander te verbieden, maar dat lukt niet. In 1671 gooit ze die politiek overboord. In de 18de eeuw groeit het aantal stokerijen in de steden, maar ook (en vooral) op het platteland. Met de draf en de spoeling kan de stoker een fraaie stal vee vetmesten en dat vee produceert mest van goede kwaliteit. De streek ten zuiden van Gent dankt haar vruchtbaarheid grotendeels aan de stokerijen in Deinze, Petegem en andere plaatsen. In de Franse tijd zijn er in het Departement van de Schelde (Oost-Vlaanderen) zo’n 250 stokerijen die jaarlijks vijftienhonderd hectaren landbouwgrond van mest voorzien.

11837-view-of-kiel-jacob-grimmer

Abel Grimmer, “Het Kiel” (a).

De tuiniersbedrijven met hun specifieke uitzicht bepalen mee het karakter van het platteland in de omgeving van de grote steden. Maar in de dorpen om de stad kweekt men niet alleen groenten. Vlak buiten de wallen, langs de drukke verkeerweg die Antwerpen verbindt met zijn oostelijke hinterland, groeit het dorp Borgerhout al vroeg uit tot een heuse voorstad.

Er zijn tal van slagers en brouwers gevestigd, die ontsnappen aan de reglementeringen van de stedelijke gilden én aan de stedelijke accijnzen. Geen wonder dat de Turnhoutsebaan in Borgerhout aan beide zijden bebouwd is met panden met trapgevels, net als een straat in de stad. Van die trapgevels blijft er vandaag welgeteld één over, maar op foto’s van het eind van de 19de eeuw ziet men er nog verscheidene.

Ook in andere dorpen in de nabijheid van de stad doen zich gelijkaardige ontwikkelingen voor. Blijkbaar gaan zoveel stedelingen zich er bevoorraden en/of bezatten dat de stad heel wat onrechtstreekse belastingen misloopt. Dat is zeker een van de belangrijkste motieven waarom Antwerpen al in het begin van de 16de eeuw probeert om bepaalde heerlijkheden in handen te krijgen.

Abuz et malefices

Dorpen als Deurne (waar Borgerhout dan nog deel van uitmaakt), Berchem en Wilrijk hebben geen lokale heer; ze behoren tot het persoonlijke bezit van de vorst. Maar wanneer die in ernstige geldnood verkeert, werpt de stad Antwerpen zich op als kandidaat-koper.

Burgemeesters en schepenen betogen dat er veel stedelingen gaan ‘drinken’ en dat misdadigers er vrij spel hebben; wanneer de stad het er voor het zeggen krijgt, kan zijn een einde maken aan al die ‘exces, abuz et malefices’ (in de 16de eeuw correspondeert het stadsbestuur met het hof in het Frans, de diplomatieke taal van die tijd).

TuindersbedrijfIn 1509 wordt Antwerpen de ‘heer’ van de drie dorpen en mag het er de schout en de schepenen aanstellen. Een halve eeuw later komt de stad ook in het bezit van de polderdorpen Oorderen, Oosterweel en Wilmarsdonk.

Niet alleen de lage prijzen lokken de inwoners van de grote steden naar buiten; de talrijke dorpskermissen spelen ook een rol. We kennen ze van de schilderijen van Pieter Breugel de Oude en vele andere, vaak kleinere meesters, die niet alleen het boerenleven afbeelden, maar ook de interactie met de stad.

De kermis van het dan nog groene Hoboken is zo populair en wordt blijkbaar zo vaak afgebeeld, dat in 17de-eeuwe inventarissen van kunstcollecties de term ‘een Hoboken’ een idee moet geven van de thematiek van een schilderij. Bruegel is een van de eersten om de Hobokense kermis te tekenen; Frans Hogenberg snijdt er een prent naar. Bekend is ook de ‘Hoboecken dans’ die wordt uitgegeven door muziekdrukker Tielman Susato.

Allerlei slach van lieden 

De landschapschilder Jacob Grimmer, geboren omstreeks 1526, ‘dede veel ghesichten van landtschappen nae ’t leven, omtrent Antwerpen en elders,’ vertelt Carel van Mander in zijn Schilder-Boeck. Over Grimmers schilderij Het Kiel (Antwerpen, KMSK) schrijft de kunsthistoricus F. Jos Van den Branden eind 19de eeuw:

‘Het verbeeldt het Kiel, een voorgeborcht van Antwerpen, met zijne weiden en hoveniershoven. […] Heel die schilderachtige landstreek, met haar malsch groen en lommerrijke boomen, heeft den breeden, gebogen Scheldestroom, […] voor achtergrond, en rechts in het verschiet, verheffen zich […] de torens en gevels der stad. […] Op de gansche uitgestrektheid van het voorplan loopt de heerbaan. Daarover trekken een drietal huifkarren met vroolijke gasten en een paar ruiters naar de stad, en tusschenin ontwaart men dansende en vechtende boeren, benevens allerlei slach van lieden, die er zeer opgeruimd en geestig uitzien.’

PieterVanderHeydenDe voorstelling is eigenlijk een gezicht op de Lage Weg – eertijds de drukke verbindingsweg tussen de Kronenburgpoort en Hoboken – ter hoogte van het buitengoed Schottshof. Ze geeft een goed idee van een hof van plaisantie in de tweede helft van de eeuw. Van de passagiers van de wagens en de voetgangers neemt men aan dat het stedelingen zijn die terugkeren van de Hobokense kermis.

In Antwerpen breekt het fenomeen van de ‘villa rustica’ door in het tweede kwart van de 16de eeuw. In een straal van 20 km om de stad komen tussen 1540 en 1600 minstens 240 buitenverblijven van min of meer gefortuneerde burgers. Ook zij drukken hun stempel op het uitzicht van de dorpen. Vaak begint het met een boerderij waar de nieuwe bezitter een of enkele kamers inricht als buitenverblijf.

Weldra wil men meer en beter en wordt een fraai huis gebouwd. Dat vertoont aanvankelijk nog de karakteristieken van een stedelijke woning: opgetrokken in baksteen met ‘speklagen’ in natuursteen en met trapgevels.

Pieter Bruegel

De landbouwuitbating blijft bestaan: zij levert de eigenaar groenten en fruit voor eigen consumptie; soms zijn er overschotten voor de verkoop. Vaak scheidt men het eigenlijke ‘hof van playsantie’ of ‘speelhof’ door grachten en hagen van zijn omgeving. Naar de toegangspoort leidt een fraaie dreef. Rondom het huis wordt een formele Franse tuin met wandelpaden en perkjes aangelegd. Daartussen komen beelden te staan. Boomgaarden zijn ook erg in trek.

Ook aan het interieur besteedt men veel aandacht. Muntmeester Nicholaas Jonghelinck draagt de schilder Frans Floris op een kamer van zijn hof te versieren met wandschilderingen over het leven van Hercules en een andere met de allegorische voorstelling van de Zeven Vrije Kunsten.

‘Alle dese dinghen waren seer heerlijck gheschildert, uytnemende van studie, naeckten en aerdigh van lakenen en ordinantien,’ noteert Van Mander. Daarnaast bezit Jonghelinck nog ander werk van de schilder – en zestien (!) schilderijen van Pieter Bruegel de Oude.

1567_Aertsen_Marktfrau_am_Gemuesestand_anagoria

Pieter Aertsen, Groentenverkoopster (a).

In het goed Zurenborg van burgemeester Michel van der Heyden hangen talrijke schilderijen, waaronder een werk van Quinten Metsys, twee van Jeroen Bosch en een hele reeks familieportretten. Vermeld worden ook een schilderij met Venus en Cupido, een olieverfschilderij met personages en een hof van playsantie in een landschap. Voorts zijn er wandtapijten met jachttaferelen, bloemen en bomen.

Op het eind van de 16de en in de eerste helft van de 17de eeuw verstoort de oorlog de relatie tussen de Scheldestad en het omringende platteland. Maar na de Vrede van Munster in 1648 knoopt men weer aan bij het verleden. De grote commerciële bloei van de stad is voorbij, maar speelhoven worden heropgebouwd en opnieuw trekt het volk op zon- en feestdagen naar de plattelandskroeg.

Laken

Ook om de andere grote steden – Brussel, Gent, Brugge – ligt intussen een gordel riante van buitenverblijven. De evolutie van de architectuur – van ‘Vlaamse renaissance’ over rococo en neoclassicisme – illustreert de toenemende segregatie tussen rijk en arm (ook in de steden zonderen de hogere klassen zich steeds meer af).

In Laken bouwen de landvoogden Marie-Christine en Albert van Saksen-Teschen die de Zuidelijke Nederlanden besturen voor de Oostenrijkse keizer Jozef II tussen 1782 en 1784 het kasteel Schoonenberg, later het woonpaleis van de Belgische koningen. Vlakbij trekt de bankier Edouard Walckiers vier jaar later het moderne buitengoed Belvédère op.

