[Literatuur] Verstekelingen in het Letterenhuis. Over boeken en dedicaties.

Teirlinck

In 1899 verscheen de bundel Metter Sonnewende met een Voorrede van Willem Kloos en sonnetten door Prosper Van Langendonck, Fernand Toussaint [van Boelaere], Victor De Meyere, Herman Teirlinck, Jeanette Nyhuis en Jan Van Overeyde. Jacobyne Nyhof ontwierp de “stafletters” of initialen. Wat de titelpagina verzwijgt, is dat Nyhuis, Van Overeyde en Nyhof één en dezelfde persoon waren, nl. de eveneens aanwezige Herman Teirlinck (1879-1967).

Hoe deze onschuldige mystificatie (met veel slechte sonnetten) in elkaar zit, is al langer bekend. Leuk is dat wij vandaag over een volledige “bekentenis” van Teirlinck beschikken in de vorm van de lange opdracht die hij in 1949 neerschreef in het exemplaar van Metter Sonnewende dat toebehoorde aan de dichter Jan Vercammen (1906-1984).

In het Letterenhuis belanden samen met archiefmateriaal wel vaker boeken. Dat is niet de bedoeling, maar het is onvermijdelijk. In het verleden ging het soms om een hele schrijversbibliotheek die “voorlopig” op de schabben belandde. Vandaag dirigeren wij zulke bibliotheken van meet af aan naar de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience (EHC). Maar in de dozen met brieven, handschriften, drukproeven en ander materiaal dat wij wel dankbaar in ontvangst nemen, reizen verstekelingen mee.

Luc Van Brabant

De bibliotheken van o.a. Ernest Claes (1885-1968), Luc Van Brabant (1909-1977) en Jan Vercammen verhuisden onlangs met enige vertraging naar de EHC, maar niet vooraleer de exemplaren met belangrijke opdrachten eruit werden gelicht (andere dedicaties zijn gefotocopieerd en toegevoegd aan het archief van de resp. schrijvers).

Opdat de informatie over de inhoud van deze bibliotheken niet zou verloren gaan, zal de elektronische catalogus van de EHC ze vermelden onder de hoofding “Bijzondere Collecties”, zodat de gebruiker kan zien wat zich in de bibliotheek van een bepaald auteur bevond. Dat is thans al het geval voor o.a. Maurice Gilliams, Roger Avermaete, Marnix Gijsen en Hubert Lampo.

Schrijversbibliotheken zijn interessant in die mate dat ze teksten bevatten die verband houden met het oeuvre van de auteur en/of biografische informatie opleveren. Dat is, helaas, niet altijd het geval – of toch niet zo dat het achteraf te achterhalen valt. Soms is het verband echter overduidelijk.

Luc Van Brabant schreef niet alleen een eigen poëtisch oeuvre bij elkaar. Hij bestudeerde ook de gedichten van de 16de-eeuwse Franse dichteres Louise Labé. Van Brabant vertaalde haar sonnetten en publiceerde verscheidene opstellen over haar leven en werk. Om zich te documenteren verzamelde hij honderden boeken over de (Franse) renaissanceliteratuur – een ensemble dat men eerder in een universitaire seminariebibliotheek zou verwachten dan in de boekenkast van een poëet.

Eugène Ioneso

Jan Vercammen speelde dan weer een centrale rol in het literaire leven van zijn tijd, maar bekleedde ook als hoofdinspecteur van het lager onderwijs in West-Vlaanderen een belangrijk ambt. Zo komt het dat vele vrienden, bekenden, debutanten en collega’s het opportuun vonden hem te verblijden met proeven van hun eigen vlijt en toewijding. Zo werd Vercammen de recipiënt van enkele honderden dichtbundels – soms door de auteur in eigen beheer gepubliceerd – met opdrachten. Hij kreeg ook dito schoolboeken en jeugdliteratuur.

Exemplaren met dedicaties houden het midden tussen een boek en een literair archiefstuk. De duizenden boeken waarin Jef Geeraerts of Tom Lanoye tijdens de Boekenbeurs hun handtekening zetten, hebben in se niet veel belang. Een schrijvershandtekening bezit alleen voor fans en andere fetisjisten een intrinsieke waarde. Ze is niet zeldzaam en ze zegt niets bijzonders.

Anders wordt het wanneer de opdracht in een boek bijdraagt tot de kennis van de biografie en/of het (verdere) oeuvre van de auteur of als ze informatie bevat die anderszins bijdraagt tot de literatuurgeschiedenis. En dat gebeurt, zij het niet zo vaak als we wel zouden willen. Exemplaren met zulke dedicaties horen natuurlijk wel thuis in het Letterenhuis.

De wereldberoemde Roemeens-Franse auteur van absurd toneel, Eugène Ionesco (1909-1994), droeg een exemplaar van zijn (door hemzelf geïllustreerd) essay  Découvertes,  in 1973 in Jeruzalem op aan de theatermaker Etienne Debel (1931-1993), de  directeur van Het Vlaamse Schouwtoneel in Brussel.

Paul Kenis

Hubert Lampo (1920-2006) dediceerde de meeste van zijn boeken aan Jos Mortelmans (1921-2010). Uit een opdracht in een exemplaar van de eerste druk van Lampo’s roman Hélène Defraye (1944) leren we dat beiden elkaar leerden kennen tijdens hun legerdienst, vlak na de Tweede Wereldoorlog. Jaren later ontmoetten ze elkaar weer op het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur (nadien ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) waar Mortelmans directeur was en Lampo inspecteur van de openbare bibliotheken.

Paul Kenis (1885-1934) signeerde in 1927 een exemplaar van het eerste deel van zijn historische trilogie Uit het Dagboek van Lieven de Myttenaere, Lakenkooper te Gent voor “den vriend Richard Minne, den baas uit den Zoeten Inval, als blijk van hooge waardeering voor deze zeer achtbare en genoeglijke staminee, waar ik steeds gaarne een uurtje doorbrengen zal.“

Kenis refereert aan Minne’s pas verschenen bundel In den Zoeten Inval en formuleert de hoop dat zijn romanpersonages in die herberg welkom zijn:

“In de hoop dat hij [Minne] mijn Lieven de Myttenaere, mijn Joos Proveyn, mijn Mayken Pelseneers, frater Pancratius en andere ras-echte, ofschoon wel wat verouderde Gentenaars, toch ook niet onwaardig zal vinden hem daar een bezoek te brengen.”

Een supplementaire “reden” voor de opdracht is de herinnering aan de “genoeglijke bureel-uurtjes, in der tijd op het zolderkamerken van de Avenue des Arts gesleten, en waar deze roman gedeeltelijk is ontstaan. Brussel, 9 Maart 1927. Paul Kenis”.

Kenis verwijst ongetwijfeld naar de korte tijd dat Minne ambtenaar was bij het Ministerie van Justitie in Brussel, waar hij om gezondheidsredenen al gauw ontslag nam. Blijkbaar deelden de twee een kantoor aan de Brusselse Kunstlaan en had Kenis daar de tijd, zo niet te schrijven, dan toch om na te denken over zijn roman.

Jan Vercammen droeg zijn lijvige dichtbundel De Parelvisscher in 1946 op aan Cyriel Verleyen (1914-1983), jeugdschrijver en vader van Knack-hoofdredacteur Frans (1941-1997) en journalist-jeugdschrijver Karel Verleyen (1938-2006).

“Gouden manen”

Op het schutblad van het exemplaar dat Vercammen aan Cyriel Verleyen schonk, schreef hij met de hand een uitgebreide dedicatie:

“Voor Cyriel en Martha / de uitverkorenen / daar hij nog niet tevreden is met pag. 11 – en zij toch ook haar deel moet hebben – ”. Vercammen heeft het over de gedrukte opdracht aan Verleyen die inderdaad geen melding maakt van diens echtgenote. Daarmee is de ironische en tegelijk tedere toon van deze opdracht gezet.

In de volgende paragrafen somt Vercammen de redenen op die hem brengen tot het schrijven van de tekst.

“Cyriel en Martha” vinden volgens hem “dat er in dit boek nog niet genoeg letters staan”. Verleyen was “de eerste […] om van dit boek te houden” en heeft als “groot-epurator” de dichter “de roede niet […] gespaard”.

Hij verwijst naar “de tweede strofe van pag. 99 – toen zij [Martha] verbolgen haar gouden manen schudde omdat hij zoo laat thuis kwam met zijn verleider, (maar het was zonder brieschen)”.

De strofe beschrijft een tocht van Vercammen en Verleyen door het Waasland: “En ik ging met mijn vriend door de dennenbosschen / nog steeds in datzelfde land van Waas / te Waasmunster – het is nu zoo ver, helaas! – / Toen bouwden glycienen hun lichtblauwe trossen. / Hun geur hield ons op aan den berkenrand / en wij roemden den vrede in ons vaderland.”

“Wat de nachtegaal in de voornacht verricht”

De opdracht, vervolgt de dichter, is ook geschreven “ter herinnering […] aan pag. 111 – wat een verdomd schoone avond was, om het nog eens in proza te zeggen”.

Het gedicht in kwestie gaat als volgt:

“Op een avond, die naar de populieren /  van tusschen de rhododendrons drong, /  toen een zuivere stem bij kaarslicht zong, / begeleid door één klavier en twee lieren,/ zei mijn vriend zeer ontroerd in een gedicht / wat den nachtegaal in de voornacht verricht.”

Ik weet niet meer,  of de maan wou schingen, /  maar de stilte der bloemen vergeet ik niet. / Con sordino klinke in dit tweestrofig lied / en men zal het een lichten alt laten zingen; / Op den horizon lag behaaglijk de Maagd, / die gevleugeld is en een velum draagt.

Vercammen was erg gesteld op Martha Verleyen “omdat ze mijn naam kan zeggen als niemand ter wereld” en omdat ze hem bij de Verleyens thuis geregeld een bed ter beschikking stelde om te overnachten – een bed “waar ge ’s nachts door valt” – waarmee Vercammen bedoelde dat het erg comfortabel was.

“Metter Sonnewende”

Maar de dichter van De Parelvisscher hij had nog redenen voor zijn dedicatie: “[om] zóó – zóóveel, waaronder vooral een schoon begrijpen van eenzame menschen en zeker […] wat op dit blad niet meer op kan / heb ik nog deze pagina volgeschreven op den Zonder der H. Drievuldigheid van het jaar O.H. 1946”.

Zoals gezegd, was Jan Vercammen ook de bestemmeling van veel opdrachten. Herman Teirlinck schreef voor hem in 1949 het volgende op het schutblad van het vijftig jaar oude Metter Sonnewende:

“Mijn waarde Vercammen,

Gij hebt mij, toen ik uw gast was te Brugge in de Bonte Hond, en gij mij hebt willen vieren bij mijn zeventigste jaarfeest, dit boekje onder ogen gebracht. Niet zonder ontroering heb ik het doorbladerd, want ikzelf bezit het niet meer.

Ik was twintig jaar oud toen ik die Metter Sonnewende ontworp. Ik zie mij in verbeelding terug vòòr het raam zitten van mijn studentenkamertje in de De Rosniestraat te Molenbeek, op de hoogste verdieping. Misschien weet gij niet dat ik onder de schuilnamen van Jeanette Nyhuis en van Jan van Overeyde de overmoedige misdaad van die sonnetten heb bedreven, en dat ik bovendien voor de versiering heb gezorgd, want de pentekeningen van Jacobyne Nyhof zijn helaas! insgelijks van mijn jeugdige hand.

Dat is nu net een halve eeuw geleden! / De hemel zegene ons allen! /  Uw toegenegen / Herman Teirlinck  / 15 maart 1949.”

Zuurvrij25

Verschenen in Zuurvrij nr. 25 van december 2013. 

[Geschiedenis] Joseph Lies reist naar het Eeuwige Oosten. De eerste burgerlijke begrafenis in Antwerpen (1865).

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Jaak De Braekeleer, grafmonument van Jozef Lies (foto Jan Lampo).

Omstreeks het midden van de 19de eeuw blijven steeds meer Belgen weg uit de kerk. Boeken en tijdschriften verspreiden wetenschappelijke inzichten die het katholieke wereldbeeld op de helling zetten. Progressieve liberalen willen de politieke macht van de kerk aan banden leggen. De prille arbeidersbeweging is zich bewust van de onzalige band tussen kerk en kapitaal.

Naarmate hun zelfvertrouwen groeit, proberen de vrijdenkers hun opvattingen zichtbaar maken, ook na hun dood. Ze kiezen voor een burgerlijke uitvaart.

Daarbij krijgen ze de steun van talrijke vrijdenkersverenigingen en loges. Maar de kerk, die de facto de baas is op de begraafplaatsen, gaat in het verweer. Zelfs in het katholieke Vlaanderen komt het in de staden tot een felle pennenstrijd en af en toe zelfs fysieke incidenten.

In mei 1866 overlijdt in zijn huis op de hoek van de Kammenstraat en de Steenhouwersvest in Antwerpen de 41-jarige boekhandelaar en uitgever Herleyn.

Herleyn staat bekend als uitgever van herdrukken van oude volksboeken. Maar onder de titel Traité scientifique et philosophique de la doctrine spirite heeft hij in 1864 ook een lijvig werk uitgebracht over het spiritisme. Sinds dat eind jaren 1840 is komen overwaaien uit de Verenigde Staten, zijn seances over in Europa aan de orde van de dag.

Vrije gedachte

In Antwerpen bestaan verschillende spiritistische groepen. Toneelschrijver (en later adjunct-stadsarchivaris) F. Jos Van den Branden steekt in 1864 de draak met het verschijnsel in zijn komische eenakter ‘met zang’ Spiritisme, die wordt opgevoerd door het Nationaal Tooneel.

Herleyn is lid van de vrijdenkersvereniging La libre Pensée. Op zijn sterfbed weigert hij de priester te ontvangen die hem de laatste sacramenten komt brengen. Hij eist een burgerlijke begrafenis, daarin gesteund door zijn weduwe en familie.

In de ogen van de pastoor van de Sint-Andrieskerk en van de diepgelovige bevolking is het hek van de dam. Herleyn is immers al de tweede Antwerpenaar die een uitvaart zonder kerkdienst vraagt.

