[Column] Fantomen. Emmanuel De Bom en Clara Gaesch (Antwerpen, 1891-1895).

Panorama

Mensen van wie alleen woorden overblijven, in bruine inkt neergeschreven op vergeeld papier, kunnen na meer dan een eeuw heuse fantomen worden. Al een paar weken voel ik ze, ergens schuin achter me: Clara en Mane.

Om beter naar het huis te kunnen kijken, steek ik de straat over. Het is een onopvallend pand met een etage en een gevel die lang geleden wit werd geverfd. Ik kan mij de gang, waartoe de donkerblauwe voordeur toegang geeft, de trap en de kamers goed voorstellen. In Antwerpen zijn omstreeks de voorlaatste eeuwwisseling een paar duizend van zulke burgershuizen neergepoot.

Hier heeft ze herhaaldelijk een poos gewoond, Clara Gaesch, die in 1894 op haar 29ste stierf in het nabije Stuivenbergziekenhuis. Men begroef Clara op het sindsdien verdwenen Kielkerkhof. Ze kwam uit Köningsberg, nu Kaliningrad en scharrelde haar kostje bijeen als ‘zangeres’ in een café chantant aan het Falconplein in de havenbuurt. Omdat ze een klein percentage kreeg van de prijs van elk glas dat in het café werd geschonken, deelde ze haar bed met de eigenaar van een ander café, die haar daarvoor betaalde.

Een ‘entretenueke’, zoals ze zeggen in mijn stad, een vrouw die zich liet onderhouden.

De cafébaas verwekte bij haar een zoontje dat ze uitbesteedde bij de eigenares of huurster van dit huis, een zekere Madame Agneessens die het zelf vermoedelijk ook niet breed had. Na  Clara’s dood belandde hij in een openbaar weeshuis. Wat er verder met hem gebeurde valt allicht uit te zoeken, maar ik weet niet of ik daar de moed toe heb.

Centraalstation

In 1891 werd Clara (ook) het vriendinnetje van de piepjonge schrijver Emmanuel De Bom, die haar tegenkwam aan het Falconplein. De Bom – zijn familie noemde hem bij zijn eerste voornaam, Karel – woonde nog thuis en had een slecht betaald baantje als bediende bij de gemeente. Clara en ‘Mane’ (zo spraken zijn artistieke en literaire vrienden hem aan) ontpopten zich tot fervente brieschrijvers. Hun correspondentie, die loopt tot aan Clara’s dood, beslaat honderden velletjes.

Ze zaten in de eerste doos die ik opendeed toen ik in het Letterenhuis begon aan de inventarisatie van het stuk van Manes archief dat de voorbije decennia aan de aandacht ontsnapte.

Clara (verliefd en/of hopend op een alternatief scenario voor de toekomst?) ging met De Bom naar bed, maar bleef de vriendin van cafébaas ‘R’ zoals hij in de brieven heet. In het begin was Mane erg verliefd, maar na korte tijd kreeg hij serieuze twijfels. Zijn kleinburgerlijke familie stelde bovendien alles in het werk om de relatie te fnuiken.

De ‘zangeres’ Clara Gaesch kreeg bezoek van de vreemdelingenpolitie en moest het land uit. Hadden de De Boms haar verklikt? Wilde de betalende minnaar haar uit de buurt van het jonge, niet betalende exemplaar? Clara trok in bij haar zus Anna, die in Keulen woonde. Haar zoontje liet ze bij Mme. Agneessens. Zowel Mane als ‘R’ zochten haar in Duitsland op. Na de onverwachte dood van ‘R’ leende Mane voortdurend bij iedereen geld om aan Clara te sturen. En intussen maakte nu eens hij, dan weer zij epistolair een eind aan de relatie.

Schouwburg

Clara verzeilde in Rotterdam, in Amsterdam – ze verbleef er in de beruchte Stoofsteeg – en ook in Den Helder. In die laatste stad was ze opnieuw aan de slag als zangeres. De Bom zocht haar geregeld op, maar uiteindelijk besloten de twee elkaar niet meer te zien.

Tot Clara in 1894 opnieuw in Antwerpen is, berooid en wanhopig. Ze probeert Mane te heroveren, maar die wil niet meer, al blijft hij helpen. Clara woont op kamers. Ze is ziek en krijgt zenuwtoevallen. Uiteindelijk belandt ze met ‘chronische bronchitis” in het ziekenhuis.

‘Clara is op haar uiterste,’ schrijft De Bom aan een vriend, ‘de arme meid zal misschien de week niet uitdoen. De dokter heeft het me in een plechtig moment verklaard. Zij hijgt nu met vreeselijke snokken naar haar adem, heeft een lijkkleur, heur haar is lang droog gestreken, ze kijkt met oogen die al elders zijn; haar stem is onhoorbaar, ze zijgt vermoeid neer na een woord, zij hoort bijna niet meer. Zij spuwt haar longen uit. O wat miserabel ding is een mensch toch!’

I
I

Clara sterft. Mane betaalt haar uitvaart. Hij probeert haar zoontje onder te brengen bij Anna, die intussen in Kopenhagen woont, maar die wil niet. Hij moet toezien hoe het kind in een weeshuis belandt.

Mane schrijft weldra een roman; hij heeft nog een lang, tamelijk voorspoedig leven voor de boeg. Maar het is een jonge Mane die mij samen met zijn Clara gezelschap houdt wanneer ik door de stad loop. Ik weet nu dat ik een boek over hen zal moeten schrijven om hen uit mijn ooghoek te doen verdwijnen.

[Literatuur] ‘Verlangen’ of de liefdesverklaring in het bos.

Emmanuel De Bom, ca. 1893.
Emmanuel De Bom, ca. 1893.

Op 20 oktober 1908 richtte Jacob Nicolaas Van Hal (1840-1918), ‘redacteur-secretaris’ van het Nederlandse literaire tijdschrift De Gids, een brief aan de Vlaamse schrijver Emmanuel De Bom (1868-1953). ‘Bij geruchte kwam mij ter oore,’ schreef Van Hal, ‘dat gij de fragmenten van een roman in portefeuille hebt, waaruit echter niet zoo spoedig een roman zal ontstaan. Zoudt gij mij echter – in afwachting […] – niet een enkel, op zichzelf staand, fragment aan De Gids kunnen afstaan?’

De kopijnood bij De Gids was blijkbaar groot. Maar sinds de publicatie van de bijzonder gave korte roman Wrakken (1897) genoot De Bom de reputatie van een uitstekend schrijver. Het boek vertelt over de liefdesdriehoek en was gebaseerd op de tragische liefde van de jonge De Bom voor de Duitse cabaretzangeres Clara Gaesch (1866-1895). Niet zonder reden geniet Wrakken de reputatie dat het de eerste ‘psychologische stadsroman in de Vlaamse literatuur’ is.

De Bom, in 1893 medestichter van het prestigieuze tijdschrift Van Nu en Straks, werkte in de Antwerpse stadsbibliotheek, waar hij in 1911 hoofdbibliothecaris werd. Daarnaast ontwikkelde hij een indrukwekkende activiteit als journalistiek chroniqueur van het culturele en literaire leven in Vlaanderen. Hierdoor, zo staat in menig literair historisch overzicht te lezen, komt het dat hij zijn strikt literaire arbeid verwaarloosde, om pas op hoge leeftijd – hij was achtenzeventig – een tweede roman, Het Land van Hambeloke (1946), te publiceren.

Maar, zoals uit de brief van J.N. Van Hal blijkt, is het plaatje iets genuanceerder (ook al verandert het niet fundamenteel). De Bom antwoordde immers: ‘De bescheiden waarheid is, dat ik (helaas!) verscheidene jaren al een soort roman op ’t getouw heb, waar alle personages en toestanden in mij van [sic] leven’. Maar, voegt de schrijver eraan toe, hij mag ‘er in de eerste maanden niet […] aan denken  U zelfs maar een fragment van dit “geheimzinnige boek” aan te bieden.’

VandeWoestijne
Karel van de Woestijne.

Dat Van Hall op de hoogte was van het feit dat De Bom aan een roman werkte, weet de schrijver aan zijn vriend Karel van de Woestijne die het ‘een babbelzuchtig reporter in ’t oor geblazen [had]’, waarna Johan de Meester ‘die alles weet’ het aan Van Hall doorvertelde. Twee jaar eerder had De Bom Van de Woestijne een baantje bezorgd als Brussels correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Maar de loslippigheid van de dichter leidde niet tot een verkoeling van de vriendschap. De Nederlandse romancier Johan de Meester (1860-1931) was redacteur van de NRC.

Aan ambitie ontbrak het De Bom alvast niet. Hij wilde een roman schrijven ‘waar ik werkelijk in hoop alles te kunnen zeggen wat eenige jonge menschen van twintig tot dertig jaar aan innerlijk leven ervaarden’. Het boek zou ‘Aan “gebeurtenissen” tamelijk arm’ zijn en moest vooral ‘het zwijgende, het immer onvoldane verlangen-leven van jonge menschen uit onzen tijd teekenen.’

De correspondentie van Emmanuel De Bom i.v.m. de oprichting van Van Nu en Straks en die met Stijn Streuvels zijn gepubliceerd. Een deel van het omvangrijke De Bom-archief staat trouwens sinds jaren ter beschikking van de bezoekers van het Letterenhuis. Maar op de derde verdieping bevonden zich tot voor kort drie kasten vol materiaal van De Bom, dat nog niet ontgonnen was – elk archief heeft zijn ‘winkeldochters’ die door allerlei omstandigheden in de vergeethoek geraken.

Archief1959
Het archief van Emmanuel De Bom in 1959.

De brief van Jacob Nicolaas Van Hall aan De Bom en een kladje van diens antwoord behoren tot een verzameling papieren die de schrijver destijds bijeenbracht in een kaft met daarop, in zijn handschrift, het woord ‘Verlangen’ – meteen de titel van de onvoltooide roman.

Onvoltooid? ‘Niet geschreven’ is eigenlijk juister. De Bom worstelde duidelijk met zijn onderwerp. Gedateerde velletjes maken duidelijk dat hij al in 1898 aan Verlangen werkte. In 1908 was hij er nog steeds mee bezig en rekende hij er blijkbaar op het binnen project afzienbare tijd tot een goed einde te brengen: ‘Toen ik er laatst met den moed der wanhoop opnieuw de hand zou aan leggen, en ditmaal de beslissende hand – moest ik gaan verhuizen en werd ik ziek. Nu gaat het weer goed, ik raak op dreef – en, lukt het al, dan zal ik, eer we een jaar ouder zijn, het boek “Verlangen” voltooid den geachten Redacteur-Secretaris van den Gids in handen brengen’.

Tegelijk realiseerde De Bom zich dat hij nog veel werk voor de boeg had. ‘Wat betreft “fragmenten uit te lichten”, dat gaat in geen geval. Geen enkel fragment is in eind-vorm klaar, en ik moet het hele verhaal van A tot Z in éen adem opnieuw schrijven – terwijl al ’t bestaande, ook dat wat reeds een tamelijk samenhangend voorkomen heeft, daarbij alleen de rol van canvas of klad zal spelen.’

NoraAulit1904
Nora De Bom – Aulit, 1904.

De schrijver had gelijk. Het Verlangen-dossier mag dan vier centimeter dik zijn, voltooide hoofdstukken bevat het zeker niet. Het bestaat voor een groot deel uit losse notities, invallen en overwegingen. De Bom amuseerde zich zelfs met het tekenen van een voorontwerpje voor een frontispies. Maar zelfs de min of meer uitgeschreven fragmenten die de auteur samenbracht vormen geen volledig kladhandschrift.

Uit een (rudimentair) schema van de plot leren we dat De Boms hoofdpersonage Frank zou heten (elders wordt hij dan weer Frederik genoemd). Verlangen moest bestaan uit vijf ‘episoden’. ‘Elke episode,’ noteerde de schrijver, ‘is een stuk leven, dat op zijn geheel afzonderlijk kan beschouwd worden’. De eerste episode wilde De Bom wijden aan Franks jeugd, de tweede aan zijn vriendschap met ene Sander en zijn ziekte, met name tuberculose, waarvan hij echter geneest. Franks ‘nieuw leven’ vormt het onderwerp van de derde episode, waarin hij ook verliefd wordt op Mienke.

