Literatuur – “Hete kussen en opwindende handtastelijkheden” – Het Antwerpen van Georges Eekhoud.
Auteur: janlampo
[Geschiedenis] De vrouwe van Gaasbeek of de Engel der Vrijzinnigheid
Vandaag is het kasteel van Gaasbeek (Lennik) in het Pajottenland bij Brussel een museum vol kunstschatten en met een prachtig park. Het is ook een monument voor zijn laatste eigenares, Marie Peyrat, markiezin Arconati-Visconti. Een vrouw die het geloof verfoeide, kunst verzamelde en fortuinen doneerde aan wetenschappelijke instellingen. “De engel van de vrijzinnigheid” noemde men deze weldoenster van de Sorbonne die, indien nodig, in de clinch ging met de Belgische overheid.
In 1796 komt het kasteel van Gaasbeek in handen van markies Paul Arconati-Visconti, zoon van een kamerheer van de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia. De Arconati-Visconti’s zijn Italianen. Ze bezitten echter uitgestrekte domeinen in de Zuidelijke Nederlanden.
Paul, de nieuwe heer van Gaasbeek, is een flamboyante persoonlijkheid. Hij is niet afkerig van de Franse revolutie en wordt een fervent bewonderaar van Napoleon, voor wie hij in zijn kasteelpark een triomfboog laat bouwen. De markies onderneemt verre reizen die hem tot aan de Noordkaap brengen. Na een bezoek aan Turkije kleedt hij zich als een Ottomaanse edelman, kompleet met tulband en kromzwaard.
In de Hollandse tijd (1815-1830) bespant hij zijn koets met vijf paarden en een muilezel. Zo protesteert hij tegen een besluit van Willem I dat van een koets met zes paarden een exclusief koninklijk voorrecht maakt. Arconati kan het zich veroorloven. Maar zijn excentrieke gedrag doet heel wat wenkbrauwen fronsen.
Gaasbeek staat er verwaarloosd bij. Een Engelse bezoeker schrijft: ‘Men kan zich onmogelijk iets zo verlaten en troosteloos voorstellen.’ Hij gewaagt van een ‘allertreurigste staat van verval’ en ‘blote muren’.
Longfellow
Na de dood van Paul Arconati komt het kasteel in handen van zijn neef Giuseppe, die in Italië ter dood is veroordeeld wegens zijn rol in de opstandige beweging tegen de Oostenrijkers. Tal van binnen-en buitenlandse schrijvers en politici zijn de komende jaren in Gaasbeek te gast – onder hen zelfs de Amerikaanse dichter Longfellow. Na de dood van zijn oudste zoon keert Giuseppe terug naar Piëmonte en wanneer de Italiaanse onafhankelijkheid een feit is, wordt hij senator.
Giuseppes tweede zoon, Giammartino (1839-1875), heeft meegevochten in de strijd tegen de Oostenrijkers. Hij schrijft met verve over zijn militaire ervaringen en zijn reizen naar het Midden-Oosten. Hij interesseert zich voor archeologie en voor het links liberale gedachtegoed. Hij komt geregeld in Parijs, waar hij omgaat met sociaal bewogen republikeinen. Daartoe behoren de jonge en knappe Marie Peyrat (1840-1923) en haar vader, de oud-journalist en politicus Alphonse Peyrat (1812-1890) uit Toulouse.
Alphonse Peyrat studeert aan het seminarie in zijn geboortestad Toulouse, maar kiest niet voor een loopbaan als priester. Hij volgt cursussen aan de rechtsfaculteit. Maar advocaat worden, blijkt evenmin zijn roeping. Peyrat vertrekt naar Parijs. Hij stort er zich in de journalistiek.
Antiklerikaal
Drie jaar eerder heeft de revolutie van 1830 plaatsgevonden; sindsdien regeert koning Louis-Philippe. Die is in veler ogen een ‘liberale’ vorst. Maar dat Peyrat – hij heeft zich intussen ontpopt tot een fervent antiklerikaal – niet opgetogen is over ’s konings burgerlijke bewind, blijkt uit het allereerste artikel dat hij publiceert in de krant La Tribune.
Wanneer het nummer in beslag wordt genomen, krijgt Peyrat meteen een baantje als redacteur aangeboden. Enkele jaren later gaat hij aan de slag bij La Presse van de legendarische uitgever Emile de Girardin. Peyrat reist naar Italië om te kunnen berichten over de strijd voor onafhankelijkheid.
Na de revolutie van 1848 en de staatsgreep van Napoleon III verandert Frankrijk in een rechtse dictatuur. Maar Peyrat laat zich niet afschrikken. In 1865 sticht hij L’Avenir national waarin hij het regime voortdurend en met veel moed bekampt. Nadat Napoleon III moet aftreden als gevolg van de noodlottige Frans-Duitse oorlog van 1870, stelt Peyrat zich kandidaat voor de Assemblée nationale.
Hij wordt verkozen en sluit zich aan bij uiterst links. Maar omdat hij geen goed redenaar is, is zijn bijdrage aan de zittingen van het parlement beperkt. Toch wordt hij in 1876 senator. In 1890 sterft hij, tijdens zijn tweede mandaat.
Burgerlijk huwelijk
De geschiedenis vertelt niet of het tussen de niet meer piepjonge Marie en Giammartino liefde op het eerste gezicht is of affiniteit tussen mensen met gelijklopende opvattingen. Wat er ook van zij, de twee besluiten te trouwen. Hoe Alphonse Peyrat daar tegenaan kijkt, is evenmin overgeleverd. Maar de ouders Arconati-Visconti koesteren wel degelijk bezwaren. Marie is niet alleen links en republikeins en in hun ogen straatarm, ze is bovendien niet van adel en een fervente atheïste. De markies wacht tot acht maand na de dood van zijn vader. Dan stappen hij en Marie alsnog naar de mairie voor een burgerlijk huwelijk.
Marie’s getuigen zijn de schrijver Victor Hugo, zonder twijfel de beroemdste Fransman van het ogenblik, en de fervent republikeinse politicus en diplomaat Emmanuel Arago (1812-1896). Naar eigen zeggen heeft Marie op dat moment een jurk en een paar schoenen. Maar dat verandert – het fortuin van haar bruidegom wordt geraamd op 17 miljoen goudfranken. In twee Italiaanse steden heeft hij een palazzo; aan het Comomeer beschikt hij over een riante villa. En dan zijn er nog de Belgische bezittingen…
Het pasgetrouwde stel wordt ontvangen door koning Victor-Emmanuel I van Italië. Ze verblijven echter vooral in Parijs. Drie jaar na hun huwelijk wordt Giammartino ernstig ziek en sterft. Er zijn geen kinderen. Marie erft zijn hele fortuin.
Jean Jaurès
Weldra ontpopt Marie Peyrat, douairière Arconati-Viconti, zich tot de spil van een antiklerikaal salon waar politici en geleerden elkaar ontmoeten. Op dinsdag ontvangt ze vooral politieke figuren, zoals minister Léon Gambetta (1838-1882), en nadien ook de latere president Raymond Poincaré en de socialistische voorman Jean Jaurès (1859-1914). Bij haar ‘literaire’ lunches zitten historici zoals Numa Denis Fustel de Coulanges (1830-1889) en kunstliefhebbers aan tafel. Wanneer in 1894 de affaire-Dreyfus (naar Alfred Dreyfus, 1859-1935) uitbreekt, kiest Marie resoluut partij voor de Joodse officier die valselijk van spionage wordt beschuldigd.
Tot haar kring behoren de bankier Gustave Dreyfus (1837-1914), eminent verzamelaar van renaissancekunst, en vanaf 1890 ook de antiquair Raoul Duseigneur (1845-1916). Samen bezoeken ze de fabelachtige collectie van de kunsthandelaar en verzamelaar Samuel ‘Friedrich’ Spitzer (1814-1890). Marie krijgt hierdoor zelf zin om oude kunst en antiquiteiten te verzamelen.
Vooral Duseigneur, die haar minnaar wordt, staat haar bij met raad en daad. Hij weigert echter met haar te trouwen. De markiezin is veel, veel rijker dan hij en hij wil niet verdacht worden van een huwelijk uit winstbejag. Bovendien zou Marie dan haar adellijke titel verliezen.
De markiezin koopt niet alleen voor zichzelf kunst. Geregeld doet ze gulle schenkingen aan het Louvre en weldra wordt ze stichtend lid van de Société des Amis du Louvre, een vereniging van rijke sponsors die nog altijd bestaat. Intussen volgt ze zelf allerlei cursussen over geschiedenis en kunst aan de École des Chartes, waar men oude documenten aan een grondig onderzoek onderwerpt, en de Sorbonne. Ze roept studiebeurzen voor archivarissen in het leven en financiert mee de leerstoelen algemene geschiedenis en geschiedenis van de religie aan het Collège de France.
Charle Albert
Haar drukke intellectuele en mondaine leven in Parijs onderbreekt ze voor lange vakanties in haar kasteel te Gaasbeek. Omdat het slot zo vervallen is, laat zij er van 1887 tot 1898 uitvoerige restauratiewerken uitvoeren. De leiding is in handen van de bekende Brusselse architect en interieurontwerper Charle Albert (pseudoniem van Albert Joseph Charles, 1821-1889) die in Watermaal-Bosvoorde, aan de rand van het Zoniënwoud in een door hemzelf ontworpen kasteeltje in neo-Vlaamse renaissancestijl woont.
Die stijl belichaamt de liberale manier om aan te knopen bij het verleden – de ‘gouden’ 16de eeuw toen de Nederlanden godsdienstvrijheid eisten en in opstand kwamen tegen de Spaanse koning Filips II. De katholieken zweren dan weer bij de neogotiek, die verwijst naar de katholieke middeleeuwen.
Albert is een aanhanger van de restauratieprincipes die op punt zijn gesteld door de Fransman Eugène Viollet-Le-Duc (1814-1879). Die laatste ligt aan de basis van de ‘moderne’ monumentenzorg en men beschouwt hem als een belangrijk architect en theoreticus in se. Maar Viollet-le-Duc (en Charle Albert met hem) houdt er principes op na die vandaag achterhaald zijn. Zo vindt hij het volkomen legitiem om een ruïne weer op te bouwen, vaak fraaier dan het oorspronkelijke gebouw ooit is geweest. ‘Het [gebouw] terugbrengen naar een zo volledig mogelijk toestand, die zelfs op een bepaald moment nooit kan hebben bestaan,’ zegt hij zelf.
Viollet-le-Duc
Charle Albert houdt terdege rekening met de wens van de markiezin om van Gaasbeek een prestigieus en comfortabel kasteel te maken. Albert bewaart aan de buitenkant het stoere karakter van de burcht, maar de gevels aan binnenkoer die uitkijken over het weidse landshap herbouwt hij in bevallige renaissancestijl met tal van ornamenten en uitgewerkte details. Het gebruik van elementen uit verschillende stijlen versterkt de indruk dat het kasteel in de loop der eeuwen is aangepast en uitgebreid.
Bij dat alles houdt de architect terdege rekening met gegevens die de kasteelvrouw voor hem opdiept uit het archief. Tegelijk laat hij zich inspireren door het kasteel van Pierrefonds in Frankrijk, dat Viollet-le-Duc heeft ‘gereconstrueerd’. Ook voor de decoratie van de vertrekken en het meubilair haalt Charle zijn mosterd in allerlei, vooral Franse, kastelen en musea.
Marie Peyrat dweept met kunst en geschiedenis, maar vergeet haar vooruitstrevende sociale opvattingen niet. Ze wil dat haar fortuin ten goede komt aan de gemeenschap. Ook haar hekel aan de katholieke kerk blijft intens. Ze geeft toelagen aan Franse geleerden voor een wetenschappelijk editie van het werk van Rabelais en de protestantse theoloog Calvijn.