Twee dagen lang komt het gepeupel – in die tijd gebruikt men de schilderachtige term ‘gepuffel’ – het sterfhuis met modder en stenen bekogelen. Tijdens de uitvaart zelf moeten politie en rijkswacht de lijkkist met bajonet en getrokken sabel tegen de tierende menigte beschermen.

Weg naar de hel

JosephLies
Joseph Lies (foto Letterenhuis).

Herleyns voorganger op weg naar de hel is niemand minder dan de bekende kunstschilder Joseph Lies, die een jaar tevoren is gestorven. Wat Herleyn precies denkt over politiek en godsdienst zal altijd een raadsel blijven, maar van Lies weten we dat hij vrijmetselaar is en zijn radicale keuze grondig heeft overdacht.

Joseph Lies wordt in 1821 in Antwerpen geboren als zoon van een hoefsmid en handelaar in ijzerwaren. Na diens vroegtijdige dood heeft zijn weduwe het moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Toch geeft ze haar kinderen een goede opvoeding. Lies houdt aan zijn schooltijd een uitstekende kennis van het Frans over. Zoals veel mensen uit de (lagere) middenklasse in het Vlaanderen van die tijd zal hij die taal

Vanaf 1834 studeert Joseph aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Die wordt geleid door de classicistische schilder Mathieu Ignace van Brée (1773-1839). Maar veel leerlingen dwepen met de romantisch ingestelde “eerste leraar” Gustaf Wappers (1803-1874).

Wappers, die eigenlijk op zijn Frans “Gustave” heet, geniet de steun van de Belgische regering en van koning Leopold I. Hij heeft zopas in opdracht van de staat zijn Tafereel van de Septemberdagen van 1830 op de Grote Markt te Brussel geschilderd.

Wappers beschouwt zichzelf als de coming man van de schilderkunst in het jonge koninkrijk en wil Van Brée opvolgen zodra die het loodje legt. Hij doet daarom alles om een zo breed mogelijke machtsbasis uit te bouwen, o.m. door de veelbelovende jonge schrijver Hendrik Conscience (1812-1883) onder zijn vleugels te nemen.

 Weggestuurd

Wappers’ enige artistieke rivaal, de talentrijke Niçaise De Keyser (1813-1887), doceert eveneens aan de Academie. Net als Wappers huurt hij een atelier in het 16de-eeuwse Vleeshuis. Daar borstelt De Keyser De Slag der Gulden Sporen. Het grote doek inspireert Conscience mee tot zijn historische roman De Leeuw van Vlaanderen (1838). Van openlijke vijandschap tussen Wappers en De Keyser is echter geen sprake.

De Dritte im Bunde van de romantische schilderkunst in Antwerpen is Henri Leys (1815-1869). Hij verblijft voorlopig  nog in Parijs. Hoewel de bekende genreschilder en academieleraar Ferdinand De Braekeleer (1792-1883) zijn oom is, heeft Van Brée Leys weggestuurd van de Academie.

Ambtswoning 004
Mathieu-Ignace Van Brée (foto Jan Lampo).

De overlevering wil dat de leerling-kunstenaar tijdens een uiteenzetting van Van Brée over de drapage van toga en peplum bij klassieke personages een grap maakt over de ouderwetse kniebroek van de directeur.

Van Brée kan daar niet mee lachen, maar het jonge heethoofd weigert zich te verontschuldigen. Daarop zet de directeur hem aan de deur. Leys zal nooit naar de Academie terugkeren, ook niet als leraar.

Na zijn studies aan de Academie moet Lies deelnemen aan de loting die bepaalt wie wel en wie niet legerdienst moet verrichten. Hij trekt een slecht nummer. Geld om een vervanger in te huren heeft hij niet.

De jonge schilder wordt gekazerneerd in Luik. Daar ontdekken zijn superieuren zijn talent. Een kolonel laat hem teken- en schilderles aan zijn dochter geven – een wending die doet denken aan een roman van Conscience.

Lies correspondeert druk met zijn vrienden, de leden van de Franstalige kunstenaarskring La Fleur de Lys (De Lelie) die vergadert in een lokaal aan de Kammenstraat.

De brieven van de schilder bewijzen dat de jonge Vlaamsgezinden uit de kring van Wappers en Conscience niet de enige romantici in Antwerpen zijn.

‘Veelzijdig ontwikkelden geest’

‘Lies,’ schrijft de criticus Max Rooses (1839-1914) na de dood van de kunstenaar, ‘bezat eenen helderen, veelzijdig ontwikkelden geest, een edel karakter; studie over het algemeen, en wijsbegeerte in het bijzonder trokken hem aan; hij schreef daarbij eenen gelouterden sierlijken stijl en was immer bereid zich ten dienste te stellen van wien het verlangde, wanneer het een openbaar belang gold.’

F.JosVandenBranden
Toneelschrijver, archivaris en kunsthistoricus F. Jos Van den Branden (foto Letterenhuis).

Na zijn terugkeer in Antwerpen bouwt de kunstenaar een succesvolle carière uit. In een gelikte en bevallige stijl borstelt hij genretafereeltjes die erg in trek komen bij de verzamelaars. Voor het “grote” historische genre dat opgeld maakt in de Belgische schilderkunst koestert hij weinig belangstelling.

Lies beweegt zich in de kring van Henri Leys, die zich na zijn terugkeer uit Parijs ontworstelt aan de invloed van Delacroix en op zoek gaat naar een alternatief voor de bombast van Wappers en Co. Net zoals de Engelse prerafaëlieten negeert Leys de invloed van het maniërisme en de barok. Hij pakt zijn tamelijk alledaagse onderwerpen uit de geschiedenis aan in een stijl die schatplichtig is aan de meesters van de 16de eeuw – en ten dele aan het realisme dat vanuit Parijs aarzelend doordringt in België. Ook de fotografie beïnvloedt hem.

Op termijn oefent Leys meer invloed uit op de volgende generatie schilders dan Wappers of De Keyser. Tot de jongeren die zijn atelier frequenteren, behoren naast mindere goden sterke artistieke persoonlijkheden zoals de Fries Laurens Alma-Tadema (1836-1912) en Leys’ eigen neef Henri De Braekeleer (1840-1888). Beiden verwerken de lessen van de meester op hun eigen, hoogst originele manier.

Ondanks hun vertrouwelijke omgang – Lies schildert een portret van Leys’ dochtertje en vestigt zich in dezelfde straat als de meester – wordt hij geen navolger; hij blijft zijn eigen werkwijze trouw. Maar het is wel zo dat hij onder invloed van Leys vaker historische onderwerpen gaat schilderen.

Loge

In 1842 wordt Lies ingewijd bij de loge La Persévérance (De Volharding). Hij is een van de vele kunstenaars die rond deze tijd lid vrijmetselaar worden. In de tempel aan de Kipdorpvest ontmoet hij o.a. de graveur Henry Brown (1816-1870), de drukker en fotografiepionier Joseph Ernest Buschmann (1814-1853) en de schilders Ernest Slingeneyer (1820-1894) en Emmanuel Noterman (1808-1863).

Buschmann door Hamman
Dichter, drukker en fotograaf:Joseph Ernest Buschmann. Schilderij van Haman (foto Letterenhuis).

Vijf jaar later, in 1847, treedt de vooruitstrevende radicaal Emile Grisar (1821-1882) aan als achtbare meester van La Persévérance. Hij pleit voor sociale hervormingen en maakt geen geheim van zijn republikeinse sympathieën. Hij prijst de revolutie die in juli 1848 in Parijs een eind maakt aan de regering van koning Louis-Philippe.

Emile Grisar stamt uit een voorname koopliedenfamilie van Duitse afkomst. Toch is zijn beroemdste verwant de operacomponist Albert Grisar (1808-1869) die een succesrijke carrière uitbouwt in Parijs. De politieke opvattingen van Emile Grisar jagen nogal wat behoudsgezinde broeders op de kast. Zij lopen over naar de concurrerende loge Les Amis du Commerce. Hierdoor komt La Persévérance in financiële moeilijkheden.

Dat het Antwerpse maçonnieke milieu niet rijp is voor zijn radicale ideeën draagt allicht bij tot Grisars beslissing om uit te wijken naar Chili, waar hij in Valparaiso de leiding van de firma De Broom, Grisar & Vigneaux op zich neemt. Nog later vestigt hij zich als scheepsmakelaar in San Francisco in de Verenigde Staten.

Discussie

Zijn vertrek breekt het ‘linkse’ elan van La Persévérance. Hoewel academieleraar Louis De Taeye nog de gelegenheid krijgt om in een ‘bouwstuk’ te zeggen dat de vrijmetselarij gestalte moet geven aan ‘het socialisme in zijn vredelievende en beschavende vorm’ – een voor die tijd bijzonder gedurfde uitspraak! – gooit het logebestuur het roer om. Het komt zelfs tot een fusie met Les Amis du Commerce.

Het samengaan van beide loges is een verstandshuwelijk, geen verbintenis uit liefde, maar het zorgt voor een hergroepering van de gematigde progressieve krachten in de stad. Via broeders- politici zal de nieuwe loge de komende decennia bijdragen tot de uitbouw van stedelijke sociale- en onderwijsvoorzieningen.

DeKeyser
Niçaise De Keyser (foto Letterenhuis).

Als vriend van Henri Leys raakt Lies betrokken bij de felle discussie over de hervorming van de Academie. Zij verdeelt de Antwerpse kunstwereld na het ontslag van directeur Gustaf Wappers. Wappers heeft ruzie met zijn Franskiljonse liberale vrienden omdat hij in 1851 steun verleent aan Conscience wanneer die als Vlaamsgezind kandidaat opkomt bij de gemeenteraadsverkiezingen.

Bovendien verzet hij zich tegen de plannen van zijn beschermheer, de liberale minister Charles Rogier, om de Prijs van Rome van Antwerpen naar Brussel over te brengen. De Prijs van Rome is een belangrijke wedstrijd waaraan sinds 1817 beurtelings de talentrijkste jonge schilders, beeldhouwers en graveurs deelnemen. De winnaar krijgt een studiebeurs om naar Italië te reizen. 

Wappers’ tegenstanders ontketenen een perscampagne. Ze verwijten de directeur administratief wanbeleid en benadrukken dat het onderwijs aan de Academie eigenlijk niet volstaat om volleerde kunstenaars af te leveren. Uiteindelijk gooit Wappers in 1852 de handdoek in de ring en wijkt uit naar Parijs.

In het jaar van Wappers’ ontslag is een aantal schilders – onder hen Leys en Lies – lid geworden van de nieuwe Cercle Artistique, Litéraire et Scientifique d’Anvers, een overwegend Franstalig gezelschap van intellectuelen en kunstenaars onder voorzitterschap van de populaire liberale burgemeester Loos.

De Cercle bepleit een diepgaande hervorming van de Academie. Hij wil het herstel van het magistrale onderricht en de afschaffing van het directeurschap voor het leven. Het zakelijk en het artistiek bestuur van de school moeten gescheiden worden.

Volgens sommigen is niemand anders dan Joseph Lies de auteur van het voorstel van de Cercle. Leys, die sinds enige tijd in de gemeenteraad zetelt, verdedigt het met vuur bij zijn collega’s. Maar de overheid heeft er geen oren naar.

Weldra wordt Niçaise De Keyser de nieuwe directeur van de Academie. De Keyser is al lang geen flamboyante romanticus meer, maar een gematigde figuur van veeleer katholieke signatuur; hij koestert weinig of geen sympathie voor de Vlaamse Beweging. Een ‘betrouwbare’ directeur, kortom. Onder zijn bewind wordt de Academie een stuk ‘Franstaliger’, maar leerstof en wijze van doceren blijven nagenoeg dezelfde als onder Wappers.

Tuberculose

In 1859 doen zich bij Lies de eerste symptomen van tuberculose voor. Zijn dokter raadt hem een reis naar Italië aan. Zo’n tocht biedt ook interessante artistieke perspectieven. De kunstenaar vertrekt. Aan zijn moeder en zijn familie stuurt hij brieven – de meeste in het Frans, maar sommige in onvervalst Antwerps. Dat laatste schrijft hij bijna fonetisch, wat duidelijk laat zien dat Lies nooit “beschaafd” Nederlands heeft geleerd. Aan zijn moeder meldt hij vol optimisme:

Kunstverbond
De feestzaal van de Cercle Artistique (foto Letterenhuis).

‘En zoo zal diën tyd al stillekens omgaen, eerweerdig mensch [Lies’ ironische aanspreektitel voor zijn moeder] zonder dat wy het zelf zullen weten en dan zullen we alweer koken eten spelen gelyk van veuren. T’ is t’hopen dat myn wielen en blaespypen dan weer heelegans goed zullen gesmeerd zijn en dan zulle we ons winkeltje weer openen en werken voor de kalanten. Ik moet regt uyt zeggen daerby, dat, als ik me wel examineer, dat mynnen blaesbalk [zijn longen] al veul gewonnen heeft. Als ik thuys zal komen zullen er agterlappen, halfzolen en huyfkens op staan, en zal weer zoo goed zyn als nief.’

Lies verblijft in Florence en in Venetië waar hij zich vergaapt aan het werk van de Italiaanse meesters. Met zijn gezondheid schijnt het in het warme en droge klimaat inderdaad heel wat beter te gaan. Eind juni 1860 is hij terug in Antwerpen. Hij gaat weer volop aan het werk. Maar echt genezen is hij niet.

Intussen raakt zijn vaderstad steeds meer in de greep van de ‘Antwerpse kwestie’. De regering wil de stad versterken met een gordel van forten zodat ze bij een Franse invasie – en in afwachting van Engelse hulp – kan dienen als toevluchtsoord voor de koning, de ministers en het leger.

De Antwerpenaars zijn daar volstrekt niet voor te vinden. Ze vrezen niet alleen de verwoesting hun stad door het oorlogsgeweld. De bouw van de forten dreigt de uitbreiding van de haven te verhinderen. Grond- en huiseigenaars uit de voorsteden zijn dan weer niet te spreken over het feit dat ze voortaan alleen houten gebouwen mogen optrekken. Ze vrezen ook de vele onteigeningen die eraan dreigen te komen.

