Er was een
tijd dat een pijp zoiets als een secundair geslachtskenmerk was van de mannelijke
historicus en van alle heren die zich inlieten met de letterkunde. Het
Letterenhuis bewaart niet voor niets tientallen pijpen. Het meerschuimen
exemplaar van Maurice Gilliams is beslist de mooiste. Gilliams was natuurlijk ook
de grootste ijdeltuit uit onze literaire geschiedenis. Voor een schrijver die
zichzelf vakanties in een heus familiekasteel toedichtte, was een houten pijp
te min.
Maar toen
ik bijna een halve eeuw geleden mijn eerste (goedkope) pijp en een pakje
zoetgeurende Clan kocht, had dat niets met Gilliams te maken. Van hem kende ik
alleen een passage uit Winter te Antwerpen, waarvan wij van onze lerares
Nederlands een paragraaf uit het hoofd moesten leren.
Ik wou eigenlijk alleen op mijn pa en mijn bompa lijken – een soort pueriele drang tot identificatie met mannelijke autoriteitsfiguren die te aardig waren om tegen te revolteren, ook al woedden toen de jaren 1970.
In het
begin maakte die pijp mij misselijk. Gelukkig is pijproken zoiets als olijven
eten of Cognac drinken: na verloop van tijd vind je het fijn. Ook al ruilde ik
de Clan voor andere tabakssoorten- en merken om uiteindelijk te stranden bij
die ondergewaardeerde nationale trots, Semois.
Soms vraag
ik me af of mijn beroepskeuze eigenlijk niet het gevolg is van mijn rookgedrag.
Toen ik geschiedenis studeerde, was ik al ervaren genoeg om met enige
minachting de pogingen gade te slaan van een hoogleraar die zich op rijpere
leeftijd het pijproken probeerde eigen te maken. Hij had een grote, kromme
grootvaderspijp aangeschaft.
Tijdens het
examen historische kritiek zat hij zo sukkelachtig aan het ding te lurken dat
mijn concentratie er ernstig onder leed.
Ja, roken
mocht toen nog zowat overal. En in een rokerscoupé op de trein zorgde mijn pijp
ervoor dat ik, behalve misschien in de spits, vier stoelen voor mezelf had. Geen
wonder dat ik verslaafd werd aan de boeken van Georges Simenon, die andere
Belgische glorie.
Pijproken was toen al hopeloos uit de mode; vandaag is het iets zoals heksenwaan of de overtuiging dat je door naar het westen te zeilen in Indië komt. Maar dat is toch vooral in België zo – het Internet heeft mij laten kennismaken met tientallen, soms indrukwekkende winkels en webshops (The Danish Pipe Shop in Kopenhagen, bijvoorbeeld, of La Pipe du Nord in Parijs) en artisanale pijpenmakers.
Er is hoop en er is keuzestress. Mijn vader liet zijn pijp pas los toen dokter Alzheimer hem al helemaal in zijn greep had. Ik hoop dat ik mijn pijp mag vasthouden tot ik dood ben.
Sinds een paar maand rijd ik met een Volkswagen Caddy van de Stad Antwerpen naar allerlei plekken in Vlaanderen om archief op te halen.
De lieden bij wie ik over de vloer kom, zijn schrijvers, hun nazaten, verzamelaars van handschriften of bestuurders van literaire verenigingen. Heel verschillende lieden.
Nu eens moet ik in een rijhuisje zijn, dan weer in een villa in Sint-Martens-Latem waar museale kunst aan de muren hangt. Het roept herinneringen op aan de tijd toen ik bij een krant werkte en het culturele nieuws van hot naar her op de hielen zat.
Niet iedereen vindt het gemakkelijk om archief over te dragen aan een onbekende in een witte auto. Soms is het een moeilijk afscheid, al lees ik op vele gezichten ook opluchting. Iets is afgerond en eindelijk is al die rommel uit de gang.
Ik begrijp dat goed – ik ben zelf erfgenaam en bewaarder van dertig strekkende meter literair archief. De opluchting heeft ook te maken met het feit dat de meneer in de witte auto het archief van pa of nonkel meeneemt naar een soortement eeuwigheid – het verduldige Letterenhuis waar archivarissen met witte katoenen handschoenen er teder de paperclips en plastic mapjes uit verwijderen omdat die niet goed zijn voor het papier.
Een heel gedoe, zeker omdat veel mensen hun papieren daar bij voorkeur mee bij elkaar houden. Enfin, ik heb me laten vertellen dat collega’s ooit een archief ophaalden dat door de verongelijkte ex van een weggelopen dichter in het kippenhok was ondergebracht. Zoiets heb ik zelf gelukkig nog niet beleefd.
Kippen zijn stomme beesten die je best opeet in de vorm van worst zodat niets aan hun gescharrel of gekakel herinnert. Dat laatste geldt evenzeer voor bepaalde dichters. Maar breek mij de bek niet open. Archivarissen en oude krokodillen hebben beroepsgeheim. En dat nemen ze terecht heel ernstig.
Wanneer ik, gelukkige zoals Odysseus, terug ben van mijn reizen stap ik weleens door het depot, langs de eendere achterkant van honderden archiefdozen. En dan denk ik: wij hebben van jullie allemaal het beste meegebracht en daar blijven we voor zorgen.
Pieter-Paul Rubens, “Pastorale in een landschap” (foto Rubenshuis).
Pieter-Paul Rubens is een kind van de Antwerpse diaspora. Hij wordt op 28 juni 1577 geboren in het Westfaalse stadje Siegen. Zijn ouders zijn de jurist Jan Rubens, oud-schepen van Antwerpen, en Maria Pijpelincx. Jan Rubens heeft aan de universiteit van Leuven gestudeerd en zijn studies voortgezet in Italië. In 1562 wordt hij schepen van zijn vaderstad Antwerpen. Jan Rubens koestert sympathie voor het calvinisme. Hij treedt zelfs op als contactpersoon tussen de Antwerpse calvinisten en Willem van Oranje.