Gaasbeek wil ze eerst aan de stad Brussel schenken. Maar de burgemeester houdt de boot af uit schrik voor de kosten. Vervolgens denkt de markiezin aan de Belgische staat. Ze krijgt bezoek van de katholieke justitieminister Henri Carton de Wiart (1869-1951). Carton is geen fanaticus; hij heeft rechten gestudeerd en er staan enkele romans op zijn naam. Toch is Marie niet onder de indruk. Ze houdt een lange monoloog over de ondeugden van de katholieke regering en verklaart dat ze met de schenking zal wachten tot de liberalen weer aan de macht komen.
‘Vive le Roi’
Wanneer de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, verblijft de markiezin in haar Parijse hôtel dat volgepropt is met beelden en schilderijen. De rol van koning Albert I, die weigert te buigen voor de Duitse agressor en zo bijdraagt tot de ‘redding’ van Frankrijk, boezemt haar zoveel bewondering in dat ze Gaasbeek aan hem wil overmaken. ‘Als de koning der Belgen naar Parijs komt, zal ik als republikeinse de straat op gaan en Vive le Roi roepen,’ verklaart ze. Albert wordt ‘gepolst’, maar zegt dat hij niet anders zou kunnen dan het kasteel overmaken aan de natie; dat gebeurt beter in een keer.
Dank zij de inzet van haar rentmeester Jules Van Cromphout en diens vrouw en zoon overleven de kunstvoorwerpen in het kasteel het verblijf van Duitse soldaten. Een groot deel brengen ze in veiligheid in het nabije Brussel. Na de oorlog besluit de intussen hoogbejaarde Marie om de schenking van Gaasbeek tot een goed einde te brengen. Om eventuele tegenstand te ontzenuwen krijgt België niet alleen het kasteel, maar ook nog eens 200.000 frank. Maar de Waalse socialistische minister Jules Destrée ligt dwars. De staat ontfermt zich al over het kasteel van Mariemont en dat kost genoeg.
De markiezin is boos. Héél boos. Ze heeft pas twee miljoen aan de Sorbonne geschonken om een afdeling kunstgeschiedenis op te starten. De appreciatie van de eeuwenoude universiteit staat haaks op de botte laatdunkendheid van de Belgen. Marie laat weten dat ze de conservators van het Musée des Arts décoratifs in Parijs uitnodigt om in Gaasbeek te komen weghalen wat ze willen hebben. In de Lichtstad verheugen ze zich al op de prachtige 15de-eeuwse Franse wandtapijten die de muren van het slot sieren…
Akte
Van dat dreigement schrikken ze toch wel in Brussel. Albert I laat de zaak zelfs op de agenda van de ministerraad zetten. Uiteindelijk is het niemand minder dan Carton de Wiart die zijn collega’s kan overtuigen. De markiezin moet gedacht hebben dat ze iets gedaan had waar Wilhelm II nooit in geslaagd was: de Belgen doen capituleren.
Op 18 augustus 1922 volgt de ondertekening van de schenkingsakte. Het duurt nog twee jaar vooraleer het kasteel van Gaasbeek zijn deuren opent als museum. Inmiddels is Marie Peyrat, markiezin Arconati-Visconti, op 83-jarige leeftijd overleden in haar huis in Parijs. De Sorbonne is haar universele erfgenaam, maar een groot aantal kunstwerken heeft ze toegewezen aan verscheidene musea. Uit dankbaarheid zal het Louvre een zaal in de afdeling Objets d’art naar haar noemen.
Bronnen:
Vandormael, Herman, Kasteel van Gaasbeek, Brussel, Gemeentekrediet, reeks Musea Nostra, s.d. (1988).
Leve het verschil
Na vele jaren ben ik achter het verschil tussen thrillers en literatuur gekomen. Eigenlijk is dat eenvoudig. Ik neem iedere avond een slaappil. Tot die werkt en ik acuut slaperig word, lees ik door. Als ik er dan nog tien bladzijden bijneem van een thriller, blijken die de volgende avond uit mijn geheugen gewist en moet ik ze opnieuw lezen. Als het om pagina’s literatuur met een grote “L” gaat, ben ik ze niet vergeten. Ik hou van thrillers; daar gaat het dus niet om.
[Column] De stoel van de eeuwigheid en de onveranderlijkheid
De eerste verhalen die wij aan elkaar vertelden, gingen over de goden en het ontstaan van de wereld. De oorzaken en gevolgen die erin werden beschreven, zijn minder spectaculair dan wat de wetenschap ons vandaag over onszelf en onze plaats in de kosmos meldt. Maar we voelen nog altijd de behoefte het heden uit te leggen aan de hand van het verleden.
Dat kunnen we nu veel beter dan drieduizend jaar geleden. Historici stellen het zonder laboratorium en experimenten. Spijkerharde wetten vallen in de geschiedenis niet te ontdekken, hoe graag sommigen dat ook zouden hebben. Maar de bronnen die ons ter beschikking staan, leren ons dat gisteren wel degelijk het uitzicht van vandaag bepaalt.
Jammer genoeg valt er meer te zien wanneer we over onze schouder kijken, dan wanneer we voor ons uit staren om een glimp van de toekomst op te vangen. De dageraad van een betere wereld is iets van idealisten, niet van historici. Met idealisten moet je oppassen. Voor je het weet, blazen ze zichzelf op en jou erbij, om de toekomst minder onzeker te maken.
De vraag waar ze vandaan komen, is er een die alle mensen stellen. Iedere cultuur heeft haar eigen, religieuze antwoord. De idee dat je aardse verklaringen kunt vinden, is typisch Europees en behoorlijk recent. De basis werd gelegd door de Italiaanse humanisten van het quattrocento.
Zij zagen als eersten in dat de mens in de loop der tijden verandert. Opeens beseften zij dat Augustus en Vergilius niet zomaar figuren uit het verleden waren, maar lieden met een andere cultuur dan zijzelf. Een ingrijpend besef, dat de poten van onder de stoel van hun eigen normen zaagde (geschiedenis is een les in multiculturaliteit).
Teksten van Grieken en Romeinen werden voortaan gelezen als getuigen van een “ander” verleden en als inspiratiebron voor nieuwe idealen (de humanisten waren ook idealisten). Weldra beriep de Hervorming zich op het vroege christendom om de latere dogma’s van Rome in vraag te stellen.
De strijd tussen katholieken en protestanten leidde tot een nooit geziene bloei van tekst- en Bijbelkritiek. Legenden en overleveringen uit de voorgaande eeuwen werden tegen het licht gehouden. Niet toevallig ontstond het modern wetenschappelijk onderzoek in Engeland, waar men na het eindeloze gehakketak over godsdienstige kwesties de voordelen inzag van een tolerante samenleving.
Newton maakte een begin met het achterhalen van de wetten van de kosmos. De filosofen Locke en Hume leerden dat waarneming aan de basis ligt van onze kennis. Dat principe doordrong ook de prille “menswetenschappen”. Historici leerden het belang van historische bronnen en hoe je ze aanpakt om de waarheid van de leugen en de vergissing van het juiste feitenrelaas te onderscheiden.
De Franse Revolutie deed Europa op zijn grondvesten daveren. Wie het tot dan toe weigerde te geloven, kon er niet meer omheen: alles verandert. De kennis van dat proces was fundamenteel om onszelf te begrijpen. Geschiedenis werd de koningin der menswetenschappen, of men haar nu beoefende om te begrijpen, uit verlangen naar de oude tijd of om het mensdom uit slavernij te bevrijden.
Het verlangen om het verleden te kennen, is universeel. De wetenschappelijke manier om dat te doen, werd ontwikkeld in Europa. Ze behoort tot onze maner om tegen de wereld aan te kijken – een manier die wij (het maakt er deel van uit) graag delen (en soms: opleggen, ik weet het). We mogen het ons niet laten afpakken.
Niet door fundamentalisten die niets liever doen dan andersdenkenden, Boeddhabeelden (Afghanistan) en bibliotheken (Timboektoe) naar de verdoemenis helpen. Maar ook niet door junior managers in slecht zittende pakken die zeuren dat we alleen vooruit mogen kijken.
Hun mantra’s moeten aanvaard worden, vinden ze, zonder dat iemand ze in vraag stelt. Ze lijken bijgevolg verrekte sterk op Gods Woord. De hemel waar de pakken naartoe willen, gemaximaliseerde winst, is – zoals die van Allahs martelaren – een paradijs waar hun slachtoffers niet binnen mogen.
Verschenen in “Eos Memo” nr. 5
[Literatuur / Geschiedenis] Vrouw zoekt God. Hadewych: dichteres, begijn, mystica.
Geen enkele vrouw uit de Lage Landen bij de zee schreef in de middeleeuwen met meer passie en talent over haar mystieke ervaringen dan de Brabantse dichteres en prozaschrijfster Hadewych. Lang duurde het niet voor ze in geestelijke kringen grote bekendheid genoot. Toch vond niemand het opportuun om haar biografie te schrijven. Zo komt het dat we veel, maar ook heel weinig weten over deze fascinerende vrouw uit de 13de eeuw.
Was Hadeywch een vervaarlijke ketterse, wier geschriften de officiële kerk zich nadien toe-eigende? Of was de “maar” een buitengewoon begaafde vrouw, die haar diep religieus gevoel op een eigenzinnige manier gestalte gaf? Hoe dan ook, Hadeywch spreekt, meer dan zeven eeuwen na haar doet, nog altijd tot de verbeelding van filologen, historici, godsdienstwetenschappers, feministen en dichter(es)s(en).
Hadewych schreef een tamelijk omvangrijk oeuvre bij elkaar. Het bestaat uit 45 strofische- en een aantal mengeldichten, brieven en visioenen. In de visioenen beschrijft de mystieke eenwording – ze spreekt van “ghebruken” – met Christus. De gedichten behandelen vooral het “ghebreken”, de afwezigheid van de Geliefde. En de brieven zijn didactische uiteenzettingen, bestemd voor geestesgenoten. Hadewych wijst minder ervaren vriendinnen de weg van de minne en besprak problemen als onderlinge onenigheid en conflicten met de buitenwereld.
Minne
Een centraal begrip in Hadewychs discours is de “minne” of liefde. De schrijfster gaf aan het begrip overigens meer dan één betekenis: het slaat op de liefde tot God, de Godservaring, Christus als bruidegom enz. Naar goede middeleeuwse gewoonte treedt Minne ook op in gepersonifieerde vorm.
Mystiek is het streven naar eenwording met God. Het is geen specifiek christelijk verschijnsel. Hadewych schreef hoe zij op haar tiende werd gegrepen door Gods liefde en hoe die bij haar een hevige begeerte deed ontstaan, die zij “orewoet” noemde. Orewoet had ook een lichamelijk effect.
In het eerste visioen zegt Hadewych dat ze zichzelf niet kon beheersen en daarom bang was onder de mensen komen. In een van haar brieven heet het dat de lichamelijke uitputting haar had gedood als God haar geen uitzonderlijke kracht had gegeven.
Begijn
Mysticae als Hadewych hadden directe omgang met God. Dat boezemde de kerk wantrouwen in. Toch schreven priesters vol bewondering de biografie van enkele van deze merkwaardige vrouwen, zoals Christine van Stommelen (1242-1312), Lutgardis van Tongeren, Ida van Leuven, Beatrijs van Nazareth (1200- 1268) en anderen. Maar over Hadewych zijn, zoals gezegd, geen getuigenissen van derden tot ons gekomen.
