Recensie – Franstalige Antwerpenaars wijken uit naar VS in 1794

Soms verschijnt een historisch boek dat de lezer een directe kijk gunt in het denken en handelen van mensen van vroeger. Dat is het geval met L’Épopée américaine de la Famille Stier d’Anvers door de Franstalige Antwerpse juriste en cultuurhistorica Jacqueline Letzter (1955).

Wanneer de Franse revolutionaire legers in 1794 de Oostenrijkse Nederlandenbinnenvallen, vluchten vele edellieden, ook uit Antwerpen. De meesten belanden in Duitsland. De grote uitzondering vormt het gezin van Henri Stier d’Aertselaer en zijn vrouw Marie-Louise Peeters. Zij wijken uit naar de Verenigde Staten. Ze nemen de beroemde schilderijencollectie van de Peetersen mee, waarover Henri Stier zich ontfermt sinds de dood van zijn schoonvader in 1786.

Tot het reisgezelschap behoren zoon Charles die op zijn beurt uitgroeit tot verzamelaar en kunstkenner, zijn vrouw Marie Joséphine (“Mimi”) van Havre, en de twee dochters, de 16-jarige Rosalie en de tien jaar oudere Isabelle, getrouwd met Jean Michel van Havre.

Op Mimi na, keren de Stiers onder Napoleon terug naar Antwerpen. De peripetieën van het gezin geven aanleiding tot een uitgebreide correspondentie tussen de leden, die de Antwerpse archivaris Alfons Bousse in de jaren 1970 terugvond en waarop Letzter zich baseert.

De collectie die de Stiers meenemen naar Amerika bestaat uit minstens 63 schilderijen van o.a. Rubens, Van Dyck, David Teniers de Jonge, Jan I Breugel, Titiaan en Rembrandt. Maar L’épopée américaine gaat over veel meer dan kunst. De Stiers sluiten vriendschap met de top van de politieke wereld en dineren met George Washington.

Het echtpaar bouwt in de omgeving van de hoofdstad een schitterend landhuis. De familie wordt geconfronteerd met de slavernij. Charles ziet zich genoodzaakt om zijn boterham te verdienen – adellijk nietsdoen is in Amerika onbekend en ongewenst. Maar dat is niet zo gemakkelijk als hij denkt. De vrouwen van de familie schrijven over danspartijen en kinderen, maar ook over boeken en zakelijke aangelegenheden.

 De brieven die ontstaan na de terugkeer van de Stiers in het Napoleontische Antwerpen, roepen de sfeer op van familiebijeenkomsten, theaterbezoeken en vertrouwen in de Eerste Consul. Interessant is ook te zien dat de hogere klassen anno 1800 volledig verfranst zijn en zich daar geen vragen bij stellen. De Stiers schrijven trouwens goed Frans, zonder fouten, en geven blijk van een grote vertrouwdheid met de politieke denkbeelden en de literatuur van hun tijd.

Jacqueline Letzter. Entre deux Mondes. L’épopée américaine de la famille Stier d’Anvers. Brussel, Académie royale de Langue et de Littérature françaises de Belgiques en Éditions Racine, 2011. Paperback, 229 blz., zwart-wit illustraties, ISBN978-2-87386-681-5.

Literatuur – Van “kakkentisten en artisten” . Het Sint-Luybrechtsgilde of het geheime oeuvre van Theodoor van Rijswijck.

Wy krauwen en spouwen

In speekzel en zyk,

En rekken en trekken,

Op eens na den Dyk.

Dan vragen en plagen

Wy teven en hoer,

En neuken in keuken

Op tafel en vloer.

Wy neuken en beuken

De wanden in ’t rond

En reuselen neuzelen

Een hoer in haer kont.

Anoniem gedicht in Archiven van de Sint Luybrechtsgilde

Omstreeks 1835, twee jaar voor Hendrik Conscience In ’t Wonderjaer publiceert, behoort een aantal van zijn Antwerpse vrienden tot het Sint-Luybrechtsgilde. Dat is een informeel clubje van kunstenaars. Ze treffen elkaar in de bekende herberg Het Roosken aan de Gildekamersstraat “agter het stadhuys”.

Spilfiguur van dit “deftig gezelschap” is de dichter en flamingant Theodoor Van Rijswijck (1811-1849). Van zijn hand is het merendeel van de gedichten, opgetekend in De Archiven van de Sint-Luybrechtgulde, een ingebonden handschrift dat sinds 1934 in het Letterenhuis berust.

Waar de naam van het gilde precies vandaan komt, blijft onduidelijk. De titel van het schrijfboek is gekalligrafeerd in grote gotische letters – die zijn in de jaren 1830 erg in de mode. Daaronder is met zorg het wapenschild van de club geschilderd. Op een rode achtergrond prijken twee gekruiste tabakspijpen.

Van Rijswijck in zijn interieur, door Carolus Louis Antoine (Letterenhuis).

Links ziet men een takje met een pruim (een verwijzing naar het vrouwelijk geslachtdeel), rechts een jeneverkelk. Het schild wordt bekroond door een hoed met daarop het woord “Libertas”, Latijn voor “vrijheid”. Het devies van de vereniging luidt: “Kort is het leven – zoet is de vreugd”.

“Toen sloot zich de trut en de lul stond verslagen / En zag dat de trut geen goesting en had.” – “Die niet en schijt, die moet kapot!” Een paar willekeurige verzen (de eerste twee van Van Rijswijck) illustreren waarover de teksten in het dikke schrijfboek handelen – seks, stront en in mindere mate “kwak” of jenever.

De inleiding voert Van Rijswijck op als stichter van het genootschap. “Altoens telde men in de Sint Luybrecht Gulde een aental zeer uytmuntende kakkentisten, artisten en Luybrechten,” lezen we.

Theodoor Van Rijswijck (Letterenhuis).

Waar de namen van de andere leden stonden, heeft een bezorgde hand een laag papier afgeschraapt. Gelukkig lezen we verderop dat het “altemael felle goede mannen” zijn en staat onder nogal wat gedichten de (voor)naam van de auteur. Waar mogelijk noteerde een andere, even geheimzinnige hand (die van Ger Schmook, eertijds directeur van het Museum van de Vlaamsche Letterkunde?) daar een familienaam bij.

De Theodoor “den Door” Van Rijswijck die men hier leert kennen, is veel stouter dan de overlevering en zijn eerste biografen hem voorstellen. Maar zijn verzen zijn beter en zijn humor is (iets) subtieler dan die van zijn vrienden. Dat blijkt o.m. uit zijn spotzieke en zéér oneerbiedige Sodoma, een navertelling van het bijbelse verhaal van Lot. Over de inwoners van Sodom vernemen we:

“Zy zochten nimmer naer een meisje

Als wy, geheel nachten rond

Maer zaten doorgaens ’t liefst van allen

Elkanderen agter in de kont.”

Braver is het gedicht Verhuys – zijn laatste – dat Van Rijswijck schrijft wanneer Angélique, de alom bewonderde caféhoudster van Het Roosken, de Gildekamersstraat verlaat en De Faem opent aan de Grote Pieter Potstraat, zodat ook de Luybrechten moeten verhuizen.

Vaerwel dan kamer lief

Met uw antieke stukken,

Met al uw kwak gerief,

Dat ons zoo kon verkwikken.

[…]

Wy trekken dan ook mee

Het zyn de laetste ueren.

’t Is voor de laetste mael

Dat wy ons klooten schueren.

Maer tot de naeste week,

Dan vangt het ginder aan.

Daer zal een enkel fles

Voor onzen inkoom staen.

Wy mannen blyven aen een,

Wy minnen het plaisir.

Wy doen ons klooten deugd

In schiedam en in bier.

Vaerwel dan klyn locael

Dat wy uw salueren.

God weet of geenen paep

Hier, naer ons komt logeeren.

[…]

Wy trekken haest van hier

Met onze klootery

Naer Sint Andries kwartier.

Na “den Door” blijkt het productiefste lid van het Sint-Luybrechtsgilde Willem-Jozef Vertommen (Aarschot, 1815-ca. 1860), schilder van interieurs en genretaferelen. Vertommen studeert aan de Antwerpse academie bij Ferdinand De Braekeleer en wordt lid van De Olijftak.

Net als Van Ryswyck ontwikkelt hij een drankprobleem. Vertommen verlaat Antwerpen in 1846 en gaat aan de slag in drukkerijen die lithografieën produceren, eerst in Brugge en dan in Brussel. Hij wordt blind en sterft naar verluidt omstreeks 1860 in bittere armoede.

Van Vertommen zijn de onsterfelijke verzen:

Waerom toch die freetpartyen

Van rosbief en carmeneyen?

[…]

Alles dient om strond te maken!

Van Edouard Gevers – telg van de bekende Antwerpse familie waaruit ook de Franstalige schrijfster Marie Gevers (1883-1975) stamt? – zijn in De Archiven van de Sint-Luybrechtgulde verscheidene gedichten opgenomen.

Andere teksten werden geschreven door de onbekenden “Sus Carpentier”, “Nys”, “Kistemakers”, “Thomas” en een zekere De Haes. Een parafrase in Brussels dialect van de beroemde fabel van Jean de La Fontaine over de vos en de raaf is van de hand van Victor – eigenlijk: Vincent – Joli (1807-1870).

Joli publiceert in 1835 een historisch drama over Artevelde. Vijf jaar nadien volgt de roman Siège de Maestricht sous Alexandre Farnèse, duc de Parme en 1579. Joli schrijft ook een veelgelezen boek over de Ardennen.

Hij is bevriend met de Franstalige Leuvenaar Eugène Gens, dichter en auteur van een soms fantasierijke Histoire de la Ville d’Anvers (1861). Joli is ook een verdienstelijk schilder en etser.

De Luybrechten profileren zich als uitgesproken antiklerikaal, wat des te meer opvalt omdat het “unionisme” van katholieken en liberalen voorlopig nog altijd hoogtij viert in het jonge België. Ze behoren hiermee tot een in Vlaanderen nauwelijks in kaart gebrachte “vrijzinnige” traditie die allicht teruggaat tot de Brabantse Omwenteling van 1790.

Uitgesproken politieke gedichten bevat de bundel niet, maar er wordt uitgebreid de spot gedreven met “Sterkus”, i.e. aartsbisschop Engelbertus Sterckx (1792-1867), vòòr 1832 pastoor deken van Antwerpen, en burgemeester Gerard Le Grelle (1793-1871).

Burgemeester Gérard Le Grelle.

Sterckx zet zich in voor de herinrichting van het katholiek onderwijs en voor de katholieke universiteit die is opgericht in Mechelen en nadien naar Leuven verhuist. In 1838 wordt hij kardinaal.

Jonkheer Gerard Le Grelle, in functie van 1831 tot 1848, stamt uit een bankiersfamilie die in 1794 is geadeld door de Oostenrijkse keizer Frans II. De uitgesproken katholiek Le Grelle heeft dertien kinderen. In 1835 keert hij zich tegen subsidies voor de Franse schouwburg omdat hij die als een oord van verderf beschouwt.

Tegelijk steunt hij goede werken en neemt als burgemeester adequate maatregelen tegen de ergste vormen van armoede na de revolutie van 1830. Le Grelle beschermt ook de schilder en latere academiedirecteur Niçaise De Keyser. In 1852 verleent de paus hem de titel van graaf omdat hij zijn klanten in de loop der jaren veel Vaticaans staatspapier heeft verkocht.

Vertommen schrijft een gedicht waarin de aartsbisschop bij de vrouwtjes is geweest zodat hij platzak is en voor een lening aanklopt bij de bankier. Hoewel de “e”’s uit de naam Le Grelle zijn weggelaten, kan de (voor)lezer zich onmogelijk vergissen in diens identiteit.

Sterkus den verloren kost

Had gevost,

In kroegen en in kasten

[…]

Maer zyn centen schoven fel

En toen ging hy naer L gr l

Over zynen nooddruft klagen.

En een luttel duiten vragen

Om naer huis te kunnen gaen.

Zoo gezeyd en zoo gedaen:

En beloofde hem op het leven

Van die somme weértegeven

Hy zwoer het op zyn woord van eer.

Ja, zei L gr l voor dezen keer

‘k Hou anders niet van leenen

’t Valt my zoo hard als steenen

Zeg Buskop lief wat deed gy met uw geld

Waer hebt ge’t zoo verspeld?

Wel ‘k heb daer liggen neuken

In ’t wynhuis in de keuken

Gy neuken wel Godome dat is laf

Wat dat ge doet, ga speelt hem nu wat af.

Ook met Hendrik Conscience en diens jeugdvriend de dichter en latere politicus Jan-Alfried De Laet wordt in De Archiven de draak gestoken – maar minder uitgebreid. In zijn Redevoering bij zijne aenneming tot Lid der Gulde zegt “De Haes”:

“[…] ik heb in mijn leven […] maer eens versen gemaekt en dat waren stront versen, en die een dubbel regt op dien titel hadden, ten eersten om dat er van Jan de Laet en Conscience ingesproken werd, en voorts om dat [ik] er myn gat mede gevaagd heb.”

Men kan daaruit afleiden dat het stuk van omstreeks 1847 dateert, toen de tegenstellingen tussen de “katholieken” Conscience en De Laet en hun “liberale” vrienden aan de oppervlakte kwamen.

De jonge Conscience, door Xavier De Cock (Letterenhuis).

De inleiding tot het handschrift besluit met de “vervloeking” van de vijanden van Theodoor Van Rijswijck. Zij worden niet bij naam genoemd.

“Haet en vloek op de ellendige die door hunne afgunstige vervolgingen, het leven zoo verbitterden van onzen geliefden Meester en Président Th. Van Rywyck, dat Hy er van op [sic] een kwyning [kreeg] en ten laesten ontroofd [werd] van den uytmuntenden geest die hem bezielde overleed den 10 mey 1849.” Het handschrift waarin een anonymus de nalatenschap van het Sint-Luybrechtsgilde bijeenbracht, is dus allicht kort na Van Rijswijcks dood ontstaan.

Dodenmasker van Theodoor Van Rijswijck (Letterenhuis).

De teksten in De Archiven van de Sint-Luybrechtgulde zijn seksistisch en vrouwonvriendelijk en geven blijk van een soms tamelijk infantiele obsessie met pis en kak. Als ze een beetje eeuwigheid verdienen, komt dat doordat ze laten zien hoeveel spot, verzet, drift en grote dorst schuilgaan achter de officiële en gemystificeerde geschiedenis van de prille Vlaamse letteren.

Geschiedenis – Eligius Pruystinck, alias Looi de Schaliedekker. Een Antwerps ketter uit de 16de eeuw.

Hoewel de ketterse leerstellingen van Eligius Pruystinck en zijn aanhangers, de zg. Loisten, in laat-middeleeuwse vormen van heterodoxie wortelen, moet deze ketterij gezien worden in het raam van de godsdienstige verwarring die de eerste helft van de 16de eeuw kenmerkt. Er waren niet alleen te Antwerpen Loisten, maar de sekte ontstond in deze stad en het was ook hier dat ze tot bloei kwam.

Antwerpen in 1515.

Tijdens het eerste kwart van de 16de eeuw kende Antwerpen een aanzienlijke economische bloei en werd het de voornaamste haven en één der belangrijkste financiële centra van Europa. Het bevolkingsaantal steeg enorm en de stad moest vergroot worden. Het is echter ook gedurende deze bloeiperiode dat de eerste tekens die naar de nakende godsdiensttwisten verwijzen, aan het daglicht treden.

Rond 1520 wordt er voor het eerst over het Lutheranisme gehoord. Onder invloed van Jacob Praepositus die te Wittenberg studeert, schiet de nieuwer leer wortel in het Antwerpse augustijnenklooster, dat weldra gesloten wordt. Twee van de monniken die er verbleven worden op 1 juli 1523 te Brussel terechtgesteld.

Rijke Beukelaarstraat

In 1525 is sprake van de sekte der Loisten en van haar leider, Eligius Pruystinck. Over geboorte en jeugd van Pruystinck is niets bekend. Hoogstwaarschijnlijk was hij een Antwerpenaar. Hij moet van zeer bescheiden afkomst geweest zijn; de bronnen noemen hem ongeletterd. In 1544 woonde hij waarschijnlijk in de Rijke Beukelaarstraat, een straat in het Sint-Andrieskwartier, een wijk die toen reeds tot de armste van de stad behoorde. Uit de processtukken blijkt dat hij bij zijn dood niets naliet.

De eerste vermelding die we van hem vinden dateert uit 1525. Mogelijk kwam hij een jaar tevoren in contact met de latere anabaptistische sekteleider David Jorisz., die toen voor het eerst een tijdlang te Antwerpen verbleef en misschien de ongeletterde Pruystinck over de bijbel sprak.

Quinten Metsys, Graflegging, Antwerpen, KMSK.

Nadat Pruystinck in 1525 was beginnen te prediken, reisde hij nog datzelfde jaar naar Wittenberg, waar hij in maart Luther ontmoette. Deze ontstak in verontwaardiging over zijn leer en richtte een gealarmeerd schrijven tot de Antwerpse hervormden om hen tegen hem te waarschuwen. Vermoedelijk was het deze brief die de aandacht van de autoriteiten op Pruystinck vestigde.

Toen hij opnieuw zijn leer begon te verspreiden, werd hij met negen van zijn aanhangers gearresteerd. In februari 1526 moesten ze voor de rechter verschijnen. Het geding werd geleid door de commissarissen van de Raad van Brabant, bijgestaan door de inquisiteur Nicholaas Coppin en enkele andere bevoegde personen.

De ketters werden veroordeeld tot het herroepen van hun leerstellingen en een openbare boetedoening. Toen het vonnis voltrokken was, gelastte de landvoogdes Maria van Hongarije hen vrij te laten.

Familie van Berchem

Over wat er in de eerstvolgende negen jaar na hun veroordeling gebeurde, is niets geweten. In 1535 maakte Pruystinck kennis met de Fransman Christophe Hérault, een juwelier die van Lutherse opvattingen verdacht werd en daarom vanuit Parijs naar Antwerpen gevlucht was.

Nadat de overheden van de stad hem een tijdlang met rust gelaten hadden, werd hij opgepakt en als ketter vervolgd. Men kon hem echter niet veel ten laste leggen en hij werd spoedig weer op vrije voeten gesteld. Negen jaar later, in 1544, zou hij echter deel uitmaken van de Loisten.

Op dat ogenblik had Pruystinck zeer talrijke aanhangers die hij vooral uit de wereld van de kooplieden en de rijke burgerij recruteerde. Sommigen, zoals bijvoorbeeld verschillende leden der familie Van Berchem, behoorden tot de adel. Pruystincks leer werd niet alleen mondeling verspreid, maar ook op schrift gesteld. De auteur van deze traktaten was vermoedelijk Dominicus van Oucle (Ukkel?). Jammer genoeg zijn ze alle verloren gegaan.

Frans Floris (?), De familie van Berchem, Lier, Museum Wuyts-Van Campen en baron Caroly).

Een op 1 juni 1544 te Deventer aangehouden ketter, Juriaan Ketel, bekende op de pijnbank dat hij bevriend was met David Jorisz. en verklikte tevens een aantal Antwerpse ketters met wie hij in contact geweest was. Onder hen waren Pruystinck, Hérault en de Van Berchems.

De magistraat van Deventer verwittigde zowel de landvoogdes als de stedelijke overheid van Antwerpen, die de brief in kwestie op 14 juli ontving. Men slaagde er enkel in Pruystinck en Hérault gevangen te nemen.

De leider van de sekte werd op 15 juli in het bijzijn van de schout en drie schepenen gefolterd. De landvoogdes drong erop aan de ketters streng te vervolgen en het onderzoek grondig te doen verlopen. Wat haar vooral interesseerde was te weten of de beklaagden al dan niet betrekkingen onderhielden met David Jorisz.

Arrestatie

Spoedig werden nog meer Loisten opgepakt. Niet alleen te Antwerpen, maar ook te Vilvoorde, de plaats waar gevangen ketters meestal door commissarissen van de Raad van Brabant verhoord werden, zaten leden van de sekte in de kerker. Op 14 september bevond ook hun leider zich hier omdat men hem er met enkelen van zijn volgelingen wou confronteren. Dominicus van Oucle pleegde er in zijn gevangenis zelfmoord.

Inmiddels begon te Antwerpen het proces tegen Hérault en een ander sektelid, de oudekleerkoper Jan Dorhout. Begin oktober werd in de Scheldestad overigens nog een aanzienlijk aantal Loisten gearresteerd. Velen slaagden er echter in naar Engeland en Duitsland te ontkomen, waar ze zich verspreidden. Dorhout en Hérault werden op 9 oktober onthoofd.

Pruystinck werd terug naar Antwerpen overgebracht en verscheen er op 24 oktober voor de magistraat die hem ter dood veroordeelde. ’s Anderendaags werd hij buiten de stadswallen levend verbrand. Of hij zijn ketterij op het laatste moment herriep, staat niet vast. In de loop van het volgend jaar vonden nog verscheidene terechtstellingen plaats. Dit betekende het einde van de sekte.

David Jorisz. (?) door Jan van Scorel (Foto Global Anabaptist Mennonite Website)

Vaak worden de Loisten beschouwd als wederdopers, maar dat berust op een vergissing. Ze worden overigens in geen enkel archiefstuk rechtstreeks met dezen in verband gebracht. De anabaptist David Jorisz. met wie Pruystinck betrekkingen onderhield verliet de katholieke kerk trouwens pas in 1528, dus drie jaar nadat de Loïsten voor het eerst in de bronnen opduiken. Eerst in 1536 werd hij zelf hoofd van een sekte.

Pruystincks leerstellingen waren niet bijzonder diepzinnig. Frederichs noemt zijn ketterij dan ook een echte volksketterij (1). Hoewel deze formulering wat overdreven lijkt, bevat ze waarheid. De leden van de sekte behoorden geen van allen tot de geestelijkheid, maar waren leken. Toch mag men niet uit het oog verliezen dat ze uit verschillende geledingen van de maatschappij kwamen, en zeker niet uitsluitend uit de laagste.