Overspel
Eind 1568, na de komst van Alva, nemen de Rubens’en het zekere voor het onzekere en slaan op de vlucht. In 1569 strijken ze neer in Keulen. Jan Rubens treedt op als advocaat van Anna van Saksen, de vrouw van Willem van Oranje. Zij verblijft in het kasteel van het nabije Siegen. In 1570 blijkt Anna zwanger van… Jan Rubens. De Oranjes kunnen daar niet mee lachen en slaan de ex-schepen in de boeien.
Pieter-Paul Rubens, Zelfportret.
Maria Pijpelincx stelt alles in het werk om haar man vrij te krijgen. Ze verhuist naar Siegen. Uiteindelijk dreigt ze ermee het overspel van Anna van Saksen publiek te maken. Daarop zijn de Oranjes bereid Jan vrij te laten – voor een losgeld van 6.000 thalers.
Maria slaagt erin dat bedrag bijeen te brengen. Jan wordt in 1573 op vrije voeten gesteld. Maar het echtpaar moet onder toezicht in Siegen blijven wonen. Maria is verplicht om kamers in haar huis onder te verhuren en ze kweekt groenten in de tuin. In 1574 wordt hun zoon Filips geboren; in 1577 volgt Pieter-Paul.
Antwerpen
Pas in 1583 – Anna van Saksen is dood en Willem de Zwijger is hertrouwd – keert het gezin Rubens naar Keulen terug. Jan Rubens bekent zich weer tot het katholicisme zodat hij opnieuw zijn beroep kan uitoefenen. Na zijn dood in 1587 verhuist Maria Pijpelincx met haar kinderen naar Antwerpen.
Pieter-Paul Rubens, “Portret van een oude vrouw”, vermoedelijk zijn moeder, Maria Pijpelincx (München, Alte Pinakothek)
Het familiefortuin is blijkbaar niet helemaal op, want ze kan in een fraaie patriciërswoning aan de Meir vestigen en huwelijkt haar dochter Blandina uit aan een rijke koopman.
Pieter Paul stuurt ze naar de school van meester Rumoldus Verdonck waar Balthasar I Moretus, de kleinzoon van Plantin, zijn medeleerling is. Rubens leert er grondig Latijn en Grieks. Zijn belangstelling voor de klassieken valt meer op dan zijn drang om te tekenen: hij beperkt zich tot het kopiëren van de illustraties in een Bijbeluitgave uit 1576.
Omdat Maria beseft vindt dat haar jongste zoon meer moet kennen dan Grieks en Latijn om in de wereld vooruit te komen, helpt ze hem aan een baantje als page van de gravin van Lalaing die in Oudenaarde woont. De bedoeling is dat hij zich leert bewegen in een aristocratisch milieu. Hij blijft een jaar.
Verhaecht en Van Veen
“Hij kon niet weerstaan aan de roeping die hem naar de schilderkunst dreef,” schrijft Rubens’ biograaf Sandrart. “Uiteindelijk kreeg hij van zijn moeder de toelating om er zich geheel aan te wijden.”
Otto van Veen (a).
Op zijn vijftiende gaat Pieter Paul in de leer bij de schilder Tobias Verhaechtdie in 1595 deken van het Sint-Lucasgilde is geweest. Verhaecht is een ver familielid en een lutheraan. Na enkele maanden stapt Pieter-Paul over naar het atelier van Adam van Noort, de toekomstige schoonvader van Jacob Jordaens (Van Noort leidt in totaal 33 leerlingen op, onder wie Rubens, Jordaens en Hendrik van Baelen). Ook Van Noort belijdt min of meer clandestien het protestantisme.
Tenslotte komt de jonge kunstenaar in het atelier van Otto Van Veen (Leiden, 1556) terecht. Van Veen is een geletterde schilder, doordrongen van de klassieke geest. Hij leert Rubens alles over compositie en allegorie en stimuleert zijn interesse voor de intellectuele kant van het artistieke werk. Pieter Paul zal vier jaar bij Van Veen blijven en werkt met hem mee aan de versieringen voor de intrede van Albert en Isabella in 1599.
Italië
Rubens’ drie jaar oudere broer Filips is intussen huisleraar geworden van de zoons van Jean Richardot, de voorzitter van de Geheime Raad in Brussel. Hij studeert samen met hen in Leuven bij de beroemde humanist en classicus Justus Lipsius.
Pieter-Pauls leertijd zit erop; hij mag zich meester in het Sint-Lucasgilde noemen. Op aanraden van Van Veen vertrekt hij in in 1600 naar Italië. Hij treedt er in dienst bij hertog Vincenzo Gonzaga van Mantua. Die vorst bezit twee paleizen vol schilderijen van Corregio, Rafaël, Titiaan, Andrea del Sarto en andere Italiaanse groten. Hij verzamelt ook Griekse en vooral Romeinse beelden.
Vincenzo Gonzaga door Frans II Pourbus (foto Wikipedia)
Om zijn broodheer van goede kopies van beroemde schilderijen te voorzien, reist Rubens vanuit Mantua naar Firenze en Rome. Hij bezoekt ook andere steden. Overal verkijkt hij zich aan de antieke kunst, de meesters van de Renaissance en zijn Italiaanse tijdgenoten. Tussendoor schildert hij retabels en portretten.
In 1603 stuurt de hertog hem naar Spanje met geschenken voor koning Filips III, in de hoop dat deze Mantua politieke bescherming zal bieden. Het wordt de eerste diplomatieke missie van de schilder. In Madrid kopieert Pieter-Paul werk van zijn grote voorbeeld Titiaan. Hij knoopt relaties aan met de hertog van Lerma van wie hij een ruiterportret schildert – volgens sommigen zijn eerste echte meesterwerk.