De taal van haar geschriften doet de dichteres kennen als iemand uit Brabant. Haar Brabants leert bovendien dat ze omstreeks het midden van de 13de eeuw moet geleefd hebben. Een notitie op een handschrift noemt haar in de 15de eeuw “de gelukzalige Hadewych van Antwerpen”. Ze had contact met een lid van de adellijke familie van de heren van Schoten, wier bezittingen niet ver van de stad lagen. Het kan ook niet anders of ze was een begijn.
Op deze kaart van de Schelde van Rupelmonde tot de monding in het Felixarchief is rechts, buiten de stadsmuren, het eerste Antwerpse begijnhof afgebeeld. Het leeft voort in de straatnamen Begijnenvest en Begijnenstraat (a).
Op het eind van de 12de en in het begin van de 13de eeuw kwam in de Nederlanden, het Rijnland, Zwitserland en Italië een nieuwe religieuze beweging op gang van vrouwen (en mannen, de zg. beggarden) die hun leven aan God wilden wijden zonder eeuwige geloften en zonder zich aan een kloosterregel te onderwerpen.
Elders recruteerde de beweging leden onder de armen. Ze zwierven rond en kwamen al bedelend aan de kost. In de Nederlanden kwam een groot deel uit (kleine) adel en patriciaat. De Nederlandse begijnen – vrouwen waren de meerderheid – bleven bij hun familie, leefden als kluizenares of vormden groepen met een sterk wisselende samenstelling, wat controle door de clerus zo goed als onmogelijk maakte.
Mystiek
Deze mulieres religiosae deden geen afstand van hun bezit, maar leefden van het werk van hun handen en schonken het overbodige weg. Hun levenswijze stond haaks op de traditie die wilde dat vrouwen huwden of in het klooster gingen. In het eerste geval stonden ze onder het gezag van een echtgenoot, in het tweede onder dat van de kerkelijke hiërarchie.
De begijnen kozen voor een zeer radicale vorm van zelfstandigheid – er waren zelfs getrouwde vrouwen die hun man verlieten om zich bij hen te voegen. Die zelfstandigheid was materieel én intellectueel: de begijnen bleven buiten de Kerk en ontwikkelden hun eigen spiritualiteit. Ze discussieerden over het geloof en lazen de Bijbel in de volkstaal. Mystiek kreeg in hun beleving een voorname plaats.
In 2011 publiceerde Franse schrijfster Jacqueline Kelen een merkwaardig, mooi geschreven boek dat de mystiek Hadewych “parafraserenderwijs” in kaart tracht te brengen.
In de 12de eeuw raakte een belangrijk deel van de ideeën van Aristoteles in het Westen bekend. Dat gebeurde via het Moorse Spanje, waar Arabische filosofen als Averroës zijn denkbeelden hadden bestudeerd. Zo kwam het dat de theologie, zoals die beoefende werd aan de universiteiten, steeds meer belang hechtte aan de rede – soms in die mate dat denkers als Siger van Brabant (ca. 1240-1284) besloten dat er twee vormen van waarheid bestonden: de religieuze en de filosofische, en dat pogingen om beide te verzoenen geen zin hadden.
Die constatering was subversief; ze vocht de fundamenten van het geloof en van de kerkelijke autoriteit aan. Als reactie op deze ontwikkeling stelde Bernardus van Clairvaux (1096-1153) al vroeg dat het geloof geen zaak van redelijk overleg, maar van ervaring was. Zo legde hij mede de basis voor de begijnenmystiek.
Erudiet
Hadewych was een intelligente, erudiete schrijfster. Ze kende Frans en Latijn, wat erop wijst dat ze voor een vrouw van die tijd een uitzonderlijk verzorgde opvoeding genoot. Ze blijkt ook vertrouwd met de traktaten van theologen en met de liefdespoëzie van de Noord-Franse minnezangers of trouvères.
In de brieven laste ze door haarzelf vertaalde fragmenten in uit geschriften van Willem van Saint Thierry (ca. 1085-1149) en van Richard van Saint Victor. Aan de hoofse poëzie ontleende Ze beelden en conventies die ze aanwendde in haar eigen, mystieke gedichten – een genre dat zij als eerste in Europa beoefende.
Net zoals de trouvères voorzag ze haar gedichten van een Natureingang – een inleiding die verwijst naar de natuur. Naargelang de toon van het gedicht gaat het over het aanbreken van de lente of de intrede van de winter.
De gloednieuwe editie van Hadewychs liederen door Veerle Fraeters en Frank Willaert (bespreking: zie hieronder).
Die van het eerste strofische gedicht gaat zo: “Ay, al es nu die winter cout, / Con die daghe ende die nachte langhe, / Ons naket saen een somer stout, / Die ons ute dien bedwanghe / Schiere zal bringen: dat es in schine / Bi desen nuwen jare; / Die hasel brinct ons bloemen fine; / Dat es een teken openbare.”
Nog niet zo lang geleden ontdekte men zelfs dat de strofische gedichten liederteksten zijn, dIe men kan zingen op melodieën van Latijnse en Franse liederen; twee ervan staan op de recente cd Pacxken van Minnen. Middeleeuwse muziek uit de Nederlan-en van de Nederlandse groep Camerata Trajectina (Globe 60610).
Extase
Hadewych beheerste niet alleen de codes van de toenmalige literatuur, maar ook haar eigen taal tot in de puntjes. Het was heel bewust dat ze het Nederlands bezigde: “Voor alles wat er op aarde is,” schreef ze in een van haar brieven, “kan men voldoende taal en Diets vinden”.
De extatische, gelukzalige vereniging met Christus die Hadeywch ervoer, heeft een ronduit erotische bijklank. Dat blijkt uit een passus uit haar 9de brief, in hedendaags Nederlands hertaald door de jezuïet Paul Mommaers:
“[…] daar zal Hij u leren wie Hij is en hoe wonderlijk zoet de ene geliefde in de andere woont en de ander zo door en door bewoont dat geen van beiden zichzelf nog onderkent. Maar onderling genieten zij elkaar – mond in mond en hart in hart en lichaam in lichaam en ziel in ziel – terwijl Gods éne zoete natuur hen beiden doorvloeit, en in elkaar zijnde zijn zij beiden één en zij blijven helemaal één, ja dat blijven ze.”
Deze mooie CD van het Nederlandse ensemble Camerata Trajactina is alweer twintig jaar oud… (a).
Naast deze vorm van mystiek, de zg. “bruidsmystiek” – de ziel is de bruid van Christus – bestaat ook de zg. wezens- of triniteitsmystiek waarbij de mysticus God ervaart als gehuld in duisternis, als een onpeilbare afgrond, als een onnoemelijk Niets, ieder beeld en begrip voorbij. Voor de mysticus is de vereniging met deze God enkel mogelijk op het niveau van de “gront”, de kern van zijn existentie – te vergelijken met wat sinds Freud het onderbewuste heet.
Feminisme
Uit het werk van Hadewych blijkt echter dat beide vormen van mystiek in elkaar overvloeien. In haar zesde visioen zegt ze: “[Toen] viel ik buiten de geest, weg van mezelf en van al wat ik van Hem gezien had, – helemaal verloren viel ik de verzaligende borst van zijn natuur, de minne. Daar bleef ik in verzwolgen en verloren, buiten alle begrip: geen weten, noch zien, noch verstaan van iets anders, dan één te zijn met Hem en Hem te genieten.”
Luce Irigaray en andere Franse feministische theoretici deden het inzicht ontstaan dat de mystiek misschien wel de enige “plaats” was, waar de middeleeuwse vrouw volop haar eigen identiteit kon beleven. Zij wijzen erop dat de taal zélf ideologisch geladen is; zij was en is gekleurd door de man met zijn dominante plaats in de samenleving. Wie “zijn” taal gebruikt, neemt onvermijdelijk zijn opvattingen over.
Het gevolg is dat vrouwen een kloof gewaar worden tussen hun ervaring van zichzelf en de woorden die hun ter beschikking staan om daar over te spreken; vandaar hun verlangen naar de verwerping van taal en beeld – een verlangen dat zij, in een maatschappij waar geloof en Kerk alomtegenwoordig waren, enkel binnen het religieuze discours, binnen de mystiek konden realiseren.
De clerus sloeg de begijnen met argusogen gade, ook al omdat hun spiritualiteit tot het ontstaan van een hardnekkige ketterij leidde (het woord “begijn” is misschien afgeleid van “albigens”, een andere naam voor de katharen. Het woord “ketter” is trouwens zelf een verbastering van “kathaar” – al bestaat er verder geen enkel verband tussen begijnen en albigenzen).
Vrije Geest
Als de mens één kon worden met God, vroegen sommigen zich af, betekende dat dan niet dat hij altijd aan Hem deelachtig was – door de ziel, die van bovennatuurlijke aard was? En indien men God inderdaad in zich droeg, kon men dan nog wel zondigen?
Voor de aanhangers van de ketterij van de Vrije Geest was zonde een hol begrip en was men vrij te doen en te laten wat men wilde. Ze besloten ook dat de verhalen over Jezus, Maria en de heiligen verzinsels waren en dat de Kerk een overbodig instituut was.
De eerste aanhangers van deze afwijkende leer waren begijnen en het was in hun midden – zowel in de Nederlanden als in het Rijnland – dat hij het meeste succes kende. Men noemde de ketterij van de Vrije Geest daarom “de ketterij van de begijnen”. Het gevolg was dat ook rechtgelovige begijnen werden verdacht en vervolgd.
In 2002 publiceerde de Antwerpse dichteres Lucienne Stassaert (1936) bij uitgeverij P deze hertalingen van gedichten van Hadewych (a).
Toch gebeurde dat laatste vooral in Duitsland. Bij ons genoten de begijnen de bescherming van heren als de hertog van Brabant en de graaf van Vlaanderen en van de patriciërs in de steden waar zij verbleven. Toen de paus de begijnen verbood, maakte zelfs hij een uitzondering voor hen, die niets misdeden – een achterpoortje van formaat.
Was de ketterij bij ons dan toch minder verspreid of taande haar aantrekkingskracht hier sneller dan in het keizerrijk? Hoe dan ook, de clerus slaagde er na verloop van tijd beter in de Nederlandse begijnen in de pas te laten lopen.
“Nuwe”
Uit haar proza treedt Hadewych naar voren als de leidsvrouw of meesteres van beghinae disciplinatae die uit vrije wil samenleefden. Zulke groepen bleven bestaan, maar andere begijnen vestigden zich onder toezicht van een priester in een begijnhof.
In Antwerpen ontstond al in 1247 buiten de stad het hof Syon waaraan de Begijnenstraat en de Begijnenvest herinneren. Aan de andere kant bleef de ketterij van de Vrije Geest nog tot in de 16de eeuw de kop opsteken – onder anderen bij de leidekker Eligius Pruystinck, alias Looi de Schaliedekker.
Betekent dit dat men ook Hadewych van ketterij verdacht? Volgens specialisten in haar oeuvre – sinds pater J. Van Mierlo s.j. bijna allemaal geestelijken – schreef Hadewych geen denkbeelden neer die afwijken van de katholieke geloofsleer. Maar met de twijfel en de verwarring over de begijnen, was dat misschien niet nodig om toch met een scheef oog te worden bekeken.
De middeleeuwse kerk deed voor de bestraffing van ketters een beroep op het wereldlijk gezag (a).
Een passage in een brief wijst erop dat Hadewych misschien een tijd gevangen zat. Ze vraagt haar vriendinnen zich geen zorgen te maken – vooral niet over haar, al dwaalt ze rond of zit ze gevangen: “Eest in doelne achter landen, Eest in ghevancnessen: Want hoetsijn sal, het es der Minnen werc.”