Zoals gezegd telden de Loisten rijke burgers, kooplui en zelfs edelen onder hun leden. Hoe talrijk zij precies waren is niet uit te maken. Nochtans suggereren verschillende bronnen dat de sekte veel aanhangers telde. Die werden niet alleen door prediking, maar ook met geschriften gerecruteerd; het laatste wijst erop dat zij tenminste voor een deel geletterd waren.

Homines intelligentiae

De leer der Loïsten is gebaseerd op die van de zogeheten Homines Intelligentiae (“Mensen van verstand”) die in het begin van de 15de eeuw opdoken te Brussel.

Hun leiders, Aegidius Cantor en Willem van Hildernissen, bouwden voort op een oudere traditie, namelijk die van de Libertijnen of Vrije Geesten. Onder deze noemer kunnen talrijke sekten gebracht worden. Wij vernoemen slechts de Broeders van de Vrije Geest en de Turlupijnen (2).

Aegidius Cantor was reeds overleden toen Willem van Hildernissen voor het gerecht moest verschijnen. Het is dan ook niet zeker of hij de leider der sekte was en of hij beweerde dat hij reeds het derde van de drie tijdperken waarin Joachim van Fiore de geschiedenis indeelde, binnengegaan was (3).

Willem van Hildernissen maakte een scherp onderscheid tussen de uitwendige en de inwendige mens, die elkaar niet beïnvloeden konden. De inwendige mens kon niet verdoemd worden. Verder geloofde Van Hildernissen reeds deel te hebben aan het paradijs en dat hij een dieper inzicht in de Heilige Schrift had dan andere stervelingen.

Joachim van Fiore, anonieme houtsnede (Foto L’Osservatore Romano)

Hij leerde dat er een tijd zou aanbreken waarin de Heilige Geest de mens meer dan ooit te voren zou verlichten en alzo de dispensatie van de geestelijke vrijheid zou invoeren. Tenslotte was hij de pantheistische visie toegedaan dat God net zo goed in een steen, in de ribben van een mens en in de hel, als in de eucharistie aanwezig was (4).

De aanhangers van Eligius Pruystinck waren geen atheïsten en geloofden in het bestaan van God, dat zowat hun enige dogma was. Hun leer was gebaseerd op de onverenigbaarheid van Gods gerechtigheid en zijn barmhartigheid. Het geloof is een gave Gods en niemand kan beweren dat hij het volledig bezit. Men kan dus niet door zUn geloof van de verdoemenis gered worden; dat kan enkel door Gods barmhartigheid.

Romeinen VII

Wanneer men God echter door zijn geloof en het gebed tot barmhartigheid zou kunnen brengen, zou Hij onstandvastig zijn, wat strijdig is met Zijn volmaakte natuur.

In navolging van de Homines Intelligentiae en zich hierbij baserend op Paulus’ brief aan de Romeinen (meer bepaald Romeinen VII), poogden de Loisten dit probleem op te lossen door de mens voor te stellen als een tweedelig wezen dat bestaat uit een dierlijke, uitwendige mens, en een geestelijke, innerlijke mens.

De dierlijke mens is ongehoorzaam aan God en ondergaat dan ook Gods gerechtigheid. De geestelijke mens kan echter niet zondigen omdat hij uit God zèlf voortkomt. Zo zal ieder mens op het dierlijke vlak verdoemd en op het geestelijke vlak gered worden en zullen zowel Gods gerechtigheid als zijn barmhartigheid voldaan worden. De dierlijke mens wordt reeds op aarde – dit is de eigenlijke hel – verdoemd.

Van de traditionele hel en het vagevuur is dus geen sprake meer. Bovendien kan de mens als dierlijke mens niet verrijzen, dus ook de verrijzenis van het vlees wordt, door de Loisten uitgesloten.

De Rijke Beukelaarstraat vandaag (Foto Alfons Van Camp/Seniorennet).

De dierlijke mens of homo exterior heeft zoals bij de Homines Intelligentiae geen invloed op de geestelijke mens of homo interior; ook omgekeerd is beïnvloeding onmogelijk. De Loisten meenden dat zij in het derde tijdperk van de Joachitische indeling van de geschiedenis leefden, dus in dat van de Heilige Geest.

Volgens hen was de Heilige Geest het menselijk verstand, en had iedereen er deel aan, zodat iedereen geloofde en niemand kon zondigen. Dat de Heilige Geest zou zondigen, was nu eenmaal uitgesloten. Vermits zijn verstand hem op die manier niet toebehoorde, was de mens overigens niet tot zondigen in staat.

Panentheisme

Tengevolge daarvan werd niemand verdoemd en zou iedereen gered worden. De verrijzenis der zielen was dan ook slechts de terugkeer van alle zielen tot God, uit wie zij gesproten waren. We hebben bij de Loïsten dan ook duidelijk met een panentheïstische visie te maken.

De geestelijke mens bestond niet op zichzelf, maar alleen in God. De mens moest God bijgevolg niet gehoorzamen; zulks zou immers impliceren dat God zichzelf bevelen zou geven. Tenslotte bestaat dan ook het geloof niet als zodanig; volgens de Loisten kon men er geen ander hebben dan dat in Christus’ uitspraak: Doe aan een ander wat ge wenst dat aan u gedaan worde (Mattheus, 7:12).

Anonieme meester, Antwerpen in 1515, Antwerpen, MAS (voordien Nationaal Scheepvaartmuseum).

In deze hele context werden dan ook de sacramenten overbodig. De Loisten vonden derhalve dat iedereen zijn eigen priester was en erkenden het huwelijk niet. Dit laatste lag waarschijnlijk ten grondslag aan hun reputatie als zedelozen. Vasten, bidden en andere voorschriften van de Kerk werden eveneens verworpen. De Heilige Maagd en de heiligen oefenden niet de minste invloed uit.

Ook op de Heilige Drievuldigheid hadden de Loisten een eigen visie. De Zoon moest gezien worden als God in zijn hoedanigheid van verlosser der mensen;, de Heilige Geest was God als bezitter van het verstand. Verder verwierpen zij iedere wereldlijke overheid, maar andere maatschappelijke denkbeelden hielden zij er, in tegenstelling tot de Anabaptisten, niet op na.

Kosmopolitisme

Samenvattend kan dan ook gesteld worden dat we bij Eligius Pruystinck en zijn volgelingen geconfronteerd worden met een leer die stoelde op een oude, middeleeuwse traditie, waarvan hoogstens gezegd kan worden dat zij ze iets verder uitbreidden.

Van andere bewegingen uit de reformatietijd stond het Loisme min of meer los. Daartegenover staat het feit dat het succes van Pruystinck en de zijnen waarschijnlijk te danken was aan de relatieve vrijheid en het kosmopolitisme die in de metropolis Antwerpen heersten en een uitstekende voedingsbodem voor nieuwe godsdienstige strekkingen en ideeën vormden.

Hun afwijzing van de zonde en van het wereldlijk gezag zullen bij een deel van de rijke Antwerpse bovenlaag zeker in de smaak gevallen zijn. Deze opvattingen moeten ongetwijfeld ingespeeld hebben op het verlangen naar economische vrijheid en het opkomende individualisme van de kooplieden-ondernemers, wier wereld gekenmerkt werd door tal van verschijnselen die het begin van een nieuwe tijd aankondigden.

B  I  B  L  I  O  G  R  A  F  I  E

Bronnen

Alle literaire en archivalische bronnen in verband met de Loïsten werden gepubliceerd in :

FREDERICHS (J.), De Secte der Loïsten of Antwerpsche Libertijnen (1525-1545). Eligius Pruystinck. (Loy de Schaliedecker) en zijne aanhangers, Gent – ’s Gravenhage 1891.

Studies

DIERCXSENS (J.), Antverpia Christo nascens et crescens, vol. 4, Antverpiae 1773.

UYTTENHOOVEN (A.), Geschiedenis der Hervormde Kerke te Antwerpen van de twaalfde eeuw tot den tegenwoordigen tijd, vol. 1, Arnsteldam 1794.

MERTENS (F.) en TORFS (K.), Geschiedenis van Antwerpen sedert de Stichting der Stad tot onze tijden, vol. 4, Antwerpen 1846.

FREDERICHS (J.), De Secte der Loïsten of Antwerpsche Libertijnen (1525-1545). Eligius pruystinck (Loy de Schaliedecker) en zijne aanhangers, Gent – ’s Gravenhage 1891.

LEFF (G.), Heresy in the Later Middle Age. The Relation of Heterodoxy to Dissent c. 1250 – c. 1450, Manchester – New York 1972, 2 delen.

LERNER (H.), The Heresy of the Free Spirit, Berkeley 1972.

HAMILTON (A.), The Family of Love, Cambridge s.d. [1981].

Verschenen in Vrijdenkerslexicon, Woordenboek van Belgische en Nederlandse Vrijdenkers, deel II, Brussel, Centrum voor de Studie van de Verlichting en het Vrije Denken, 1981.

Geschiedenis – De Antwerpse ketters Tanchelm en Guillielmus Cornelis (tekst van een uiteenzetting uit 1980)

1.   T  A  N  C  H  E  L  M

Over de levensloop van Tanchelm, de beruchtste en meest bestudeerde ketter uit de middeleeuwse godsdienstgeschiedenis der Nederlanden, is bitter weinig bekend. Bovendien blijven de meeste bekende gegevens betwijfelbaar of tenminste oncontroleerbaar.

Ko van Dijk en Han Bentz van den Berg in "Tanchelijn", het toneelstuk dat Harry Mulisch over Tanchelm schreef (Foto Collectie Theater Instituut Nederland).

Wanneer en waar Tanchelm geboren werd, is niet geweten. Meyerus zegt dat hij in 1110 begon te prediken. De Annales Veterocellenses vermelden dat hij reeds in 1112 actief was. Hij moet op diverse plaatsen werkzaam geweest zijn. Eerst predikte hij in de weinig bevolkte kustgebieden van het bisdom Utrecht, volgens Abélard in Vlaanderen, volgens de Continuatio Valcellensis der kroniek van Sigebert van Gembloers op Walcheren en de omringende eilanden.

Op het ogenblik van de redactie der allerbelangrijkste bron die we over Tanchelm bezitten, en die tussen 16 mei 1112 en een niet nader te bepalen tijdstip in 1114 opgesteld werd, bevond hij zich te Keulen, waar hij door de aartsbisschop werd vastgehouden.

Dit document is een waar requisitoor tegen de ketter, opgesteld door de kanunniken van het Utrechtse kapittel die Frederik, aartsbisschop van Keulen, van al Tanchelms wandaden op de hoogte wilden brengen. Indien Tanchelm, zoals zij zeggen, naar Rome reisde, moet zulks kort voor of in de genoemde periode gebeurd zijn.

Norbertus.

Volgens diverse bronnen predikte Tanchelm ook te Antwerpen, waar de H. Norbertus na zijn dood tegen zijn volgelingen zou opgetreden zijn. De levensbeschrijvingen van de heilige vermelden Tanchelms ketterij overigens als hoofdoorzaak van Norbertus’ reis naar Antwerpen.

Volgens Meyerus predikte Tanchelm in 1113 te Brugge en werd hij uit de stad verdreven. Divaeus beweert dat de ketter zijn leer ook te Leuven zou verspreid hebben. Samen met Molanus, Haraeus en Miraeus poneert hij dat Tanchelm tenslotte door hertog Godfried met de Baard uit diens landen verbannen werd. Molanus preciseert dat zulks in 1115 gebeurde. De Continuatio Praemonstratensis der kroniek van Sigebert van Gembloers vermeldt tenslotte dat Tanchelm in 1115 vermoord werd door een priester met wie hij zich aan boord van een schip bevond.

Gezien al het voorgaande dient Tanchelms activiteit in de periode 1110-1115 gesitueerd te worden. Dat zijn invloed na 1115 wellicht nog geruime tijd doorwerkte, kan afgeleid worden uit de bronnen die betrekking hebben op het optreden van Norbertus te Antwerpen.

Wat de bronnen ons over de inhoud van Tanchelms ketterij meedelen, is voor verschillende interpretaties vatbaar, interpretaties die overigens niet enkel wat Tanchelm verkondigde, maar ook zijn ganse optreden betreffen. Reeds in de loop van het Ancien Régime was deze ketter een zeer omstreden figuur.

Godfried met de Baard. Fantasieportret uit de 17de eeuw (Antwerpen, Stadsarchief).

Waar alle middeleeuwse bronnen hem zonder uitzondering als een aartsketter en een antichrist afschilderen ontstond er na de Reformatie een grondig meningsverschil over hem tussen katholieke historici, die geen millimeter van de middeleeuwse opvatting afweken, en protestantse schrijvers als Uyttenhooven en Tydeman die hem ophemelden en zich inspanden voor zijn rehabilitatie: in hun ogen was hij immers niets minder dan een vroege wegbereider van het protestantisme in de Nederlanden.

In de negentiende-eeuwse geschiedschrijving werd meer dan ooit tevoren aandacht aan Tanchelm besteed. In de Antwerpse stadsgeschiedenissen van Mertens en Torfs, Gems, en Le Poitevin de la Croix treffen we reeds een vrij objectieve toon aan.

Het onderzoek over de ketter werd voortgezet in korte monografieën die welhaast met de regelmaat van de klok bleven verschijnen, de hele vorige eeuw door. Paul Frédéricq, de grondlegger van de studie der inquisitie en der ketterijen in de hele Nederlanden, behandelde hem in zijn Geschiedenis der Inquisitie in de Nederlanden uit 1892 weliswaar zeer oppervlakkig, maar toch nadat hij alle vermeldingen van Tanchelm in de bronnen had samengebracht in zijn Corpus Documentorum Inquisitionis haereticae pravitatis Neerlandica, waarvan het eerste deel in 1889 verschenen was.

Belangrijk voor de hedendaagse Tanchelmstudie zijn de meer recente studies die aan hem gewijd werden. De belangrijkste daarvan zijn het korte artikel van W. Goossens, de al bijna even beknopte studie van Henri Pirenne, het lange artikel van L. Philippen en tenslotte de monografieën van de Duitse historicus W. Mohr en onze landgenoot J. De Smet, wiens artikel de laatste bijdrage is uit een lange reeks van studies over Tanchelm.

Norbertus vetrappelt Tanchelm. Olieverfschets van P.-P. Rubens.

Inmiddels kwam deze ketter ook in een aantal buitenlandse werken over religieuze dissidenten in de middeleeuwen aan bod. Wat de auteurs hiervan over hem schrijven is echter meestal op de hoogst aanvechtbare visie van Pirenne gebaseerd.

Zoals gezegd is de belangrijkste bron over Tanchelmn de brief die door het kapittel van Utrecht aan de Keulse aartsbisschop Frederik gericht werd. Omdat het initiatief tot het opstellen van dit document van het kapittel en niet van de bisschop van Utrecht uitging, neemt men aan dat het ontstond toen het diocees vacant was na de dood van bisschop Burchard op 16 mei 1112 en voor de benoeming van zijn opvolger Godebald in 1114.

De brief werd bewaard doordat hij door de Bambergse kanunnik Udalrich in een bloemlezing van brieven en oorkonden met literaire of historische betekenis voor de bedienden der Bambergse bisschoppelijke kanselarij, de zgn. Codex Udalrici Bambergensis, opgenomen werd. Zulks gebeurde tussen 1125 en 1134.

Harry Mulisch schreef over Tanchelm het indrukwekkende toneelstuk "Tanchelijn" (Foto Roger Cremers)

Hoewel het moment waarop deze bron ontstond, de plaats waar en het milieu waarin zulks gebeurde, evenals de auteurs en de destinataris bekend zijn, terwijl er niet aan haar echtheid getwijfeld wordt, lopen de diverse interpretaties ervan zo sterk uiteen dat een korte karakterisering ervan welhaast onmogelijk wordt.

Deze brief is als bron zo belangrijk dat de manier waarop men hem interpreteert doorslaggevend is voor de manier waarop de hele zaak- Tanchelm beoordeeld wordt, en bovendien bepalend is bij de keuze der feiten waarvan men veronderstelt dat ze inderdaad plaatsvonden en die dus voor interpretatie in aanmerking komen.

De inhoud van het document komt op het volgende neer: Tanchelm werd omwille van zijn optreden als ketter gevangen genomen door Frederik, aartsbisschop van Keulen. Hij verkondigde immers dat de kerkelijke gezagsdragers niets betekenden en dat de ware kerk slechts bij hem en zijn volgelingen te vinden was.

Eerst predikte hij in dunbevolkte kuststreken waar het geloof nooit zo diep wortel had geschoten. Hij begon bij de vrouwen en het was via hen dat hij tenslotte ook de mannen met zijn leer besmette. Vervolgens trad hij in de openbaarheid. In het open veld hield hij sermoenen voor een grote schare toehoorders.

Wanneer hij ging prediken werd hij door zijn volgelingen begeleid als een koning die omringd wordt door zijn volk dat de kentekenen van zijn vorstelijke macht voor zich uitdraagt. Zijn toehoorders luisterden naar Tanchelm als naar een engel Gods.

Abélard, zoals men hem zag in de 19de eeuw. (foto AbsoluteFacts.nl).

Hij beweerde dat de kerken bordelen waren en leerde dat de sacramenten die tijdens de mis door de priesters werden toegediend, slechts een bezoedeling waren, en dat ze hun kracht slechts uit de verdiensten der bedienaars putten. Hij maakte het volk dan ook afkerig van de sacramenten en verbood het betalen van de kerkelijke tienden.

Omdat de mensen niet beter vroegen, kon hij ze van dit laatste gemakkelijk overtuigen. Hij werd zo stoutmoedig, dat hij zichzelf God noemde. Daarbij redeneerde hij als volgt: als Christus God was, omdat hij de H. Geest had, was hij, Tanchelm, eveneens aan God gelijk, daar ook hij de volheid van de H. Geest ontvangen had.

Door deze vorm van eigenwaan misleidde Tanchelm het volk zozeer, dat sommigen hem als een godheid begonnen te vereren. Hierin gingen zij zo ver dat zij het water waarin hij zich gebaad had aan de domme massa uitdeelden alsof het voor ziel en lichaam heilzamer was dan de sacramenten.

Op een gegeven ogenblik liet Tanchelm een beeld van de H. Maagd temidden van een groep toehoorders brengen. Door de hand van het beeld aan te raken verloofde hij zich op symbolische wijze met Maria terwijl hij de gelofte en al de plechtige formules der verloving uitsprak. Vervolgens vroeg hij de menigte om bruidsgeschenken te brengen en de kosten van het feest te betalen.

Links en rechts van het beeld plaatste hij een schaal. De mannen moesten in de ene schaal, de vrouwen in de andere offeren, en zulks opdat hij zien zou welke van beide geslachten hem het meest in zijn hart droeg. De omstaanders rukten aan met geschenken. De vrouwen offerden zelfs de oorhangers en halssnoeren die ze droegen.

Samen met Tanchelm zat bij aartsbisschop Frederik ook de smid Manasses gevangen, die naar voorbeeld van de ketter een broederschap stichtte die gilde werd genoemd. Hiervan maakten twaalf mannen deel uit die de apostelen voorstelden en één vrouw die Maria verbeeldde, en beurtelings met elk van de twaalf mannen sliep.

Naast hen beiden hield Frederik nog de afvallige priester Everwacher in verzekerde bewaring. Deze was eveneens een volgeling van Tanchelm, die hij naar Rome was gevolgd.

De middeleeuwe bisdommen van de Nederlanden. (Foto Het Museum van de Vaderlandse Geschiedenis).

Hij wou de zg. zeelanden, d.w.z. ongeveer één vierde van het bisdom Utrecht op gezag van de paus bij het Franse bisdom Terwaan laten voegen. Tanchelms discipel in alles, maakte hij zich meester van de tienden der kanunniken van de St-Pieterskerk waar hij tevens gewapenderhand de priester van het altaar verjoeg.

Tanchelm zelf tenslotte, vermomde zich valselijk als een monnik om zijn optreden des te efficiënter te maken. De bronnen die aan deze informatie over de aard van Tanchelms optreden details toevoegen kunnen, zoals door Philippen werd aangetoond, alle tot de brief der Utrechtse kanunniken teruggevoerd worden.

De voornaamste beschuldigingen uit dit document werden door de auteurs van de Vita Norberti A, de Vita Norberti B en de Continuatio Premonstratensis Chronici Sigiberti Gemblacensis soms bijna letterlijk, maar vaak ook met de nodige aanvullingen overgenomen. Dit laatste gebeurde echter steeds zo dat hun herkomst duidelijk te achterhalen is.

Volgens de Utrechtse kanunniken reisden Tanchelm en Everwacher naar Rome, waar Everwacher bij de paus de afscheiding van een deel van het bisdom Utrecht bepleitte. Zulks bracht met zich mee dat men Tanchelm in de meer recente historiografie niet langer uitsluitend als een ketter, maar ook als een politieke figuur ging beschouwen. Voor sommige historici heeft hij zijn ketters karakter trouwens voledig verloren.

Dat het vorsteel om de “maritima loca” van Utrecht bij het bisdom Terwaan onder te brengen in de periode van Tanchelms optreden tot de mogelijkheden behoorde, werd reeds door W. Goossens aangetoond.

Deze auteur besteedt geen aandacht aan wat de Utrechtse kanunniken over Tanchelmn als ketter schrijven. Volgens hem dient Everwachers voorstel gezien te worden in het perspectief der politiek van de Vlaamse graaf Robrecht II die de gebieden in kwestie, de Zeeuwse eilanden en het deel van Vlaanderen dat aan het diocees Terwaan grensde, liever onder het geestelijk gezag van dat laatste geplaatst zag, omdat ze hem door de graaf van Holland betwist werden.

Pirenne was blijkbaar niet op de hoogte van Goossens’ studie. Hij beweert dat men de gebieden die men van Utrecht wilde losmaken niet bij het bisdom Terwaan, maar bij het bisdom Doornik wou voegen.

Henri Pirenne.

Als opdrachtgever van Tanchelm en Everwacher ziet hij eveneens graaf Robrecht II, die in de investituurstrijd aan de zijde van de paus stond en de invloed van de Utrechtse, d.w.z. keizersgezinde bisschop in zijn landen verzwakken wou. Volgens hem vonden de onderhandelingen waarvan sprake plaats in 1100.