Grote fabrieken komen er pas in de tweede helft van de 19de eeuw op het platteland om de steden. Maar een toch wel grootschalige ‘ambachtelijke’ industrie als de steenbakkerij in de Rupelstreek, die vanaf de late middeleeuwen dateert, is ondenkbaar zonder de nabijheid van Brussel, Antwerpen en Mechelen. In 1753 krijgt de firma Beerenbroeck & Cie een octrooi om buiten de Antwerpse stadsmuren, in het gehucht Dambrugge, een katoendrukkerij te bouwen, waar men met houtblokken op katoen motieven drukt. Anno 1769 werken er 576 arbeiders.

Al veel langer zijn er stedelingen die hun economische activiteit – of een deel ervan – uitoefenen in de groene omgeving. In Hoboken huurt de schilder van havens en zeegezichten (!) Bonaventura Peeters omstreeks het midden van de 17de eeuw een klein buiten om er te wonen en te werken.

In 1734 koopt de bekende architect Jan-Peter van Baurscheit de Jonge een buitenplaats aan de Schelde in hetzelfde Hoboken. Hij slaat er bouwmaterialen op die per boot van elders worden aangevoerd en stelt er steenkappers tewerk. In Borgerhout is dan weer het atelier van de Italiaanse ‘mouleur’ Giovanni Derchi gevestigd die overal in Europa gipsen kopieën van klassieke beelden vervaardigt.

Kanunnik

Het contact tussen de steden en hun ommeland vaart wel bij de aanleg van de eerste steenwegen. Tot dan toe zijn zelfs de belangrijkste verkeersaders onverhard en moeilijk berijdbaar. Het Oostenrijkse bewind probeert daar verandering in te brengen. Hoewel de werken vaak voortijdig stranden door allerlei financiële en juridische hindernissen, leiden korte stukken steenweg in de stadsbuitenijen toch tot een merkelijke verbetering van de toestand en krijgen sommige dorpen een uitgesproken ‘voorstedelijk’ karakter.

Eten en drinken in herbergen vlak buiten de stadsmuren blijft tot na de Eerste Wereldoorlog een vast onderdeel van de vrijetijdsbesteding van de kleine burgerij. Dat ook ‘hoge heren’ graag op de buiten de bloemetjes buitenzetten, leren we uit een brief die de Engelse excentriekeling en schrijver William Beckford in 1780 schrijft. Antwerpen is een van de eerste etappes op zijn ‘grand tour’ naar Italië. Hij bezoekt de vermaarde kunstverzameling van kanunnik Knyff van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Beckford schrijft over Knyff:

WilliamBeckford

William Beckford (a).

‘Naar mijn bescheiden mening maakte de Eerwaarde een wat verwarde indruk en waarachtig, de beschrijving die ik naderhand hoorde van zijn levensstijl, bevestigde in niet geringe mate mijn gissingen. Deze eerbiedwaardige dignitaris geniet, met zijn privé-inkomen en de goede dingen der kerk, een vijfduizend pond sterling aan inkomsten, die hij weet te spenderen aan de geneugten van de tafel en het bevorderen van de schilderkunst. Zijn personeel is hem misschien wel behulpzaam bij het opmaken van zo’n ruim inkomen, aangezien de kanunnik met hen allemaal op zeer vertrouwelijke voet omgaat. Om vier uur ’s middags vergezelt een select gezelschap hem in zijn rijtuig naar een bierhuis, ongeveer een mijl buiten de stad, waar hen een tafel, rijkelijk voorzien van pullen bier en fraaie kazen, wacht. Na deze eenvoudige kost brengt dezelfde equipage hen terug, naar wat we ervan horen veel sneller dan ze gekomen zijn – wat men zich wel voor kan stellen, want de koetsier is een van de geestigsten van het gezelschap’ (vertaling Gerlof Janzen).

Kunsthistorici zeggen vaak dat de stedelingen in het Ancien Régime neerkijken op de boeren en dat kunstenaars hen vaak afbeelden om aan hun stedelijke publiek te tonen hoe ‘boers’ ze zijn. Het antagonisme tussen de ambachtslui uit de stad en de goedkopere arbeiders op het platteland is reëel. Maar stad en platteland kennen elkaar goed en hebben elkaar broodnodig.

 Verschenen in “Eos Memo” nr. 13.

 

 

[Literatuurgeschiedenis] Censuur / geen censuur. Belgische priesters en politiemannen tackelen ‘pornografie’

liseuse

Antoine Wiertz, ‘La Liseuse de Romans’ (a).

Censuur is in België onmogelijk. Artikel 25 van de Grondwet van 1831 bepaalt dat de drukpers vrij is en censuur ‘nooit’ kan worden ingevoerd. Voorts bestaat de vrijheid ‘om op elk gebied zijn mening te uiten […]’, behalve wanneer daarbij misdrijven worden gepleegd. Dat kan zijn wanneer de ‘openbare zedelijkheid’ (een begrip uit de strafwet) wordt geschonden. Bij ‘openbare schennis van de goede zeden’ denkt de wetgever bijv. aan liederen en teksten – maar de concrete invulling van wat ‘de eerbaarheid kwetst’ is de taak van de rechter.

Een en ander belet de katholieke kerk niet te zeggen wat de gelovigen wel of niet mogen lezen, wat in de 19de en een flink stuk van de 20ste eeuw leidt tot herhaalde ingrepen van de clerus. Nogal wat schrijvers kunnen daarvan meespreken.

Hendrik Conscience

In 1842 werkt de schrijver Hendrik Conscience (1812-1883) als ‘griffier’ in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Enkele jaren eerder heeft hij De Leeuw van Vlaenderen gepubliceerd. In Vlaamsgezinde kringen is Conscience een gevierd man; hij geniet de vriendschap en bescherming van zijn directeur, de liberale schilder (n vrijmetselaar) Gustaf Wappers.

Maar in de ogen van de Kerk is Conscience verdacht. Romans, zo menen veel priesters, zijn een product van de liberale Franse geest. Voor de gelovigen zijn ze gevaarlijk omdat ze tot de verbeelding spreken zonder daarom per se de waarheden van het geloof te propageren.

Bovendien heeft Conscience in zijn debuutroman, In ’t Wonderjaer (1837) openlijk de lof van de Geuzen die in de 16de eeuw in opstand komen tegen Spanje gezongen. Alsof dat niet erg genoeg is bevat De Leeuw bevat niet gewelddadige taferelen, maar vertelt de roman ook over de liefde tussen (de fictieve) Machteld, dochter van de graaf van Vlaanderen, en de heldhaftige ridder Adolf van Nieuwland.

250px-Kortrijk_1302_Henri_De_Pondt_portret_van_Hendrik_Conscience_ca__1870_9-01-2010_14-59-41

Hendrik Conscience.

Omdat de uitgeverij in Vlaanderen nog nergens staat, moeten auteurs die hun werk gedrukt willen zien de kosten zelf dragen. Zo komt het dat In ’t Wonderjaer en De Leeuw hun auteur niets hebben opgebracht. Conscience mag dan een baan hebben, rijk wordt hij daar niet van. Groot is dan ook zijn blijdschap wanneer Wappers hem in contact brengt met de ‘inspecteur van de gevangenissen’ T. Sorlus. Die overweegt beide boeken aan te kopen voor de bibliotheken van de strafinrichtingen in het Nederlandstalige landsgedeelte. Conscience stapt naar zijn drukker en die bestelt prompt de nodige riemen papier.

Maar dat is gerekend buiten de invloed van kanunnik Jan-Baptist Van Hemel (!), hoofd van het Klein Seminarie in Mechelen en censor librorum van het aartsbisdom. Ondanks de bepalingen van de Grondwet en de scheiding van kerk en staat weegt de clerus zwaar op de besluitvorming – waaronder die in het gevangeniswezen.

Van Hemel verzet zich tegen een eventuele aankoop van In ’t Wonderjaer en De Leeuw, tenzij de schrijver zich bereid toont om veranderingen aan te brengen. Conscience, die sowieso geen sterk karakter heeft, staat met zijn rug tegen de muur. Toegeven, maakt Van Hemel hem duidelijk, betekent niet alleen dat de bestelling voor de gevangenisbibliotheken doorgaat, maar ook dat zijn romans door de zeshonderd leerlingen van het Mechelse Klein Seminarie zullen gelezen worden. En omdat hij het ijzer wil smeden wanneer het heet is, doet de kanunnik meteen een reeks suggesties.

Conscience gaat door de knieën. Van Hemel, maar ook P.J. Visschers, de pastoor van de Antwerpse Sint-Andrieskerk en –  naar verluidt – de felle polemist priester Jan-Baptist Buelens, onderpastoor van de Sint-Jacobskerk, buigen zich over de gewraakte boeken. De schrijver luistert en gaat aan de slag.