Hadewych was zich terdege bewust van de kloof tussen de buitenwereld – godvruchtige lieden incluis – en de begijnen. Haar minachting voor de redeneerwoede van de theologen stak ze niet onder stoelen of banken. Haar geestverwanten noemde ze de “nuwe” of “nieuwen”. Wie niet tot hun gemeenschap behoorden, waren “vremden”. Dat bewijst alvast dat de groep waaraan zij leiding gaf zich sterk bewust was van zijn identiteit.
Meester Robbaert
Wie precies de begijnen waren tot wie Hadewych zich met haar teksten richtte, weten we niet. Maar tussen 1238 en 1244 stelde ze een lijst op van enkele tientallen mensen, die volgens haar de minne op een volmaakte manier hadden beleefd. De lijst is opgenomen in haar laatste visioen. De volmaakten – sommige ketterse sekten hadden ook hun “perfecti” – leefden in Thüringen, Bohemen, Zeeland, Friesland, Parijs, Denemarken en Engeland.
Het waren vrouwen én mannen, onder wie een gewezen priester uit Holland, en “een beghine die meester Robbaert doedde om hare gherechte minne”. Robbaert was de beruchte ketterjager Robert le Bougre, die van 1235 tot 1238 de inquisitie in het graafschap Vlaanderen leidde (“bougres” waren bogomilen of “Bulgaarse” ketters, een sekte waartoe Robert zelf ooit had behoord).
Hadewych schreef geen persoonlijke “getuigenis” in de hedendaagse zin. Haar erudiete, vaak moeilijke teksten zijn bedoeld om het onzegbare voor derden zo toegankelijk mogelijk te maken. De brieven en visioenen – ook de laatste groeien soms uit tot echte traktaten – waren bedoeld om te motiveren en te onderwijzen. Ze dienden niet in eerste instantie voor individuele lectuur, maar om luidop in de gemeenschap voor te lezen.
Moed
Hadewych leefde in de 13de eeuwen wilde één worden met God. Maar haar verlangen naar de onverkorte beleving van het zijn is van altijd – en dus ook van ons. Zoals ook het verzet dat ze aantekent tegen de blauwdruk van de wereld die andermans taal haar en ons in de maag splitst(e), maar ons niet de woorden geeft die we nodig hebben voor ons fundamenteelste verlangen of gemis.
Hadewych was een intellectuele vrouw die de conventies van de strak geordende, vrouwonvriendelijke middeleeuwse samenleving en de door mannen gedomineerde kerk naast zich neerlegde en voor een onzeker, risicovol bestaan koos.
Ze deed dat in een tijd toen Antwerpen het toneel was van het optreden van Guillielmus Cornelis, een kapelaan van de O.-L.-Vrouwekerk, die de wereldse macht en de seksuele moraal van de Kerk bekritiseerde. Drie jaar na Cornelis’ dood liet de bisschop van Kamerijk zijn stoffelijke resten opgraven en verbranden. Op een onconventionele manier over God spreken was in haar eeuw zeker niet zonder risico.
N I E U W E U I T G A V E
Veerle Fraeters en Frank Willaert van de Universiteit Antwerpen verzorgden een indrukwekkende uitgave van de Liederen van Hadewych. Beide Vlaamse hoogleraren werkten samen met hun Utrechtse collega Louis Peter Grijp die verbonden is aan het Meertens Instituut en Nederlandse liedcultuur doceert aan de Universiteit Utrecht. Het boek is intussen al aan zijn tweede druk.
Na een bijzonder grondige en uitgebreide inleiding over de dichteres en haar werk, gebaseerd op de meest recente onderzoeksresultaten van filologen en historici, volgen al haar gedichten. Naast de Middelnederlandse tekst staat een accurate vertaling in hedendaags Nederlands. De uitleg bij elk gedicht is omheen beide versies gedrukt in kleine rode letters – een schitterende vondst van vormgeefster Hannie Pijnappels. Een en ander maakt het mogelijk om de gedichten te lezen en te begrijpen.
Bij het boek horen vier audio-cd’s. Daarop zijn alle teksten te horen. De liederen waarvan men de melodie kon reconstrueren, zijn gezongen; de andere worden gereciteerd. Uitleg over de reconstructie van de muziek geeft Louis Peter Grijp in een apart hoofdstuk.
Deze Liederen vormen het eerste deel van het Verzameld Werk van Hadewych, wier teksten “het kloppend hart van het pantheon van de Nederlandse literatuur” vormen. Fraeters, Willaert en Grijp kregen voor hun editie de Kruyskamp Prijs 2021 van de Maatschappij voor de Nederlandsche Letterkunde.
Het bijzonder verzorgde boek verschijnt bij de Historische Uitgeverij, een Nederlandse firma die zich toelegt op de publicatie van belangrijke en mooi vormgegeven tekstedities en monografieën over geschiedenis, filosofie, literatuurhistorie en aanverwante onderwerpen.
Hadewych, Liederen, uitgegeven, ingeleid, vertaald en toegelicht door Veerle Fraeters & Frank Willaert met een reconstructie van de melodieën door Louis Peter Grijp, Groningen, Historische Uitgeverij, gebonden, 455 blz. en vier audio cd’s, ISBN 978-90-6554-478-0 NUR 620/708, 49,95.- Euro.
Verschenen in “Eos Memo”, nr. 4.
[Kunst / Geschiedenis / Monument ] De (her)ontdekking van Laokoon. Een bezoek aan de Academie.
Ik heb iets met de Academie van Antwerpen. Ik herinner me nog dat ik het poortgebouw met het opschrift “Academie” voor het eerst zag van in de Minderbroedersrui, aan het eind van de smalle Minderbroedersstraat. Dat was begin jaren 1970, toen ik aan de verkenning van de stad begon.
Ik was vijftien, droeg een duffelcoat en probeerde er intellectueel uit te zien door achter een pijp te lopen. Duffelcoats zijn in de loop der jaren mijn dikke vel geworden en mijn pijp het instrument waarlangs ik bij voorkeur ademhaal. Ik rook halfgrove oude Semois van het legendarische huis Windels in Mechelen. Maar dat is een ander verhaal.
De Academie viert dit jaar haar 350ste verjaardag. Dat is niet niks – drie-eneenhalve eeuw, van late barok tot laat (?) postmodernisme, van David II Teniers tot, zeg maar, Karin Hanssen. Om het gewoon bij de schilders te houden.
De tuin van de Academie is een van de best bewaarde geheimen van Antwerpen. Je ziet er de fraaie classicistische gevel van de “eerste” ambtswoning van de directeur, waar het pand aan de Mutsaerstraat nadien tegenaan werd gebouwd. Bijna onherkenbaar is zwaar gehavende het standbeeldje van Quinten Metsijs uit de eerste helft van de 19de eeuw.
Een schilder was ook directeur Matthieu-Ignace van Brée, wiens gehavende marmeren beeld in 1890 letterlijk aan de deur werd gezet. Tot dan toe stond het in het Museum van de Academie, waar het in 1852 werd onthuld in aanwezigheid van minister Charles Rogier.
Het beeld is van de hand van de toen ter tijd erg bekende Jan-Baptist De Cuyper. Sinds een aantal jaren mist Van Brée een hand, als had een shariarechtbank hem voor diefstal veroordeeld. Maar ik heb mij laten vertellen dat hij binnenkort wordt gerestaureerd.
Achteraan links staat wat op het eerste gezicht een Griekse tempel is. Het Museum van de Academie werd voltooid in 1843 en deed dienst tot 1890. Het is een creatie van stadsarchitect Pierre Bruno Bourla die voor de oude kerk van de franciscanen of minderbroeders een voorbouw met een Grieks tempelfront met vier Dorische zuilen neerpootte.
De voorbouw is intussen in een even lamentabele staat als Bourla’s schouwburg aan de Komedieplaats dertig jaar geleden. Halverwege de hoogte van het kerkschip bracht Bourla een vloer aan, zodat een verdieping ontstond. Daar kwamen de museumzalen. Voor het trappenhuis schilderde directeur Niçaise de Keyser zijn Vlaamse School die in 1872 werd onthuld. De monumentale muurschilderingen brachten de bezoeker meteen in de juiste stemming.
Wie zich enkele meter verder waagt, kan een blik werpen in de brandgang tussen het Museum en de achtergevels van oude, erg oude huizen aan de Raapstraat. Hiermee is een heuse familie-overlevering verbonden
Drie zussen van mijn grootmoeder trouwden na de Eerste Wereldoorlog met drie broers: Pol, Fons en Louis De Bruyker. Ze waren als oorlogshelden (nou ja) teruggekeerd van het IJzerfront. Hun ouderlijk huis stond aan de Raapstraat; de “koer” grensde aan de Academie.
Volgens een familiale overlevering vonden de drie broers er niets beter op dan op een mooie zomeravond over de scheidingsmuur te klimmen om in de tuin van de Academie een borstbeeld te stelen. Dat legden ze vervolgens op een van de hoofdkussens in het ouderlijk bed.
Toen moeder de vrouw, zichzelf bijlichtend met een kaars, wilde gaan slapen, gilde zij naar verluidt het hele huis bij elkaar: “Jef, er ligt ‘ne vent ins ons bed!” Waarop vader Jef, gewapend met een hamer, naar boven stormde en de stenen indringer verbrijzelde.
Ik heb me weleens afgevraagd of de kop uit dit sterle verhaal het op mysterieuze wijze verdwenen borstbeeld van Rubens was, vervaardigd door Van Brée (in zijn vrije uren beeldhouwer) dat in 1816 werd ingehuldigd. De plechtigheid vormde de aanleiding voor een interessante toespraak door de jonge Jan-Frans Willems, die zich toen nog bezighield met het lot van de beeldende kunsten.
Tegen de zijgevel van Bourla’s Museum, maar ook elders, plaatste men op het eind van de 19de eeuw deuromlijstingen en andere elementen van gevels van historische panden in de stad die recentelijk gesloopt waren. Het geheel vormt een wat bizarre openluchttentoonstelling van op zichzelf fraaie voorbeelden van stijlen uit de architectuur.
Oorspronkelijk was de Academietuin het kerkhof van de franciscanen. Napoleon schonk hun door de staat genaaste klooster tussen Mutsaertstraat en Blindestraat in 1810 aan de Stad Antwerpen om er de Academie onder te brengen. Die was sinds 1665 gehuisvest in enkele lokalen in de Beurs.
Ondanks de vele verbouwingen, aanpassingen en toevoegingen in het gewezen kloostercomplex bleef de kloostergang bewaard, spitsboogramen en gotische gewelven van baksteen incluis.
De minderbroeders vestigden zich in 1446 in Antwerpen; hun klooster was klaar in 1450. De kerk werd het jaar daarop gewijd. De grond voor het complex kregen de paters van rijke stedelingen die hem met het oog daarop van de stad gekocht hadden.
De Antwerpse minderbroeders hielpen in de 16de eeuw de dichteres Anna Bijns met de publicatie van haar “refereinen”. Ze deden dat omdat zij een lans brak voor het katholieke geloof en de vloer aanveegde met Maarten Luther en andere “ketters”. Bijns woonde overigens vlakbij, aan de Keizerstraat, waar ze een schooltje runde.
Op het niet toegankelijke convent van de karmelietessen aan de Rosier na, is de Academie de enige plek waar nog iets te zien is van een van de vele kloosters die Antwerpen in het Ancien Régime rijk was.
Laten we de Academie binnenstappen via dit prachtige, neoclassicistische portiek, waarvan ik vermoed dat het ook van Bourla is. Zo komen we in een lange, op het eerste gezicht weinig inspirerende gang. Toch heeft hij iets, deze gang. Misschien omdat hij – letterlijk – “perspectief” biedt. En perspectief is iets wat ons sinds de renaissance boeit. Vooraan links bevindt zich het kantoor van departementshoofd Eric Ubben. Wat verder, aan de rechterkant, vindt men de bibliotheek. De leeszaal kreeg haar huidige vorm begin jaren 1960, maar werd recentelijk grondig opgeknapt.