In Everwacher en Tanchelm ziet hij verder ondergeschikten van de graaf die op het ogenblik van hun missie te Rome onmogelijk ketters kunnen geweest zijn. Dat ze echter naderhand in heterodoxie vervielen, staat volgens hem vast. Pirenne vermoedt dat zij aanvankelijk naar een disciplinaire hervorming van de kerk streefden en hierdoor tenslotte van de orthodoxe kerkleer gingen afwijken.

Mohr, die Tanchelm eveneens in de sfeer van de Gregoriaanse kerkhervorming plaatst, meent daarentegen dat hij nooit een ketter werd. Hij besteedt echter vooral aandacht aan de elementen uit de diverse bronnen die volgens hem toelaten de leer van Tanchelijn te interpreteren.

In 1961 verscheen de studie van De Smet over Tanchelm. Deze auteur toont aan dat Pirenne zich vergiste wanneer hij vooropstelde dat in de brief van het Utrechts kapittel sprake zou zijn van het bisdom Doornik. Het gaat hier wel degelijk om Terwaan.

Gezien de concordantie met verschillende gegevens uit de vita van Jan van Waasten, bisschop van Terwaan, met het voorstel aan de paus, meent De Smet dat een deel van het bisdom Utrecht inderdaad aan het bestuur van de bisschop van Terwaan werd toevertrouwd.

Hij toont verder aan dat Tanchelms opdrachtgever onmogelijk graaf Robrecht II kan geweest zijn, en maakt zijn politieke betekenis volledig afhankelijk van de investituurstrijd. Na het overlijden van de Utrechtse bisschop in 1112 stelde zich de vraag of zijn opvolger door de paus of door de keizer zou benoemd worden.

De Smet meent dat bij de hervormingsgezinden onder de Utrechtse geestelijkheid het plan rees om te Rome de benoeming van een kandidaat te vragen die een hervorming van de Utrechtse kerk naar Gregoriaans model zou steunen. Als onderhandelaars werden Tanchelm en Everwacher gekozen.

Toen bleek dat de curie op dat moment nog niet kon ingaan op het voorstel dat zij formuleerden, moest er een ander gedaan worden. De Smet poneert de veronderstelling dat dit tweede voorstel datgene is wat in de brief der Utrechtse kanunniken beschreven wordt. Daarbij laat hij echter de mogelijk heid open dat Tanchelm misschien aan de oprichting van een nieuw bisdom dacht.

Robrecht II van Jeruzalem, graaf van Vlaanderen (Foto Wikipedia).

Omdat de curie voorzichtig was en de breuk tussen Kerk en imperium niet vergroten wou, zou dan de oplossing die als compromis aangenomen werd ,erin bestaan hebben dat de maritima loca in kwestie, waar de keizer geen rechten bezat omdat ze onder het graafschap Vlaanderen resorteerden, ad interim onder de jurisdictie van de bisschop van Terwaan gebracht werden.

Meteen had men zo een middel gevonden om druk uit te oefenen op de keizersgezinde partij te Utrecht en via haar op de aartsbisschop van Keulen: de voorlopige oplossing was een stille bedreiging met iets wat gebeuren kon, nl. de definitieve afscheiding der gebieden in kwestie.

De Smet is van oordeel dat Tanchelm een Gregoriaan was, en geen ketter. Schrijver meent o.m. dat zijn verklaring als waren paus, prelaten en priesters niets voor hem, in zijn gedachten niet verder gaan dan verschillende uitspraken van rechtgelovigen zoals Godfried van Vendörne, Guido van Vienne e.a. Hij ziet hem als de leider van een groep rondreizende predikanten, die een beginnende kloostergemeenschap vormden.

Harry Mulisch' "Tanchelijn" verscheen in 1961 bij De Bezige Bij.

Voorzover Mohr zich op andere bronnen dan de brief der Utrechtse kanunniken baseert om het Gregoriaans karakter van Tanchelms opvattingen en optreden aan te tonen, verwerpen wij zijn argumentatie. Net zoals De Smet wijkt Mohr bij zijn interpretatie van de brief echter ver af van de letterlijke betekenis hiervan, en kunnen wij zijn conclusies hoogstens als hypothesen beschouwen.

De brief der Utrechtse kanunniken is overigens voor een alternatieve interpretatie vatbaar. Zo zijn er gronden waarop men de waarheid van het bericht over Tanchelms reis naar Rome in twijfel kan trekken, waardoor meteen iedere zuiver politieke betekenis van deze figuur op losse schroeven komt te staan.

Verder brandmerken alle bronnen Tanchelm unaniem als ketter. Zulks geldt niet alleen voor de literaire, maar ook voor de archivalische bronnen. Het staat vast dat de pausgezinde hervormers uit de sfeer van de H. Norbertus Tanchelm omstreeks 1123 als zodanig beschouwden.

Of er een werkelijk verband bestaat tussen drie zo verschillende figuren als Tanchelm, Everwacher en Manasses, is o.i. aanvechtbaar, zoniet onwaarschijnlijk. Dat Tanchelm zichzelf vereenzelvigde met God, kan ook vanuit de richting van het pantheïsme verklaard worden. Ideeën die hiermee verband houden komen doorheen de tijd vaak en in velerlei gedaanten voor. Men denke slechts aan de nog onvoldoende bekende ketterij van de Vrije Geest, die in de late middeleeuwen vele aanhangers kende.

De "Vita Norberti A" (Foto Wikipedia).

Tanchelms uitspraak dat de sacramenten van de verdienste van de priester die ze toedient afhankelijk zijn, is ketters. De aard van zijn optreden, dat door prediking voor de massa wordt gekenmerkt maakt Tanchelm een typische figuur uit wat Moore an age of anticlericalism noemt.

Vanaf het begin der XIIe eeuw verschenen immers overal in Europa ketterse leiders, wier kritiek op de kerk veel respons bij de menigte vond en nauw samenhing met de beroering die ontstond als gevolg van het pauselijk hervormingsprogramma der late XIe eeuw: de bekendheid die Gregorius VII aan de gebreken van de clerus en aan de nadelige gevolgen van de betrokkenheid van de kerk in de feodale maatschappijstruktuur gaf, alsmede het onvermogen om de situatie althans wat de lagere clerus betrof te verbeteren, dienen gezien te worden als belangrijke oorzaken van het toenemen der ketterijen en hun succes.

2.     G  U  I  L  L  I  E  L  M  U  S    C  O  R  N  E  L  I  S

Zoals bij zeer vele figuren uit de middeleeuwen het geval is, blijft het grootste deel van Willem Cornelis’ leven in het duister gehuld. Eén van de weinige bronnen die ons iets over zijn leven mededelen is Thomas van Cantimpré’s Bonum Universale.

Nadat deze auteur in het vierde hoofdstuk van Boek I van dit werk verteld heeft hoe Guiardus van Láon, bisschop van Kamerijk (1237-1248) onderweg stierf toen hij naar Antwerpen reisde om er niet nader genoemde ketters te gaan bestrijden, wat in 1248 gebeurde, heeft hij het in het zevenenveertigste hoofdstuk van Boek II expliciet over Willem Cornelis.

Hij zegt dat deze ketter een tijdgenoot van hem was en onder het voorwendsel in volmaakte armoede te willen leven op schijnheilige wijze zijn prebendebeneficie wegschonk, hoewel hij in feite een wellustig mens was; verder verkondigde Willem Cornelis dat de armoede elke zonde tenietdeed; dat een arme hoer beter was dan een deugdzame rijke vrouw; dat de priesters verdoemd zijn omwille van hun rijkdom en dat vleselijke wellust voor de armen geen zonde is.

Vier jaar na Willems dood, die we in 1245 dienen te situeren, visiteerde Nicholaas des Fontaines, bisschop van Kamerijk (1249-1272) Antwerpen; tijdens zijn bezoek deed hij de ketterij van Willem Cornelis onderzoeken en liet hij tengevolge daarvan het lijk van de ketter, die na zijn overlijden met alle eer in de Onze-Lieve-Vrouwkerk begraven was, ontgraven en verbranden. Totdaar de informatie die Thomas van Cantimpré ons levert.

Miniaturen in een handschrift van het "Bonum universale" van Thomas van Cantimpré (Brussel, Koninklijke Bibliotheek).

Uit de vermelding van het door bisschop Nicholaas in 1249 verrichte onderzoek, menen we in ieder geval te mogen afleiden dat de eerder door Thomas genoemde Antwerpse ketters met Willems volgelingen moeten geïdentificeerd worden.

Verder dient het begin van de ketterij waarover sprake na 1239 gesitueerd te worden, omdat Guiardus van Lâon toen zijn laatste bezoek aan de stad bracht en er geen ketters aantrof. Thomas’ vermelding van Willem Cornelis prebende-beneficie en begrafenis in de kerk vormde voor latere historici de aanleiding om hem voor een kanunnik te houden. Prims poneert echter de waarschijnlijker stelling dat hij kapelaan was. Oorkonden in het Antwerps kathedraalarchief maken melding van een magister Willem Cornelis die reeds in 1240 in functie moet geweest zijn.

Prims meent verder dat hij afkomstig was uit een aanzienlijke Antwerpse familie. Zijn titel magister wijst er op dat hij een universitaire opleiding genoot, waarschijnlijk in de theologie en zulks wellicht te Parijs. Wie Willems volgelingen waren en welk hun aantal was, is niet uit te maken. Prims brengt een aantal argumenten naar voren waaruit met zekere waarschijnlijkheid blijkt dat zij in het milieu van het Antwerps Onze-Lieve-Vrouwekapittel waaraan Willem verbonden was, dienen gezocht te worden.

Floris Prims.

Tijdens zijn leven werd Willem Cornelis niet vervolgd, In tegenstelling tot wat Diercxsens beweert, is het weinig waarschijnlijk dat de vestiging der Dominicanen te Antwerpen, die vanaf augustus 1243 werd voorbereid, iets met de ketterij van Willem te maken had. Waarom de vervolging hiervan zo lang op zich wachten liet, is niet meteen duidelijk.

Misschien bleef Willem Cornelis’ ketterij geheim of vond het kapittel ze weinig verontrustend, wat bij voorbeeld verklaard zou kunnen worden door het feit dat Willems stellingen aanvankelijk weinig heterodox waren en pas na verloop van tijd een uitgesproken ketters karakter kregen. Dit laatste zou er eventueel na zijn dood door zijn volgelingen aan gegeven kunnen zijn.

Ook behoort het tot de mogelijkheden dat het kapittel een schandaal wilde vermijden en/of geen inmenging wilde’ van de recentelijk te Antwerpen gevestigde Predikheren, met wie de seculiere geestelijkheid in de steden waar zij een klooster oprichtten doorgaans conflicten had.

"Der Byen Boec", Nederlandse vertaling van het "Bonum" van Thomas van Cantimpré (DBNL).

Dat het hele kapittel de leer van Willem toegedaan was, is zeer onwaarschijnlijk. Misschien was het zo dat de zaak tijdens Willems leven intern geregeld werd, en pas jaren later uit de hand begon te lopen. Zulks zou meteen de eervolle begrafenis van de kapelaan in de kapittelkerk verklaren.

Zowel het optreden van bisschop Nicholaas als de stelligheid waarmee de goedingelichte Thomas van Cantimpré Willem als ketter brandmerkt, zijn argumenten om hem zelf hoe dan ook voor de aanstichter van de ketterij te houden.

Naast de gegevens die we bij Thomas vinden, komt in een dertiende eeuws handschrift met sermoenen dat zich in de Bibliothèque Nationale te Parijs bevindt, een lijst met ketterse stellingen voor waarvan gezegd wordt dat het die van een Antwerps ketter zijn.

Qua srekking vertonen ze een zeer grote overeenkomst met wat Thomas over de inhoud van Willem Cornelis’ ketterij meedeelt. Men mag dan ook besluiten dat het hier gaat om stellingen die zoniet van hem, dan toch van zijn volgelingen afkomstig zijn.

Deze eenentwintig stellingen, die door Paul Frédéricq gepubliceerd werden, kunnen opgedeeld worden in drie groepen: stellingen met een sociale strekking, stellingen over de sexuele moraal en stellingen die betrekking hebben op geloof en kerkelijk recht.

Willems stelling dat men de rijken goederen mag ontnemen om ze aan de armen te schenken, is op zichzelf genomen zeer extreem. Deze bewering staat echter alleen en wordt door geen enkele van de andere stellingen versterkt: zij geven immers enkel blijk van een uitgesproken voorkeur voor de armen en afkeer van de rijken.

Willem Cornelis had wel oog voor de ongelijke verdeling van de aardse goederen, maar de oorzaken hiervan begreep hij niet en het kwam dus ook niet bij hem op daaraan iets te veranderen. Wel is het mogelijk dat hij de herverdeling van de rijkdom als een plicht van de rijken beschouwde, een plicht waarvan de vervulling hen van hun schuld verloste.

Daar waar de rijke zich in staat van doodzonde bevindt zijn voor de arme bepaalde dingen geen zonde, precies omdat hij arm is. De arme is in Willems ogen duidelijk iemand die dichter bij de oorspronkelijke idealen van het Christendom leeft.

Paul Frédéricq, foto van Nestor Schaffers (foto UGent).

Willem Cornelis’ houding t.o.v. de seksualiteit is vrij dubbelzinnig. Homofilie laat hij toe, maar verder is hij tegen seksuele handelingen die de voortplanting niet bevorderen; daarnaast is overspel voor de arme geen zonde, en mag een vrouw die zich uit armoede prostitueert niet als zondares beschouwd worden. Het is onmogelijk hieruit enige steekhoudende conclusie te trekken. Mogelijk is zulks het gevolg van de eventuele onvolledigheid der bron.

Willem Cornelis stelde zich niet buiten de kerk op. Hij was niet de leider van een onafhankelijke sekte. Zijn ketterij uit zich slechts in afwijkingen van de leer en kritiek op de gezagsdragers van de kerk. Het instituut zelf stelt hij nergens in vraag. Hij heeft kritiek op de rijkdom van de clerus en wellicht ook op de kerkelijke liefdadigheid.

Door hun rijkdom zondigen de priesters, maar het priesterlijk gezag als zodanig wordt niet aangevallen. Dat Willem aan de gewone priesters de macht tot het vergeven van alle zonden wou geven wijst er op dat hij de rol van de lagere clerus wenste te benadrukken. De aflaten en de kerkelijke ban zijn voor hem uit den boze.

Zijn uitspraak dat een onwaardig priester geen mis mocht lezen, noch zonden vergeven, noch penitenties opleggen bewijst dat Willem invloed onderging van oudere hervormingsbewegingen binnen de kerk. De meest merkwardige stelling van Willem Cornelis is die welke zegt dat niet alle waarheid in de H. Schrift klaarblijkend is en dat niet alle waarheid kan gepredikt worden.

Deze uitspraak vertoont o.i. de invloed van het denken van de Arabische wijsgeer uit Spanje Averroës (1126-1198) wiens visie dat er naast de geopenbaarde waarheid nog een andere waarheid bestaat, nl. die welke door het redelijk denken wordt achterhaald, tot onoverkomelijke moeilijkheden leidde van zodra bleek dat deze beide waarheden niet met elkaar verzoend konden worden. Hierom werd Averroës er door zijn tegenstanders van beschuldigd een leer van de Dubbele Waarheid aan te kleven.

Standbeeld van Averroës in Cordoba.

De leer van de Dubbele Waarheid vond uiteraard ook in het Christelijke Westen navolgers, meer bepaald bij de averroïstisch geïnspireerde magistri artium van de Parijse theologische faculteit uit de tweede helft der dertiende eeuw. Hun filosofische besluiten waren niet zelden in lijnrechte tegenspraak met de waarheid zoals die in de H. Schrift geopenbaard was.

Terwijl hun rede hen ertoe dwong deze bevindingen als waar te onderkennen, verplichtte hun geloof hen ertoe ook andere waarheden te aanvaarden. Dit haalde hen dan ook meermalen de achterdocht en veroordelingen vanwege de kerkelijke overheid op de hals.

Voor 1269 is er geen sprake van enige expliciete formulering van de visie dat er twee naast elkaar bestaande en met elkaar in tegenspraak zijnde waarheden bestaan. Het zou dan ook onverantwoord zijn Willem Cornelis te beschouwen als een werkelijke aanhanger van de leer der Dubbele Waarheid.

Nochtans zijn er o.i. argumenten die erop wijzen dat hij tenminste met de geschriften van Averroës vertrouwd was, en dat men hem wellicht in de geestesstroming die door het Arabisch aristotelisme beïnvloed werd en uiteindelijk aanleiding zou geven tot de ketterse visies der Parijse magistri artium mag onderbrengen.

Volgens de kerk was het Woord Gods geopenbaard in het Oude en het Nieuwe Testament, de H. Schrift. Aan de waarheid van de H. Schrift kon dus onmogelijk getwijfeld worden. Zij werd onvoorwaardelijk geloofd, en kon niet in vraag gesteld worden. Dit is dan ook niet wat Willem Cornelis probeert te doen: voor hem is alle waarheid niet klaarblijkend, echter evenwel nog steeds waarheid. Met klaarblijkend bedoelde hij dus: ondoorzichtig, onduidelijk, niet dadelijk te begrijpen, niet evident.

Hiermee geeft Willem Cornelis blijk van het verlangen de waarheid uit de H. Schrift te begrijpen door middel van de rede. Een waarheid die men onvoorwaardelijk gelooft, moet echter niet noodzakelijk begrepen worden. De gelovige dient ze zonder meer aan te nemen. Willem stelt zich dan ook niet op het standpunt van de gewone gelovige, maar op, dat van de man die zou willen begrijpen, op dat van de filosoof.

Er dienen zich nu twee mogelijkheden aan: ofwel bedoelde Willem dat sommige aspecten van de geopenbaarde waarheid niet redelijk te vatten waren door de gewone gelovige, die er niet lang bij stilstond en ze aanvaardde zonder ze te begrijpen, maar wel voor de rationeel te werk gaande denker, ofwel poneerde hij dat ook deze sommige waarheden uit de Schrift niet redelijk verklaren kon.

Wij menen te moeten opteren voor de eerste mogelijkheid. Immers, alle waarheid kan niet gepredikt worden, vervolgt Willem. Gaat het hier noodzakelijk om dezelfde waarheid als die waarvan eerder sprake? Dit is op zijn minst twijfelachtig: het wordt immers niet expliciet gezegd, en bovendien kan men zich afvragen waarom niet alle waarheden die op geloof gebaseerd waren, gepredikt konden worden.

Paul Frédéricq en Henri Pirenne.

De andere waarheid waarover Willem Cornelis het hier heeft stelt natuurlijk een nieuw probleem. Wat was immers de aard van deze waarheid? Zij was niet op geloof gebaseerd. Hieruit volgt dat Willem een menselijke waarheid bedoelde, een waarheid die door de mensen wordt ingezien en als waar ervaren, zonder dat ze hen van boven werd opgelegd en tot geloof voorgehouden.

Een zodanige waarheid is er noodzakelijk één die door het menselijk denken, door de menselijke rede achterhaald wordt. De enige reden waarom ze niet kon gepredikt worden, kan dan ook alleen maar zijn dat zij met de geopenbaarde waarheid in botsing kwam, en haar in vraag stelde, of dat althans in de ogen van sommigen deed. Het is ons inziens dan ook zo dat Willem het hier over de waarheid heeft, zoals de filosoof haar interpreteert.

Het woord waarheid is hier dan ook nogal ongelukkig gekozen. Het zou vervangen moeten worden door filosofische interpretatie van de H. Schrift. Wij zijn van mening dat Willem Cornelis in navolging van Averroës aannam dat er bij de interpretatie van de Bijbel verschillende niveaus (moeten) bestaan.

Daar waar Averroës drie niveaus onderscheidde, vinden we er in de desbetreffende stelling van Willem slechts twéé. Zelfs indien dit geen gevolg is van gebrekkige overlevering, lijkt het ons geen wezenlijke tegenstelling tussen zijn visie en die van de Arabische wijsgeer te impliceren.

Willem blijkt het trouwens ook met Averroës eens te zijn waar deze zegt dat een bepaalde manier om de geopenbaarde waarheid te begrijpen voorbehouden moet blijven aan de categorie van mensen die in staat is ze te begrijpen en niet aan een minder ontwikkelde groep mag meegedeeld worden.

Paul Frédéricq, flamingant, protestant en liberaal, bracht als hoogleraar geschiedenis aan de Gentse universiteit met zijn studentende middeleeuwse ketterij in de Nederlanden in kaart.

Een andere verklaring voor Willems uitspraak dat niet alle waarheid gepredikt kan worden, kunnen wij niet geven. Het is allerwaarschijnlijkst dat hij onder prediken niets anders verstond dan: meedelen aan de gelovige massa, die in de onmogelijkheid verkeert om filosofische redeneringen te verstaan, en erdoor in verwarring wordt gebracht.

Uit het voorgaande kan men afleiden dat Willem nog geen onoverkomelijke tegenspraak tussen de besluiten van de rede en de geopenbaarde waarheid onderkende. Ook dit ligt in de lijn van Averroës’ gedachten. Het blijkt overigens ook op afdoende wijze uit het feit dat Willem de letter van de H. Schrift nergens in vraag stelt. Als hij ervan afwijkt om een alternatieve mening te verkondigen, doet hij dat zonder enige commentaar, en zijn met de Bijbel strijdige opvattingen zijn steeds van morele, nooit van theologische aard.

Zuiver historisch gezien zijn er geen argumenten om deze interpretatie van Willem Cornelis’ stelling in kwestie te verwerpen: de geschriften van Averroës waren in zijn tijd reeds bekend, en bovendien behaalde hij een universitaire graad, zodat de kans dat hij inderdaad met de filosofie van de Arabische denker in aan raking kwam, zeer groot is.

Misschien mag het feit dat Averroës later vooral aan de theologische faculteit van Parijs aanhangers vond gezien worden als aanwijzing dat Willem hier zijn studies voltooide, al kan het natuurlijk niet tot een absolute zekerheid leiden.