Gecastreerd

In ’t Wonderjaer zal voortaan Het Wonderjaer heten; de priesters in het boek krijgen een mooiere rol en het behoud van het katholieke geloof komt centraal te staan. In De Leeuw sneuvelen bloeddorstige uitlatingen van opstandelingenleider Jan Breydel en Machteld bemint haar ridder niet langer ‘met onrustige drift’, maar als een zuster. Beide romans verliezen ook hun Vlaamsgezinde voorwoord.

De nieuwe versie van Het Wonderjaer verschijnt in 1843, weldra gevolgd door de ‘gecastreerde’ Leeuw. Voor Conscience is het pad naar succes geëffend, maar zijn geloofwaardigheid ligt aan diggelen en zijn liberale vrienden keren zich van hem af. Voortaan legt hij een voorzichtigheid aan de dag die zijn oeuvre niet ten goede komt.

Timmermans

Felix Timmermans.

‘Ik heb slechts gelachen en niet gespot met het domme bijgeloof in onzen schonen godsdienst en ’t ware goed dat dit veel gedaan wierd, ter ere van den godsdienst zelf,’ schrijft de beroemde Felix Timmermans (1886-1947) in 1920 naar aanleiding van de kritiek op zijn roman Pallieter (1917). ‘Dat wil nu niet zeggen, dat ik een vierkantig voorbeeld van katholiek ben. Ik probeer slecht een goede katholiek te zijn’.

Maar goede wil volstaat niet, zelfs niet voor onverdacht katholieke schrijvers. Pallieter doet in kerkelijk kringen nogal wat wenkbrauwen fronsen.

De roman is eerst in afleveringen verschenen in het Nederlandse literaire tijdschrift De Nieuwe Gids en komt het jaar daarop in boekvorm van de pers bij P.N. Van Kampen en Zoon in Amsterdam. Pallieter kent dadelijk een groot succes maar werkt ook op de zenuwen van bepaalde pastoors en zelfs van protestantse dominees.

Timmermans’ titelheld houdt intens van de natuur – zozeer dat de enen hem ‘heidens’ vinden en de anderen hem voor een ‘pantheïst’ verslijten. De humor die de auteur zich permitteert wanneer hij over kerkelijke gebruiken en priesterlijke gedragingen spreekt – de pastoor in Pallieter kijkt soms te diep in het glas – heten bij hen ‘godslasterlijk’.

In 1918 noemt de Nederlandse redemptorist M. Stoks Pallieter in het dagblad De Tijd ‘een veeg en denkelijk teken des tijds, en […] een sterk typerend symptoom van nieuw-humanisme […] De ware, verfrissende, sterkende levensvreugde welt naar onze Roomse opvatting uit diepere en heldere bronnen’.

Kanunnik

Stoks heeft veel invloed in het noorden. Het Nederlandse episcopaat klopt aan in Rome en krijgt er gedaan dat ‘de lezing van Pallieter, door Felix Timmermans […] de katholieken verboden is’, hoewel de roman niet officieel op de kerkelijke Index komt. De bekendmaking hiervan verschijnt in drie Nederlandse kranten.

Het pauselijk verbod geldt natuurlijk in België, maar kardinaal Mercier, de aartsbisschop van Mechelen, beperkt zich tot de publicatie van de Latijnse tekst in de ‘vaktijdschriften’ van de bisdommen, zonder er verder ruchtbaarheid aan te geven.

Timmermans, die een en ander van zijn vrienden moet vernemen, is geschokt, maar het komt niet bij hem op zich te verzetten. Pallieter staat op een lijst van boeken, zo vertelt men hem,  die de katholieken niet mogen lezen tot ze ‘verbeterd’ zijn. Ondanks zijn onvrede is de schrijver meteen bereid om in zijn boek veranderingen aan te brengen. Alleen weet hij niet hoe zoiets in zijn werk gaat en daarom vraagt hij hulp aan de invloedrijke Antwerpse essayiste Marie Belpaire (1853-1948).

AffichePallieter

Affiche voor de film ‘Pallieter’ van Roland Verhavert (a).

Belpaire schakelt de theoloog kanunnik Theodoor Van Tichelen in, die op zijn beurt contact opneemt met kardinaal Van Roey. Intussen blijken ook Nederlandse katholieken, onder wie de aartsbisschop van Utrecht bereid om het voor Timmermans op te nemen. Uiteindelijk richt de schrijver een brief aan het Heilig Officie in Rome. Of die verder raakt dan het aartsbisdom in Mechelen is onduidelijk. Het is best mogelijk dat Van Roey of een vertegenwoordiger van de Nederlandse bisschoppen in Rome voor Timmermans ten beste spreken.

Intussen blijft Pallieter op de markt. Toch weigert de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde de roman te bekronen met de August Beernaertprijs. Ook hier is het een priester, kanunnik Muyldermans, die zijn voet dwars zet.

In 1922 verschijnt de elfde druk van Pallieter, die is aangepast. Pallieter ziet niet langer ‘de tepeltjes’ van de borsten van zijn vriendin Marieke; haar ‘boezemkens’ ‘waggelen’ niet meer en Pallieter drukt geen ‘mals en zeer dun gekleed lijf’ tegen zich aan. En een verwijzing naar de heidense god Pan wordt afgezwakt.

Maar dat alles volstaat niet. Kanunnik Van Tichelen adviseert Timmermans bij een aantal bijkomende schrappingen en veranderingen die uiteindelijk leiden tot de ‘definitief’ aangepaste 16de druk van Pallieter.

Naakt

Een scène waarin Pallieter een naakt Marieke achtervolgt en haar vervolgens meeneemt op zijn paard, is verdwenen. Andere wijzigingen zijn van nog verregaander onnozelheid – een paar volkse en grappige (maar niet ‘oneerbiedige’) omschrijvingen van God en de heiligen vervallen en Pallieter gaat een keer meer naar de mis. Pas in de jaren 1970 ontdoet men het boek van deze ‘verbeteringen’.

Walschap1933Carla

Gerard Walschap met dochter Carla.

Helemaal anders pakt het uit wanneer de kerk zich gaat bemoeien met de romans van Gerard Walschap (1898-1989). Ook de jongeman uit Londerzeel is een vroom katholiek en droomt van een leven als missionaris (maar wordt ter elfder ure weggestuurd uit het seminarie).

Walschap, intussen getrouwd en vader, wordt redactiesecretaris van  het katholieke weekblad Het Vlaamse Land. Wanneer dat wegens zijn flamingantisme in een kwaad daglicht komt te staan bij de bisschoppen, wordt Hooger Leven opgericht, een periodiek waarvan de schrijver redacteur blijft tot in 1939.

Walschap heeft een fel temperament. Hij heeft gestudeerd en veel gelezen en de buitenlandse literatuur. Hij weet dat katholieke auteurs in Engeland, Duitsland en Frankrijk niet terugdeinzen voor de publicatie van probleemromans waarin het geloof van de personages op de proef wordt gesteld. Hun wereld, vindt Walschap, staat mijlenver af van de kritiekloosheid, volgzaamheid en de sentimentaliteit waarvan de Vlaamse literaire productie (of toch het katholieke deel daarvan) getuigt.

De ambitieuze auteur droomt ervan om zelf ook zo’n ‘moderne’ katholieke roman te schrijven. Adelaïde ontstaat tijdens een vakantie die Walschap deels in Maaseik bij zijn schoonfamilie doorbrengt, deels in Wenduine aa, zee. Het boek is geschreven ‘zoals men ademt,’ getuigt de schrijver nadien.

Pallieter(dbnl)Adelaïde vertelt het verhaal van een jonge vrouw die non wil worden maar dat uiteindelijk niet doet omdat ze vreest dat ze het celibaat niet aankan. Ze trouwt en krijgt maar een kind omdat ze aan contraceptie doet. Dat wekt de wrevel op van de onderpastoor die voorspelt dat ze zal getroffen worden in haar enige zoon. Adelaïde doet alles om haar kind te beschermen. Maar haar angst en de ziekelijke jaloersheid die ze koestert ten overstaan van haar man ontaarden in krankzinnigheid. Adelaïde sterft bij een val uit het raam, die men kan interpreteren als zelfmoord.

Adelaïde bevat geen wezenlijke kritiek op het geloof. De ‘heldin’ gaat ten onder aan het conflict tussen ‘zinnelijkheid’ en zondebesef (dixit Walschapbiograaf Jos Borré). Het lot van Adelaïdes zoon en kleindochter beschrijft Walschap in de romans Eric en Carla die samen met Adelaïde de trilogie De familie Roothooft vormen.