Bibliothecarissen Karine Houthuys en Jef Van Gool en zijn collega zijn bijzonder vriendelijk en efficiënt. Honderden studenten kunnen dat bevestigen. Jef kent de geschiedenis van de Academie als zijn binnenzak. Beschouw dat echter niet als een invitatie om de man te veel lastig te vallen.
Van eind 1994 tot het voorjaar van 1996 heb ik zelf in deze bibliotheek gewerkt, eerst als assistent en dan als wetenschappelijk bibliothecaris – een ambt dat bij de oprichting van de autonome Hogeschool Antwerpen werd afgeschaft. You win some, you lose some. Maar ik kom hier nog altijd graag.
Waar de gang zich verbreedt, bereikt men een sobere, maar fraaie trap in wat ik gemakkelijkheidshalve “art déco” zal noemen en die – voorzover ik weet – dateert van bij de tamelijk grondige verbouwingen die hier werden uitgevoerd tussen 1940 en 1941 – in volle oorlog, dus.
Gelukkig verschijnt dit jaar een boek over de Academie, met o.m. een bijdrage van prof. Piet Lombaerde, die de ingewikkelde bouwgeschiedenis van dit complex uit de doeken doet. Als ik het goed heb, voorzag men dit deel van het gebouw toen ook van een etage, waar sindsdien de architectuuropleiding is gevestigd, die in 1946 werd losgemaakt van de Academie en verder door het leven ging als een afzonderlijk instituut.

In de jaren 1690 breidde men de Academie in de Beurs uit met een klas waar de jongste studenten konden tekenen naar gipsmodel. In de loop der tijd slaagde de school erin haar verzameling gipsen beelden aanzienlijk uit te breiden. Dat was geen sinecure, want gipsmodellen waren niet bepaald goedkoop.
Gelukkige waren er kunstenaars die de “plaasters” uit hun atelier aan de Academie nalieten. Kort na 1760 liet graveur Pieter Martinasie zelfs op eigen kosten 25 antieke beelden uit de verzameling van de hertog van Arenberg afgieten en schonk de modellen aan de Academie.
In de jaren 1960, toen beeldhouwer Mark Macken directeur van de Academie was, werden een heleboel gipsen vernietigd, wegens ouderwets en niet langer nodig geacht voor het onderwijs. Andere gaf Macken in bruikleen aan kleine academies in de provincie.
De beelden die overleefden, leden onder jarenlange verwaarlozing. Maar sinds anderhalf decennium is men zich opnieuw bewust van hun cultuurhistorische (en financiële) waarde. Docente Karolien van der Star van de afdeling Conservatie en Restauratie inventariseerde de beelden en superviseert hun geleidelijke restauratie.
Een beschamende episode is zonder enige twijfel die tijd die Vincent van Gogh vanaf januari 1886 doormaakte aan de Academie. Hij kwam in conflict met zijn leraren Karel Verlat, Frans Vinck (1827-1903) en vooral met Eugène Siberdt (1851-1931).
De “Hollander” verliet de Academie en vertrok naar Parijs. Een maand later, op 31 maart, beslisten de leraars dat 17 studenten, onder wie Van Gogh, hun jaar moeten overdoen. Het is dus NIET zo dat Van Gogh werd weggestuurd – een hardnekkige legende, die nog altijd de ronde doet.
Van Gogh woonde in zijn Antwerpse tijd aan de Lange Beeldekenstraat. Hij schilderde er o.m. de achterhuizen die hij vanuit zijn raam kon zien. Dat doek hangt vandaag in het Van Goghmuseum in Amsterdam.
De avonturen van Van Gogh aan de Academie staan in het boek van de Antwerpse operazanger en nadien kunsthistoricus Mark Edo Tralbaut, een merkwaardige figuur in his own right. Tralbaut schreef in de jaren 1950 zelfs een toneelstuk over zijn idool; het werd opgevoerd in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, maar kende geen succes.
De enige bekende schilder, van wie ik met zekerheid weet dat hij aan de deur werd gezet, was Antwerpenaar Eugeen Van Mieghem (1875-1930). Maar dat gebeurde in 1891, vijf jaar na het vertrek van Van Gogh. Van Mieghem geniet vandaag vooral bekendheid als chroniqueur van de haven en de emigranten op weg naar Amerika.
Vanuit de hal op de foto hierboven, bereikt men de “Lange Zaal”, een tentoonstellingsruimte door Bourla bouwde voor de exposities van de Société pour l’Encouragement des Beaux-Arts die nauw met de Academie verbonden was. Boven de poort aan de Venusstraat prijkt trouwens het woord “Academie”.
Intussen ontdek ik, doorheen de lens van mijn fototoestel, dat een gehavend beeld in de gang naar de keramiek- en grafiekklassen niemand minder is dan Laokoon. De Trojaanse held werd samen met zijn beide zoons in zee gesleurd door reuzenslangen toen hij zijn stadgenoten wilde verhinderen het Torjaanse paard binnen te halen.
De Laokoongroep van ca. 40 voor Christus werd in 1506 ontdekt in de bodem van een Romeinse boomgaard. Er werd gefluisterd dat de hele beeldengroep een vervalsing zou zijn In die context viel de naam van Michelangelo. Maar die kwakkel is de wereld uit. De Laokoongroep werd een icoon van de klassieke kunst. Ca. 1770 kwam een afgietsel in het bezit van de Academie. Daarvan blijft alleen de Laokoonfiguur zelf over.
Een Academie is een stimulerende plek. Studenten leren er de technische beheersing van een artistiek medium, waarmee ze de uitdaging kunnen aangaan om hun eigen greep op de werkelijkheid of een aspect daarvan (dat kan ook het medium zelf zijn) uit te drukken.
Talent is een vermogen, maar ook een verlangen. Om het verlangen te vervullen, heeft het vermogen techniek nodig. Alleen techniek maakt talent zichtbaar. Daarom moet de blik zo scherp mogelijk zijn, de coördinatie tussen ogen en hand perfect. Alleen blijkt het verlangen altijd te groot. Wie het zelfs dan niet opgeeft, dicht de kloof met “kunst”, met wat voorbij de techniek ligt. Vreemd genoeg is juist dat zeldzame resultaat ondubbelzinnig herkenbaar.
Sinds is de Afdeling Conservatie en Restauratie van de Academie ondergebracht in drie gebouwen aan de Blindestraat: het Bureel van Weldadigheid, het Instituut Van den Nest en Licht en Lucht. Het Weldadigheidsbureel werd opgericht in 1796 – in de Franse tijd dus – en verdeelde o.m. aalmoezen aan behoeftige Antwerpenaars.
In het Weldadigheidsbureel – of toch in een deel ervan – ging de componist Peter Benoit in 1867 van start met zijn Vlaamse muziekschool. Die verhuisde pas in 1885 naar het pand aan de Sint-Jacobsmarkt, waar voordien het atheneum was gevestigd. Later groeide Benoits school uit tot het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium.
Architect V. Durlet herbouwde het Weldadigheidsbureel in 1888 in neo-barokstijl. De toegangspoort is versierd met prachtige smeedijzeren lantaarns. Na de opheffing van het Bureel van Weldadigheid kwam in het gebouw een politiebureau dat open bleef tot in de jaren 1980.
Het Instituut Van den Nest hield zich bezig met de opsporing en bestrijding van tuberculose. Die ziekte maakte tot aan de Tweede Wereldoorlog veel slachtoffers. Toen ik naar het atheneum gingen werden alle leerlingen nog getest op tb. Na een positief resultaat moest ik eind 1974 nog een röntgenopname van mijn longen laten maken in het gebouw Licht en Lucht. Gelukkig bleek ik niks te mankeren.
Om de zaak voor ons, arme leken, ingewikkeld te maken, “kantelt” de afdeling Conservatie en Restauratie samen met de schol voor Produktontwikkeling en de architectuuropleiding aan het Heny Van de Velde-Instituut in de Universiteit Antwerpen.
Het parkeerterrein aan de Blindestraat is de minst aantrekkelijke plek van de Academie, maar zijn rommeligheid heeft een eigen poëzie. Ik hou van het gebouw dat architect Léon Stynen in het midden van de jaren 1950 aan de Academie toevoegde. Nu het Internationaal Zeemanshuis is gesloopt (schande!) is dit zowat het enige grote modernistische gebouw in de Antwerpse binnenstad (op de Boerentoren na, natuurlijk).
Het grijze gebouw dat een rechte hoek vormt met de Stynenvleugel is de oude Volksbibliotheek, tot in de jaren 1970 de centrale openbare bibliotheek van de stad Antwerpen. Ik ben er vaak boeken komen lenen vòòr de bibliotheek naar de Lange Nieuwstraat verhuisde. Waar vroeger de leeszaal was, bevindt zich nu een auditorium.
De afdeling Beeldhouwen van de Academie heeft een onderkomen gevonden in het gerestaureerde “Bourlaschooltje”, ooit een stedelijke lagere school, ontworpen door stadsarchitect Pierre Bruno Bourla.
Sinds het begin van het academiejaar 2012-2013 staat dit gipsen beeld, ongetwijfeld werk van een student beeldhouwkunst, bij de zitbanken aan het parkeerterrein. Gered van de vuilniscontainer wat verderop?
De “blote madame”, bepaald geen meesterwerk en enigszins gehavend, houdt er de rokers gezelschap. Haar verdwenen voet, denk ik soms, zorgt voor een poëtisch evenwicht met de spoorloze hand van Mathieu Ignace van Brée.
[Literatuur] – De slechte vrienden van Jet Jorssen.
Na de dood van haar echtgenoot Karel De Cat in 2005 kwam het Letterenhuis in het bezit van het archief van de Vlaamse schrijfster Jet Jorssen (1919-1990). Dat gebeurde door bemiddeling van prozaschrijver Willy De Bleser (1934-2010). De correspondentie van Jorssen belicht haar literaire en journalistieke activiteit en haar politieke contacten en sympathieën.
In 1973 neemt Jorssen deel aan de tweejaarlijkse Literaire Reinaertprijs van de uitgeverij DAP-Reinaertuitgaven. Dat kantoren van de uitgeverij “van de Christelijke arbeidersbeweging” zijn gevestigd in het Oost-Vlaamse Zele. Jorssens manuscript draagt de titel Och, Siemenis kinderen. Dat is een Antwerpse uitroep, waarmee men uitdrukking geeft aan verwondering of medelijden. Het boek is een familiekroniek die begint in de 19de eeuw.
Brood
De jury die de roman beoordeelt, bestaat uit drie personeelsleden van de uitgeverij en de literatuurhistoricus prof. R.F. Lissens (1912), de recensent Paul Hardy (1908-1977) en de dichter Hubert Van Herreweghen (1920). Dat zij Och, Siemeniskinderen niet bekronen, is niet zo verwonderlijk. Het gaat om een traditionele, niet bijzonder goed geschreven roman zonder veel literaire ambities. Toch ziet uitgever Antoon Van Acker er wel brood in. Hij wil Och Siemeniskinderen “mits inkorting van bepaalde passages en een beter slot” uitgeven.
Nog voor de roman naar de drukker gaat, ontvangt de uitgever het vervolg, maar daarover wil Van Acker pas praten wanneer blijkt dat deel 1 “in de smaak van het publiek is gevallen.”
De 6.000 exemplaren van Och, Siemeniskinderen komen in september 1974 van de pers, mooi op tijd voor de Boekenbeurs. Ondanks zijn aanvankelijke reserves wisselen Jorssen en de uitgever van gedachten over een nieuw eerste hoofdstuk voor het vervolg, waarvoor het “fondscomité” de titel Wat nu, Sinjoor? bedenkt.