Sander, die met zijn achternaam Dirven blijkt te heten en dokter is (de arts van Frank?) staat centraal in de vierde episode, die zich grotendeels afspeelt in Den Haag: ‘Zijn bezoek Laan van Meerdervoort of Voorhout of Bezuidenhoutsche Dreef’, noteert De Bom.

DeBom1940
Emmanuel De Bom in de Stadsbibliotheek, 1940.

De vijfde episode gaat over de ‘vrijagie’ van Frank en de ‘zomerwandelingen’ die hij, zo staat in het schema gepreciseerd, met zijn vriendin ‘in de bosschen van Hoogboom’ maakt. Er is sprake van een ‘liefdesverklaring in ’t Bosch’ en die is ‘geheim voor al de anderen’.

Elders lezen we over de roman en de personages: ‘Frank blijft de eeuwige verlanger – in ’t ijle – zijn weifelende, door geen werkelijkheid te bevredigen dwepende ziel, is tot eenzaamheid gedoemd – ’t is Sander, met zijn rustig sereen temperament die vindt en zijn leven tot éen evenwichtige blijheid vermag op te voeren… Frank zal steeds zoeken, verlangen baart weder nieuw verlangen – en dat is de beteekenis van ’t boek – goed in het motto uitgedrukt) de realist, zonder droomen, grijpt en houdt vast het onmiddellijke geluk; de wijze, die voor zich heengaat, alleen denkend om zijn arbeid, vindt zonder zoeken; de eeuwig zoekende, de smachtende blijft onvoldaan.’

Het is dus maar de vraag of de liefdesverklaring in het bos tot Franks permanente geluk of tot een leefbaar compromis met de condition humaine zou hebben geleid.

De geplande structuur en de schaarse uitgeschreven passages doen vermoeden dat Verlangen, indien het voltooid was, een structureel zwak en tamelijk tobberig boek zou zijn geworden. Het is verleidelijk te denken dat de schrijver, intussen ambtenaar en gehuwd met Nora Aulit (1879-1955), niet langer gedreven werd door de teleurstelling en de daaruit voortvloeiende helderheid die leidden tot de strakke spanningsboog van Wrakken. Maar dat is psychologische speculatie.

Intussen was De Bom er zich zelf ook wel van bewust dat zijn vele werk een hinderpaal vormde voor zijn schrijverschap. Aan Van Hall zei hij: ‘Door velerlei in- en uitwendige oorzaken waaronder mijn onderbibliothecaris-ambt te Antwerpen en mijn couranten-geschrijf de twee uitwendige zijn – kon ik niet altijd geregeld aan mijn boek schrijven, heele tijden er zelfs niet aan denken.’

Frank had alvast pertinente ideeën over de vrouw, zoals blijkt aan het eind van een beschrijving van Mienke: ‘En vooral één trek die hij adoreerde als hij hem bij een mooi meisje zag – juist omdat die zoo zelden voorkomt – ernst, die geen droefheid is, – dat joeg hem van de meeste vrouwen weg dat ze ofwel kletsten als hersenlooze kippen – met taterend gesnebber ofwel gedurig gieberden [giechelden] als onnoozele, ofwel dat ze uit onbeduidenheid nooit den mond ontsluiten.’

 

Verschenen in ‘Zuurvrij’ nr. 28 van juni 2015.

[Literatuurgeschiedenis] Censuur / geen censuur. Belgische priesters en politiemannen tackelen ‘pornografie’

liseuse
Antoine Wiertz, ‘La Liseuse de Romans’ (a).

Censuur is in België onmogelijk. Artikel 25 van de Grondwet van 1831 bepaalt dat de drukpers vrij is en censuur ‘nooit’ kan worden ingevoerd. Voorts bestaat de vrijheid ‘om op elk gebied zijn mening te uiten […]’, behalve wanneer daarbij misdrijven worden gepleegd. Dat kan zijn wanneer de ‘openbare zedelijkheid’ (een begrip uit de strafwet) wordt geschonden. Bij ‘openbare schennis van de goede zeden’ denkt de wetgever bijv. aan liederen en teksten – maar de concrete invulling van wat ‘de eerbaarheid kwetst’ is de taak van de rechter.

Een en ander belet de katholieke kerk niet te zeggen wat de gelovigen wel of niet mogen lezen, wat in de 19de en een flink stuk van de 20ste eeuw leidt tot herhaalde ingrepen van de clerus. Nogal wat schrijvers kunnen daarvan meespreken.

Hendrik Conscience

In 1842 werkt de schrijver Hendrik Conscience (1812-1883) als ‘griffier’ in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Enkele jaren eerder heeft hij De Leeuw van Vlaenderen gepubliceerd. In Vlaamsgezinde kringen is Conscience een gevierd man; hij geniet de vriendschap en bescherming van zijn directeur, de liberale schilder (n vrijmetselaar) Gustaf Wappers.

Maar in de ogen van de Kerk is Conscience verdacht. Romans, zo menen veel priesters, zijn een product van de liberale Franse geest. Voor de gelovigen zijn ze gevaarlijk omdat ze tot de verbeelding spreken zonder daarom per se de waarheden van het geloof te propageren.

Bovendien heeft Conscience in zijn debuutroman, In ’t Wonderjaer (1837) openlijk de lof van de Geuzen die in de 16de eeuw in opstand komen tegen Spanje gezongen. Alsof dat niet erg genoeg is bevat De Leeuw bevat niet gewelddadige taferelen, maar vertelt de roman ook over de liefde tussen (de fictieve) Machteld, dochter van de graaf van Vlaanderen, en de heldhaftige ridder Adolf van Nieuwland.

250px-Kortrijk_1302_Henri_De_Pondt_portret_van_Hendrik_Conscience_ca__1870_9-01-2010_14-59-41
Hendrik Conscience.

Omdat de uitgeverij in Vlaanderen nog nergens staat, moeten auteurs die hun werk gedrukt willen zien de kosten zelf dragen. Zo komt het dat In ’t Wonderjaer en De Leeuw hun auteur niets hebben opgebracht. Conscience mag dan een baan hebben, rijk wordt hij daar niet van. Groot is dan ook zijn blijdschap wanneer Wappers hem in contact brengt met de ‘inspecteur van de gevangenissen’ T. Sorlus. Die overweegt beide boeken aan te kopen voor de bibliotheken van de strafinrichtingen in het Nederlandstalige landsgedeelte. Conscience stapt naar zijn drukker en die bestelt prompt de nodige riemen papier.

Maar dat is gerekend buiten de invloed van kanunnik Jan-Baptist Van Hemel (!), hoofd van het Klein Seminarie in Mechelen en censor librorum van het aartsbisdom. Ondanks de bepalingen van de Grondwet en de scheiding van kerk en staat weegt de clerus zwaar op de besluitvorming – waaronder die in het gevangeniswezen.

Van Hemel verzet zich tegen een eventuele aankoop van In ’t Wonderjaer en De Leeuw, tenzij de schrijver zich bereid toont om veranderingen aan te brengen. Conscience, die sowieso geen sterk karakter heeft, staat met zijn rug tegen de muur. Toegeven, maakt Van Hemel hem duidelijk, betekent niet alleen dat de bestelling voor de gevangenisbibliotheken doorgaat, maar ook dat zijn romans door de zeshonderd leerlingen van het Mechelse Klein Seminarie zullen gelezen worden. En omdat hij het ijzer wil smeden wanneer het heet is, doet de kanunnik meteen een reeks suggesties.

Conscience gaat door de knieën. Van Hemel, maar ook P.J. Visschers, de pastoor van de Antwerpse Sint-Andrieskerk en –  naar verluidt – de felle polemist priester Jan-Baptist Buelens, onderpastoor van de Sint-Jacobskerk, buigen zich over de gewraakte boeken. De schrijver luistert en gaat aan de slag.

Gecastreerd

In ’t Wonderjaer zal voortaan Het Wonderjaer heten; de priesters in het boek krijgen een mooiere rol en het behoud van het katholieke geloof komt centraal te staan. In De Leeuw sneuvelen bloeddorstige uitlatingen van opstandelingenleider Jan Breydel en Machteld bemint haar ridder niet langer ‘met onrustige drift’, maar als een zuster. Beide romans verliezen ook hun Vlaamsgezinde voorwoord.

De nieuwe versie van Het Wonderjaer verschijnt in 1843, weldra gevolgd door de ‘gecastreerde’ Leeuw. Voor Conscience is het pad naar succes geëffend, maar zijn geloofwaardigheid ligt aan diggelen en zijn liberale vrienden keren zich van hem af. Voortaan legt hij een voorzichtigheid aan de dag die zijn oeuvre niet ten goede komt.

Timmermans
Felix Timmermans.

‘Ik heb slechts gelachen en niet gespot met het domme bijgeloof in onzen schonen godsdienst en ’t ware goed dat dit veel gedaan wierd, ter ere van den godsdienst zelf,’ schrijft de beroemde Felix Timmermans (1886-1947) in 1920 naar aanleiding van de kritiek op zijn roman Pallieter (1917). ‘Dat wil nu niet zeggen, dat ik een vierkantig voorbeeld van katholiek ben. Ik probeer slecht een goede katholiek te zijn’.

Maar goede wil volstaat niet, zelfs niet voor onverdacht katholieke schrijvers. Pallieter doet in kerkelijk kringen nogal wat wenkbrauwen fronsen.

De roman is eerst in afleveringen verschenen in het Nederlandse literaire tijdschrift De Nieuwe Gids en komt het jaar daarop in boekvorm van de pers bij P.N. Van Kampen en Zoon in Amsterdam. Pallieter kent dadelijk een groot succes maar werkt ook op de zenuwen van bepaalde pastoors en zelfs van protestantse dominees.

Timmermans’ titelheld houdt intens van de natuur – zozeer dat de enen hem ‘heidens’ vinden en de anderen hem voor een ‘pantheïst’ verslijten. De humor die de auteur zich permitteert wanneer hij over kerkelijke gebruiken en priesterlijke gedragingen spreekt – de pastoor in Pallieter kijkt soms te diep in het glas – heten bij hen ‘godslasterlijk’.

In 1918 noemt de Nederlandse redemptorist M. Stoks Pallieter in het dagblad De Tijd ‘een veeg en denkelijk teken des tijds, en […] een sterk typerend symptoom van nieuw-humanisme […] De ware, verfrissende, sterkende levensvreugde welt naar onze Roomse opvatting uit diepere en heldere bronnen’.

Kanunnik

Stoks heeft veel invloed in het noorden. Het Nederlandse episcopaat klopt aan in Rome en krijgt er gedaan dat ‘de lezing van Pallieter, door Felix Timmermans […] de katholieken verboden is’, hoewel de roman niet officieel op de kerkelijke Index komt. De bekendmaking hiervan verschijnt in drie Nederlandse kranten.

Het pauselijk verbod geldt natuurlijk in België, maar kardinaal Mercier, de aartsbisschop van Mechelen, beperkt zich tot de publicatie van de Latijnse tekst in de ‘vaktijdschriften’ van de bisdommen, zonder er verder ruchtbaarheid aan te geven.

Timmermans, die een en ander van zijn vrienden moet vernemen, is geschokt, maar het komt niet bij hem op zich te verzetten. Pallieter staat op een lijst van boeken, zo vertelt men hem,  die de katholieken niet mogen lezen tot ze ‘verbeterd’ zijn. Ondanks zijn onvrede is de schrijver meteen bereid om in zijn boek veranderingen aan te brengen. Alleen weet hij niet hoe zoiets in zijn werk gaat en daarom vraagt hij hulp aan de invloedrijke Antwerpse essayiste Marie Belpaire (1853-1948).

AffichePallieter
Affiche voor de film ‘Pallieter’ van Roland Verhavert (a).

