Pogrom in de Pelikaanstraat

Het is niet voor de eerste dat ik een Pogrom meemaak, al heb ik nooit een met mijn oogen gezien, doch heb ik, dikwijls genoeg, dierentuin en Pogrom geestelijk doorleeft [sic], althans, ik dacht het dierentuin, ik geloofde dat [ ik] het meeleefde; doch, ik ondervond, dat het niet waar was, wil dat de dierentuin iets moet […] zien.

14 april 1941. Aan het woord is ooggetuige Harry [Chaïm] Klagsbald (1898-1945), reiziger voor de importboekhandel van Angèle Manteau te Brussel en goede kennis van schrijvers als Felix Timmermans en Maurice Gilliams.

Klagsbald is permanent die middag in de bekende Joodse boekhandel Kahan aan de Pelikaansstraat 112, waar de winkelruit wordt ingetrapt. ’s Avonds, “6 uren na dit gebeurtenis”, Quellinstraat 4, aan zijn vriend en mentor, de Vlaamse auteur en journalist Emmanuel De Bom (1868-1953).

“Deze gebeurtenis”. In de bioscoop Rex aan de De Keyserlei projecteert men in de vroege namiddag van 14 april de antisemitische propagandafilm Der Ewige Jude . Op instigatie van enkele pro-Duitse militanten zetten na afloop zo’n twee- à vierhonderd toeschouwers koers naar het “Jodenkwartier”, vlakbij, in de omgeving van het Centraal Station. Het gaat om leden van Volksverwering, de Zwarte Brigade en de Vlaamse SS, gewapend met stokken en ijzeren staven.

In de Pelikaansstraat, de Lange Kievitstraat en de Provinciestraat trekken zij een spoor van vernieling en molesteren voorbijgangers. Daarna splitst de meute zich. Een deel vernielt de synagoge aan de Van den Nestlei en Stichter merk. Anderen verwoesten verderop in de Oostenstraat het huis van de rabbijn en een tweede synagoge.

In zijn monumentale Vreemdelingen in een Wereldstad. Een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1944) uit 2000 nominale historicus Lieven Saerens de feiten . Jeroen Olyslaegers baseerde zich op een recente oorlogsroman Wil (2016, blz. 62-70). Al in 1985 bracht Hubert Lampo in De Eerste Sneeuw van het Jaar (1985) de culminatie van de strooptocht ter ijver (blz. 107-114).

Klagsbald, de getuige, aan De Bom:

Ik stond in den winkel in de Pelikaanstr. Genoegelijk, niets vermoedende, met mijn zuster te praten, op eens hoorden wij het geronkel en geklier van 100den kilos glas die op straat vielen, gemengd met het gejuich en gebrul der Horden, aangevoerd door de Leiders, ik hoorde ze dichter en dichter komen, ik wist dat wij nu aan de beurt komen, aan vluchten heb ik zoo weinig gedacht, als een verdediging, mijn hart beukte wel, doch stond ik daar wachtende innerlijk kalm met het eenige verlangen, om getuige te zijn, van wat er gebeuren gaat. En BOEMS… een gelaarsde Stiefel [laars] met spijkers zat in het raam, stukken ijzer en steenen vlogen langs alle kanten, en ik heb het gezien en gevoeld…. Een groot en heilig werk ter bevrijding van Vlaanderen werd verricht.

Klagsbald goochelt soms met werkwoordtijden en gebruikt onverwachte wendingen. Zij spelling is vaak approximatief. Waarschijnlijk heeft hij zijn Nederlands van Antwerpenaars geleerd. Jiddisch is zijn moeder- en Duits zijn tweede taal.

Maar de boekverkoper is vooral geschokt – dieper waarschijnlijk dan hij op het moment zelf beseft – en heel boos. Ook dat beïnvloedt zijn stijl. Want Klagsbald weet natuurlijk wat er gebeurde; het was bijna onmogelijk om niét op de hoogte te zijn van hoe de manier waarop Duitsers en hun maats de Joden bejegenden.

Het weinige dat tot nu toe over de boekverkoper bekend was, staat te lezen in Kevin Absillis’ Vechten tegen de bierkaai. Over het uitgevershuis van Angèle Manteau (1932-1970). Opgenomen in de inventaris van het Letterenhuis zijn zes brieven van zijn hand en twee over hem. Vier van die zes doken enkele jaren geleden op in het archief van de romancier en journalist Frans-Carolina Ridwit (Frans De Ridder, 1908-1980), eveneens een beschermeling van Emmanuel De Bom.

Gelukkig levert het archief van “Vriend Mane” thans nog eens 25 brieven en zo’n dertig briefkaarten van Klagsbald op. De brief- en prentkaarten schreef hij tijdens zijn tochten naar boekhandels in de provincie die soms meerdere dagen in beslag namen.

De oudste brief is meteen de enige in het Duits. Klagsbald schrijft hem op 21 oktober 1934. Hij zegt dat hij op dat ogenblik 36 jaar is. In het zonder interlinie getypt epistel van viereneenhalf vel citeert of vermeldt hij Rilke, Stefan Zweig, André Gide en Martin Buber. De boekverkoper was een belezen man. In een ander schrijven herinnert hij aan de “philosophische” gesprekken die De Bom met hem voerde en de talrijke wandelingen die ze in Antwerpen maakten.

Ten huize van museumconservator en hoogleraar kunstgeschiedenis Arthur Henry Cornette (1880-1945) vindt op 10 november 1938 een feestmaal plaats ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van De Bom. Klagsbald houdt er een toespraak. Hij dankt zijn vriend omdat die hem vertrouwd maakte met “Vlaamsche middens, […] Vlaamsche kunst en letteren”. Uit de tekst blijkt ook dat hij het Klagsbald was die Angèle Manteau voorstelde om De Boms debuutroman Wrakken in 1938 opnieuw uit te geven en aan Maurice Gilliams vroeg om de editie in te leiden.

Klagsbald is thuis in Vlaamse middens – maar dan wel vrijzinnige, niet-katholieke middens. Cornette behoort tot de vrijmetselarij en De Bom is o.m. redacteur van de socialistische krant Volksgazet. Hij mag daarom tot de toen ter tijd niet zo zeldzame areligieuze Joodse flaminganten gerekend worden. Andere en meer bekende voorbeelden zijn de jurist Nico Gunzburg (1882-1984) en de filosoof Leopold Flam (1912-1996).

Harry alias Chaïm was perfect op de hoogte van de ellende van de Joden in Nazi-Duitsland en het geannexeerde Oostenrijk. Al in 1938 vraagt hij De Bom om tussen te komen bij de schrijver Fernand Toussaint van Boelare, directeur bij het Ministerie van Justitie. Klagsbald wil zijn oudere broer die in Wenen woont een visum voor België bezorgen. Hoe de zaak afloopt, is niet duidelijk.

Zodra de Duitsers België bezetten, mijdt Klagsbald het contact met zijn Vlaamse vrienden. In een brief van 8 november 1940 verontschuldigd hij zich daarvoor bij De Bom en legt uit dat hij “hen niet [wil] schaden”. Hij vervolgt:

ik ga ook niet meer naar de vlaamsche kunstmanifestaties, om te vermijden, dat een of andere kennis of vriend verplicht werd, mij eventueel de hand te moeten geven. Dit is ook de redenen [sic] dat ik bij den Gezelle-Gilliams middag niet was. Of het mij spijt deed? Ik kan het je niet zeggen, hoe het van binnen pijn deed; hoe [ik] daaronder leed […]. Dat ik Gilliams en Gezelle even zoo begrepen en aangevoelt [sic] had, als zoo menig aanwezige in de zaal ben ik zeker, doch was het voor mij menschelijk onmogelijk, om met hertensvreugd, te genieten.