‘Ik wilde een door en door authentiek katholieke roman schrijven, die aansloot bij de werkelijkheid van dat ogenblik,’ verklaart Walschap achteraf. ‘Omstreeks de dertiger jaren leek mij de huwelijksmoraal wel het meest aangewezen thema, juist omdat geen twintig procent der gelovigen toen de kerk op dat punt nog volgde.’

Net als Pallieter heeft Adelaïde in het katholieke kamp bewonderaars en vijanden. Belangrijke critici zoals Marnix Gijsen (op dat ogenblik zelf ook nog katholiek) reageren positief. Maar in het tijdschrift Jong Dietschland fulmineert ene S. Linde: ‘Weg met die bezetenheid, want dit is niets voor ons, katholieke Vlamingen’.

Jezuïeten

Deze keer verloopt de strijd bijzonder bits. Enkele jezuïeten met belangen in de literatuur ontketenen een ware hetze. In kranten verschijnt een oproep van 75.000 leden van de Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ) die verklaren dat zij ‘nooit Walschap zullen lezen’. Twintigduizend ‘katholieke huismoeders’ beweren dan weer dat de auteur ‘pornografie’ schrijft.

De leider van het Algemeen Christelijk Werkersverbond (ACW), de grootste vakbond van het land, spreekt zijn eigen banvloek uit over de schrijver. Wanneer de katholieke krant De Standaard toch – heel kort – meldt dat Walschap de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza heeft gekregen, protesteert minister P.W. Seghers met een woedende lezersbrief.

De pastoor van de Antwerpse Sint-Laurentiuskerk – Walschap woont om de hoek, in de Lemméstraat, tegenover Willem Elsschot – houdt een donderpreek tegen de schrijver, terwijl diens vrouw en kinderen in de kerk zitten.

Van Aken

Piet Van Aken.

Maar de tijden zijn veranderd. Walschap behoort tot een jongere generatie dan Timmermans. Hij heeft ook een heel ander karakter. De schrijver reageert met een combinatie van onverschrokkenheid en geduld. Hij probeert zijn motieven uit te leggen en voelt zich daarbij niet weinig gesterkt door de positieve reacties op zijn werk in katholieke publicaties in Nederland en Duitsland.

Walschap tracht duidelijk te maken dat preutsheid en hypocrisie contraproductief zijn en dat ze indruisen tegen de essentie van de christelijke boodschap. Maar in Vlaanderen valt zijn pleidooi voor ‘realistisch katholieke kunst’ bij de meesten in dovemansoren. Toch kan hij zich staande houden. In 1933 wordt hij zelfs redacteur van het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort, waaraan ook Maria Belpaire, Marnix Gijsen en August Van Cauwelaert meewerken.

Van Walschaps roman Bejegening van Christus verschijnt eerst de Duitse vertaling, omdat de zijn vrienden van de schrijver hem het boek niet uit te geven in Vlaanderen. In 1939 publiceert Walschap zijn meesterwerk Houtekiet dat resoluut kiest voor ‘absolute vrijheid en eigengerechtige zelfbeschikking’ (Borré). In januari 1940 komt trouwens ook de originele Nederlandse van Bejegening van Christus van de pers. En kort daarop volgt – in een beperkte oplage – het pamflet Vaarwel dan, waarin Walschap openlijk afstand neemt van kerk en geloof en ook uitlegt hoe het zover is gekomen. De Duitse inval van 10 mei 1940 maakt een voortijdig einde aan de polemiek die losbreekt.

Black Venus

Na de oorlog blijft België een verzuild land, maar de almacht van de kerk is gebroken. Toch blijven ‘ketterjagers’ als kanunnik Joris Baers met zijn tijdschrift Boekengids de katholieken (en hun bibliothecarissen) voorhouden welke boeken ze wel en niet in huis mogen halen, dit tot grote ergernis van niet-gelovige uitgevers als Angèle Manteau die hierdoor veel minder exemplaren kunnen slijten dan ze wel hadden gewild.

Geeraerts

Jef Geeraerts.

Begin 1968 verschijnt de roman Gangreen 1. Black Venus van Jef Geeraerts (1930). Daarin beschrijft de ex-koloniaal ambtenaar zijn avonturen in het Congo van vòòr de onafhankelijkheid van 1960. De uitgever zet het boek in de markt als een ‘autobiografie’. De expliciete seks bezorgt menige lezer rode oortjes, terwijl nogal wat mensen de voorstelling van de Congolezen in het boek racistisch en kolonialistisch vinden. Het bijwijlen lyrische Black Venus groeit uit tot een druk besproken bestseller.

In november van het volgende jaar vergadert de jury van de Driejaarlijkse Staatsprijs – op dat ogenblik de belangrijkste literaire onderscheiding in Vlaanderen. Er zijn vijf juryleden. Voorzitter Paul De Vree onthoudt zich bij de stemming. Prof. Marcel Janssens, dichteres Clara Haesaerts en Lieve Scheere stemmen voor. Maar de romancier Piet Van Aken is zo kwaad dat hij weigert mee te stemmen – boze tongen beweren later dat hij een eigen kandidaat had.

Dat uitgerekend de vrijzinnige en linkse Van Aken zich ergert aan Gangreen 1 is merkwaardig. Koestert hij bezwaren tegen het beeld vat Geeraerts van de Congolezen ophangt of tegen de expliciete seks? Misschien. Maar de kans is groter dat Van Aken, die de Amerikaanse literatuur heel goed kent, meent wat hij zegt, nl. dat hij zich stoort aan Geeraerts’ navolging van de lange zinnen zonder punten of komma’s van de Amerikaan Henry Miller – Miller die trouwens ook bekendstaat om zijn bedscènes.

Wat er ook van zij, Geeraerts krijgt zijn Staatsprijs.

Razzia

Groot is dan ook de verontwaardiging wanneer de Brusselse politie medio december 1969 binnenvalt bij de bekende boekhandel Corman aan de Ravensteinstraat en er een exemplaar van Gangreen 1 meeneemt.

Dat gebeurt op donderdag. De dag daarop verneemt de uitgever het nieuws. Hij brengt meteen een Nederlands weekblad op de hoogte. Geeraerts is zondagavond al te horen op de radio en lucht zijn verontwaardiging. ’s Maandags verklaart de gerechtelijke brigade van de Brusselse gemeentepolitie dat ze een aantal boeken heeft meegenomen omdat iemand een klacht heeft neergelegd omdat Corman o.m. het bekende ‘voorlichtingsboek’ Variaties van de Deen Oswald Kolle verkoopt. Naast Black Venus en Variaties zijn ook de bekende 18de-eeuwse Engelse ‘zedenroman’ Fanny Hill van John Cleland, de Kama Soetra en Ik, Jan Cremer meegenomen.

CormanLabisse

Felix Labisse ontwierp voor boekhandel Corman wikkels en bladwijzers (Delcampe.net).

De Vereniging van Vlaamse Letterkundigen laat protest horen en weldra komt de zaak ter sprake in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Eerst gaat de discussie over de schadelijke gevolgen van het gebruik van de insecticide DDT, maar dan interpelleert de Franstalige Brusselse socialist Guy Cudell. Hij herhaalt de bezwaren van Van Aken tegen Black Venus.

De Vlaamse minister van cultuur, de christendemocraat Frans Van Mechelen, verdedigt de beslissing van de jury. Daarop ondervraagt de Vlaams-nationalist Belmans de socialistische minister van Justitie Vranckx over de inval in de boekhandel. Vranckx antwoordt dat het boek, in tegenstelling tot wat wordt beweerd, niet in beslag is genomen maar ‘voor nazicht’ meegenomen in het raam van een gerechtelijk onderzoek op basis van artikel 383 van het Strafwetboek betreffende schending van de ‘openbare zedelijkheid’.

Senaat

Er komt ook een discussie in de Senaat, waar de socialist Willy Calewaert wijst op de ‘contradictie’ tussen artikel 383 en de vrijheid van drukpers, gewaarborgd door de Grondwet. Hij krijgt steun van de liberalen. Maar ook minister Van Mechelen verklaart zich een voorstander van de artistieke vrijheid. Vranckx zegt dat niet hij, maar het gerecht – dat onafhankelijk is – besloot tot een onderzoek. Waarop hij een pleidooi houdt tegen pornografie “als inzet voor de strijd voor de vrijheid”.

Bij een andere gelegenheid noemt hij Black Venus ‘een boek waarin de Belgen worden afgeschilderd als een Herrenvolk’.

Op 3 december adviseert het parket aan de Brusselse onderzoeksrechter dat er geen reden is tot vervolging of inbeslagname en Corman zijn exemplaar van Black Venus terugkrijgt.

Verschenen in ‘Eos Memo’, nr. 12.

[Column] De Archeologie van het menselijk tekort.

InLonden

Londen, Russell Square, Bloomsbury, 2011.