Belpaire schakelt de theoloog kanunnik Theodoor Van Tichelen in, die op zijn beurt contact opneemt met kardinaal Van Roey. Intussen blijken ook Nederlandse katholieken, onder wie de aartsbisschop van Utrecht bereid om het voor Timmermans op te nemen. Uiteindelijk richt de schrijver een brief aan het Heilig Officie in Rome. Of die verder raakt dan het aartsbisdom in Mechelen is onduidelijk. Het is best mogelijk dat Van Roey of een vertegenwoordiger van de Nederlandse bisschoppen in Rome voor Timmermans ten beste spreken.

Intussen blijft Pallieter op de markt. Toch weigert de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde de roman te bekronen met de August Beernaertprijs. Ook hier is het een priester, kanunnik Muyldermans, die zijn voet dwars zet.

In 1922 verschijnt de elfde druk van Pallieter, die is aangepast. Pallieter ziet niet langer ‘de tepeltjes’ van de borsten van zijn vriendin Marieke; haar ‘boezemkens’ ‘waggelen’ niet meer en Pallieter drukt geen ‘mals en zeer dun gekleed lijf’ tegen zich aan. En een verwijzing naar de heidense god Pan wordt afgezwakt.

Maar dat alles volstaat niet. Kanunnik Van Tichelen adviseert Timmermans bij een aantal bijkomende schrappingen en veranderingen die uiteindelijk leiden tot de ‘definitief’ aangepaste 16de druk van Pallieter.

Naakt

Een scène waarin Pallieter een naakt Marieke achtervolgt en haar vervolgens meeneemt op zijn paard, is verdwenen. Andere wijzigingen zijn van nog verregaander onnozelheid – een paar volkse en grappige (maar niet ‘oneerbiedige’) omschrijvingen van God en de heiligen vervallen en Pallieter gaat een keer meer naar de mis. Pas in de jaren 1970 ontdoet men het boek van deze ‘verbeteringen’.

Walschap1933Carla
Gerard Walschap met dochter Carla.

Helemaal anders pakt het uit wanneer de kerk zich gaat bemoeien met de romans van Gerard Walschap (1898-1989). Ook de jongeman uit Londerzeel is een vroom katholiek en droomt van een leven als missionaris (maar wordt ter elfder ure weggestuurd uit het seminarie).

Walschap, intussen getrouwd en vader, wordt redactiesecretaris van  het katholieke weekblad Het Vlaamse Land. Wanneer dat wegens zijn flamingantisme in een kwaad daglicht komt te staan bij de bisschoppen, wordt Hooger Leven opgericht, een periodiek waarvan de schrijver redacteur blijft tot in 1939.

Walschap heeft een fel temperament. Hij heeft gestudeerd en veel gelezen en de buitenlandse literatuur. Hij weet dat katholieke auteurs in Engeland, Duitsland en Frankrijk niet terugdeinzen voor de publicatie van probleemromans waarin het geloof van de personages op de proef wordt gesteld. Hun wereld, vindt Walschap, staat mijlenver af van de kritiekloosheid, volgzaamheid en de sentimentaliteit waarvan de Vlaamse literaire productie (of toch het katholieke deel daarvan) getuigt.

De ambitieuze auteur droomt ervan om zelf ook zo’n ‘moderne’ katholieke roman te schrijven. Adelaïde ontstaat tijdens een vakantie die Walschap deels in Maaseik bij zijn schoonfamilie doorbrengt, deels in Wenduine aa, zee. Het boek is geschreven ‘zoals men ademt,’ getuigt de schrijver nadien.

Pallieter(dbnl)Adelaïde vertelt het verhaal van een jonge vrouw die non wil worden maar dat uiteindelijk niet doet omdat ze vreest dat ze het celibaat niet aankan. Ze trouwt en krijgt maar een kind omdat ze aan contraceptie doet. Dat wekt de wrevel op van de onderpastoor die voorspelt dat ze zal getroffen worden in haar enige zoon. Adelaïde doet alles om haar kind te beschermen. Maar haar angst en de ziekelijke jaloersheid die ze koestert ten overstaan van haar man ontaarden in krankzinnigheid. Adelaïde sterft bij een val uit het raam, die men kan interpreteren als zelfmoord.

Adelaïde bevat geen wezenlijke kritiek op het geloof. De ‘heldin’ gaat ten onder aan het conflict tussen ‘zinnelijkheid’ en zondebesef (dixit Walschapbiograaf Jos Borré). Het lot van Adelaïdes zoon en kleindochter beschrijft Walschap in de romans Eric en Carla die samen met Adelaïde de trilogie De familie Roothooft vormen.

‘Ik wilde een door en door authentiek katholieke roman schrijven, die aansloot bij de werkelijkheid van dat ogenblik,’ verklaart Walschap achteraf. ‘Omstreeks de dertiger jaren leek mij de huwelijksmoraal wel het meest aangewezen thema, juist omdat geen twintig procent der gelovigen toen de kerk op dat punt nog volgde.’

Net als Pallieter heeft Adelaïde in het katholieke kamp bewonderaars en vijanden. Belangrijke critici zoals Marnix Gijsen (op dat ogenblik zelf ook nog katholiek) reageren positief. Maar in het tijdschrift Jong Dietschland fulmineert ene S. Linde: ‘Weg met die bezetenheid, want dit is niets voor ons, katholieke Vlamingen’.

Jezuïeten

Deze keer verloopt de strijd bijzonder bits. Enkele jezuïeten met belangen in de literatuur ontketenen een ware hetze. In kranten verschijnt een oproep van 75.000 leden van de Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ) die verklaren dat zij ‘nooit Walschap zullen lezen’. Twintigduizend ‘katholieke huismoeders’ beweren dan weer dat de auteur ‘pornografie’ schrijft.

De leider van het Algemeen Christelijk Werkersverbond (ACW), de grootste vakbond van het land, spreekt zijn eigen banvloek uit over de schrijver. Wanneer de katholieke krant De Standaard toch – heel kort – meldt dat Walschap de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza heeft gekregen, protesteert minister P.W. Seghers met een woedende lezersbrief.

De pastoor van de Antwerpse Sint-Laurentiuskerk – Walschap woont om de hoek, in de Lemméstraat, tegenover Willem Elsschot – houdt een donderpreek tegen de schrijver, terwijl diens vrouw en kinderen in de kerk zitten.

Van Aken
Piet Van Aken.

Maar de tijden zijn veranderd. Walschap behoort tot een jongere generatie dan Timmermans. Hij heeft ook een heel ander karakter. De schrijver reageert met een combinatie van onverschrokkenheid en geduld. Hij probeert zijn motieven uit te leggen en voelt zich daarbij niet weinig gesterkt door de positieve reacties op zijn werk in katholieke publicaties in Nederland en Duitsland.

Walschap tracht duidelijk te maken dat preutsheid en hypocrisie contraproductief zijn en dat ze indruisen tegen de essentie van de christelijke boodschap. Maar in Vlaanderen valt zijn pleidooi voor ‘realistisch katholieke kunst’ bij de meesten in dovemansoren. Toch kan hij zich staande houden. In 1933 wordt hij zelfs redacteur van het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort, waaraan ook Maria Belpaire, Marnix Gijsen en August Van Cauwelaert meewerken.

Van Walschaps roman Bejegening van Christus verschijnt eerst de Duitse vertaling, omdat de zijn vrienden van de schrijver hem het boek niet uit te geven in Vlaanderen. In 1939 publiceert Walschap zijn meesterwerk Houtekiet dat resoluut kiest voor ‘absolute vrijheid en eigengerechtige zelfbeschikking’ (Borré). In januari 1940 komt trouwens ook de originele Nederlandse van Bejegening van Christus van de pers. En kort daarop volgt – in een beperkte oplage – het pamflet Vaarwel dan, waarin Walschap openlijk afstand neemt van kerk en geloof en ook uitlegt hoe het zover is gekomen. De Duitse inval van 10 mei 1940 maakt een voortijdig einde aan de polemiek die losbreekt.

Black Venus

Na de oorlog blijft België een verzuild land, maar de almacht van de kerk is gebroken. Toch blijven ‘ketterjagers’ als kanunnik Joris Baers met zijn tijdschrift Boekengids de katholieken (en hun bibliothecarissen) voorhouden welke boeken ze wel en niet in huis mogen halen, dit tot grote ergernis van niet-gelovige uitgevers als Angèle Manteau die hierdoor veel minder exemplaren kunnen slijten dan ze wel hadden gewild.

Geeraerts
Jef Geeraerts.

Begin 1968 verschijnt de roman Gangreen 1. Black Venus van Jef Geeraerts (1930). Daarin beschrijft de ex-koloniaal ambtenaar zijn avonturen in het Congo van vòòr de onafhankelijkheid van 1960. De uitgever zet het boek in de markt als een ‘autobiografie’. De expliciete seks bezorgt menige lezer rode oortjes, terwijl nogal wat mensen de voorstelling van de Congolezen in het boek racistisch en kolonialistisch vinden. Het bijwijlen lyrische Black Venus groeit uit tot een druk besproken bestseller.

In november van het volgende jaar vergadert de jury van de Driejaarlijkse Staatsprijs – op dat ogenblik de belangrijkste literaire onderscheiding in Vlaanderen. Er zijn vijf juryleden. Voorzitter Paul De Vree onthoudt zich bij de stemming. Prof. Marcel Janssens, dichteres Clara Haesaerts en Lieve Scheere stemmen voor. Maar de romancier Piet Van Aken is zo kwaad dat hij weigert mee te stemmen – boze tongen beweren later dat hij een eigen kandidaat had.

Dat uitgerekend de vrijzinnige en linkse Van Aken zich ergert aan Gangreen 1 is merkwaardig. Koestert hij bezwaren tegen het beeld vat Geeraerts van de Congolezen ophangt of tegen de expliciete seks? Misschien. Maar de kans is groter dat Van Aken, die de Amerikaanse literatuur heel goed kent, meent wat hij zegt, nl. dat hij zich stoort aan Geeraerts’ navolging van de lange zinnen zonder punten of komma’s van de Amerikaan Henry Miller – Miller die trouwens ook bekendstaat om zijn bedscènes.

Wat er ook van zij, Geeraerts krijgt zijn Staatsprijs.

Razzia

Groot is dan ook de verontwaardiging wanneer de Brusselse politie medio december 1969 binnenvalt bij de bekende boekhandel Corman aan de Ravensteinstraat en er een exemplaar van Gangreen 1 meeneemt.

Dat gebeurt op donderdag. De dag daarop verneemt de uitgever het nieuws. Hij brengt meteen een Nederlands weekblad op de hoogte. Geeraerts is zondagavond al te horen op de radio en lucht zijn verontwaardiging. ’s Maandags verklaart de gerechtelijke brigade van de Brusselse gemeentepolitie dat ze een aantal boeken heeft meegenomen omdat iemand een klacht heeft neergelegd omdat Corman o.m. het bekende ‘voorlichtingsboek’ Variaties van de Deen Oswald Kolle verkoopt. Naast Black Venus en Variaties zijn ook de bekende 18de-eeuwse Engelse ‘zedenroman’ Fanny Hill van John Cleland, de Kama Soetra en Ik, Jan Cremer meegenomen.

CormanLabisse
Felix Labisse ontwierp voor boekhandel Corman wikkels en bladwijzers (Delcampe.net).

De Vereniging van Vlaamse Letterkundigen laat protest horen en weldra komt de zaak ter sprake in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Eerst gaat de discussie over de schadelijke gevolgen van het gebruik van de insecticide DDT, maar dan interpelleert de Franstalige Brusselse socialist Guy Cudell. Hij herhaalt de bezwaren van Van Aken tegen Black Venus.

De Vlaamse minister van cultuur, de christendemocraat Frans Van Mechelen, verdedigt de beslissing van de jury. Daarop ondervraagt de Vlaams-nationalist Belmans de socialistische minister van Justitie Vranckx over de inval in de boekhandel. Vranckx antwoordt dat het boek, in tegenstelling tot wat wordt beweerd, niet in beslag is genomen maar ‘voor nazicht’ meegenomen in het raam van een gerechtelijk onderzoek op basis van artikel 383 van het Strafwetboek betreffende schending van de ‘openbare zedelijkheid’.