Meeting

Er komt een brede protestbeweging op gang die meetings organiseert waar duizenden boze Antwerpenaars lucht geven aan hun ergernis. Hieruit ontstaat de Meeting- of Antwerpse partij, een coalitie van radicale links-liberalen, flaminganten.

Henri-Leys--1815---1869
Henri Leys (foto Letterenhuis).

De regering houdt het been stijf en de werken beginnen in de lente van 1860. Dertienduizend arbeiders verdienen hun boterham bij de bouw van de verdedigingsgordel. Maar de Antwerpenaars halen hun gram, want de Meetingpartij wint in 1862 de gemeenteraadsverkiezingen en maakt een eind aan decennia van liberaal bewind. De ooit zo populaire burgemeester Loos heeft hun belangen niet hard genoeg verdedigd, vinden de stedelingen. De katholiek Joseph Cornelis Van Put (1811-) volgt hem op.

Is het toeval dat Joseph Lies in 1859 De rampen van de oorlog borstelt? Het mag dan wel om een middeleeuws tafereel gaan, de afschuw van de schilder voor het oorlogsgeweld is duidelijk.

Rond deze tijd ontstaan nog meer ernstige doeken met een onderliggende actuele boodschap. Albrecht Dürer de Rijn afvarend is een verheerlijking van de grote Duitse meester uit de 16de eeuw die in Antwerpen op bezoek komt. Maar Dürer hing de leer van Maarten Luther aan. En de Antwerpse liberalen vereenzelvigen zichzelf maar al te graag met de Hervorming.

Taferelen als Erasmus die de Lof der Zotheid schrijft en Erasmus en Holbein getuigen eveneens van sympathie voor de critici van de kerk. Het schilderij Een contrast van omstreeks 1862 oogt lieflijk, maar stelt een verveeld rijk liefdespaar tegenover een oprecht verliefd volks koppeltje.

Anno 1864, een jaar vòòr de dood van de schilder, stichten de Antwerpse vrijdenkers uit de burgerij hun eigen afdeling van La libre Pensée (De vrije Gedachte), een organisatie die is ontstaan in Brussel. Gangmaker in de Scheldestad is koopman Victor Lynen, de nieuwe achtbare meester van Les Amis du Commerce et la Persévérance réunis.

Het genootschap wil ‘het geweten van de mensen bevrijden doormiddel van onderwijs en burgerlijke begrafenissen’. La libre Pensée telt aanvakelijk zestig leden en betrekt een lokaal aan de Twaalfmaandenstraat.

In de stad bestaat trouwens al van in 1857 een afdeling van Les Solidaires of De Solidairen, een linkse arbeidersvereniging die eveneens de burgerlijke begrafenis voorstaat. Ook zij is de locale afdeling van een Brusselse vereniging, die zich op haar beurt heeft afgescheurd van de in 1854 opgerichte L’Affranchissement (‘Bevrijding’).

Tuberculose – ‘tering’, zegt het volk – is in veel sentimentele romans uit de 19de eeuw de doodsoorzaak van de heldin. Maar het is ook een verschrikkelijke realiteit, en niet alleen voor vrouwen. Joseph Lies verzwakt, ’s avonds voelt hij zich koortsig, hij hoest en weldra geeft hij bloed op. Werken wordt onmogelijk. Maar de schilder heeft wel de tijd om zijn familie en vrienden op het hart te drukken dat hij geen ‘zwartrok’ aan zijn sterfbed wil en ook geen uitvaartmis.

Hondenhoek

Joseph Lies overlijdt op 3 januari 1865. Tal van mensen komen zijn opgebaarde lichaam groeten. ‘Onze stadgenoten, die Lies kenden van kindsbeen, waren, als een stroom die stil-ruischend zeewaarts spoedt, ten sterfhuize getogen,’ schrijft Edward Poffé in zijn Plezante Mannen in een plezante Stad, een destijds erg populaire kroniek van het leven in Antwerpen tussen 1830 en 1880. Maar burgemeester Van Put en de schepenen laten zich niet in het sterfhuis zien. Een notoir vrijmetselaar die bovendien een burgerlijke uitvaart wil, dat is voor hen een brug te ver.

EmileGrisar
Emile Grisar, de radicale achtbare meester van Les Amis du Commerce (a).

Lies’ vrienden stellen intussen alles in het werk om de uitvaartplechtigheid luister bij te zetten. Poffé noemt het een ‘wonder schouwspel, daar zoowel oude mannen als jonge vrouwen te zien weenen, toen de lijkkist werd buitengebracht, waarover een witzijden laken was gelegd, versierd met een lauwerkrans en het eereteeken van de Koningorde’. De schilders Leys, Joseph Van Lerius (1823-1876), Ignatius Van Regemorter (1785-1873) en François Lamorinière dragen een tip van het baarkleed. Van hen is alleen Lamorinière sinds 1863 lid van Les Amis du Commerce et la Persévérance réunis.

Hoewel de begraafplaatsen in België eigendom zijn van de gemeenten, zwaait de clerus er de plak. Ze zijn in hun geheel gewijd en de kerkfabrieken beschikken over de sleutels van de toegangspoort; ze beheren tevens het materiaal dat nodig is om graven te delven. Bisschoppen en pastoors vinden dat vrijdenkers onder geen beding in gewijde grond morgen worden begraven.

Daarom belanden ze in de ‘hondenhoek’ buiten de eigenlijke begraafplaats. Die vernedering valt, alle liberaal protest, ook Joseph Lies ten deel op het kerkhof Stuivenberg (vandaag Stuivenbergplein) in de 5de wijk, een voorstad buiten de stadswallen.

Gemeenteraadslid en dichter Jan Van Rijswijck (vader van de latere burgemeester en zelf lid van de Meeting) interpelleert het stadsbestuur.

De bevoegde schepen verschuilt zich echter achter een wet uit de Franse tijd – al bepaalt die slechts dat op een begraafplaats muurtjes, hagen of grachten de zones moeten scheiden waar mensen van een verschillend geloof worden begraven.

De manier waarop de kerk die wet interpreteert, betoogt Van Rijswijck, is in strijd met de Belgische Grondwet. Maar de schepen geeft geen krimp. Alsof dat niet erg genoeg was, treden oudere, meer behoudsgezinde liberalen het stadsbestuur bij.

Gemeenteraadslid D’Haene-Steenhuyse, nochtans zelf ook lid van de loge, vindt dat men er beter aan doet de Antwerpse belangen (i.v.m. de fortenbouw) te verdedigen dan ‘tweedracht te zaaien onder de bevolking’.

Lamorinière
Maçonniek overlijdensbericht van François Lamorinière (a).

Van Rijswijck laat het er niet bij. Hij organiseert een petitie die de afschaffing van de ‘hondenhoek’ vraagt en slaagt erin 124 handtekeningen van vooraanstaande Antwerpenaren te verzamelen. Het gemeentebestuur verklaart zichzelf echter onbevoegd om maatregelen te nemen.

Van alle ondertekenaars is de Friese schilder Laurens Alma-Tadema vandaag zeker het bekendst. Hij heeft aan de Antwerpse Academie bij logebroeder Louis De Taeye gestudeerd en werkt nadien samen met Leys. Tadema verhuist weldra naar Brussel en dan naar Londen. In de Britse hoofdstad bouwt hij een grote carrière uit als schilder van taferelen uit de klassieke oudheid.

De uitvaart van Lies is het begin van een hevige ‘begrafenisstrijd’ tussen katholieken en vrijzinnigen. De katholieke pers, Het Handelsblad voorop, bewerkt de gelovige bevolking. De vrijzinnigen zien het ledenaantal van La libre Pensée stijgen tot 124 en enkele maanden later zelfs tot 304.

Aan de Mattenstraat bij de Werf, in het oudste stuk van Antwerpen dat bij de rectificatie van de kaaien in 1880-1885 verdwijnt, sterft de bejaarde weduwe Adriaenssens. Zij krijgt op 4 mei 1866 een burgerlijke begrafenis die geregeld (en allicht ook bekostigd) wordt door La libre Pensée.

‘Daar, in het hartje van het Schipperskwartier,’ schrijft Edward Poffé, ‘namen de menschen tegenover het lijk en de nabestaanden der overledene eene schandige houding aan, waartegen geen enkel ooggetuige en ook geen enkel politie-man zich verzette. Nauwelijks was de familie in de rijtuigen gezeten, welke haar ter begraafplaats zouden voeren, of vrouwen en mannen uit den omtrek kwamen geloopen, spuwden in de koetsen […]’.

‘De schandaligste boeken’

Kort daarop volgt de uitvaart van Herleyn. Zoals gezegd, treedt de politie deze keer wel op – ze moet of de zaak loopt compleet uit de hand. Wanneer de oppositie burgemeester Van Put in de gemeenteraad op het matje roept over de schade die buren aan het huis van Herleyn hebben toegebracht, wijt hij alles aan de vervallen toestand van de woning.

Het Handelsblad voegt daaraan toe dat de menigte die de orde verstoorde minder verontwaardigd was over de burgerlijke uitvaart dan over het feit dat Herleyn bij leven ‘de schandaligste boeken verkocht, die er te vinden waren’.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Jaak De Braekeleer, grafmonument van Joseph Lies (foto Jan Lampo).

Intussen beslissen de leden van Les Amis du Commerce et la Persévérance hun overleden broeder Lies te eren met een indrukwekkende grafzerk. Om die te bekostigen, openen ze een publieke inschrijving. Eens te meer weigert het stadsbestuur zijn medewerking.

Toch slagen de broeders erin om voldoende fondsen bij elkaar te brengen. Het beeld voor Lies’ graf wordt gemaakt door broeder Jaak De Braekeleer, neef van schilders Ferdinand en Henri.

Artistiek is het monument niet bijzonder geslaagd, maar het is wel typisch voor zijn tijd.

Een halfnaakt meisje met in haar linkerhand een lauwerkrans treurt bij het borstbeeld van de schilder. Achter hem staat een vrouwenfiguur die de schilderkunst voorstelt (zij heeft penselen in haar hand) en met gestrekte arm ‘de weg’ wijst.

De inhuldiging van de zerk vindt plaats op 3 december 1866.

Victor Lynen zegt bij die gelegenheid: ‘Dit beeld is niet alleen opgericht ter herinnering aan een kunstenaar, maar ook aan een dappere die zijn overtuiging trouw wist te blijven tot in de dood.’

Ontgraving

Zoals te verwachten en te voorzien was, beschouwen ook de opposanten van de burgerlijke uitvaart het monument als een symbool. Het wordt herhaaldelijk het voorwerp van vandalenstreken. De Braekeleer ziet zich genoodzaakt zijn beeld te versterken met ijzeren staven. De loge richt een ad hoc commissie op om het graf te onderhouden en, zo nodig, te herstellen.

De Meetingpartij verliest de gemeenteraadsverkiezingen van 1872. Er komt opnieuw een liberaal stadsbestuur. Burgemeester Leopold de Wael vaardigt een gemeentelijk reglement uit dat een einde maakt aan de discriminatie van niet-kerkelijk begraven overledenen.

In heel België neemt het aantal burgerlijke uitvaarten toe. Na de begrafenis van een ongelovige in gewijde grond in Ukkel bij Brussel in 1869 wil de pastoor de kist weer laten opdelven. Dat leidt tot felle debatten in de Kamer.OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Toch duurt het nog tot 1891 vooraleer de aartsbisschop van Mechelen het principe aanvaardt dat voortaan elk graf afzonderlijk gewijd wordt – of niet.

Bij de ruiming van de begraafplaats Stuivenberg brengt men de stoffelijke resten van Joseph Lies in 1883 over naar het Kielkerkhof (thans Kielpark). Ook zijn zerk wordt verplaatst.

Bij de plechtigheid n.a.v. de dertigste verjaardag van Lies’ overlijden spreekt zijn collega en logebroeder François Lamorinière een rede uit. Na de Eerste Wereldoorlog tenslotte, brengt men de graven van Lies en andere prominenten over naar de nieuwe stedelijke begraafplaats Schoonselhof (perk Z 1, rij D).

Bibliografie

Poffé, Edward. Plezante Mannen in een plezante Stad. (Antwerpen tussen 1830 & ’80). Antwerpen, J-E. Buschmann, 1913.

Todts, H. ‘Een superromanticus: Joseph Lies,’ in Zaal 7, Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, jaargang 1 (2013), nr. 4, pp. 14-17.

Thys, K. Hiram aan de Schelde. 250 jaar Vrijmetselarij in Antwerpen. Antwerpen; Rotterdam, C. De Vries-Brouwers, 2006.

Zuttere, René De, Histoire de la Loge ‘Les Amis du Commerce et la Persévérance réunis’ au sein de la vie anversoise du XIXième siècle. Antwerpen, 2006.

[Polemiek] Focus op het schaamhaar. Kristien Hemmerechts, Michelle Martin en de literatuur.

Jan_van_Eyck_059

Ik herinner mij de woede en de verontwaardiging toen de misdaden van Marc Dutroux aan het licht kwamen. Wat ik mij nog beter herinner, is de complete hysterie die zich meester maakte van een deel van de media en van mensen die alom als tamelijk verstandig werden beschouwd.

Pedofielennetwerken, de Roze Balletten, een aantal niet-gerelateerde onopgeloste moorden, de elucubraties van Getuige X1 aka Regina Louff van wie nadien heuse romans verschenen bij uitgeverij Houtekiet en nog veel meer.

Een nationaal trauma? Wat wil dat eigenlijk zeggen? Dat veel mensen opgetogen waren over hun eigen verontwaardiging? Dat de bedenkers van complottheorieën even dachten dat men hun eindelijk gelijk moest geven? De voorlopige zwanenzang van een soort overspannen, paranoïde sensatiezucht in de gedaante van kritische onderzoeksjournalistiek?

De misdaden van Dutroux waren afschuwelijk, laten we wel wezen. Ik kan mij het verdriet van de ouders van de vermoorde kinderen gewoon niet voorstellen, zo verschrikkelijk moet het zijn geweest. Die mensen genieten mijn onvoorwaardelijke sympathie, al hebben ze daar natuurlijk niets aan.