Dood van Maria Pijpelincx
Van 1605 tot 1607 woont Rubens samen met zijn broer Filips in Rome. Filips is daar bibliothecaris van kardinaal Ascanio Colonna geworden. Nadien reist de kunstenaar terug naar Mantua. Hij vergezelt de hertog naar Genua, waar hij de architectuur van de paleizen bewondert. In 1622 zal hij daarover bij Moretus een boek uitgeven.
Pieter-Paul Rubens, “Isabella Brant”.
In 1608 hoort Rubens dat zijn moeder ziek is en keert terug naar Antwerpen. Maar hij komt te laat: bij zijn aankomst is Maria Pijpelinckx al dood. Hij trekt in bij zijn broer Filips aan de Kloosterstraat. Filips is al in 1607 uit Italië teruggekeerd en in Antwerpen getrouwd met met Maria de Moy, de dochter van een van de vier stadssecretarissen die Antwerpen rijk is, Hendrik de Moy. Bij de dood van diens collega Jan Bochius volgt Filips hem op. Lang zal hij het ambt niet uitoefenen, want hij sterft zelf in al 1611, op 37-jarige leeftijd.
Aartshertogen
Rubens’ reputatie is doorgedrongen tot aan het hof in Brussel. De aartshertogen Albrecht en Isabella benoemen hem in 1609 tot hofschilder, maar hij mag in Antwerpen blijven wonen. Het jaar daarop trouwt de kunstenaar met Isabella Brant, de dochter van de jurist Jan Brant. Weldra bestelt het stadsbestuur op instigatie van broer Filips bij hem een Aanbidding der Koningen voor het stadhuis.
Rubens portretteerde de aartshertogen Albrecht en Isabella (foto MutualArt).
Van het kerkbestuur van de Sint-Walburgiskerk krijgt hij dan weer de opdracht om de Kruisoprichting te schilderen. Dat is te danken aan de koopman en kunstverzamelaar Cornelis van der Geest (1555-1638) die kerkmeester van de Sint-Walburgis is.
Kruisafneming
In De Kruisoprichting voert Rubens Christus voor het eerst ten tonele als een atleet die worstelt met de dood. De diagonale compositie van het middenluik herinnert aan Tintoretto. Aan die schilder en aan Caravaggio ontleent Rubens de sterke contrasten tussen licht en schaduw.
Kort daarop vraagt het gilde der Kruisboogschutters aan Rubens om voor zijn altaar in de Onze-Lieve-Vrouwekerk een Kruisafneming te borstelen. Het werk is klaar in 1612 en maakt ophef wanneer het wordt ingehuldigd. Rubens heeft nu voorgoed zijn stijl gevonden.
Het Rubenshuis aan de Wapper (foto Spotting History).
In 1610 koopt de schilder een huis aan de Wapper. Hij voegt er de komende jaren een atelier in Genuese stijl aan toe, versierd met klassieke beelden en opschriften uit de Romeinse literatuur. Nog voor zijn verhuizing staat Rubens al aan het hoofd van een groot atelier dat hij doet draaien als een goed geoliede machine. Zijn talentrijkste leerling – al verschillen kunsthistorici van mening over de precieze betekenis van die term – en medewerker is van Dyck.
Van Dyck
Van Dyck leidt in opdracht van de meester de vervaardiging van de kartons – in feite volwaardige olieverfschilderijen op formaat 1/1 – voor de reeks wandtapijten De Geschiedenis van Decius Mus. De Genuese zakenman Franco Cattanero bestelt die reeks in 1616 bij de Brusselse tapijtwevers Jan Raes en Frans Sweerts, die op hun beurt Rubens inschakelen voor de ontwerpen.
Antoon van Dyck, “Zelfportret met Zonnebloem”.
De
tapijtcyclus illustreert een verhaal uit de Romeinse geschiedschrijver Livius,
dat nooit eerder het onderwerp is geweest van een kunstwerk.
Rubens kent Van Dyck ook een voorname rol toe bij de totstandkoming van de plafondschilderingen voor de nieuwe jezuïetenkerk. Het gaat om negenendertig plafondstukken. Rubens neemt zelf de twee altaarstukken voor zijn rekening (de plafondschilderingen gaan verloren bij de brand in 1718).
Prenten
De Deense
arts Otto Sperling bezoekt Antwerpen in 1621 en stapt af bij Rubens. “Wij
zagen daar,” schrijft hij, “een grote zaal, zonder vensters, maar
waar het licht door een brede opening in de zoldering viel. In deze zaal zaten
vele jonge schilders, die allen arbeidden aan verschillende werken, waarvoor M.
Rubens hun tekeningen had gegeven, hier en daar met kleur opgehoogd. Deze
schilderijen moesten de jonge lieden geheel in kleur uitvoeren, totdat M.
Rubens ze tenslotte met penseeltoetsen en verwen voltooide.”
Lucas Vortsterman, “De Kruisafneming”, naar Rubens.
Rubens doet er alles aan om zijn werk nog meer
bekendheid te geven doormiddel van prenten. De verkoop daarvan is winstgevend –
op voorwaarde dat de schilder in een bepaald land het alleenrecht verwerft.
Rubens krijgt dat in Spanje en de Republiek. In 1619 wendt Rubens zich tot zijn
vriend Gevartius die in Parijs verblijft om ook een Frans privilegie los te
krijgen. Gevartius brengt de schilder in contact met de jurist en
oudheidkundige Fabri de Peiresc, raadsheer bij het parlement. Rubens en hij
blijven vrienden voor het leven.
“Ik waak er steeds over dat de graveerder zich niet van het model verwijdert,” meldt Rubens aan een correspondent in Nederland, “en ik ondervind minder moeilijkheden om een jonge man van goede wil onder mijn ogen te doen werken dan om de zaak toe te vertrouwen aan volleerde meesters wier fantasie als wet geldt”.