Senaat

Er komt ook een discussie in de Senaat, waar de socialist Willy Calewaert wijst op de ‘contradictie’ tussen artikel 383 en de vrijheid van drukpers, gewaarborgd door de Grondwet. Hij krijgt steun van de liberalen. Maar ook minister Van Mechelen verklaart zich een voorstander van de artistieke vrijheid. Vranckx zegt dat niet hij, maar het gerecht – dat onafhankelijk is – besloot tot een onderzoek. Waarop hij een pleidooi houdt tegen pornografie “als inzet voor de strijd voor de vrijheid”.

Bij een andere gelegenheid noemt hij Black Venus ‘een boek waarin de Belgen worden afgeschilderd als een Herrenvolk’.

Op 3 december adviseert het parket aan de Brusselse onderzoeksrechter dat er geen reden is tot vervolging of inbeslagname en Corman zijn exemplaar van Black Venus terugkrijgt.

Verschenen in ‘Eos Memo’, nr. 12.

Dichter aan de wal. Het fantoom Saint-Rémy.

DeMuynck1
Rémy De Muynck, alias Saint-Rémy.

De ordening van een literair archief heeft soms bijwerkingen.  Het gebeurt dat men geboeid raakt door een schrijver met wie men artistiek noch persoonlijk veel affiniteit voelt – een schrijver wiens fantoom zich aan de archivaris opdringt zoals een personage dat ongevraagd aanklopt bij een romancier.

Rémy De Muynck, alias Saint-Rémy (1913-1979) is zo’n schrijver. En vertaler, schilder, uitgever en boekhandelaar –in het Nederlands en in het Frans. Zelfs nu het Letterenhuis dankzij de zus van De Muyncks medewerkster Ronny Janssens over een groot deel van zijn archief beschikt, vertoont zijn biografie gaten genoeg om de verbeelding op dreef te helpen.

Alleen mag dat niet. Literair archiefwerk is dan wel geen exacte wetenschap, het houdt zich bij voorkeur aan de feiten. Dat nogal wat elementen uit De Muyncks leven enigszins in nevelen gehuld blijven, is te wijten aan hemzelf maar ook aan de bewonderaars de na zijn onverwachte overlijden de loftrompet over hem steken.

De Muynck wordt geboren in Varsenare bij Brugge. Hij studeert in “Brugge, Oostende en Antwerpen” en “als aspirant-zeeofficier” reist hij de wereld rond, vertelt hij zelf in een biografietje voor de pers uit 1970.

In het herdenkingsnummer van het tijdschrift Trap, uitgegeven door de Antwerpse dichters Tony Rombouts en Maris Bayar, voegt de historicus Michel Oukhow daar negen jaar later aan toe: “Hij [De Muynck] liet zijn literaire bedrijvigheid ingaan sedert 1942. Al zijn vroegere werk verloochende hij, zoals dikwijls gebeurt met rijpende figuren, maar die daar zichzelf toch in feite te kort mee doen.”

Al in 1934 verschijnt bij de katholieke Brugse drukker J. Verbeke-Cappoen de roman Herwig. De Muynck heeft zelf het sobere, modernistische voorplat ontworpen. Maar het sentimentele en bijzonder vrome verhaal is allesbehalve modernistisch.Een jaar later volgt bij dezelfde uitgever een tweede roman, Het Lied. In de reeks Cahiers van de Waterkluis bij Varior in Sint-Amandsberg bij Gent publiceert De Muynck in 1938 zijn eerste dichtbundel, Ebbe en Vloed. De kritiek blijft gereserveerd, maar signaleert het boekje wel. Een foto van De Muynck met obligate pijp verschijnt in de krant.

Roland-Holst
Adriaan Roland-Holst.

De Duitse bezetting houdt Rémy De Muynck vanaf 1940 aan de wal. Hij gaat aan de slag als recensent en vertaler – genoeg om opgezadeld te raken met een “oorlogsverleden”. Hij schrijft voor de krant Het Vlaamsche Land die ook de door Jeroen Brouwers literair gerehabiliteerde Frans Buyle onder haar medewerkers telt.

De Muyck stelt de bloemlezing De moderne Finsche Poëzie samen, die hij ook inleidt. Het boekje verschijnt in 1943 bij De Nederlandsche Boekhandel. In zijn betoog is geen spoor waar te nemen van het bloed- en bodemdiscours van andere collaborerende poëten.

Uit het Zweeds vertaalt De Muynck de roman Britt-Marie Colstrup van Ejnar Smith (1878-1928). In 1938 al heeft hij in samenwerking met Peter Thiry Het Leven met Vader van de populaire Amerikaanse schrijver Clarence Day (1874-1935) vertaald; in 1941 volgt van dezelfde auteur Moeder en wij. Beide vertalingen verschijnen bij Boekengilde Die Poorte.Tenslotte zet hij zich aan de roman Unser Freund Peregrin van Ina Seidel (1885-1974) – een schrijfster die haar grote sympathie voor da Nazi’s niet  onder stoelen of banken steekt.

Tussendoor vindt De Muynck tijd voor poëzie. Zijn gedichten uit de periode 1938-1941 verschijnen in de bundel Het Spoor.  Het gaat om poëzie die zichzelf bijzonder au sérieux neemt, getuigend van een groot verlangen naar het absolute, maar duidelijk niet in een religieuze, laat staan katholieke zin.

DeCorte2
Bert Decorte (foto De Backer).

Na de Bevrijding komt De Muynck “in aanraking” (dixit Ludo Simons) met de repressie. Maar dat valt allemaal erg mee. In in 1945 vinden we de schrijver – op vrije voeten – in Antwerpen. Hij richt er aan de Sint-Katelijnevest nr. 55 de boekhandel en eenmansuitgeverij Orion in, die tot 1954 zo’n twintig boeken zal uitgeven. Tegelijk levert hij bijdragen aan de krant De Antwerpsche Gids.

Michel Oukhow schrijft: “Saint-Rémy plaatste zich na het einde van de oorlog […] in het centrum van een strikt uitgelezen groep mensen, die in zijn […] boekhandel samen kwamen. Een reeks ouderen, onder wie ik mij vooral Maurice Gilliams en de schilder Vandijck herinner, een groep jongeren voor wie hij enorm veel belangstelling had, en ik denk hier vooral aan Bert Decorte […].”

In 1946 verschijnt bij Orion De bloemen van den booze, een vertaling van Les fleurs du Mal van Charles Baudelaire door Bert Decorte (1915-2009) met een inleiding van niemand minder dan Herman Teirlinck.

Zijn goede verstandhouding met linkse, vrijzinnige figuren belet De Muynck niet om samen te werken met de bekende jezuïet en literatuurhistoricus Jozef Van Mierlo s.j. (1878-1958). Die verzorgt de inleiding van Het gulden Boek van Maria, een verzameling door De Muynck gebloemleesde teksten.

In 1958 verschijnen De Muyncks eerste Franse gedichten, de Poèmes de Georges, opgedragen aan de nagedachtenis van een gestorven vriend. Zijn boekhandel en uitgeverij heet voortaan de Librairie des Arts en verhuist naar de Galerie Moderne aan de Huidevettersstraat, inderdaad de eerste moderne winkelpassage in Antwerpen. De Muynck handelt er in eigen uitgaven en in antiquarische boeken en prenten.

Onder de nom de plume Saint-Rémy vertaalt hij werk van Maurice Gilliams in het Frans (L’Hiver à Anvers, 1965 en Elias ou le Combat contre les rossignols, 1968). Zijn passie voor het werk van de dichter Adriaan Roland Holst leidt tot een “herschepping” van diens cyclus Een Winter aan Zee onder de titel Un Hiver océan, ingeleid door de Franstalige Antwerpse schrijver Guy Vaes (1927-2012). De uitgave is geïllustreerd met houtsneden van Saint-Rémy.

Gilliams2
Maurice Gilliams.

Een poging om vertaalde gedichten van Bert Decorte te publiceren bij La Renaissance du Livre in Brussel loopt in 1977 stuk op de bezwaren van twee lectoren van de uitgeverij. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat zij zich meer ergeren aan het feit dat Saint-Rémy een tweetalige Vlaming is dan aan de fouten die ze hem verwijten. Wel is het zo dat de klassieke versvoeten en orthodoxe Franse woordenschat van Saint-Rémy geen recht doen aan de balorige, vaak meer Vlaamse dan Nederlandse dichtregels van Decorte. Maar dat merken de Brusselaars niet op.

Van zijn goede relatie met conservator Emiel Willekens (1922-2009) maakt Saint-Rémy in 1970 gebruik om in het AMVC, de voorloper van het Letterenhuis, een tentoonstelling in te richten met bibliofiele edities van Een Winter aan Zee. Er hangt bovendien een groot aantal schilderijen, houtsneden, aquarellen en gouaches van zijn hand.

Willekens
Emiel Willekens.

De dichter is ook plastisch kunstenaar. In zijn nadien “verloochende” debuut Herwig is al sprake van de schilderkunst. In de jaren 1960 koopt Saint-Rémy zoals wel meer Antwerpenaren een vissershuisje in Zeeuws-Vlaanderen dat hij “Blinkwater” doopt. Op tal van foto’s ziet men hem daar (of in de tuin) aan zijn schildersezel.

Van elk groot “poema” – hij zegt nooit “gedicht” – en elke bundel kalligrafeert Saint-Rémy een volledig handschrift, vaak geïllustreerd met tekeningen, opgehoogd met aquarel. Het zijn fraaie en opvallende “objets d’art”. Hij maakt ook boekbanden.

VanOffel2
Edmond Van Offel.

Saint-Rémy is de drijvende kracht achter een expositie, eveneens in het AMVC, over de schilder, graficus en schrijver Edmond Van Offel (1871-1959). Onder de titel De Wereld van Edmond Van Offel verschijnt een boek met bijdragen van o.a. Gilliams en Willekens. Hoewel het uitgeversadres De Rode Beuk luidt, gaat het wel degelijk om een uitgave van Saint-Rémy.

De interesse van Saint-Rémy voor het dubbeltalent Van Offel ligt voor de hand. Bovendien is de dichter bevriend met een mevrouw Jeanne Moorkens, een verwante (?) van de kunstenaar die veel materiaal van en over hem bezit. Bovendien zijn ook de Van Offels tweetalig. Edmond schrijft Nederlands, maar zijn broer Horace (1876-1944) bezigt het Frans. Horace Van Offel publiceert zijn romans zelfs Parijs. Hij werkt mee aan Franstalige Brusselse kranten. Tijdens de oorlog is hij hoofdredacteur van Le Soir en zingt omstandig de lof van Hitler. Hij sterft als vluchteling in Duitsland.

De Franstalige romancière Marie Gevers (1883-1975) stelt voor de Librairie des Arts een bloemlezing samen uit het werk van de dichter Émile Verhaeren (Il fait Dimanche sur la Mer, 1966). Van Gevers zelf publiceert Saint-Rémy Parabotanique (1964). Van Guy Vaes (1927-2012) brengt hij het essay La Flèche de Zénon. Essai sur le Temps romanesque (1966) en Londres ou le Labyrinthe brisé (1968). Daarnaast verschijnt hij de Librairie des Arts ook de eerste bundel van Leonard Nolens (1947), Orpheushanden (1969).

De laatste uitgave van de Librairie des Arts dateert van 1972. Saint-Rémy staakt zijn activiteit als boekhandelaar; voor zijn eigen werk doet hij een beroep op derden. Eerst De Nederlandsche Boekhandel waar de verzamelbundel Polumetis, verzen 1934-1968 verschijnt, dan uitgeverij Contramine van Tony Rombouts en nadien de firma van Walter Soethoudt.

VanOffel1
Affiche door Edmond Van Offel.