Nieuwe politieke cultuur

De affaire-Dutroux maakte duidelijk dat het gerecht en de politie in dit land niet altijd even goed bezig waren. Even werd er zelf door zowat iedereen openlijk (nou ja) gesproken over de nefaste gevolgen van politieke benoemingen – niet ons nationaal trauma, maar wel onze nationale, doorgaans hartstochtelijk verzwegen maladie honteuse. Er was sprake van Nieuwe Politieke Cultuur (NPC, jawel!). Lang heeft een en ander evenwel niet mogen duren.

Michelle Martin, de vrouw van Dutroux, was zijn medeplichtige. Zij liet twee kinderen die opgesloten zaten in zijn verborgen kelder verhongeren. Het is zo vreselijk dat ik moeite heb om het op te schrijven. Moeite om het ook echt te geloven.

Kristien Hemmerechts heeft een roman geschreven die, naar ze zelf zegt, gebaseerd is op wat we weten over Michelle Martin. Hemmerechts heeft een en ander met taal en verbeelding uitgewerkt tot een gefictionaliseerd portret van een reëel en erg gehaat persoon. Blijkbaar wordt de schrijfster zelf door sommige lieden erg gehaat. En zo komt het dat nu een rel woedt over die de verkoop van de roman zeker ten goede komt.

Soms zijn er dingen die een mens het gevoel geven dat hij zich moet uitspreken. Ik heb dat relatief zelden, als ik mezelf vergelijk met de gelijkhebbers die geregeld ejaculeren op papieren en elektronische fora.

Recht

Waarom voel ik nu de drang? Misschien weet ik het wanneer ik klaar ben met deze tekst.

Heeft Kristien Hemmerechts, hebben schrijvers in het algemeen, het recht om zich te bedienen van een reëel, levend persoon en van reële, tragische gebeurtenissen uit de actualiteit of een recent verleden?

Ik vind van wel. Goed nadenken en elegant, met engagement en medeleven schrijven over maatschappelijke fenomenen, is – ik wik mijn woorden – een van de dingen die een schrijver tot eer (kunnen) strekken. Zijn of haar motieven zijn daarbij, idealiter, een combinatie van bezorgdheid over de wereld en een persoonlijke, morele aandrang.

Een paar jaar geleden heb ik zelf een boek geschreven over twee moorden, die ik van tamelijk nabij heb meegemaakt, en waarvan de dader of daders nooit ontmaskerd is/zijn. Het boek in kwestie, De Campusmoorden, is tot stand gekomen op vraag van VTM en van de uitgeverij Lannoo. Daar dacht men dat de Antwerpse gerechtelijke politie voor een doorbraak stond. Toen dat niet het geval bleek en toen men merkte dat ik geen real crime-boek had geschreven zoals een gerechtsjournalist dat zou doen, haakte VTM af. Ik waardeer dat Lannoo er desondanks mee is doorgegaan.

De Campusmoorden was geen commercieel succes, ten eerste omdat de misdaden die erin aan bod komen niet tot de publieke verbeelding spraken, ten tweede omdat ik als schrijver sowieso niet behoor tot de lievelingen van de zg. kwaliteitspers en ten derde omdat ik een persoonlijk boek schreef dat niet paste in de stroom publicaties die parachute- en andere moorden soms in dit land teweegbrengen.

Geld

Vind ik dat erg? Ik had graag meer exemplaren over de toonbank zien gaan, maar zo weinig waren het er nu ook weer niet. De belangeloze medewerking die ik kreeg van een heleboel mensen, het gezamenlijk ophalen dierbare herinneringen aan vrienden van wie ik veel gehouden heb – het zijn ervaringen die ik voor geen geld zou willen missen. En voor mij, “als schrijver”, was De Campusmoorden behalve een emotionele rollercoaster een experiment.

Ik heb ook moeten horen dat ik het voor het geld deed en dat ik nog allerlei andere onzuivere motieven had. Dat hoort bij het vak en het laat mij, naarmate ik ouder word, steeds sneller Siberisch.

Ik ben dus de laatste om te beweren dat Hemmerechts geen roman over Michelle Martin had mogen schrijven. Een deel van de irritatie die zij opwekt, heeft te maken met het feit dat veel mensen nog altijd niet goed begrijpen dat een roman een roman is, d.w.z. fictie, een werk van de verbeelding, ook als hij geïnspireerd is door “echte” feiten en personen. Dat de schrijver zijn visie, zijn interpretatie, zijn inschatting verwoordt, zonder te beweren dat het om de Waarheid met een grote W zou gaan. En dat het belang van een roman weinig met waarheidsgetrouwheid te maken heeft. Wie die Waarheid wil verkondigen doet dat meestal (en best) niet met een roman.

Maar goed – het blijft allemaal delicaat.

Dat de ouders van de vermoorde kinderen niet gelukkig zijn, is menselijk. Maar, hoe je het ook draait of keert, hun tragiek maakt deel uit van het publieke domein. Daar hebben ze destijds zelf hard aan meegewerkt. Ik twijfel niet aan hun verdriet en aan hun oprechtheid, ik constateer een realiteit. Ook Michelle Martin behoort door haar notoriété tot dat publieke domein.

De beste verhalen

Tegelijk vind ik dat schrijvers, maar ook makers van films en televisieseries, zich in het algemeen best wat terughoudender opstellen wanneer ze over mensen schrijven die nog “onder ons” zijn. Niet alleen om evidente redenen van privacy, maar ook omdat ze reële toestanden vaak aangrijpen om hun eigen gebrek aan inspiratie te verdoezelen.

De beste verhalen zijn nog altijd verzonnen verhalen.

Heeft Kristien Hemmerechts een gemakkelijke weg naar succes en hoge verkoopcijfers gekozen?

Ik heb haar boek nog niet gelezen en ik ken haar motieven niet. Ik kan mij er dus niet over uitspreken. Hemmerechts verdient, wat mij betreft, het voordeel van de twijfel. Haar uitgever zal wel dollartekentjes in zijn ogen hebben, maar dat is des uitgevers rol. Wil de schrijfster geld verdienen met haar roman? Allicht, maar een schrijver mag betaald worden voor zijn labeur. En iedere schrijver, dat is de aard van het beestje, wordt liever gelezen dan niet.

Wat mij cynisch stemt, is dat dezelfde media en middens die al decennia het mooie weer maken in onze letteren en Hemmerechts (net zoals bijv. Brusselmans) als Opsinjoorke hebben omhooggesmeten, die haar nu met de grond willen gelijk maken. Dat is op zijn minst inconsequent. “Het een is ’t een en het ander is ’t ander,” zoals mijn Bomma altijd zei. Voor de Nederlandse lezertjes: van twee dingen een. Of is dat ook Vlaams?

Als Hemmerechts een slechte, grijpgrage, mediageile tante is, dan hebben De Morgen, De Standaard, de Humo en those who sail in them ons dertig jaar lang voor de aap gehouden. En dan vraag ik mij af waarom de linkse literaire kerk in Vlaanderen opeens besloten heeft haar alsnog in de ban te doen.

Pijnlijk

Ik ben de zoon van een man die honderdduizenden exemplaren verkocht, maar halverwege zijn leven genadeloos uit de literaire canon werd geschopt. Dat maakte van mijn vader iemand die weliswaar doorging op de weg die hij gekozen had (of die zijn natuur voor hem had uitgestippeld), maar die niet begreep wat men hem verweet en daar boos en verdrietig van werd. Waardoor hij dingen zei en deed die zijn tegenstanders in hun handjes deden wrijven van plezier.

Pijnlijk allemaal.

Voor mij een subjectieve reden om mee te voelen met Kristien Hemmerechts.

Alleen, zo simpel is het natuurlijk nooit.

Ik koester respect voor mensen die boeken schrijven. Maar ik ben nooit een uitgesproken fan van Kristien Hemmerechts geweest. Daar wil ik niet flauw over doen. In 1987 was ik zowat de enige Vlaamse recensent die durfde schrijven dat hij haar debuut niet goed vond. Terwijl Vlaamse professoren (van CVP-signatuur) tot op de pagina’s van Vrij Nederland over elkaar heen vielen om te vertellen hoe geniaal en grensverleggend het boekje was. (Aan de andere kant: ik was anno 1993 of 1994 – samen met collega Els Groessens – ook de eerste die haar interviewde voor De Standaard der Letteren, toen nog zeer tegen de zin van enkele oudere redacteuren.)

Ik heb ook gezien hoe enthousiast dezelfde powers that be (were?) juichten toen Hemmerechts samen met echtgenoot Herman De Coninck plaatsnam in een bad om zich zo te laten fotograferen (voor Knack Weekend, meen ik). Of hoe de schrijfster uit de kleren ging en full frontal plaatsnam tussen de kolommen van o.m. De Standaard. Er werd een fotografiecriticus – jawel, die bestaan! – bijgehaald om uit te leggen dat het niet om een blote schrijfster ging, maar om een geniale foto, waarvan de maker had scherpgesteld op haar schaamhaar.

Intussen bleven haar boeken grenzen verleggen en bestsellerlijsten beklimmen.

Verboten

Om een lang verhaal kort te maken: Hemmerechts is iemand die vaak haar best doet om in de belangstelling te komen en dat op een manier die weinig met werkwoorden of metaforen te maken heeft. Waarbij de eerlijkheid gebiedt te nogmaals te benadrukken dat zij daarin altijd door haar vriendjes en fans werd aangemoedigd en dat het lang Verboten was om daarmee te lachen.

Wie daar nu ineens niet meer tegen kan, moet maar een serieuze, goed onderbouwde recensie schrijven waarmee hij aantoont dat Hemmerechts’ laatste geen goed boek is. Of overgaan tot intelligente satire.

Het gaat om de bal, niet om de vrouw.

Ik ben zelf een man, dus ik belijd liever geen feminisme – niemand zou mij geloven. Toch vermoed ik dat onder en achter alle verontwaardiging over Hemmerechts een muffe vrouwonvriendelijkheid schuilgaat die vandaag wel vaker opwalmt uit een debat dat beheerst wordt door mannetjesputters met veel borsthaar – het soort dat ik associeer met Humo, P-Magazine, Het Nieuwsblad en helaas ook met de openbare omroep. Er moet een reden zijn waarom mijn onderbewustzijn dat sprongetje telkens weer maakt.

Heeft een boekhandelaar het recht een boek uit zijn rekken te weren? Natuurlijk. Maar van daar naar de herleving van het Lectuurrepertorium van kanunnik Joris Baers is toch maar een stap.

Zou het dan toch waar zijn dat veel progressieve Vlamingen eigenlijk gewoon een nieuw model katholieken zijn? Tjeven met airco en cruise control? Of beter, bakfietsen in plaats van pastoorsfietsen?

Exotisme

Dat de Hollanders over de jongste Hemmerechts uit hun bol gaan, heeft dan weer veel, zo niet alles te maken met hun waanideeën en vooroordelen over dit ongelukkige land. Die bestaan omdat Nederlanders nog altijd weigeren zich te verdiepen in wat werkelijk speelt bij ons, hun zuiderburen. Ze begrijpen niets van onze geschiedenis, onze vorm van verzuiling, onze politiek of onze stammentwisten. Die interesseren hun ook niet echt.

Wanneer ze naar ons kijken, doen ze dat met een welwillende, kolonialistische blik. Omdat ze ons exotisch vinden. Alleen daarom kon Claus’ Verdriet van België hun doen geloven dat elke Vlaming een collaborateur uit Kortrijk is.

Quod non.

[Geschiedenis] Trekschuiten op de Willebroekse vaart. Het oudste kanaal van Noord-Europa.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Klein-Willeberoek en het kanaal gezien vanop de noordelijke oever van de Rupel (foto Jan Lampo).

Het Zeekanaal Brussel-Schelde werd gegraven in de 16de eeuw en is een van de oudste van ons land. Dubbele sluizen, de eerste die men bouwde ten noorden van de Alpen, overwonnen een aanzienlijk hoogteverschil. De oprichting van een dienst die reizigers op geregelde tijdstippen per trekschuit van Brussel naar Klein-Willebroek bracht, was een wereldprimeur. Sindsdien speelde de vaart een grote rol in de economische ontwikkeling van het land. In de 18de eeuw leidde de trafiek op de vaart mee tot de aanleg van de eerste steenwegen; vanaf het midden van de 19de eeuw vestigden vele industrieën zich in de regio. Daarom is in feite het hele kanaal een belangrijk monument.

Even voorbij Mechelen, aan het Zennegat, stort de Zenne zich in de Dijle, die op haar beurt bij Rumst samenvloeit met de Nete. Zo ontstaat de Rupel. Twaalf kilometer verderop, tegenover Rupelmonde, mondt de Rupel uit in de Schelde. In de middeleeuwen voeren alle schepen die vanuit Brussel, Leuven of Zoutleeuw – verderop waren de Brabantse waterlopen niet bevaarbaar – naar de Schelde wilden, hier voorbij.

Zenne, Dijle, Nete en bijrivieren zoals de Demer en de Gete, waren gedeeltelijk aan de getijden onderhavig; ze waren bovendien ondiep. Ook hun talrijke meanders hinderden de scheepvaart. Zelfs in de beste omstandigheden had een boot enkele dagen nodig om vanuit Brussel de Rupel te bereiken.

Klein-Willebroek, gezien vanaf de sluis.
Klein-Willebroek (foto Jan Lampo).

Al in het begin van de 15de eeuw dachten vooruitziende lieden aan een kanaal dat de hoofdstad met de rivier verbond; de trafiek van en naar Antwerpen dat een steeds voornamere economische rol speelde, groeide. Niet alleen de stedelijk overheid van Brussel, maar ook de centrale overheid zag het niet daarvan in.

In 1477 gaf Maria van Boergondië aan Brussel de toelating voor de werken en in 1531 bevestigde keizer Karel V die nog eens; toch duurde het nog eens bijna twintig jaar voor de eerste spadesteek werd gegeven.

Het kanaal moest niet alleen 28 kilometer lang worden, men diende ook een hoogteverschil van 14 meter te overwinnen. Dat vroeg om de bouw van dubbele sluizen waarin schepen konden versassen. Zulke sluizen waren op punt gesteld in Italië.