Een halve eeuw geleden – nee, iets meer dan dat – was ik voor het eerst getuige van een archeologische opgraving. Dat was in Grobbendonk in de Kempen, waar mijn vader enkele jaren later zou gaan wonen. Op de Grobbendonkse plek die vandaag Steenberg heet, lag in de eerste eeuwen van onze jaartelling een Galloromeinse nederzetting. Recente toevalsvondsten en enkele vermeldingen in de literatuur hadden de aandacht gewekt van de pas opgerichte Nationale Opgravingsdienst in Brussel.

Die werd ter plaatse bijgestaan door de amateurarcheologen van de Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Grotonderzoek waarvan een vriend van mijn vader, dokter Paul Janssens, deel uitmaakte. ‘Nonkel Pol’ was ook onze huisdokter en genoot een groot aanzien. Niet alleen op Het Kiel, waar hij honderden patiënten had, maar ook bij iedereen die zich in Antwerpen met oudheidkunde bezighield.

Zo komt het dat ik, op een prillere leeftijd dan de meeste mensen, leerde dat je de aanwezigheid, heel lang geleden, van een houten gebouw kunt afleiden uit grondsporen, die er eventueel bij vertellen dat de constructie destijds afbrandde. De plek waar werd gegraven, was het rijk van beslijkte volwassenen die met hun indrukwekkende spades laagje per laagje de aarde weghaalden van de bodem van een groot, rechthoekig gat in de grond.

Spannend, maar allemaal een beetje traag voor de nerveuze kleuter die ik was. Dit verhaal zou mooier zijn als ik kon zeggen dat ik toen ‘geroepen’ werd en besloot om wanneer ik groot was op mijn beurt archeoloog te worden. Maar dat is – jammer genoeg, misschien – niet zo. Als tiener dacht ik er wel aan, maar uiteindelijk liep het allemaal anders. Tussen droom en daad, enzovoort, schreef Willem Elsschot al.

Toch is het ‘archief van de bodem’ mij blijven fascineren – meer misschien dan het een heleboel andere historici doet. Toch heb ik, die een toekomst in de papieren historie tegemoet ging, er een keer op eigen houtje in gegrasduind. Vele jaren later – ik was negentien of twintig en studeerde aan de universiteit – had de Grobbendonkse bodem veel van zijn geheimen prijsgegeven. Het was bekend dat nabij de Steenberg twee Galloromeinse tempels en een badhuis hebben gestaan, en dat de nederzetting een zeker belang had. Mijn vader woonde er intussen, aan de Vorselaarsebaan, de noordelijke grens van het gebied waar diverse opgravingscampagnes elkaar in de loop der jaren hadden opgevolgd.

Die Vorselaarsebaan werd anno 1977 of ’78 voorzien van nieuwe riolen en een stenen wegdek – tot dan toe was het een her en der verharde aardeweg. In het midden hadden arbeiders een sleuf van zo’n twee meter diep gegraven. Je kon erin langs een helling aan de kopse kant – van enige efficiënte beveiliging was geen sprake.

Ik kon het niet laten en mijn moed werd beloond met potscherven die ik maar uit het zand aan weerszijden van de sleuf hoefde te trekken. Spectaculair waren mijn vondsten niet, zeker niet in vergelijking met wat in de loop der jaren aan het licht kwam – een beeldje en verscheidene voorwerpen in brons, een heuse urne, meer grondsporen van gebouwen en noem maar op. Genoeg voor een stel artikel in de vakpers en een vermelding in ieder overzicht van de archeologie in Vlaanderen. Maar het waren wel mijn Romeinse scherven en dat is ook wat.

Een paar weken geleden vond ik ze terug op zolder, nog altijd in het plastic tasje waarin ik ze een paar decennia geleden opborg. Mijn vader en mijn moeder en Nonkel Pol zijn al lang dood en ik heb sinds mijn eerste confrontatie met de archeologie stukken minder vertrouwen in de wereld. Bovendien ben ik bijna veertig jaar ouder dan toen ik mijn eigen aardewerkfragmenten uit de sluimer – of beter: het slijk – van twintig eeuwen te voorschijn haalde.

Stemt mij dat somber? Soms wel. Een jongere collega zei onlangs: ‘Zevenenvijftig! Dan ben jij even oud als mijn papa’. En met het oog op Vaderdag kocht ze voor mijn leeftijdgenoot een donkergrijze hoed, familie van degene die ik zelf draag. Al voelde ik me daardoor ook wel een beetje gevleid en dus getroost.

De echte verschrikkingen van de ouderdom laten hopelijk nog even op zich wachten. Met een beetje geluk is het mij vergund om voor het Grote Vergeten intreedt een paar boeken meer te schrijven. Als het kan over geschiedenis – wie na ons komt moet ook weten dat al het zand onder hun voeten niet zo maar zand is.

Wat natuurlijk een ietwat megalomane gedachte is. Ik weet tenslotte ook niet hoe de Grobbendonkse Romeinen eruitzagen of welke tabak ze rookten (grapje! grapje!).

Verschenen in Memo nr. 13.

Dichter aan de wal. Het fantoom Saint-Rémy.

DeMuynck1

Rémy De Muynck, alias Saint-Rémy.

De ordening van een literair archief heeft soms bijwerkingen.  Het gebeurt dat men geboeid raakt door een schrijver met wie men artistiek noch persoonlijk veel affiniteit voelt – een schrijver wiens fantoom zich aan de archivaris opdringt zoals een personage dat ongevraagd aanklopt bij een romancier.

Rémy De Muynck, alias Saint-Rémy (1913-1979) is zo’n schrijver. En vertaler, schilder, uitgever en boekhandelaar –in het Nederlands en in het Frans. Zelfs nu het Letterenhuis dankzij de zus van De Muyncks medewerkster Ronny Janssens over een groot deel van zijn archief beschikt, vertoont zijn biografie gaten genoeg om de verbeelding op dreef te helpen.

Alleen mag dat niet. Literair archiefwerk is dan wel geen exacte wetenschap, het houdt zich bij voorkeur aan de feiten. Dat nogal wat elementen uit De Muyncks leven enigszins in nevelen gehuld blijven, is te wijten aan hemzelf maar ook aan de bewonderaars de na zijn onverwachte overlijden de loftrompet over hem steken.

De Muynck wordt geboren in Varsenare bij Brugge. Hij studeert in “Brugge, Oostende en Antwerpen” en “als aspirant-zeeofficier” reist hij de wereld rond, vertelt hij zelf in een biografietje voor de pers uit 1970.

In het herdenkingsnummer van het tijdschrift Trap, uitgegeven door de Antwerpse dichters Tony Rombouts en Maris Bayar, voegt de historicus Michel Oukhow daar negen jaar later aan toe: “Hij [De Muynck] liet zijn literaire bedrijvigheid ingaan sedert 1942. Al zijn vroegere werk verloochende hij, zoals dikwijls gebeurt met rijpende figuren, maar die daar zichzelf toch in feite te kort mee doen.”

Al in 1934 verschijnt bij de katholieke Brugse drukker J. Verbeke-Cappoen de roman Herwig. De Muynck heeft zelf het sobere, modernistische voorplat ontworpen. Maar het sentimentele en bijzonder vrome verhaal is allesbehalve modernistisch.Een jaar later volgt bij dezelfde uitgever een tweede roman, Het Lied. In de reeks Cahiers van de Waterkluis bij Varior in Sint-Amandsberg bij Gent publiceert De Muynck in 1938 zijn eerste dichtbundel, Ebbe en Vloed. De kritiek blijft gereserveerd, maar signaleert het boekje wel. Een foto van De Muynck met obligate pijp verschijnt in de krant.

Roland-Holst

Adriaan Roland-Holst.

De Duitse bezetting houdt Rémy De Muynck vanaf 1940 aan de wal. Hij gaat aan de slag als recensent en vertaler – genoeg om opgezadeld te raken met een “oorlogsverleden”. Hij schrijft voor de krant Het Vlaamsche Land die ook de door Jeroen Brouwers literair gerehabiliteerde Frans Buyle onder haar medewerkers telt.

De Muyck stelt de bloemlezing De moderne Finsche Poëzie samen, die hij ook inleidt. Het boekje verschijnt in 1943 bij De Nederlandsche Boekhandel. In zijn betoog is geen spoor waar te nemen van het bloed- en bodemdiscours van andere collaborerende poëten.

Uit het Zweeds vertaalt De Muynck de roman Britt-Marie Colstrup van Ejnar Smith (1878-1928). In 1938 al heeft hij in samenwerking met Peter Thiry Het Leven met Vader van de populaire Amerikaanse schrijver Clarence Day (1874-1935) vertaald; in 1941 volgt van dezelfde auteur Moeder en wij. Beide vertalingen verschijnen bij Boekengilde Die Poorte.Tenslotte zet hij zich aan de roman Unser Freund Peregrin van Ina Seidel (1885-1974) – een schrijfster die haar grote sympathie voor da Nazi’s niet  onder stoelen of banken steekt.