Bij Soethoudt verschijnen o.m. de prozaboeken Helena’s, Magdalena’s, Mona Lisa’s en Sibyllen – een gefictionaliseerde autobiografie met o.m. het relaas van Saint-Remy’s ontmoeting met Ensor – en de eerste twee delen van wat de romantrilogie Achilles moet worden. De Fusillade komt van de pers in 1977, De Schipbreukeling verschijnt postuum in 197). Ook de dichtbundels Diep in de Velden van Elysium (1977), Het poema van de Groene Hoek (1978), Annus Mirabilis (1978) en het postume Een zomer aan zee (1979) worden door Soethoudt uitgegeven.

Over die laatste bundel, een soort “vervolg” op Een Winter aan Zee van Adriaan Roland holst, schrijft criticus Henri-Floris Jespers: “Saint-Rémy’s horizont is de ongeschonden, stralende, glanzende wereld van gaafheid, van vòòr het verval […]. Zoals Yeats en Roland holst stelt hij “de primauteit van de diffuse macht van het lichtende” tegenover “de sombere krachten van de historiciteit, en roept een ongeschonden wereld op die schril afsteekt tegen de ongebonden, fragmentarische, ‘verkeerde’ wereld van de moderne subjectiviteit […] een niet gemediteerde wereld van lichtende theofanie.”

Het archief van Saint-Rémy in het Letterenhuis omvat talrijke originele prenten en foto’s van schilderijen. Zij getuigen op hun manier van de eigenzinnigheid van een estheet die in de jaren 1960 en ’70 aan het maatschappelijk protest en de artistieke mode weerstaat. Subjectief, maar toch op zoek naar tijdloze schoonheid, ver weg van het storend straatrumoer.

Desondanks is de rijpe Saint-Rémy als dichter net zo verhangen aan bombast als de jonge De Muynck. Zijn verzen lopen beter, maar de toon blijft even hoogdravend. De dichter verwart gebrek aan zelfrelativering met diepzinnigheid. Sfeer gaat door voor wijsheid, suggestie voor klaarte. Zijn werk verwijst naar iets dat zich “erachter” of “erboven” moet bevinden, maar dat het niet vermag op te roepen. Zijn proza is minder “vormvast” dan zijn poëzie; het maakt een ouderwetse indruk, alsof de schrijver zich enkel erg traditionele vooroorlogse romans kon herinneren.

[Column] Vergeet niet te bewaren

JanAMVC
(foto Bert Weis)

Ik ben jarenlang journalist geweest. Dat verklaart, denk ik, hoe het komt dat uiteenlopende dingen mijn nieuwsgierigheid opwekken. Binnen zekere grenzen toch – sport laat mij onverschillig, kookprogramma’s zap ik weg en bier lust ik niet (wat van mij een abnormale Belg maakt).

Uiteenlopende dingen? Bij nader inzien zijn het vooral historische periodes. Ik heb voor historicus geleerd en wat ik doe is, vrees ik, wat ik ben. Ik heb geen kinderen, geen druk sociaal leven, geen hobby’s. De dingen die mij passioneren zijn het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw toen de romantiek hoogtij vierde, de Dark Ages van 400 tot 800, middeleeuwse ketters en de geschiedenis van mijn stad. Om de voornaamste te noemen.

Is het dan niet moeilijk om te werken in een archief dat zich, theoretisch, alleen bezighoudt met het ontsluiten en bewaren van materiaal van en over Vlaamse schrijvers? Dat valt best mee, want ook literatuur is een onderwerp waar ik niet genoeg van krijg.

Sinds ik druklettertjes leerde ontcijferen, bijna een halve eeuw geleden, ben ik onvoorwaardelijk verslaafd aan lezen. Soms is de film beter dan het boek, maar ik blijf lettertjes boeiender vinden dan plaatjes.

Mijn werk dwingt mij om mij met dezelfde zorg te ontfermen over archief van de schrijvers die ik bewonder als over dat van hen die ik minacht. Dat leidt soms tot gevloek, maar het is een nuttige oefening.

Lieden van mijn generatie – ik ben een (late) babyboomer – voeren discipline niet erg hoog in het vaandel. Ik heb moeite met vroeg opstaan en kantooruren; op school was ik geen gemotiveerde leerling. In plaats van naar het leger te gaan, heb ik burgerdienst verricht. Maar ik heb, tandenknarsend, geleerd dat het toch wel nuttig is en leerzaam om zekere vormen van intellectuele rigueur te beoefenen.

Het Letterenhuis, waar ik mijn boterham verdien, noemt zichzelf het “geheugen” van de Vlaamse letteren. Archieven en musea bestaan om als geheugen van de maatschappij te fungeren. Iedere psycholoog zal beamen dat het individuele geheugen – dat van u en mij – subjectief en selectief is. Maar het geheugen van een samenleving is geen hersenfunctie – het is een maatschappelijk, wetenschappelijk project in dienst van het algemeen belang.

Daarbij is het essentieel om in alle omstandigheden zo objectief mogelijk te werk te gaan. Gemakkelijk is dat niet, want objectiviteit is geen gegeven maar een ideaal. Iedere menswetenschapper beseft dat – of zou het moeten beseffen. Objectiviteit is zoals democratie: ze moet voortdurend nagestreefd, bewaakt en beschermd worden.

Concreet betekent dit dat wij ook de papieren van schrijvers die wij niet bewonderen – elk van ons heeft, vermoed ik, zijn bêtes noires – met de grootste zorg behandelen. Daar worden wij voor betaald en het is onze intellectuele plicht.

Wie mij kent, weet dat ik privé een anarchist ben; lieden die moreel of intellectueel gezag over mij claimen maak ik het, vaak zonder het te beseffen, moeilijk. Maar van de muzen van de geschiedenis en de schone letteren ben en blijf ik de onvoorwaardelijk trouwe dienaar.

Wij moeten weten wie wij zijn, waar we vandaan komen; dat maakt onze keuzes voor vandaag en morgen beter. Ik geloof dat behalve de administratieve dossiers uit grote archiefinstellingen ook de woorden van dichters en romanschrijvers daarbij een rol kunnen spelen.

Het is de nederige, maar soms spannende taak van ons, archivarissen, al dat verstilde leven en voorbije schrijven zó te ordenen dat wetenschappers en nieuwsgierigen – de biografen, de literaire en andere historici – ermee aan de slag kunnen.

Archief inventariseren leert je niet alleen iets over de persoon die het archief “vormde” (zoals dat in het jargon heet). Het brengt de archivaris ook veel bij. Empathie of op zijn minst begrip voor mensen uit een andere tijd, wier opvattingen over morele en politieke zaken soms verrassend ver van de onze af staan. Inzicht in literaire opvattingen die niet de onze zijn. En de onthutsende constatering dat schrijvers die elkaar bij leven rauw lustten op dezelfde manier hun typoscripten verbeterden.

Ik vind dat kostbare kennis, in een tijd dat iedereen verhangen is aan zijn eigen emoties en opinies, kortetermijndenken en tunnelzicht.

 

Verschenen in “Eos Memo” nr. 10 van juni 2014.

Memo10

[Literatuur] Verstekelingen in het Letterenhuis. Over boeken en dedicaties.

Teirlinck

In 1899 verscheen de bundel Metter Sonnewende met een Voorrede van Willem Kloos en sonnetten door Prosper Van Langendonck, Fernand Toussaint [van Boelaere], Victor De Meyere, Herman Teirlinck, Jeanette Nyhuis en Jan Van Overeyde. Jacobyne Nyhof ontwierp de “stafletters” of initialen. Wat de titelpagina verzwijgt, is dat Nyhuis, Van Overeyde en Nyhof één en dezelfde persoon waren, nl. de eveneens aanwezige Herman Teirlinck (1879-1967).

Hoe deze onschuldige mystificatie (met veel slechte sonnetten) in elkaar zit, is al langer bekend. Leuk is dat wij vandaag over een volledige “bekentenis” van Teirlinck beschikken in de vorm van de lange opdracht die hij in 1949 neerschreef in het exemplaar van Metter Sonnewende dat toebehoorde aan de dichter Jan Vercammen (1906-1984).

In het Letterenhuis belanden samen met archiefmateriaal wel vaker boeken. Dat is niet de bedoeling, maar het is onvermijdelijk. In het verleden ging het soms om een hele schrijversbibliotheek die “voorlopig” op de schabben belandde. Vandaag dirigeren wij zulke bibliotheken van meet af aan naar de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience (EHC). Maar in de dozen met brieven, handschriften, drukproeven en ander materiaal dat wij wel dankbaar in ontvangst nemen, reizen verstekelingen mee.

Luc Van Brabant

De bibliotheken van o.a. Ernest Claes (1885-1968), Luc Van Brabant (1909-1977) en Jan Vercammen verhuisden onlangs met enige vertraging naar de EHC, maar niet vooraleer de exemplaren met belangrijke opdrachten eruit werden gelicht (andere dedicaties zijn gefotocopieerd en toegevoegd aan het archief van de resp. schrijvers).

Opdat de informatie over de inhoud van deze bibliotheken niet zou verloren gaan, zal de elektronische catalogus van de EHC ze vermelden onder de hoofding “Bijzondere Collecties”, zodat de gebruiker kan zien wat zich in de bibliotheek van een bepaald auteur bevond. Dat is thans al het geval voor o.a. Maurice Gilliams, Roger Avermaete, Marnix Gijsen en Hubert Lampo.

Schrijversbibliotheken zijn interessant in die mate dat ze teksten bevatten die verband houden met het oeuvre van de auteur en/of biografische informatie opleveren. Dat is, helaas, niet altijd het geval – of toch niet zo dat het achteraf te achterhalen valt. Soms is het verband echter overduidelijk.

Luc Van Brabant schreef niet alleen een eigen poëtisch oeuvre bij elkaar. Hij bestudeerde ook de gedichten van de 16de-eeuwse Franse dichteres Louise Labé. Van Brabant vertaalde haar sonnetten en publiceerde verscheidene opstellen over haar leven en werk. Om zich te documenteren verzamelde hij honderden boeken over de (Franse) renaissanceliteratuur – een ensemble dat men eerder in een universitaire seminariebibliotheek zou verwachten dan in de boekenkast van een poëet.

Eugène Ioneso

Jan Vercammen speelde dan weer een centrale rol in het literaire leven van zijn tijd, maar bekleedde ook als hoofdinspecteur van het lager onderwijs in West-Vlaanderen een belangrijk ambt. Zo komt het dat vele vrienden, bekenden, debutanten en collega’s het opportuun vonden hem te verblijden met proeven van hun eigen vlijt en toewijding. Zo werd Vercammen de recipiënt van enkele honderden dichtbundels – soms door de auteur in eigen beheer gepubliceerd – met opdrachten. Hij kreeg ook dito schoolboeken en jeugdliteratuur.

Exemplaren met dedicaties houden het midden tussen een boek en een literair archiefstuk. De duizenden boeken waarin Jef Geeraerts of Tom Lanoye tijdens de Boekenbeurs hun handtekening zetten, hebben in se niet veel belang. Een schrijvershandtekening bezit alleen voor fans en andere fetisjisten een intrinsieke waarde. Ze is niet zeldzaam en ze zegt niets bijzonders.

Anders wordt het wanneer de opdracht in een boek bijdraagt tot de kennis van de biografie en/of het (verdere) oeuvre van de auteur of als ze informatie bevat die anderszins bijdraagt tot de literatuurgeschiedenis. En dat gebeurt, zij het niet zo vaak als we wel zouden willen. Exemplaren met zulke dedicaties horen natuurlijk wel thuis in het Letterenhuis.

De wereldberoemde Roemeens-Franse auteur van absurd toneel, Eugène Ionesco (1909-1994), droeg een exemplaar van zijn (door hemzelf geïllustreerd) essay  Découvertes,  in 1973 in Jeruzalem op aan de theatermaker Etienne Debel (1931-1993), de  directeur van Het Vlaamse Schouwtoneel in Brussel.