Verschenen in Handelingen XXXIV van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, 1980.

Literatuur – Hemiksem of het Arcadië van Georges Eekhoud (1996).

(Foto Marc De Vos).

Georges Eekhoud werd in 1854 in Antwerpen geboren. Zijn ouders spraken Frans. Na hun vroegtijdige dood woonde Eekhoud in bij zijn oom Henri Oedenkoven, de eigenaar van een kaarsenfabriek in Borgerhout, waar hij later ook burgemeester werd.

Eekhoud studeerde aan een Zwitserse kostschool en korte tijd aan de Koninklijke Militaire School. Nadat hij het fortuin van zijn grootmoeder had verbrast, werd hij journalist – eerst in zijn vaderstad, dan in Brussel.

Eekhouds eerste roman, Kees Doorik (1883), en de verhalen in Kermesses(1884), spelen in de Scheldepolders en in de Kempen. De schrijver bekeek het “volk” met de ogen van een burger – één die bovendien andere taal sprak. Maar hij zag dikwijls meer dan collega’s die vanuit flamingant en katholiek perspectief over de kleine man schreven. Arbeiders interesseerden Eekhoud minder dan dieven, matrozen en dagloners – voor hem een soort “edele wilden”, échter dan zijn eigen huichelachtige klasse.

De abdij van Hemiksem in Sanderus’ “Flandria Illustrata”.

La nouvelle Carthage (1888; uitgebreide versie 1893) is een deels autobiografische roman. De auteur borstelde een lyrisch fresco van Antwerpen in het laatste kwart van de 19de eeuw. In 1899 verscheen Escal-Vigor, een van de eerste romans over homoseksualiteit. Er kwam zelfs een proces van voor het Hof van Assisen in Brugge. Na zijn vrijspraak werkte Eekhoud mee aan Franse en Duitse publicaties die de emancipatie van homo’s nastreefden – in dit opzicht behoorde hij eveneens tot de avant-garde onder de Europese intellectuelen.

De schrijver, die ook in Frankrijk grote faam genoot, stierf in 1927. De interesse voor zijn werk nam af – tot de Parijse uitgever in 1982 een herdruk bracht van La nouvelle Catthage. In Vlaanderen kwam in 1991 bij Houtekiet de bundel Bloedige Kermis van de pers met verhalen uit Kermesses en Nouvelles Kermesses, vertaald door Jan H. Mysjkin.

(Foto Marc De Vos).

Laurent, het jonge hoofdpersonage van La nouvelle Carthage, is het alt er ego van de schrijver. Laurent groeit op in het gezin van zijn neef, kaarsenfabrikant Guillaume Dobouziez. Slecht wordt Laurent niet behandeld, maar de Dobouziez’ laten hem voelen dat hij niet echt op zijn plaats is in hun wereld van rijke burgers. Ze willen hem bovendien naar een kostschool in het buitenland sturen.

De Dobouziez’ maken kennis met de reder Freddy Béjart, die zal trouwen met hun dochter Gina. Zij nodigen hem uit op hun buitengoed in Hemiksem. Béjart vindt dat een uitstekend idee en stelt voor de reis te maken aan boord van zijn luxueuze stoomjacht.

Eekhoud beschrijft de reis in het zevende hoofdstuk, dat als titel Hémixem meekreeg. Hij zegt niet in welk jaar de excursie plaatsvindt, maar als men aanneemt dat hij een beroep deed op zijn eigen jeugdherinneringen, moet dat omstreeks het midden van de jaren 1860 zijn.

Sint-Bernards was op dat ogenblik niet langer een huis van bewaring, maar een kazerne. Eekhoud verwijst daarnaar op het einde van het hierna volgende fragment. De industrialisatie van de Schelde-oever in Hemiksem was volop bezig – Eekhoud vermeldt trouwens een steenbakkerij, en een gesprek van Dobouziez en diens vrienden over de inplanting van andere nijverheden.

Hemsdael, gravure van Gaspar Bouttats.

Maar het is het landelijke, arcadische Hemiksem met zijn kastelen en vele groen dat alle aandacht krijgt – de auteur wist bij het schrijven van zijn roman ongetwijfeld dat dit landschap toen niet meer bestond. Ook elders in La nouvelle Carthage beschreef hij met veel weemoed toestanden die ca. 1885 tot het verleden behoorden.

Eekhoud gebruikt de schoonheid en ongereptheid van “zijn” Hemiksem om de enggeestigheid en het materialisme van de Dobouziez’ en hun vrienden beter te doen uitkomen: na een uur hebben ze genoeg van “al dat groen” en picknicken doen ze volgens het boekje, zonder zich af te vragen of ze wel de beste plek hebben uitgekozen.

Het hoofdstuk Hémixemheeft ook een zeker cultuurhistorisch belang; het leert ons hoe dagjesmensen en zelfs bezitters van een buiten hun tijd doorbrachten. Het is even virtuoos en “barok” geschreven als de rest van de roman; ik hoop dat daar in de vertaling iets van overblijft.

De abdij van Hemiksem (foto Kartix Fotoblog).

“Hemixem” [fragmenten]

Laurent staat voor het eerst op het dek van een schip. Een menigte nieuwe indrukken verzacht zijn verdriet. Bevallig als een vogel, die zijn eigen kracht uitprobeert voor hij aan een steile klim begint, maakt het jacht enkele rondjes. Alsof het dan pas de juiste koers vindt, vaart het weg, gedreven door de hogere druk van de stoom in de machine – de grote, onzichtbare hand die het voortduwt.

Voor de ogen van Laurent ontvouwt zich het weidse redegezicht, dan pas vallen hem de gedurfde, ja grandioze verhoudingen van de monumenten op.

Het is alsof de stad zelf oprijst uit de grond. Achter het dichte gebladerte van de bomen op de kade verschijnen de daken van de huizen, en daarachter, hoger dan de hoogste woningen, verrijst het schip van de kerken, uitkijkend over de daken van de pakhuizen en over markten en oude hallen. En dan, hoger, altijd hoger, klimmen torens, donjons en campaniles alsof ze de hemel bestormen – tot ze zich, buiten adem, gewonnen geven, allemaal, behalve de glorierijke spits van de kathedraal.

[…]

De eerbiedige reiziger kijkt uit over het land: de lemige polders, steenbakkerijen die rode vlekken vormen tussen de groene dijken, witte villa’s, omgeven door ijle bomenrijen, van waar men langs uitgestrekte grasvelden uitkijkt over de stroom. Maar het is de Schelde zelf, die het meeste indruk maakt op de scholier.

Met de gretigheid van een banneling aan de vooravond van zijn vertrek, laat hij de beelden, de geuren en geluiden in zijn hart vloeien, om ze op te slaan voor de dromen en herinneringen die hij nodig heeft, de vele dagen die hem wachten in de vreemde.

[…]

Neef Guillaume overlegde met Béjard, Saint-Fardier en de eminente advocaat Vanderling. Als zij de Schelde af en toe een blik waardig keurden, was dat alleen omdat zij het hadden over de winsten die een naamloze venootschap kon maken dank zij een lucifersfabriek of een guano-opslagplaats op zijn oevers.

Regina droeg een jurk van roze mousseline; op haar krullenbol prijkte een strohoed à la Lamballe. Zij was het middelpunt en de bezielster van een groepje jonge meisjes die luisterden naar haar scherpe opmerkingen over de jongelui, aangevoerd door de broers Saint-Fardier. Die staken af en toe het dek over tot bij de lachende meisjes en debiteerden de een of andere bespottelijke galanterie.

Aanlegsteiger (Foto Heemkundige Kring Heymissen).

[…]

Het jacht meerde op onberispelijke wijze af aan de steiger van Hemiksem. Aan land verliep het programma vlekkeloos. Tijdens de wandeling vertelden de gelegenheidstoeristen elkaar de naam van de eigenaars van de villa’s en kastelen. De jongelui deden hun best om te schatten hoeveel paarden in de stallen stonden; de bakvissen slaakten verrukte kreetjes bij het zien van de prachtige witte zwanen, en ook van de rozen, die zo mooi roze waren.

Op een bepaald moment hield het groepje eerbiedig stil voor een verguld hek. Daarachter liep een heerlijke dreef. Tussen de bomen, aan de overkant van een gazon, stond een juweel van een paviljoen in renaissancestijl.

Kasteel Monnikenhof.

“Mooi, heel mooi,” zei Béjart. Hij en de onafscheidelijke Dupoissy hadden de anderen ingehaald. “De baron van Waerlant woont hier. Chic, zeker. Maar voor driekwart gehypothekeerd. De tent kost niet meer dan vijftig duizend ballen – bovenop de hypotheken. Die lopen op tot zo’n honderdduizend frank. Iemand geïnteresseerd?”

“Luie, libertijnse aristocraten verdienen niet beter,” zei de neusstem van Dupoissy. Hij klonk als de voorzanger in een uitvaartmis.

Béjarts cijfers temperden de geestdrift van het welopgevoede gezelschap, waarvan niemand door de gedachte aan schulden werd geplaagd. De wandelaars stapten snel voort. Ze staken hun neus in de lucht en probeerden niet meer te denken aan de bewondering die ze daarnet hadden gevoeld voor het onroerend goed van de baron. Het was alsof ze vreesden dat de in het nauw gedreven eigenaar plots van tussen de bomen op hen toe zou stappen en hun om een lening vragen.

Een uur lang liepen ze onder het blauwe zwerk vol zingende leeuweriken, tussen weiden met geurende hooischelven. Zonder dat ze het toegaven, hadden ze schoon genoeg van al dat groen en blauw, boerderijen waar niets verroerde en buitenplaatsen wier bewoners ze niet kenden.

Tenslotte kwamen ze bij een sparrenbos – het enige in de buurt. Het ging om een onaanzienlijk, aangeplant bosje dat het eigendom was van de eerste commies van de Dobouziez’. De man verstond de geneugten van het land en van een déjeuner sur l’herbe Want daar waren alle deelnemers aan de uitstap het over eens: voor een picknick had men een bos nodig.

Hemiksemhof.

Ze waren hierheen gekomen door majestueuze dreven met beuken of eiken, waar koelte tot verpozing noodde. Maar ze wilden een bos, ook al zag het er miserabel en schraal uit, en wierpen de coniferen zo weinig schaduw af dat de dames er hun parasol nodig hadden.

Men haalde de mondvoorraad te voorschijn. Het eten was koud. En omdat het ingenieuze apparaat dat de champagne koel moest houden, dienst weigerde, dronk men hem warm. Zo gaat het meestal met wonderen van de techniek! Toch verliep de maaltijd in een opperbeste stemming: de hitte en de vervloekte machine zorgden voor voldoende gespreksstof.

Angèle en Cora Vanderling hadden Gaston en Athanase Saint-Fardier met hun kokette maniertjes bekoord; de twee waren niet bij hen weg te slaan. Rupsen en kevers die op de borden en in de halsuitnijding van de jongedames vielen, boden hen de kans om aan de meisjes te plukken, zogezegd om hen van het ongedierte te verlossen.

Een troepje boerenkinderen haastte zich na de hoogmis terug naar hun gehucht. Toen ze de mensen uit de stad in de gaten kregen, hielden ze halt. Na opgewonden gefluister overwonnen ze hun achterdocht en hun schrik kwamen dichterbij. Met rode gezichten duwden ze elkaar voort.

Callebeekveer – de aanlegplaats.

Ze kregen wat restte van vleespasteien en belegde broodjes, half opgegeten stukken vlees en het karkas van het gevogelte. De meisjes stopten het eten in hun schort; de jongens laadden het in de zakken van hun kiel. Toen de kinderen weer op weg gingen, riepen de wandelaars hen nog eens terug en schoven de amper aangebroken flessen onder hun armen.

Dit intermezzo hield hen bezig tot het tijd werd om naar het buitengoed van de Dobouziez’ te gaan. Neef Guillaume, zelf een geoefend wandelaar, stelde voor om langs een omweg terug te keren naar de plaats van vertrek. Maar zijn gasten wilden eerst weten of dat traject meer schaduw bood, en of er iets anders te zien viel dan velden en bomen.

Na lang peinzen schoten M. Dobouziez geen andere bezienswaardigheden te binnen dan een verlaten jeneverstokerij en de Sint-Bernardskazerne. Daarom koos de meerderheid voor de kortste weg, ook al hield die het risico in dat men de armlastige baron op het lijf liep.

In afwachting van het diner gingen de dames naar boven om het stof van hun kleren te slaan en om zich te verfrissen; de heren brachten een bezoek aan de ‘eigendom’.

Georges Eekhoud.

Het eten liet niets te wensen over – vooral niet aan deze lieden, die zo weinig voelden voor de landelijke keuken. Toch zongen zij unaniem de lof van hun maaltijd in open lucht, en zij die daarstraks nauwelijks gegeten hadden, veinsden dat hun grote eetlust hen verbaasde. Het was de wandeling, zeiden ze, de wandeling en de frisse lucht…

De koffie werd op terras voor het huis geserveerd. Béjard bracht Gina naar de piano en vroeg haar te zingen. De mooie avond, de bries van over de Schelde, de avondlijke geur van de bomen en de stilte, doorbroken door het gesjirp van de krekels, lokten Laurent in de tuin. In de schemer sloeg hij de snelle, hoekige vlucht van de vleermuizen gade die waren opgeschrikt door de uitzonderlijke aanwezigheid van de meesters van het verwaarloosde buitengoed.

Tot helemaal achteraan in de Engelse tuin hoorde hij de heldere, parelende stem van Gina. Ze zong op goddelijke wijze de wals uit Romeo en Julia van Gounod – de uitvoering overtrof de muziek.

Verschenen in BODDAERT, F., LAMPO, J., LOMBAERDE, P., MEEWIS, W. EN REETH, I. VAN, 750 jaar Sint-Bernardusabdij, Deurne, Continental Publishing; Hemiksem, Gemeentebestuur, 1996.

Column – “Een vreemde, nieuwe schoonheid”.

Rede, uitgesproken bij de Dodenherdenking op de Stedelijke Begraafplaats Schoonselhof op 11 november 2010.

Dames en heren,

Bij een zijingang van deze militaire begraafplaats staat een onopvallende gedenksteen, gewijd aan “de vijf helden”, Belgische kanonniers die in 1914 sneuvelden aan de Groenenhoek – één van de Groenenhoeken in de Antwerpse agglomeratie. Het was de inslag van een Duitse obus die een einde maakte aan hun jonge leven.

Waar de vijf mannen stierven, plantte men na de Grote Oorlog een “boom der vijf helden”. Nadien werd die, op initiatief van het Franstalige liberale dagblad Le Matin, verplant naar hier. De vijf werden echter in Berchem ter aarde besteld. Om alles nog ingewikkelder te maken, is de boom verdwenen en nooit vervangen.

Vijftig meter verderop staan wij tussen de graven van jonge mannen met voornamen als Séraphin, Egide en Valère, die ons na bijna honderd jaar enigszins vreemd in de oren klinken. Sommigen van hen, verrassend velen zelfs, heten trouwens “onbekend” of “inconnu”. U moet er maar eens over nadenken hoe dat komt.

Waren onze vijf kanonniers helden? Het zou kunnen. Zij deden in ieder geval hun plicht – een concept waar wij het vandaag eerder moeilijk mee hebben. Wie in die heroïsche tijdens zijn plicht niet deed, werd natuurlijk wel gefusilleerd, ongeacht de omstandigheden. De dood van de vijf kwam snel. Laten we, al was het maar voor onze eigen gemoedsrust, aannemen dat ze pijnloos was. Een kort moment van verwondering en dan het niets.

De vijf ontsnapten in ieder geval aan de verschrikkingen – kou, water, slijk, ratten, het wachten en de onverdunde doodsangst – van de jarenlange loopgravenoorlog. Geen lange, uitzichtloze fysieke lijdensweg was hun deel, zoals dat van anderen die hier begraven liggen onder zerken met jaartallen als 1919, 1921, 1923.

De Eerste Wereldoorlog was het resultaat van opgezweept nationalisme, een jarenlange wapenwedloop, noodlottige internationale verdragen en een blind streven naar hegemonie. Dat alles overgoten met dezelfde saus van heldenmoed, vaderlandsliefde en geestdriftige optochten die wij nog kunnen zien op beverige, zwart-witte filmbeelden, zij het zonder de opzwepende marsmuziek die in de driedimensionale werkelijkheid van eertijds weerklonk.

De achttien- en twintigjarigen, hier rondom ons begraven “als zaden in ’t zand”, waren beslist verontwaardigd over de Duitse inval van 4 september. Misschien dachten ze dat ze hun ouders, hun lief of hun vrouw en kinderen moesten beschermen. Daarbij kwam, wie weet, gehechtheid aan hun dorp, hun steeg of hun plein om de hoek kijken. En natuurlijk kenden ze, voor even toch, het enthousiasme waarmee verandering, beweging en avontuur jonge mensen vervullen.

“Bloed en bodem,” schreeuwden de kranten, zelfs de bezadigde Matin die nadien zo goed voor “zijn” vijf helden zou zorgen. En ze kregen hun zin, de “dagbladschrijvers”: het bloed van miljoenen doordrenkte de bodem. Bloed en ingewanden en ledematen. De loopgraven van de Ijzer en zoveel andere fronten. Loop-graven, alsof de soldaten bij leven al in een graf woonden.

Drie weken nadat de eerste Duitsers de Belgische grens overstaken, was Antwerpen een belegerde stad. Vandaag is dat beleg van onze stad bijna vergeten. Maar toen was het wereldnieuws. Het inspireerde de Engelse auteur Ford Madox Ford tot het lange gedicht Antwerp: “Gloom! / An October like November / […] / And then was Antwerp… / In the name of God / How could they do it?”

“How could they do it?”

Ford staat versteld over de moed, jawel, van de Belgen – mijnwerkers, landarbeiders, imkers, nederige soldaten in lelijke uniformen en met lelijke mutsen, die net zo goed afzijdig hadden kunnen blijven.

“That is a strange new beauty”.

En dan schrijft hij over de menigte Belgische vluchtelingen, vrouwen en kinderen, bijeengepakt voor het station Charing Cross in Londen:

“This is Charing Cross; it is past one of the clock / There is very little light / There is so much pain.”

Het gros van het Belgische leger heeft zich eind september 1914 teruggetrokken achter de Antwerpse forten. De Duitse hoofdmacht rukt, volgens het plan Von Schlieffen, in zuid-oostelijke richting op naar Frankrijk en doet aanvankelijk weinig moeite om Oost- en West Vlaanderen te veroveren. Maar de Belgen ondernemen enkele relatief succesrijke uitvallen en in Berlijn fronst men de wenkbrauwen.

Generaal Von Beseler zet tussen de 125 en 200.000 soldaten in tegen de forten langs Rupel en Nete. De overlevenden van het garnizoen van het fort van Walem ontsnappen, één na één, via een ladder. De historische kern van “Schoon Lier” ligt voor driekwart in puin. Een Duits vliegtuig scheert over Antwerpen en strooit pamfletten uit: de belegerden kunnen zich maar best overgeven.

Op 3 oktober arriveert de Britse minister van de marine, Winston Churchill – dé Winston Churchill, jawel – in Antwerpen met 8.000 piepjonge, halfopgeleide en slecht uitgeruste soldaten. Drie dagen later steken de Duitsers de Nete over en nog een dag later neemt de Belgische regering veiligheidshalve de wijk naar Oostende.

Tienduizenden vluchtelingen uit de streek tussen Mechelen en Antwerpen zoeken hun heil in de Scheldestad. Generaal Deguise en burgemeester Devos roepen de bevolking op de stad te verlaten. Want als Antwerpen zich niet overgeeft, wordt het gebombardeerd, zegt Von Beseler.

“La situation est bonne,” aldus de kranten.

Vòòr de stad ligt een scheepsbrug over de stroom. Daarover begint het Belgisch leger zijn aftocht. Ruiters, carabiniers op de fiets en “auto-mitrailleuses”. De Duitse schepen die van vòòr de oorlog in de haven liggen, worden onklaar gemaakt; men steekt de petroleumopslagplaatsen op het Kiel in brand. Zwarte wolken maken van de middag middernacht. Rode vlammen likken aan hun donkere buik.

Tienduizenden verlaten de stad.

De avond van 7 oktober is Antwerpen verduisterd. Om zes uur houden de trams op met rijden. Enkele minuten voor middernacht begint het bombardement. Achteraf blijkt de schade beperkt, al zijn wel tientallen huizen verwoest.

’s Ochtend vluchten zo’n honderdduizend mensen met passagiers- en vrachtschepen, zeiljachten, lichters, mosselschuiten – met alles wat vaart kortom. Een kwart miljoen inwoners zet zich te voet in beweging, richting Nederland. Vrouwen en kleuters en bejaarden, met fietsen, stootkarren, kinderwagens. Jonge vrouwen bevallen onderweg; ouderlingen gaan dood.

Deze uittocht, schrijft de correspondent van The Times, “will probably live in history as one of the most pathetic incidents of all time.”

Dan vindt plaats wat ik maar de Antwerpse “staatsgreep” noem. De burgerlijke overheden krijgen geen contact meer met generaal Deguise die de Schelde is overgestoken. Op 9 oktober sturen het stadsbestuur, de provinciegouverneur en de Intercommunale Commissie een delegatie – gemeenteraadslid Louis Franck, senator Ryckmans en burgemeester Jan Devos – naar Kontich. Daar tekenen zij de overgave van de overblijvende forten. In de nacht van 9 op 10 oktober waarschuwen Franck en Devos de Belgische bevelhebbers en die staken het vuren.

De Eerste Wereldoorlog: een hecatombe met miljoenen doden. Tienduizenden sterven voor een paar meter grond. Ze vieren “feesten van angst en pijn”, om die àndere dichter te citeren.

De “grande Guerre” maakt een einde aan de autocratische regimes in Centraal-Europa en doet het parlementaire model zegevieren. Ons brengt ze het algemeen enkelvoudig stemrecht (voor mannen), de intrede van de sociaaldemocratie in de politiek, de geleidelijke democratisering van de samenleving die eindelijk lijkt ingezet. De moderniteit, zeg maar.