Op 16 juni 1550 trok de magistraat van Brussel in vol ornaat naar Willebroek om er het startsein te geven. Drie maand later begon men in de hoofdstad zelf te graven. Het was een van de Brusselse burgemeesters, Jan van Locquenghien, heer van Koekelberg, die de werken leidde. Er kwam heel wat bij kijken, want behalve sluizen moest men ook dijken en bruggen bouwen.

Het kanaal in Klein Willebroek; gezien vanuit het noorden.
Klein-Willebroek, de oostelijke oever van het kanaal in de richting van Willebroek (foto Jan Lampo).

De onderneming kostte zo’n 800.000 gulden. Brussel sloot leningen af en hief nieuwe belastingen om de interest te betalen. Het werk verliep niet zonder problemen. In Klein-Willebroek, waar de vaart de Rupel bereikte, voorzag men aanvankelijk geen sluis. Twee hoge dijken moesten beletten dat het water dat vanuit de Rupel in het kanaal liep buiten zijn overs trad. De sluis van Tisselt, enkele kilometer verderop, zou het debiet regelen.

Maar toen men in 1554 de Rupeldijk in Klein-Willebroek doorstak, bleek de dijk langs het kanaal ter hoogte van datzelfde Tisselt niet sterk genoeg; hij brak en het dorp werd grotendeels vernield. De sluis was zo zwaar beschadigd dat men besloot er meteen een nieuwe te bouwen, deze keer met grondvesten op vaste bodem inplaats van op houten peilers.

Bruggen bouwde men in Laken en Vilvoorde, bij Verbrande Brug (Grimbergen) en in Humbeek, Kapelle-op-den-Bos en Willebroek. In Brussel rustte men de oevers van het kanaal uit met stenen kaaien voor het lossen en laden van schepen.

Klein-Willebroek, de brug en het Veerhuis.
Klein-Willebroek, de ophaalbrug (foto Jan Lampo).

De vaart was klaar in 1561. In de hoofdstad hild met schitterende feesten. Van koning Filips II mocht Brussel “ten gerieve van den gemeynen cooplieden ende andere ingesetenen onser landen van herweerts overe” en met “sekere menighte van schuyten ende schepen” geregeld passagiersvervoer organiseren – een wereldprimeur.

Dagelijks trokken paarden de grote, platte schuiten naar Willebroek en terug. In Klein-Willebroek staten de passagiers over op grote zeilschepen of heuden die over Rupel en Schelde naar Antwerpen voeren. In 1575 vaardigde de overheid een ordonnantie uit die bepaalde dat het traject Brussel-Willebroek maar vijf uur mocht duren.

In Brussel vertrokken de schuiten ’s winters om 7 uur en in de zomer om 6 uur. De pachter van de lijn moest zijn schepen zó uitrusten dat ook hooggeplaatste lieden comfortabel konden reizen. In 1573 gebruikte men voor het eerst een met ijzer belagen schuit die door vele paarden werd getrokken om het ijs op de vaart te breken.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Klein-Willebroek, het Sashuis (foto Jan Lampo).

Naast de trekschuiten voor passagiers – de reizigers mochten maar een beperkte hoeveelheid bagage meenemen – voeren op het kanaal natuurlijk ook vrachtschepen. Ze vervoerden onder meer baksteen uit de Rupelstreek. De vaart stimuleerde immers de baksteenindustrie die al van in de middeleeuwen bloeide in Hemiksekm, Niel, Boom en Rumst.

In 1570 kwam er dan toch een sluis in Klein-Willebroek. Op deze plek, waar de reizigers vaak lang moesten wachten, was een nieuw dorp ontstaan met tientallen herbergen. Ze hadden welluidende namen zoals De Koning van Spanje, De Zwaan, De Ster, De Walvis, De Papegaai en Het Bourgondisch Kruis.

Kroatische huurlingen in Spaanse dienst bouwen er in 1576 een shcans en in 1608 richtte de Maatschappij der Schipvaart, de Brusselse instelling die het kanaal exploiteerde, bij het sas het Sashuis op. Dat is sinds 1945 als monument beschermd; in 1989 richtte de gemeente Willebroek het in als museum.

trekschuit
Trekschuit. Hollands tegeltableau (a).

In het Sashuis wachtten voorname reizigers op de heude; ze aten in de mooie Rentmeesterskamer op de verdieping. De zoldering is nog altijd versierd met een medaillon in stucwerk. Het stelt Sint-Michiel voor, de patroon van Brussel, omgeven door de spreuk “Wel Vaeren Wordt Benyt”.

Bij de Brusselse haven, tussen de Lakense- en de Vlaanderenstraat, was intussen een nieuwe wijk met stapelhuizen en de riante woningen van kooplui ontstaan.

De sluiting van de Schelde in 1585 zette een punt achter de “gouden” eeuw van Antwerpen, maar de scheepvaart op het kanaal bleef zo druk dat en in 1614 de Brusselse Houtkaai vergrootte en in 1639 twee dokken groef. De oostelijke dijk lngs de vaart verbreedde men in 1704 tot Laken; zo ontstond de beroemde Groendreef waar voorname Brusselaars tot in de 19de eeuw graag rondjes reden met hun koets.

trekschuit2
Trekschuit bij een landhuis aan de Vecht. Nederlandse prent, 18de eeuw (a).

Het toenemende verkeer noopt de overheid weldra tot de aanleg van steenwegen die de hoofdstad met Gent en Leuven verbonden. Ook tussen Antwerpen en Mechelen kwam er, op initiatief van de Staten van Brabant, een steenweg. In 1698 legden de Mechelaars een volgens stuk aan, dat van Zemst naar de vaart ter hoogte van Vilvoorde leidde.

De heudetocht van Klein-Willebroek naar Antwerpen was niet zonder risico. Op enkele plaatsen was de stroming in de Rupel sterk en de felle wind vergrootte nog het gevaar. “Den 2 december is de heugde van Brussel op Antwerpen comende van Kleyn Willebroeck door het groot onweder omgevallen ontrent Wintam,” lezen we in een document van 1740. Het was niet de eerste en ook niet de laatste keer.

Geheel in overeenstemming met de tijdsgeest, besloot de stad Brussel de heuden uit de vaart te nemen. Een veer kon de reizigers naar Boom brengen. Vandaar zou men een steenweg naar Antwerpen aanleggen. Koetsen, die plaats boden aan 14 passagiers en bespannen waren met drie paarden, verzekerden de dienst. Voor et gemak van de reizigers bouwde men in 1765 aan de straat van de Veerdam naar de Bovenstraat (thans Leopoldstraat) in Boom de afspanning De Scheepvaart.

De Duitse natuurkundige Heinrich Sander (1754-1782) maakte in 1776 per trekschuit de reis van Brussel naar Klein-Willebroek en per koets van Boom naar Antwerpen. Hij schreef in zijn dagboek:

“Tijdens deze tocht leerde ik voor het eerst de trekschuiten of barken, die door paarden getrokken worden, kennen. Men rekent de reis van Brussel slechts op 8 uren, maar ik kwam toch pas om 5 uur ’s avonds in Antwerpen aan.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
De brug van Willebroek, door Wannes Van de Velde bezongen als “brug der zuchten” (foto Jan Lampo).

“Iedere dag vertrekt de schuit in Brussel om 8 uur. De trap en het kantoor waar men betaalt, gaan om half acht open. Men betaalt voor zichzelf en een koffer maar 29 sous tot in Antwerpen, en ontvangt een getekend stukje lood.”

“De schuiten zijn groot, hoog en mooi. Achteraan is een deel van het dek overdekt en e zijn ook enkele rijen zitplaatsen met kussens. Vooraan en in het midden zet men de koffers. De kleine pakjes legt men in gevlochten korven waarop men gaat zitteen. Beneden zijn kleine, aardige kamers, een keuken met een over, thee, koffiegerei en dergelijke.”

“Wie onder dak en op een kussen wil zitten, betaalt per uur 6 liards extra en ook voor de plaatsen in de kamers beneden moet men bijbetalen. Men spant de paarden aan een lang touw dat van bovenaan de mat neerdaalt. Soms treken twee paarden, soms drie de schuit. Vaak zit er een man op een van de paarden; anders loopt hij ernaast. Men verandert onderweg vier keer van paarden en bark.”

“Gewoonlijk vindt het verschepen plaats bij een klein dorp, waar de lieden reeds gebak, gebraad, worsten en dergelijke klaar hebbe. Iedere reiziger draagt zijn bagage mee; de koffers worden door de schipper op een slede uit de schuit van het ene schip in ’t andere gebracht. Iedereen haast zich om weer een goede plaats te hebben.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Willebroek, fabriek Denaeyer (foto Jan Lampo).

“Als men weer vertrekt, blaast men op de horen om de reizigers uit de huizen samen te roepen. De paarden trekken de schuit uur aan uur […]. Het kanaal is breed genoeg voor twee schuiten en loopt vijf uur rechtdoor. In het begin ziet men langs beide kanten de mooiste wandelingen van Brussel, dan weiden, velden, landhuizen, kleine dorpen en een weinig bos. Bij elke wisseling der schuiten is een dok, daarin machines die het water doen stijgen en weer in het volgend kanaal brengen.”

Sander, die de Rupel verkeerdelijk voor de Schelde houdt, is niet te spreken over de koetsen tussen Boom en Antwerpen.

Swedenborg1
Emmanuel Swedenborg (a).

“Pas is men overgestoken met het eerste schip [vanuit Klein-Willebroek] of men vecht om een plaats in de rijtuigen. Ik kroop langs het venster naar binnen. Er zaten vijftien personen in de koets. Men zit er heel gedrongen.”

Maar, “de weg naar Antwerpen is een tweeëneenhalf uur lange, rechte en zeer aangename baan. Men ziet de torens van de stad wel anderhalf uur van tevoren.”

Komend uit Holland maakte de Zweedse mysticus Emmanuel Swedenborg (1688-1772) dezelfde reis in omgekeerde richting. Hij schreef:

“Daarna nam ik plaats in een grote trekschuit, veertig ellen lang en zes ellen breed, voorzien van mooie vertrekken: cabines, keukens en andere plaatsen, en vooraan een tent waar men kon neerzitten. […] Het was een aangename en plezierige reis. Langs beide zijden van het kanaal stonden mooie bomen. De mensen waren heel vriendelijk: hun beleefdheid stak voordelig af tegen de grofheid en de onbeschaafdheid der Hollanders.”

In de Hollandse (1815-1830) tijd groef men een kanaal van Brussel naar Charleroi. Het raakte pas voltooid na de Belgische onafhankelijkheid, in 1832. Men verbond het met de Willebroekse vaart, die men omstreeks 1830 dieper maakte. De sluis van Klein-Willebroek werd verplaatst.

De schepen op het kanaal werden nog altijd door paarden getrokken, maar de trekschuit voor reizigers moest het tenslotte afleggen tegen de trein. In 1868 kreeg een zekere ingenieur Lambert een vergunning om de vrachtschepen te slepen met stoomsleepboten.

Zijn slepers hadden opzij een groot kamwiel dat paste in een ketting die onder water van sluis tot sluis liep. In 1898 verschenen “gewone” sleepboten, die op hun beurt verdwenen toen de binnenschepen zelf met een stoommachine werden uitgerust.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Willebroek, oostelijke kanaaloever met fabriek Denaeyer (foto Jan Lampo).

Industriëlen vestigden hun fabrieken langs de vaart, waarvan het economische belang toch al sterk was toegenomen door de nieuwe bloei van de Antwerpse haven. In 1881 ontstond in Brussel de Cercle des Installations maritimes de Bruxelles, een propagandavereniging die de Brusselse havenbelangen behartigde en met het oog daarop de modernisering van de vaart bepleitte.

Een wet van 1896 maakte dit mogelijk. Diverse overheden hadden inmiddels de naamloze vennootschap Zeekanaal en Haveninrichtingen van Brussel opgericht. De ingenieurs haalden een oud plan uit de Hollandse tijd boven. De vaart kreeg een zijarm, van even ten noorden van Willebroek naar een nieuwe sluis langs de Rupel in Wintam.

Vanaf 1922 konden zeeschepen tot 6.000 bruto laadvermogen het kanaal opvaren. Twee jaar later paste men de sluis van Klein-Willebroek aan voor de moderne binnenscheepvaart. Na de Tweede Wereldoorlog noodzaakten de groeiende trafiek en de steeds grotere tonnenmaat van de schepen de NV Zeekanaal tot nieuwe werken.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Boom, gezien vanop de Rupeldijk in Klein-Willebroek (foto Jan Lampo).

In 1968 begon men met de verbreding van de vaart. Men verminderde het aantal sluizen en bouwde nieuwe bruggen. Naast de aftakking vanaf Willebroek groef men een nieuwe vaargeul die via de zeesluis van Hingene toegang moest verlenen tot de Schelde. Eind jaren 1990 kwam daar de sluis van Wintam bij. Sindsdien zijn er nog maar twee sluizen op het traject Brussel-Rupel.

Ook binnenschepen laten Klein-Willebroek vandaag links liggen. Waar ooit de passagiers van de trekschuit wachtten op de heude naar Antwerpen of het veer naar Boom, genieten dagjesmensen van een onwaarschijnlijke rust en besteden de eigenaars van plezierboten menig uur aan het onderhoud van hun trotse bezit.

Intussen is NV Zeekanaal geregionaliseerd. Haar Brussels vermogen is overgedragen aan de publiekrechtelijke rechtspersoon Haven van Brussel; het Vlaamse stuk kwam bij het agentschap Waterwege en Zeekanaal terecht.

[Geschiedenis] Godendeemstering. De lange aanloop tot de Eerste Wereldoorlog (1870-1914).

Bismarck
Otto von Bismarck. (a)

De vier decennia tussen 1870 en 1914 gaan de geschiedenis in als de Belle Époque – de gouden jaren van de burgerij. Maar het is ook een periode van grote sociale onrust. De arbeidersbeweging organiseert zich steeds beter. Het imperialisme van de Europese mogendheden bereikt zijn hoogtepunt. De koloniale rijken van Frankrijk en Engeland omvatten grote delen van de wereld.