Tussendoor vindt De Muynck tijd voor poëzie. Zijn gedichten uit de periode 1938-1941 verschijnen in de bundel Het Spoor.  Het gaat om poëzie die zichzelf bijzonder au sérieux neemt, getuigend van een groot verlangen naar het absolute, maar duidelijk niet in een religieuze, laat staan katholieke zin.

DeCorte2

Bert Decorte (foto De Backer).

Na de Bevrijding komt De Muynck “in aanraking” (dixit Ludo Simons) met de repressie. Maar dat valt allemaal erg mee. In in 1945 vinden we de schrijver – op vrije voeten – in Antwerpen. Hij richt er aan de Sint-Katelijnevest nr. 55 de boekhandel en eenmansuitgeverij Orion in, die tot 1954 zo’n twintig boeken zal uitgeven. Tegelijk levert hij bijdragen aan de krant De Antwerpsche Gids.

Michel Oukhow schrijft: “Saint-Rémy plaatste zich na het einde van de oorlog […] in het centrum van een strikt uitgelezen groep mensen, die in zijn […] boekhandel samen kwamen. Een reeks ouderen, onder wie ik mij vooral Maurice Gilliams en de schilder Vandijck herinner, een groep jongeren voor wie hij enorm veel belangstelling had, en ik denk hier vooral aan Bert Decorte […].”

In 1946 verschijnt bij Orion De bloemen van den booze, een vertaling van Les fleurs du Mal van Charles Baudelaire door Bert Decorte (1915-2009) met een inleiding van niemand minder dan Herman Teirlinck.

Zijn goede verstandhouding met linkse, vrijzinnige figuren belet De Muynck niet om samen te werken met de bekende jezuïet en literatuurhistoricus Jozef Van Mierlo s.j. (1878-1958). Die verzorgt de inleiding van Het gulden Boek van Maria, een verzameling door De Muynck gebloemleesde teksten.

In 1958 verschijnen De Muyncks eerste Franse gedichten, de Poèmes de Georges, opgedragen aan de nagedachtenis van een gestorven vriend. Zijn boekhandel en uitgeverij heet voortaan de Librairie des Arts en verhuist naar de Galerie Moderne aan de Huidevettersstraat, inderdaad de eerste moderne winkelpassage in Antwerpen. De Muynck handelt er in eigen uitgaven en in antiquarische boeken en prenten.

Onder de nom de plume Saint-Rémy vertaalt hij werk van Maurice Gilliams in het Frans (L’Hiver à Anvers, 1965 en Elias ou le Combat contre les rossignols, 1968). Zijn passie voor het werk van de dichter Adriaan Roland Holst leidt tot een “herschepping” van diens cyclus Een Winter aan Zee onder de titel Un Hiver océan, ingeleid door de Franstalige Antwerpse schrijver Guy Vaes (1927-2012). De uitgave is geïllustreerd met houtsneden van Saint-Rémy.

Gilliams2

Maurice Gilliams.

Een poging om vertaalde gedichten van Bert Decorte te publiceren bij La Renaissance du Livre in Brussel loopt in 1977 stuk op de bezwaren van twee lectoren van de uitgeverij. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat zij zich meer ergeren aan het feit dat Saint-Rémy een tweetalige Vlaming is dan aan de fouten die ze hem verwijten. Wel is het zo dat de klassieke versvoeten en orthodoxe Franse woordenschat van Saint-Rémy geen recht doen aan de balorige, vaak meer Vlaamse dan Nederlandse dichtregels van Decorte. Maar dat merken de Brusselaars niet op.

Van zijn goede relatie met conservator Emiel Willekens (1922-2009) maakt Saint-Rémy in 1970 gebruik om in het AMVC, de voorloper van het Letterenhuis, een tentoonstelling in te richten met bibliofiele edities van Een Winter aan Zee. Er hangt bovendien een groot aantal schilderijen, houtsneden, aquarellen en gouaches van zijn hand.

Willekens

Emiel Willekens.

De dichter is ook plastisch kunstenaar. In zijn nadien “verloochende” debuut Herwig is al sprake van de schilderkunst. In de jaren 1960 koopt Saint-Rémy zoals wel meer Antwerpenaren een vissershuisje in Zeeuws-Vlaanderen dat hij “Blinkwater” doopt. Op tal van foto’s ziet men hem daar (of in de tuin) aan zijn schildersezel.

Van elk groot “poema” – hij zegt nooit “gedicht” – en elke bundel kalligrafeert Saint-Rémy een volledig handschrift, vaak geïllustreerd met tekeningen, opgehoogd met aquarel. Het zijn fraaie en opvallende “objets d’art”. Hij maakt ook boekbanden.

VanOffel2

Edmond Van Offel.

Saint-Rémy is de drijvende kracht achter een expositie, eveneens in het AMVC, over de schilder, graficus en schrijver Edmond Van Offel (1871-1959). Onder de titel De Wereld van Edmond Van Offel verschijnt een boek met bijdragen van o.a. Gilliams en Willekens. Hoewel het uitgeversadres De Rode Beuk luidt, gaat het wel degelijk om een uitgave van Saint-Rémy.

De interesse van Saint-Rémy voor het dubbeltalent Van Offel ligt voor de hand. Bovendien is de dichter bevriend met een mevrouw Jeanne Moorkens, een verwante (?) van de kunstenaar die veel materiaal van en over hem bezit. Bovendien zijn ook de Van Offels tweetalig. Edmond schrijft Nederlands, maar zijn broer Horace (1876-1944) bezigt het Frans. Horace Van Offel publiceert zijn romans zelfs Parijs. Hij werkt mee aan Franstalige Brusselse kranten. Tijdens de oorlog is hij hoofdredacteur van Le Soir en zingt omstandig de lof van Hitler. Hij sterft als vluchteling in Duitsland.

De Franstalige romancière Marie Gevers (1883-1975) stelt voor de Librairie des Arts een bloemlezing samen uit het werk van de dichter Émile Verhaeren (Il fait Dimanche sur la Mer, 1966). Van Gevers zelf publiceert Saint-Rémy Parabotanique (1964). Van Guy Vaes (1927-2012) brengt hij het essay La Flèche de Zénon. Essai sur le Temps romanesque (1966) en Londres ou le Labyrinthe brisé (1968). Daarnaast verschijnt hij de Librairie des Arts ook de eerste bundel van Leonard Nolens (1947), Orpheushanden (1969).

De laatste uitgave van de Librairie des Arts dateert van 1972. Saint-Rémy staakt zijn activiteit als boekhandelaar; voor zijn eigen werk doet hij een beroep op derden. Eerst De Nederlandsche Boekhandel waar de verzamelbundel Polumetis, verzen 1934-1968 verschijnt, dan uitgeverij Contramine van Tony Rombouts en nadien de firma van Walter Soethoudt.

VanOffel1

Affiche door Edmond Van Offel.

Bij Soethoudt verschijnen o.m. de prozaboeken Helena’s, Magdalena’s, Mona Lisa’s en Sibyllen – een gefictionaliseerde autobiografie met o.m. het relaas van Saint-Remy’s ontmoeting met Ensor – en de eerste twee delen van wat de romantrilogie Achilles moet worden. De Fusillade komt van de pers in 1977, De Schipbreukeling verschijnt postuum in 197). Ook de dichtbundels Diep in de Velden van Elysium (1977), Het poema van de Groene Hoek (1978), Annus Mirabilis (1978) en het postume Een zomer aan zee (1979) worden door Soethoudt uitgegeven.

Over die laatste bundel, een soort “vervolg” op Een Winter aan Zee van Adriaan Roland holst, schrijft criticus Henri-Floris Jespers: “Saint-Rémy’s horizont is de ongeschonden, stralende, glanzende wereld van gaafheid, van vòòr het verval […]. Zoals Yeats en Roland holst stelt hij “de primauteit van de diffuse macht van het lichtende” tegenover “de sombere krachten van de historiciteit, en roept een ongeschonden wereld op die schril afsteekt tegen de ongebonden, fragmentarische, ‘verkeerde’ wereld van de moderne subjectiviteit […] een niet gemediteerde wereld van lichtende theofanie.”

Het archief van Saint-Rémy in het Letterenhuis omvat talrijke originele prenten en foto’s van schilderijen. Zij getuigen op hun manier van de eigenzinnigheid van een estheet die in de jaren 1960 en ’70 aan het maatschappelijk protest en de artistieke mode weerstaat. Subjectief, maar toch op zoek naar tijdloze schoonheid, ver weg van het storend straatrumoer.