Maar de oorlog lost vooral veel nièt op. Op termijn levert hij Duitsland over aan de machten van het kwaad – een term die in deze historische context op zijn plaats is – en de westerse democratieën doet hij verzinken in zelfgenoegzaamheid die de roep om “daadkracht” doet aanzwellen – ook bij ons, laten we dat vooral niet vergeten. De voor tijdgenoten allicht onthutsende “massificatie” en de economische crisis van 1929 dragen daar het hunne toe bij.

Vandaag is een dag van medelijden, afschuw en goede voornemens. Maar vergeten wij vooral niet dat de omvang en de moorddadigheid van de Eerste Wereldoorlog – en van zijn gevolgen – slechts mogelijk was omdat hij gevoerd werd door en voor gezagsdragers en organisaties die zich niet hoefden te verantwoorden. Laten wij daarom voortaan iedereen “boven” onszelf tot verantwoordelijkheid dwingen. Dat is de beste manier om de Séraphins, Egides en Valères en de vijf helden van de Groenenhoek – ze hadden onze groot- of overgrootvaders kunnen zijn – te gedenken.

Literatuur / Kunstgeschiedenis – “Zie daer de trekken van een Nederlandsch penseel!” Jan Frans-Willems over de schilderkunst, 1815-1825

1. Quinten Metsys op de planken.

De avond van 4 december 1814 heerst in de zaal van de herberg Sint-Jorishof aan de Antwerpse Schuttershofstraat een feestelijke sfeer. Tot Nut en Vermaek, de toneelafdeling van het onderwijzersgenootschap Tot Nut der Jeugd, speelt de première van Quinten Metsys of Wat doet de liefde niet. Het gaat om het tweede toneelstuk dat de jonge, gelauwerde dichter Jan-Frans Willems voor de vereniging heeft geschreven. De auteur neemt zelf de titelrol voor zijn rekening.

Met de voorstelling draagt het genootschap bij tot de feestelijkheden n.a.v. de terugkeer uit Parijs van de schilderijen die de Fransen uit Antwerpse kerken en kloosters hebben geroofd (1). De kroniekschrijver Jan-Baptist van der Straelen (1761-1847) noteert: “De 4 December savonds ten 7 uren wird alhier met het geluij van alle de klokken en het grof geschut aangecondigt, de aenkoomste van onze hernomen schilderijen, welke morgen middag binnen deze stad zullen aangevoert worden.” (2)

“In de bizondere sfeer van nationale trots, die over de stad hangt,” schrijft Ger Schmook, “krijgt het […] toneelstuk een […] zeer bizondere betekenis, omdat het eveneens de eigenwaarde van den Vlaming op het voorplan brengt. Antwerpen krijgt zijn schilderstukken weer, op het ogenblik dat een Vlaming zich opwerpt tegen de invloed van een franciserend bevolkingsgedeelte.” (3).

Willems laat de gedrukte versie van zijn Quinten Matsys, opgedragen aan zijn mentor, “Mr. Bergmann, te Lier”, voorafgaan door een verantwoording (4). De schrijver van een historisch verhaal moet duidelijk maken “waerom hy, in het geval dat hy verhandeld [sic], zich niet steéds aen het Historische houd [sic].” (5)

Willems vat eerst de legende samen dat Metsijs ziek werd en daarom zijn oorspronkelijke vak van smid niet langer kon uitoefenen en houtsneden begon in te kleuren. Maar, voegt de schrijver hieraan toe, “men kan uyt veéle bewysstukken afleyden dat hy op de Dochter van eenen Antwerpschen Schilder verlievende, eenen anderen Schilder, die echter van dit Meysje min dan hy begunstigd wierd, tot Medevryer had; dat hy, zonder in het schilderen ervaeren te zyn […] zich vervolgens van die Kunst en eyndelyk van het Meysje, zou meester gemaekt hebben. (6)”

Voorts, zegt Willems, “wilt men hier ter Stede” dat de jonge vrouw op wie Quinten verliefd was, de dochter van Frans Floris, “ter bekoming van welke hy de Wesp, op Floris afval der Engelen, zou geschilderd hebben.” Hij beseft echter dat zulks onmogelijk is “dewyl het bekend is dat Quinten in 1529” stierf. Hij vermeldt de 17de-eeuwse biografie van Metsijs door “zekeren A. Van Fornenberg”, maar erkent dat hij het boek niet heeft gevonden en niet weet wat de auteur te melden heeft “van Frans Floris of wie Wesp”. Carel Van Mander, “den anders zo nauwkeurigen”, zegt er niets over (7).

Willems citeert vervolgens de Latijnse verzen die Lampsonius over Metsys schreef. Daarin wordt eveneens verteld dat Quinten verliefd werd op een meisje – dat echter niet nader genoemd wordt – en een tweede aanbidder had die schilder was. Omdat ze afschuw voelde voor Quintens ruwe stiel, besloot hij ook schilder te worden. Willems citeert tenslotte ook de Nederlandse vertaling van deze verzen door Van Mander (8).

De laatste auteur die hij vermeldt, is “den schrandere Roman-schryver d’Arnaud” die “van onzen Quinten ook het onderwerp eener schoone vertelling [heeft] gemaekt”. Het gaat om de 18de-eeuwse Franse veelschrijver François-Thomas Marie de Baculard d’Arnaud (1718-1805) (9). In het prozawerk Délassements de l’homme sensible, dat vanaf 1783 verschijnt en uiteindelijk 21 boekdelen beslaat, beschrijft deze “de genoegens van het sentiment”.

Het 10de deel van het 5de boekdeel, aldus Willems, bevat het verhaal Quintin Messis, ou ce que peut l’Amour honnête. Meteen weet de lezer waar hij de titel van zijn toneelstuk vandaan heeft. Willems citeert een lange passage uit het verhaal. Daarin heet het meisje Susanne. Haar vader houdt een wedstrijd om te bepalen welke schilder de hand van zijn dochter krijgt – “’t geen”, aldus Willems, “te verre boven het waerschynelyke gaet”.

Net wanneer de vader van Susanne op het punt staat te zeggen wie het beste tafereel heeft geborsteld, verschijnt een onbekende. Hij draagt een schilderij met “un amour, attachant, avec une guirlande de fleurs, le Portrait de Susanne au faite d’une pyramide; une truelle, qu’il avait à la ceinture, indiquait aisément que cet édifice était son ouvrage; au bas, on lisait ces mots: DE QUOI L’AMOUR NE VIENT-IL PAS À BOUT!” (10).

De vader roept uit dat de onbekende het mooiste schilderij heeft gemaakt en met Susanne mag trouwen; de andere schilders geven toe dat zulks inderdaad het geval is. De onbekende is natuurlijk “Quintin, ce grossier artisan qui avait été réjetté [sic] avec une sorte de mépris.”

Ziedaar, schrijft Willems, “al wat ik u over Quinten Matsys kon en moest mededeelen”. Hij voegt er nog aan toe dat hij zijn stuk eerder op de “meestbekende mondelyke verhaelen” dan wel op “de Historische” heeft gebaseerd (11).

In de slotparagraaf veinst Willems dat hij beseft dat in het stuk te veel “over het vlaemsch” wordt gesproken en dat zulks “der hoofdzaek afwykend” is. Dit, beweert hij, is toe te schrijven aan het feit “dat dit Toneelstuk doór een Genoótschap, ’t geen onze Tael weét te waerdeéren, gespeéld is en dat men eene reeds ingewortelde bastaerdgewoonte niet genoeg kan te keer gaen”.

Die “bastaerdgewoonte” bestaat erin “zonder de fransche tael magtig te zyn” te doen alsof men van geen Nederlands verstaat. Wanneer men dit alles overweegt, besluit de auteur, “zal men die redenkaveling niet te lang oórdelen.” (12).

2. “Dat is geen’ Vlaemsche school”.

In het eerste tafereel van Quinten Matsys, of wat doet de liefde niet! schrijft Emilia een brief aan Quinten, de man van wie ze houdt, zonder te weten waar hij is. Nadat haar vader, Floris, Quinten haar hand heeft geweigerd, is hij vertrokken. De knecht Philip vertelt Emilia dat hij Quinten in de stad heeft gezien en stelt voor hem te halen. Philip vertrekt; Emilia betwijfelt of Quinten wil komen.

Floris betrapt Philip en maakt hem Emilia’s brief afhandig; hij eist dat zijn dochter Quinten vergeet. Emilia herinnert Floris aan zijn liefde voor haar moeder. Floris is ontroerd, maar blijft erbij dat zijn dochter met een schilder, met name Wildert, moet trouwen: “Ja, déze godlyke Konst, daer ik sedert myne eerste jeugd my aen hegte, wil ik ook door myn Schoon-zoón zien uyt geoeffend worden.”

Emilia houdt niet van Wildert. Bovendien doet in de stad het gerucht de ronde dat die tijdens een verblijf in Italië de dochter van een koopman “te schande gemaekt [heeft]”. Wildert verschijnt zelf. Hij hoort Floris Emilia verzekeren dat de verleider van het Veronese meisje inderdaad een Antwerpenaar was, maar dat zijn identiteit niet vaststaat. Wildert is gerustgesteld.

Zijn franskiljonisme en lef blijken meteen: “Bon jour Papa! Hoe gaet het? – charmante Emilie! Wat ben ik gelukkig dat ik u hier met uw Papa vind, om u beyde myn respect te kunnen presenteéren.” Wanneer Emilia zegt dat zij Wilderts complimenten niet verdient, gaat hij voort: “Een’ Beauté die zoo veel délicieuse sentimenten inspiréert als gy, zou pourtant moeten sensible zyn voor de veneratie van imand als ik.”

Zoals Willems aangekondigde in zijn voorwoord, ontstaat een discussie over het Vlaams. Floris vindt dat aan die taal niets mankeert. Wildert repliceert:

“En ik zeg, zonder u te facheéren, dat zy alle défauts heeft. Men exprimeért ‘er zich nooyt just in. Ze is à peu près als een Muziek-instrument dat niet gesteld is, en daer men toch wilt op speélen. Alle efforts zyn à pure perte, het gaet altyd valsch en dissonant.”

Wildert voert aan dat de advocaten “het ook indespensable [hebben] gevonden van eenige woórden uyt het fransch te emprunteéren; om reden, zeggen ze, dat het vlaemsch in hunne actens en plaidoyers alleen, niet suffisant, niet Clair genoeg is.” De schilder voegt eraan toe dat zijn “systeém” – het is niet duidelijk of hij Frans spreken bedoelt, dan wel het gebruik van Franse termen – “universeélyk zal gepratiqueérd, […] en gejustificeérd worden.”

In het 6de toneel bekent Emilia aan Wildert dat zij de smid Quinten Metsys bemint. Wildert heeft gehoord dat die in Florence als schilder onderscheiden is, maar houdt dat achter zijn kiezen. Hij suggereert dat Quinten een Veronese koopmansdochter heeft zwanger heeft gemaakt.

Philip kondigt de komst van een bezoeker aan en maakt Emilia duidelijk dat het om Quinten gaat. Ze voelt zich niet in staat hem te ontvangen. Wildert ontfermt zich over de vreemdeling, zonder diens identiteit te beseffen. Hij denkt dat de man die Floris’ schilderijenkabinet wil zien, een Italiaan is. Maar Quinten maakt duidelijk dat hij uit Brabant komt.

WILDERT

Ha! eenen Brabander! Maar die Italien als het Vaderland der Beaux-Arts tot het zyne uytgekoozen heeft?

QUINTEN

Neen: die zyn Vaderland bemint, kent’er geen ander.

WILDERT

Gy hebt veel Patriotisme, Mynheer.

QUINTEN (met nadruk)

Dat voegt eenen Belg! – Verwondert gy u daer over?

WILDERT

Wel, à dire vrai, een weynigje; want zulke sentimenten zyn tegenwoórdig raer.

Identiteit, zo blijkt, heeft alles te maken met hoe men schildert; wie zijn identiteit verloochent, produceert slechte kunst. Wildert vestigt Quintens aandacht op een landschap.

WILDERT

Wat dunkt u van dit Landschap, Mynheer? Is het niet frappant?

QUINTEN

Dat is geen’ Vlaemsche School.

WILDERT

Neen, gy hebt gelyk; ‘k zie dat g’er u aen verstaet. ’T Is in de genre van d’Italiaenen door eenen jongman van deéze Stad gemaekt, die lang in die Landstreek geséjourneérd heeft. – Door eenen élève van Leonardi Davinci.

QUINTEN

’T is slegt geschilderd.

WILDERT

Wat zegt gy?

QUINTEN

[…] De Natuer is’er in overdreéven. – Het coloriet is te sterk.

WILDERT (in gramschap)

Neen, gy verstaet’er u niet aen, Mynheer! Die Schildery is ryk in coloriet; ze is niet geoutreérd. Zy is na de Natuer gecopieérd, ’t is een geächeveérd Stuk; enfin – ik heb het geschilderd!

Het enige wat Quinten goed vindt aan Wilderts schilderijtje, is de tekening.

Wildert laat Quinten alleen; hij moet Floris spreken. Quinten beseft dat Wildert met Emilia gaat trouwen. Hij ontdekt het portret dat Floris van zijn dochter aan het maken is, pakt een penseel en schildert “eene bie op haere honingzoete lippen.”

Philip vertelt Quinten dat Emilia hem niet wil zien. Philip zal aan Emilia meedelen dat Quinten daarom boos is weggelopen. Quinten moet zich in Philips kamertje verstoppen. Vandaar zal hij kunnen horen wat Emilia daarop zegt. Philip vertelt Quinten ook wie Wildert is. Quinten weet dat het om de avonturier gaat die in Verona “de Dochter van den koopman Goldini verleyd en schandig die Stad verlaeten heeft.” Hij blijkt daarover zelfs “papieren” op zak te hebben. Zo eindigt het eerste bedrijf.

Floris verbaast zich over het prompte vertrek van de bezoeker. Wildert beklaagt zich over diens kritiek op zijn schilderijtje. Floris zegt: “Hy had mischien geen ongelyk. Eenen Schilder moet altyd in aendagt neémen dat de Konst Natuer moet worden, maer de Natuer geen’ Konst […].”

Floris toont Wildert zijn portret van Emilia. Wildert is vol lof over de bij. Floris denkt dat het om een echt exemplaar gaat en wil de bij wegjagen. Wanneer hij inziet dat ze geschilderd is, staat hij verstomd. Uit de woorden van Philip blijkt dat de bezoeker de bij heeft geschilderd.

Uit een monoloog van Emilia blijkt haar liefde voor Quinten. Quinten komt uit het kamertje van Philip en verklaart Emilia zijn liefde. Wanneer zij hem afwijst omdat ze niet hetzelfde lot wil ondergaan als de dochter van Goldini, wijst Quinten Wildert aan als de schuldige. Emilia gelooft hem.

Quinten maakt zichzelf bekend aan Floris en vraagt hem opnieuw om Emilia’s hand. Floris windt zich op. Wanneer Wildert terugkeert, herkent hij de vreemdeling. Floris en Emilia vernemen dat Quinten de bij heeft geschilderd. Emilia is blij dat haar beminde niet langer een smid is; Floris schaamt zich voor zijn vroegere gedrag.

Quinten vertelt dat de liefde hem twee jaar geleden tot het besluit bracht naar Italië te reizen en daar schilder te worden – wat wonderwel gelukt is, alweer dankzij de liefde. Floris geeft Quinten en zijn dochter toestemming om te trouwen. Wildert wil nog gauw opnieuw het verhaal over de verleide koopmansdochter te berde brengen, maar Quinten bewijst dat Wildert zelf de boosdoener is. Wildert loopt weg.

Quinten Matsys, of wat doet de Liefde niet! is een eenvoudig burgerlijk blijspel. De auteur drijft de spot met de pretentieuze Wildert die pleit voor het Frans. Die “betekenislaag” speelt in op herkenning door het publiek, waardoor een komische effect ontstaat. Wildert is echter ook schilder, en meerbepaald een wiens werk – Quinten zegt het letterlijk – niet tot de “vlaemsche school” behoort.

Wildert beroemt er zich op dat hij een leerling is van “Leonardi Davinci”. Hij erkent dat hij buitenlandse voorbeelden navolgt. Quinten maakt duidelijk wat daar mis mee is: Wilderts werk is “slegt” geschilderd omdat het felle coloriet de “natuer” overdrijft, d.w.z. leidt tot een niet-getrouwe afbeelding van het onderwerp.

Floris bevestigt dat een schilder “in aendagt [moet] neémen dat de Konst Natuer moet worden, maer de Natuer geen’ Konst”, het realisme van de voorstelling primeert; de kunstenaar mag de natuur niet vervormen om te beantwoorden aan een ideaal.

Uiteraard gaat het hier om een anachronistische discussie – de opinies van de personages slaan op de kunst van Willems’ tijd, vlak na Waterloo, wanneer het classicisme nog oppermachtig lijkt. Een schilder moet trouw blijven aan zijn “eigen” school en in het geval van een “Belg” betekent dat: aan de natuur (een bepaald realisme), niet aan een artistieke theorie.

Willems is de eerste literaire auteur die deze mening in het Zuiden op schrift stelt; ze zal de hele 19de eeuw doorklinken in het werk van Belgische en Vlaamse kunsttheoretici.

3. “Op het wederkomen der Schilderstukken”.

Quinten Metsys kent zoveel bijval dat op 7 en 14 december nog twee voorstellingen plaatsvinden (13). Het Journal de la Province d’Anvers van courantier Jouan publiceert 7 artikels over het succes, geschreven door een zekere “F” (14). Het onderwerp van Willems’ stuk, zegt deze, is “vraiment national”.

Men wordt getroffen door het patriottisme en de bewondering voor grote schilders die eruit spreekt, al is de komedie soms een beetje “hardi”. Maar dat is een eigenschap “qui distingue […] les grands génies” (!). Bij de tweede opvoering is het publiek nog briljanter dan bij de eerste, en talrijker. “Tout ce qu’il ya de plus distingué parmi nos concitoyens, ornait la salle.” Onder de aanwezigen zijn de leden van de commissie die de kunstwerken uit Parijs haalde, de directeur van de Academie en de leiding van “Société d’encouragement”. In de zaal niet genoeg plaatsen en heren staan hun zitje af aan dames.

Wanneer het doek zakt, wordt Willems terug op de bühne geroepen. Het publiek wil zijn ode horen over de terugkeer van de schilderijen, “qui bien mieux que la défense de la langue des Belges, le flamand, qu’il a introduite dans sa pièce, nous fait voir de quelle beauté cette langue est susceptible, lorsqu’elle est maniée par une plume aussi habile que celle de Mr. J.F. Willems.” (15).

Het gedicht Aen Antwerpen, op het Wederkomen der Schilder-stukken telt 26 4-regelige strofen (16) en staat in de zopas op 400 exemplaren verschenen bundel Toejuyching der Leden van het Genootschap Tot Nut der Jeugd aen d’Antwerpsche Maetschappy der Schoone Konsten (17).

Triumph! ANTWERPEN! Juich! Uw’ scoone Schilder-stukken,

Die Vrankryks plonder-magt ,

Nu twingtig jaer geleên, durf van uw’ Altaers rukken, –

Zyn eyndlyk weêrgebragt.

Sinds twee-dry eeywen her had gy, in uwe mueren,

Dien onwaerdeérb’ren Schat,

Wiens Kunst-voortrefflykheyd den tyd-roest zal verdueren,

Zoo luysterlyk bevat!

Gy waert de baker-wieg der grootste Schilder-helden,

Waert Neêrlands Oeffen-school:

Uw’ naem klonk doór de faem van d’Hesperische velden

Tot aen den Noorder-poól!…

Willems beschrijft de roof van de kunstwerken door het “heir van roovers” dat “vlamt op buyt”, maar ook hoe God de hoogmoed van de Fransen strafte. Hij zwaait lof toe aan Wellington, Blucher, tsaar Alexander en “Koning Willems’ Zoón” die ervoor zorgden dat weer vrede heerst in Europa.

Ook gy, ANTWERPEN! Smaekt, als ’t loon van a uw lyden,

De vrugt der Zegeprael.

Geen wonder, want, wanneer de dapp”re BELGEN stryden,

Wie tart dan ooyt hun Stael?…

En zo is alles goedgekomen. De cyther, verzekert Willems de lezer, beeft “van verrukking” in zijn handen, nu “Onz’ Kunst-juweelen, die onschatb’re Glorie-panden” terug zijn.

4. De efemere Maetschappy der Kunstvrienden

Minder dan een jaar later, op 24 augustus 1816 – de verjaardag van Willem I – leest Willems in het Museum van de Academie het gedicht Over het Nut der Kunsten en Weétenschappen voor. Dat gebeurt bij de plechtige installatie van de Maetschappy der Kunstvrienden – Société des Amis des Arts, waarvan hij tweede secretaris is (18).

De vereniging is gesticht op initiatief van provinciegouverneur De Keverberg de Kessel. Ze wil de kunsten stimuleren en “zig ook bevlytigen om vreémde werkmiddelen, de gewoone leévenswyzen en de fabrieken toepasselyk, te kennen, en, tot aenwasch onzes volkvernufts, ten vaderlande in te voeren.” (19)

In zijn Franse toespraak stelt J.-B. Smits, de eerste secretaris, dat kunsten, wetenschappen en industrie bijdragen tot het geluk en de welvaart der volkeren. Tussen de beoefenaars ervan is daarom overleg nodig (20). De oude Antwerpse rederijkerskamers streefden dezelfde doelstellingen na (21).” Vier decennia na hun feitelijke verdwijning gebruikt Smits ze in zijn eigentijds, verlicht en vaderlandslievend discours.

Merkwaardig is de sociale noot in zijn rede: in Engeland leidt de ongebreidelde industrialisatie tot de verrijking van enkele fabriekseigenaars ten koste van een grote groep ambachtslui. Dit mag zich niet herhalen in het koninkrijk van Willem I (22).