Dankzij zijn grote economische en militaire macht wordt ook het recentelijk eengemaakte Duitsland een speler op het wereldtoneel. Het streeft naar overwicht op het Europese vasteland, maar zet ook een grote oorlogsvloot op stapel. Zo belandt het stilaan op ramkoers met Groot-Britannië dat zijn beheersing van de wereldzeeën bedreigd ziet.

Burgerlijke republiek

De Frans-Duitse oorlog van 1870 maakt een einde aan de dominante positie van Frankrijk op het Europese vasteland en aan het regime van de autoritaire Napoleon III. Frankrijk gaat voortaan door het leven als een burgerlijke republiek. De Duitse overwinning geeft kanselier Bismarck de kans om de talrijke Duitse deelrijkjes te verenigen onder Pruisisch leiderschap. De koning van Pruisen wordt keizer van Duitsland.

Napoleon III
Napoleon III (a).

Bismarck is daar erg tevreden mee. Duitsland hoeft, wat hem betreft, geen verdere agressieve ambities te koesteren. Maar Frankrijk dat Elzas-Lorreinen heeft verloren, blijft op wraak zinnen.

Bismarck probeert diplomatieke banden met andere continentale machten te smeden om Frankrijk voor lange tijd in bedwang te houden. De Engelsen zijn niet helemaal ontevreden met de Franse nederlaag en houden het voorlopig bij hun ‘splendid isolation’.

Maar de geleidelijke verzwakking van het Turkse rijk zorgt voor een machtsvacuüm in zuid-oost Europa – met name in de Balkan. Daar rivaliseren Rusland en de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije om hun invloed zoveel mogelijk uit te breiden.

Wenen is terecht bang voor het Slavisch nationalisme in zijn zuidelijke territoria. Maar als grootste Slavische natie vinden de Russen dat ze dit nationalisme moeten steunen – ook al omdat het hun machtige westelijke buur verzwakt.

Maar Rusland heeft het niet gemakkelijk. Het enorme rijk houdt er dan wel een groot leger op na, maar economisch gesproken is het weinig meer dan een ontwikkelingsland. Moskou heeft geld nodig om een industrie op poten te zetten. Dat geld vindt het vooral in Frankrijk. De Franse staat, Franse bedrijven en Franse banken investeren massaal in het rijk van de tsaar.

 Triple Alliance

In 1894 leidt die Russische afhankelijkheid tot een militair verbond met Frankrijk. Voor de Franse diplomatie is dit een enorm succes, want het maakt een eind aan het isolement waarin Frankrijk zich sinds zijn nederlaag tegen Duitsland bevindt.

ConferentieAlgerçiras
De conferentie van Algeciras (a).

Inmiddels hebben Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië de ‘Triple Alliance’ gesloten, zodat er door het Frans-Russische verdrag twee machtsblokken tegenover elkaar komen te staan.

Toch maakt niemand in Europa zich veel zorgen over de vrede. Bij het begin van de 20ste eeuw hebben Rusland en Oostenrijk-Hongarije hun belangenconflict in de Balkan op een lag pitje gezet; geen enkele Franse politicus durft in ernst denken aan een nieuwe oorlog met Duitsland.

Maar in Duitsland is het Bismarcktijdperk voorbij. Sinds het begin van de jaren 1870 kent het nieuwe keizerrijk van de Hohenzollerndynastie een versnelde industrialisering en een grote bevolkingstoename. Duitse politici zien met tevredenheid dat hun land stilaan uitgroeit tot de grootste economische en militaire macht op het Europese vasteland. Ze willen dat Duitsland aan ‘Weltpolitik’ gaat doen – juist zoals Engeland en Frankrijk met hun grote koloniale imperia.

Vanaf 1898 bouwen de Duitsers een machtige oorlogsvloot. Alleen is niet meteen duidelijk waarvoor ze die zullen gebruiken. Het is immers zo, dat de traditionele koloniale machten de wereld eigenlijk al onder elkaar verdeeld hebben.

Mitteleuropa

Juist omdat de Duitsers geen duidelijk project hebben, voelt iedereen zich door hen bedreigd. De Engelsen vrezen voor hun dominantie op zee. De Russen zijn bang dat hun buren zich willen bemoeien met het Nabije Oosten. De Fransen verdenken de Duitsers ervan dat ze de Franse macht in het bekken van de Middellandse Zee willen ondermijnen.

Belgischesoldaat

Berlijn weet zelf niet waar het naartoe wil. Sommige onderdanen van de Kaiser dromen van een Duits Mitteleuropa dat behalve Duitsland zelf ook Oostenrijk-Hongarije, grote delen van de Balkan en van Oost-Europa en zelfs van Belgïe zou moeten omvatten. Maar voorl is dat niet de officiële politiek van het land.

 De Duitse buitenlandse politiek getuigt van arrogantie maar ook van grote onzekerheid. Berlijn is bang dat zijn buren jaloers zijn op de toenemende Duitse macht en samenzweren om zijn ambities te dwarsbomen. Is het niet denkbaar dat de Engelsen een poging ondernemen om de nieuwe Duitse vloot te vernietigen voor die op volle sterke is?

En is het niet zo dat Duitsland, als gevolg van zijn ligging in het midden van het vasteland, een oorlog op twee fronten zou moeten voeren als het werd aangevallen door Frankrijk en Rusland?

Kaartje2Deze angst bepaalt de Duitse buitenlandse politiek, die erop gericht is om de rivaliteit tussen en Engeland en Frankrijk en die tussen Engeland en Rusland aan te zwengelen. Maar dat wordt geen succes, zoals blijkt uit de gevolgen van de Marokkaanse crisis.

In 1904 sluiten Engeland en Frankrijk de ‘Entente Cordiale’. Eigenlijk gaat het om een koloniale ‘deal’ tussen twee wereldmachten. Beide landen beloven dat ze de integriteit van Marokko en Egypte zullen waarborgen. In de praktijk zal Engeland Egypte overnemen en Frankrijk de plak zwaaien in Marokko.

Marokkocrisis

De Duitsers zijn echter als de dood voor een betere Engels-Franse relatie en willen bewijzen dat die niet kan standhouden. Daarom gaat keizer Wilhelm II in de lente van 1905 op staatsbezoek in Marokko en verklaart hij in Tangier dat de Marokkaanse sultan volgens hem over een souvereine staat regeert. Duitsland zal geen Frans protectoraat over Marokko tolereren.

Wilhelm II
Wilhelm II (a).

De sultan eist daarop een internationale conferentie over de toekomst van zijn land. De Franse eerste minister Rouvier is erg geschrokken van de Duitse reactie. Hij vreest voor een escalatie van het conflict en bij wijze van verzoenend gebaar stuurt hij zijn buitenlandminister de laan uit – de man die mee aan de basis van Entente Cordiale lag.

Maar Duitsland heeft zich – bij monde van de keizer! – zo ferm opgesteld, dat het zich niet kan permitteren om in te vinden. Wat de anti-Duitse gevoelens bij de Franse publieke opinie sterk doet toenemen. En alsof dat niet erg genoeg is, begint men zich in Engeland openlijk grote zorgen te maken over de Duitse vloot.

Engelse politici zeggen hun Franse collega’s alle steun toe ‘die in hun  macht ligt’ en weldra wordt achter de schermen gepraat over Brits-Franse samenwerking mocht het tot oorlog met Duitsland komen. Zo verandert de Entente Cordiale van een koloniaal akkoord in een defensief verbond.

De Engelse minister van buitenlandse zaken Grey zoekt bovendien actief toenadering tot Rusland. Dat land is nodig om de Duitsers in bedwang te houden, vindt hij. Zijn inspanningen worden beloond door de totstandkoming in 1907 van de Triple Alliance waardoor Groot-Britannië, Frankrijk en Rusland hun lot aan elkaar verbinden. Tegelijk blijft Grey alles in het werk stellen om al te grote spanningen met Duitsland te vermijden.

De internationale conferentie over Marokko heeft intussen plaatsgevonden in Algeciras. Tegen hun verwachtingen in, krijgen de Duitsers er alleen steun van Oostenrijk-Hongarije en van Marokko zelf. Een en ander leidt tot een betere verstandhouding tussen Berlijn en Wenen – tot dan toe waren hun relaties eerder koel. Maar de Oostenrijke ‘Dubbelmonarchie’ gaat gebukt onder een heleboel problemen. In Oostenrijk-Hongarije leven diverse volken en Wenen heeft de grootste moeite om die in tijden van toenemend nationalisme bij elkaar te houden.

Krantenkop

De Slavische bevolking in het zuid-oosten wil aansluiten bij het koninkrijk Servië en liefst ook bij Bosnië-Herzegovina dat nog altijd deel uitmaakt van het Turkse Rijk.

Wenen beschouwt die Pan-Slavische en Groot-Servische dromen als een bedreiging voor het voortbestaan van het keizerrijk en beschouwt het Servische koninkrijkje als de baarlijke duivel. Daarom zijn er nogal wat jonge politici die in een overtuigend militair succes in de Balkan de beste waarborg zien voor de toekomst van de Dubbelmonarchie.

Servië

De revolutie van de zg. ‘Jonge Turken’ in Istanboel in 1908 doet het Turkse nationalisme oplaaien. Om te verhinderen dat de Turken hun macht in Bosnië-Herzegovina versterken, annexeert Wenen het gebied. Het Oostenrijkse-Hongaarse keizerrijk krijgt er op die manier een miljoen Slavische inwoners bij.

Servië voelt zich genomen en kondigt de algemene mobilisatie af. Het vraagt ook steun aan Rusland, het grootste van alle Slavische landen. De spanningen lopen hoog op. Uiteindelijk is het de dreigende taal van bondgenoot Oostenrijks Duitsland die de Russen doet inbinden. Ze realiseren zich dat hun leger anno 1909 nog niet opgewassen is tegen een confrontatie. Ook de Serviërs binden in – maar niet goedschiks. Niemand realiseert zich dat de bereidheid van Duitsland om Oostenrijk-Hongarije te helpen tegen Servië enkele jaren later zal leiden tot het begin van de Eerste Wereldoorlog.

mobilisationIntussen gaat de wapenwedloop voort. Dat ze er zelf niet gerust in zijn, blijkt uit het feit dat Engeland en Duitsland van 1909 tot 1911 onderhandelen over de beheersing ervan.. Maar de Duitsers willen een eventuele overeenkomst over de respectieve vloten koppelen aan een politieke overeenkomst waarbij Engeland en Duitsland elkaar ‘welwillende neutraliteit’ beloven, mocht de andere partij in conflict komen met een derde land – een tamelijk doorzichtige poging om de Triple Entente de wind uit de zeilen te nemen. Een nieuw meningsverschil over Marokko maakt echter een einde aan de onderhandelingen.

De crisis wordt in november 1911 beslecht met een compromis: Duitsland erkent het Franse gezag in Marokko in ruil voor een stuk van Frans Congo. Maar zowel de Franse als de Duitse publieke opinie keert zich tegen die ‘zwakke’ regeling. In Groot-Brittannië heerst al sedert de Bosnische crisis een sterk anti-Duits gevoel. De Engelse en Franse stafchefs praten voor het eerst met elkaar over de komst van Britse troepen indien Duitland Frankrijk zou aanvallen.

 Aanslag in Sarajavo

De gebeurtenissen in de Balkan doen omstreeks deze tijd de vijandschap tussen Oostenrijk-Hongarije en Servië toenemen. De militaire zwakte van het Turkse Rijk brengt Bulgarije, Griekenland en Servië – landen die tot voor enkele decennia zelf door de Turken overheerst werden – een tijdelijke alliantie sluiten. In 1912 vallen ze hun grote buur en erfvijand aan. Maar hun succes in de Eerste Balkanoorlog leidt alleen tot onderlinge rivaliteit. In 1913 voeren Servië en Griekenland, de protegees van Rusland, oorlog met Bulgarije, dat steun krijgt door Oostenrijk. Servië en Griekenland winnen, tot grote ergernis van Wenen.

Gavrilo Princip
Gavrilo Princip (a).

En het gaat van kwaad naar erger. Op 28 juni 1914 brengt de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger, aartshertog Frans-Ferdinand, een bezoek aan de Bosnische hoofdstad Sarajevo. Het is Sint-Vitus, de nationale feestdag van de Bosniërs. De bevolking is niet blij met het bezoek van de man die ze beschouwt als de vertegenwoordiger van een regime dat zijn nationale aspiraties onderdrukt.

Vooral de extreme Bosnische nationalisten haten en vrezen Frans-Ferdinand, want de aartshertog denkt eraan om Bosnië, zodra hijzelf keizer is, een zekere autonomie toe te kennen. Erg realistisch is dat plan niet, maar de nationalisten vrezen  dat het een deel van hun achterban milder zou kunnen stemmen en dat willen ze absoluut vermijden.

De aartshertog en zijn vrouw ontsnappen ’s morgens ternauwernood aan een bomaanslag, maar ’s namiddags hebben ze minder geluk. De negentienjarige de Bosnische student Gavrilo Princep schiet hen dood.

 Duitse instemming

Hoewel Princip een onderdaan van de Habsburgs is en de aanslag in het keizerrijk plaatsvindt, is hij voorbereid door een Servische terroristische organisatie, de Zwarte Hand. Zij streeft naar een unie van alle Zuid-Slaven binnen een groot Servisch koninkrijk. Hoewel een en ander pas veel later aan het licht komt, zet Wenen alles op alles om van de nood een deugd te maken en de aanslag te gebruiken als excuus om voorgoed komaf te maken met Servië.

Het enige wat Oostenrijk nodig heeft, is Duitse instemming. Maar dat is geen probleem, want keizer Wilhelm II en zijn regering zijn er nog altijd van overtuigd dat het voortbestaan van hun zuidelijke bondgenoot afhangt van de vernietiging van Servië. Bovendien is de Duitse legerleiding de mening toegaan dat een grote Europese oorlog sowieso onvermijdelijk – en eigenlijk ook wel wenselijk is. Duitsland is namelijk, zo redeneren zij, in staat is om die oorlog te winnen. Er is dus geen enkele reden voor terughoudendheid. Maar Duitsland en Oostenrijk willen hun tegenstanders verrassen. Daarom gebeurt er een maand lang niets en scheelt het niet veel de andere Europese regeringen zijn het incident in Sarajevo vergeten.