Huidige vorm
Op 5 september 1975 krijgt de schrijfster haar presentexemplaren. Intussen heeft ze de DAP-Reinaert Uitgaven het manuscript van Tegenstoom bezorgd, het derde deel van wat dus een trilogie blijkt te zijn.
Van Acker schrijft op 10 september dat Tegenstroom “in zijn huidige vorm” niet geschikt is voor publicatie. Tegelijk deelt hij mee dat Wat nu, Sinjoor? Wordt opgenomen in de Reinaert Romanreeks 1976-1977.
Voor een tweede beoordeling van Tegenstroom roept de uitgever de hulp in van een “externe” lector die geen lid is van de jury van de Literaire Reinaertprijzen 1975. Het gaat om Rik Clement. Diens leesrapport is niet bewaard gebleven, maar het luidt negatief: het manuscript kan niet bij de uitgeverij verschijnen.
Het probleem bestaat erin dat Jorssen zich erg positief uitlaat over de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat is niet verwonderlijk: de schrijfster wordt vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog lid van de rechtse Dietsch Opvoedkundige Beweging van de jonge leraar Bert Van Boghout (1916-2003).
Vrouwen in Vlaanderen schrijven nu
Tijdens de bezetting leidt zij de meisjesafdeling van de Vlaamsche Jeugd; daarna geeft ze les aan de Vlaamsche School in Antwerpen, die gesteund wordt door de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag). Deze laatste organisatie leunt aan bij de SS. Jorssen begeleidt ook vakanties die de DeVlag voor de kinderen van sympathisanten organiseert in Duitsland (Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, deel II, pp. 1594-1595).
De weigering van de uitgeverij om haar boek uit te geven, leidt niet tot een definitieve breuk met Jorssen. Ze werkt nog mee aan de bundel Vrouwen in Vlaanderen schrijven nu die in 1977 van de pers komt. Hij bevat verhalen van oudere en jongere schrijfsters die zowat het hele ideologische en literaire spectrum vertegenwoordigen.
Toch tilt Jorssen zwaar aan de beoordeling van Clement. Zijzelf en recensenten, onder wie Gaston Claes (1917-1988) van Gazet van Antwerpen, vinden haar relaas over collaboratie en repressie “objectief”, schrijft ze aan Antoon Van Acker.
Nog meer gebelgd is de schrijfster over het oordeel van andere lectoren die van literaire “minder-waarde” hebben gewaagd. Ze moeten “op zijn minst bevooroordeeld geweest zijn,” meldt Jorssen op 30 maart 1977 aan de uitgever. Hoe is het mogelijk, vraagt zij zich af, dat ze spreken van een “gemis aan epische sterkte” in een roman “van zulk allure, waar zulk een vaart in zit, dat de lezers geboeid worden van de eerste tot de laatste letter”?
Roerdomp
Jorssen slaagt erin het derde deel van haar trilogie onder te brengen bij de kleine uitgeverij De Roerdomp van Joris Lombaerts (1936-1991). Het boek krijgt de definitieve titel En toch, Brabo. Lang duurt het niet voor Lombaerts eraan denkt de drie delen samen in één band op de markt te brengen. Jorssen vraagt Van Acker als uitgever van de eerste twee of hij daarmee instemt. Maar de voorwaarden van de DAP-Reinaert Uitgaven blijken van dien aard dat De Roerdomp maar één druk van de volledige trilogie kan brengen.
“U hebt mij onnoemelijk veel last en leed bezorgd met uw beslissing,” schrijft Jorssen op 12 oktober 1977 aan Van Acker. “Ik lijd al vele maanden aan een zware depressie als gevolg van uw besluit. […] Ik vraag u dringend mij zoiets niet aan te doen en de rechten van de twee delen over te maken aan de Roerdomp.” Blijkbaar doet Van Acker dat ook, want op 9 november dankt de schrijfster hem voor zijn “welwillendheid om de rechten van mijn twee romans […] af te staan.”
Ilse Carola Salm
Jorssens “objectiviteit” bij de beschrijving van collaboratie en repressie is twijfelachtig. Terwijl de schrijfster aan de oppervlakte een normaal leven leidt – ze geeft jarenlang les in het vrij onderwijs, werkt bijna twintig jaar (van 1965 tot 1993) als agony aunt mee aan het populaire weekblad Zie Magazine en is bijv. lid van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen – onderhoudt ze de allerbeste relaties met extreemrechts.
Vanaf de tweede helft van de jaren 1970 heeft Jorssen opnieuw epistolair contact met de kleurrijke Van Boghout. Die ligt na zijn gevangenisstraf wegens militaire collaboratie in de jaren 1950 mee aan de basis van de organisatie Were Di. Hij publiceert geregeld in het radicaal nationalistische tijdschriftje Dietsland-Europa dat hij verspreidt via zijn krantenwinkel tegenover het Antwerpse Noorderterras. Van Boghout is ook betrokken bij de oprichting van het Vlaams Blok. (NEVB, deel I, p. 533-534) Were Dit zal in 1987 Jorssens autobiografische geschrift Vlucht en Repressie uitgeven.
Flandernfahrten
De schrijfster correspondeert intussen ook met de Duitse publiciste Ilse Carola Salm (1911-2007). In reguliere naslagwerken is over Salm (nog) niets te vinden. Duitse websites signaleren dat zij tijdens de Tweede Wereldoorlog bestuurslid is van de nazistische Bund deutscher mädel. Zodra dat na de nederlaag in 1945 opnieuw mogelijk wordt, ontwikkelt Salm activiteiten in zowat alle geledingen van Duits extreemrechts – van een steunfonds voor oud-leden van de Waffen-SS tot de jeugdorganisatie van de NPD.
Ze publiceert artikelen in blaadjes als Deutschen Stimme, Nation & Europa en Deutschland in Geschichte und Gegenwart. Bovendien verzorgt ze de relaties met de Vlaamse geestverwanten. Zo organiseert ze een jaarlijks groepsbezoek aan de Ijzerbedevaart en onderhoudt ze contacten met de organisatie Voorpost. Een en ander wordt bevestigd door haar correspondentie met Jet Jorssen.
Jorssen en Salm leren elkaar kennen in de jaren 1980. Uit de brieven van Salm blijkt dat ze elkaar tijdens Salms jaarlijkse Flandernfahrten (met als hoogtepunt de Ijzerbedevaart) in het restaurant De Mutsaert in Grobbendonk ontmoeten. Daar worden informele bijeenkomsten belegd, waarbij o.a. de dichter Marcel Beerten (1919-2004) en de bekende collaborateur Ward Hermans (1897-1992) aanwezig zijn. In 1987 leest Beerten er zijn gedicht Vrouw Griese voor. Aan Jorssen vraagt Salm om Moeders voor de ruit van Blanka Gyselen (1909-1959) te declameren.
Geen geld
Salm brengt Jorssen op de hoogte van haar werk aan de vertalingen van een boek van Ward Hermans en een pamflet van Van Boghout. De Duitse overweegt ook een vertaling van Jorssens roman Vrouwen aan het front over Vlaamse verpleegsters aan het Oostfront en in Duitsland, maar daarvoor heeft de uitgever geen geld.
Uit de correspondentie van Jet Jorssen blijkt dat ze ook causerieën houdt in uiterst rechtse kringen en bijdragen levert aan dito publicaties (Were di, Voorpost, VNJ, enz.).
Ondanks zijn bescheiden omvang, werpt het archief-Jet Jorssen een verhelderend licht op het min of meer clandestiene voortbestaan van het extreemrechtse gedachtegoed in Vlaanderen. Het lijkt er trouwens op dat de betrokkenheid van de schrijfster opnieuw toenam in een periode toen linkse thema’s als abortus, feminisme, seksuele ontvoogding, ontwapening e.d. hoog op de agenda van de media stonden.
[Geschiedenis] De terugkeer van de Red Star Line.
De Belgenland II (foto Michel Wuyts).
Nog dit jaar begint men met de inrichting van het Red Star Line Museum in de historische gebouwen van de rederij aan de Antwerpse Rijnkaai. In 2013 volgt de officiële opening. Het nieuwe museum vertelt de geschiedenis van transmigratie van zo’n twee miljoen mensen via Antwerpen naar Amerika tussen 1873 en 1934. Een groot deel van die landverhuizers kwam uit Oost- en Centraal-Europa. Velen waren Joden, op de vlucht voor de pogroms in het Rusland van de tsaren. De belangstelling vanuit de Verenigde Staten is groot. Maar ook Belgen emigreerden destijds naar Amerika; zij deden dat zelfs al vòòr de Red Star Line in het leven werd geroepen.
In Vlaanderen moet de huisnijverheid het vanaf de jaren 1840 afleggen tegen de concurrentie van de industrie in het buitenland. Slechte graanoogsten en de aardappelziekte botrytis zorgen vanaf 1844-1845 voor hongersnood. Velen denken dat voor hen in België geen toekomst meer is weggelegd en besluiten te emigreren naar het beloofde land, Amerika. De ontdekking van goud in Californië sterkt heel wat mensen in dat voornemen.
Hoeveel Vlamingen in die jaren de Atlantische Oceaan oversteken, is niet duidelijk – het historisch onderzoek loopt nog volop. Ze vertrekken vanuit Antwerpen per zeilschip naar de Nieuwe Wereld – een hachelijke overtocht in slechte omstandigheden, die weken in beslag neemt.
Goudland
Dat de uitwijkelingen met velen zijn, blijkt uit het feit dat de schrijver Hendrik Conscience het in 1863 nodig vindt om tegen de “gevaren” van de emigratie te waarschuwen met zijn roman Het Goudland. De goudkoorts is dan al voorbij, maar de uittocht naar Amerika niet. Na de burgeroorlog tussen het noorden en het zuiden heeft men in de Verenigde Staten arbeidskrachten nodig. De lonen zijn er relatief hoog en de overheid maakt het ingeweken Europeanen gemakkelijk om aan een stuk grond te komen.
De komende decennia wordt lokroep van de Nieuwe Wereld alleen maar luider – niet alleen in België, maar in heel Europa. Antwerpen is aantrekkelijk als vertrekhaven omdat het sinds 1843 per spoorweg bereikbaar is vanuit Keulen. Dat betekent een groot voordeel voor migranten uit Duitsland en Centraal-Europa.
De stad profiteert dan ook mee van de eerste grote migratiestroom die duurt van ca. 1835 tot 1855. Daarna treedt een vertraging in, mee veroorzaakt door het feit dat er nog geen geregelde diensten per stoomboot bestaan. Intussen worden ook Bremen en Hamburg in Duitsland en Rotterdam belangrijke emigratiehavens.
Weldra worden echter rederijen in het leven geroepen die over genoeg kapitaal beschikken om tussen Antwerpen en Amerika op geregelde tijdstippen stoomschepen te laten varen. Dat zijn meteen grotere vaartuigen, zodat in een keer veel meer passagiers kunnen meevaren. Bovendien maken ze de reis veel korter: twee weken in plaats van 45 dagen. Een en ander drukt de prijs van de overtocht. Tien tot veertig dollar (naargelang de koers van de Belgische frank) betalen de landverhuizers.
Red Star Line
Red Star Line is niet de naam van de rederij, maar een handelsmerk. De boten zijn het eigendom van de Société Anonyme de Navigation Belgo-Américaine, een Belgische dochter van de International Navigation Company uit Philadelphia. Het Amerikaanse bedrijf wordt opgericht in 1871 om aardolie van de pas ontdekte velden in Pennsylvanië naar Antwerpen te brengen. Dat is immers op weg om de belangrijkste petroleumhaven van Europa te worden.