Hoewel Frans de enig mogelijke wetenschappelijke taal is (!), verzekert Smits dat de “classe de Littérature et de Poësie” de taal “qu’on peut appeler nationale” [i.e. het Nederlands] wil zuiveren van “une infinité de termes populaires et mal sonnants qui sont peut-être la seule cause de la préférence qu’on donne à des idiomes étrangers (23).” Dat ligt duidelijke in de lijn van de schoolmeesterskring Tot Nut der Jeugd.

Tenslotte vraagt Smits de affiliatie van de Kunstvrienden aan “la société instituée à Amsterdam, sous la devise Tot nut van ’t algemeen (24).” Hij is dus gesteld op samenwerking met het Noorden in een progressieve geest.

De voorzitter van de Maetschappy is burgemeester Floris van Ertborn (25), een der voornaamste kunstverzamelaars van zijn tijd. De betrokkenheid van de “eerste leeraer” van de Academie Van Brée is evident. Wellicht maakt ook academiedirecteur Willem Herreyns als ondervoorzitter deel uit van het bestuur

De Kunstvrienden zijn een vooruitstrevende club. De flamingante kunstgeschiedenis voert Herreyns in de 19de eeuw op als verdediger van de Vlaamse traditie tegen het classicisme, maar artistiek is de schilder helemaal niet zo “conservatief”. Hij werkt samen met het Franse bewind (26). Van Brée beleeft in Parijs de Franse revolutie; hij wordt er leerling van Vincent en geniet de gunst van Napoleon. Hij ziet er geen graten in om vanaf 1815 enthousiast het Hollandse bewind te propageren (27).

Tegelijk getroost hij zich, net als Herreyns, grote inspanningen voor het kunstonderwijs. Na zijn terugkeer in Antwerpen in 1804 geeft hij op eigen kosten gratis algemeen lager en artistiek onderricht aan arme kinderen. Eerste secretaris Smits (1792-1857) is een intellectueel die zijn opleiding geniet in de Franse tijd en zijn carrière uitbouwt onder het Hollandse en het Belgische regime. Hij stelt belang in bestuurlijke en economische problemen. Na 1830 wordt hij minister (28).

Willems’ eigen opvattingen blijken uit zijn gedicht (29). Het beoefenen van “de wetenschappen” leidt tot de “bestemming” van de mens, nl. “’t zelfverlichten en het weldoen”. De rede is de conditio sine qua non van de deugd. De “kundige”, i.e. de verlichte mens, ijvert voor zijn medemens en bespeurt in de natuur de werking van “de Almacht”.

De indruk kan ontstaan dat Willems de lof zingt van de Verlichting en de exacte wetenschappen, maar halverwege wordt duidelijk dat hij vooral over de kunsten handelt. “Geen tijd, geen wereldkring stelde ooit aan kunstvlijt perke,” zegt hij, “Haar hand beschaaft natuur, of helpt die in haar werken. / Waartoe die marmerklomp in ’s aardrijks ingewand, / Deed niet den kunstenaar, door zijn godenscheppend’ hand, / Een Venus, een Apol, daaruit geboren worden?…”

“De kunst,” vernemen we, “schikt alles tot welgevoelijke orden. Ten onrecht heeft Rousseau die hemeltelg gelaakt, / Of nimmer had hij ’t zoet haars invloeds recht gesmaakt” (30).

Zij schrijft der helden deugd op eeuwige eerpilaren,

Zij blijft de onsterflijkheid des ouden Belgs bewaren,

Want, was ons Caesars boek niet tot getuigenis,

Dat onder ’t Gallenvolk hij de allerdapperste is?

Maar de kunst doet nog meer:

De kunst is, als de deugd, een schat van zelfvermaak,

Een lust der zinnen; voor ’t verstand een kennisbaak;

Een levenskoesteres voor kranke lichaamsdelen;

Een schutsvrouw in den nood en troost in tegenheden.

Opeens vereenzelvigt de dichter opnieuw de kunsten en de wetenschappen, nadrukkelijk zelfs, in bewoordingen die zijn Antwerps gehoor allicht bevielen:

Door haar verdubbelt men des aardrijks vruchtbaarheid;

Het schip bruischt over zee door kunst alleen geleid;

’t Gesternte is dienstbaar aan den zeeman, op zijn reizen;

De kunst kan hem het spoor naar zijn bestemplaats wijzen;

Zij maakt van aarde en zee en vuur en lucht gebruik,

Opdat uit elke stoffe een nutte zaak ontluik’! –

De Kunstvrienden kenden een efemeer bestaan. Toch nemen ze nog minstens één initiatief. Op 10 november vindt in de tuin van de Academie de onthulling plaats van een borstbeeld van Rubens, gemaakt door Van Brée. Willems draagt een “ode aen den Oppermeester” met als titel Rubens of Rubens’ Borstbeeld (31). Hij richt zich, geheel en al in klassieke trant, tot zijn muze, die blijkbaar erg geëmotioneerd is – “Hoe bevend drukt uw hand de gulden cithersnaren!” – omdat zij het vaderland moet bezingen. Dit, aldus Willems, “wil voor geen volk op aard / In ijver, kunst en krijgsmoed wijken: / Zijn kroost is niet ontaard.” Pas in de vijfde strofe komt Rubens aan bod, zij het vooral als parel aan de “Nederlandse” kroon:

Antwerpen, eedle stad! Gij koesterde in uw muren,

Een kunstenaar, wiens naam den sleet des tijds verduren

En steeds met Neerlands naam in luister groeien zal!

’t Verderf moge op uw stadsvest gluren,

Een Rubens steunt uw wal.

Hierna volgen classicistische beschouwingen over “De hersendochter van den God der bliksemschichten / En hij, die met zijn koets deez’ aardbol komt verlichten” die “Rubens’ kruin [omstraalden] met al hun godengloor” enz. Willems stelt Rubens voor als een genie, een godenkind, in wie de “geest van ’t vaderland” ontlook. Zodra Willems ingaat op Rubens’ kunst, verandert de sfeer van zijn discours.

De schilder had een “vruchtbrer” brein en zijn werk getuigt, meer dan dat van anderen, van “leven, kracht en vier” en “ongewonen zwier”. Willems slaat een polemische toon aan – Rubens moet blijkbaar verdedigd worden:

Elk stipje toont natuur; ’t is of de beelden spraken!

Den nijd mag somtijds wel zijn losse teekning laken,

Maar ’t kunstvermogen wischt die vlekken lichtlijk uit.

Kan men ’t in Rubens altijd wraken

Dat niets zijn geestdrift stuit?

Natuurlijkheid en geestdrift – daar gaat het bij Rubens om, vindt Willems; zijn werk “spreekt” , m.a.w. appelleert rechtstreeks aan de emoties van de toeschouwer. Precies dat is het kenmerk van grote kunst. Willems soms vergelijkbare genieën op. Typisch genoeg zijn dat schrijvers, geen schilders en hoort ook Shakespeare (al) thuis in die rij.

Die losheid was de feil van vele groote mannen:

Bleef steeds Homerus’ lier al even stijf gespannen?

Had Shakspear, had Corneill’ steeds de eigen majesteit?

Neen! liever mag men ’t juiste bannen

Dan dat ons ’t schoone ontglijd’!

Schoonheid, die het resultaat is van natuurlijkheid, kracht, “vier”, “ongewonen zwier” en losheid – stuk voor stuk “romantische” eigenschappen, blijkt belangrijker dan juistheid, lees: de voorschriften van het classicisme. Dit laat zien dat Willems, zijn eigen poëtische benadering ten spijt, openstaat voor de nieuwe kijk op kunst die kennelijk in 1816 in Antwerpen opgeld maakt, misschien zonder dat men er zich helemaal van bewust is. De plaatselijke schilderkunst is nog niet romantisch; toch wordt Rubens reeds als wegwijzer naar een “nieuwe” manier van schilderen naar voor geschoven!

Rubens’ Borstbeeld verschijnt in de Antwerpsche Almanach van Tot Nut en Vermaek (32). Dat is de jaarlijkse publicatie waarmee Willems en Marten J. Van der Maesen zich bezighouden sinds de toneelvereniging haar activiteiten heeft gestaakt (33).

4. O treffelijk vertoog!

Van Brée legt zich intussen toe op onderwerpen uit de vaderlandse, i.e. Nederlandse, geschiedenis. De Zelfopoffering van burgemeester Van der Werff uit 1813 is zijn eerste proeve. Koning Willem I bestelt er in 1817 een grote versie van, thans in het Stedelijk Museum te Leiden (34). In de Almanach van 1818 verschijnt daarom het lange gedicht Op het voortreffelijk Schilderstuk van Mijnheer M. Van Brée, verbeeldende de standvastigheid van den burgemeester Van de Werff, gedurende het beleg van Leiden in 1574 door Jan-Frans Willems (35).

Wie voelt zijn hart niet door een eedle drift onsteken,

Wanneer hij van den roem zijns Vaderlands gaat spreken!

Wat Nederlander wordt geen wezentlijken held,

Wen hij der vaadren daân zich zelf voor ogen stelt?

Wie onzer dichtren wil Homeer niet overtreffen,

Wen hij van ’t voorgeslacht der Belgen aan gaat heffen?

Willems parafraseert in verzen de bekende geschiedenis van Pieter van der Werff (Leiden, 1529-1568-72), agent van Willem van Oranje en in 1573 een der vier burgemeesters van Leiden. Bij de belegering van de stad door de Spanjaarden in 1573-1574 ontpopt hij zich tot een bezield leider. Tijdens het tweede beleg heerst honger in de stad, maar de burgemeester weigert te capituleren. Op 15 september eist de bevolking brood of de overgave. Van der Werff spreekt de menigte toe:

“‘k Wil gaarne mij voor u en ’t land ten besten geven.

“Ik ken uw rampen, ‘k deel in d’algemeenen nood;

“‘k Geef willig wat ik heb; maar ‘k heb, helaas!, geen brood!

“Zoo, nochtans u mijn dood kan aan dien ramp ontrukken,

“Hier is mijn borst, stoot toe. Ja, snijdt dit lijf aan stukken!

“En deelt, zo ver gij kunt, mij aan mijn burgers rond.

“Ik ben den dood getroost, – ‘k sterf nog op vrijen grond.”

De dichter, hoe vooruitstrevend ook, is niet gesteld op opstandige burgers. De Leidenaars die de woorden van hun burgemeester horen, zijn zoals de “ongodist, steeds vreezend voor zijn leven” die zich “den moed ontglippen” voelt “op ’t hooren dezer taal.”

Dat Willems niet de inspirator van de schilder is geweest, blijkt intussen uit het feit dat een doek van Vincent, de Franse leermeester van Van Brée, als voorbeeld van de Zelfopoffering fungeerde. Het betreft De aanhouding van voorzitter Molé (1779), bewaard in de conferentiezaal van de Chambre des Députés in Parijs (36).

De anekdote die Vincent voorstelt, speelt in de tijd van de Fronde. Mathieu Molé (Parijs, 1586-1656) is voorzitter van het Parlement van Parijs. In november 1648 vraagt het parlement Mazarin en de regentes de vrijlating van enkele opstandige leiders. Wanneer de afvaardiging terugkeert, wordt ze in de straten van Parijs belaagd door burgers die haar van verraad verdenken. Ze bedreigen Molé met de dood. Een burger houdt de loop van een musket tegen zijn voorhoofd. Molé keert terug naar het Palais Royal en slaagt erin Anna van Oostenrijk tot de vrijlating van de gevangenen te overhalen.

Qua voorstelling zijn de gelijkenissen tussen de twee schilderijen te groot om op toeval te berusten. In beide gevallen beeldt de kunstenaar een gezaghebbende leidersfiguur af die op straat wordt aangeklampt door woedende burgers. Temperament en techniek van Van Brée zijn echter anders dan die van zijn meester. Het perspectief van de straat en de gesticulerende personages verlenen het doek van Vincent een uitgesproken dramatiek die teruggrijpt naar de barok. Van Brée’s schilderij is statisch; de personages bevinden zich in een brede straat met op de achtergrond een plein; van gedrang is – anders dan bij Vincent – geen sprake.

Wist Willems dat Van Brée Vincent navolgde? Waarschijnlijk niet – zelfs recente publicaties besteden geen aandacht aan het inhoudelijke aspect van De Zelfopoffering, waarmee Van Brée toch een nieuwe thematiek aansnijdt in de “Nederlandse” schilderkunst. De dichter geeft zijn vriend in ieder geval een plaats in de galerij der onsterfelijke meesters:

O treffelijk vertoog, ontstaan door deugdvermogen!

Wie stelt uw heerlijkheid ons, naar den eisch, voor oogen?

Neen! geene dichtpen schetst dit vaderlandsch tafereel,

Zulks is alleen bewaard voor ’t Antwerpsch kunstpenseel.

De verwen zijn daartoe op uw palet te vinden,

Van Brée! uw stoute geest durft slechts dit onderwinden.

Gij maalt ons Van de Werff in al zijn grootheid af.

Wij zien dien burgervoogd herrezen uit zijn graf;

Hij is op uw tafereel, men kan op ’t edel wezen

De vaderlandsche liefde in alle trekken lezen;

Diezelfde liefde heeft uw kunstpenseel geleid.

U wacht ook, met dien held, dezelfde onsterflijkheid.

5. Poëzy van den dichter en van den schilder

Willems trouwt in 1818 met zijn hospita, de bemiddelde weduwe Isabella Borrekens. “Nu komt de periode waarin hij slechts af en toe nog dicht, maar zich steeds meer als uitgesproken historicus en literair-historicus gaat profileren” (37). De vaderlandse kunst blijft hem echter nauw aan het hart liggen. Hij wordt voor of in 1820 bestuurslid van de Academie en niet in 1822, zoals Deprez stelt (38). Op 6 april 1823 houdt hij bij de openbare prijsuitreiking een rede over De poëzij van den dichter en van den schilder (39).

Hij kiest dit onderwerp omdat “Binnen weinige weken de vierjarige wedstrijd [zal] aanvangen, dien de weldadigste der koningen als eene andere Olympiade voor de kunsten heeft ingesteld.” Het gaat om de Prijs van Rome. Een Koninklijk Besluit van 13 april 1817 bepaalt dat de laureaat van de jaarlijkse wedstrijd – beurtelings in Amsterdam en Antwerpen – een beurs krijgt. De Prijs is op beide plaatsen afwisselend voor schilders en beeldhouwers.

De aanhef van Willems’ toespraak verraadt belangstelling voor de oorsprong en het wezen van de taal – een onderwerp dat in de 18de eeuw verscheidene filosofen bezighoudt. Maar wat volgt, is bijv. niet te herleiden tot de stellingen van de Duitser Johann Gottfried Herder (1744-1833) die hieraan een aparte verhandeling wijdt (40). Willems verbindt de taal met de Voorzienigheid, terwijl Herder juist met klem betoogt dat de taal een door de mens zelf ontwikkeld vermogen is (41).

Onder al de eigenschappen, die de mensch zich aanrekent, bestaat er vast geene, die hem meer boven andere schepselen verheft en bevoordeelt, dan dat alles beheerschend vermogen, waarmeê hij zijne gedachten en gewaarwordingen aan anderen mededeelt. De taal, het werktuig dier mededeeling, houdt hij met recht voor het onwaardeerbaarst geschenk, hem uit de volheid van Gods zegeningen toegevloeid.

De volzin “De taal behoort de ziel; zij is de tolk van dat eeuwige wezen, van dien anderen ik, dien wij in ons zelven gevoelen, en die, als vertegenwoordiger van eene hoogere wereld, slechts voor een korten tijd in aardsche lichamen zich laat ophouden” wijst misschien zelfs op (onrechtstreekse) invloed van de Zweedse occulte denker Emmanuel Swedenborg (42). Diens denkbeelden liggen kort voor 1848 nog mee aan de basis van de roman Ziel en Lichaem van Pieter-Frans Van Kerckhoven. Het blijft merkwaardig hoe Willems alleen in déze toespraak tot aspirant-kunstenaars over de taal spreekt, zonder de nationale identiteit ter sprake te brengen.

En gelijk de krachten der ziel paal noch perk kennen,” gaat hij voort, “zoo loopt ook de macht der taal, waarin en waardoor dezelve zich uitstort, tot in het oneindige. Wij bezitten het vermogen om elke gedachte, hoe nieuw ook, aan te duiden; het komt er maar op aan, dat men de kunst versta, zulk op de gevoeglijkste, zoo niet op de volkomenste wijze te doen; en hiertoe gebruiken wij zichtbare of hoorbare teekenen, klanken of gebaren. Vandaar die natuurlijke onderscheiding van beeldende en sprekende taal, van beeldende en redenende kunsten, welke alle daarheen strekken om gedachten voor te stellen.

Schrijven is, in dien zin, schilderen; het is klanken of zaken in den alphabetischen of hieroglyphischen vorm overbrengen; het is, gelijk wij het in onze schoone moedertaal zoo gepast weten uit te drukken, van een denkbeeld een zichtbaar evenbeeld vormen, – de ziel eene lichamelijke gedaante bijzetten.

De nadruk die spreker op de verbeelding legt, bewijst zijn affiniteit met de schrijvers en filosofen van de Duitse Aufklärung en zelfs met die van de Sturm und Drang. Opvallend is zijn gelijkstelling van de tekenaar met de geleerde en van de schilder met de dichter.

Wanneer nu een kunstenaar door deze uitdrukselen enkel het verstand aandoet, dan geeft hij blijken van wetenschap, en wordt redenaar of teekenaar genoemt. Roert en schokt hij daarentegen den geheelen mensch, verheft hij het hart, zet hij de verbeelding in vlam; dan kan men hem bezwaarlijk den eerenaam van dichter of schilder weigeren. Beide laatstgenoemden hebben […] hetzelfde doel, namelijk het mededelen van meer verhevene, met een woord, van poëtische aandoeningen, door zang of maat, of door kleuren en omtrekken.

De verbeelding definieert de “geheelen mensch” die via zijn poëtische aandoeningen in aanraking komt met het “verhevene”.

6. De les van Lessing.

Simonides noemde reeds in zijnen tijd de schilderkunst eene stomme dichtkunst, en deze eene sprekende schilderkunst. Dat zij wezenlijk daarvoor te houden zijn, hoewel eenige afwijkingen den oppervlakkigen beschouwer het punt van aanraking doen uit het oog verliezen, dit bevestigt de ondervinding van alle volken, van alle tijden.

Rob Roemans signaleert in 1927 als eerste de invloed van de Laokoon (1766) van Gotthold Ephraim Lessing op deze toespraak (43). Willems schrijft elders over zichzelf dat hij o.a. “Klopstock, wieland, kleist en / Gessner” heeft gelezen, zonder Lessing te vermelden (44). Maar zijn redevoering is tien jaar jonger.

De Duitse toneelschrijver en essayist Gotthold Ephraim Lessing (1729-1781) publiceert zijn Laokoön oder über die Grenzen der Malerei und Poesie in Berlijn in 1766 (45). Hij reageert op een uitspraak van zijn beroemde landgenoot Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), grondlegger van de kunstgeschiedenis en vereerder van de Griekse kunst en beschaving.

Winckelmann zegt in zijn boek Von der Nachahmung der griechischen Werke in der Malerei und Bildhauerkunst (1755) – een basistekst van het classicisme – dat de beroemde Laokoöngroep blijk geeft van “edle Einfalt und stille Grösse” (46). Voor Winckelmann zijn dat de bepalende eigenschappen van de Griekse kunst. Daar is Lessing het mee eens.

Maar Winckelmanns bewering dat ook de Griekse literatuur, bijv. het treurspel Filoktetes van Sofokles, erdoor wordt gekenmerkt, maakt hem “stutzig” (47). Dit vormt de aanleiding tot een uitgebreid essay waarin Lessing de verschillen tussen beeldende kunst en poëzie onderzoekt.

De beeldende kunst, zegt hij, mag geen sterke emoties weergeven. Die zijn in strijd met de eisen van de schoonheid.

“Ich wollte bloss festsetze, dass bei den Alten die Schönheit das höchste Gesetz der bildenden Künste gewesen sei. […] Wut und Verzweiflung schändete keines von ihren Werken.” (48)

Wanneer wij ons een emotie voorstellen, is het resultaat intenser dan wat wij gewaarworden wanneer de emotie ons getoond wordt. Maar in tegenstelling tot de beeldhouwer of schilder, die slechts een enkel ogenblik afbeelden, moet de dichter “sein Gemälde” helemaal niet “in einen einzigen Augenblick […] konzentrieren. Er nimmt jede seiner Handlungen, wenn er will, bei ihrem Ursprunge auf, und führet sie durch alle mögliche Abänderungen bus zu ihres Endschaft.” (49).

Indien hij daarbij ook beschrijft wat niet Schoon is, stoort dat niet. Het gaat slechts om een deel van zijn verhaal. De onaangename indruk die het nalaat wordt afgezwakt door wat voorafgaat en wat volgt. Dat geldt zeker voor de verhalende poëzie.

Lessing kent de dichter een grotere vrijheid toe dan de beeldende kunstenaar. De eerste kan naast het schone ook het lelijke, naast het moment ook het tijdsverloop, actie en emotie oproepen. De auteur komt zo tot een hiërarchie der kunsten, waarbinnen de poëzie de voornaamste plaats inneemt: zoals het leven het schilderij overtreft, zo overtreft de poëzie de schilderkunst. “Bei dem Artisten,” schrijft Lessing, “dünket uns die Ausführung schwerer, als die Erfindung; bei dem Dichter hingegen ist est umgekehrt, und Seine Ausführung dünket uns gegen die Erfindung das Leichtere (50).

Willems parafraseert Lessings betoog als volgt:

“Doch, al betrachten dichter en schilder hetzelfde doel, zij moeten, om het te bereiken, niet altijd de eigenste middelen aanwenden. Al komen beider pogingen op dezelfde gevolgen neer; de keus hunner voorwerpen, de stof hunner behandelingen, de aard hunner bestrevingen verwijderen hen vaak van elkander. Gelijk de tijd en de inwendige mensch meer bijzonder het gebied van den eene uitmaken, zoo behooren de ruimte en het uiterlijke der lichamen tot dat van den andere. Het zou den schilder evenmin voegen op één stuk de reeks van voorvallen af te malen, welke het heldendicht van Virgilius oplevert, als het den dichter weinig betamen zou de spieren op den arm van Achilles te beschrijven. In geheel de Ilias komt geene enkele plaats voor waar Homerus de aantrekkelijkheden van Helena hebbe opgeteld; en nochtans, welk een verheven denkbeeld geeft hij ons van hare schoonheid! In het beeld van den Apollo zien wij de gedaante van een mensch; en nochtans, wie gevoelt niet, dat de geest eens gods erin rondwaart? De volkomenheid in de kunst (want de aangehaalde voorbeelden zijn de volmaaktste modellen der oudheid) ligt derhalven in het vermogen om door het voorgestelde de verbeelding dermate aan te doen, dat men veel meer zegt dan men te zeggen schijnt, met een woord, dat men poëzij mededeelt, en door begoocheling vervoert.”