Klagsbald maakt zich zorgen over zijn vrienden, maar hij moet zelf doodsbang zijn geweest, lang vòòr de zwarte meute huis houdt in het ‘Jodenkwartier’.

‘Begonnen aan de Vestingstr. Over de Pelikaanstraat, en alle omliggende door Joden bewoonde straaten, werd alles wat hen onder handen en botten kwam stukgeslagen en verbrijzeld, met het culminatiepunt, de twee groote Synagogen in de Van Nestlei, en Oostenstr.

Daar werd eerst alles van binnen, geplunderd, verwoest en verbrijzeld, en dan de Gebedboeken, en Thorarollen op straat gegoeid, en buiten een brandstapel opgericht.

Wat een onverwacht volksfeest was het doch, voor de brave antwerpsche burgers, die een weergaaloos spektakel, en voor niets, te zien kreegen, fierheid en vreugde straalde uit hun oogen, en een koppel stand daar de dansen, dit heb ik zelf gezien, jolijt en vreugde vulde de lucht, ik was er getuige van, ik had den moed om het te zijn, om een eerlijk bericht te kunnen geven, aan mijn vrienden, die het geluk niet hadden om aanwezig te zijn, die zich een unieke gebeurtenis in de Vlaamse Geschiedenis lieten ontgaan:

EEN POGROM IN VLAANDEREN.

Om twee uur was alles gedaan, de straaten schoon geveegd, het glas door de onmiddellijk toegesnelde vuilnismannen weggevoerd.

Orde en tucht moet er zijn, en het klopte, als bij den besten regiesseur [sic]. En de begangenis [bedevaart], kost beginnen.’

De schaamteloze nieuwsgierigheid van de Antwerpenaars die de vernielingen goedkeurend in ogenschouw komen nemen, schokt Klagsbald misschien nog het meest.

‘En werkelijk, ze kwamen, de brave feestdagsburgers, met duizenden en duizenden kwamen ze, grootmoeder en kinderwagen meesleurend, om de heldendaden der Zonen van het nieuwe herboren Vlaanderen in oogschouw [sic] te nemen, en te bewonderen. Eere wien Eere toekomt, heil Vlaanderen.’

De laatste brief aan zijn oudere vriend schrijft Harry Klagsbald in juni 1941. Het jaar daarop duikt hij onder. Bij Manteau volgt de populaire schrijver Valère Depauw (1912-1994) hem op als reiziger. Tijdens een van de razzia’s die vanaf augustus 1942 plaatsvinden, wordt hij opgepakt. Harry Klagsbald sterft van uitputting in Dachau – één dag na de bevrijding van het kamp door de Amerikanen.

De Bom bewaart de brieven van zijn protegé samen in een kaft die nu haar geheimen prijsgeeft. Ze vormen een unieke getuigenis – en zeker niet alleen van wat op tweede paasdag 1941 in Antwerpen gebeurde.

Klagsbalds over de Vlaamse Overheersing in de jaren 1930. meer dan een jaar geleden. Wereldbeeld van een man doodstond na jaren van angst, mishandeling en ontbering het leven kostte.

Verschenen in “Zuurvrij”, krantenblad van het Letterenhuis.

[Column] Schrijven (2).

(7)

Verhalen gaan vooraf aan wat men vertellen wil. Waar het mij over gaat, ontvouwt zich altijd geleidelijk, terwijl ik me druk maak over de volgorde van woorden, het vermijden van herhalingen en het uit de weg gaan van onwaarschijnlijkheden.

Soms komt zo een overtuiging, een idee of een inzicht aan het licht waarvan ik (nog) niet wist dat ik ze had. Degene waarvan ik me wel bewust ben, lijken dan ineens minder interessant.

Toen ik vier, vijf was, zat ik al aan het bureau van mijn vader in de voorkamer van ons huis aan de Antwerpsesteenweg in Hoboken. Ik was gewapend met een balpen, geleverd door het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur, de werkgever van Lampo Sr. Voor me lag een stapeltje dikke lichtroze (of lichtgroene) vellen papier.

Ik maakte tekeningen, heel snel, en leverde luidkeels commentaar. Die was, dat kan niet anders, bestemd voor een publiek – al was dat er niet (op mij na).

Het verhaal dat ik zo vertelde, was primitief, losweg gebaseerd op wat Suske en Wiske en Kuifje in mij hadden losgemaakt.

Hoe ik mij mijn spookachtige toehoorders, die ook kijkers waren en over mijn schouder het ontstaan van mijn tekeningen gadesloegen, voorstelde, kan ik mij volstrekt niet meer voor de geest halen.

(8)

Mijn moeder en mijn grootmoeder, De Bomma, lazen mij sinds mijn prilste kindertijd voor. Ik heb het elders al gehad of Oe-woe, de voorhistorische mens. Ik vergat de onsterfelijke Lew de Boerekat van Erik Suls, de eerste schrijver die ik heb bewonderd.

Ik besefte dat verhalen in boeken te vinden waren en dat men ze door lezen tot leven wekte – wat ik zelf nog niet kon. Ik wist dat schrijvers de verhalen in boeken achterlieten en dat mijn vader dat ook deed, maar dan voor grote mensen.

Zonder erover na te moeten denken, ging ik ervan uit dat een verhaal een mededeling aan derden is – iets dat je vertelt aan een publiek, ook al bestaat dat laatste alleen in je hoofd. Een verhaal in stilte tekenen – het verzwijgen, dus – was niet aan de orde.

Dat moet een gevolg van het voorlezen zijn geweest.

Mijn moeder, noch De Bomma ventileerden daarbij hun eigen emoties. Hun intonatie gaf alleen die van de personages weer.

Van Konijntje Woelwater, bijvoorbeeld. Van de grote bekendheid van dat konijntje ben ik mij een halve eeuw later pas, dankzij het Internet, bewust geworden.

 

(9)

Elke zin is een gevecht. De inzet is welluidendheid. Een zin moet goed klinken. Niet in mijn oren, maar op de onbepaalde plaats in mijn hoofd waar zinnen klinken.

Duidelijkheid is ook van groot belang.

Ik koester een atavistisch verlangen naar ondubbelzinnigheid. Aan metaforen heb ik eigenlijk een broertje dood. Metaforen zijn aanstellerij, al is de ene  spitsvondiger dan de andere. Soms besluit ik om er eentje te bewonderen, maar het gaat zelden van harte.

Ik probeer zo streng voor mezelf te zijn als de Franse classicisten uit de 17de eeuw die niet accepteerden dat “heure” rijmde op “coeur”. Goddank hoeft proza niet te rijmen – het is het meest vrije vers ter wereld. Tot mijn spijt ben ik de alexandrijn niet machtig, maar in de 21ste eeuw is die, eerlijk gezegd, overbodig.