Desondanks is de rijpe Saint-Rémy als dichter net zo verhangen aan bombast als de jonge De Muynck. Zijn verzen lopen beter, maar de toon blijft even hoogdravend. De dichter verwart gebrek aan zelfrelativering met diepzinnigheid. Sfeer gaat door voor wijsheid, suggestie voor klaarte. Zijn werk verwijst naar iets dat zich “erachter” of “erboven” moet bevinden, maar dat het niet vermag op te roepen. Zijn proza is minder “vormvast” dan zijn poëzie; het maakt een ouderwetse indruk, alsof de schrijver zich enkel erg traditionele vooroorlogse romans kon herinneren.

De letterdiefte van Victor Driessens.

Driessens3

Victor Driessens.

Op 5 april 1885 meldde het liberale Antwerpse blad De kleine Gazet:

‘De vertooning van verleden Woensdag in onzen schouwburg […] werd door een droevig voorval gestoord. Op het einde van het 3de bedrijf werd onze beroemde tooneelspeler Victor Driessens door eene beroerte getroffen en viel in de armen van den heer De Somme. Het publiek, gewoon aan het natuurlijk spel van den Heer Driessens, juichtte [sic] hem voor dit treffend tooneel geestdriftig toe. Maar, helaas! Driessens verscheen niet weer…’

Onder het artikel staat binnen een zwarte lijst in vetjes gedrukt: ‘Al onze hoop is vervlogen. Op het oogenblik van onder pers te gaan, komt ons de treurige tijding toe van het overlijden van den gevierden kunstenaar Victor Driessens, op Zaterdag morgen ten 9 uren.’

Zo vernam het Antwerpse theaterpubliek de dood van de populaire hoofdrolspeler uit ontelbare melodrama’s, die hij niet zelden zelf uit het Frans vertaalde. Driessens (geb. 1820), die ook in Nederland grote successen had behaald, genoot bovendien veel aanzien als stichter in 1853 van het Nationael Tooneel, het eerste professionele Nederlandstalige toneelgezelschap in Vlaanderen.

Het bescheiden archief van Victor Driessens berust in het Letterenhuis – als een van de talrijke archieven van theatermakers die er bewaard worden. In de map met drukwerkjes zit een genaaide brochure uit 1867 met groene kaft. De titel luidt: Letterdiefte van Victor Driessens. Verslag aan den heer Minister van Binnenlandsche Zaken, over het toneelspel vrouwen zijn geen menschen, door M. Victor Driessens, tot het bekomen der Staatspremie aan het onderzoek van het Antwerpsch Comiteit voorgelegd.

Vanaf 1860 stimuleerde de Belgische overheid het Vlaamse toneel met een premie voor auteurs en componisten die nieuw werk schreven én voor de uitvoerders die het stuk creëerden. Een leescomité beoordeelde de kwaliteit van de stukken in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De regeling leidde tot een enorme toename van het aantal nieuwe Nederlandstalige stukken en de oprichting van vele toneelgezelschappen. In 1872 kwamen 175 werken in aanmerking voor een subsidie. Toch leidde de maatregel niet tot het ontstaan van een vitale toneelschrijfkunst. Vlaamse auteurs produceerden middelmatige stukken en bezondigden zich geregeld aan plagiaat.

Uitgerekend dat verwijt trof ook Victor Driessens. In 1867 bezorgde de gevierde acteur het handschrift van de komische eenakter De vrouwen zijn geen menschen aan de leden van het Provinciael Leescomiteit van Antwerpen dat het werk van Antwerpse auteurs beoordeelde. Baron F.C. d’Hane-Steenhuyze zat deze commissie voor; historicus Pieter Génard vervulde de rol van secretaris; ‘gewone’ leden waren de arts F.J. Matthyssens, Ed. Rigelé, de dichter Jan van Beers, Jacobs-Beeckmans en Ch. Wilmotte.

Génard

Pieter Génard.

Aangezien er geruchten in omloop [waren], die de echtheid van een ander stuk, dat de heer driessens onder zijnen naam liet opvoeren en primeeren, in twijfel trokken,

schreef het Comiteit, ‘zoo deden wij niet dadelijk uitspraak […] maar wilden eerst grondig onderzoeken, in hoe verre dit gewrocht [Driessens’ nieuwe stuk] al of niet op oorspronkelijkheid aanspraak konde maken’.

Volgens een anonieme aantekening op het handschrift is deze tekst opgesteld door Jan van Beers.

Weldra vernamen een of meerdere leden van de commissie dat De vrouwen zijn geen menschen bijzonder grote overeenkomst vertoonde met het ‘blijspel in één bedrijf’ Het toegemetselde venster. Dat laatste is de vertaling van een oorspronkelijk ‘Hoogduitsch’ stuk van de bekende August von Kotzebue die  al in 1812 door de Nederlandse toneelvertaler Jan Steven van Esveldt Holtrop in Amsterdam werd uitgegeven. Voorts kwamen er in het stuk letterlijke citaten voor uit de komische vlugschriften De vrouwen zijn geen menschen en De mannen zijn tirannen, beide van de pers gekomen bij de Nieuwe Boekhandel A. van Brussel, eveneens in Amsterdam.

De commissie zat erg verlegen met deze ‘letterdiefte’ door een man die ‘als tooneelist zulke schoone faam in gansch Nederland mocht verwerven’ en wilde de zaak liefst ‘smooren’. Maar met de doofpot nam Driessens geen genoegen. Integendeel: hij had De vrouwen zijn geen menschen al op de planken gebracht, en liet het stuk nu ook drukken. Het verscheen in de reeks Tooneelrepertorium van uitgevers J. Legross en J. de Deken, gevestigd aan de Antwerpse Sint-Katelijnevest nummer 23. Bovendien meldde de acteur dat hij iedereen die hem van plagiaat durfde te beschuldigen, zou laten vervolgen wegens laster.

Het Provinciael Comiteit schreef vervolgens een open brief aan de Minister van Binnenlandse Zaken, bevoegd voor de toekenning van de subsidie waarop Driessens recht meende te hebben. De (gedrukte) brief wordt gevolgd door de tekst van zijn toneelstuk (linkerkolom) en die van het origineel dat hij heeft geplunderd (rechterkolom). Zelfs een vluchtige vergelijking maakt duidelijk dat Génard, Van Beers en co. meer dan gelijk hadden.

250px-Kortrijk_1302_Henri_De_Pondt_portret_van_Hendrik_Conscience_ca__1870_9-01-2010_14-59-41

Hendrik Conscience (a).

Driessens antwoordde, eveneens publiekelijk, dat hij inderdaad gebruik had gemaakt van het toneelstuk en de ‘vlugschriftjes’ waar het Comiteit naar verwees. Maar, betoogde hij, toen hij destijds een spel in vier bedrijven naar de roman Houten Clara van Hendrik Conscience schreef, kreeg hij van diezelfde jury te horen dat hij juist te veel scènes van eigen vinding aan het originele verhaal had toegevoegd. Het Comiteit wild hem toen pas een premie gunnen ‘wanneer [hij] eene getrouwe navolging van Conscience’s gewrocht op het tooneel had gebracht’.

Alsof dat niet genoeg was, voegde de acteur hieraan toe dat ‘de Heer S.C. Willems, secretaris van het Brusselsche Leescomiteit, die voorzeker goed de reglementen wegens de premiën moet kennen, eene getrouwe navolging van een franschen vaudeville door zijn eigen Brusselsche Leescomiteit heeft doen primeren, den 12 juli 1862.’

Daarop liet Driessens een samenvatting volgen van het Franse origineel La fille de Dominique en de Nederlandse ‘bewerking’ De dochter van den kleermaker van Willems. Wie drie teksten verwerkt tot één stuk, zo concludeerde de acteur, wordt beschuldigd van plagiaat, terwijl degene die zich op een enkele tekst baseert, nota bene geld krijgt om zijn werk te laten drukken.

Driessens ging niet in op het feit dat de criteria voor drama’s, gebaseerd op een historische roman (zoals Houten Clara), anders waren dan die voor blijspelen, en trok de integriteit van het ‘Brusselsche Comiteit’ in twijfel om een oordeel van de Antwerpse collega’s onderuit te halen. Daar konden die laatsten niet om lachen. Het Antwerpsch Comiteit publiceerde daarom een brochure van maar liefst 72 bladzijden. Ze was voor de handel bestemd en kwam van de pers bij de uitgever J.W. Marchand aan de Oude Beurs in Antwerpen; in Amsterdam werd ze gedistribueerd door H.J. van Kesteren.