De ideeën van Winckelmann en die uit Lessings Laokoon zijn een verplicht nummer in de Europese kunstacademies. Voor de kunstenaars zelf is het nut ervan beperkt, “had it not been for the effect that they had on informed taste and educational practice (51),” maar Willems is overtuigd van hun relevantie:

Laat ons den dichter en den schilder voor een ogenblik nagaan op den weg, die zij inslaan, om tot zulk eene hoogte te komen. Kweekelingen dezer akademie! Geen beter voorwerp kan daartoe verkozen worden, dan dat goddelijk schoone beeld van den Laocoon, hetwelk, bij den wedstrijd van dit jaar, U, onder meer, ter navolging is voorgesteld.

Meteen leren we dat in de Antwerpse Academie een afgietsel van de Laokoongroep bij het onderwijs gebruikt wordt. Waarschijnlijk gaat het om het verkleinde afgietsel uit de nalatenschap van Pieter Gaspard Scheemaeckers.

Willems komt stilaan tot zijn besluit – een aansporing om gebruik te maken van kennis en verbeelding:

Terwijl de kunstenaar alles op één punt te zamen trekt en eensslags zijnen aanschouwer treft en schokt, is de poëzij bij den dichter een langzaam vlietende stroom, die wel door schoone dalen en vruchtbare landschappen henenvloeit, die wel bij elke voortgolving een nieuw voorwerp ontmoet, maar die toch de geheel streek moet hebben doorgeloopen, om ze te kunnen beschrijven.

Dit weinige, mijne toehoorders! Zal, zoo ik hoop, voldoende wezen om U het verband der beide kunsten, en hun onderscheidend karakter aan te toonen. […] gij, derhalve, dichters! Die het koor der Muzen zijt binnengetreden; hecht niet te veel prijs aan beschrijvende poëzij! […] En gij, schilders en beeldenaars! Gij, ijverige kweeklingen aan Antwerpens akademie! […] miskent uwe verhevene bestemming niet; weest geene droge navolgers en afschetsers van gemeene voorwerpen; tracht hooger vlucht in de slaan dan dezulken, wier prozastijl zich bij doode muren en alledaagsche gezichten laat vergenoegen! Zet uwe voortbrengselen dichterlijke kracht en sprekende denkbeelden bij!

Lessing heeft het al gezegd: “denn was wir in einem Kunstwerke schön finden, dass findet nicht unser Auge, sondern unsere Einbildungskraft, durch das Auge, schön” (52).

Maar Willems doet meer dan zijn Duitse maître à penser samenvatten. Hij constateert dat kunst een universeel verschijnsel is.

De natuur vormt den dichter en den beeldenaar. In de eerste eeuwen, in den ruwste natuurstaat ontmoet men dezelfde, bij de getatoueerde wilden in de wouden van Africa zoowel als bij de beschaafde natiën van het wellustig europa.

Kunstenaars vindt men overal waar “godsdienst, heldenmoed, liefde” geëerbiedigd worden. De oorsprong van dit fenomeen is “die natuurlijke, die onverzadelijke behoefte van den mensch, welke altijd en overal rondgrijpt, om het nieuwe, het groote, het schoone, het eeuwige te omhelzen.” De mens verlangt naar “naar hooger genot” en wil zich bij voorbaat “eenen denkbeeldigen hemel […] droomen.”

De alledaagse realiteit voldoet niet – “wij willen met Homerus, Ossiaan of Milton godentaal spreken; met Phidias, Raphaël of Rubens etherische wezens scheppen, wij willen hier op aarde reeds de lucht der onsterfelijkheid inademen.” Daarom is poëzie, door Willems gelijkgesteld met de verbeelding, en tevens conditio sine qua non voor geslaagde beeldende kunst, “benevens den alles overtreffenden godsdienst, de voorbode van ons toekomstig heil, de verkondigende engel onzer goddelijke bestemming!”

Een en ander komt, al dan niet via Duitse of zelfs Nederlandse “volgelingen” uit het Franse verlichtingsdenken (53). De schrijvers van “godentaal” die hij vermeldt, behoren tot de classicistische canon – met uitzondering van “Ossiaan”, de Keltische bard die is verzonnen door de Schotse mystificator James MacPherson (54).

Hij illustreert in Willems’ optiek hoe de epische, historische verbeelding van alle tijden is. Ook schilders laten zich inspireren door Ossian. Girodet-Trioson borstelt in 1802 voor de residentie van keizerin Joséphine L’Apothéose des héros français morts pour la Patrie pendant la Guerre de la Liberté. De schim van de bard verwelkomt de gevallen Fransen in het Walhalla (!). In 1812 schildert Ingres Le Songe d’Ossian voor het appartement van Napoleon in het Quirinaal te Rome.

7. Het karakter van den Nederlandschen schilder.

Op 13 maart 1820 wordt Willems “aenwezig” lid van de Koninklyke Maetschappy tot Aenmoediging der Schone Kunsten. Secretaris Verdussen – aangetrouwde familie door Willems’ huwelijk met Isabella Borrekens (55) – draagt hem voor op verzoek van Van Brée. Hij wordt zonder discussie “aengenoómen” (56). Het duurt geen jaar voor het bestuur de dichter tot “mede Secretaris” verkiest (57). Op 5 mei 1823 is Willems de enige secretaris en notuleert hij de voorlezing van een brief van de burgemeester over het nakende bezoek van Willem I waarbij hijzelf namens de Maetschappy “de aenspraek” zal doen (58).

De Koninklyke Maetschappy is een prestigieus genootschap. Het leunt nauw aan bij de Academie, houdt er zijn vergaderingen houdt en beschikt er weldra ook over de nieuwe expositieruimte. In het bestuur zetelen kunstenaars en vooraanstaande burgers met een uitgesproken belangstelling voor het artistiek gebeuren. De Maetschappy organiseert driejaarlijkse kunstsalons en koopt kunstwerken aan die als prijs in haar loterijen fungeren. Herreyns en Balthasar Paul Ommeganck, die ten tijde van Willems’ aantreden nog steeds van de partij zijn, behoren op het eind van het Ancien Régime tot de stichters van de vereniging (59).

Op 18 september 1825 houdt Willems bij de opening van het driejaarlijkse salon de bekende redevoering Over het karakter van den Nederlandschen schilder (60). Niet alleen het feit dat hulde wordt gebracht aan de Nederlandse kunst, maar ook de kwaliteit van het publiek nopen hem ertoe doormiddel van “myne tael” en “het onderwerp myner rede” uit te drukken wat de aanwezigen voelen. De taal die hij bezigt, laat hij verstaan, is even belangrijk als het onderwerp. En die taal is, zoals iedereen hoort, Nederlands.

Volgens Willem brengen zijn toehoorders de roem van de “oude Vlaemsche school” in verband met “den luister, dien gy van de Kunstbeoefening uwer tydgenooten op uw vaderland thans ziet afstralen.” Daarom, gaat hij voort, zal hij de aandacht vestigen “op de beschouwing van het karakter des Nederlandschen Schilders” en op de noodzaak om de goede eigenschappen hiervan “te bewaren en aen te kweeken.”

Overal ziet men dat de mens bij “de beoefening der kunsten” rekening houdt met “algemeene begrippen van schoonheid en voortreffelykheid, hem door de natuer ingegeven”, maar dat zijn kunst toch vooral het stempel draagt van “de omstandigheden waerin hy zich geplaetst vindt, de opleiding welke hem is te beurt gevallen, en het land dat hy bewoont.” Dit geldt voor individuen en bij uitbreiding voor “gansche natien”.

Hier geeft Willems duidelijk blijk van Herderiaanse invloed. In tegenstelling tot verlichtingsfilosofen zoals Hume en Voltaire – Hume schrijft “Mankind are so much the same in all times and places that history informs us of nothing new or strange” – poneert Herder dat de ideeën, overtuiging en zelfs perceptie van mensen verschilt naargelang de historische periode en de cultuur waarin ze leven. Hij zegt dat soortgelijke, minder dramatische verschillen zich ook voordien tussen mensen uit dezelfde tijd en cultuur (61).

De invloed van de kunst van Grieken en Romeinen, betoogt Willems, leidde in Italië tot het ontstaan van een “byzondere school”. De Romeinse, Florentijnse en Venetiaanse schilders uit de renaissance wekten “den klassischen vorm” en “den verhevenen styl” der ouden weer tot leven toen Europa uit “den nacht der middeleeuwen” ontwaakte. Het klimaat, de godsdienstzin der schilders, de steun die zij genoten van vorsten en gemeenten en “de overschoone natuer, in welker beschouwing zy dagelyks leefden” droegen daartoe bij.

In de Nederlanden speelde “de uitvinding van Jan Van Eyck”, m.a.w. de olieverf, een even belangrijke rol als de klassieke erfenis in Italië. De “meesterlyke behandeling” van dit medium, aldus Willems, ligt aan de basis van de roem “onzer vaderlandsche school.” Wat de Italianen “in vorm en omtrek, in […] schoonheid der voorstelling” zochten, vonden de Nederlandse schilders “in kracht van uitdrukking, in gepaste verdeeling van licht en bruin, in waerheid van toon en kleur.”

De Italiaanse kunst, betoogt de schrijver, is idealistisch en poëtisch, de Nederlandse realistisch. “Het hooge Ideael, de dichterlyke wereld behoorde misschien meer aen de bewooners der lachende boorden van den Tyber en den Arno, dan aen ons die met de gewoone natuer, ja met de Nederlandsche natuer veelal te vreden waren.”

Er waren weliswaar Nederlandse schilders met “dichterlyk talent”, zoals “Rubens of Rembrant [sic]” en Italianen zoals “een Caravaggio” en anderen die “in de keus der modellen min of meer naer de Nederlanders overhelden”. Maar het blijft een feit “dat Verbeelding aen gene zyde der Alpen, en Afbeelding by ons, het voorname doel waren, naer hetwelk de kunstenaers van beide natien op verschillige wyzen streefden.”

De Nederlanders schilderden dan wel met olieverf, andere factoren droegen eveneens bij om hun “een’ onderscheiden rang” te geven en “het eigenaerdige van hun penseel” te bepalen. Willems somt op: “De toestand van ons land in de dagen van den grootsten bloey onzer schilders; de zeden en huislyke gebruiken onzer vaderen; de middelen en wyzen van aenmoediging uit die zeden en gebruiken voortvloeyende; het uitsluitend bestudéren van levende modellen, uit hoofde van onze mindere bekendheid met de standbeelden der ouden […] en […] het voorbeeld en de grootheid van Rubens […].”

Willems is zich bewust van de verschillen tussen de “Hollandsche en Vlaemsche voortbrengselen onzer Vaderlandsche School”, maar de eigenschappen van de Nederlandse kunst is ondanks “deze schynbare verdeeldheid” niet teloorgegaan.

De Hollanders hebben “door het verwerpen van zinnelyke voorstellingen in het Godsdienstige” een van de “edelste betrachtingen” der kunst verwaarloosd – zozeer zelfs, dat de beeldhouwkunst in het Noorden zo goed als verdwenen is. De Zuid-Nederlanders hebben hun “kunstiever” voort ten dienste gesteld van de “verheerlyking van den openbaren Godsdienst” en zijn op die manier beter trouw gebleven aan een fundamentele opdracht van de kunst.

Maar, zegt Willems, “beider bestrevingen […] kwamen altyd op één punt te samen, in de keurige toepassing namelyk van het koloriet, en de getrouwe nabootsing der natuer.” Ondanks de verschillen tussen Noord en Zuid bleef de kunst daar “in den grond altyd nationael, en volkomen berekend naer den aerd, zoowel als naer de behoefte van het Nederlandsche volk.”

Spreker zegt dat hij dit kan staven met “de gewrochten onzer letterkunde”, vooral dan “zinnebeeldige” gedichten van Cats en zijn Zuid-Nederlandsche navolgers, die hun inspiratie putten “uit de voortbrengselen van onzen grond […]” en uit “zoo vele stroom- en hofgedichten, visscherszangen en herdersliederen […].” Spreker wil zich echter niet verliezen in “aestetische beschouwing” of een opsomming van de “verdienstelyke mannen […] waerop wy roem dragen.”

Waar het voor hem op aankomt, is bewijzen “dat onze schilderschool altyd heeft uitgemunt door de meest mogelyke getrouwe navolging van de natuer, by middel van het krachtigste en rykste koloriet; ofschoon dan ook de behandelde voorwerpen veelal gekozen waren in de tooneelen van het dagelyksche of gewoone leven.”

“Het karakter van den Nederlandschen schilder,” vervolgt Willems, “is derhalve gelegen in de betrachting van waerheid en natuerlykheid, en afgeleid uit de rondborstigheid en den ongeveinsden aerd der Nederlandsche natie.” Daarom is het geen goed idee om de eigen traditie te verwerpen “om in de doode kleuren van sommige naburen […] glorie te gaen zoeken.” Nederlandse schilders mogen “onze losse en natuerlyke behandeling” niet verloochenen om de “gemaekte en theatrale houding” van “vele uitheemsche voorstellingen op het Nederlandsche doek over te brengen”.

“Wy mogen,” zegt de schrijver, “by de vreemden schoonheid van vorm, bevalligheid van styl, zachtheid van toon […] navolgen; wy mogen in onze kunstgewrochten meer de dichterlyke dan de prosaïsche wezendlykheid zoeken te betrachten; onze oude deftigheid en eenvoudigheid moeten daer by niet verloren gaen.”

8. “Dat gy Nederlanders zyn zult!”

Het is kunstenaars echter gepermitteerd open te staan voor buitenlandse invloeden. Die kunnen de Nederlandse schilderkunst zelfs op een hoger peil brengen.

“Nemen wy van anderen over wat by ons nog ontbreekt, laten wy zelfs […] eene betere keuze doen in de schoone natuer, meer verhevenheid ten toon spreiden, grootere historische kennissen aen den dag leggen, en, zoo veel in ons is, de volmaektheid naderen.”

Toch mogen “wy” niet uit het oog verliezen “dat wy Nederlanders zyn; dat wy onze eigene en goede hoedanigheden bezitten, die alle achting verdienen, en dat onze schilders geene levenlooze beelden, maer bezielde wezens moeten vertoonen, ten einde de vreemdeling en het nageslacht, by het beschouwen hunner werken, mogen zeggen: zie daer de trekken van een Nederlandsch penseel!”

Willems roept de kunstenaars en de “jongelingen die in Antwerpens Akademie” worden opgeleid de “plegtige belofte” af te leggen “dat gy Nederlanders zyn zult!” en belooft hun de steun van “de beste der koningen, de burgerlievende overheid dezer Provincie en Stad […] en deze Maetschappy.”

Terloops bewijst hij eer aan de directeur van de Academie, Herreyns, “dien eerbiedwaerdigen gryzaerd, op wiens palet het echte Nederlandsche koloriet, nog te vinden is; – […] die, in zyne hooge jaren, als erfgenaem en vertegenwoordiger der oude vlaemsche school, thans reeds zyne nakomelingschap beleeft!”

VOETNOTEN

(1) VAN DEN NIEUWENHUYZEN, J. VAN DE, “Antwerpse schilderijen te Parijs (1794-1815)” in Antwerpen. Tijdschrift der Stad Antwerpen, deel VIII (1962), pp. 66-83; VLIEGHE, H. “De voorgeschiedenis tot 1816” in JONG, L. DE (RED.) Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. Een Geschiedenis 1810-2007, s.l.n.d. (Stichting Kunstboek, 2007), pp. 13-27.

(2) VAN DER STRAELEN, J.F. en J.B., De Kronijk van Antwerpen, deel VIII, 1803-1817, Antwerpen, Bureel voor de Bijdragen tot de Geschiedenis, 1936, p. 227.

(3) SCHMOOK, G. Hoe Teun den Eyerboer in 1815 sprak tot de Burgers van Antwerpen of het Aandeel van de Rubens-Viering in de wording van het Vlaamse Bewustzijn, Antwerpen, De Sikkel, 1942, pp. 137-138.

(4) WILLEMS, J.F. Quinten Matsys, of Wat doet de Liefde niet! Toneelspel in 2 bedryven. Antwerpen, J.S. Schoesetters, 1816.

(5) WILLEMS, Quinten Matsys, p. iv.

(6) WILLEMS, Quinten Matsys, p. v.

(7) WILLEMS, Quinten Matsys, pp. v-vi

(8) WILLEMS, Quinten Matsys, p. vii.

(9) LAFFONT-BOMPIANI, Dictionnaire biographique des Auteurs, deel I, A-J, Paris, Société d’Edition des Dictionnaires et Encyclopédies, 2e uitg., s.d., (1964), p. 68.

(10) Arnauds beschrijving is anachronistisch; een Amor die een portret met een bloemenguirlande vastmaakt aan een piramide hoort thuis in de beeldtaal van de 18de, niet die van de vroege 16de eeuw. Het truweel dat Metsijs in het verhaal aan zijn ceintuur draagt, kan een maçonnieke verwijzing zijn. Arnaud was vrijmetselaar (GAUDART DE SOULAGES, M. en LAMANT, H., Dictionnaire des Francs-Maçons, s.d. (Paris), J.C. Lattès, 1995, p. 99).

(11) WILLEMS, Quinten Matsys, p. x.

(12) WILLEMS, Quinten Matsys, p. x.

(13) WILLEMS, Quinten Matsys, p. 138.

(14) SCHMOOK, Teun den Eyerboer, p. 150.

(15) SCHMOOK, Teun den Eyerboer, p. 150.

(16) SCHMOOK, Teun den Eyerboer, p. 149.

(17) Toejuyching / der Leden van het Genootschap ; / Tot Nut der Jeugd : / Aen / d’Antwerpsche Maetschappy / Der / Schoone Konsten: / By gelegenheyd van de wederkomst der, aen haer / ontroofde, / SCHILDER-STUKKEN : Van de vermaerdtste Meesters / Der Nederlandsche School, Antwerpen, J.S. Schoesetters, s.d. (1815).

(18) Procès-verbal de l’Installation de la Société des Amis der Arts à Anvers, s.l.n.d., (Anvers, Entheaume Van der Vaeren, 1817), p. 1.; BRANDEN, F. JOS VAN DEN, Geschiedenis der Antwerpsche Schilderschool, Antwerpen, 1883, p. 1377.

(19) Grond-Wetten / van de Maetschappy der / Kunstvrienden / te Antwerpen – Statuts de la Société / des Amis des Arts, / à Anvers, s.l.n.d. (Antwerpen, 1816), p. 3.

(20) Procès-Verbal, p. 6

(21) Procès-verbal, p. 9.

(25) Floris van Ertborn wordt geboren te Antwerpen in 1784. Van 1817 tot 1828 is hij burgemeester. Hij brengt een fabelachtige kunstverzameling bijeen. In 1828 benoemt Willem I hem tot gouverneur van Utrecht. Na 1830 willen de Antwerpenaars hem terug als burgemeester, maar dat weigert hij uit trouw aan de koning. In 1832 stelt hij te Karlsruhe een beschikking op waardoor hij zijn verzameling nalaat aan het museum van de Antwerpse Academie.

(26) COECKELBERGHS, D. en LOZE, P. (o.l.v.), 1770-1830. Om en rond het neo-classicisme in België, Brussel, Gemeentekrediet van België, 1985, p. 95.

(27) BOGAERTS, F., Mathieu Van Brée. Notice lue à la Séance publique de la Société libre d’Emulation de Liège, le 19 juillet 1842, Anvers, L.J. De Cort, 1842 en GERRITS, L. Levensbeschryving van M.I. Van Brée, Antwerpen, J.E. Buschmann, 1852.

(28) DONNET, F., Smits (Jean-Baptiste), in Biographie Nationale, deel XXII Schott-Smyters, Bruxelles, Émile Bruylant, 1914-1920, kol. 854-864.

(29) Procès-verbal, pp. 11-14.

(30) ROUSSEAU, J.-J., Discours sur les Lettres et les Arts

(31) Antwerpschen Almanach van Nut en Vermaek voor het Jaer 1817, pp. 66-69; geciteerd door SCHMOOK, G., Hoe Teun den Eyerboer, p. 187. Ook in DUYSE, P. VAN (ED.), Nalatenschap van J.F. Willems. Dicht- en tooneelstukken met inleiding, bydragen en handtekeningen, Gent, Gebroeders De Busscher, 1856; ROOSES, M. (ED.), Keus uit de dicht- en prozawerken van Jan Frans Willems. Eerste deel. 1812-1830. Gent, Willem Rogghé, 1873, p. 13-16.

(32) Antwerpschen Almanach, deel IV, Antwerpen, 1818, pp. 58-60. ROOSES, M. (ED.), Keus uit de Dicht-en Prozawerken van Jan Frans Willems. Eerste deel 1812-1830, pp. 30-32.

(33) Zie hierover vooral DEPREZ, A. en DE CLERCQ, A., Bibliografie van de Vlaamse Tijdschriften in de negentiende Eeuw. De Tijdschiften van 1815 tot 1833, Gent, Cultureel Documentatiecentrum, 1996, pp. 18-28.

(34) COECKELBERGHS, D. en LOZE, P. (o.l.v.), op. cit., p. 152. De vertaler heeft het, verkeerdelijk, over de “eedaflegging” van Van der Werff.

(35) Antwerpschen Almanach van Tot Nut en Vermaek, deel IV, Antwerpen, 1818, pp. 58-60; ROOSES, M. (ED.), Keus uit de Dicht-en Prozawerken van Jan Frans Willems. Eerste deel 1812-1830, Gent, Willem Rogghé, 1873, pp. 30-32.