Sorteert dit alles effect? Geen enkel. De meeste lezers in de Vlaamse gouw zijn stilistisch toondoof. Als ze een slecht geschreven tekst lezen, worden ze aan de rand van hun bewustzijn soms iets gewaar. Daarop springen ze een gat in de lucht, overtuigd dat ze juist een symptoom van kwaliteit of, godbetert, vernieuwing hebben waargenomen.

Slechts de allergrootsten vernieuwen, meestal huns ondanks. Maar dat terzijde.

 

(10)

Ik begrijp Flauberts verlangen om over niets te schrijven. Om woorden in de pas te laten lopen bij gratie en genade, voor niets dan het genot.

“Siet de ghenade”, luidde de kenspreuk van de Antwerpse rederijkerskamer De Olijftak in de 17de eeuw.

Mijn verwondering en soms mijn trots over klank en ritme zijn vandaag niet kleiner omdat het Opperwezen geen plaats heeft in mijn wereldbeeld. Af en toe ontstaat de genade waarvan sprake tussen onze oren, de punt van onze neus en de kromming van ons achterhoofd.

Maar een geschrift over niets, dat houdt alvast de lezer niet langer vol dan enkele paragrafen. Ooit geprobeerd om Salammbô te lezen?

Mijn ongeneeslijke lichtzinnigheid sluit hard labeur niet uit: schaven en schrappen, vloeken en verwensen. Voorgoed voorbij zijn de dagen toen een vel kreupel proza uit de machine werd gesleurd en met veel geritsel tot prop gereduceerd. Geen computer verdraagt de kracht waarmee ik een vel papier weggraaide en de rol van mijn Remington deed draaien onder het slaken van een soort nijdige blaf.

Wat telt, is de tekst.

Nooit heb ik een goed artikel, een fatsoenlijke column of een degelijk hoofdstuk in één keer geschreven. Elke tekst heeft drie zittingen nodig, liefst door een nacht diepe slaap van elkaar gescheiden.

Lieden die het ontstaan van teksten – de zogeheten tekstgenese – bestuderen, onderscheiden twee soorten schrijvers.

De eersten zijn de Kopfarbeiter. Zij construeren de zinnen vooraf in hun hoofd en hoeven ze “maar” op te schrijven. Papierarbeiter daarentegen zoeken al schrijvend de juiste formulering. Ze weten niet waaraan ze beginnen, soms zelfs niet waarover ze het willen hebben.

Tot die tweede categorie behoor ik. Maar dat hadden jullie al gemerkt.

 

[Column] Schrijven.

(1)

Schrijfrituelen heb ik eigenlijk niet. Of toch? Ik zorg ervoor dat het document op mijn grote, platte scherm precies in het midden staat (daarvoor moet ik het vergroten tot minstens 117%, maar ik verkies 125%). Ook laat ik de computer de  regels helemaal uitlijnen, zodat de woorden zich keurig aanschurken tegen zowel de linker- als de rechtermarge. Anders word ik gek. En ik gebruik uitsluitend – uitsluitend! – het lettertype Courier New, 12 punt.

Wat ze bij Windows bezielt om je Calibri, 11 punt te laten gebruiken, begrijp ik niet.

Het is wel een heel gedoe, iedere keer als ik aan een nieuw document begin. Vermoedelijk kun je een en ander standaard instellen. Daar ben ik na bijna twintig jaar computergebruik op… euh, ingesteld. Maar ze blijven trucs verzinnen om een mens niet te laten uitvogelen hoe dat dan moet. De zanggodinnen eisen offers; dat is altijd al zo geweest.

Schoorsteen

Ik moet kunnen roken als een schoorsteen – de eerder vermelde halfgrove Semois van het onvolprezen huis Windels in Mechelen. Met op de achtergrond barokmuziek, al kan een beetje Rossini ook geen kwaad. Muziek is goed voor het ritme, denk ik. En ze mogen mij storen, want een schrijver doet natuurlijk niets liever dan stoppen met schrijven. Geschreven hébben – dat is pas goed.

Deadlines dienen met de voeten te worden getreden – iets wat alle professionals weten en waar de amateurs zich belachelijk druk over maken, waarmee ze hun gebrek aan kennis van zaken etaleren.

Weg met de amateurs, dood aan ongepubliceerde schrijfcursusgoeroes. Je kunt deze stiel misschien wel leren, maar dat gaat alleen al doende. Zelfs aan het proza van ware groten merk je dat. Zij gaan in de loop van hun carrière steeds beter schrijven (of krijgen een goeie redacteur toebedeeld).

Elke goeie tekst vraagt drie versies. Niet een, niet vier, maar drie. The Beat of Three, een wet van de kosmos.

Schrijven gaat mij het best af in de namiddag, de vruchtbare uren tussen half twee en vijf. Maar ’s avonds lukt ook en zelfs ’s morgens. [Wordt vervolgd].

(2)

Schrijven heeft zijn prettige kant. Als ik weet waar ik het wil over hebben, komen de woorden en kiezen ze hun plaats in vele, lange zinnen. Aan woorden geen gebrek. Zodra ze op mijn scherm staan, ben ik de baas en kan ik er bewust mee aan de slag. Er niets, denk ik, dat ik bewuster doe.

Ik modelleer (wat klinkt dat pretentieus) naar een ideaal, een ritme dat ergens voorgeprogrammeerd zit in mijn kop. Vanuit mijn ooghoeken hou ik intussen pokémons als spelling en grammatica in de gaten en ook het oppermonster, mijn persoonlijke nemesis, de woordherhaling.

Als een zin een min of meer acceptabele vorm heeft, volgt het genot van herformuleren, stroomlijnen, schrappen. Genot, maar ook vermoeienis – daarom zei ik eerder dat geschreven hebben beter is dan schrijven. Wanneer ik schrijf, zweten mijn oksels (als jullie dat willen weten).

Dat vermoeiende plezier is familie van een ander dat minder lastig is: een goede tekst lezen die je niet zelf hebt geschreven. We zingen dan in koor: “zo moet het! dit klopt! Hoe mooi!”

Er zijn schrijvers wier taaltovenarij je vacht in de goeie richting aait, ongeacht waarover ze schrijven (o, Couperus, o Simenon, o James Baldwin, o Stephen King, o Vestdijk, enz.).

Schrijfgenot is taalgenot dat zich voordoet binnen bepaalde parameters. Maar je wilt het doen duren(“Düren,” zeggen ze in Antwerpen, “is een schoen stad, mor blijve dure…”) Vandaar, vermoed ik, het verlangen naar het schrijven van een tekst die niets anders is dan tekst, dan taal.

(3)

Toen ik twaalf was, leerde ik mezelf (met twee vingers) typen op de Remington Office Riter [sic, het stond er zo op, in chromen lettertjes] waarop mijn pa ooit “De Komst van Joachim Stiller” schreef. De machine was na hun scheiding gehouden door mijn moeder.

Tot mijn ontsteltenis zag ik onlangs een identiek exemplaar in een Engelse detectivereeks over een dominee in een dorpje bij Cambridge die moorden onderzoekt. Het stond plompverloren op ’s mans schrijftafel.

Als ik verhalen maakte, was het op die machine haar zuster.

Alleen mijn licentiaatsverhandeling heb ik, wegens de voetnoten, in 1979 nog eerst met de hand geschreven, op papier met van die hoge ruitjes. Ik gebruikte goedkope vulpennetjes die je voor 20 frank kocht in de supermarkt en ook reclamebalpennen van het Gemeentekrediet van België, die lekker vet schreven. Ik kreeg ze in het sindsdien verdwenen filiaal aan de Grote Markt.

Het gebouw staat op het perceel waar zich in de 15de eeuw de herberg De Gulden Boom bevond. Mariken van Nieumegen en haar duivel Moenen logeerden er. Maar dat leerde ik pas veel later.

Ik denk nog altijd dat je, als je met de hand schrijft, meteen beter schrijft – dat je minder zult moeten reviseren. Maar ik heb er het geduld niet voor. Misschien heb ik ook de afstand nodig, de objectivering doormiddel van letters die ik niet zelf heb gevormd. En het overzicht. Elke zin moet immers zinderen in harmonie met alle voorgaande zinnen (of juist niet).

(4)

Ik heb soms moeite met het feit dat ik in het Letterenhuis een kantoor deel met twee of drie anderen. Dat is niet goed voor de concentratie. Maar daar schrijf ik niet, behalve af en toe een stukje voor Zuurvrij, ons onvolprezen berichtenblad.

En toch heb ik jarenlang geschreven op een redactie met tweehonderd andere journalisten om mij heen. Dat heeft mij nooit gehinderd, integendeel zelfs. Alleen was De Standaard, obligaat gekonkel ten spijt, een werkomgeving waar de neuzen in dezelfde richting stonden: iedereen wilde een goeie krant maken en al werd daarover onderling vaak sterk van mening verschild, iedereen deed zijn best. Niemand trok het principe in twijfel; weinigen haalden het in hun hoofd om sterallures te ontwikkelen (een notoire uitzondering is Peter Vandermeersch die het er nog ver mee gebracht heeft ook – maar niet als journalist, als hoofdredacteur).

Onverbiddelijk

Natuurlijk is een krant ook iets onverbiddelijks: ze moet elke avond op tijd gedrukt worden en ’s morgen ligt ze in de winkel met wat je geschreven hebt zwart op wit. We hadden donkere schermen met groene lettertjes die verbonden waren met een gigantische main frame in een gekoelde kamer. Wanneer ik ’s avonds over de A12 naar huis reed, zweefde op mijn rechteroog soms een flikkerende groene veeg.

Bref, die gezamenlijke intentie, concentratie of hoe je het ook wilt noemen, waren erg stimulerend. Ik denk niet dat ik ooit duister heb geschreven (ik ben geen “experimenteel” en zogeheten “poëtisch”, d.w.z. opzettelijke verkitcht, proza is niet aan mij besteed).

Toch heb ik bij de krant heel wat geleerd over transparantie en beknoptheid. En over hoe je een krantenartikel opbouwt – een ambacht dat sedertdien steeds minder beoefenaars telt. Wanneer ik vandaag “de gazet” opensla, meestal in een café, zakt de moed mij weleens in de schoenen. Iemand zou minstens eens wat aan al die verkeerd gebruikte bezittelijke voornaamwoorden moeten doen. Bezittelijke wàt, mijnheer? Voornaamwoorden?

(5)

Schrijven is iets maken. Een tekst is een object. Gepubliceerd of niet, hij bestaat los van je. Toch is het ook een stuk van je. Op een heel andere manier dan andere dingen, dan voorwerpen die je misschien al je leven lang bezit en waar je erg aan gehecht bent. Tegelijk kun je er, toch zeker na verloop van tijd, afstand van nemen (of hebben genomen).

Ik heb teksten geschreven die ik vandaag heel anders zou aanpakken. Soms vervullen ze me ook met gêne – wat wil zeggen dat het niet altijd lukt/gebeurt, dat afstand nemen. En dan is er nog de Gruwelijke Lezer, die alleen leest wat in zijn kraam te pas komt – en dat kan van alles zijn.

Of schrijven tot zelfkennis leidt, weet ik niet. Onze behoefte om onszelf niet te hoeven kennen, is vaak zo groot dat het scalpel van de taal er niet doorheen gaat. Doorgaans schrijf je immers wat je wil schrijven – de momenten dat de zanggodinnen het van je overnemen en je meer doen loslaten, zijn zeldzaam en kort.

Vandaar het verlangen naar een schriftuur aan gene zijde van onze beslommeringen, naar literatuur die puur is zoals muziek. Maar daar is de taal, en dus ook het schrijven, in laatste instantie niet toe in staat. Al is het goed, denk ik, dat we dat verlangen koesteren en het, waar mogelijk, laten doorklinken in wat we schrijven. Samen met een heleboel andere verlangens, natuurlijk.

Taal, dat zijn wandelschoenen, waar de modder en de stront van de realiteit aan blijven plakken. Gelukkig kun je er als John Cleese de gekste loopjes mee uitvoeren en moet je afstand laten tussen de woorden en de regels.

Op het briefpapier van de uitgeverij Manteau stonden destijds twee mannetjes die schermden met grote pennen. Dat was in de jaren tachtig, toen er af en toe gepolemiseerd werd en sommigen vonden dat dat meer moest gebeuren.

Maar waar een schrijver mee vecht, dat zijn niet zozeer de esthetische of politieke opvattingen van zijn vakgenoten, maar hun stijl. Enfin, vechten is een groot woord. Maar er zijn schrijfstijlen waarin je jezelf thuis voelt en andere die je ongemakkelijk stemmen, je ergeren, je verachting opwekken.

Je leert zowel van het een als van het ander.

Alleen is dat leren geen bewust proces; het gaat langzaam en vindt plaats tijdens het lezen van vele, vele boeken. Die boeken hoeven overigens geen “literatuur” te zijn. Ik denk dat ik destijds veel heb geleerd door de worsteling met het proza van historici. Historici van “lang voor mijn tijd”, om precies te zijn.

In 1973 – mijn interesse voor het vak begon te ontwaken, – kreeg ik  van mijn vader de anastatische herdruk van de Historiek der Straten en Openbare Plaetsen van Antwerpen cadeau. Dat boek werd in de jaren 1890 geschreven door notarisklerk (?) en vastgoedspecialist Augustin Thys. Omstreeks die tijd begon ik ook te snuisteren in F.H. Mertens’ en K.L. Torfs’ Geschiedenis van Antwerpen. Later volgden vele publicaties van kanunnik dr. Floris Prims wiens taalgebruik mij soms nog “voze tanden” bezorgt. En toen ik dan uiteindelijk geschiedenis ging studeren, het geleerde proza van veel andere lieden, zowel uit de 19de als uit de 20ste eeuw.

(6)

Van Flaubert wordt gezegd dat hij een boek over niets wilde schrijven. Een boek dat uit louter taal, louter stijl zou bestaan.

Goedgebouwde volzinnen met een fraai ritme, stel ik mij voor, woorden die haasje over spelen om toch maar op de juiste plaats te belanden. Staf- en binnenrijmen – waarom niet? – en strategisch geplaatste gedachtestreepjes die mooie formuleringen zacht beschermen zoals schaamlippen dat met ander wonderlijks doen.

Maar kijk: meteen al doen de verbeelding, de waarneming (I wish) en met ze de inhoud hun intrede en poef!, weg is het ideaal van de niets-dan-vorm. Want geef het maar toe, zodra jullie “schaamlippen” zagen staan, begonnen jullie met meer aandacht te lezen en dacht niemand van jullie nog aan de snor van Flaubert – zelfs niet aan de rit van Mme. Bovary en haar minnaar in de huurkoets in Rouen.

“Het naakt en het roze”, zoals een intussen vergeten literatuurwetenschapper ooit een boekje noemde.

De paradox van de letteren, die al opduikt in een onlang stukje (!) als dit. Maar “onlang”, hoe mooie het ook klinkt, is natuurlijk een aberratie. Een “kort” stukje moet het zijn of nog beter: “kort stuk” of “stukje zonder meer”. Om ook iets over het mannelijk geslachtsorgaan te zeggen.

[Column] Oude Krokodil

Ik ben een oude krokodil en die hebben veel watertjes doorzwommen. Ik werk al vijftien jaar in het Antwerpse Letterenhuis. Daar beschrijf ik archieven van Vlaamse auteurs. Op dit moment worstel ik met dat van Emmanuel De Bom (1868-1953), romancier en het hoofd van de stedelijke bibliotheken. Toch stoot ik vooral op sporen van zijn activiteit als journalist – De Bom was ook correspondent van de NRC en redacteur van Volksgazet.

Zijn werk als bibliothecaris en journalist kostte hem zijn schrijverschap: in zijn lange leven publiceerde De Bom maar twee romans. Bij die tragiek kan ik me iets voorstellen.

Toen ik geschiedenis studeerde, was het al economie wat de klok sloeg. Reeksen gegevens over het graan dat in de 16de eeuw uit het Baltisch gebied werd ingevoerd. Daar grafiekjes van tekenen om het wetenschappelijk te maken.

Vandaag passen mijn vakgenoten sociologische modellen toe. Soms, als mijn oudekrokodillenhumeur de bovenhand haalt, mompel ik: “Pseudowetenschap!”. Ja, een oude krokodil mompelt met uitroepteken.

De Bom was maar één mens. Ik kan hem wegzetten als ambtenaar, middelpunt van een netwerk, speler op het literaire veld of flamingant. Maar hij was dat door elkaar, het ene moment meer dan het andere. Dat maakt van hem een mens.

Toen ik studeerde, bestond archivistiek nog niet als zelfstandige discipline. Nu is dat veranderd. Maar ISAD-normen en ander fraais mogen van ons geen fetisjisten maken die vergeten verliezen wàt ze in hun zuurvrije mapjes, dito archiefdozen en hun databases stoppen.

De Bom bewaarde àlles. Er wachten mij tien grote verhuisdozen. Terwijl ik roestige paperclips en lege omslagen verwijder, slaak ik soms een oudekrokodillenzucht. Maar toch.

In zijn jonge jaren had De Bom een vriendin. Zij kwam uit Königsberg. Clara Gaesch spoelde in Antwerpen aan als serveerster in een café-chantant. Ze was de minnares van de eigenaar van een andere kroeg, van wie ze een kind had. Toen ontmoette ze de naïeve schrijver en stedelijk ambtenaar. Hij werd hals over kop verliefd. Clara zag De Bom vooral als kans op een beter leven.

Het liep natuurlijk mis. De Boms burgerlijke familie gaf Clara aan bij de Vreemdelingenpolitie. Ze vloog het land uit. De Bom was intussen “opgegroeid” en begreep dat Clara en hij geen toekomst hadden. Toen werd ze ziek en keerde naar Antwerpen terug om te sterven. De Bom liet haar opnemen in het ziekenhuis en betaalde haar uitvaart. Hij bewaarde de rekening van de leverancier van het kruis op haar graf.

Archief, ook al gaat het om dat van instituten, blijft de neerslag van menselijke activiteit. Wij bewaren geen oud papier maar intenties en verlangens. Daar vul je geen beleidsplannen mee maar het is goed er af en toe aan te denken.

Archief maakt oude krokodillen gelukkig.

Verschenen in “Meta”.

[Literatuur ] Herinnering aan Henri-Floris Jespers.

Henri-Floris Jespers (foto Kris Kenis).

Mijn oudste herinnering aan Henri-Floris Jespers dateert uit 1971 of 1972. Hij en Prutske kwamen op bezoek bij mijn vader in Grobbendonk.

Henri had lang haar, maar hij droeg een donker, driedelig pak. Prutske zag er ook heel gesofisticeerd uit, met asblond haar en hakjes. Ze arriveerden in een glimmende zwarte Mini, een beetje als rocksterren.

Het duurde tot 1984 eer ik Henri “echt” leerde kennen. Ik had een lang interview afgenomen van Marc van Alstein en hoopte dat kwijt te kunnen aan het literair tijdschrift “Diogenes”, waarvan Henri niet minder dan directeur was.

Ik was toen al hardop aan het dromen van een loopbaan in de letteren, maar om de een of andere reden (mijn boze stiefmoeder?) had mijn pa verzuimd mij bij “Diogenes” te betrekken.

Ik vermoed dat ik het typoscript van het interview bij Henri in de bus dropte; de dag daarop werd ik danig verrast door de aankomst van een telegram met daarop de tekst “Staat. Voorrang”. Henri werkte toen op het kabinet van Hugo Schiltz, vandaar.

Hij nodigde me uit voor een gesprek, dat uiteindelijk plaatsvond in café Het Tafeltje Rond bij het stadhuis. Wat hij me voorstelde, klonk als muziek in mijn oren. Hij wilde mijn interview publiceren in “De Nieuwe”. Dat was wel geen literair tijdschrift, maar een toen nog zeer gerespecteerd links weekblad.

Ik wist toen nog niet dat wat men nu de “entourage” van Schiltz zou noemen, hard werkte aan de uitbouw van een eigen mediapoot voor de Volksunie. Daartoe behoorde de vrije Radio Stad, met o.a. Michel Follet en Rudi Van Schoonbeek en dus weldra ook “De Nieuwe”.

Later kreeg ik zelfs een invitatie voor een bezoek aan Mark Grammens in het redactielokaal van “De Nieuwe” in Schaarbeek. Grammens had zich toen uiteraard nog niet tot het Vlaams Blok bekend.

Een en ander belette niet dat ik, linkse jongen die ik wilde zijn, behoorlijk op mijn hoede was voor recuperatie door de flaminganten.

Maar omstreeks die tijd begon ik ook te ervaren dat ik met mijn bekende achternaam niet direct aan werk in de “progressieve” media zou geraken.

Mijn pa was in vooruitstrevende kringen bijzonder impopulair – wat op zichzelf het voorwerp van een interessante studie zou kunnen vormen – en dat kleurde af op mijn nederig beginnerspersoontje.

Dit maar om te zeggen dat Henri een van de (zeer) weinige mensen was, die mij een kans gaven. En dat zal ik nooit vergeten.

Onze samenwerking bij “De Nieuwe” was, nu ik er meer dan dertig jaar later op terugkijk, een bijzonder goeie zaak – althans voor mij (maar ik denk dat Henri er ook plezier aan beleefde). Ik schreef in de loop van twee jaar honderden velletjes, waaronder enkele onrechtvaardige en misschien zelfs ondoordachte recensies.

Soms had Henri me iets beter tegen mezelf moeten beschermen. Maar dat weegt niet op tegen de mogelijkheid die hij me gaf om de stiel te leren.

Op Henri’s soirées op vrijdagavond in een Antwerps café verschenen een heleboel mensen die er later in zouden slagen om aan de wereld te doen vergeten dat ze hem en via hem Hugo Schiltz, het hof maakten.

Ach ja, zo zit de wereld in elkaar. Alleen wil dat niet zeggen dat je moet meehuilen of – in dit geval – mee zwijgen met de wolven in het bos.

PS Maurits Van Liedekerke (in een reactie hieronder) wijst mij erop dat de uitbouw van een klein media-imperium een initiatief van Hugo Schiltz persoonlijk was, en niet van de toenmalige VU. Dat is mij nooit duidelijk geweest en daardoor heb ik dus iets gezegd dat niet helemaal klopt. Waarvoor excuus. Maar het is voor een buitenstaander (die niet volledig in vertrouwen wordt genomen) natuurlijk moeilijk om de interne werking van een partij te doorgronden. De VU had inderdaad al haar blad “Wij”, waarvan Maurits hoofdredacteur was.

[Geschiedenis] Het Karbonkelhuis aan de Groenplaats.

img_0815Antwerpen telt minstens één vroeg renaissancehuis – het Diamant- of Karbonkelhuis aan de oostzijde het kerkhof van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, thans de Groenplaats. Het gaat om een hoog breedhuis met vijf traveeën, van elkaar gescheiden door halfzuilen of pilasters. Sinds de jaren 1980, toen even sprake was van mogelijke afbraak, is het Karbonkelhuis beschermd.

Het pand dankt zijn naam aan de arduinen diamantkoppen of “karbonkels” die de plint van de voorgevel sieren.

De pilasters zijn gedecoreerd met gedetailleerd uitgewerkte groteskenmotieven – dansende saters, schilden met zwaarden, ramskoppen en het hoofd van een man met krulhaar en een baard. Ook de kapitelen bovenaan de pilasters zijn druk versierd.

Soortgelijke pilasters ziet men op fresco’s in gebouwen in Rome van de schilder Pinturicchio (ca. 1454-1513). De beroemde architect Bramante gebruikt bij realisaties in Milaan pilasters, versierd met grotesken.

img_0811Het Karbonkelhuis wordt tussen 1520 en 1521 gebouwd in opdracht van Willem Heda (1460-1525), kanunnik van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. De aannemer is de Antwerpse meester-metselaar Huybrecht Gillis.

Kanunnik Heda bouwt niet toevallig een woning met een renaissancegevel. Hij verblijft van 1485 tot 1500 in Rome als secretaris van Filibert Naturelli, de ambassadeur van de Habsburgse keizers bij de paus. Hij komt er in contact met de kunst en de architectuur van de Romeinen en met het werk van hedendaagse renaissancekunstenaars.

Daarna woont Heda een tijdlang in Utrecht, waar Filips van  Bourgondië, de beschermheer van de schilder Jan Gossaert, bisschop is. Ook Gossaert is in Italië geweest en heeft er de invloed van de nieuwe kunst ondergaan.

Willem Heda cumuleert tal van goedbetaalde kerkelijke functies, waarvan die van kanunnik van de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekerkerk.

img_0813Heda is een geleerd humanist en groot kunstliefhebber.  Hij bezit vierhonderd boeken en een verzameling schilderijen die zijn interesse voor de renaissance illustreren. Daartoe behoren een Hercules, een diptiek die Lucretia en Cleopatra voorstelt en een paneel met de Triomfen van Petrarca. Maar we weten niet van welke die werken  geschilderd hebben.

Wie de gevel van het Karbonkelhuis ontwerpt, is niet zeker, maar wanneer het gebouwd wordt, verblijven zowel de schilder Tommaso Vincidor uit Bologna als beeldhouwer Jan Mone uit Metz in de stad.

Beiden zijn sterk doordrongen van de nieuwe renaissancegeest. Toch is het vooral Vincidor die in aanmerking komt. Hij is een leerling van Rafaël en superviseert in opdracht van paus Leo X de wandtapijten voor de Sixtijnse kapel die in Brussel geweven worden naar ontwerpen van Rafaël. Mone vestigt zich blijvend in de Nederlanden en is er als architect actief, o.m. als medewerker bij de bouw van het paleis van graaf Hendrik van Nassau in Breda.

Na de dood van Heda koopt de Italiaanse handelaar Jehan Carlo de Affaitadi het prestigieuze pand. Hij blijft er zeker wonen tot in 1555. Affaitadi is een van de eersten die in Antwerpen op (relatief) grote schaal edelstenen verhandelen.

 

Bron:

LANGENDONCK, G. VAN. Het Karbonkelhuis van kanunnik Willem Heda. Een renaissance primavera op de Groenplaats in Antwerpen (1520-1522). In GRIETEN, S. [ED.] Vreemd gebouwd: westerse en niet-westerse elementen in onze architectuur. Turnhout, Brepols, 2002, pp. 93-109].

 

“Na elk groot verdriet / Volgt vaak een heel mooi lied” – Paul Van Ostaijen en zijn “Music Hall”

PvO_gouache

Toen Paul Van Ostaijen in april 1916 zijn eerste bundel Music Hall liet verschijnen, werd Antwerpen door de Duitsers bezet. Wat overbleef van het Belgisch leger verdedigde langs de Ijzer in West-Vlaanderen het noordelijkste stuk van een front dat diagonaal door Frankrijk liep tot aan de Zwitserse grens.

Eten en steenkool waren schaars. In de haven liepen geen schepen binnen. ’s Avonds lagen de straten er verlaten bij. Maar het uitgaansleven, geconcentreerd in de buurt bij het Centraal Station, draaide op volle toeren, mede omdat de Duitse officieren en manschappen van een verzetje hiIk heb weleens horen beweren dat, als de wind uit de goeie richting kwam, het gebulder van de kanonnen aan het front tot in Antwerpen te horen was.

Van Ostaijen, die zich met verwondering de zachtheid van een vrouwenwang tegen zijn handpalm herinnerde, was in ieder geval aan de dodendans ontsprongen.

)
Paul Van Ostaijen (foto Letterenhuis).

De dichter financierde zelf de oplage van tweehonderd gewone en zes luxe-exemplaren van Music Hall – een tamelijk lijvige bundel – van blz. 7 tot 81 in zijn Verzameld Werk. Zijn vrienden waren in de wolken, al zal het groene beest van de jaloezie hier en daar wel een hap uit Van Ostaijen beruchte bontmuts hebben genomen. Voor zijn collega’s in het Stadhuis – hij werkte als klerk bij de gemeente – was Music Hall een bron van vrolijkheid.

Music Hall brak radicaal met alles wat in Vlaanderen tot dan toe en tegelijk werd gedicht. Alleen al daarom is het een belangrijk boek. Alles rijmt, maar Van Ostaijen schreef vrije verzen en introduceerde het moderne leven met veel gedruis in de poëzie.

Ongezien. Ongehoord.

De titel van de bundel is die van de eerste cyclus, die bestaat uit vijf lange bitterzoete teksten met als narratieve draad een avondvullende voorstelling in een variététheater, waar een danseresje optreedt, een film wordt vertoond en een jongleur een nummer met ballen en fakkels brengt.

Van Ostaijen woonde allicht veel van dat soort vertoningen bij. Zijn levenslange vriendschap met de beeldhouwer Oscar Jespers begon in de Wintergarten, een variétézaal aan de Meir. Om aan de kost te komen, speelde Jespers er cello in het orkest. Uiteraard wist hij toen nog niet dat hij ooit een grafzerk voor de dichter zou beitelen.

Music Hall gaat over de stad en over het onttoverde leven.    Dat is niet zo vreemd, het was tenslotte 1916. Van Ostaijen las de Duitse expressionisten. Hun werk verscheen in tijdschriften waarop de Antwerpse Stadsbibliotheek een abonnement had. Hij was ongetwijfeld ook goed op de hoogte van de moderne Franse poëzie. Anno 1916 waren geletterde Vlamingen zo goed als tweetalig.

Van Ostaijen (links) en de broers Floris en Oscar Jespers (a).

Paul Van Ostaijen met zijn vrienden Oscar en Floris Jespers (foto Letterenhuis).

Tegelijk is het zo dat de oudere schrijver Emmanuel De Bom (1868-1953) met Wrakken (1898) al een roman over “moderne” emoties had geschreven en dat Villa des Roses, het debuut van Willem Elsschot (1882-1960), al van 1913 dateerde. Tussendoor publiceerde de thans zo goed als vergeten Lode Baekelmans met Tille (1912) de Antwerpse Madame Bovary. In de roman komt een variétévoorstelling voor als die in Music Hall. Maar daarmee houden alle gelijkenissen op. Roman en poëzie zijn verschillende werelden; Baekelmans en Van Ostaijen bewandelden heel andere paden.

Toch waren er ook al gedichten over de moderne stad geschreven. Emile Verhaeren publiceerde in 18  Les Villes tentaculaires. Maar de Franstalige Verhaeren behoorde tot een andere generatie. Hoewel ook hij brak met de strakke regels van de traditionele metriek, maakte hij deel uit van de optimistische modernen van vòòr de oorlog, van vòòr de eeuwwisseling, zij die de toekomst nog zonder voorbehoud durfden te omhelzen.

Verhaeren beschreef de stad als oord van onderdrukking, uitbuiting en vervreemding, maar ook als broedplaats van sociale vernieuwing, revolutionaire ideeën, van een nieuw mensdom. Dat soort heilsverwachtingen klonk in de oren van Van Ostaijen en zijn vrienden hopeloos hol. Hun stad was er een vol Duitsers en desillusies.

Emile_Verhaeren01Wikipedia)
Emile Verhaeren door Théo Van Rysselberghe.

1916, het jaar van Van Ostaijens debuut, was ook het jaar dat Verhaeren, actief in het onbezette deel van Frankrijk, in het station van Rouen onder een trein terechtkwam en stierf.

Toch gebruikte Van Ostaijen het door Verhaeren verzonnen adjectief “tentakulair” later zelf ook om de stad te karakteriseren. Beide dichters deelden de ambitie om “groots en meeslepend” de “werkelikheid” te bezweren. Ze geloofden ook allebei rotsvast in de rituele macht van het woord.

Meeslepend, ja, dat zijn de vroege gedichten van het haantje-de-voorste uit de Hulstkamp. Zijn verzen hebben een aanstekelijkheid die veel oudere en wijzere dichters ontberen.

Niet dat alles in de bundel even goed is, dat spreekt. De “kersende tepels” van de gravin in het gedicht Riddertijd, dat is het soort poëtische vrijheid waar ik tandpijn van krijg. “Kersen” is geen werkwoord. Nooit geweest, ook niet in gedichten. En soms werd de rijmdwang Van Ostaijen bepaald te machtig: “Mijn ziel is droef / Een grauwe groef.”

Een “grauwe groef”!?

Er is veel pathos in Music Hall, veel aanstellerige scepsis, maar af en toe ook ironie. Natuurlijk werd die al door de romantici bedreven en kregen we sindsdien menige overdosis toegediend. Maar toch – in het Vlaanderen van 1916 was ironie, zeker in de dichtkunst, zeldzaam.

statie10003

De De Keyserlei met achteraan het Centraal Station.

Ik denk nu even aan het gedicht Wederkeer, over Van Ostaijens (her)bekering tot het flamingantisme. Hij vergelijkt zichzelf met een jongen die zijn vriendin heeft bedrogen en daarna berouwvol bij haar terugkeert.

Maar de bloedige ernst van de laatste strofe: “Zó ben ik blij om m’n wederkeer, / Tot u, Flamingantisme, nieuw geloof. / Ik voel in mijn een nieuwe dageraad” enz. verpest het effect. Grondig.

Berouw, geloof, belijdenis – ziehier de paradox van het Vlaamse expressionisme: zijn vaandeldragers waren zeer Vlaamsgezind en meestal ook katholiek of katholiek opgevoed. Die mix leidde na het einde van de gay twenties bij vele expressonisten naar een min of meer verdund fascisme. Maar toen was Van Ostaijen al dood.

Zeer zeker, de dichter versleet zichzelf voor links, sympathiseerde met de bolsjewisten en artistiek behoorde hij levenslang tot de avant garde. Alleen is dat maar één kant van de Van Ostaijenmedaille. De dichter publiceerde in door de Duitsers gecontroleerde bladen en sympathiseerde met de “activisten” – de flaminganten die vonden dat de bezetter meer voor de zelfstandigheid van de Vlamingen kon betekenen dan de Belgische staat (die hen tot dan toe inderdaad onheus had bejegend). Bovendien ambieerde Van Ostaijen een baantje bij een nog op te richten activistische marechaussee.

Laten we dus niet vervallen in de automatische gelijkstelling van literair modernisme met ondubbelzinnige “linksheid”. In Vlaanderen is het nog altijd zo dat literatuurgeschiedenis vaak impliciet wordt opgevat als het relaas van een lange bataille des Anciens et des Modernes, die meteen ook een politiek links-rechts gevecht zou zijn.

De De Keyserlei, gezien van het Centraal Station (a).

De De Keyserlei, gezien vanaf het Centraal Station.

Maar dit geheel en al terzijde.

Het is moeilijk om de poëzie in Music Hall louter en alleen op haar eigen merites te beoordelen. De rechtstreekse en onrechtstreekse invloed die ze nadien uitoefende, is immers groot en bepaalt mee onze (mijn) manier om tegen gedichten aan te kijken. In Vlaanderen legde Van Ostaijens debuut de basis voor de geleidelijke deconstructie van de klassieke vorm.

Afbraak? Bevrijding? Voorlopig – en een eeuw later – is deze “wetteloosheid” nog steeds aan de orde in de dichtkunst. Ze maakt misschien geen deel uit van het “wezen” van “de” poëzie, maar wel van de poëtische praktijk van nu.

BijOscarJespers
Paul Van Ostaijen in het atelier van Oscar Jespers (foto Letterenhuis).

Doorheen de gaten die Van Ostaijen in het vormelijke harnas schoot, wurmden zich stemmingen en emoties die in de verzen van pastoors in wapperende soutanes en docenten met stijve boorden geen plaats hadden.

Van Ostaijen zegt het zelf, in Herfst, dat uit twee gedichten bestaat. Hij begint het eerste met de verzen: “Zij die vòòr mij kwamen en dichters waren / Zij hebben hun droefenis, in de Herfst, uitgesproken”  om het tweede gedicht te besluiten met: “Maar enkel van dit droef getij / Blijft onzekerheid in mij.”

“Onzekerheid” mag iets vaags zijn, maar zelfs die vaagheid was revolutionair na tienduizenden verzen vol anekdotiek, stereotiepe gevoelens en zintuiglijke indrukken uit een arsenaal waarvan de eerste steen in de renaissance was gelegd en het dak alweer uit de romantiek dateerde (en dat alles dan op zijn Vlaams).