MoordSarajewo
De aanslag in Sarajewo (a).

Pas op 23 juli 1914 zendt Oostenrijk een ultimatum dat Servië verantwoordelijk stelt voor de moord op Frans-Ferdinand en een reeks eisen bevat waarvan Wenen denkt dat het kleine koninkrijk ze nooit zal inwilligen. Groot is de Oostenrijkse teleurstelling wanneer Servië buigt voor de overmacht. Zelfs de Duitse keizer aarzelt, maar zijn regering blijft Wenen onder druk zetten om Servië sowieso aan te vallen.

Kanselier Bethmann-Hollweg deinst niet terug voor een oorlog met Frankrijk en Rusland, maar hij hoopt wel dat Engeland neutraal zal blijven. Wanneer blijkt dat hij daar niet hoeft op te rekenen, probeert hij de Oostenrijkers alsnog tot staan te brengen. Tegelijk hoopt hij dat de vertraging de Russen ertoe zal brengen om als eersten een algemene mobilisatie af te kondigen, zodat Duitsland hun achteraf de schuld kan geven van het conflict. En dat lukt – de Russen mobiliseren inderdaad. Ze kunnen niet anders, omdat ze minder goed georganiseerd zijn dan de Duitsers en meer tijd nodig hebben om hun leger in staat van paraatheid te brengen.

Nicholaas II
Tsaar Nicholaas II (a).

Wanneer de tsaar op 30 juli de algemene mobilisatie afkondigt, antwoorden de Duitsers met een ultimatum. Ze eisen dat Rusland binnen de 12 uur demobiliseert. Na de Russische weigering, verklaart Duitsland op 1 augustus de oorlog. Twee dagen later volgt ook een oorlogsverklaring aan Frankrijk, zogezegd omdat Franse soldaten de Duitse grens zijn overgestoken.

Het Duitse aanvalsplan, genoemd naar zijn bedenker Von Schlieffen, voorziet in een snelle opmars door België naar Frankrijk vòòr de Russen in beweging kunnen komen. De Duitsers nemen zich dus voor om de Belgische neutraliteit, die sinds 1839 door Engeland gegarandeerd wordt, te schenden. Ze weten trouwens al sinds het bezoek van koning Albert I aan Potsdam in november 1913 dat België zich daar niet goedschiks zal bij neerleggen en zijn neutraliteit desnoods gewapenderhand verdedigen.

Ultimatum aan België

Toch duurt het tot 29 juli 1914, de dag na de Oostenrijks-Hongaarde oorlogsverklaring aan Servië, eer België drie lichtingen soldaten oproept om de wacht op te trekken aan zijn grenzen. De Belgische regering wil geen slapende honden wakker maken en de Duitsers vooral niet voor het hoofd stoten. Pas na het Duitse ultimatum aan Frankrijk en Rusland mobiliseert België. Tegelijk laat het via zijn diplomatieke vertegenwoordigers nog eens weten dat het in het nakende conflict zijn neutraliteit wil bewaren.

Albert I
Albert I (a).

Bij wijze van antwoord overhandigt de Duitse gezant in Brussel, Von Bulow, minister van Buitenlandse Zaken Davignon de avond van 2 augustus een Duits ultimatum aan België. Duitsland eist de vrije doortocht van zijn leger over Belgisch grondgebied omdat het een Franse aanval via België verwacht. Na het herstel van de vrede zullen de Duitsers België schadeloos stellen. Indien het land niet op die eis ingaat, wordt het als vijand beschouwd.

Diezelfde avond vergadert de Belgische ministerraad onder voorzitterschap van koning Albert I. Nadien komt de Kroonraad bijeen, met de ministers van staat en de legerleiding. Het Duitse ultimatum wordt unaniem verworpen. Op 3 augustus maakt Von Bulow de Belgische afwijzing over aan Berlijn. Albert I heeft intussen het bevel over het leger genomen.

De Duitsers verwaardigen zich niet te antwoorden. Op 4 augustus om negen uur ’s morgen steken hun troepen de grens over. Op 4 augustus 1914 om middernacht bevindt ook Groot-Brittannië, dat de Belgische neutraliteit garandeert, zich in staat van oorlog. Om negen uur steken de eerste Duitse eenheden de Belgisch-Duitse grens over.

Verschenen in “Eos Memo” nr. 8 van december 2013.

[Geschiedenis] Kardinaal Sterckx en de Grote Architect.

PasserWinkelhaak

We schrijven 1837. België is sinds zeven jaar onafhankelijk. Het land heeft een vooruitstrevende grondwet, een tweekamerstelsel en een koning met een beperkt gezag. De afscheuring van 1830 is het resultaat van de samenwerking tussen liberalen en katholieken. De eerste Belgische regeringen zijn dan ook ‘unionistisch’. Ze stellen de nationale belangen boven de politieke en levensbeschouwelijke meningsverschillen tussen beide strekkingen. Van echte partijen is voorlopig nog geen sprake.

Maar het evenwicht blijft wankel. De behoudsgezinde liberalen in Kamer en Senaat denken vooral aan hun economische belangen. De godsdienst stoort het niet, zolang de kerk niet dwarsligt. Maar onder hun jongere, meer progressieve geestesgenoten zijn er veel intellectuelen met een uitgesproken antiklerikale instelling.

Grootoosten

De katholieken verdedigen de belangen van de Belgische kerk. Die probeert de grondwettelijke vrijheden zo efficiënt mogelijk aan te wenden om het gezag van de godsdienst en de katholieke moraal te vergroten. Van groot belang vindt ze haar quasi monopolie wat betreft het onderwijs en armenzorg. Haar machtigste wapen is de invloed die de priesters uitoefenen op hun parochianen.

Sterckx
Kardinaal Sterckx (a).

De Belgische vrijmetselarij wordt sinds 1832 geleid door het overkoepelende Grootoosten van België. Dat heeft zijn zetel in de hoofdstad. Slechts enkele loges of werkplaatsen in Gent en in het Waasland zweren nog bij het huis van Oranje en weigeren zich aan te sluiten. Zowel Napoleon als Willem I hebben de maçonnerie gebruikt als middel om hun gezag te versterken. Zo komt het dat veel ambtenaren, officieren, handelaars, industriëlen en beoefenaars van vrije beroepen deel uitmaken van de loge.

Het gaat hen minder om het beleven van het maçonniek ‘geheim’ en het streven naar zelfvervolmaking, dan om netwerking en carrière maken. Toch telt de vrijmetselarij ook heel wat vooruitstrevende lieden in haar rangen. Van in de tweede helft van de 18de eeuw trekken de gelijkheid onder de broeders en de debatcultuur en de democratische besluitvorming binnen de werkplaatsen aanhangers van Verlichting aan.

 

Pierre Théodore Verhaegen

De loge mag dan een eerder conformistische en vaderlandslievende club zijn – politiek actieve broeders proberen zelfs de eerste barsten in het unionisme te lijmen – zij wordt ook een verzamelplaats van antiklerikalen die de invloed van de kerk aan banden willen leggen. Tot hen behoort de dynamische Pierre Théodore Verhaegen, achtbare meester (voorzitter) van de Brusselse loge Les Amis philantropes.

Verhaegen staat de facto aan het hoofd van het Grootoosten. Hij treedt namelijk op als plaatsvervanger van grootmeester baron De Stassart. Die is als grote baas van de Belgische maçonnerie naar voor geschoven door koning Leopold I. Maar omdat De Stassart als senaatsvoorzitter en gouverneur van de provincie Brabant eigenlijk geen tijd heeft om de functie daadwerkelijk uit te oefenen, laat hij Verhaegen opdraven.

Verhagen
Pierre Theodore Verhaegen (a).

Verhaegen gaat iedere week naar de kerk, maar is voorstander van een lekenstaat en van lekenonderwijs. Wanneer de kerk in 1834 in Mechelen een katholieke universiteit opricht (die nadien naar Leuven verhuist), vreest hij dat de toekomstige leiders van het land slaafs de kerkelijke belangen zullen dienen. Daarom stichten hij en zijn vrienden op een drafje de Université libre de Bruxelles.

In het aartsbisschoppelijk paleis in Mechelen maakt men zich geen illusies over de antikerkelijke tendens in de loges. Eind december 1837 publiceren kardinaal Sterckx en de bisschoppen een herderlijke brief. Ze stellen dat de pauselijke veroordelingen van de vrijmetselarij onverminderd geldig zijn. Gelovigen kunnen geen lid blijven van de loge.

Al in 1738 heeft paus Clemens XII een encycliek uitgevaardigd die elke katholieke logebroeder bedreigt met excommunicatie. In de Pauselijke Staten, waartoe in die tijd een flink stuk van Italië behoort, kan een vrijmetselaar zelfs de doodstraf krijgen. Dat is ook zo in Spanje en Portugal, waar de Inquisitie op dat ogenblik nog steeds erg actief is.

Grote architect

De vrijmetselarij wijst religieuze dogma’s af en staat in principe open voor aanhangers van alle godsdiensten. Ze verwacht slechts van haar leden dat ze geloven ‘waarover alle mannen het eens zijn’. Haar activiteiten vinden dan ook plaats in de naam van de Grote Architect van het Universum. Dat kan een godsdienst die zichzelf als het enige ware geloof beschouwt, niet tolereren. Rome wil bovendien de totale controle over de gedachten van de gelovigen; het accepteert niet dat bepaalde groepen er geheimen op nahouden die zelfs in de biecht niet ter sprake mogen komen.

De herderlijke brief van 1837 brengt in de Belgische loges een schokgolf teweeg. Zoals Verhaegen zelf, zijn de meeste leden kerkgangers die oprecht geloven of zich minstens aan de uiterlijke gebruiken van de godsdienst houden. Er zijn zelfs enkele priesters bij. Weten zij dan niet dat de kerk hun al sinds een eeuw het lidmaatschap van de loge verbiedt?

Charles Rogier
Charles Rogier (a).

Het antwoord is een voorzichtig ‘nee’. In de 18de eeuw taant het gezag van Rome. Grote mogendheden zoals Frankrijk en Oostenrijk voelen niets voor de inmenging van de paus in wat zij als ‘interne aangelegenheden’ beschouwen. Daarom maken de overheden een aantal pauselijke encyclieken en bullen gewoon niet bekend. In het beste geval herinnert men zich in België een edict van de Oostenrijkse keizer Jozef II uit 1786  dat bepaalt dat alleen nog de hoofdsteden van de gewesten van het keizerrijk twee maçonnieke werkplaatsen mogen tellen. Voor de Oostenrijke Nederlanden betekent dit dat alleen nog in Brussel loges blijven bestaan.

Misrekening

Het Belgische episcopaat heeft zijn herderlijke brief gelanceerd in de vaste overtuiging dat de loges zullen leeglopen. Dat blijkt een grove misrekening. Het document weerhoudt katholieken die nog geen lid zijn om bij de loge aan te kloppen, dat wel. Maar van wie al is ingewijd, stapt bijna niemand op. Veel broeders voelen zich bovendien gesterkt in hun antiklerikale houding. Pastoor Morsomme uit Hoei verlaat niet de loge, maar de kerk. Hij brengt het op termijn tot achtbare meester van zijn werkplaats.

Dankzij het herderlijk schrijven oefent de vrijmetselarij plots een grote aantrekkingskracht uit op antiklerikalen die voordien weinig of geen interesse toonden. Broeders van wie de maçonnieke activiteiten al een poos op een laag pitje staan, keren terug – onder hen Alexandre Gendebien, vlak na de revolutie lid van het Voorlopig Bewind en van het Nationaal Congres. In 1842 kondigt Theodoor Verhaegen aan dat het aantal leden van Les Amis philantropes is verdubbeld.

De actie van de bisschoppen dwingt de vrijmetselarij om grondig na te denken over de praktische invulling van haar beginselen. De loges voeren het geloof in de vooruitgang, de vervolmaking van de mens, de gelijkheid en de broederlijkheid hoog in het vaandel. Die principes hard maken in een samenleving waarop de kerk haar greep opnieuw tracht te versterken, kan eigenlijk alleen via politieke weg.

Cijnskiesrecht

Geen wonder dus dat de vrijmetselarij in een aantal steden aan de wieg staat van liberale kiesverenigingen. Zij stellen de lijsten met liberale kandidaten voor de verkiezingen op en voeren propaganda. Verhaegen speelt in de politisering van de loges een actieve rol.

ZitingDe prominente rol van de loge en bij uitbreiding van de liberalen in de politiek van een land met een katholieke bevolking, is te danken aan het cijnskiesrecht. Hierdoor bepaalt maar één procent van de bepaalt wie het land regeert. Binnen die kleine minderheid zijn de krachtsverhoudingen tussen katholiek en liberaal ongeveer gelijk.

Leopold I is, om begrijpelijke redenen, niet blij met de polarisering in het land. Volgens hem zijn alleen de liberalen daarvoor verantwoordelijk. Men vermoedt dan ook dat de koning aan de basis ligt van de circulaire waarmee minister van Oorlog baron Prisse de legeroverheden vraagt actie te ondernemen tegen officieren die lid zijn van militaire loges.

In 1846 vindt in Brussel een liberaal congres plaats dat leden van de hoofdstedelijke werkplaatsen hebben voorbereid. Hun goede organisatie bezorgt de liberalen grote winst bij de verkiezingen van het jaar daarop. Charles Rogier wordt premier en Verhaegen zit de Kamer voor.

Goddeloos

Constitutie2
De “Constituties van Anderson” (a).

Stilaan wint bij de Belgische vrijmetselaars de opvatting veld dat artikel 135 van de statuten van het Grootoosten achterhaald is. In de praktijk wordt er vaak geen rekening mee gehouden. Uiteindelijk schrapt men het in 1854 opdat de broeders ook in de tempel in alle vrijheid zouden kunnen discussiëren. Toch verbreken heel wat buitenlandse maçonnieke groeperingen hun relatie met de Belgische vrijmetselarij. Door politieke debatten toe te laten, maakt die komaf met een van de basisregels van de zg. Constituties van Anderson uit het begin van de 18de eeuw. Die bepalen wat in de loge wel en niet mag.