Paul Kenis

Hubert Lampo (1920-2006) dediceerde de meeste van zijn boeken aan Jos Mortelmans (1921-2010). Uit een opdracht in een exemplaar van de eerste druk van Lampo’s roman Hélène Defraye (1944) leren we dat beiden elkaar leerden kennen tijdens hun legerdienst, vlak na de Tweede Wereldoorlog. Jaren later ontmoetten ze elkaar weer op het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur (nadien ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) waar Mortelmans directeur was en Lampo inspecteur van de openbare bibliotheken.

Paul Kenis (1885-1934) signeerde in 1927 een exemplaar van het eerste deel van zijn historische trilogie Uit het Dagboek van Lieven de Myttenaere, Lakenkooper te Gent voor “den vriend Richard Minne, den baas uit den Zoeten Inval, als blijk van hooge waardeering voor deze zeer achtbare en genoeglijke staminee, waar ik steeds gaarne een uurtje doorbrengen zal.“

Kenis refereert aan Minne’s pas verschenen bundel In den Zoeten Inval en formuleert de hoop dat zijn romanpersonages in die herberg welkom zijn:

“In de hoop dat hij [Minne] mijn Lieven de Myttenaere, mijn Joos Proveyn, mijn Mayken Pelseneers, frater Pancratius en andere ras-echte, ofschoon wel wat verouderde Gentenaars, toch ook niet onwaardig zal vinden hem daar een bezoek te brengen.”

Een supplementaire “reden” voor de opdracht is de herinnering aan de “genoeglijke bureel-uurtjes, in der tijd op het zolderkamerken van de Avenue des Arts gesleten, en waar deze roman gedeeltelijk is ontstaan. Brussel, 9 Maart 1927. Paul Kenis”.

Kenis verwijst ongetwijfeld naar de korte tijd dat Minne ambtenaar was bij het Ministerie van Justitie in Brussel, waar hij om gezondheidsredenen al gauw ontslag nam. Blijkbaar deelden de twee een kantoor aan de Brusselse Kunstlaan en had Kenis daar de tijd, zo niet te schrijven, dan toch om na te denken over zijn roman.

Jan Vercammen droeg zijn lijvige dichtbundel De Parelvisscher in 1946 op aan Cyriel Verleyen (1914-1983), jeugdschrijver en vader van Knack-hoofdredacteur Frans (1941-1997) en journalist-jeugdschrijver Karel Verleyen (1938-2006).

“Gouden manen”

Op het schutblad van het exemplaar dat Vercammen aan Cyriel Verleyen schonk, schreef hij met de hand een uitgebreide dedicatie:

“Voor Cyriel en Martha / de uitverkorenen / daar hij nog niet tevreden is met pag. 11 – en zij toch ook haar deel moet hebben – ”. Vercammen heeft het over de gedrukte opdracht aan Verleyen die inderdaad geen melding maakt van diens echtgenote. Daarmee is de ironische en tegelijk tedere toon van deze opdracht gezet.

In de volgende paragrafen somt Vercammen de redenen op die hem brengen tot het schrijven van de tekst.

“Cyriel en Martha” vinden volgens hem “dat er in dit boek nog niet genoeg letters staan”. Verleyen was “de eerste […] om van dit boek te houden” en heeft als “groot-epurator” de dichter “de roede niet […] gespaard”.

Hij verwijst naar “de tweede strofe van pag. 99 – toen zij [Martha] verbolgen haar gouden manen schudde omdat hij zoo laat thuis kwam met zijn verleider, (maar het was zonder brieschen)”.

De strofe beschrijft een tocht van Vercammen en Verleyen door het Waasland: “En ik ging met mijn vriend door de dennenbosschen / nog steeds in datzelfde land van Waas / te Waasmunster – het is nu zoo ver, helaas! – / Toen bouwden glycienen hun lichtblauwe trossen. / Hun geur hield ons op aan den berkenrand / en wij roemden den vrede in ons vaderland.”

“Wat de nachtegaal in de voornacht verricht”

De opdracht, vervolgt de dichter, is ook geschreven “ter herinnering […] aan pag. 111 – wat een verdomd schoone avond was, om het nog eens in proza te zeggen”.

Het gedicht in kwestie gaat als volgt:

“Op een avond, die naar de populieren /  van tusschen de rhododendrons drong, /  toen een zuivere stem bij kaarslicht zong, / begeleid door één klavier en twee lieren,/ zei mijn vriend zeer ontroerd in een gedicht / wat den nachtegaal in de voornacht verricht.”

Ik weet niet meer,  of de maan wou schingen, /  maar de stilte der bloemen vergeet ik niet. / Con sordino klinke in dit tweestrofig lied / en men zal het een lichten alt laten zingen; / Op den horizon lag behaaglijk de Maagd, / die gevleugeld is en een velum draagt.

Vercammen was erg gesteld op Martha Verleyen “omdat ze mijn naam kan zeggen als niemand ter wereld” en omdat ze hem bij de Verleyens thuis geregeld een bed ter beschikking stelde om te overnachten – een bed “waar ge ’s nachts door valt” – waarmee Vercammen bedoelde dat het erg comfortabel was.

“Metter Sonnewende”

Maar de dichter van De Parelvisscher hij had nog redenen voor zijn dedicatie: “[om] zóó – zóóveel, waaronder vooral een schoon begrijpen van eenzame menschen en zeker […] wat op dit blad niet meer op kan / heb ik nog deze pagina volgeschreven op den Zonder der H. Drievuldigheid van het jaar O.H. 1946”.

Zoals gezegd, was Jan Vercammen ook de bestemmeling van veel opdrachten. Herman Teirlinck schreef voor hem in 1949 het volgende op het schutblad van het vijftig jaar oude Metter Sonnewende:

“Mijn waarde Vercammen,

Gij hebt mij, toen ik uw gast was te Brugge in de Bonte Hond, en gij mij hebt willen vieren bij mijn zeventigste jaarfeest, dit boekje onder ogen gebracht. Niet zonder ontroering heb ik het doorbladerd, want ikzelf bezit het niet meer.

Ik was twintig jaar oud toen ik die Metter Sonnewende ontworp. Ik zie mij in verbeelding terug vòòr het raam zitten van mijn studentenkamertje in de De Rosniestraat te Molenbeek, op de hoogste verdieping. Misschien weet gij niet dat ik onder de schuilnamen van Jeanette Nyhuis en van Jan van Overeyde de overmoedige misdaad van die sonnetten heb bedreven, en dat ik bovendien voor de versiering heb gezorgd, want de pentekeningen van Jacobyne Nyhof zijn helaas! insgelijks van mijn jeugdige hand.

Dat is nu net een halve eeuw geleden! / De hemel zegene ons allen! /  Uw toegenegen / Herman Teirlinck  / 15 maart 1949.”

Zuurvrij25

Verschenen in Zuurvrij nr. 25 van december 2013. 

[Polemiek] Focus op het schaamhaar. Kristien Hemmerechts, Michelle Martin en de literatuur.

Jan_van_Eyck_059

Ik herinner mij de woede en de verontwaardiging toen de misdaden van Marc Dutroux aan het licht kwamen. Wat ik mij nog beter herinner, is de complete hysterie die zich meester maakte van een deel van de media en van mensen die alom als tamelijk verstandig werden beschouwd.

Pedofielennetwerken, de Roze Balletten, een aantal niet-gerelateerde onopgeloste moorden, de elucubraties van Getuige X1 aka Regina Louff van wie nadien heuse romans verschenen bij uitgeverij Houtekiet en nog veel meer.

Een nationaal trauma? Wat wil dat eigenlijk zeggen? Dat veel mensen opgetogen waren over hun eigen verontwaardiging? Dat de bedenkers van complottheorieën even dachten dat men hun eindelijk gelijk moest geven? De voorlopige zwanenzang van een soort overspannen, paranoïde sensatiezucht in de gedaante van kritische onderzoeksjournalistiek?

De misdaden van Dutroux waren afschuwelijk, laten we wel wezen. Ik kan mij het verdriet van de ouders van de vermoorde kinderen gewoon niet voorstellen, zo verschrikkelijk moet het zijn geweest. Die mensen genieten mijn onvoorwaardelijke sympathie, al hebben ze daar natuurlijk niets aan.

Nieuwe politieke cultuur

De affaire-Dutroux maakte duidelijk dat het gerecht en de politie in dit land niet altijd even goed bezig waren. Even werd er zelf door zowat iedereen openlijk (nou ja) gesproken over de nefaste gevolgen van politieke benoemingen – niet ons nationaal trauma, maar wel onze nationale, doorgaans hartstochtelijk verzwegen maladie honteuse. Er was sprake van Nieuwe Politieke Cultuur (NPC, jawel!). Lang heeft een en ander evenwel niet mogen duren.

Michelle Martin, de vrouw van Dutroux, was zijn medeplichtige. Zij liet twee kinderen die opgesloten zaten in zijn verborgen kelder verhongeren. Het is zo vreselijk dat ik moeite heb om het op te schrijven. Moeite om het ook echt te geloven.

Kristien Hemmerechts heeft een roman geschreven die, naar ze zelf zegt, gebaseerd is op wat we weten over Michelle Martin. Hemmerechts heeft een en ander met taal en verbeelding uitgewerkt tot een gefictionaliseerd portret van een reëel en erg gehaat persoon. Blijkbaar wordt de schrijfster zelf door sommige lieden erg gehaat. En zo komt het dat nu een rel woedt over die de verkoop van de roman zeker ten goede komt.

Soms zijn er dingen die een mens het gevoel geven dat hij zich moet uitspreken. Ik heb dat relatief zelden, als ik mezelf vergelijk met de gelijkhebbers die geregeld ejaculeren op papieren en elektronische fora.

Recht

Waarom voel ik nu de drang? Misschien weet ik het wanneer ik klaar ben met deze tekst.

Heeft Kristien Hemmerechts, hebben schrijvers in het algemeen, het recht om zich te bedienen van een reëel, levend persoon en van reële, tragische gebeurtenissen uit de actualiteit of een recent verleden?

Ik vind van wel. Goed nadenken en elegant, met engagement en medeleven schrijven over maatschappelijke fenomenen, is – ik wik mijn woorden – een van de dingen die een schrijver tot eer (kunnen) strekken. Zijn of haar motieven zijn daarbij, idealiter, een combinatie van bezorgdheid over de wereld en een persoonlijke, morele aandrang.

Een paar jaar geleden heb ik zelf een boek geschreven over twee moorden, die ik van tamelijk nabij heb meegemaakt, en waarvan de dader of daders nooit ontmaskerd is/zijn. Het boek in kwestie, De Campusmoorden, is tot stand gekomen op vraag van VTM en van de uitgeverij Lannoo. Daar dacht men dat de Antwerpse gerechtelijke politie voor een doorbraak stond. Toen dat niet het geval bleek en toen men merkte dat ik geen real crime-boek had geschreven zoals een gerechtsjournalist dat zou doen, haakte VTM af. Ik waardeer dat Lannoo er desondanks mee is doorgegaan.

De Campusmoorden was geen commercieel succes, ten eerste omdat de misdaden die erin aan bod komen niet tot de publieke verbeelding spraken, ten tweede omdat ik als schrijver sowieso niet behoor tot de lievelingen van de zg. kwaliteitspers en ten derde omdat ik een persoonlijk boek schreef dat niet paste in de stroom publicaties die parachute- en andere moorden soms in dit land teweegbrengen.

Geld

Vind ik dat erg? Ik had graag meer exemplaren over de toonbank zien gaan, maar zo weinig waren het er nu ook weer niet. De belangeloze medewerking die ik kreeg van een heleboel mensen, het gezamenlijk ophalen dierbare herinneringen aan vrienden van wie ik veel gehouden heb – het zijn ervaringen die ik voor geen geld zou willen missen. En voor mij, “als schrijver”, was De Campusmoorden behalve een emotionele rollercoaster een experiment.

Ik heb ook moeten horen dat ik het voor het geld deed en dat ik nog allerlei andere onzuivere motieven had. Dat hoort bij het vak en het laat mij, naarmate ik ouder word, steeds sneller Siberisch.

Ik ben dus de laatste om te beweren dat Hemmerechts geen roman over Michelle Martin had mogen schrijven. Een deel van de irritatie die zij opwekt, heeft te maken met het feit dat veel mensen nog altijd niet goed begrijpen dat een roman een roman is, d.w.z. fictie, een werk van de verbeelding, ook als hij geïnspireerd is door “echte” feiten en personen. Dat de schrijver zijn visie, zijn interpretatie, zijn inschatting verwoordt, zonder te beweren dat het om de Waarheid met een grote W zou gaan. En dat het belang van een roman weinig met waarheidsgetrouwheid te maken heeft. Wie die Waarheid wil verkondigen doet dat meestal (en best) niet met een roman.

Maar goed – het blijft allemaal delicaat.

Dat de ouders van de vermoorde kinderen niet gelukkig zijn, is menselijk. Maar, hoe je het ook draait of keert, hun tragiek maakt deel uit van het publieke domein. Daar hebben ze destijds zelf hard aan meegewerkt. Ik twijfel niet aan hun verdriet en aan hun oprechtheid, ik constateer een realiteit. Ook Michelle Martin behoort door haar notoriété tot dat publieke domein.

De beste verhalen

Tegelijk vind ik dat schrijvers, maar ook makers van films en televisieseries, zich in het algemeen best wat terughoudender opstellen wanneer ze over mensen schrijven die nog “onder ons” zijn. Niet alleen om evidente redenen van privacy, maar ook omdat ze reële toestanden vaak aangrijpen om hun eigen gebrek aan inspiratie te verdoezelen.

De beste verhalen zijn nog altijd verzonnen verhalen.

Heeft Kristien Hemmerechts een gemakkelijke weg naar succes en hoge verkoopcijfers gekozen?

Ik heb haar boek nog niet gelezen en ik ken haar motieven niet. Ik kan mij er dus niet over uitspreken. Hemmerechts verdient, wat mij betreft, het voordeel van de twijfel. Haar uitgever zal wel dollartekentjes in zijn ogen hebben, maar dat is des uitgevers rol. Wil de schrijfster geld verdienen met haar roman? Allicht, maar een schrijver mag betaald worden voor zijn labeur. En iedere schrijver, dat is de aard van het beestje, wordt liever gelezen dan niet.

Wat mij cynisch stemt, is dat dezelfde media en middens die al decennia het mooie weer maken in onze letteren en Hemmerechts (net zoals bijv. Brusselmans) als Opsinjoorke hebben omhooggesmeten, die haar nu met de grond willen gelijk maken. Dat is op zijn minst inconsequent. “Het een is ’t een en het ander is ’t ander,” zoals mijn Bomma altijd zei. Voor de Nederlandse lezertjes: van twee dingen een. Of is dat ook Vlaams?

Als Hemmerechts een slechte, grijpgrage, mediageile tante is, dan hebben De Morgen, De Standaard, de Humo en those who sail in them ons dertig jaar lang voor de aap gehouden. En dan vraag ik mij af waarom de linkse literaire kerk in Vlaanderen opeens besloten heeft haar alsnog in de ban te doen.

Pijnlijk

Ik ben de zoon van een man die honderdduizenden exemplaren verkocht, maar halverwege zijn leven genadeloos uit de literaire canon werd geschopt. Dat maakte van mijn vader iemand die weliswaar doorging op de weg die hij gekozen had (of die zijn natuur voor hem had uitgestippeld), maar die niet begreep wat men hem verweet en daar boos en verdrietig van werd. Waardoor hij dingen zei en deed die zijn tegenstanders in hun handjes deden wrijven van plezier.

Pijnlijk allemaal.

Voor mij een subjectieve reden om mee te voelen met Kristien Hemmerechts.

Alleen, zo simpel is het natuurlijk nooit.

Ik koester respect voor mensen die boeken schrijven. Maar ik ben nooit een uitgesproken fan van Kristien Hemmerechts geweest. Daar wil ik niet flauw over doen. In 1987 was ik zowat de enige Vlaamse recensent die durfde schrijven dat hij haar debuut niet goed vond. Terwijl Vlaamse professoren (van CVP-signatuur) tot op de pagina’s van Vrij Nederland over elkaar heen vielen om te vertellen hoe geniaal en grensverleggend het boekje was. (Aan de andere kant: ik was anno 1993 of 1994 – samen met collega Els Groessens – ook de eerste die haar interviewde voor De Standaard der Letteren, toen nog zeer tegen de zin van enkele oudere redacteuren.)

Ik heb ook gezien hoe enthousiast dezelfde powers that be (were?) juichten toen Hemmerechts samen met echtgenoot Herman De Coninck plaatsnam in een bad om zich zo te laten fotograferen (voor Knack Weekend, meen ik). Of hoe de schrijfster uit de kleren ging en full frontal plaatsnam tussen de kolommen van o.m. De Standaard. Er werd een fotografiecriticus – jawel, die bestaan! – bijgehaald om uit te leggen dat het niet om een blote schrijfster ging, maar om een geniale foto, waarvan de maker had scherpgesteld op haar schaamhaar.

Intussen bleven haar boeken grenzen verleggen en bestsellerlijsten beklimmen.

Verboten

Om een lang verhaal kort te maken: Hemmerechts is iemand die vaak haar best doet om in de belangstelling te komen en dat op een manier die weinig met werkwoorden of metaforen te maken heeft. Waarbij de eerlijkheid gebiedt te nogmaals te benadrukken dat zij daarin altijd door haar vriendjes en fans werd aangemoedigd en dat het lang Verboten was om daarmee te lachen.

Wie daar nu ineens niet meer tegen kan, moet maar een serieuze, goed onderbouwde recensie schrijven waarmee hij aantoont dat Hemmerechts’ laatste geen goed boek is. Of overgaan tot intelligente satire.

Het gaat om de bal, niet om de vrouw.

Ik ben zelf een man, dus ik belijd liever geen feminisme – niemand zou mij geloven. Toch vermoed ik dat onder en achter alle verontwaardiging over Hemmerechts een muffe vrouwonvriendelijkheid schuilgaat die vandaag wel vaker opwalmt uit een debat dat beheerst wordt door mannetjesputters met veel borsthaar – het soort dat ik associeer met Humo, P-Magazine, Het Nieuwsblad en helaas ook met de openbare omroep. Er moet een reden zijn waarom mijn onderbewustzijn dat sprongetje telkens weer maakt.

Heeft een boekhandelaar het recht een boek uit zijn rekken te weren? Natuurlijk. Maar van daar naar de herleving van het Lectuurrepertorium van kanunnik Joris Baers is toch maar een stap.

Zou het dan toch waar zijn dat veel progressieve Vlamingen eigenlijk gewoon een nieuw model katholieken zijn? Tjeven met airco en cruise control? Of beter, bakfietsen in plaats van pastoorsfietsen?

Exotisme

Dat de Hollanders over de jongste Hemmerechts uit hun bol gaan, heeft dan weer veel, zo niet alles te maken met hun waanideeën en vooroordelen over dit ongelukkige land. Die bestaan omdat Nederlanders nog altijd weigeren zich te verdiepen in wat werkelijk speelt bij ons, hun zuiderburen. Ze begrijpen niets van onze geschiedenis, onze vorm van verzuiling, onze politiek of onze stammentwisten. Die interesseren hun ook niet echt.

Wanneer ze naar ons kijken, doen ze dat met een welwillende, kolonialistische blik. Omdat ze ons exotisch vinden. Alleen daarom kon Claus’ Verdriet van België hun doen geloven dat elke Vlaming een collaborateur uit Kortrijk is.

Quod non.

Drie romans van Hubert Lampo als e-book bij Meulenhoff

De komst van Joachim Stiller

De komst van Joachim Stiller verscheen voor het eerst in 1960, en is sindsdien uitgegroeid tot een van de grote klassiekers van de Nederlandse literatuur. Het is de indrukwekkende en raadselachtige geschiedenis van journalist Freek Groeneveld en zijn geliefde Simone Marijnissen, die voorspellende boodschappen ontvangen van Stiller, de mysterieuze hoofdpersoon. Zijn zij het slachtoffer van een practical joke? Van een geestelijk gestoorde?

Uitgave: Gebonden met stofomslag Prijs: € 17,95
Ook verschenen als:

Delen

Share on twitter                          Share on hyves                          Share on facebook 

Terugkeer naar Atlantis

Na het overlijden van zijn moeder komt de Vlaamse arts Christiaan Dewandelaer erachter dat zijn vader niet is overleden, zoals hij altijd heeft gedacht, maar met de noorderzon vertrokken. Als hij gaat graven in het verleden ontdekt hij steeds meer over de geheimzinnige verdwijning van zijn vader en diens grenzeloze belangstelling voor het verdwenen eiland Atlantis. Maar terwijl hij door zijn jeugd grasduint komen er ook herinneringen naar boven aan Eveline, zijn eerste vriendinnetje. Hij realiseert zich dat zij het enige meisje is waarvan hij ooit heeft gehouden en besluit haar op te zoeken.

Bestel deze titel

Uitgave: e-book met social drm Prijs: € 9,99

Delen

Share on twitter                          Share on hyves                          Share on facebook 

Een geur van sandelhout

Hubert Lampo

Met twee vrienden uit de film- en televisiewereld keert een schrijver ’s nachts terug uit Parijs. Als hij afscheid van hen heeft genomen wordt hij plots gegrepen door een ander bestaan. Zo beleeft hij gedurende enkele uren een leven dat hij, als de omstandigheden anders waren geweest, geleid zou kunnen hebben.

Een geur van sandelhout is een verrassende roman over de gevolgen van verschillende werkelijkheden die door elkaar heen lopen.

Hubert Lampo (1920-2006) debuteerde op tweeëntwintigjarige leeftijd en brak door met met De komst van Joachim Stiller (1960). Zijn werk is vertaald in het Engels, Hongaars, Zweeds, Pools, Spaans, Tsjechisch, Russisch, Italiaans en Portugees.

Bestel deze titel

Uitgave: e-book met social drm Prijs: € 9,99

Delen

Share on twitter                          Share on hyves                          Share on facebook 

In het Spoor van de Academie – persbericht

Sporen222

Het MAS huldigt 350 jaar Academie met het boek:  In het spoor van de Academie. Kunsten in Antwerpen.

In het spoor van de Academie. Kunsten in Antwerpen. vertelt over 350 jaar bewogen geschiedenis van leerlingen en leraren aan de Antwerpse Academie. Het is een Antwerps verhaal van grote en minder grote kunstenaars die talrijke sporen nalieten in het stadsbeeld en in de vele erfgoedcollecties. Samen met de catalogus vormt deze MASbooks uitgave de ideale gids bij de tentoonstelling Happy Birthday Dear Academie, van 8 september 2013 tot 26 januari in het MAS.

In het spoor van de Academie

In 1663 sticht David Teniers in Antwerpen een Academie waar jonge kunstenaars leren tekenen en boetseren. De op twee na oudste kunstschool in Europa bestaat nog altijd. 350 jaar later neemt historicus en schrijver Jan Lampo de lezer mee doorheen de geschiedenis van de Academie: naar de stichting van de school, de drukke klassen van de Academie en de vergaderzaal van het schildersgilde in de Beurs. Tijdens het woelige tijdperk van de revoluties verhuist de Academie naar het franciscanenklooster in de Mutsaardstraat. Later passeren er romantische schilders als Wappers, De Keyser en Leys de revue. Op het einde van de 19de en het begin van de 20ste heerst het conservatisme op de Academie. Maar de leerlingen ondergaan toch de invloed van de buitenlandse avant-garde. Na de Tweede Wereldoorlog breekt dan, geleidelijk, de tijd van de ‘hedendaagse’ kunst aan.
Korte uitwijdingen over ‘Vrouwen in  de Academie’, ‘Kunstenaars in de kerk’ of’ Op het kerkhof’ en bondige portretten van grote namen als Niçaise De Keyser, Mathieu Van Brée , Charles Verlat en Florent van Ertborn kleuren het geheel.