De brochure bevat alle hierboven aangehaalde ‘stukken’ uit het dossier, Driessens’ toneelstuk en zijn bronnen incluis. Daarbij voegde het Comiteit de commentaren van een zekere ‘K.N.’ die naar eigen zeggen al sinds de eerste opvoering eind 1866 in het Franstalige Antwerpse weekblad Le Courrier de la Semaine het vermoeden had geuit dat De vrouwen zijn geen menschen gebaseerd was op werk van derden. Volgens deze K.N. was het ‘een der opstellers van het dagblad De Koophandel’ die als eerste had ontdekt dat Driessens Het toegemetselde venster plagieerde, maar ontbrak het hem ‘den moed zulks bekend te maken. Dit had ook zijne reden in; hij was een der uitgevers van het Vlaamsch Tooneelrepertorium, waarin het plagiaat van den heer Driessens het licht zag.

Driessens2

Driessens in een van zijn glansrollen.

Uiteindelijk kwam K.N. op eigen kracht achter de waarheid.

De identiteit van K.N. blijft een mysterie; verondersteld kan worden dat hij het was die het Comiteit op de hoogte bracht van Driessens’ ‘diefte’. Ook de afloop van de zaak, waarover Driessens’ archief geen uitsluitsel geeft, is vooralsnog onbekend.

Victor Driessens was acteur en theaterdirecteur, geen schrijver. Hij wilde teksten hebben die goed bekten, liefst met een glansrol voor hemzelf. Als zo’n tekst ook nog eens extra geld kon opbrengen in de vorm van een subsidie – aan auteur en aan de spelers, dat wil zeggen een eerste keer aan Driessens de schrijver en een tweede keer aan Driessens de toneelspeler – woog dat voor hem zwaarder dan het intellectuele eigendomsrecht. Het Comiteit, in het leven geroepen om de ‘tooneelletterkunde’ te stimuleren, beriep zich op het romantische concept van de originaliteit en dacht er bijgevolg helemaal anders over.

Even leek het erop dat het conflict ook nog een politieke dimensie had, maar dat blijkt niet het geval. Driessens was namelijk liberaal en vrijmetselaar – hij behoorde tot de Antwerpse loge Les Élèves de Thémis, terwijl in het Comiteit katholieken als Pieter Génard en d’Hane-Steenhuyse zaten. De laatste was voorzitter van de Kamer van Koophandel en op een bepaald moment ook gemeenteraadslid. Maar Rigelé en Jacobs-Beekman waren actieve liberalen. De laatste was lid van de loge Les Amis du Commerce. Bovendien zijn de bladen Le Courrier de la Semaine en De Koophandel allebei liberale publicaties.

ZOLA(Wikipedia)

Émile Zola (foto Wikipedia)

Had Victor Driessen zijn lesje geleerd? Geenszins. In 1879 maakte hij, zonder eerst om toestemming te vragen, een Nederlandstalige toneelbewerking van (een Franse toneelbewerking van) de roman L’Assommoir (1877) van de grote Franse naturalist Emile Zola. Driessens speelde het stuk in juni 1879 in een tijdelijke ‘houten schouwburg’ die hij liet neerzetten op de Gemeenteplaats (thans Franklin Rooseveltplein). Zola wilde een proces tegen hem aanspannen bij de Rechtbank van Koophandel, maar die verklaarde zijn eis niet-ontvankelijk, ‘op grond dat de Fransche schrijver […] zelf eene Vlaamsche vertaling van zijn stuk hadde moeten doen verschijnen minder dan 6 maanden na de eerste opvoering in de Fransche taal, aan welke vereischte niet was voldaan. ‘

‘Dit boekje,’ schrijft het Comiteit in 1867 in zijn verantwoording die aan de tekst van de brochure voorafgaat, ‘is geen werk van haat; er zijn van die menschen die men zelfs niet kan verachten: tot deze behoort de letterdief. Door deze uitgave wordt getoond hoe laag een man van wezenlijk talent door hoogmoed en verwaandheid vallen kan.’

Maar de onverbeterlijke Driessens kwam ermee weg. Na zijn onverwachte dood herdacht men alleen de ‘uitsteekenden Vlaamschen tooneelist’.

[Column] Het verkeerde hoedje

Thibaults1Toen ik vijftien jaar geleden aan een roman begon waarin de Vlaamse dichter Paul Van Ostaijen een belangrijke rol speelt, was het heel moeilijk om snel accurate informatie te vinden over België in de Eerste Wereldoorlog. Ik had mijn schrijvershoedje op en niet dat van historicus; ik had geen zin en geen tijd in al te uitgebreide opzoekingen.

Gelukkig vond ik in een antiquariaat een bijlage die in oktober 1914 verscheen bij het Londense dagblad The Times uit 1914, geschreven door journalisten die het beleg van Antwerpen door de Duitsers ter plaatse versloegen. Het ding kostte relatief veel geld – zeshonderd Belgische frank, vijftien Euro – maar het hielp mij uit de nood. Voorts haalde ik informatie uit de romans van Lode Baekelmans en een opstel van Maurice Gilliams.

Intussen vliegt informatie over de Eerste Wereldoorlog als obussen om onze oren. Sophie De Schaepdrijver, wier briljante boek over de Grote Oorlog verscheen toen mijn roman bijna klaar was, is niet weg te branden van het Vlaamse scherm (fijn overigens om daar eens een intelligent, beschaafd en goed gekleed persoon te zien) en de Britse openbare omroep doet meer dan zijn duit in het oorlogszakje. De boekhandels waar ik geregeld aanloop, hebben een tafel vol wereldbrand.

Waar nauwelijks over wordt gesproken, is de brede pacifistische beweging die zich aan de vooravond van de moord op aartshertog Frans-Ferdinand in Sarajevo in veel Europese landen manifesteerde. Die beweging ging weliswaar hopeloos ten onder in de nationalistische hoempasfeer toen de oorlog uitbrak – denk maar aan de moord op de Franse socialistische leider en pacifist Jean Jaurès – maar toch.

Vaak maken ook de vergeefse ambities en failliete dromen uit het verleden mij nieuwsgierig. Er is geen betere introductie tot het onderwerp dan (alweer) een roman – of beter, een romancyclus, nl. Les Thibault (1922-1940) van de eveneens Franse Nobelprijswinnaar Roger Martin du Gard (1881-1958). De schrijver vertelt het leven van twee broers uit de katholieke haute bourgeoisie die beiden, maar op een heel verschillende manier, het slachtoffer worden van de oorlog.Thibaults2

Martin du Gard werkte achttien jaar aan zijn Thibault-romans (al schreef hij tussendoor andere dingen). Uiteindelijk resulteerde dat in 2.360 bladzijden – drie kloeke delen in de Folio-paperbackreeks van Gallimard – die ik voorbije zomer op een regenachtige middag kocht in de vroegere boekhandel Corman in Knokke.

In L’Été 1914, de zevende roman van de cyclus, beschrijft Roger Martin du Gard het leven en de vooral de discussies van de idealist Jacques Thibault, die in het Zwitserse Genève  deel uitmaakt van een internationale groep revolutionairen. Zij komen uit Engeland, Rusland, Oostenrijk-Hongarije en zelfs België, en elk van hen vertegenwoordigt een kijk op het pacifisme en op de revolutie waarvan ze allemaal hopen en geloven dat die voor de deur staat. Ook een grote vredesbetoging in Brussel passeert de revue.

Ja, ik had op de universiteit al een en ander vernomen over de vergeefse vredesdroom van de Europese socialistische beweging, maar nu pas, na de boeken van Roger Martin du Gard, heb ik het gevoel dat ik er iets fundamenteels over geleerd heb. Ook omdat de schrijver zo briljant uit de doeken doet hoe de toenmalige ‘vredesbeweging’ verminkt werd door het bijtend zuur van het nationalisme dat ze tenslotte zo goed als volledig deed oplossen.

De achtste en laatste roman van de reeks, met de toepasselijke titel Épilogue, werd geschreven vlak voor de Tweede Wereldoorlog, terwijl overal in Europa de laarzen van de fascisten te horen waren – ook ‘bij ons in Vlaanderen’. In dat boek volgt Martin du Gard de laatste maanden en de doodsstrijd van Jacques’ broer, de arts Antoine, die langzaam crepeert aan de gevolgen van een aanval met gifgas.

Thibaults3Romanciers zijn soms betere geschiedschrijvers dan historici, want het is niet zelden hun werk dat het verleden ‘echt’ zichtbaar maakt. Onlangs werd in een BBC 2-documentaire over de Engelse war poets Siegfried Sassoon, Robert Graves en J.R.R. Tolkien (ja, die van The Lord of the Rings) trouwens hetzelfde beweerd over dichters. Het moet dus wel waar zijn.

Als historicus mag ik dat eigenlijk niet zeggen, maar onder het schrijven van dit stuk had ik het verkeerde hoedje op – dat heeft u vast gemerkt.

Verschenen in “Eos Memo” nr. 12 van december 2014.

Memo12

%d bloggers liken dit: