[Column] Het bezoek van mijn grootmoeder in de nacht.

Talbot House

Voor de deur van Talbot House, Poperinge, 5 augustus 2015.

Er wordt mij meegedeeld – door wie is niet duidelijk – dat mijn grootmoeder nog leeft en in een bejaardentehuis verblijft. Ik besef dat ik dat had moeten weten en voel me behoorlijk schuldig. No voor ik me heb voorgenomen om haar te bezoeken, zie en hoor ik mijn grootmoeder en die ervaring is levendiger dan wat mijn geheugen normaliter toelaat. Dan, met een groot gevoel van verlies, word ik wakker.

Mijn grootmoeder (die aan moederszijde, om precies te zijn) is volgend jaar vijftig jaar dood. Een hele heuse halve eeuw. Ik kan mij niet herinneren wanneer ik nog eens van haar gedroomd heb – het moet decennia geleden zijn. Waarom, vraag ik mij af, verschijnt ze mij, op mijn zevenenvijftigste, en in het holst van de nacht, van gene zijde?

Ik hecht geen geloof aan boodschappen uit het hiernamaals – ik heb er ook geen ontvangen. De droom vertelt mij iets dat pertinent onwaar is en zadelt mij – objectief gezien slechts gedurende enkele seconden – op met een acuut schuldgevoel en laat mij vervolgens aanspoelen op het strand van de realiteit.

Vreemd. En meteen een onweerlegbaar bewijs (toch voor mij, die het heb ervaren) dat onze herinneringen niet verdwijnen, dat ze diep in ons onderbewustzijn opgeslagen blijven om af en toe naar de oppervlakte te zwemmen.

Ergens tussen mijn schedeldak en mijn bovenste nekwervel sluimeren de stem en de wat zorgelijke uitdrukking van de vrouw die mijn grootmoeder was en die in 1966 is gestorven. Ze zijn de enige elementen van mijn droom die op iets slaan.

Wij worden ouder, maar onze herinneringen blijven jong – alleen kunnen we er, wanneer we dat willen, niet bij. Of toch niet altijd. Want ik weet nog wel hoe ik als drie- of vierjarige voor mijn moeder uitloop op het hellende grindpad dat van de Sint-Bernardsesteenweg op het Antwerpse Kiel omhoogloopt naar de ingang van het plaatselijke park. En dat ik daarbij zoveel mogelijk stof (grindpartikeltjes, zand?) doe opwaaien omdat ik dan – denk ik – lijk op een van de stoomlocomotieven die dagelijks enkele keren over de spoorweg achter ons flatgebouw rijden, omgeven door dikke wolken waterdamp.

Nee, ik was in een vorig leven geen stoomtrein – dit is wel degelijk een overgebleven herinnering.

Evolutionair gesproken is het nuttig om het verleden te onthouden – het laat ons toe om ons, zoals de spreekwoordelijke ezel, geen twee keer aan dezelfde steen te stoten.

Stelt mij dat gerust? Een beetje, in die zin dat ik dus geen ezel ben. Ik stoot mij doorgaans veel meer dan twee keer aan die fameuze steen. Het zij zo.

Individuele herinneringen zijn voer voor psychologen, voor romanschrijvers en uiteindelijk voor ieder van ons. Dat laatste kan ook gezegd worden van de geschiedenis, die men weleens omschrijft als ons collectieve geheugen.

Over het mogelijke nut van de geschiedenis heb ik het hier al vaker gehad, al blijft dat altijd wat fluiten in het donker van het onbewijsbare en onbecijferbare.

Het voorbije jaar heb ik vrij weinig archiefwerk verricht, al is dat waar ik in eerste instantie voor betaald word. Ik heb mij, samen met enkele moedige collega’s, toegelegd op het reorganiseren van een deel van het depot van het Antwerpse Letterenhuis, om ons toekomstig archiefwerk efficiënter te maken.

De bizarre droom over mijn grootmoeder deed mij wel even twijfelen, terwijl ik onderdelen van archiefrekken hielp verslepen – leidt ons werk, vroeg ik mij af, niet min of meer tot hetzelfde als wat onze neuronen doen wanneer wij dromen: het aan de oppervlakte brengen van fragmenten, van – in het beste geval – halve waarheden waarvan de interpretatie betwistbaar blijft en nooit een waarachtige blauwdruk vormt van lang vervlogen feiten, ideeën en… dromen? En dan nog, want wat vertelt een blauwdruk over de werkelijkheid?

Ja en nee, natuurlijk. De meeste ideeën die waar zijn, worden tegengesproken door een andere idee die even waar is. Historici kunnen feiten checken door bronnen met elkaar te vergelijken. Maar meer dan een echo van het verleden roepen die toch niet op.

Aan de andere kant, als wij niet droomden, werden we gek. Misschien worden we dat ook wel als we ons niet over ons collectieve verleden buigen. Geschiedenis – de droom die verhindert ons leven ontaardt in één lange psychose. Daar valt iets voor te zeggen. Misschien doen krankzinnige regimes – van de Nazi’s tot IS – daarom alles om het verleden te vertroebelen of het gewoon op te blazen.

 

2014 herzien

De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2014 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2014 ongeveer 51.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 19 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

Schilder in Pompeï. Het archief van Mathieu Ignace van Brée in het Letterenhuis.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het Letterenhuis (foto Jan Lampo).

Dit jaar viert de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen haar 350ste verjaardag. Het Letterenhuis bezit veel materiaal met betrekking tot de school en de kunstenaars die er werkten. Daartoe behoren enkele tientallen brieven en handschriften van de neoclassicistische schilder Mathieu Ignace van Brée (1773-1839). Van Brée was tot aan zijn dood in 1839 directeur van de Academie.

Vandaag is de kunstenaar zo goed als vergeten, maar in zijn tijd geniet hij de gunst van Napoleon en van koning Willem I. Door de publicatie van een monumentale Cours de Dessin verwerft hij bovendien veel invloed als tekenpedagoog.

De methode-Van Brée weegt zeker tot het derde kwart van 19de eeuw op het kunstonderwijs. Haar praktische toepassing beschrijft Hendrik Conscience in zijn roman Hoe men schilder wordt (1843). Van Brée is in Antwerpen ook de eerste om een historiserend schilderij met een tafereel uit de vaderlandse geschiedenis te borstelen.

Van Brée studeert van 1783 tot 1794 aan de Antwerpse academie. Dan vertrekt hij naar Parijs. In 1795 eindigt hij tweede in de wedstrijd voor de Prix de Rome, die opnieuw is ingesteld door Eerste Consul Bonaparte. Dan keert hij terug naar Antwerpen om in 1798 “professeur-adjoint de la classe de dessin” te worden. In 1804 krijgt hij een aanstelling tot voltijds leraar.

Tijdens het bezoek van Bonaparte aan Antwerpen in 1803, bestelt deze laatste bij de kunstenaar De Intrede van de Eerste Consul te Antwerpen. Van Brée heeft vier jaar nodig om het werk te voltooien.

Reportagestukken

In de Hollandse tijd blijft Van Brée dit soort “reportagestukken” maken, maar dan voor de Oranjes. Hij ontpopt zich tot een groot voorstander van het nieuwe regime. De schilder raakt bevriend met dichter en literatuurhistoricus Jan-Frans Willems, omstreeks deze tijd actief als bestuurslid van de Société royale pour l’Encouragement des Beaux-Arts en weldra ook van de Academie.

In 1818 publiceert Willems het lange gedicht Op het voortreffelijk Schilderstuk van Mijnheer M. Van Brée, verbeeldende de standvastigheid van den burgemeester Van de Werff. Ook de Nederlander Bilderdijk wijdt verzen aan Van Brée.

Na 1830 revolteren de jonge romantische schilders tegen Van Brée, van op veilige afstand aangestuurd door leraar Gustaf Wappers. Die laatste droomt ervan de directeur op te volgen. Hendrik Leys wordt van de academie weggestuurd na een opmerking over de ouderwetse kniebroek van Van Brée. Toch geniet de schilder ook sympathie. Hij blijft in het Nederlands doceren en dat is naar de zin van de eerste flaminganten.

De directeur waagt zich in zijn vrije uren aan de literatuur. Van zijn hand is het blijspel Brouwer’s gevangenis op het kasteel van Antwerpen over de 17de-eeuwse schilder Adriaan Brouwer. De vrijzinnige toneelschrijver Emmanuel Rosseels publiceert de tekst in 1849, tien jaar na Van Brée’s dood. Of gaat het om een alsnog onopgeloste mystificatie?

 Aca5

 Mathieu Ignace Van Brée door Jan-Baptist De Cuyper, standbeeld in wit marmer. Deze foto is enigszins verouderd, want sinds juni heeft Van Brée dank zij de afdeling Conservatie en Restauratie zijn verloren handen terug (foto Jan Lampo).

Postuum blijft Van Brée tot de verbeelding van schrijvers spreken. Zijn uitvaart vindt plaats op het Sint-Willibroduskerkhof. Na de officiële Franse redevoeringen stapt de jonge Conscience naar voren en spreekt namens de romantici een gloedvolle redevoering uit. Dat betekent meteen zijn terugkeer naar het publieke leven na de depressie die hem overmand heeft als gevolg van het geringe succes van De Leeuw van Vlaanderen.

In 1852 onthult men in de aanwezigheid van minister Charles Rogier in de vestibule van het Museum van de academie een marmeren standbeeld van Van Brée van de hand van de pas overleden Jan-Baptist de Cuyper. Schrijver en journalist Lodewijk Gerrits publiceert “op last der Commissie van het Standbeeld” een Levensbeschrijving van M.I. Van Brée.

Niet iedereen is het eens met Gerrits’ lofzang. Eugeen Zetternam (1826-1855) laat nog hetzelfde jaar het essay Bedenkingen op de Nederlandsche Schilderschool verschijnen. Daarin rekent hij af met Van Brée’s postume reputatie. Zetternam verwijt de schilder het on-Vlaamse karakter van zijn kunst, fulmineert tegen zijn restauratie van oude meesters en ontkent zelfs zijn verdiensten als leraar.

Dagboek

Hoe de papieren van Van Brée in het Letterenhuis terechtkwamen, is niet duidelijk. Het staat vast dat directeur Ger Schmook veel belangstelling koesterde voor de vroege 19de eeuw. Met Hoe Teun den Eyerboer in 1815 sprak tot de burgers van Antwerpen (1942) schreef hij een erudiet boek over het begin van de Rubenscultus en het Vlaamse kunstleven omstreeks 1815. Van Brée komt uitgebreid aan bod. Schmooks interesse verklaart alvast de aanwezigheid van fotografische reproducties van brieven die Van Brée schreef aan o.a. Johann Wolfgang von Goethe.

Het archief-Van Brée omvat ook notities en een dagboekje. Men vindt enkele korte teksten over het tekenen van de menselijke gelaatsuitdrukkingen, waaronder een velletje Over het laggen [lachen]:

“Zoo haest als men lagt is ’t voor zeker dat den mond grooter wort en genegen is om te openen en het agtersten deel zig naer boven keert, de kaek verheft haer tot tegen de oog waer door de ogen klijnder worden” (spelling was niet Van Brée’s sterkste kant). Maar de tekenaar moet oppassen, zegt hij, want als iemand lacht om wat hij ziet blijven zijn ogen groter dan wanneer hij lacht om iets wat hij hoort…

“Dat gij voortaan mo[o]gt gelukkiger zijn als deze beklagens Waardige kunstenaars,” zo besluit de schilder een oproep richt tot de leerlingen van de academie om geld te geven voor armlastige oud-studenten, “deze ongelukkige kunstenaars, die ook eens op deze Akademie Leerling hebben geweest”.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Handschrift van M.-I. Van Brée (foto Jan Lampo).

Al zet Schmook hem in zijn Teun den Eyerboer weg als een politieke opportunist, Van Brée is een sociaal bewogen man en bezeten door (kunst)onderwijs. In de Franse tijd runt hij in zijn huis een schooltje waar hij kansarme kinderen gratis lager onderwijs geeft en hen voorbereidt op studies aan de academie.

Andere documenten bevatten overwegingen van Van Brée bij pogingen om de academie te hervormen. Zo vindt hij het van kapitaal belang dat de directeur van de school een (historie)schilder is. Van een bureaucraat aan het hoofd wil hij niets weten.

Ferdinand De Braekeleer

Wanneer in 1817 de prinses van Oranje in Brussel bevalt van een zoon, is de “premier professeur” er als de kippen bij om de leerlingen bijeen te roepen en hun het heuglijke nieuws te melden. “Un évènement qui consolide le bonheur des habitans [sic] du royaume,” noemt hij het. Van Brée is uiteraard tweetalig. Zelfs aan Jan-Frans Willems schrijft hij in 1822 een Franse gelukwens bij zijn aanstelling tot ontvanger van de registratie in Antwerpen.

Het is van in de 16de eeuw gebruikelijk dat kunstenaars naar Italië reizen, bij voorkeur vlak na hun opleiding. Van Brée is 47 eer hij de kans krijgt. Hij reist in het gezelschap van zijn oud-leerling Ferdinand de Braekeleer.

  De schilder voelt zich gelukkiger en creatiever dan ooit tevoren. Dat blijkt uit de brieven aan zijn vrouw Thérèse. Naast enkele autografen zijn er twee copies van omstreeks 1900. Van Brée, die Thérèse met “vous” aanspreekt, schrijft nuchter maar liefdevol (ik vertaal): “Het mag waar zijn dat de liefde met de jaren vermindert, maar de vriendschap veroudert niet. Het is als vriend dat ik tot u spreek en uw vriendschap is het die ik wil bewaren.”

Een andere brief herinnert Thérèse aan het carnaval het jaar voor hun huwelijk “toen wij samen rondliepen als kinderen of naar het gemaskerd bal gingen in de Conijnepijp [een herberg]”.  Van Brée voegt eraan toe – opeens zegt hij “toi” – “voor mij zijn die tijden voorbij en zonder jou werkt dit soort luidruchtig amusement op mijn zenuwen; het vergroot mijn verlangen om mijn atelier weer te zien.”

Hij heeft hij ook over “notre Jules”, hun zoon, die best stage zou lopen “aux bureaux de M. Willems”. Vermoedelijk betreft het ook hier de Vader van de Vlaamse Beweging.

Vesuvius

Ondanks vreugde om de nakende terugkeer, noteert de schilder: “Nooit heb ik met meer plezier en meer moed gewerkt” en over zijn recente tekeningen en schilderijen zegt hij: “ik had ze nooit gemaakt als ik in Antwerpen was gebleven. ”

Aan burgemeester Floris van Ertborn, die bekendheid verwerft als een van de eerste verzamelaars van Vlaamse primitieven, meldt de kunstenaar: “Ik ben al enkele dagen in de omgeving van de Vesuvius. Sta mij daarom toe dat ik u vanuit Pompeï schrijf, terwijl ik de muren zie blootleggen van een nieuw plein dat men heeft ontdekt. U kunt zich voorstellen hoe ik geniet in deze gewesten, waar ik niets anders zie dan wonderen van de kunst en de natuur.”

Het reisdagboek van Van Brée biedt jammer genoeg niet veel persoonlijks. De kunstenaar noteert vooral welke schilderijen hij ziet. Zijn slordige handschrift maakt de lectuur van het schriftje – oorspronkelijk moeten er meer zijn geweest – allesbehalve gemakkelijk. Toch vormt het Van Brée-archief in het Letterenhuis een onmisbare bron voor leven en werk van een schilder-pedagoog die een vooraanstaande rol speelde in het artistieke leven ten tijde van de ontluikende de romantiek.

Verschenen in “Zuurvrij” nr. 24 van juni 2013.

[Column] De stoel van de eeuwigheid en de onveranderlijkheid

JanmetPijp

De eerste verhalen die wij aan elkaar vertelden, gingen over de goden en het ontstaan van de wereld. De oorzaken en gevolgen die erin werden beschreven, zijn minder spectaculair dan wat de wetenschap ons vandaag over onszelf en onze plaats in de kosmos meldt. Maar we voelen nog altijd de behoefte het heden uit te leggen aan de hand van het verleden.

Dat kunnen we nu veel beter dan drieduizend jaar geleden. Historici stellen het zonder laboratorium en experimenten. Spijkerharde wetten vallen in de geschiedenis niet te ontdekken, hoe graag sommigen dat ook zouden hebben. Maar de bronnen die ons ter beschikking staan, leren ons dat gisteren wel degelijk het uitzicht van vandaag bepaalt.

Jammer genoeg valt er meer te zien wanneer we over onze schouder kijken, dan wanneer we voor ons uit staren om een glimp van de toekomst op te vangen. De dageraad van een betere wereld is iets van idealisten, niet van historici. Met idealisten moet je oppassen. Voor je het weet, blazen ze zichzelf op en jou erbij, om de toekomst minder onzeker te maken.

De vraag waar ze vandaan komen, is er een die alle mensen stellen. Iedere cultuur heeft haar eigen, religieuze antwoord. De idee dat je aardse verklaringen kunt vinden, is typisch Europees en behoorlijk recent. De basis werd gelegd door de Italiaanse humanisten van het quattrocento.

Zij zagen als eersten in dat de mens in de loop der tijden verandert. Opeens beseften zij dat Augustus en Vergilius niet zomaar figuren uit het verleden waren, maar lieden met een andere cultuur dan zijzelf. Een ingrijpend besef, dat de poten van onder de stoel van hun eigen normen zaagde (geschiedenis is een les in multiculturaliteit).

Teksten van Grieken en Romeinen werden voortaan gelezen als getuigen van een “ander” verleden en als inspiratiebron voor nieuwe idealen (de humanisten waren ook idealisten). Weldra beriep de Hervorming zich op het vroege christendom om de latere dogma’s van Rome in vraag te stellen.

De strijd tussen katholieken en protestanten leidde tot een nooit geziene bloei van tekst- en Bijbelkritiek. Legenden en overleveringen uit de voorgaande eeuwen werden tegen het licht gehouden. Niet toevallig ontstond het modern wetenschappelijk onderzoek in Engeland, waar men na het eindeloze gehakketak over godsdienstige kwesties de voordelen inzag van een tolerante samenleving.

Newton maakte een begin met het achterhalen van de wetten van de kosmos. De filosofen Locke en Hume leerden dat waarneming aan de basis ligt van onze kennis. Dat principe doordrong ook de prille “menswetenschappen”. Historici leerden het belang van historische bronnen en hoe je ze aanpakt om de waarheid van de leugen en de vergissing van het juiste feitenrelaas te onderscheiden.

De Franse Revolutie deed Europa op zijn grondvesten daveren. Wie het tot dan toe weigerde te geloven, kon er niet meer omheen: alles verandert. De kennis van dat proces was fundamenteel om onszelf te begrijpen. Geschiedenis werd de koningin der menswetenschappen, of men haar nu beoefende om te begrijpen, uit verlangen naar de oude tijd of om het mensdom uit slavernij te bevrijden.

Het verlangen om het verleden te kennen, is universeel. De wetenschappelijke manier om dat te doen, werd ontwikkeld in Europa. Ze behoort tot onze maner om tegen de wereld aan te kijken – een manier die wij (het maakt er deel van uit) graag delen (en soms: opleggen, ik weet het). We mogen het ons niet laten afpakken.

Niet door fundamentalisten die niets liever doen dan andersdenkenden, Boeddhabeelden (Afghanistan) en bibliotheken (Timboektoe) naar de verdoemenis helpen. Maar ook niet door junior managers in slecht zittende pakken die zeuren dat we alleen vooruit mogen kijken.

Hun mantra’s moeten aanvaard worden, vinden ze, zonder dat iemand ze in vraag stelt. Ze lijken bijgevolg verrekte sterk op Gods Woord. De hemel waar de pakken naartoe willen, gemaximaliseerde winst, is – zoals die van Allahs martelaren – een paradijs waar hun slachtoffers niet binnen mogen.

Verschenen in “Eos Memo” nr. 5

Memo5

[Geschiedenis] De terugkeer van de Red Star Line.

AS.1978.024.002

De Belgenland II (foto Michel Wuyts).

Nog dit jaar begint men met de inrichting van het Red Star Line Museum in de historische gebouwen van de rederij aan de Antwerpse Rijnkaai. In 2013 volgt de officiële opening. Het nieuwe museum vertelt de geschiedenis van transmigratie van zo’n twee miljoen mensen via Antwerpen naar Amerika tussen 1873 en 1934. Een groot deel van die landverhuizers kwam uit Oost- en Centraal-Europa. Velen waren Joden, op de vlucht voor de pogroms in het Rusland van de tsaren. De belangstelling vanuit de Verenigde Staten is groot. Maar ook Belgen emigreerden destijds naar Amerika; zij deden dat zelfs al vòòr de Red Star Line in het leven werd geroepen.

In Vlaanderen moet de huisnijverheid het vanaf de jaren 1840 afleggen tegen de concurrentie van de industrie in het buitenland. Slechte graanoogsten en de aardappelziekte botrytis zorgen vanaf 1844-1845 voor hongersnood. Velen denken dat voor hen in België geen toekomst meer is weggelegd en  besluiten te emigreren naar het beloofde land, Amerika. De ontdekking van goud in Californië sterkt heel wat mensen in dat voornemen.

Hoeveel Vlamingen in die jaren de Atlantische Oceaan oversteken, is niet duidelijk – het historisch onderzoek loopt nog volop. Ze vertrekken vanuit Antwerpen per zeilschip naar de Nieuwe Wereld – een hachelijke overtocht in slechte omstandigheden, die weken in beslag neemt.

Goudland

Dat de uitwijkelingen met velen zijn, blijkt uit het feit dat de schrijver Hendrik Conscience het in 1863 nodig vindt om tegen de “gevaren” van de emigratie te waarschuwen met zijn roman Het Goudland. De goudkoorts is dan al voorbij, maar de uittocht naar Amerika niet. Na de burgeroorlog tussen het noorden en het zuiden heeft men in de Verenigde Staten arbeidskrachten nodig. De lonen zijn er relatief hoog en de overheid maakt het ingeweken Europeanen gemakkelijk om aan een stuk grond te komen.

De komende decennia wordt lokroep van de Nieuwe Wereld alleen maar luider – niet alleen in België, maar in heel Europa. Antwerpen is aantrekkelijk als vertrekhaven omdat het sinds 1843 per spoorweg bereikbaar is vanuit Keulen. Dat betekent een groot voordeel voor migranten uit Duitsland en Centraal-Europa.

De stad profiteert dan ook mee van de eerste grote migratiestroom die duurt van ca. 1835 tot 1855. Daarna treedt een vertraging in, mee veroorzaakt door het feit dat er nog geen geregelde diensten per stoomboot bestaan. Intussen worden ook Bremen en Hamburg in Duitsland en Rotterdam belangrijke emigratiehavens.

Weldra worden echter rederijen in het leven geroepen die over genoeg kapitaal beschikken om tussen Antwerpen en Amerika op geregelde tijdstippen stoomschepen te laten varen. Dat zijn meteen grotere vaartuigen, zodat in een keer veel meer passagiers kunnen meevaren. Bovendien maken ze de reis veel korter: twee weken in plaats van 45 dagen. Een en ander drukt de prijs van de overtocht. Tien tot veertig dollar (naargelang de koers van de Belgische frank) betalen de landverhuizers.

Red Star Line

Red Star Line is niet de naam van de rederij, maar een handelsmerk. De boten zijn het eigendom van de Société Anonyme de Navigation Belgo-Américaine, een Belgische dochter van de International Navigation Company uit Philadelphia. Het Amerikaanse bedrijf wordt opgericht in 1871 om aardolie van de pas ontdekte velden in Pennsylvanië naar Antwerpen te brengen. Dat is immers op weg om de belangrijkste  petroleumhaven van Europa te worden.

Als retourvracht, denkt men, kunnen dezelfde (!) schepen immigranten uit de Oude Wereld naar Amerika brengen. Maar dat vindt de Amerikaanse overheid toch te gortig: ze verbiedt reizigers te vervoeren met olieschepen, ook als die leeg zijn. Daarom gooit de maatschappij het definitief over een andere boeg en legt zich toe op het verschepen van landverhuizers.

Het eerste stoomschip dat zij in de vaart neemt, is de Vaderland (later komt er nog een Vaderland II). Alle boten van de lijn krijgen een naam op “-land”, kwestie van de herkenbaarheid van het merk te vergroten. De Westernland van 1883 is een staaltje van spitstechnologie: het schip is helemaal van staal. Het kan zo’n 800 “tussendekpassagiers” of landverhuizers meenemen. Maar er zijn ook 30 tot 70 plaatsen voor passagiers die eerste klas reizen.

De emigratie via de Scheldestad wordt big business. In 1885 leggen al twaalf rederijen zich erop toe. De schepen van de Red Star Line vertrekken aan de Rijnkaai, waar volgens de overlevering in vierentwintig huizen vijfentwintig kroegen zijn gevestigd. De maatschappij onderhoudt de allerbeste contacten met het stadsbestuur en krijgt allerlei voordelen, zoals een monopolie voor het vervoer van poststukken naar de VS.

Joden

De migranten komen vooral uit Midden- en Oost-Europa, uit Rusland, Polen en Galicïe (een onderdeel van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk). Enkele decennia later dan in Vlaanderen maakt ook daar de industrialisatie een einde aan het thuiswerk en veroordeelt velen tot werkloosheid. Voor veel jonge mannen is emigratie tenslotte een manier om te ontsnappen aan de dienstplicht.

In Rusland wordt de joodse bevolking geregeld het slachtoffer van pogroms, uitbarstingen van antisemitisch geweld. In 1893 reizen zo’n 5.000 Joden via Antwerpen naar Amerika; in 1914 zijn het er al 20.000. Aanvankelijk komen ze vooral uit Nederland en Duitsland, maar aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog is de helft afkomstig uit Rusland en Oostenrijk-Hongarije.

De rederijen hebben agenten in de landen waar de landverhuizers vandaan komen. Zij ronselen klanten en regelen hun reis van vertrek- tot aankomstpunt. De landverhuizers bereiken Antwerpen in treinwagons (“vierde klasse”) zonder enig comfort of slaapplaatsen.

Ze moeten hun intrek nemen in logementshuizen bij de haven. Vaak is daar niet genoeg ruimte voor de grote aantallen gasten. De hygiënische omstandigheden laten veel te wensen over. Mensen slapen in de kelder; toiletten worden niet gereinigd. Er is sprake van afpersing en willekeur. Vanaf 1880 komen er echter speciale hotels in de buurt van het station, waar tot 200 landverhuizers kunnen overnachten. De Red Star Line zal zelf huizen kopen en inrichten opdat zij er kunnen overnachten. Maar dat maakt geen eind aan de wantoestanden elders. Grosso modo genieten de Antwerpse logementen een slechte reputatie.

Eugeen Van Mieghem

Tussen 1880 en 1899 reizen jaarlijks gemiddeld een kleine 30.000 emigranten via Antwerpen naar Amerika. Tussen 1900 en 1913 verdubbelt dat aantal. Bij oppervlakkige, slecht uitgevoerde medische controles in open lucht (!), in een hangar of aan boord van het schip, maakt men uit of de kandidaat-passagiers al dan niet aan een besmettelijke ziekte lijden. Het is de Amerikaanse Quarantine Act – de Amerikanen zijn als de dood voor cholera – van 1892 die de Europse overheden doet wakker schrikken. Vanaf 1908 spoort een sanitaire dienst zieke landverhuizers al op in het Centraal Station om de uitbraak van cholera te voorkomen.

Toch vraagt de Red Star Line zelf in 1893 toelating voor de bouw van een behoorlijk verwarmd lokaal voor de “berooking van het reisgoed en de geneeskundige schouwing der tusschendekpassagiers”. Uit getuigenissen van o.a. de Joods-Amerikaanse schrijver Sholem Aleichem (1859-1916) die in 1905 aankomt in New York blijkt dat de landverhuizers de medische controles in Antwerpen beangstigend vinden.

De landverhuizers verblijven maar enkele dagen in de Scheldestad. Ze mogen zich niet mengen onder de bevolking, alweer om de verspreiding van ziektes te voorkomen. Maar ze vallen op in het stadsbeeld. Dat blijkt uit de talrijke schilderijen met migranten van de kunstenaar Eugeen Van Mieghem (1875-1930) die hen met veel empathie afbeeldt in hun armoedige en exotische kledij.

De doeken van Van Mieghem vormen een noodzakelijke aanvulling bij de fraaie, maar bijzonder optimistische affiches met hun klare lijnen en heldere kleuren die Henri Cassiers (1859-1944) vanaf 1898 voor de Red Star Line ontwerpt. Daarop kijken personages, vaak in Zeeuwse klederdracht, van op de oever van de Schelde verlangend de oceaanstomers van de maatschappij na.

“Buufstekken”

De schrijver Marnix Gijsen (1899-1984) noteert vele decennia later: “Het was een vreemd en fascinerend schouwspel in mijn jeugd de landverhuizers door Antwerpen te zien opstappen naar de haven of ze aarzelend te zien rondslenteren in de buurt van hun zogenaamde hotels. Ze gaven steeds de indruk van een grote gehaastheid, alsof de engel der wraak hen op de hielen zat.”

Bekend is ook het aangrijpende doek met Belgische landverhuizers bij het Oosters Huis (1890) van Louis Van Engelen (1857-1940). Het schilderij herinnert eraan hoeveel Belgen met de Red Star Line naar Amerika reizen.

Van 1850 tot 1930 emigreren naar de Verenigde Staten alleen zo’n 150.000 Belgen. Ook Canada is populair als bestemming – er is niet alleen ruimte in overvloed, maar in grote delen van het land wordt Frans gesproken. Zuid-Amerika oefent eveneens een zekere aantrekkingskracht uit. De regering van Argentinië ronselt in Europa actief inwijkelingen.

In 1903 gaat in Gent Het gezin Van Paemel van Cyriel Buysse (1859-1932) in première. Het toneelstuk is een rauwe aanklacht tegen de sociale wantoestanden op het Oostvlaamse platteland. Hoop is er alleen voor de twee zonen uit het gezin die uitwijken naar de Verenigde Staten.

Kamiel Van Paemel schrijft aan zijn ouders dat zij zijn vrienden moeten vertellen “dat zij maar spoedig naar Amerika moeten komen en dat zij hier buufstekken zullen eten in plaats van kernemelkpap.”

Buysse, die weliswaar uit een rijke familie stamde, wist wat hij vertelde – hij had als jongeman zelf in de Verenigde Staten gereisd en kon de levensomstandigheden daar vergelijken met die in zijn vaderland.

Quota

In haar topjaar 1912 vervoert de Red Star Line 121.000 reizigers. De Eerste Wereldoorlog maakt echter een abrupt einde aan haar activiteiten. De schepen van de Red Star Line komen op tijd weg. Zolang de Duitse bezetting duurt, varen ze vanuit Engeland, maar niet met landverhuizers. De gloednieuwe Belgenland II doet dienst als troepentransportschip. Pas in 1921 bouwt men het schip op een werf in het Ierse Belfast om tot een luxecruiser.

Even ziet het ernaar uit dat alles na 11 november 1918 opnieuw in de vertrouwde plooi zal vallen. De schepen van de Red Star Line hervatten hun dienst van Antwerpen naar New York in 1919. De toestand in Centraal-Europa en in het revolutionaire Rusland is bepaald niet stabiel. Velen overwegen hun geluk te zoeken in Amerika.

In de Verenigde Staten vindt men echter dat het welletjes is met de ongelimiteerde inwijking uit Europa. Vanaf het begin van de jaren 1920 komen er strenge quota. Scheepskapiteins racen over de Atlantische Oceaan om toch maar in Amerika aan te komen voor die bereikt zijn. Soms moeten ze halverwege terugkeren omdat de scheepstelegrafist onderweg het nieuws krijgt dat er dat jaar geen migranten meer worden toegelaten…

Bovendien stellen de Amerikanen steeds strengere eisen aan de medische controle die de landverhuizers in hun haven van vertrek ondergaan. De Dillingham Emigration Restriction Act noopt de Red Star Line in 1921 tot de bouw van nieuwe installaties met douchecabines, steriele kleedhokjes, een ruimte voor medisch onderzoek en het geven van vaccinaties, enz.

Belgenland II

De Amerikaanse overheid krijgt haar zin. Tussen 1921 en 1924 daalt het aantal migranten met twee derden. Voor de Red Star Line is dat hoogst vervelend. Het dwingt de maatschappij een nieuw publiek aan te trekken: toeristen.

In 1923 loopt de Belgenland II voor het eerst de Antwerpse haven binnen. Het indrukwekkende vaartuig van bijna 30.000 ton met drie schoorstenen (waarvan één just for show) kan voortaan meer dan 2.500 passagiers aan boord nemen, onder wie toch nog een heleboel landverhuizers. Er zijn heeft 530 bemanningsleden aan boord. De Belgenland II  is het negende grootste schip ter wereld. Maar de mastodont rendeert niet op de lijn Antwerpen-New York en wordt weldra ingezet voor cruises vanuit New York naar het Caraibische gebied.

Maar het mag niet baten – de beurscrash van 1929 ontwricht de wereldeconomie; de gevolgen ervan laten zich ook in Europa duidelijk voelen. In 1935 komt er een eind aan de activiteit van de Red Star Line. Antwerpen ziet geen landverhuizers meer opdagen.

In 1929 heeft de Antwerpse avant garde schrijver Victor J. Brunclair (1899-1944) een merkwaardig getuigenis gepubliceerd over het vertrek van een schip van de Red Star Line:

“Aan de ‘spare ground’ van de Red Star Line struikelt men over merkwaardige stillevens, waar ongeurige conserveblikjes en verwrongen ijzer het voornaamste plastiese element van uitmaken. De schepen, die men hoogverlicht en geruisloos aan de straatmuil noordwaarts ziet voorbijglijden, varen in een andere wereld.”

“De buikspraak van de zeekolos”

“[…] Zo belanden wij dan, het is scheepsvertrek, en de flanken van de transatlantieker sidderen van ongeduld naar de kozing van het ruime sop, op de Rijnkaai, die a giorno tintelt in de malve avond. Havenlichtjes knipogen. De janmaten maken goede sier. En versufte landratten proeven een rondeken mee. Dat is namelik een recept, om zonder ongemak de zilte plas over te steken. Een deugdelike dozis zatheid traint je voldoende om het rollen van ’t schip triomfantelik te doorstaan. Bombaymannetjes trippelen voorbij en Orientvizioenen doortinten hun gitogen.”

“Gelegenheidsliefjes staan te wenen om het afscheid, en de bootsgezellen beloven plechtig te zullen schrijven. De waardinnen achter de schenkbank zijn duchtig in de weer en houden hun boekhouding met dubbel krijt. Dan begint de buikspraak van de zeekolos. En de orchestrions moeten het afleggen tegen zijn basgeluid. De laatste koopwaar en de laatste manschappen worden aan boord gehesen. Katrollen krijsen voor het laatst. Aan wal begint het gekrijs over heel de lijn. Als de gangway wordt gelicht vlinderen zakdoekjes.  Een geïmproviseerd quatuor op het dek heft een vaarwelzang aan zwaar van weemoed en nostalgie. Op het donkere tussendek groezelen Polakken. Korte kommando’s knallen, en adieu, daar gaat ie. De wimpel in top spant zich strak. De schroef waaiert waterparelen. Het schip vaart als een gratievolle reus sierlikschoon de nacht tegemoet.”

Het medisch en administratief controlecentrum voor de landverhuizers komt in handen van de stad Antwerpen. Het complex ondergaat in de loop der tijden allerlei aanpassingen en komt tenslotte voor lange tijd leeg te staan.

Vergetelheid

Antwerpen vergeet zijn geschiedenis als landverhuizershaven. Oude mensen herinnerden zich de legendarische Belgenland II. In families waarvan leden uitweken naar de VS wordt nog weleens over de Red Star Line gepraat. Het Nationaal Scheepvaartmuseum in het Steen toont een model in dwarsdoorsnede van dezelfde Belgenland II en enkele parafernalia. Maar daar blijft het bij.

Pas vanaf de jaren 1990 begint er iets te veranderen. De gedreven collectioneur Robert Vervoort legt een indrukwekkende verzameling aan met objecten die aan de Red Star Line herinneren. Erwin Joos ontfermt zich over het oeuvre van Eugeen Van Mieghem. De bekendheid die hij aan de schilder geeft, draagt bij tot een groeiende belangstelling voor de emigratie via de Scheldestad. Antwerpse politici duwen weldra mee aan de kar.

 In 2001 erkent de Vlaamse Gemeenschap een deel van het Red Star Line complex aan de Rijnkaai als monument. Men legt men vanuit Antwerpen contact met de Ellis Island Foundation en het Ellis Island Immigration Museum in New York. Enkele jaren later, na een verkennend onderzoek in België en de Verenigde Staten, richt de stad een werkgroep op die de omvorming van de gebouwen tot een herdenkingsplek met een “museaal-educatieve functie” onderzoekt.

 Museum

De stad besluit de Red Star Line-gebouwen over te nemen van het Havenbedrijf. Het Newyorkse architectuurbureau Beyer Blinder Belle Architects & Planners LLP, krijgt de opdracht om de gebouwen in te richten. In 2007 gaat een team aan de slag dat de invulling van het museum moet bepalen. Drie jaar later beginnen de werken aan het gebouw. Momenteel wordt de opvallende toren gemonteerd. Het museum opent zijn deuren in oktober 2013.

Verder lezen:

NAUWELAERTS, MANDY [RED.]. Red Star Line. People on the move. Antwerpen, 2008.

BEELAERT, BRAM. “‘Have you seen the doctor yet?’. Het Red Star Line-hygiëne- en controlestation voor emigranten als plek van herinneringen.” In Brood en Rozen, 2010, pp. 5-23.

*****

Het Red Star Line Museum

“Het Red Star Line Museum wil meer bieden dan nostalgie,” zegt  Bram Beelaert. Hij is consulent wetenschappelijk werk bij het museum in oprichting en publiceerde een boeiend artikel over de Red Star Line en de emigratie via Antwerpen in het tijdschrift Brood en Rozen.

“We proberen de emigratie naar Amerika te plaatsen in de brede context van de menselijke mobiliteit, met een link naar de actualiteit.”

“We maken een en ander duidelijk aan de hand van een tijdlijn met twintig belangrijke momenten uit de geschiedenis van de menselijke migraties. Een multimedia-opstelling laat doormiddel van beelden zien dat er verschillende soorten migratie zijn. Zo zoeken we een antwoord op vragen als ‘wat is een migrant?’ en ‘wat betekent migreren.”

statie

Het Centraal Station, waarlangs ontelbare migranten arriveerden in Antwerpen. Prentbriefkaart (a).

“De bezoeker krijgt informatie over het verloop van de reis van een landverhuizer: zijn bezoek aan een reisbureau van de Red Star Line, de plaats waar hij vertrekt, zijn reis per trein naar Antwerpen, de procedure die hij moet ondergaan, de inscheping en het leven aan boord, de aankomst in Ellis Island en wat er daarna met hem gebeurt.

“We onderzoeken waar landverhuizers terechtkwamen en of daar al dan niet gemeenschappen bestonden van mensen met dezelfde streek van herkomst.

“We besteden aandacht aan het verhaal van mensen die in hun nieuwe vaderland succes kenden, zoals de componist Irvine Berlin. Van hem laten we een piano laten zien die we van zijn familie gekregen. Maar ook de lotgevallen van degenen die geen plaats vonden en naar Europa moesten terugkeren, komen aan bod. Tot de landverhuizers die Amerika niet in mochten, bijv. omdat ze ziek waren, behoorden natuurlijk ook Joden. Sommigen van hen werden nadien het slachtoffer van de Holocaust.”

“Binnen de opstelling vertellen vijf minitentoonstellingen de meest aangrijpende verhalen van migranten.”

Het Red Star Line Museum brengt ook de migratie naar en vanuit Antwerpen anno nu ter sprake.

Beelaert: “Dan doen we aan de hand van een kaart van het huidige Antwerpen – in zekere zin een hedendaagse Hypsoskaart.” De beroemde Hypsoskaart uit 1913 is een reusachtige en gedetailleerd panorama van Antwerpen in die tijd. Ze is te zien in het MAS).

Hebben de samenstellers van de tentoonstelling de archieven van de Red Star Line kunnen inkijken?

Beelaert: “Het archief van de Red Star Line zelf is verloren gegaan. Dat is natuurlijk jammer. Maar er zijn tal van andere archieven die materiaal en informatie over de rederij en haar passagiers bevatten: het Rijksarchief en het Provinciaal Archief hier in Antwerpen, maar ook aan het archief van de Belgische emigratiedienst en dat van het ministerie van Buitenlandse Zaken. In die laatste zitten verslagen van de Belgische commissaris voor emigratie, statistische jaarrapporten, klachtendossiers en noem maar op.”

“De verslagen van de Galicische politie worden bewaard in Krakau in Polen; ook in Moskou is informatie te vinden over landverhuizers. Uiteraard bevatten oude kranten verhalen over de emigratie. De interessantste hebben we ze opgepikt en uitgewerkt. Daarnaast hebben we dank zij een Amerikaanse genealoge afstammelingen van landverhuizers gecontacteerd die ons familieoverlevingen meedeelden. E inforamùtie over historische personages zijn we O.a. op Ellis Island op het spoor gekomen.”

En de stukken in het museum? Waar komen die vandaan?

Beelaert: “Een groot deel van de objecten die we tentoonstellen, zijn eigendom van de VZW Vrienden van de Red Star Line. Het gaat om de collectie die in de loop der jaren is bijeengebracht door Robert Vervoort, een gewezen havenarbeider. Hij begon in de jaren 1990 met zijn collectie. De VZW stelt ze ons in bruikleen ter beschikking. Het gaat om allerlei memorabilia, van asbakken over affiches en koffiekopjes tot foto’s.”

“Uiteraard tonen we ook facsimile’s van archiefmateriaal en foto’s uit familieverzamelingen. Daarnaast zijn er reiskoffers en allerlei documenten waarover een landverhuizers moest beschikken. Van een Canadese familie kregen we een wafelijzer en pannen die hun voorouders voor alle veiligheid meenamen uit Europa. Je wist maar nooit of ze die dingen in Amerika wel hadden.”

Het Red Star Line Museum gaat open op 27 september 2013.

[Column] Chronologie is de moeder van de geschiedenis.

Februari2012

(Foto Hannie Rouweler, februari 2012).

De kroning van Karel de Grote? 800. De Slag der Gulden Sporen? 1302.

1648? De Vrede van Munster. 1903? De eerste vlucht van de Kitty Hawk, het vliegtuigje van de gebroeders Wright.

Cijfers en de onbuigzame logica van mijn computer drijven mij soms tot wanhoop. Ik heb woorden nodig, de relatieve plooibaarheid van grammatica en zinsbouw. Dat ik met data niet zo’n probleem heb komt doordat data getallen met een verhaal.

Veel mensen vinden data moeilijker om te onthouden dan wiskundige formules, zeggen ze. Blijkbaar menen pedagogen en de lieden die eindtermen voor het onderwijs verzinnen sinds de jaren 1970 dat het daarom zelfs niet meer nodig is voor leerlingen en studenten om het te proberen.

Twintig jaar geleden gaf ik mijn achternichtje bijles in het vak geschiedenis. Ze moest de Franse revolutie en de Belgische staatshervorming kunnen uitleggen. Of die voor of na de Romeinen kwamen, had geen belang.

Twee weken geleden ontmoette ik een “kunstwetenschapster” – het vak kunstgeschiedenis heet in Belgïe sedert enige tijd “kunstwetenschap” – die mij raad vroeg over een tentoonstelling die ze organiseert. “Nee,” zei ze, gedecideerd, “we geven geen saai chronologisch overzicht”.

“Saai” en “chronologisch”. Alsof het synoniemen waren. Gelukkig hoorde ik een paar dagen later op radio Klara: “De chronologie is de moeder van de geschiedenis.” Ik ben vergeten wie de ware woorden sprak; ze stemden mij gelukkig, dat weet ik nog wel.

“De chronologie is de moeder van de geschiedenis.”

De moeder. De vader. De ruggengraat. De hoeksteen. De basis.

Aan geschiedenis doen, is proberen het verleden te begrijpen. Oorzaken van gevolgen scheiden. Daarvoor moet je weten wat eerst komt en wat later. Dat is geen kwestie van kip of ei.

Volgens de quantumfysica, lees ik in Eos, kunnen dingen zich tegelijk op verschillende plaatsen bevinden en loopt de tijd soms omgekeerd. Ik dat niet, maar ik wil het best geloven. Alleen verandert het niets aan de manier waarop wij, hier in het ondermaanse, het verloop van de tijd ervaren.

Microkosmos, macrokosmos. Onze hersens en de trage dans van de hemellichamen.

Wij herinneren ons dat we kinderen waren. Ook wie geen ouder is, voelt we de drang om kinderen te beschermen. In de loop der jaren krijgen we onwrikbare overtuigingen en even onwrikbare wervels. Rugpijn, stramheid en minder seks worden ons deel. Wie ouder is dan wijzelf, zien we opeens het laatste stuk aanvatten van de weg naar de dood.

Ook de stand van zon, maan en sterren en de wenteling van de seizoenen zadelden ons millennia geleden op met tijdsbesef. Onontbeerlijk voor wie wilde weten wanneer de jacht begon, er moest gezaaid worden of de oogsttijd aanbrak.

Tijd en zijn indeling maken onverbrekelijk deel uit van ons bewustzijn. Dat was al zo toen wij onze mythen nog letterlijk namen en toen in de eerste annalen de namen van koningen en dynastieën, rampen, oorlogen en de bedrieglijke woorden van profeten werden opgetekend.

Eeuwige wederkeer der dingen? Heilsgeschiedenis met aan het eind de klassenloze maatschappij of een ander Laatste Oordeel? Of business as usual tot binnen vijf miljard jaar de zon implodeert?

Wat ervan zij – ik maak even abstractie van wijsbegeerte en het quantumgebeuren – fenomenen vloeien voort uit eerdere fenomenen. Om daarmee aan de slag te gaan, moet je ze in de juiste volgorde kunnen zetten. Chronologische volgorde. Daar zijn dan weer data voor nodig.

Chronologie is best spannend. Waarom anders vertellen de makers van televisiethrillers ons dat het 12 uur is op woensdag 21 maart en dat sinds de ontdekking van het lijk twaalf dagen zijn verlopen?

Historisch begrip is in de eerste plaats een kwestie van chronologie. Lastig? Niemand heeft ooit gezegd dat geschiedenis eenvoudig is. Wiskunde en autorijden zijn dat ook niet. Alleen heb ik nooit iemand die aan wiskunde wilde doen of ging leren rijden, horen weigeren de regel van drie of de volgorde van zijn versnellingen te onthouden.

[Polemiek] Het antwoord van Geert Van Istendael.

Geachte Heer Lampo,

Er zijn allerlei manieren om op een stellingname te reageren. Je hebt mensen die in jubelen uitbarsten. Je hebt er die gif spuiten. Je hebt er die niets van de stelling begrijpen. Maar een vierde reactie is mogelijk.

Die komt van mensen zoals u, die ernstig ingaan op argumenten, die het oneens kunnen zijn, maar die zich de moeite getroosten ook uit te leggen waarom. Reacties van de laatste soort komen helaas te weinig voor. Ik dank u dus uit de grond van mijn hart voor uw oratie, ook al zijn we het vaak niet eens.

Sta me toe op enkele van uw opmerkingen in te gaan.

1. Mijn walging: die is hoogst persoonlijk. Ik ben er me niet van bewust dat zij eigen zou zijn aan mijn generatie en het zij verre van mij ze bij de categorie universele waarheden onder te brengen. Nee hoor, niemand hoeft mijn walging te delen.

2. Ik ben het met u eens dat men een romancier niet alleen mag beoordelen op zijn stijl. Twee opmerkingen daarbij: ten eerste, wat ik van Conscience heb gelezen overtuigd me niet van zijn vermogen om een goed verhaal te vertellen, maar misschien kan iemand me de juiste boeken aanraden, het werk van Conscience is groot genoeg. Ten tweede, er zijn grenzen. Als de stijl werkelijk vreselijk is, schaadt de stijl het verhaal. Ik maak overigens in mijn betoog de opmerking dat mensen misschien dwars door de stijl van Conscience heen konden lezen.

3. Ik doe niet alsof Conscience de hele Europese literatuur in huis had. Ik zeg dat hij de Nederlandse literatuur blijkbaar niet kende. Maar, zoals u het zelf aangeeft, hij kende wel degelijk boeken uit andere taalgebieden, o.m.. Walter Scott (alla, misschien één boek, maar toch).

4. Schrijftaal is inderdaad altijd kunstmatig. Dialect schrijven is problematisch, ik heb het zelf geprobeerd (in het Brussels). Maar waarom zou Conscience in zijn tijd geen taal hebben kunnen hanteren die dichter stond bij zijn ongetwijfeld krachtige Antwerps? In West-Vlaanderen heeft iemand als Omer Karel de Laey (toegegeven, iets later, hij leefde van 1876 tot 1909) wel zoiets gedaan in zijn kleine gedichten. De taal van De Laey is naar alle waarschijnlijkheid ook geconstrueerd, maar ze blijft tot vandaag springlevend. Over Guido Gezelle wil ik het hier niet hebben omdat hij buiten alle categorieën valt. Gezelle was een poëtisch genie van Europees formaat.

5. En ja, Multatuli. Waren de voorbeelden in Nederland ten tijde van Multatuli zo geweldig? De tijd van Vondel en Bredero was al een paar honderd jaar voorbij. U zegt terecht dat de hedendaagse lezer voor Oltmans of Van Lennep (die laatste vernoem ik ook) hogere drempels over moet dan voor pakweg Stendhal of Dickens. Met Max Havelaar staat Multatuli in 1860 eenzaam te schitteren en hij schittert tot vandaag. Leg een bladzijde van Multatuli naast een bladzijde van Conscience en je weet toch genoeg. U zegt dat het Nederlands sterker geëvolueerd is dan andere talen. Schreef Multatuli dan een Nederlands dat zo modern was dat zijn tijdgenoten het niet konden begrijpen? Als je de reacties op Max Havelaar bekijkt, kun je onmogelijk zoiets concluderen. Welnu, Multatuli is óók van ons omdat wij met de Nederlanders één en dezelfde taal delen. Dat oude flamingantische standpunt blijf ik verdedigen tot de laatste snik.

6. Charles de Coster: over hem zijn we het niet eens. Ik vind hem niet pseudo-Rabelaisiaans en ik ben een groot liefhebber van Rabelais.
Ik ben het wél met u eens dat het eigenaardige Vlaanderen dat Franstalige (Vlaamse) auteurs graag opriepen evenzeer een creatie is als het Vlaanderen van de Vlaamsgezinden. La Flandre est un songe, schreef Michel de Ghelderode. Wat ik nu zal zeggen klinkt ongeloofwaardig, maar toch is het juist. Tot op heden ontmoet ik Franstaligen die nog steeds denken dat wij, Vlamingen, allemaal in een schilderij van Bruegel wonen. Incroyable mais vrai.

Ten slotte, ik ben niet vergeten dat zowat alle ideologische winkels Tijl Uilenspiegel in de aanbieding hebben. Ik heb het in dat verband over mythevorming, andere mythevorming dan bij Conscience, zoals u terecht opmerkt, maar even goed mythevorming.

7. Wat betreft de Armeniërs. Dat u mijn argument onderuit probeert te halen door de dubieuze opvattingen van één Armeniër terloops te vermelden, vind ik niet het sterkste deel van uw betoog. Mij gaat het over een hoogst opmerkelijke en niet zo erg bekende inspanning om een heel volk te leren lezen, in de vijfde eeuw van onze jaartelling al. Ik wilde aangeven dat je meer nodig hebt dan één schrijver om grote groepen mensen te leren lezen, zeker als die een schrijver, volgens uw eigen woorden, “een ietwat zweterig respect had voor autoriteit”.

Goed, dit stuk kan nog drie keer langer worden dan het al is. Ik laat het hierbij, maar ik wil u nogmaals nadrukkelijk danken voor uw opmerkingen. Zij dwingen mij dieper na te denken en de zaken scherper te analyseren. Dat is altijd heilzaam. Misschien nog dit. Het is toch opmerkelijk hoeveel woede uitbarst (niet van uw kant, laat dat duidelijk zijn) zodra iemand over een nationale heilige durft te zeggen: Volgens mij heeft de keizer héél weinig kleren aan.

Geert van Istendael / Brussel.

Literatuur – De karaktermoord op Hendrik Conscience

In de 20ste eeuw werd Hendrik Conscience (1812-1883) verguisd door progressieve, vrijzinnige critici en verdedigd door, zeg maar, katholieken en flaminganten. De schrijver en zijn werk werden in de loop der jaren beladen met ideologische connotaties die meer met de actualiteit van het moment te maken hadden dan met de historische werkelijkheid. Beide kampen maakten zich, elk op hun manier, schuldig aan een (literaire) karaktermoord.

De historicus Tom Verschaffel (1964) publiceerde hierover in 2001 onder de titel De kwade faam van Hendrik Conscience een artikel in het culturele tijdschrift Ons Erfdeel. Hij pleitte voor een meer genuanceerde benadering van Conscience. In dat verband geef ik hier een korte voorzet, met mijn bedenkingen over een aantal vaak gehoorde kritieken aan het adres van “de man die zijn volk leerde lezen” (waar anno nu inderdaad niet zoveel van te merken valt).

Conscience schreef geen Algemeen Nederlands. Dat kon ook niet want AN moest nog worden uitgevonden. De schrijver was opgevoed in het Frans en het Antwerps. Desondanks slaagde hij erin een taal “uit te vinden” waarin hij zijn verhalen op een efficiënte en voor iedereen (ook in Nederland!) verstaanbare manier wist te vertellen. Misschien is het zo dat hij op die manier juist bijdroeg tot het ontstaan en de ontwikkeling van het Algemeen Nederlands.

Stijl

De stijl van Conscience is, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, helemaal niet slecht. Hij schreef helder, duidelijk en beeldend. Zijn taal is uiteraard sterk verouderd (Jacob van Lennep klinkt ook niet modern). Maar wat hij zegt, is nog altijd begrijpelijk. Zijn proza laat zich gemakkelijk hardop voorlezen – iets wat m.i. veel zegt over de kwaliteit ervan.

Consciences beschrijvingen, maar ook zijn actietaferelen zijn voorbeeldig. Hij gebruikte efficiënt tal van literaire middelen – men moet dat alleen willen zien. Dat de schrijver zich “bezondigde” aan Franse wendingen en constructies is onvermijdelijk; het doet niets af aan de intrinsieke literaire kwaliteit van zijn stijl – het is hoogstens voer voor puristen en schoolmeesters.

 De personages van Conscience hebben een rudimentaire psychologie. Dat kan niemand ontkennen. Als zodanig boeien ze ons niet. De romans en verhalen van de schrijver worden aangedreven door hun plot, niet door de karakters van de hoofdpersonen. Dat is trouwens bij een heleboel 19de-eeuwse schrijvers zo – ik begrijp niet goed waarom men zich daar bij ons, in het geval Conscience, zo over verwondert.

Uitstekend verteller

De auteur slaagde er overigens een aantal types te verzinnen – baas Gansendonk of  uit Het Goudland – die in Vlaanderen lange tijd “spreekwoordelijk” waren. Charles Dickens deed dat op een veel grotere schaal, toegegeven, maar zijn beroemde typetjes zijn ook geen wonderen van psychologische analyse.

Conscience was een uitstekende verteller – dat vonden onderling sterk verschillende schrijvers als Louis-Paul Boon en Marnix Gijsen. Hij was een broodschrijver en produceerde novellen en romans van middelmatige kwaliteit. Maar als hij goed was, was hij erg goed. Naast zijn overvloedige romanproductie schreef hij enkele bijzonder merkwaardige boeken, zoals De geschiedenis mijner Jeugd die getuigt van een groot literair inzicht.

Eenige bladzijden uit het boek der natuur is een hoogstpersoonlijk en doorleefd opus, waarin de schrijver zijn passie (en grote kennis van) de natuur en zijn religieus gevoel combineert. Misschien niet “spannend” in de alledaagse betekenis, maar “letterkundig” beslist interessant en uniek in de Europese literatuur.

Conscience “verkocht” zichzelf aan de katholieken. Maar is het niet hypocriet hem met de vinger te wijzen, wanneer het hedendaagse Vlaanderen als vanzelf accepteert dat cultuurpausen als Jan Hoet Sr. of Eric Antonis zich openlijk associëren met een politieke partij? De “steun” vanwege de overheid die kunstenaars als Panamarenko of Jan Fabre genieten, is ook niet echt denkbaar zonder politieke bemoeienis.

Twijfel

Conscience wierp zich overigens nooit op als propagandist van de katholieke partij of van het ultramontaanse katholicisme van de 19de-eeuwse Belgische kerk. Het religieuze gevoel dat uit een aantal van zijn boeken spreekt, is “breder” dan het katholicisme; het is typisch voor de romantiek en niet kerkelijk “orthodox”. In katholieke kringen bleef trouwens lang twijfel bestaan over de morele deugdelijkheid van het werk van Conscience.

Wat ons vandaag het meest stoort, is het paternalisme van de schrijver. Vooral in later werk – Het Ijzeren Graf, bijv. – geeft hij blijk van een zweterig respect voor de maatschappelijke orde. Dat de arbeidersklasse haar lot kon verbeteren door iets anders dan vlijt en spaarzaamheid, begreep hij niet.

Maar hij was zich bewust van het probleem. Uit het feit dat hij er nogal wat aandacht aan besteedde en met paternalistische oplossingen voor de dag kwam, kan men afleiden dat hij er juist niét blind voor was – alleen kende hij, net zomin als de overgrote meerderheid van zijn tijdgenoten, de “oplossing”.

Socialisme

Op socialisme in de literatuur – men vindt dat niet bij Dickens of Balzac en zelfs niet bij Victor Hugo – was het, zelfs in Frankrijk, nog een of twee generaties wachten. De enige Vlaamse schrijver van het midden van de 19de eeuw die in één boek het kapitalisme aan de orde stelde – en dan nog heel voorzichtig – was Eugeen Zetternam.

Ik weet dat Marx en Engels hun Communistisch Manifest al in 1848 lieten verschijnen, maar het duurde zeker tot de jaren 1880 voor in België leden van de middenklasse zich aangesproken voelden door een links gedachtegoed.

Conscience werd vaak “verdedigd” door conservatieve critici en literatuurhistorici. Maar dat zegt weinig over de historische persoon die de schrijver was en ook niet zoveel over zijn werk. Naarmate het Vlaams-nationalisme op het eind van de 19de en in de 20ste eeuw een (hoofdzakelijk) katholieke en rechtse politieke stroming werd, manipuleerde zij haar helden, van wie Conscience er een was. Zo ontstond een verdraaid beeld van de schrijver, dat in het andere kamp tot weinig genuanceerde reacties leidde.

[Geschiedenis] – De Verenigde Nederlandse Staten of de korte onafhankelijkheid van de Belgische gewesten in 1789-1790

10 januari 1790. De Oostenrijke regeringstroepen hebben Brussel hals over kop verlaten. In het gebouw van de Staten van Brabant, het huidige Paleis der Natie, vindt een merkwaardige plechtigheid plaats. Vertegenwoordigers van de verschillende gewesten van de Oostenrijke Nederlanden (Vlaanderen, Brabant, Henegouwen enz.) roepen de Verenigde Nederlandse Staten (in het Frans Etats belgiques unis) uit. Daarmee stichten ze een onafhankelijke, confederale republiek. Dit moment vormt het hoogtepunt van de Brabantse Omwenteling, de opstand tegen de Oostenrijkse keizer Jozef II, die een jaar geleden is uitgebroken.

De opstand in de Zuidelijke Nederlanden maakt deel uit van de golf revolutionaire bewegingen die begint met de Amerikaanse vrijheidsstrijd en eindigt met de Franse revolutie van 1789. Het grote verschil bestaat erin dat de Brabantse Omwenteling een conservatieve opstand is. De leidende groepen in de “Belgische” gewesten gaan in het verweer omdat keizer Jozef II hun eeuwenoude voorrechten en privilegies op de helling zet omdat hij de staat in moderne zin wil hervormen.

Jozef II bestijgt de troon van Oostenrijk in 1780. Zijn rijk is geen gecentraliseerde staat maar een amalgaam van grote en kleine vorstendommen in Midden- en Oost-Europa, Italië, ex-Joegoslavië en de Nederlanden. Geografisch noch politiek vormen ze een eenheid; bovendien is men overal sterk gehecht aan hun eigen gebruiken en gewoonten.

De keizer kan in de meeste streken alleen belastingen heffen als de plaatselijke staten – vertegenwoordigers van de adel, de geestelijkheid en de steden – daarmee akkoord gaan. Zo komt het dat Wenen niet genoeg geld heeft voor een groot staand leger, terwijl Oostenrijk vanuit het noorden bedreigd wordt door het steeds machtiger Pruisen en in het zuidoosten door de Turken.

Maar het gaat Jozef niet alleen om geld. Hij wil het bestuur van het keizerrijk over gelijkschakelen en de economie nieuw leven inblazen. Hij meent ook dat een zekere emancipatie van de kleine man tot een God welgevallige gelijkheid kan leiden. Daarom geeft hij protestanten en joden dezelfde rechten als katholieken en neemt hij maatregelen tegen de zwaarste vormen uitbuiting van de boeren door de landadel in Hongarije.

Grote dingen

Zijn ideeën put de keizer uit de geschriften van de filosofen en politieke denkers van de Verlichting. Maakt dat van hem geen democraat? Niet bepaald. Jozef II vindt dat het zijn taak is hervormingen door te voeren, niet die van zijn onderdanen, en hij duldt geen tegenspraak. De keizer is een intellectueel, maar dan wel één die niet wil inzien dat het niet volstaat de wereld te begrijpen om ze ook te veranderen.

“Grote dingen,” schrijft Jozef, “moeten in één keer volbracht worden. Veranderingen zorgen […] voor meningsverschillen. De zekerste manier om op te schieten is een beslissingen nemen, het publiek er meteen over inlichten en niet naar andere meningen luisteren. Dan moet men de beslissing alleen nog maar op de juiste manier uitvoeren.”

Het Paleis der Natie, vandaag zetel van het Belgische parlement, werd in de 18de eeuw gebouwd voor de Staten van Brabant.

Het Tolerantie Edict over de gelijkberechtiging van religieuze minderheden valt niet in goede aarde in de Oostenrijkse Nederlanden. De katholieke kerk en de clerus zijn er oppermachtig en dulden geen afwijkende opinies. Maar daar blijft het niet bij – weldra schaft de keizer de contemplatieve, d.w.z. in zijn ogen “nutteloze” kloosterorden af. Paters en nonnen hebben alleen bestaansrecht wanneer ze iets nuttigs doen – zieken verzorgen of onderwijs verstrekken. De orden die hij laat blijven, decreteert de keizer, mogen niet langer gehoorzamen aan oversten in het buitenland.

In 1784 verbiedt Jozef II de doden nog langer in de kerk of op een kerkhof in de stad te begraven. Dat is ongezond. Parochiekermissen moeten overal op dezelfde dag plaatsvinden. Anders lopen zijn onderdanen van de ene kermis naar de andere en werken ze niet genoeg. Twee jaar later schaft de keizer de bestaande priesteropleidingen af. Alle aspirant priesters dienen voortaan aan het Seminarie Generaal in Leuven te studeren. Dat wordt niet gecontroleerd door de bisschoppen, maar door de staat.

Tradities

Kort daarop vervangt de keizer de oude vorstendommen van “zijn” Nederlanden door zg. Kreitsen. Dat zijn districten die grote overeenkomsten vertonen met de huidige Belgische provincies. Jozef II is de uitvinder van “Oost-” en “West-“Vlaanderen. Alle instellingen die met de vorstendommen samenhangen, worden afgeschaft. Ook het gerecht moet eraan geloven. De keizer wil rechtbanken met professionele juristen als rechter, geen dorpsheren of amateurs die hun ambt gekocht hebben. Daardoor verliest een groot aantal ambtenaren – vaak gaat het om mensen uit de kleine adel – zijn baan.

De gilden spelen sinds de middeleeuwen een belangrijke rol in het economische leven van de steden. Maar met al hun reglementen en bepalingen over werkwijze, materialen en personeel remmen de ontwikkeling af van moderne productiemethoden, oordeelt de vorst. Daarom schroeft hij hun bevoegdheden terug en legt allerlei beperkingen op. Na adel en clerus jaagt hij zo een groot deel van de middenklasse in de steden tegen zich in het harnas.

Maria-Christina bestuurde samen met haar echtgenoot Albrecht van Saksen-Teschen de Oostenrijke Nederlanden voor keizer Jozef II.

De keizer wil privilegies afschaffen, maar is blind voor het feit dat zijn onderdanen gehecht zijn aan hun eigen tradities, mentaliteit en religieuze beleving. Hij begrijpt ook niet dat de moderne ideeën waarop hij zijn politiek baseert, de meer vooruitstrevenden onder zijn vele onderdanen juist naar meer inspraak doet verlangen, niet naar minder.

Jozef II wordt in Brussel vertegenwoordigd door zijn zus, aartshertogin Maria-Christina en haar man, Albrecht van Saksen-Teschen. Zijn wonen in het kasteel van Laken. Weldra neemt het verzet tegen de hervormingen van de keizer zo’n dreigende vorm aan, dat zij geen kant meer op kunnen. In 1787 weigeren de Staten van Brabant de belastingen goed te keuren. De Brusselse advocaat Hendrik van der Noot, een verstokte conservatief, publiceert een Mémoire sur les Droits du Peuple Brabançon waarin hij zijn bezwaren tegen Jozefs politiek uit de doeken doet.

Officiële woordvoerder

Hendrik van der Noot is in 1731 geboren als zoon van Nikolaas Franciscus van der Noot, heer van Vrechem en andere plaatsen Gobbelschrooy en amman of hoofd van de politie in Brussel. De Van der Noot’s zijn een oud Brabants geslacht waarvan leden in de loop der eeuwen een rol spelen in het bestuur van de hoofdstad of in dat van het hertogdom. Precies die aristocratische achtergrond verklaart Van der Noots fanatieke gehechtheid aan het Ancien Régime en de voorrechten van de adel. Hij wil ook de macht van de kerk onverminderd bewaren.

Van der Noot is in 1757 aan de universiteit van Leuven gepromoveerd tot licentiaat in de rechten en woont in het huis dat hij van zijn vader heeft geërfd aan de Brusselse Nieuwstraat in Brussel, tussen de St.-Michielstraat en de Koolstraat.

Van der Noot groeit uit tot de officiële woordvoerder van de Staten. In 1788 wordt de grond hem te heet onder de voeten en neemt hij de wijk naar Breda, vanwaar hij zijn activiteiten voortzet. Maar behalve de “Brabantsche Washington” (!) en zijn conservatieve vrienden, zijn er ook vooruitstrevende opposanten tegen de politiek van de keizer. Zij ergeren zich minder aan de inhoud van diens hervormingen, dan aan de manier waarop hij ze doorvoert.

Hùn leider is een andere advocaat, Jan-Frans Vonck, in 1743 als (rijke) boerenzoon geboren in Baardegem en sinds 1769 licentiaat in de rechten. In Brussel bouwt Vonck een succesvolle praktijk uit. Hij is goed op de hoogte van de Franse Verlichting en citeert met gemak klassieke auteurs. Eind 1788 gaat hij actief op zoek naar medestanders om de Oostenrijkers te bestrijden. Samen met zijn confrater en vriend Jan-Baptits Verlooij sticht hij het geheime genootschap Pro Aris et Focis (Voor Altaar en Haard) dat anti-Oostenrijkse acties plant.

Vonck wil minder privileges, meer democratie en een scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Hoewel zijn denkbeelden eigenlijk heel gematigd zijn, beschouwt Van der Noot hem als een gevaar. Maar voorlopig zijn de twee verplicht om samen te werken.

Oproer

Hier en daar breken vanaf 1787 relletjes uit. De keizer roept de landvoogden naar Wenen terug voor overleg. Jozef II is niet opgezet met het verzet van zijn Zuid-Nederlandse onderdanen. In juni 1789 schaft hij de Staten van Brabant af en vernietigt de privilegies die zijn voorgangers aan de inwoners van het hertogdom hebben verleend. Daartoe behoort de Blijde Inkomst, een soort contract tussen de vorst en de edelen en steden.

De Brabanders beschouwen de Blijde Inkomst als hun grondwet. In Tienen en Leuven breekt oproer uit. Zelfs in het Vlaamse Kortrijk zijn er rellen. Steeds meer “patriotten” – zo noemen de opposanten zichzelf – steken de grens met de Noordelijke Nederlanden. Ze willen er een leger vormen om de Oostenrijkers te verjagen.

In de pastorij van het Brabantse dorpje Bekkerzeel onderhandelt Vonck met kolonel Van der Mersch. De kolonel, afkomstig uit het West-Vlaamse Menen, is een oud-gediende van het Oostenrijkse leger. Hij blijkt bereid het opstandelingenlegertje aan te voeren.

Wanneer de Oostenrijkers Pro Aris et Focis dreigen op te rollen, vlucht ook Vonck naar Breda. Hij voegt zich bij zijn eigen aanhangers en die van concurrent Van der Noot. Als agent plénipotentiaire du peuple Brabançon zoekt die laatste steun in Engeland, de Verenigde Provinciën en Pruisen. Vooral Pruisen, de aartsvijand van Oostenrijk, ziet daar wel wat in.

De patriotten beseffen dat ze het ijzer moeten smeden terwijl het heet is. Van der Noot wil met een aanval wachten tot de lente van 1790; ook Vonck stelt de actie liever nog wat uit zodat de plaatselijke comités van Pro Aris et Focis zich wat beter kunnen voorbereiden. Maar Vander Mersch geeft het startsein. In de nacht van 23 op 24 oktober 1789 vertrekt zijn legertje naar het zuiden.

Slag van Turnhout

De patriotten namen het fort van Zandvliet in, waar ze een manifest voorlezen dat Jozef II van zijn soevereiniteit vervallen verklaart. Daarna trekt Vander Mersch met zijn troepen naar Turnhout. Hij wil een open veldslag met de sterkere Oostenrijkse troepen vermijden. De bevolking laat de opstandelingen binnen. Op 27 oktober volgt een confrontatie in de stad die in het voordeel van Vander Mersch uitvalt.

Tot veel meer zijn de onervaren, slecht bewapende patriotten generaal niet in staat. Bovendien raakt hun munitie op. In november trekken Vander Mersch zijn manschappen zich terug in de Verenigde Provinciën. Intussen opereren in de Zuidelijke Nederlanden andere patriottische legerbendes. Een kleine troepenmacht o.l.v. de zoon van de prins de Ligne bevrijdt in de nacht van 16 op 17 november Gent. De dag daarop vluchten Albert en Marie-Christine op bevel van de keizer uit Brussel naar Keulen.

Het kasteel van Laken, waar Albrecht en Marie-Christine van Saksen-Teschen resideren.

Eind november rukt Vander Mersch opnieuw Brabant binnen. Hij verovert Diest en Tienen, al is dat vooral te danken aan de gebrekkige motivatie van de Oostenrijkers. Omdat hij beseft dat hij nooit een geregelde veldslag kan winnen, stelt de generaal een staakt-het-vuren van tien dagen voor. Nog voor dat is afgelopen, komt de Brusselse bevolking in opstand. De Oostenrijkse soldaten in de hoofdstad deserteren massaal en de regering vlucht naar Luxemburg. Ook Namen wordt ontruimd.

Van der Noot houdt op 18 december 1789 een triomfantelijke intocht in Brussel. Hij geniet de volle steun van de clerus en is ook erg populair bij het volk. Vonck arriveert pas de dag voor Kerstmis. Men heeft hem eerst naar Gent gestuurd om een betere samenwerking tussen Vlaanderen en Brabant te bepleiten. Zijn afwezigheid maakt het Van der Noot gemakkelijk zichzelf als “echte” leider van de revolutie op te werpen.

Dat gaat des te vlotter omdat Vonck en zijn aanhangers lang in het diepste geheim hebben gewerkt en dus minder bekendheid genieten. Van der Noot laat niet na om het volk tegen hen op te ruien. Vonck krijgt echter wel steun van invloedrijke edellieden zoals de hertog van Ursel.

Confederale staat

Op 10 januari roepen de patriotten de republiek uit. De Verenigde Nederlandse Staten vormen een confederale staat waarin elke provincie bijna volledig zelfstandig blijft. Alleen voor militaire, diplomatieke en monetaire zaken zullen ze een gezamenlijk beleid voeren. Om die “nationale” bevoegdheden uit te oefenen, roept men een congres in het leven. De Staten-Generaal krijgen de wetgevende, het congres de uitvoerende macht. Maar omdat in beide organen dezelfde afgevaardigden zetelen, is van een echte scheiding der machten geen sprake. Van der Noot wordt minister; zijn aartsconservatieve kompaan, kannunik Van Eupen, krijgt een benoeming tot staatssecretaris.

Vonck zet zijn ideeën over de staatsinrichting uiteen in de brochure Considérations impartiales sur l’état actuel du Brabant, later vertaald als Onzeydige Aenmerkingen over den tegenwoordige gesteltenis van Brabant. Schrijver verwerpt een Assemblée Nationale zoals die in Frankrijk tijdens de revolutie is ingevoerd. Hij wil hervormingen binnen de bestaande structuren. Hij wil vooral een “democratischer” samenstelling van de Staten.

De Verenigde Nederlandse Staten (Wikipedia Commons).

Hoe voorzichtig ook, Voncks ideeën gaan te ver voor Van der Noot en de kerk. Kardinaal De Franckenberg, aartsbisschop van Mechelen, kiest stelling tegen de vonckisten. Hij vraagt de gelovigen niet te luisteren “naar woelzieke en arglistige lieden die […] slechts tweedracht zoeken te zaaien en wantrouwen willen inboezemen jegens de vaders des vaderlands” [Van der Noot].

In Brussel breken onlusten uit tussen aanhangers van beide strekkingen. De conservatieven in de Staten versterken zienderogen hun macht, zeker in de hoofdstad.“Men geniet een volledige vrijheid, als men niet schrijft, niet praat en zelfs niet denkt”, schrijft Dotrenge, de Luikse zaakgelastigde en aanhanger van Vonck, al op 15 januari 1790.

Maîtresse

Intussen paradeert Van der Noot met zijn maîtresse in de adellijke salons om het Warandepark.

 “Groot, met een zeer blanke huid en een prachtig gevormd lichaam, indringende zwarte ogen, lange zwarte krullen en schitterende tanden,” kortom, “une beauté troublante”. Zo beschrijft een pamflettist Jeanne Pinaut alias Mademoiselle de Bellem. Ze vormt trouwens het voorwerp van een hele reeks min of meer boosaardige geschriften van vonckisten en keizersgezinden. Die schilderen Jeanne af als de grijze eminentie van Van der Noot.

Een groot deel van haar leven blijft nog altijd duister. Jeanne is in ieder geval de dochter van een sloffenmaker en een naaister. Als jonge vrouw komt ze aan de kost in een bordeel van de Brusselse Bloemenstraat. Daar “ontdekt” burggraaf Alexandre Bertout de Carillo haar. Hij neemt Jeanne mee naar zijn buitengoed in Laken en laat haar een rudimentaire opvoeding geven. Aan zijn kinderen maakt hij wijs dat ze een wees van goeden huize is en Mademoiselle de Bellem heet.

Jan-Frans Vonck.

 Wanneer Jeanne zwanger raakt, installeert de edelman haar in een huis aan de Koolstraat. Ze bevalt er van een kind over wie verder niets bekend is. Rond 1758 ontmoet Jeanne de jonge Hendrik Van der Noot. De twee maken geen geheim van hun verhouding die tientallen jaren zal duren. Na Van der Noots triomfantelijke terugkeer in Brussel wordt Jeanne de first lady van de Verenigde Nederlandse Staten.

Naarmate de tegenstelling tussen “aristo-teokraten” en vonckisten zich scherper aftekent, neemt et aantal pamfletten en spotprenten tegen haar en haar minnaar toe. Men beschuldigt Jeanne ervan dat ze officiersbrevetten en ambten verkoopt en bij alle benoemingen een vinger in de pap heeft. Ze is ook de aanstichtster van de plundering van de huizen van vonckisten in 1790, beweren die.

Hendrik van der Noot, de “Brabantsche Washington”.

 De situatie van Jan-Frans Vonck en zijn medestanders wordt zo precair dat de advocaat in het voorjaar van 1790 onderduikt en Brussel verlaat. Velen van zijn vrienden worden opgepakt. Op 13 april arresteert men zelfs Vander Mersch. Hij wordt opgesloten in de citadel van Antwerpen. In juni volgt een arrestatiebevel voor Vonck zelf. Maar in Gent geeft het volk blijk van democratische sympathieën en in Zuid-Vlaanderen komen de boeren in opstand tegen de Staten.

Lynchpartij

Vonck vlucht samen met Jan Baptist Verlooy en de handelaren Weemaels en Daubremez naar Frankrijk. Via Dinant bereiken ze Givet. Daar krijgen ze op 17 april 1790 een paspoort. Vonck heet volgens dat document Van Nuffel, naar zijn moeder; Verlooy wordt Lebrun. De twee mannen belanden in Rijsel waar ze het geheime genootschap Pro Patria oprichten. Pro Patria verspreidt pamfletten in Brussel die de Statisten, vooral dan Van der Noot en van Eupen, op de korrel nemen.

Op 6 oktober 1790 levert de Brusselse vonckist Van Krieken spottend commentaar op de vele “monnikskappen” tijdens een optocht ter ere van “Heintje” Van der Noot. Van Krieken wordt in elkaar geslagen en aangehouden. Op de Grote Markt moet hij biechten. Daarna probeert de menigte hem aan een straatlantaarn op te knopen. Wanneer het touw breekt, probeert men hem met een sabel dood te steken maar ook dat mislukt – Van Krieken schiet er alleen zijn halve kin bij in. Uiteindelijk haalt een van de omstanders een zaag waarmee hij ’s mans hoofd afzaagt…

Intussen is Jozef II gestorven en opgevolgd door zijn jongere broer, Leopold II. Die blijkt bereid tot onderhandelen. Maar in Brussel heeft men daar voorlopig geen oren naar.

Leopold II, de opvolger van “keizer-koster” Jozef II.

De Oostenrijkers vragen de progressieven onder welke voorwaarden die een eventueel herstel van het keizerlijk gezag zouden aanvaarden. Vonckisten publiceren daarover twee rapporten. Daarin kennen ze de wetgevende macht aan de vorst en de Staten-Generaal toe, maar onder invloed van de Franse revolutie eisen ze getrapte verkiezingen en een stemming per afgevaardigde in de Staten, niet per stand. De Oostenrijkers wijzen dit af.

Op 27 juli 1790 sluiten Engeland, Pruisen en de Verenigde Provinciën de overeenkomst van Reichenbach. Die bepaalt dat de Zuidelijke Nederlanden opnieuw onder Oostenrijks gezag komen en dat de oude privileges en grondwetten worden hersteld worden.

Amnestie

In november 1790 vallen Oostenrijkse soldaten de Verenigde Nederlandse Staten binnen. De ene stad na de andere geeft zich over. Brussel capituleert op 3 december, Antwerpen en Gent op 6 en 7 december. Van der Noot, zijn maîtresse en Van Eupen zijn dan al lang naar Holland gevlucht. Na de overwinning herroept Leopold II de omstreden beslissingen van zijn broer en worden de oude eeuwenoude privileges opnieuw van kracht.

Voor vele democraten betekent de terugkeer van de Oostenrijkers het einde van hun ballingschap. Leopold II belooft al wie zich aan zijn gezag onderwerpt amnestie. Vonck blijft echter Rijsel. Zijn gezondheid laat te wensen over. Hij wil bovendien weten of de keizer democratische hervormingen toelaat. Maar inplaats daarvan proberen de Oostenrijkers vonckisten tegen traditionalisten uit te spelen.

De slag bij Jemappes.

 De ontevredenheid groeit. Velen kijken richting Frankrijk. In Parijs richt de progressieve bankier Walckiers het democratisch Comité des Belges et Liègeois Unis op dat in de Nederlanden een republiek naar Frans voorbeeld wil oprichten. Vonck weigert toe te treden omdat de groep volgens hem té radicaal en té antiklerikaal is.

In april 1792 verklaart Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk. Een eerste expeditie in de Nederlanden mislukt maar op 6 november verslaat het Franse leger de Oostenrijkers bij Jemappes. Na de Franse overwinning denkt Vonck eraan naar Brabant terug te keren om het land te helpen hervormen. Zijn ziekte verhindert dat echter. Hij sterft op 1 december 1792 in de armen van zijn broer. Twee dagen later wordt hij op het kerkhof van Rijsel begraven.

Volgens de laatste wil van de overledene wordt zijn stoffelijk overschot kort daarop opgegraven en overgebracht naar Baardegem. Van der Noot leeft enkele jaren als balling in Engeland en sterft aan de vooravond van de tweede, “echte” Belgische revolutie – die van 1830 – in zijn buitengoed te Strombeek-Bever.

 

Bibliografie

TASSIER, Suzanne, Les Démocrates belges de 1789 Brussel, Hayez, 1989 (2de).

DE CLERCK, Jan C.A. Jean-François Vonck, Juriste et chef démocrate de la Révolution belgique, Brussel, Hayez, Nouvelles Annales de Prince de Ligne (hors série), 1992.

PIRENNE, Henri, Les États Belgiques Unis (hoofdstukken over de Brabantse Omwenteling uit deel 5 van de Histoire de Belgique van Pirenne uit in 1920), Louvain-la-Neuve, Éditions Duculot, 1992.

POLASKY, Janet L., Revolution in Brusels 1787-1793, Brussel, Académie Royale de Belgique, Mémoire de la Classe des Lettres, 2de reeks in 8º, deel LXVI, aflevering 4, 1985.

VANHEMELRYCK, Fernand [RED.] Revolutie in Brabant, 1787-1793,
Brussel, Ufsal, Centrum voor Brabantse Geschiedenis, 1990.

Oostenrijks België. 1713-1794. Brussel, Gemeentekrediet van België, 1987.

Verschenen in Memo nr. 1. Dit artikel is deels gebaseerd op een artikelenreeks die ik in 1992 samen met mijn collega Els Groessens publiceerde in het dagblad De Standaard.