Aan de hand van het historische verhaal van de Academie volgt de lezer het spoor van de Academie. Het is een spoor bezaaid met een weelde aan artistiek en ander erfgoed. Het MAS, de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, het Letterenhuis en de Collectie Antwerpen maakten uit de talloze Academiesporen een gevarieerde selectie: iconische maar ook bescheiden schilderijen, beeldhouwwerken, bouwwerken, tekeningen en documenten. Ze bepalen (het aangezicht van) de stad, zowel in de publieke ruimte als binnenskamers in kerken en musea.

Twee publicaties: één groot verhaal

In het spoor van de Academie biedt de context voor de tentoonstellingscatalogus Kunst | Antwerpen | Academie |350, de catalogus bij de tentoonstelling Happy Birthday Dear Academie in het MAS. Beide publicaties vormen de perfecte combinatie voor wie de Antwerpse Academie in al haar facetten wil ontdekken.

 

Praktisch

Jan Lampo, In het spoor van de Academie, BAI MASbooks uitgave, 12 x 16,7 cm;  176 p.;  geïllustreerd, kleur; 14, 50 Euro

In pakket met  de tentoonstellingscatalogus  Kunst | Antwerpen | Academie | 350: 39, 50 Euro

Verkrijgbaar: MASshop, Academie voor Schone Kunsten Antwerpen (Bar ‘Ac), Stadswinkel, de betere (Antwerpse) boekhandel.

                       

Schilder in Pompeï. Het archief van Mathieu Ignace van Brée in het Letterenhuis.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het Letterenhuis (foto Jan Lampo).

Dit jaar viert de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen haar 350ste verjaardag. Het Letterenhuis bezit veel materiaal met betrekking tot de school en de kunstenaars die er werkten. Daartoe behoren enkele tientallen brieven en handschriften van de neoclassicistische schilder Mathieu Ignace van Brée (1773-1839). Van Brée was tot aan zijn dood in 1839 directeur van de Academie.

Vandaag is de kunstenaar zo goed als vergeten, maar in zijn tijd geniet hij de gunst van Napoleon en van koning Willem I. Door de publicatie van een monumentale Cours de Dessin verwerft hij bovendien veel invloed als tekenpedagoog.

De methode-Van Brée weegt zeker tot het derde kwart van 19de eeuw op het kunstonderwijs. Haar praktische toepassing beschrijft Hendrik Conscience in zijn roman Hoe men schilder wordt (1843). Van Brée is in Antwerpen ook de eerste om een historiserend schilderij met een tafereel uit de vaderlandse geschiedenis te borstelen.

Van Brée studeert van 1783 tot 1794 aan de Antwerpse academie. Dan vertrekt hij naar Parijs. In 1795 eindigt hij tweede in de wedstrijd voor de Prix de Rome, die opnieuw is ingesteld door Eerste Consul Bonaparte. Dan keert hij terug naar Antwerpen om in 1798 “professeur-adjoint de la classe de dessin” te worden. In 1804 krijgt hij een aanstelling tot voltijds leraar.

Tijdens het bezoek van Bonaparte aan Antwerpen in 1803, bestelt deze laatste bij de kunstenaar De Intrede van de Eerste Consul te Antwerpen. Van Brée heeft vier jaar nodig om het werk te voltooien.

Reportagestukken

In de Hollandse tijd blijft Van Brée dit soort “reportagestukken” maken, maar dan voor de Oranjes. Hij ontpopt zich tot een groot voorstander van het nieuwe regime. De schilder raakt bevriend met dichter en literatuurhistoricus Jan-Frans Willems, omstreeks deze tijd actief als bestuurslid van de Société royale pour l’Encouragement des Beaux-Arts en weldra ook van de Academie.

In 1818 publiceert Willems het lange gedicht Op het voortreffelijk Schilderstuk van Mijnheer M. Van Brée, verbeeldende de standvastigheid van den burgemeester Van de Werff. Ook de Nederlander Bilderdijk wijdt verzen aan Van Brée.

Na 1830 revolteren de jonge romantische schilders tegen Van Brée, van op veilige afstand aangestuurd door leraar Gustaf Wappers. Die laatste droomt ervan de directeur op te volgen. Hendrik Leys wordt van de academie weggestuurd na een opmerking over de ouderwetse kniebroek van Van Brée. Toch geniet de schilder ook sympathie. Hij blijft in het Nederlands doceren en dat is naar de zin van de eerste flaminganten.

De directeur waagt zich in zijn vrije uren aan de literatuur. Van zijn hand is het blijspel Brouwer’s gevangenis op het kasteel van Antwerpen over de 17de-eeuwse schilder Adriaan Brouwer. De vrijzinnige toneelschrijver Emmanuel Rosseels publiceert de tekst in 1849, tien jaar na Van Brée’s dood. Of gaat het om een alsnog onopgeloste mystificatie?

 Aca5

 Mathieu Ignace Van Brée door Jan-Baptist De Cuyper, standbeeld in wit marmer. Deze foto is enigszins verouderd, want sinds juni heeft Van Brée dank zij de afdeling Conservatie en Restauratie zijn verloren handen terug (foto Jan Lampo).

Postuum blijft Van Brée tot de verbeelding van schrijvers spreken. Zijn uitvaart vindt plaats op het Sint-Willibroduskerkhof. Na de officiële Franse redevoeringen stapt de jonge Conscience naar voren en spreekt namens de romantici een gloedvolle redevoering uit. Dat betekent meteen zijn terugkeer naar het publieke leven na de depressie die hem overmand heeft als gevolg van het geringe succes van De Leeuw van Vlaanderen.

In 1852 onthult men in de aanwezigheid van minister Charles Rogier in de vestibule van het Museum van de academie een marmeren standbeeld van Van Brée van de hand van de pas overleden Jan-Baptist de Cuyper. Schrijver en journalist Lodewijk Gerrits publiceert “op last der Commissie van het Standbeeld” een Levensbeschrijving van M.I. Van Brée.

Niet iedereen is het eens met Gerrits’ lofzang. Eugeen Zetternam (1826-1855) laat nog hetzelfde jaar het essay Bedenkingen op de Nederlandsche Schilderschool verschijnen. Daarin rekent hij af met Van Brée’s postume reputatie. Zetternam verwijt de schilder het on-Vlaamse karakter van zijn kunst, fulmineert tegen zijn restauratie van oude meesters en ontkent zelfs zijn verdiensten als leraar.

Dagboek

Hoe de papieren van Van Brée in het Letterenhuis terechtkwamen, is niet duidelijk. Het staat vast dat directeur Ger Schmook veel belangstelling koesterde voor de vroege 19de eeuw. Met Hoe Teun den Eyerboer in 1815 sprak tot de burgers van Antwerpen (1942) schreef hij een erudiet boek over het begin van de Rubenscultus en het Vlaamse kunstleven omstreeks 1815. Van Brée komt uitgebreid aan bod. Schmooks interesse verklaart alvast de aanwezigheid van fotografische reproducties van brieven die Van Brée schreef aan o.a. Johann Wolfgang von Goethe.

Het archief-Van Brée omvat ook notities en een dagboekje. Men vindt enkele korte teksten over het tekenen van de menselijke gelaatsuitdrukkingen, waaronder een velletje Over het laggen [lachen]:

“Zoo haest als men lagt is ’t voor zeker dat den mond grooter wort en genegen is om te openen en het agtersten deel zig naer boven keert, de kaek verheft haer tot tegen de oog waer door de ogen klijnder worden” (spelling was niet Van Brée’s sterkste kant). Maar de tekenaar moet oppassen, zegt hij, want als iemand lacht om wat hij ziet blijven zijn ogen groter dan wanneer hij lacht om iets wat hij hoort…

“Dat gij voortaan mo[o]gt gelukkiger zijn als deze beklagens Waardige kunstenaars,” zo besluit de schilder een oproep richt tot de leerlingen van de academie om geld te geven voor armlastige oud-studenten, “deze ongelukkige kunstenaars, die ook eens op deze Akademie Leerling hebben geweest”.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Handschrift van M.-I. Van Brée (foto Jan Lampo).

Al zet Schmook hem in zijn Teun den Eyerboer weg als een politieke opportunist, Van Brée is een sociaal bewogen man en bezeten door (kunst)onderwijs. In de Franse tijd runt hij in zijn huis een schooltje waar hij kansarme kinderen gratis lager onderwijs geeft en hen voorbereidt op studies aan de academie.

Andere documenten bevatten overwegingen van Van Brée bij pogingen om de academie te hervormen. Zo vindt hij het van kapitaal belang dat de directeur van de school een (historie)schilder is. Van een bureaucraat aan het hoofd wil hij niets weten.

Ferdinand De Braekeleer

Wanneer in 1817 de prinses van Oranje in Brussel bevalt van een zoon, is de “premier professeur” er als de kippen bij om de leerlingen bijeen te roepen en hun het heuglijke nieuws te melden. “Un évènement qui consolide le bonheur des habitans [sic] du royaume,” noemt hij het. Van Brée is uiteraard tweetalig. Zelfs aan Jan-Frans Willems schrijft hij in 1822 een Franse gelukwens bij zijn aanstelling tot ontvanger van de registratie in Antwerpen.

Het is van in de 16de eeuw gebruikelijk dat kunstenaars naar Italië reizen, bij voorkeur vlak na hun opleiding. Van Brée is 47 eer hij de kans krijgt. Hij reist in het gezelschap van zijn oud-leerling Ferdinand de Braekeleer.

  De schilder voelt zich gelukkiger en creatiever dan ooit tevoren. Dat blijkt uit de brieven aan zijn vrouw Thérèse. Naast enkele autografen zijn er twee copies van omstreeks 1900. Van Brée, die Thérèse met “vous” aanspreekt, schrijft nuchter maar liefdevol (ik vertaal): “Het mag waar zijn dat de liefde met de jaren vermindert, maar de vriendschap veroudert niet. Het is als vriend dat ik tot u spreek en uw vriendschap is het die ik wil bewaren.”

Een andere brief herinnert Thérèse aan het carnaval het jaar voor hun huwelijk “toen wij samen rondliepen als kinderen of naar het gemaskerd bal gingen in de Conijnepijp [een herberg]”.  Van Brée voegt eraan toe – opeens zegt hij “toi” – “voor mij zijn die tijden voorbij en zonder jou werkt dit soort luidruchtig amusement op mijn zenuwen; het vergroot mijn verlangen om mijn atelier weer te zien.”

Hij heeft hij ook over “notre Jules”, hun zoon, die best stage zou lopen “aux bureaux de M. Willems”. Vermoedelijk betreft het ook hier de Vader van de Vlaamse Beweging.

Vesuvius

Ondanks vreugde om de nakende terugkeer, noteert de schilder: “Nooit heb ik met meer plezier en meer moed gewerkt” en over zijn recente tekeningen en schilderijen zegt hij: “ik had ze nooit gemaakt als ik in Antwerpen was gebleven. ”

Aan burgemeester Floris van Ertborn, die bekendheid verwerft als een van de eerste verzamelaars van Vlaamse primitieven, meldt de kunstenaar: “Ik ben al enkele dagen in de omgeving van de Vesuvius. Sta mij daarom toe dat ik u vanuit Pompeï schrijf, terwijl ik de muren zie blootleggen van een nieuw plein dat men heeft ontdekt. U kunt zich voorstellen hoe ik geniet in deze gewesten, waar ik niets anders zie dan wonderen van de kunst en de natuur.”

Het reisdagboek van Van Brée biedt jammer genoeg niet veel persoonlijks. De kunstenaar noteert vooral welke schilderijen hij ziet. Zijn slordige handschrift maakt de lectuur van het schriftje – oorspronkelijk moeten er meer zijn geweest – allesbehalve gemakkelijk. Toch vormt het Van Brée-archief in het Letterenhuis een onmisbare bron voor leven en werk van een schilder-pedagoog die een vooraanstaande rol speelde in het artistieke leven ten tijde van de ontluikende de romantiek.

Verschenen in “Zuurvrij” nr. 24 van juni 2013.