De Belgen gaan op termijn nog een stap verder. In 1866 verklaart het Grootoosten expliciet dat geloof in God en in de onsterfelijkheid van de ziel geen voorwaarde meer is om ingewijd te kunnen worden. Dit maakt de weg vrij voor een areligieuze maçonnerie die in de tweede helft van de 19de eeuw een niet geringe rol speelt achter de coulissen van de liberale politiek.

A C H T E R G R O N D

Het ontstaan van de vrijmetselarij

Op 24 juni 1717 vergaderen afgevaardigden van vier Londense loges in de herberg The Goose and the Gridiron. Ze stichten er de Grand Lodge, een overkoepelende organisatie die de activiteiten van de loges in heel Engeland en Schotland zal coördineren. Die loges zijn (volgens de meest gangbare theorie) in de loop van de 17de eeuw ontstaan.

PubGentlemen worden lid van oude broederschappen van metselaars, waarvan ze de tradities en de symboliek aanwenden om vorm te geven aan hun eigen filosofische aspiraties. Na de godsdienstige conflicten en burgeroorlogen die Engeland lange tijd verscheurd hebben, dromen ze van tolerantie en verstandhouding. Het moet mogelijk zijn om over de grenzen van de verschillende (protestantse) strekkingen heen tot een morele gedragscode te komen en op eendrachtige wijze goede werken te beoefenen. Het belangrijkste doel van de vrijmetselarij is haar leden te helpen op weg naar zelfvervolmaking.

Dominee James Anderson krijgt van de Grand Lodge de opdracht om de geschiedenis van de vrijmetselarij te schrijven en reglementen op te stellen. De Constituties van Anderson laten de vrijmetselarij opklimmen tot in het Aards Paradijs. Een centrale plaats in het verhaal bekleedt Hiram, de architect van de tempel van Salomon uit het Oude Testament.

Dominee Anderson is op de hoogte van de recente wetenschappelijke ontwikkelingen en hun filosofische consequenties. God noemt hij ‘de Grote Architect van het Universum’. De maçonnieke activiteiten vinden plaats in Zijn naam. Maar in de loge mag niet over godsdienst of politiek gesproken worden. De broeders moeten bovendien goede burgers zijn die gehoorzamen aan de wetten van hun land.

***

De vrijmetselarij op het Europese continent

James Anderson
Dominee James Anderson (a).

De eerste vrijmetselaars in Frankrijk zijn aanhangers van de verdreven katholieke Engelse Stuart-koning James II. Ze introduceren Franse aristocraten met wie ze vertrouwelijk omgaan. Velen Fransen koesteren een grote bewondering voor het Engelse politieke systeem en bijgevolg voor alles aanwaait van over het Kanaal. Het mysterie dat de vrijmetselarij omringt, spreekt hen sterk aan.

Bovendien beweert de Schot Ramsay die erg actief is in Frankrijk dat er een historische band bestaat tussen de vrijmetselarij en de middeleeuwse ridderorden, in casu de Tempeliers. In 1728 stichten Franse vrijmetselaars hun eigen Grootloge. De hertog van Antin wordt de eerste grootmeester.

In de Oostenrijkse Nederlanden ontstaan vanaf de jaren 1740 loges. Over hun geschiedenis is weinig bekend. De eerste werkplaats die erkend wordt door een ‘officiële’ obediëntie, de ‘Hollandse’ Grootloge der Nederlanden, is La Candeur in Gent (1763). In de 18de eeuw ontstaan in de Zuidelijke Nederlanden zo’n 90 loges. De meeste bestaan slechts korte tijd. Een dertigtal werkplaatsen in steden zoals Gent, Aalst, Antwerpen, Mechelen Brussel, Doornik, Luik en Namen zorgt echter voor continuïteit.

Antimaçonnieke schrijvers – het zijn in deze tijd zonder uitzondering priesters – wijten de Franse revolutie aan een complot van de vrijmetselarij. Maar dat is flauwekul. Onder de broeders zijn er even veel of meer aanhangers van de monarchie dan revolutionairen. Enkele voormannen van het nieuwe bewind zijn inderdaad vrijmetselaar, maar ook de gevluchte aristocraten tellen er heel veel in hun rangen. In 1794 verdenkt het revolutionaire bewind de loges er trouwens van dat ze samenspannen tegen… de republiek. Toch wordt de vrijmetselarij in Frankrijk niet verboden.

Talrijke officieren van de Franse legers die vanaf 1794 de Zuidelijke Nederlanden bezetten, behoren tot ambulante militaire loges. Zij zoeken contact met gelijkgezinden ter plaatse. Vaak ontstaan zo nieuwe werkplaatsen met een permanent karakter. Zij ressorteren onder de Franse Grootloge.

GrandLodge
De buitenkant van het gebouw van de Grand Lodge in Londen (ook te zien in de serie “Spooks” (a).

Eerste Consul en nadien keizer Napoleon Bonaparte beschouwt de vrijmetselarij als een geschikte ‘uitlaatklep’ voor wie de republikeinse idealen verkiest boven zijn dictatuur. Tegelijk vormt ze een milieu waar keizerlijke ambtenaren, officieren en burgers elkaar vrijelijk kunnen ontmoeten en draagt ze zo bij tot de samenhang van het regime. De keizer stelt zijn broer Joseph Bonaparte aan tot grootmeester van het Grand Orient.

Een en ander leidt tot de heropbloei van de maçonnerie in onze gewesten. Er komen nieuwe loges, o.m. in Kortrijk, Brugge, Leuven, Oudenaarde en Oostende. Vrijmetselaars die hun engagement ernstig nemen, ergeren zich aan het opportunisme van nieuwe leden die via de loge hopen hogerop te komen.

Ramsay1
Ramsay (a).

Vanaf 1815 ‘gebruikt’ ook koning Willem I de werkplaatsen als steunpilaar van het regime. Veel broeders zijn functionarissen, kooplui en industriëlen. Zij kunnen het best vinden met een vorst die de economie van het zuiden actief stimuleert en die de macht van de kerk enigszins aan banden legt.

Maar de sympathie die de vrijmetselaars koesteren voor de Oranjes, doet niets af aan het feit dat ze katholiek en Franstalig zijn. Ze kunnen ook niet verhinderen dat de oppositie tegen Willem I in het zuiden steeds feller wordt.

Drie romans van Hubert Lampo als e-book bij Meulenhoff

De komst van Joachim Stiller

De komst van Joachim Stiller verscheen voor het eerst in 1960, en is sindsdien uitgegroeid tot een van de grote klassiekers van de Nederlandse literatuur. Het is de indrukwekkende en raadselachtige geschiedenis van journalist Freek Groeneveld en zijn geliefde Simone Marijnissen, die voorspellende boodschappen ontvangen van Stiller, de mysterieuze hoofdpersoon. Zijn zij het slachtoffer van een practical joke? Van een geestelijk gestoorde?

Uitgave: Gebonden met stofomslag Prijs: € 17,95
Ook verschenen als:

Delen

Share on twitter                          Share on hyves                          Share on facebook 

Terugkeer naar Atlantis

Na het overlijden van zijn moeder komt de Vlaamse arts Christiaan Dewandelaer erachter dat zijn vader niet is overleden, zoals hij altijd heeft gedacht, maar met de noorderzon vertrokken. Als hij gaat graven in het verleden ontdekt hij steeds meer over de geheimzinnige verdwijning van zijn vader en diens grenzeloze belangstelling voor het verdwenen eiland Atlantis. Maar terwijl hij door zijn jeugd grasduint komen er ook herinneringen naar boven aan Eveline, zijn eerste vriendinnetje. Hij realiseert zich dat zij het enige meisje is waarvan hij ooit heeft gehouden en besluit haar op te zoeken.

Bestel deze titel

Uitgave: e-book met social drm Prijs: € 9,99

Delen

Share on twitter                          Share on hyves                          Share on facebook 

Een geur van sandelhout

Hubert Lampo

Met twee vrienden uit de film- en televisiewereld keert een schrijver ’s nachts terug uit Parijs. Als hij afscheid van hen heeft genomen wordt hij plots gegrepen door een ander bestaan. Zo beleeft hij gedurende enkele uren een leven dat hij, als de omstandigheden anders waren geweest, geleid zou kunnen hebben.

Een geur van sandelhout is een verrassende roman over de gevolgen van verschillende werkelijkheden die door elkaar heen lopen.

Hubert Lampo (1920-2006) debuteerde op tweeëntwintigjarige leeftijd en brak door met met De komst van Joachim Stiller (1960). Zijn werk is vertaald in het Engels, Hongaars, Zweeds, Pools, Spaans, Tsjechisch, Russisch, Italiaans en Portugees.

Bestel deze titel

Uitgave: e-book met social drm Prijs: € 9,99

Delen

Share on twitter                          Share on hyves                          Share on facebook 

Museum [2002]

Interieur2 001

*

Alleen met tegenzin verandert iets.

Zoals de stroom per etmaal twee keer

terugvloeit van de zee. Zo langzaam.

*

Geluid van buiten wordt ontbonden

als was een prisma in het spel.

*

Vernis onttrekt de kleine meesters,

hoog tegen goudleer opgehangen, aan

het indiscreet gezicht.

*

In de keuken glanzen de wanden van

Delfts. Luchthartig herhaalt het licht

zichzelf.

*

Harnassen, bijlen, hellebaarden. En het

spinet wacht op de hand die het

deed spinnen, een eeuw of drie

geleden.

*

Hoeveel door, hoeveel vergetelheid

ten spijt, bestaat dit?

Over Woe-oe, de voorhistorische mens

Nohant huis George Sand

(Foto Emmy Van Kerkhoven)

De vrouw van de grote Belgische historicus Henri Pirenne en ikzelf hebben gemeenschappelijke voorzaten. Maar dat verklaart niet mijn interesse voor geschiedenis. Nee, het is de historische interesse van mijn ouders die het licht in mijn hersentjes ontstak. Ik moet nog heel klein zijn geweest toen ik al besefte dat wat vandaag heeft wordt voorafgegaan door veel, veel verleden.

Mijn vader en mijn moeder genoten voor de Tweede Wereldoorlog hun opleiding aan de excellente stedelijke normaalscholen in Antwerpen. Zij luisterden met grote aandacht naar hun leraren geschiedenis. In het geval van mijn vader was dat Rob Van Roosbroeck, aan wiens lessen hij later met plezier terugdacht. Het bleef voor hem altijd een raadsel waarom diezelfde Van Roosbroeck nadien zijn ziel verkocht aan de SS.

Ik werd voorgelezen uit De voorhistorische mens voor de jeugd verteld van Joris Bollen, in 1954 verschenen bij De Sikkel in Antwerpen, en uit de klassieker Jan zonder Vrees van Constant De Kinder, van de pers gekomen kwam bij L. Opdebeeck. Mijn moeder las voor, urenlang, tot ze er bij indommelde. Ik was haar verrukte luisteraar, ook nog toen ik al lang zelf kon lezen. Ik zal haar stem horen tot ik sterf.

Er zijn dikke boeken geschreven vol wetenschapsfilosofische en ideologische gronden van de historische interesse. Maar de historicus is vòòr alles een milde gek en zijn verlangen zit dieper dan zijn overtuigingen (zo is het toch bij mij).

Het verleden is een oceaan, vlak onder het plankier waarop wij lopen, en hij wordt met de seconde dieper. Wat we eruit opduiken – schelpen, wrakhout, in het beste geval een brief in een fles – bekijken we kritisch en leggen naast elkaar op de planken. Maar wat we écht willen, is er een verhaal over vertellen. En dat is, per definitie, iets nieuws maken, iets aan het bestaande toevoegen.

Verhalen zijn artefacten van woorden. Terwijl wij ze schrijven, groeit ons inzicht tot er een moment komt dat onze kennis en onze woorden met perfect synchrone passen zij aan zij lopen. Dan, met de schijnbaar vanzelfsprekende welluidendheid van een Mozartaria, doet zich inzicht voor, begrip, een mening. Het verhaal krijgt een betekenis en kan tot het einde worden verteld.

Veel mensen houden van geschiedenis zonder zelf ooit een letter op papier te zetten. Maar de historicus – onderzoeker of vulgarisator, zoals ik – die niet schrijft, bestaat niet.

Oewoe

Misschien moet je van middelbare leeftijd zijn en ouders of andere geliefden hebben verloren om het te voelen. Schrijven is vechten tegen de vergetelheid. Het is een poging om iets te vrijwaren van de herinnering die – o onontkoombare juistheid van het cliché! – als zand door onze vingers glipt. Om voor het te laat is iets van het geknetter in onze hersens vast te leggen.

Dat monument is, het zelfvertrouwen van Horatius ten spijt, niet ‘duurzamer dan brons’. Papier verzuurt; elektronische boodschappen worden bedolven door de flauwekulstorm op het Internet.

Onze voorouders begrepen dat gedachten niet hetzelfde zijn als dingen. Ze wisten ook dat iedereen doodgaat. Het onverdraaglijke besef dat de filmpjes en de woorden in hun kop zouden stoppen, deed hen de onsterfelijkheid van de ziel verzinnen. Tot zo’n ‘suspense of disbelief’ zijn de meesten van ons vandaag niet meer in staat. ‘Rage, rage against the dying of the light’, schreef Dylan Thomas al.

Schrijven, en dus ook het schrijven van geschiedenis, is altijd een vooraf verloren partijtje armworstelen met het verlies en de vergetelheid. Maar Geschiedschrijving met een grote “G” – die van Pirenne, zeg maar, of Huizinga of Jacques Le Goff – doet meer dan één man (waar blijven de vrouwen?) even het gevoel geven dat hij onsterfelijk is. Ze vrijwaart onze collectieve cultuur van het zwarte gat en daagt ons – toch de slimsten onder ons – om dat opnieuw en beter te doen.

Woe-oe, zo heette de voorhistorische mens in het eerste hoofdstuk van Joris Bollens boek.

Waar gij ook gaat

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het dal dat gij betreedt, zullen

zefieren verkoelen.

Bomen brengen hun kruin bijeen

om u, waar gij zit, hun schaduw te schenken.

Rode bloemen schieten op langs het pad waar

gij schrijdt.

De gloed van uw blik steekt alle

gewas in bloei.

Vrij naar “Where’er you walk” van William Congreve (voor “Semele” van Haendel).