Als retourvracht, denkt men, kunnen dezelfde (!) schepen immigranten uit de Oude Wereld naar Amerika brengen. Maar dat vindt de Amerikaanse overheid toch te gortig: ze verbiedt reizigers te vervoeren met olieschepen, ook als die leeg zijn. Daarom gooit de maatschappij het definitief over een andere boeg en legt zich toe op het verschepen van landverhuizers.
Het eerste stoomschip dat zij in de vaart neemt, is de Vaderland (later komt er nog een Vaderland II). Alle boten van de lijn krijgen een naam op “-land”, kwestie van de herkenbaarheid van het merk te vergroten. De Westernland van 1883 is een staaltje van spitstechnologie: het schip is helemaal van staal. Het kan zo’n 800 “tussendekpassagiers” of landverhuizers meenemen. Maar er zijn ook 30 tot 70 plaatsen voor passagiers die eerste klas reizen.
De emigratie via de Scheldestad wordt big business. In 1885 leggen al twaalf rederijen zich erop toe. De schepen van de Red Star Line vertrekken aan de Rijnkaai, waar volgens de overlevering in vierentwintig huizen vijfentwintig kroegen zijn gevestigd. De maatschappij onderhoudt de allerbeste contacten met het stadsbestuur en krijgt allerlei voordelen, zoals een monopolie voor het vervoer van poststukken naar de VS.
Joden
De migranten komen vooral uit Midden- en Oost-Europa, uit Rusland, Polen en Galicïe (een onderdeel van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk). Enkele decennia later dan in Vlaanderen maakt ook daar de industrialisatie een einde aan het thuiswerk en veroordeelt velen tot werkloosheid. Voor veel jonge mannen is emigratie tenslotte een manier om te ontsnappen aan de dienstplicht.
In Rusland wordt de joodse bevolking geregeld het slachtoffer van pogroms, uitbarstingen van antisemitisch geweld. In 1893 reizen zo’n 5.000 Joden via Antwerpen naar Amerika; in 1914 zijn het er al 20.000. Aanvankelijk komen ze vooral uit Nederland en Duitsland, maar aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog is de helft afkomstig uit Rusland en Oostenrijk-Hongarije.
De rederijen hebben agenten in de landen waar de landverhuizers vandaan komen. Zij ronselen klanten en regelen hun reis van vertrek- tot aankomstpunt. De landverhuizers bereiken Antwerpen in treinwagons (“vierde klasse”) zonder enig comfort of slaapplaatsen.
Ze moeten hun intrek nemen in logementshuizen bij de haven. Vaak is daar niet genoeg ruimte voor de grote aantallen gasten. De hygiënische omstandigheden laten veel te wensen over. Mensen slapen in de kelder; toiletten worden niet gereinigd. Er is sprake van afpersing en willekeur. Vanaf 1880 komen er echter speciale hotels in de buurt van het station, waar tot 200 landverhuizers kunnen overnachten. De Red Star Line zal zelf huizen kopen en inrichten opdat zij er kunnen overnachten. Maar dat maakt geen eind aan de wantoestanden elders. Grosso modo genieten de Antwerpse logementen een slechte reputatie.
Eugeen Van Mieghem
Tussen 1880 en 1899 reizen jaarlijks gemiddeld een kleine 30.000 emigranten via Antwerpen naar Amerika. Tussen 1900 en 1913 verdubbelt dat aantal. Bij oppervlakkige, slecht uitgevoerde medische controles in open lucht (!), in een hangar of aan boord van het schip, maakt men uit of de kandidaat-passagiers al dan niet aan een besmettelijke ziekte lijden. Het is de Amerikaanse Quarantine Act – de Amerikanen zijn als de dood voor cholera – van 1892 die de Europse overheden doet wakker schrikken. Vanaf 1908 spoort een sanitaire dienst zieke landverhuizers al op in het Centraal Station om de uitbraak van cholera te voorkomen.
Toch vraagt de Red Star Line zelf in 1893 toelating voor de bouw van een behoorlijk verwarmd lokaal voor de “berooking van het reisgoed en de geneeskundige schouwing der tusschendekpassagiers”. Uit getuigenissen van o.a. de Joods-Amerikaanse schrijver Sholem Aleichem (1859-1916) die in 1905 aankomt in New York blijkt dat de landverhuizers de medische controles in Antwerpen beangstigend vinden.
De landverhuizers verblijven maar enkele dagen in de Scheldestad. Ze mogen zich niet mengen onder de bevolking, alweer om de verspreiding van ziektes te voorkomen. Maar ze vallen op in het stadsbeeld. Dat blijkt uit de talrijke schilderijen met migranten van de kunstenaar Eugeen Van Mieghem (1875-1930) die hen met veel empathie afbeeldt in hun armoedige en exotische kledij.
De doeken van Van Mieghem vormen een noodzakelijke aanvulling bij de fraaie, maar bijzonder optimistische affiches met hun klare lijnen en heldere kleuren die Henri Cassiers (1859-1944) vanaf 1898 voor de Red Star Line ontwerpt. Daarop kijken personages, vaak in Zeeuwse klederdracht, van op de oever van de Schelde verlangend de oceaanstomers van de maatschappij na.
“Buufstekken”
De schrijver Marnix Gijsen (1899-1984) noteert vele decennia later: “Het was een vreemd en fascinerend schouwspel in mijn jeugd de landverhuizers door Antwerpen te zien opstappen naar de haven of ze aarzelend te zien rondslenteren in de buurt van hun zogenaamde hotels. Ze gaven steeds de indruk van een grote gehaastheid, alsof de engel der wraak hen op de hielen zat.”
Bekend is ook het aangrijpende doek met Belgische landverhuizers bij het Oosters Huis (1890) van Louis Van Engelen (1857-1940). Het schilderij herinnert eraan hoeveel Belgen met de Red Star Line naar Amerika reizen.
Van 1850 tot 1930 emigreren naar de Verenigde Staten alleen zo’n 150.000 Belgen. Ook Canada is populair als bestemming – er is niet alleen ruimte in overvloed, maar in grote delen van het land wordt Frans gesproken. Zuid-Amerika oefent eveneens een zekere aantrekkingskracht uit. De regering van Argentinië ronselt in Europa actief inwijkelingen.
In 1903 gaat in Gent Het gezin Van Paemel van Cyriel Buysse (1859-1932) in première. Het toneelstuk is een rauwe aanklacht tegen de sociale wantoestanden op het Oostvlaamse platteland. Hoop is er alleen voor de twee zonen uit het gezin die uitwijken naar de Verenigde Staten.
Kamiel Van Paemel schrijft aan zijn ouders dat zij zijn vrienden moeten vertellen “dat zij maar spoedig naar Amerika moeten komen en dat zij hier buufstekken zullen eten in plaats van kernemelkpap.”
Buysse, die weliswaar uit een rijke familie stamde, wist wat hij vertelde – hij had als jongeman zelf in de Verenigde Staten gereisd en kon de levensomstandigheden daar vergelijken met die in zijn vaderland.
Quota
In haar topjaar 1912 vervoert de Red Star Line 121.000 reizigers. De Eerste Wereldoorlog maakt echter een abrupt einde aan haar activiteiten. De schepen van de Red Star Line komen op tijd weg. Zolang de Duitse bezetting duurt, varen ze vanuit Engeland, maar niet met landverhuizers. De gloednieuwe Belgenland II doet dienst als troepentransportschip. Pas in 1921 bouwt men het schip op een werf in het Ierse Belfast om tot een luxecruiser.
Even ziet het ernaar uit dat alles na 11 november 1918 opnieuw in de vertrouwde plooi zal vallen. De schepen van de Red Star Line hervatten hun dienst van Antwerpen naar New York in 1919. De toestand in Centraal-Europa en in het revolutionaire Rusland is bepaald niet stabiel. Velen overwegen hun geluk te zoeken in Amerika.
In de Verenigde Staten vindt men echter dat het welletjes is met de ongelimiteerde inwijking uit Europa. Vanaf het begin van de jaren 1920 komen er strenge quota. Scheepskapiteins racen over de Atlantische Oceaan om toch maar in Amerika aan te komen voor die bereikt zijn. Soms moeten ze halverwege terugkeren omdat de scheepstelegrafist onderweg het nieuws krijgt dat er dat jaar geen migranten meer worden toegelaten…
Bovendien stellen de Amerikanen steeds strengere eisen aan de medische controle die de landverhuizers in hun haven van vertrek ondergaan. De Dillingham Emigration Restriction Act noopt de Red Star Line in 1921 tot de bouw van nieuwe installaties met douchecabines, steriele kleedhokjes, een ruimte voor medisch onderzoek en het geven van vaccinaties, enz.
Belgenland II
De Amerikaanse overheid krijgt haar zin. Tussen 1921 en 1924 daalt het aantal migranten met twee derden. Voor de Red Star Line is dat hoogst vervelend. Het dwingt de maatschappij een nieuw publiek aan te trekken: toeristen.
In 1923 loopt de Belgenland II voor het eerst de Antwerpse haven binnen. Het indrukwekkende vaartuig van bijna 30.000 ton met drie schoorstenen (waarvan één just for show) kan voortaan meer dan 2.500 passagiers aan boord nemen, onder wie toch nog een heleboel landverhuizers. Er zijn heeft 530 bemanningsleden aan boord. De Belgenland II is het negende grootste schip ter wereld. Maar de mastodont rendeert niet op de lijn Antwerpen-New York en wordt weldra ingezet voor cruises vanuit New York naar het Caraibische gebied.
Maar het mag niet baten – de beurscrash van 1929 ontwricht de wereldeconomie; de gevolgen ervan laten zich ook in Europa duidelijk voelen. In 1935 komt er een eind aan de activiteit van de Red Star Line. Antwerpen ziet geen landverhuizers meer opdagen.
In 1929 heeft de Antwerpse avant garde schrijver Victor J. Brunclair (1899-1944) een merkwaardig getuigenis gepubliceerd over het vertrek van een schip van de Red Star Line:
“Aan de ‘spare ground’ van de Red Star Line struikelt men over merkwaardige stillevens, waar ongeurige conserveblikjes en verwrongen ijzer het voornaamste plastiese element van uitmaken. De schepen, die men hoogverlicht en geruisloos aan de straatmuil noordwaarts ziet voorbijglijden, varen in een andere wereld.”
“De buikspraak van de zeekolos”
“[…] Zo belanden wij dan, het is scheepsvertrek, en de flanken van de transatlantieker sidderen van ongeduld naar de kozing van het ruime sop, op de Rijnkaai, die a giorno tintelt in de malve avond. Havenlichtjes knipogen. De janmaten maken goede sier. En versufte landratten proeven een rondeken mee. Dat is namelik een recept, om zonder ongemak de zilte plas over te steken. Een deugdelike dozis zatheid traint je voldoende om het rollen van ’t schip triomfantelik te doorstaan. Bombaymannetjes trippelen voorbij en Orientvizioenen doortinten hun gitogen.”
“Gelegenheidsliefjes staan te wenen om het afscheid, en de bootsgezellen beloven plechtig te zullen schrijven. De waardinnen achter de schenkbank zijn duchtig in de weer en houden hun boekhouding met dubbel krijt. Dan begint de buikspraak van de zeekolos. En de orchestrions moeten het afleggen tegen zijn basgeluid. De laatste koopwaar en de laatste manschappen worden aan boord gehesen. Katrollen krijsen voor het laatst. Aan wal begint het gekrijs over heel de lijn. Als de gangway wordt gelicht vlinderen zakdoekjes. Een geïmproviseerd quatuor op het dek heft een vaarwelzang aan zwaar van weemoed en nostalgie. Op het donkere tussendek groezelen Polakken. Korte kommando’s knallen, en adieu, daar gaat ie. De wimpel in top spant zich strak. De schroef waaiert waterparelen. Het schip vaart als een gratievolle reus sierlikschoon de nacht tegemoet.”