Pook
In 1619 neemt Rubens Lucas Vorsterman in dienst. Die maakt schitterende prenten naar de doeken van zijn opdrachtgever. Maar hij blijkt er een even uitgesproken persoonlijkheid op na te houden. Lang duurt het niet voor hij diep gefrustreerd raakt door zijn ondergeschikte rol. Vorsterman kan er niet tegen dat zijn werk enkel gewaardeerd wordt als vehikel van de “inventies” van Rubens.
Lucas Vorsterman, getekend door Anthony van Dyck (The Fitzwilliam Museum, Cambridge).
Het komt tot hevige ruzies tussen schilder en graveur. Er wordt beweerd dat Vorsterman Rubens te lijf gaat met een pook; in Parijs loopt het gerucht dat Rubens het incident niet heeft overleefd. Vrienden van de schilder richten zich tot de overheid om bescherming voor hem te vragen. Een en ander loopt af met een sisser en Vorsterman vertrekt voor een poos naar Londen. Na zijn terugkeer zal hij opnieuw met zijn vroegere baas samenwerken.
Fabri de Peiresc meldt Rubens dat koningin Marie de Medici, regentes van Frankrijk, twee reeksen schilderijen wil voor haar nieuwe Palais du Luxembourg in Parijs. De eerste moet gewijd zijn aan haar leven, de tweede aan dat van haar vermoorde man Hendrik IV.
Diplomatie
Uiteindelijk voltooit Rubens enkel de eerste serie. Hij reist er meermaals voor naar de Franse hoofstad. In 1625 superviseert hij de plaatsing van drie grote schilderijen stukken van ieder meer dan zeven meter lang, achttien kleinere taferelen en drie portretten. De kunstenaar combineert historische personages met allegorische voorstellingen en klassieke goden.
Pieter-Paul Rubens, “Portret van zijn dochter Clara Serena”.
Aartshertogin Isabella begrijpt dat de hoofse, ambitieuze Rubens met zijn wijdvertakte internationale contacten uiterst inzetbaar is als diplomaat. Zij gebruikt hem voor de realisatie van haar grote politieke ambitie: vrede tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. Omdat directe onderhandelingen voorlopig niets opleveren werkt Rubens vanaf 1627 aan een verdrag tussen Spanje en Engeland. De bedoeling is om zo een eind maken aan de Engelse steun aan de Hollanders. Rubens reist heen weer tussen Londen en Madrid.
In het voorjaar van 1630 verblijft de schilder in Engeland. Koning Karel I slaat hem tot ridder (een titel die ook de Spaanse koning hem enkele maanden later verleent). De Engelse vorst bestelt bovendien plafondschilderingen voor het gloednieuwe Banqueting House van zijn paleis Whitehall. Als onderwerp kiest Karel de regering van zijn vader, James I, die Schotland en Engeland onder een kroon heeft verenigd.
Maria de Medici
Isabella stelt Rubens aan tot haar vertegenwoordiger bij Maria de Medici. Die laatste is haar land ontvlucht en zoekt bescherming zoekt in de Spaanse Nederlanden. Daarna stuurt de aarsthertogin haar hofschilder nog een paar keer naar de Noordelijke Nederlanden om over vrede te praten. Maar veel haalt het allemaal niet uit en Rubens zet een punt achter zijn diplomatieke carrière.
Inmiddels is hij hertrouwd met de 16-jarige Hélène Fourment (hijzelf is 53). Rubens kent de familie Fourment al lang. Helena’s oudere zus Suzanna heeft model gestaan voor Het strohoedje. De kunstenaar zal zijn piepjonge vrouw vaak schilderen. Haar bekendste portret is ongetwijfeld Het Pelsken.
Pieter-Paul Rubens, “Hélène Fourment”, ca. 1630 (foto Wikimedia Commons)
Na de dood van aartshertogin Isabella in
1633 benoemt de Spaanse koning Filips IV zijn broer, de kardinaal-infant
Ferdinand tot nieuwe landvoogd van de Spaanse Nederlanden. Zoals gebruikelijk
zal de nieuwe gouverneur-generaal de voornaamste steden aandoen. Ferdinand komt
in april 1537 naar Antwerpen. Rubens krijgt de opdracht om de hele stad te
decoreren en ontwerpt een indrukwekkend geheel van triomfbogen, poorten, podia
en tribunes. “Ik heb geen tijd meer om te leven en om te schrijven,”
meldt hij aan Peiresc.
Kardinaal-Infant Ferdinand
Rubens levert ontwerpen van een nooit geziene pracht. Voor de uitvoering kan hij reken op de beste schilders van Antwerpen: Jacob Jordaens, Cornelis de Vos, Erasmus Quellin, Theodoor Rombouts, Cornelis Schut, Theodoor van Thulden en anderen. Er zijn ook zes beeldhouwers van de partij, onder wie Quellinus en Van Mildert.
Pieter-Paul Rubens, “Landschap met Philemon en Baucis”.
Er komen elf triomfbogen op verschillende punten van de stad. Die van de Meir is de mooiste is versierd met twaalf standbeelden in witte steen van de keizers uit het Oostenrijks huis en twaalf andere van de goden uit de klassieke mythologie. Het geheel heeft de vorm van een halve zeshoek en is bekroond met een obelisk. Op andere plaatsen staan podiums en de wagens van de Ommegang zijn als bezienswaardigheden tentoongesteld. Overal ziet het publiek een overvloed aan guirlandes, feestmasten, festoenen en vlaggen.
’s Namiddags heeft de kardinaal-infant op de Grote Markt een “vertoon” van De Violieren geschouwd over het huis van Oostenrijk. In de Sint-Michielsabdij waar de prins verblijft, spelen ze voor hem een toneelstuk over Perseus en Andromeda.
Buitengoed
In het jaar van de blijde intrede van Ferdinand koopt Rubens het kasteel van Steen in Elewijt bij Vilvoorde. Daar brengt hij zijn laatste vijf zomers door. Er ontstaan talrijke weidse en lyrische landschappen die men tot het beste van zijn werk rekent. Inmiddels gaat de activiteit in het Antwerpse atelier verder. De meester schildert een aantal profane werken met mooie naakten zoals De plagen van de oorlog, bestemd voor de groothertog van Toscane, de Sabijnse Maagdenroof en vele andere.
Pieter-Paul Rubens, “Herfstlandschap met gezicht op Het Steen”.
De kardinaal-infant bestelt een laatste reeks grote decoratieve stukken voor het jachtslot Torre de la Parada van zijn broer, de koning, bij Madrid. Het gaat om een uitbeelding van de Metamorfosen van Ovidius.
Rubens sterft op 30 mei 1640 aan de gevolgen van jicht. Hij wordt begraven in de Antwerpse Sint-Jacobskerk.
Op donderdag 10 september 1914 om 13 uur hameren gendarmes in burger op de deur van nummer 76 in de Antwerpse Clementinastraat. Ze komen voor de bewoner van het huis, hoofdbibliothecaris en schrijver Emmanuel de Bom. Een maand eerder, op 4 augustus, zijn Duitse troepen de grens van het neutrale België overgestoken. In het land heerst paniek.
De rijkwachters arresteren een ontredderde De Bom en voeren
hem te voet naar hun kazerne in de Vlierstraat. Daarvandaan gaat het naar het
hoofdkwartier van het Belgische leger in de Kipdorpvest. De bibliothecaris
wordt voorgeleid bij niemand minder dan generaal Deguise, bevelvoerder van de Versterkte Stelling Antwerpen.
‘Emmenez cet homme’, commandeert de officier tot slot van een korte,
onvriendelijke ondervraging. Men brengt de schrijver, per rijtuig deze keer, over
naar de neogotische gevangenis in de Begijnenstraat. De man weet nog altijd
niet waarvan hij beschuldigd wordt.
De waarheid heet het eerste slachtoffer van de oorlog te zijn. Emmanuel de Bom ondervond dat aan den lijve. Sinds 27 augustus mocht hij op last van zijn werkgever, het Antwerpse stadsbestuur, geen artikelen meer schrijven voor de Nieuwe Rotterdamse Courant. Die verscheen immers in het neutrale Nederland en men vreesde dat de oprukkende Duitse vijand er informatie uit zou kunnen halen over wat er achter de Belgische linies gebeurde.
Nederlander
Daarop kwam er een Nederlandse medewerker van de krant
naar Antwerpen, identiteit niet bekend. Zijn lange en kritische verslag over de
toestand had als strekking dat de Belgen er niets van bakten. Toen de NRC het stuk publiceerde – artikelen
verschenen vaak anoniem – dacht de Belgische militaire overheid direct, en verkeerdelijk,
dat De Bom de auteur was. Of iemand fluisterde het haar in, dat is een eeuw
later nog niet duidelijk.
De detentie van de schrijver duurde bijna vier dagen vol angst, onzekerheid
en verontwaardiging. Men kan erover lezen in het dagboekje dat hij van 10 tot
13 september in de gevangenis bijhield en dat zich in zijn archief in het
Letterenhuis bevindt. De Bom schreef zijn indrukken en gedachten neer met een
potlood op dubbelgevouwen vellen papier van 42 bij 27 centimeter. Zo haalde hij
uit elk vel vier bladzijden. Die kleine pagina’s genoten overigens ook buiten
de gevangenis zijn voorkeur, zowel voor zijn literaire werk als voor vele van zijn
ontelbare brieven.
In cel met warm bad – word misselijk van de vochtige hitte – daarna door
barmhartigheid in luchtige kamer wat bekomen – in cel met [onleesbaar] – men
brengt eten van thuis – in cel nr. 36 op 1e verdiep – Licht –
soldaat ernaast is in zijn nest.
De gevangenis in de Antwerpse Begijnenstraat (foto Letterenhuis).
Ondanks het eten dat zijn vrouw Nora van thuis uit de Clementinastraat liet brengen – dat mocht, blijkbaar – beleefde De Bom een ‘slechte’ nacht. Hij beklaagt zich in zijn notities over het ‘groflinnen laken’ en lag naar eigen zeggen de hele tijd te piekeren. Geen wonder, want ook al in zijn brieven uit vredestijd komt de bibliothecaris naar voren als een overgevoelige, vrij egocentrische man wiens psychische gesteldheid steeds ook fysieke reacties bij hem oproept.
“Honderd maal wakker. ’s Ochtends met zieke ingewanden, voel ik me afgetobt – Ik blijf liggen[,] aangekleed. “
Journalist
De Bom heeft een goed herkenbaar, duidelijk handschrift,
maar emotie en zuinigheid – de hoeveelheid papier die hij bij zich heeft, is ongetwijfeld
beperkt en hij weet niet hoelang zijn opsluiting zal duren – maken de woorden soms
moeilijk leesbaar. De zeventien dicht beschreven kantjes van het
gevangenisdagboekje bewijzen in ieder geval dat hij zelfs achter de tralies een
journalist bleef:
“Zaterdag 7 1/2u. Ik ben al anderhalf uur op, het grauwe licht valt uit het kleine van ijzeren staven ruim voorziene raampje. Het geeft geregend en gedonderd. Buiten hoor ik praten, misschien wel door hier ook opgehouden soldaten. In de gangen almaar getrappel van klompen, gevangenen die huiswerk verrichten.”
De Bom twijfelde er niet aan dat zijn vrouw alles in het
werk stelde om hem vrij te krijgen. Hij hoopte dat ze de Vlaamsgezinde
katholieke advocaat en volksvertegenwoordiger Frans van Cauwelaert kon
inschakelen.
“Ach, als Van Cauwelaert toch den koning kon spreken, die me op de Conscience-dag in de tentoonstelling zoo vriendelijk toesprak. Dat hij hem zegge dat ik de vriend van Streuvels, Verriest en van al de bekende Vlamingen” noteerde De Bom niet zonder enige zelfoverschatting. Hij doelt
in zijn notitie op het bezoek van koning Albert I aan de tentoonstelling die De
Bom in 1912 had georganiseerd bij de honderdste geboortedag van Hendrik
Conscience – de expositie die trouwens de aanzet zou vormen tot de oprichting
van het Museum voor de Vlaamsche Letterkunde, het huidige Letterenhuis.
Frans van Cauwelaert (foto Letterenhuis).
Dat de bibliothecaris hoopte dat Van Cauwelaert voor hem op de bres zou springen, is enigszins onverwacht, want De Bom staat niet bekend als enorm kerks. Als jongeman genoot hij de steun van liberale Antwerpse kopstukken, onder wie de vrijmetselaars Frans Gittens en Pol de Mont. Na de oorlog zou hij redacteur worden van het socialistische dagblad Volksgazet dat bepaald geen klerikale koers voer. Speelde hier de invloed van zijn vrouw Nora mee, die erg katholiek was? Betrof het persoonlijke affiniteit? Of was het puur pragmatisme? Mogelijk ook identificeerde de schrijver zich meer met het flamingantisme van Van Cauwelaert dan met dat van de liberaal Louis Franck.
Afrekening
Maar hoe kwam De Bom überhaupt in het gevang? Deden collega’s
in stedelijke dienst moeilijk? Hij voorzag in ieder geval problemen, want al op
29 augustus liet hij zijn vriend en medewerker J. van den Bergh een brief
richten aan de liberale burgemeester Jan Devos. Van den Bergh getuigt in dat
schrijven, dat zich eveneens in De Boms archief bevindt,
“dat de correspondentie, die de heer De Bom sinds lange jaren voor de N.R.Ct. voerde van die aard geweest is, dat hij altijd de Vlaamsche belangen ten zeerste heeft voorgestaan en dat ik gerust mag zeggen, dat ik in zijn optreden en in zijn persoon steeds het grootste vertrouwen heb gekoesterd.”
Deze preventieve actie sorteerde geen effect.
“Zoo gerust als mijn geweten is, toch ben ik, nu ik van dicht heb gezien hoe de mentaliteit der menschen vergiftigd is, niet zonder zorg omtrent den afloop. Hoe is het mogelijk dat men iemand die een hooge plaats bekleedt als ik, die in de stad algemeene bekendheid geniet, zoomaar zonder enig onderzoek in de doos stopt? Wat een onmenschelijkheid.”
Intussen was het zaterdag geworden. De Bom wist nog
altijd niet wat men hem precies verweet. Wel schreef hij opnieuw goedgebouwde
zinnen. Op bladzijde 5 van zijn dagboekje recapituleert hij zijn aanhouding, nu
met meer namen en details. We vernemen dat hij thuis gearresteerd is na een
bezoek aan de dichter en hoofdconservator Pol de Mont in het Museum voor Schone
Kunsten. En hij vertelt dat hij Nora vanuit het hoofdkwartier bij generaal Deguise
op de hoogte mocht brengen van zijn toen aanstaande opsluiting in de
Begijnenstraat. Ook noteert hij dat de bekende advocaten Jozef Muls en Georges
Serigiers hem toevalligerwijze in de gevangenis gezien hebben – Muls gaf het
literaire tijdschrift Vlaamsche Arbeid
uit en Serigiers was de echtgenoot van de Franstalige Hollandse ex-prostituee
en schrijfster Neel Doff; later zou hij voor de rechtbank Paul van Ostaijen
verdedigen.
“O die angst, ik zal trachten me goed te houden. Maar zal ik dit lang volhouden? Als ik maar een levensteeken bemerk, leeft de hoop weer in me op. Maar – In de verte hoor ik altijd trompetschallen en volksgeruchten – Wie weet wat er met ons arme land gebeurt?”
Om halftien ’s morgen kreeg de gevangene bezoek van de gevangenisdirecteur – een ‘welwillend man’. Anderhalf uur later was het de beurt aan Nora. En uit de bibliotheek van de gevangenis leende De Bom een Franse vertaling van Dickens’ David Copperfield. Hij noteerde in zijn dagboekje ook dat die bibliotheek zijn eigen essay over Ibsen in huis had, plus werk van Streuvels, Teirlinck, Sabbe en Toussaint van Boelaere. En: de ‘onderwijzer bibliothecaris – mijn collega – zegt dat ze vermoedelijk inlichtingen inwinnen – zoodra ze die hebben, zal ik bij auditeur militaire […] worden geroepen’.
Van Cauwelaert
In de loop van de dag kwam Van Cauwelaert naar de
gevangenis – er waren waarschijnlijk nog meer cliënten van hem opgesloten – maar
werd niet bij De Bom toegelaten. Op zondagmorgen stuurde Nora een ‘overjas
& sargie’ (een deken) tegen de kou. De Bom woonde de mis bij in de kapel: ‘Ik
heb niet gevoel dat er veel deemoed was. Af en toe geeuwen en getrappel van
ongeduld. Ik zag een cipier rechtstaande in slaap vallen.’ Maar daar voegde de
bibliothecaris wel aan toe: ‘Daar zijn onder hen goede menschen.’
Nora de Bom (foto Letterenhuis).
“Ik hoor nu huilen, huilen – verschrikkelijk – lijk een dier dat gaat geslacht worden – dit behoort tot het aller-diepste. Mij dunkt het is een vrouw. Dieper dan alle gebed dringt dit tot in uw diepste. Helaas, wat een ellende. […] Maar het is waarlijk beneden alles hoe de mensch den mensch opsluiten kan – Hoor toch dat lamento, dat gekreun zonder eind, neen dàt behoort tot het aller-droefste!”
De Bom werd er niet vrolijker op toen een cipier hem
vertelde dat het gehuil afkomstig was van ‘een die moet gefusiljeerd worden!’ –
vermoedelijk een deserteur.
Om 11.40 uur tenslotte kwam men De Bom ophalen om bij de
militaire auditeur commandant Rémy te verschijnen. Die deelde de schrijver mee
dat er een ‘valsche aantijging’ tegen hem was geweest. De Bom herinnerde zich
het stuk in de krant. ‘Ik heb dat inderdaad gelezen’, noteerde hij,
“en we hebben onmiddellijk gezegd thuis: dat dit een van die Hollandsche stommiteiten was. […] Ik vertel nog woensdag op de Meir aan Louis Franck de heele geschiedenis. En nu is er een lafaard, die mij beschuldigen durft! Ik ben niet wraak-gierig, maar die schurk verdient dat hij in mijn cel plaats neme. […] Ik wist niet dat er zulke laagheid in de wereld was. Zal ik altijd een eenvoudige van geest blijven?”
Geen literatuur
Hoe dan ook, De Bom zou zondag om vijf uur worden vrijgelaten.
In afwachting daarvan schreef hij:
“Te midden van al deze ellende heb ik ’t recht niet zoo gelukkig te zijn. Waarlijk, dit is geen literatuur. Ik beken dat ik met vreugde ga. Maar, die sukkelaren hier – waaronder, ik zou er op zweren, 9 op 10 zijn die uitsluitend medelijden verdienen. De gevangenen-gezichten die ik zag vervulden me met sympathie. Geen echter menschelijker blik zag ik als die van den man die mij water brengt. Hij had medelijden met mij.”
De Bom keerde terug naar huis, naar zijn Nora, en op
maandag ook naar de bibliotheek. Weldra zorgde een aanbeveling van Minister van
Oorlog de Brocqueville ervoor dat hij van het Antwerpse stadsbestuur opnieuw voor de NRC mocht schrijven. Daarin liet hij na de capitulatie van
Antwerpen schetsen verschijnen over het leven in de bezette stad.
Opeens behoor ik tot de categorie mensen die binnen enkele jaren met
pensioen gaan. Dat komt, denk ik, doordat jongere collega’s in de meerderheid
zijn. De zestigplussers (niet zo heel plus, een klein beetje) worden er
vriendelijk, maar in niet mis te verstane termen op gewezen waar de uitgang is.
Zelfs de bijna-vijftigers kijken met een superieur airtje onze kant op –
niet beseffend hoe snel ook hun tijd zal gekomen zijn. Enfin, wie weet moeten
zij tot hun zevenenzestigste aan de slag blijven. Om ons pensioen mee te betalen. Misschien zit de wereld toch nog niet
zó slecht in elkaar. Wij lopen dan wel een verhoogd risico op allerlei nare
ziektes, maar onze digitale skills raken in dit leven niet meer achterhaald.
Sinds kort brengen de jongelui allemaal hun laptopje mee naar steeds
talrijker vergaderingen waar hun smartphone voortdurend ligt te trillen en te
zoemen. Ik gebruik nog altijd een notitieboekje of godbetert mijn papieren
agenda en een potlood (ja, een potlood!). Gelukkig heb ik in een Deens winkeltje
een leesbril van vijf Euro gekocht die niet alleen een stuk duurder lijkt dan
hij was, maar mij er ook nog enigszins intelligent doet uitzien.
“Ja,” zegt de baas, “jullie moeten ervoor zorgen dat jullie je expertise
doorgeven.” Ik knik. Dat is helemaal waar en aan mij zal het “niet gelegen
hebben,” zoals ze hier zeggen. Maar expertise, dat zijn vooral “vaardigheden”
en daar zijn de jongelui van zichzelf al heel goed in. Een recentelijk gediplomeerde
in de archivistiek begon mij vorige week nog uit te leggen hoe ik mijn werk
moet aanpakken.
Zo iemand vertellen wie Herman Teirlinck was of – om even echt moeilijk te
doen – Julius De Geyter, daar ga ik me niet meer mee bezighouden, denk ik soms
bij mezelf. Waar is anders het Internet voor? Uit pure tegendraadsheid heb ik
alle handschriften van diezelfde Julius de Geyter vorige week en stoemmelings ingevoerd in onze
database. De liefhebbers van de liberale rijmelarij uit de tweede helft van de
19de eeuw zullen blij zijn.
Gediplomeerden in de managementkunde (heet dat echt zo?) zullen mij nu
ongetwijfeld indelen bij de “cynici”. Dat zijn de mensen met neuzen die weleens
de andere kant op staan. Maar artrose en papegaaienbekken eisen bij de oudere
werknemer hun tol. Die kan soms met zijn kop en dus ook met zijn neus de
gewenste kan niet meer op. Dat is geen cynisme, maar een constatering.
Daarstraks, toen het jonge volkje zich nog enthousiast en werkgroepsgewijs
op de digitale toekomst zat te verheugen, heb ik de zes vuilnisbakken naar
buiten geduwd. Men was dat vergeten en hoewel het vuil werk is, moet iemand het
doen. Ik voelde mij helemaal één worden met het oud papier. Niet slecht, voor
een archivaris.
De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2015 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.
Hier is een fragment:
In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2015 ongeveer 49.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 18 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.
Boeken hebben vandaag een korte levensduur. Schrijvers daarentegen, worden steeds ouder – ik merk het elke dag. Beide factoren dragen bij tot mijn liefde voor antiquariaten. In een antiquariaat staat de tijd stil. Boeken wachten er op hun volgend leven zoals katten, knipogend in hun mand bij de centrale verwarming.
Het eerste antiquariaat dat ik mij herinner – en waar ik zelf nooit een voet heb binnengezet – was medio jaren 1960 gevestigd op de hoek van de Antwerpse Jan Blomstraat en het Papenstraatje, tussen de Groenplaats en de Handschoenmarkt. In de etalage hingen handgekleurde kaarten zoals je die ook zag in het onvolprezen Museum Plantin-Moretus.
Voor de lezer – ik versta daaronder: de veelvraat, de die hard die klappertandt zodra hij niet meer omsingeld wordt door vijf stapels wachtende lectuur – worden antiquariaten meer en meer een noodzaak.
Handelaars in nieuwe boeken moeten hun waar zo snel mogelijk de deur uit werken. Daarom leggen ze een zeker conformisme aan de dag, hoe onafhankelijk, progressief enz. ze ook mogen zijn. Ze moeten hun boterham verdienen en hun personeel betalen. Ik heb daar alle begrip voor. Maar ik die in feite alles ben, behalve een reiziger of avonturier, hou van snuisteren op planken vol onvoorzienbare en onverwachte boekdelen.
Hoe ouder een lezer, hoe meer ervaring hij heeft. En hoe kieskeuriger hij wordt. Les lecteurs, c’est comme les cochons, plus que cela devient vieux, plus que cela devient difficile om Jacques Brel te parafraseren. Wat ik vandaag wil lezen, is moeilijker te vinden dan wat zeg maar twintig jaar geleden mijn begeerte opwekte.
Alle openbare, erfgoed- en wetenschappelijke bibliotheken ten spijt, wekken boeken bij mij de lust op ze te bezitten, te doorbladeren wanneer ik wil en ze in de kast te zetten om naar hun rug te kijken, ook al is die onaanzienlijk. Ik kus de ruggen van mijn boeken niet zoals Félix de Vandenesse de rug van Madame de Mortsauf kust op het bal in Le Lys dans la Vallée van Balzac. Maar toch.
Lange jaren dacht ik dat het lezen van roman na roman van mij een slimmer en adequater mens maakte. Of iemand dat ooit aan me gemerkt heeft, blijft wel de vraag. Maar mijn hang naar geschiedenis – het vak dat ik dertig jaar geleden heb gestudeerd – wordt almaar groter, al merk ik dat ik aan historische boeken nauwelijks minder stringente stilistische eisen stel dan aan zogeheten bellettrie.
Rommelige, omslachtige, overbodige en slecht geformuleerde teksten verdraag ik niet. Soms leg ik een interessant boek opzij omdat de vertaling (vaak een Hollandse vertaling uit het Duits) te schonkig is. Grote historici schrijven even helder als Voltaire of Stendhal (ziedaar mijn probleem met Huizinga – bijwijlen te wollig).
Van vuistdikke studies vol grafieken over economische geschiedenis lees ik alleen de conclusies; de lectuur van wie mij in hoofdstuk 1 met teveel sociologische concepten om de oren slaat, stel ik zolang uit dat ik er niet meer aan denk. Feiten wil ik, feiten en een goed geschreven interpretatie waarmee ik het dan volmondig eens of grondig oneens zijn kan. Of die mij doet twijfelen – naar verluidt het begin van alle wijsheid (en ook het einde, natuurlijk).
Bij voorkeur ingebonden en voor weinig geld. Dat laatste dreigt een probleem te worden, want ook handelaars in tweedehandse boeken moeten van hun negotie leven. Maar goed, zij zorgen voor uren snuisterplezier en de unieke geur (het woord ‘parfum’ klopt aan) van veel samengedrukt oud papier. Dat is een vorm van dienstverlening die wel iets mag kosten, denk ik dan.
Lastig dat zich op loopafstand van mijn werkplek (een archief en dus zelfs een verzamelplaats van alles wat vergeelt en verzuurt) twee uitstekende antiquariaten bevinden: één waarvan de eigenaar zich vooral toelegt op de fraaie letteren en een ander, waar ongeveer de helft van de zeer ruime bovenverdieping aan historie is gewijd.
Gelukkig zijn er middagpauzes dat ik kalm blijf en mij beperk tot een kop met de hand en een keteltje warm water gezette Ethiopische koffie in het koffiehuis aan de overkant. Die heeft mij al voor veel impulsaankopen een straat verder behoed.
Ik heb mezelf nooit voor een nederig mens gehouden. Openlijk beleden nederigheid is zelden iets anders dan geraffineerde hypocrisie.
Dat heb ik al lang door.
Maar nu ik de zestig nader, worden mij ook een andere dingen duidelijk. Dat mensen zelden zeggen wat ze denken, maar – om het moeilijk te maken – ook niet precies het tegenovergestelde. Weten doe ik dat sinds ik mijn eerste boek voor grote mensen las, maar nu pas lijkt die kennis me ook echt eigen te zijn geworden.
Vroeger kende ik paranoïde momenten; vandaag is een kalm, voortdurend wantrouwen mijn deel. Vrolijk word ik daar niet van, maar zoals ik mezelf onlangs tegen een erg verstandige collega hoorde zeggen: “Nu we wat ouder zijn, hoeven we niet zoveel meer na te denken – dat is het voorrecht van intelligente mensen”.
Soms sta ik van mijn eigen scherpzinnigheid versteld. Nog iets dat mij op jongere leeftijd nooit overkwam – ik had altijd de indruk dat ik de pointe had gemist en mijn gesprekspartners deelachtig waren aan een hogere waarheid waar ik niet zou achter komen.
Maar dat is dus niet zo – het zijn gewoon huichelaars en liegebeesten. Ze behartigen bij voortduring belangen – vaak zelfs niet de hunne, o paradox! – of hebben nog meer schrik van mij dan omgekeerd (ik ben echt niet angstaanjagend).
Wat, met permissie gezegd, een kloterij. Bijna zes decennia duurt het voor je het door hebt; bovendien komt met het inzicht ook de zekerheid dat er niets aan te doen is. Dat je, met wat geluk, nog twintig jaar met de flauwekul van je medestervelingen je tijd zult verliezen.
Gelukkig biedt het leven van een bijna zestigjarige ook troost. Als hij een zwarte hoed draagt, zoals ik, en pijp rookt, wordt hij op straat door jonge vrouwen occasioneel vriendelijker toegelachen dan ooit het geval was toen het naïeve hart in zijn borst nog sneller sloeg.