Ik kan me ook moeilijk voorstellen hoe een onvoorbereide lezer in 1916 moet gedacht hebben, hoe de doorsnee poëzie van zijn tijd hem de “confrontatie” – zoals dat dan heet – deed ervaren met “Zot Polleke”, (die bijnaam gaven zijn vrienden Van Ostaijen als hij hen niet hoorde).

Ik bedoel maar: ik vind de gedichten in Music Hall niet “simpel” gemaakt. Ze rijmen en hebben een bestudeerd ritme. Hoe ervoer iemand dat, die wist hoe je alexandrijnen bouwt en wie weet zelf een sonnet kon verzinnen?

Dat zijn vaardigheden die mij ontbreken. En eigenlijk vind ik dat jammer, maar mijn (post)moderne generatie is opgegroeid met De Oostakkerse gedichten van Claus, De lenige Liefde van De Coninck en nu zijn er dichters die rappen.

Ik denk niet dat ik iets heel doms zeg, als ik beweer dat de gedichten in Music Hall ondanks alles het resultaat zijn van hard werk, van discipline zelfs.

statie10001

Het Centraal Station.

Wat er ook van zij “Tred na tred, / Danseresjewet, / Tred na tred, / Voetjes zet”, daar zie ik iets bij. Of “Gelijk een regendrop op ’t zinkevlak / Van een platdak.” Die regel vind ik gewoon p-r-a-c-h-t-i-g.

Heb ik gelijk?

Gelijk en poëzie verdragen elkaar niet. Speelsheid, lust en vertedering wel.

Elders ervaar ik gelijksoortige eind- en binnenrijmen (ook over regen, trouwens) in Music Hall dan weer als puur maakwerk. “Zijpelregen, / Zonder zegen, / Langs de wegen / Neergezegen”.

Nee, daar kan ik niet mee leven.

Maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door het schokje van herkenning dat het eerste gedicht van het tweeluik Nieuwe weg over een afgesprongen vriendschap mij geeft. Daarin staan de fraaie verzen: “Over de stad glimden d’elektrieke globen klaar / Spijts mist rondom de klaarte hing”.

Vader
Van Ostaijens vader (foto Letterenhuis).

Ik weet alleen niet of een Nederlandse lezer dat vandaag helemaal verstaat.

(Want ja, Van Ostaijen was natuurlijk een Vlaming, een Antwerpenaar, en zijn Nederlands is vaak minder dan perfect.)

Af en toe blijkt Van Ostaijen tot zelfrelativering in staat. In het tweede gedicht van het vierluik Twist met Grete lezen we “Levensernst valt ook zwaar / Voor jongelui van negentien jaar.” De eerste twee gedichten bevatten trouwens een leuke intertekstuele verwijzing naar Ovidius’ gedicht over Pyrrhamus en Thisbe en de muur.

Nee, ironie en paradox waren Van Ostaijen niet onbekend. “Na elk groot verdriet / Volgt vaak een heel mooi lied”, schreef hij. En zoals elke echte dichter wist hij al tegelijk beter en niet beter.

Toen Music Hall van de pers kwam, was Van Ostaijen een zelfbewust jong heertje dat in zijn vriendenkring het hoge woord voerde. De komende jaren schreef hij heel wat kritisch en beschouwend werk bij elkaar en daarin kon hij behoorlijk dogmatisch uit de hoek komen. Zo kapittelde hij zijn vriend, de schilder Floris Jespers (de broer van beeldhouwer Oscar), omdat die het gewaagd had iets driedimensionaal voor te stellen op een schilderij, terwijl een schilderij toch per definitie tweedimensionaal was en dus niet gebruikt mocht worden voor de creatie van driedimensionale illusies.

Soms denk ik dat dit soort grauw (!) getheoretiseer op termijn bijna net zo veel heeft bijgedragen tot Van Ostaijens statuut van Onaanraakbare in de Vlaamse literatuurgeschiedenis als zijn poëzie. Literatuurwetenschappers, kunsthistorici en tutti quanti herkennen er hun eigen neurosen en premissen in.

scannen0003

De Leysstraat.

Maar deze amateurideoloog zou in de twaalf jaar die hij na Music Hall nog te leven had, ook nog briljante, grensverleggende, gekke, revolutionaire en prachtige gedichten schrijven – expressionistische, dadaïstische en “pure”.

Het zelfbewuste heertje met de opgeheven vinger dat op kosten van zijn vader – een loodgieter, nota bene – rondjes gaf in de Hulstkamp, geloofde in zichzelf (en twijfelde natuurlijk ook aan zichzelf, meer dan wij ooit zullen weten). Hij kon ideeën en dogma’s formuleren als de beste. Maar in zijn hoofd klonk vooral een stem. Een daemon? De Muze? Een zangeresje uit de Wintergarten?

Zijn eigen stem.

Ik krijg nu waarschijnlijk een peloton specialisten over me heen, maar ook in de latere (Bezette Stad) en in de laatste (Nagelaten gedichten) Van Ostaijen, klinkt de wat schrille stem van Music Hall nog door. Het begin dus, en een onvervreemdbaar deel van een omvangrijk en belangrijk oeuvre.

Trap ik een open deur in? Allicht. Maar soms moet dat.

Ik leerde Van Ostaijen kennen in de basisschool, dankzij Marc groet ’s morgens de dingen dat wij als zeven- of achtjarigen uit ons hoofd moesten leren en vervolgens voordragen. Begin jaren zeventig, toen ik naar het atheneum ging, woonde ik in de gymzaal een Paul Van Ostaijenavond bij, georganiseerd door een lerares Nederlands. Laatstejaars in zwarte maillots demonstreerden op de Bühne onder het declameren van verzen uit Bezette stad gestileerde loopjes en gebaren.

De Meir, gezien in de richting van de Schoenmarkt.

De Meir, ca. 1920.

Later zat ik zelf in de klas bij mevrouw Godelieve d’Hallewyn, die met verve over de dichter doceerde. Voor ons, langharige en recalcitrante adolescenten, werd hij misschien geen echt rolmodel, maar we herkenden toch veel van onszelf in hem. Of beter, dat wilden we.

Dit maar om te zeggen dat Van Ostaijen tot mijn literaire bagage behoort en tot die van duizenden andere Vlamingen van middelbare leeftijd. Onlangs nam de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde zijn Nagelaten gedichten nog op in haar Dynamische canon van de Nederlandse literatuur vanuit Vlaams perspectief of hoe dat ding ook mag heten.

De lijvigste studie over Van Ostaijen is geschreven door de Nederlander Gerrit Borgers. Maar enkele weken geleden waren in het Antwerpse Letterenhuis, waar ik werk en waar wij de handschriften van de dichter bewaren, eerstejaarsstudenten historische letterkunde uit Amsterdam te gast. Voor deze jonge lezertjes – hij zij hen vergeven – bleek de schrijver van Music Hall geen totale onbekende, maar het scheelde toch niet veel.

Ik beken dat ik even moest slikken. Dat hun Noorderbroeders doorgaans minder interesse koesteren voor de Vlaamse letteren dan de Vlamingen denken, weet ik al lang. Maar de dandyeske controversezoeker die ik circa 1965 voor het leven in mijn hart sloot, mag niet in de “mist rondom de klaarte” belanden.