Het medisch en administratief controlecentrum voor de landverhuizers komt in handen van de stad Antwerpen. Het complex ondergaat in de loop der tijden allerlei aanpassingen en komt tenslotte voor lange tijd leeg te staan.
Vergetelheid
Antwerpen vergeet zijn geschiedenis als landverhuizershaven. Oude mensen herinnerden zich de legendarische Belgenland II. In families waarvan leden uitweken naar de VS wordt nog weleens over de Red Star Line gepraat. Het Nationaal Scheepvaartmuseum in het Steen toont een model in dwarsdoorsnede van dezelfde Belgenland II en enkele parafernalia. Maar daar blijft het bij.
Pas vanaf de jaren 1990 begint er iets te veranderen. De gedreven collectioneur Robert Vervoort legt een indrukwekkende verzameling aan met objecten die aan de Red Star Line herinneren. Erwin Joos ontfermt zich over het oeuvre van Eugeen Van Mieghem. De bekendheid die hij aan de schilder geeft, draagt bij tot een groeiende belangstelling voor de emigratie via de Scheldestad. Antwerpse politici duwen weldra mee aan de kar.
In 2001 erkent de Vlaamse Gemeenschap een deel van het Red Star Line complex aan de Rijnkaai als monument. Men legt men vanuit Antwerpen contact met de Ellis Island Foundation en het Ellis Island Immigration Museum in New York. Enkele jaren later, na een verkennend onderzoek in België en de Verenigde Staten, richt de stad een werkgroep op die de omvorming van de gebouwen tot een herdenkingsplek met een “museaal-educatieve functie” onderzoekt.
Museum
De stad besluit de Red Star Line-gebouwen over te nemen van het Havenbedrijf. Het Newyorkse architectuurbureau Beyer Blinder Belle Architects & Planners LLP, krijgt de opdracht om de gebouwen in te richten. In 2007 gaat een team aan de slag dat de invulling van het museum moet bepalen. Drie jaar later beginnen de werken aan het gebouw. Momenteel wordt de opvallende toren gemonteerd. Het museum opent zijn deuren in oktober 2013.
Verder lezen:
NAUWELAERTS, MANDY [RED.]. Red Star Line. People on the move. Antwerpen, 2008.
BEELAERT, BRAM. “‘Have you seen the doctor yet?’. Het Red Star Line-hygiëne- en controlestation voor emigranten als plek van herinneringen.” In Brood en Rozen, 2010, pp. 5-23.
*****
Het Red Star Line Museum
“Het Red Star Line Museum wil meer bieden dan nostalgie,” zegt Bram Beelaert. Hij is consulent wetenschappelijk werk bij het museum in oprichting en publiceerde een boeiend artikel over de Red Star Line en de emigratie via Antwerpen in het tijdschrift Brood en Rozen.
“We proberen de emigratie naar Amerika te plaatsen in de brede context van de menselijke mobiliteit, met een link naar de actualiteit.”
“We maken een en ander duidelijk aan de hand van een tijdlijn met twintig belangrijke momenten uit de geschiedenis van de menselijke migraties. Een multimedia-opstelling laat doormiddel van beelden zien dat er verschillende soorten migratie zijn. Zo zoeken we een antwoord op vragen als ‘wat is een migrant?’ en ‘wat betekent migreren.”
Het Centraal Station, waarlangs ontelbare migranten arriveerden in Antwerpen. Prentbriefkaart (a).
“De bezoeker krijgt informatie over het verloop van de reis van een landverhuizer: zijn bezoek aan een reisbureau van de Red Star Line, de plaats waar hij vertrekt, zijn reis per trein naar Antwerpen, de procedure die hij moet ondergaan, de inscheping en het leven aan boord, de aankomst in Ellis Island en wat er daarna met hem gebeurt.
“We onderzoeken waar landverhuizers terechtkwamen en of daar al dan niet gemeenschappen bestonden van mensen met dezelfde streek van herkomst.
“We besteden aandacht aan het verhaal van mensen die in hun nieuwe vaderland succes kenden, zoals de componist Irvine Berlin. Van hem laten we een piano laten zien die we van zijn familie gekregen. Maar ook de lotgevallen van degenen die geen plaats vonden en naar Europa moesten terugkeren, komen aan bod. Tot de landverhuizers die Amerika niet in mochten, bijv. omdat ze ziek waren, behoorden natuurlijk ook Joden. Sommigen van hen werden nadien het slachtoffer van de Holocaust.”
“Binnen de opstelling vertellen vijf minitentoonstellingen de meest aangrijpende verhalen van migranten.”
Het Red Star Line Museum brengt ook de migratie naar en vanuit Antwerpen anno nu ter sprake.
Beelaert: “Dan doen we aan de hand van een kaart van het huidige Antwerpen – in zekere zin een hedendaagse Hypsoskaart.” De beroemde Hypsoskaart uit 1913 is een reusachtige en gedetailleerd panorama van Antwerpen in die tijd. Ze is te zien in het MAS).
Hebben de samenstellers van de tentoonstelling de archieven van de Red Star Line kunnen inkijken?
Beelaert: “Het archief van de Red Star Line zelf is verloren gegaan. Dat is natuurlijk jammer. Maar er zijn tal van andere archieven die materiaal en informatie over de rederij en haar passagiers bevatten: het Rijksarchief en het Provinciaal Archief hier in Antwerpen, maar ook aan het archief van de Belgische emigratiedienst en dat van het ministerie van Buitenlandse Zaken. In die laatste zitten verslagen van de Belgische commissaris voor emigratie, statistische jaarrapporten, klachtendossiers en noem maar op.”
“De verslagen van de Galicische politie worden bewaard in Krakau in Polen; ook in Moskou is informatie te vinden over landverhuizers. Uiteraard bevatten oude kranten verhalen over de emigratie. De interessantste hebben we ze opgepikt en uitgewerkt. Daarnaast hebben we dank zij een Amerikaanse genealoge afstammelingen van landverhuizers gecontacteerd die ons familieoverlevingen meedeelden. E inforamùtie over historische personages zijn we O.a. op Ellis Island op het spoor gekomen.”
En de stukken in het museum? Waar komen die vandaan?
Beelaert: “Een groot deel van de objecten die we tentoonstellen, zijn eigendom van de VZW Vrienden van de Red Star Line. Het gaat om de collectie die in de loop der jaren is bijeengebracht door Robert Vervoort, een gewezen havenarbeider. Hij begon in de jaren 1990 met zijn collectie. De VZW stelt ze ons in bruikleen ter beschikking. Het gaat om allerlei memorabilia, van asbakken over affiches en koffiekopjes tot foto’s.”
“Uiteraard tonen we ook facsimile’s van archiefmateriaal en foto’s uit familieverzamelingen. Daarnaast zijn er reiskoffers en allerlei documenten waarover een landverhuizers moest beschikken. Van een Canadese familie kregen we een wafelijzer en pannen die hun voorouders voor alle veiligheid meenamen uit Europa. Je wist maar nooit of ze die dingen in Amerika wel hadden.”
Het Red Star Line Museum gaat open op 27 september 2013.
[Column] Chronologie is de moeder van de geschiedenis.
(Foto Hannie Rouweler, februari 2012).
De kroning van Karel de Grote? 800. De Slag der Gulden Sporen? 1302.
1648? De Vrede van Munster. 1903? De eerste vlucht van de Kitty Hawk, het vliegtuigje van de gebroeders Wright.
Cijfers en de onbuigzame logica van mijn computer drijven mij soms tot wanhoop. Ik heb woorden nodig, de relatieve plooibaarheid van grammatica en zinsbouw. Dat ik met data niet zo’n probleem heb komt doordat data getallen met een verhaal.
Veel mensen vinden data moeilijker om te onthouden dan wiskundige formules, zeggen ze. Blijkbaar menen pedagogen en de lieden die eindtermen voor het onderwijs verzinnen sinds de jaren 1970 dat het daarom zelfs niet meer nodig is voor leerlingen en studenten om het te proberen.
Twintig jaar geleden gaf ik mijn achternichtje bijles in het vak geschiedenis. Ze moest de Franse revolutie en de Belgische staatshervorming kunnen uitleggen. Of die voor of na de Romeinen kwamen, had geen belang.
Twee weken geleden ontmoette ik een “kunstwetenschapster” – het vak kunstgeschiedenis heet in Belgïe sedert enige tijd “kunstwetenschap” – die mij raad vroeg over een tentoonstelling die ze organiseert. “Nee,” zei ze, gedecideerd, “we geven geen saai chronologisch overzicht”.
“Saai” en “chronologisch”. Alsof het synoniemen waren. Gelukkig hoorde ik een paar dagen later op radio Klara: “De chronologie is de moeder van de geschiedenis.” Ik ben vergeten wie de ware woorden sprak; ze stemden mij gelukkig, dat weet ik nog wel.
“De chronologie is de moeder van de geschiedenis.”
De moeder. De vader. De ruggengraat. De hoeksteen. De basis.
Aan geschiedenis doen, is proberen het verleden te begrijpen. Oorzaken van gevolgen scheiden. Daarvoor moet je weten wat eerst komt en wat later. Dat is geen kwestie van kip of ei.
Volgens de quantumfysica, lees ik in Eos, kunnen dingen zich tegelijk op verschillende plaatsen bevinden en loopt de tijd soms omgekeerd. Ik dat niet, maar ik wil het best geloven. Alleen verandert het niets aan de manier waarop wij, hier in het ondermaanse, het verloop van de tijd ervaren.
Microkosmos, macrokosmos. Onze hersens en de trage dans van de hemellichamen.
Wij herinneren ons dat we kinderen waren. Ook wie geen ouder is, voelt we de drang om kinderen te beschermen. In de loop der jaren krijgen we onwrikbare overtuigingen en even onwrikbare wervels. Rugpijn, stramheid en minder seks worden ons deel. Wie ouder is dan wijzelf, zien we opeens het laatste stuk aanvatten van de weg naar de dood.
Ook de stand van zon, maan en sterren en de wenteling van de seizoenen zadelden ons millennia geleden op met tijdsbesef. Onontbeerlijk voor wie wilde weten wanneer de jacht begon, er moest gezaaid worden of de oogsttijd aanbrak.
Tijd en zijn indeling maken onverbrekelijk deel uit van ons bewustzijn. Dat was al zo toen wij onze mythen nog letterlijk namen en toen in de eerste annalen de namen van koningen en dynastieën, rampen, oorlogen en de bedrieglijke woorden van profeten werden opgetekend.
Eeuwige wederkeer der dingen? Heilsgeschiedenis met aan het eind de klassenloze maatschappij of een ander Laatste Oordeel? Of business as usual tot binnen vijf miljard jaar de zon implodeert?
Wat ervan zij – ik maak even abstractie van wijsbegeerte en het quantumgebeuren – fenomenen vloeien voort uit eerdere fenomenen. Om daarmee aan de slag te gaan, moet je ze in de juiste volgorde kunnen zetten. Chronologische volgorde. Daar zijn dan weer data voor nodig.
Chronologie is best spannend. Waarom anders vertellen de makers van televisiethrillers ons dat het 12 uur is op woensdag 21 maart en dat sinds de ontdekking van het lijk twaalf dagen zijn verlopen?
Historisch begrip is in de eerste plaats een kwestie van chronologie. Lastig? Niemand heeft ooit gezegd dat geschiedenis eenvoudig is. Wiskunde en autorijden zijn dat ook niet. Alleen heb ik nooit iemand die aan wiskunde wilde doen of ging leren rijden, horen weigeren de regel van drie of de volgorde van zijn versnellingen te onthouden.




