(36) François André Vincent (Parijs, 1746-1816) is, zoals David, een leerling van Vien. Hij borstelt classicistische doeken – met zijn Belisaire uit 1776 zelfs vroeger dan David! – maar kent niet diens succes. Daarnaast schildert Vincent onderwerpen uit de moderne Franse geschiedenis. Zo effent hij het pad voor de romantische kunstenaars van de 19de eeuw.

(37) Zij behoort tot de afstammelingen van de koopman in lijnwaad Laureys Borrekens (1502-1582). Familieleden maken carrière in de handel, als jurist en in de kerk. Zie hierover de bijlagen op cd-rom bij DEGRYSE, K. De Antwerpse fortuinen: kapitaalsaccumulatie, – investering en –rendement te Antwerpen in de 18de eeuw, s.l.n.d. (Antwerpen, Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis; Universiteit Antwerpen – Centrum voor Stadsgeschiedenis, 2005). Enkele familieleden zoeken hun weg in de kunst. In 1791 treedt graveur Jan Peter Borrekens toe tot de Konstmaetschappy (BRANDEN, F. JOS. VAN DEN, Schilderschool, p. 1252). In de 17de eeuw is de schoonbroer van David Teniers de Jonge, stichter van de Academie, de schilder Jan-Baptist Borrekens (ID., op. cit., pp. 993-994).

(38) DEPREZ, A., Jan Frans Willems, Antwerpen, Kredietbank, s.d. (1993), pp. 20-21.

(39) WILLEMS, J.F., Redevoering gehouden by de openbare prysuitdeeling der Koninglyke Academie van Beeldende Kunsten, te Antwerpen, den 6den april 1823. Over de poëzy van den dichter en van den schilder. Antwerpen, Schoesetters, 1823.

(40) HERDER, J. G. Herders Werken in funf Bänden, deel V, Berlin; Weimar, Aufbau-Verlag, Bibliothek deutscher Klassiker, 1969. Ik consulteerde de Engelse vertaling in: MORAN, J.H. en GODE, A. On the Origin of Laguage. Jean-Jacques Rousseau, Essay on the Origin of Languages, Johann Gottfried Herder, Essay on the Origin of Language, Chicago, London, The University of Chicago Press, s.d; (1966).

(41) “On the Origin is primarily concerned with the question whether the origin of language can be explained in purely natural, human terms or (as Süssmilch had recently argued) only in terms of a divine source. Herder argues in support of the former position and against the latter. (FORSTER, M., Johann Gottfried von Herder in Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2007).

(42) Ik opper dit met de nodige reserve. Men raadplege o.m. SWEDENBORG, E., Over de Gemeenschap tusschen de Ziel en het Lichaam welke men onderstelt plaats te hebben of door natuurlijken invloed, of door geestelijken invloed of door vooraf-vastgestelde overeenstemming, Voorburg, Swedenborg Genootschap voor Holland en België, 1911.

(43) ROEMANS, R. Jan-Frans Willems’ Kunstopvattingen, in Album opgedragen aan prof. Dr. J. Vercoullie door Ambtgenooten, Oud-leerlingen en Vereerders, ter Gelegenheid van zijn zeventigsten Verjaardag en van zijn Emeritaat, 2de deel, Brussel, Paginae, 1927, p. 232.

(44) DEPREZ, A., Jan Frans Willems, p. 14.

(45) LESSING, G. E., Laokoon oder über die Grenzen der Malerei und Poesie in Werke, deel VI, Kunsttheoretische und kunsthistorische Schriften, München, Carl Hanser Verlag, s.d. (1974), pp. 7-187.

(46) Over de belangrijke rol van de Laokoongroep in het denken over kunst in de Duitse Verlichting en romantiek: HOWARD, H. G., Laokoon. Lessing, Herder, Goethe. Selections edited with an Introduction and a Commentary, New York, Henry Holt and Company, s.d. (1910).

(47) LESSING, G. E., Laokoon, p. 13.

(48) ID., op. cit., p. 20.

(49) ID., op. cit., p. 29

(50) ID., op. cit., p.

(51) VAUGHAN, W. Romantic Art, s.l.n.d. (London, Thames and Hudson, 1978), p. 13.

(52) Lessing, Laokoon, p. 52.

(53) Uit de talrijke publicaties van prof. Jos Smeyers blijkt dat men in de Zuidelijke Nederlanden vanaf ca. 1750 wel degelijk op de hoogte was van wat in Europa op intellectueel vlak speelde. Smeyers gewaagt zelfs van een “Vlaamse Verlichting”. Voor Antwerpen is er de studie van SCHAMPHELEIRE, H. DE, Verlichte lectuur te Antwerpen en Parijs in de 18e Eeuw. Een comparatief quantitatief leesonderzoek naar Voltaire, Rousseau en de Encyclopedie, in MORTIER, R. en HASQUIN, H., Études sur le XVIIIième Siècle. Deel VI, Bruxelles, Editions de l’Université de Bruxelles, 1979.

(54) Willems’ correspondent Bilderdijk vertaalt Ossian in 1805 in het Nederlands.

(55) Frans [François] Verdussen (1783-1850) stamt uit de bekende drukkersfamilie. Hij is getrouwd met Joanna Borrekens (1804-1876). Verdussen is lid van de gemeenteraad en van de Provinciale Staten. In 1811 wordt hij werkend lid van de Société d’Encouragement des Beaux-Arts. Daarnaast zetelt hij in de Administratieve Commissie van de Academie. Verdussen zal in 1830 het Belgische kamp kiezen. Hij blijft politiek actief. (HEYLEN, S., Frans Verdussen (1783-1850), in ODIS – Database Intermediary Structures Flanders, record no. 12, http://www.odis.be.

(56) AMVC-Letterenhuis, M 1371, Proces-verbaalboek 1818-1829, H 6, nr. 34.

(57) ID., nr. 42, vergadering van 27 februari 1821.

(58) ID., nr. 61, vergadering van 5 mei 1823.

(59). BRANDEN, F. JOS. VAN DEN, Geschiedenis der Antwerpsche Schilderschool, pp. 1243-125, 1307-1308, 1311-1313 en 1336-1342; PERSOONS, G. m.m.v. BUYCK, J., Schone Kunsten in Antwerpen, de Koninklijke Vereniging tot Aanmoediging der Schone Kunsten te Antwerpen, sinds 1788, Antwerpen, Nationaal Hoger Instituut en Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, 1976.

(60) WILLEMS, J. F., Redevoering over het karakter van den Nederlandschen schilder, gehouden in het Koninglyk Museum van Antwerpen, ter gelegenheid van de plechtige prysuitdeeling der Koninglyke Maetschappy tot Aenmoediging der Schoone Kunsten, van Antwerpen, den 18 september 1825, s.l.n.d. (Antwerpen, Vander Hey, 1825).

(61) FORSTER, M., Johann Gottfried von Herder, in Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2007, http://plato.stanford.edu/entries/herder.

Geschiedenis – Kroniek van Antwerpen tot 1500.

150 vòòr Christus

Halverwege twee bochten in de stroom, vestigen de eerste mensen zich op drie heuvels aan de Schelde. Het is er droog en vruchtbaar en men ziet er een vijand van ver aankomen. De noordelijkste heuvel, zes meter hoog, biedt genoeg ruimte om vee te weiden en graan te zaaien. Uiteraard doen de bewoners ook aan visvangst.

Het Antwerps reliëf: stuifzandruggen langs de Schelde (naar Prims).

57 voor Christus

In Antwerpen wonen Kelten, waarschijnlijk Nerviërs. Zij en andere “Belgische” stammen worden verslagen door de Romeinse veldheer Julius Caesar. Antwerpen behoort weldra tot de Civitas Nerviorum, een deel van de provincie Gallia Belgica die België en Noord-Frankrijk omvat.

Ambiorix, prent van Jean-Léon Huenens naar het romantische standbeeld in Tongeren.

Illustration de Jean-Léon Huens, extraite de ‘Nos Gloires’ – Historia – Héritiers de Jean-Léon Huens & Musée Royal de Mariemont” .

 

Onder Claudius (keizer vanaf 41 na Christus)…

De Romeinse beschaving dringt door tot in de uithoeken van Gallië. Galliërs dienen in de legioenen; de handel ontwikkelt zich. De Romeinse weg van Bavai (Noord-Frankrijk) via Asse naar Utrecht loopt niet ver van Antwerpen. Andere wegen lopen eveneens noordwaarts door Taxandrië (de Kempen) naar de limes of versterkte grens aan de Rijn in Nederland.

Gallië.

…en zijn opvolgers

Op de noordelijkste heuvel aan de Schelde houdt men grote koeien die melk en vlees leveren, paarden en varkens. Om aan zoet water te komen, graven de bewoners waterputten. Hun afval dumpen ze in afvalputten. Ze wonen in grote, rechthoekige houten huizen. Behalve landbouwers telt de gemeenschap handwerkslieden: een smid, een pottenbakker en een leerbewerker.

Volgens sommigen is de plaatsnaam Wilrijk een verbastering van Villariacum. Dit kan erop wijzen dat het dorp een onderdeel vormt van een Romeinse villa in Kontich (?).

Ook op het grondgebied van Ekeren, Mortsel, Oelegem en Wijnegem wonen mensen. In het zandige, minder vruchtbare noorden van de Civitas Tungrorum ligt Grobbendonk.

Galloromeinse tempel op de Steenberg in Grobbendonk (reconstructie).

Kontich en Grobbendonk zijn grote nederzettingen met één of meerdere tempels, gebouwd in steen. Het Land van Waas kent eveneens een relatief dichte bewoning langs de Schelde en de Durme.

Vici in de wijde omgeving zijn Turnacum of Doornik in het land van de Menapiërs, Cortoriacum of Kortrijk, Ganda of Gent, Brugge, Viroviacum of Wervik, Oudenburg en Aardenburg. In de Civitas Nerviorium liggen de plaatsen Fontaine-Valmont en Blicquy (nu in Henegouwen) en Velzeke, Hofstade bij Aalst, Asse en Elewijt.

172-174 na Christus

Zeerovers plunderen de kust. In Oudenburg bouwen de Romeinen een fort. Wellicht komt er een vlootbasis in Rumst en krijgt ook Antwerpen een versterking. Toch hebben archeologen daar nog geen sporen van gevonden.

Galloromeins aardewerk uit Grobbendonk, 2de-3de eeuw.

256-260

De Franken maken van de burgeroorlogen in het rijk gebruik. In 256 steken zij bij Keulen de Rijn over. In 258 en 260 volgen nog raids. De grootste vindt plaats in 275-276. Hoewel Antwerpen niet wordt verwoest, slaan de inwoners op de vlucht.

4de-5de eeuw

De Franken, een federatie van diverse stammen, vestigen zich als boeren in het gebied aan de grote rivieren. Wanneer de opstandeling Magnentius de Romeinse troepen uit onze streken weghaalt voor zijn veldocht tegen de keizer, nemen ze het praktisch onbewoonde Toxandrië in.

De Germaanse koninkrijken in de “Dark Ages”.

406

Op Oudejaarsavond trekken Vandalen, Alanen, Boergonden en Sueven over de Rijn. Dit betekent het einde van het Romeinse gezag in onze streken.

450-481

De Franken zetten hun vreedzame kolonisatie voort in zuidelijke richting. De streek van Doornik en Kamerijk wordt de kern van hun woongebied. In 481 sterft hun koning Childerik in Doornik en wordt er begraven.

Het Frankische koninkrijk onder Clovis.

6de eeuw

De heuvels aan de Schelde liggen in Frankisch gebied, dichtbij het land van de Friezen. Beide volkeren komen geregeld met elkaar in conflict. Of de Franken de drie hoogten zélf bewonen, blijft de vraag. Maar in de wijde omgeving zijn ze wel degelijk gevestigd: Merksem, Berchem, Hoboken, Hemiksem, Mortsel enz. zijn Frankische namen.

Clovis.

Illustration de Jean-Léon Huens, extraite de ‘Nos Gloires’ – Historia – Héritiers de Jean-Léon Huens & Musée Royal de Mariemont” .

 

Omstreeks 600

De Franken maken zich meester van de zuidelijkste heuvel aan de Schelde, die later “Chanelaus” gaat heten, en de eventuele resten van een Romeinse versterking aldaar. Deze laatste benutten zij opnieuw. Hieraan dankt Antwerpen zijn naam. Het Germaanse “andawerp” betekent “land dat door mensen tegen iets of iemand is opgeworpen”. Die iemand kunnen de Friezen zijn.

Dood van Clovis

Naar Germaans gebruik verdelen zijn kinderen zijn enorme rijk. Zo ontstaan diverse, elkaar beoorlogende Frankische rijken. Clovis’ nazaten geven weinig blijk van gezag of staatsmanschap. Zo komt het dat ze steeds meer aan macht inboeten ten gunste van hun hofmeier – hun eerste minister, zeg maar.

Eligius.

7de eeuw

Tussen 641 en 650 krijgt Antwerpen het bezoek van de missionarissen Eligius en Amandus. Amandus zet voet aan land op een ,,eiland naast de Schelde’’, Chanelaus genaamd. Na zijn terugkeer naar Frankrijk zendt hij medewerkers die in het Antwerpse “castrum” een kerkje bouwen, gewijd aan Sint-Pieter en Sint-Paulus. De kans bestaat dat ze in Deurne een kleine gemeenschap van monniken stichten, die de kerk aan de Schelde bedient.

Amandus.

719

Radbod, aanvoerder der Friezen, sterft. Hofmeier Karel Martel verovert het zuiden van Nederland, zodat de Friezen niet langer een bedreiging vormen.

715-725

Volgens een legende predikt Willibrordus in het Antwerpse, sticht een kerk in Berchem en doet er een miraculeuze bron ontspringen. Enkele jaren later, wil een ander verhaal, keert hij terug om op de plaats Oude God een heidens beeld omver te werpen.

Willibrodus, de “apostel der Friezen (Sint-Agneskerk, Amsterdam).

726

Rauchingus, een edelman, en zijn vrouw Bebelina schenken Willibrordus de “door onze heilige vader Amandus gestichte” kerk in het Antwerpse castrum. Jammer genoeg is de oorkonde, waarin dit te lezen staat, misschien een vervalsing.

768

Karel de Grote (Domkerk, Aken).

Karel, weldra bijgenaamd “de Grote”, zoon van Pepijn de Korte, wordt koning van alle Franken. Hij regeert ook over onze gewesten, maar die vormen slechts een uithoek van zijn rijk.

Het rijk van Karel de Grote.

800

De paus kroont Karel de Grote in Rome tot keizer.

814

Dood van Karel de Grote.

836

De snekken van de Noormannen verschijnen op de Schelde. De bemanning gaat aan land en legt Antwerpen in de as. Kort daarop verwoesten de Noormannen Deurne en zetten koers naar naar Lier en Mechelen.

Vikingschip.

837-889

De Noormannen bouwen Antwerpen uit tot een pleisterplaats vanwaar ze raids ondernemen, maar waar ze ook handel drijven. De Antwerpse nederzetting verplaatst zich naar de noordelijkste heuvel, die sinds de derde eeuw niet meer bewoond is.

891

De latere keizer Arnulf van Karinthië verslaat de Noormannen nabij Leuven. Zij ontruimen onze streken.

843

De opvolgers van Karel de Grote verdelen zijn rijk in drie: West-Francië, het latere Frankrijk, Oost-Francië, het latere Duitsland, en het “middenrijk” Lotharingen. De Schelde vormt de grens tussen West-Francië en Lotharingen. Antwerpen behoort tot dat laatste.

Verdeling van het grondgebied na het Verdrag van Verdun. De Schelde wordt een grens.

900

Vanaf nu behoort Antwerpen tot Oost-Francië .

900-958

Op Caloes staat de herbouwde kerk, thans aan Sint-Michiel gewijd. Het is een grote kerk, een zg. “munster”. Vlakbij wonen vissers en schippers. Duizend meter naar het noorden, op de uitsprong in de Schelde, de “Werf” leven handelaars en ambachtslui. Zij worden beschermd door lage aarden wal. Friese kooplui brengen producten uit Engeland en Scandinavië.

958-964

Antwerpen wordt een markgraafschap. Keizer Otto I beveelt de westelijke grens van het Duitse rijk te versterken. Men is bang voor de toenemende macht van het graafschap Vlaanderen. Aan de Schelde komen drie “marken” of grensgraafschappen: Valenciennes, Ename bij Oudenaarde en Antwerpen.

Het Antwerpse burchtgebied naar een plattegrond uit de 19de eeuw.

De markgraaf van Antwerpen behoort tot de hoge adel. Hij laat zich vertegenwoordigen door een “villicus”, die Antwerpen beheert alsof het zijn eigen domein was. Hij heft tol en int belastingen, handhaaft de openbare orde en is militair bevelhebber. Weldra gaat het ambt over van vader op zoon.

Omstreeks 980

Keizer Otto II beveelt de aarden wal om de nederzetting bij de Werf te versterken en te verhogen.

Otto II.

11de eeuw

De bewoners van de omwalde nederzetting leven langs twee straten (later heten ze Mattenstraat en Zakstraat) die loodrecht op elkaar staan. De huizen zijn van hout, met wanden van gevlochten takken en rieten daken. De haard bevindt zich in de voorkamer. De rook ontsnapt door een gat in het (rieten) dak. De vloer is van hout. De straten hebben eveneens houten, bestrating.

1025-1050

De Antwerpenaars bouwen dijken om de drassige gronden ten noorden van hun woonplaats droog te leggen, zodat er vee kan grazen. Ten zuiden van de Burcht ontstaat een vismarkt. Vlakbij komen zich nieuwe bewoners vestigen.

1055

Graaf Boudewijn V van Vlaanderen valt Antwerpen aan en brandt de huizen buiten de aarden omwalling plat. Vanaf hier noemen we dit oorspronkelijk omwalde gebied de Burcht.

De “ruienstad” – Antwerpen vòòr 1200 (naar Prims).

1069-1076

Omheen de Burcht bakent men een gebied af van 20 ha. Dit beschermt men met een watersingel, gevoed door zijriviertjes van de Schijn. De “ruien” dienen vooral om veedieven buiten te houden. Ze volgen het tracé van Suikerrui, Kaasrui, Jezuïetenrui, Minderbroedersrui en St.-Paulusstraat.

Burchtgebied met Werf en Sint-Walburgiskerk in 1565 (Museum Plantin-Moretus)

Godfried I “met de Baard”, graaf van Leuven, wordt markgraaf van Antwerpen. Hij is de stamvader van de hertogen van Brabant. Vanaf zijn regering zal het markgraafschap deel blijven uitmaken van Brabant.

Vòòr 1115

De ketter Tanchelm

1115

Dood van Tanchelm.

Tot dan toe mogen de kanunniken van Sint-Michiels particuliere eigendom bezitten en wonen waar ze willen. Het zijn een stel geprivilegiëerden die weinig nuttigs uitvoeren. Zo hebben zij geen dam kunnen opwerpen tegen de ketterij van Tanchelm (+ 1115?), een volksmenner, die actief is in de jaren voor 1115. Acht van de twaalf kanunniken voelen echter niets voor de geplande hervorming. Daarom beveelt de bisschop hen te verhuizen naar de Onze-Lieve-Vrouwekapel ten zuiden van de ruienstad. Ze vestigen er een nieuw, seculier kapittel.

Norbertus.

Omdat hun vier achtergebleven collega’s niet volstaan om bij de Sint-Michielskerk een klooster op te richten, doen bisschop en hertog een beroep op de boeteprediker Norbert van Gennep (1080/85-1134). Norbert begeleidt persoonlijk acht van zijn medestanders naar Antwerpen. Samen met de vier vormen ze een regulier kapittel. Zo ontstaat de Sint-Michielsabdij, die spoedig een hoge vlucht neemt en enorme rijkdommen verwerft.

Norbertus vertrappelt Tanchelm. Neogotisch beeld in het portaal van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal.

Norbertus zelf sticht enkele jaren later in Prémontré bij het Noordfranse Lâon een klooster. Het wordt de bakermat van de orde der norbertijnen of premonstratenzers, waartoe de Sint-Michielsabdij gaat behoren. Zes jaar later wordt Norbert aartsbisschop van Maagdenburg in Duitsland.

Omstreeks 1100

Antwerpse schippers brengen kaas, schapenhuiden en rijnwijn naar Engeland. Later volgen ook edele metalen uit Duitsland. Hun retourvracht bestaat uit lood, tin, graan en wol.

Omstreeks 1135

Zeven “scabinini” of “schepenen” helpen de villicus bij het bestuur en spreken recht volgens de “costuymen”, het mondeling overgeleverde gewoontenrecht. De schepen zijn verwanten van de villicus en plooien zich gewillig naar diens wensen.

Graftombe van hertog Hendrik I in de Sint-Pieterskerk in Leuven.

1146

De Michielsabdij bezit vier grote boerderijen. De norbertijnen spannen zich op hun beurt in om ten noorden van Antwerpen land in te polderen.

1164

Aanstelling van de eerste “schout”. De hertog wil de macht van de villicus beknotten en geeft de schout een deel van diens functies. De hertog kan de schout te allen tijde ontslaan. De schout spoort o.m. misdadigers op, sommeert de schepenen om recht te spreken en voert nadien het vonnis uit.

Een gebied van nog eens zo’n 20 hectare om de Ruienstad wordt voorzien van aarden wallen met stenen poorten en daarbuiten een gracht. Sint-Jansvliet, Steenhouwersvest en Lombardenvest vormen de zuidelijke grens. De Burcht krijgt een stenen muur.

1194

Antwerpen beschikt over een eigen zegel, en heeft dus rechtspersoonlijkheid.

De eerste stadsuitbreiding, ca. 1200.

1221

Hertog Hendrik II verleent Antwerpen zijn eerste vrijheden. Dit bevestigt het belang van de plaats als markt voor de producten van het omliggende platteland. Er treden nieuwe schepenen aan, gekozen onder de kooplieden.

1212-1213

Vermelding in Engelse documenten van de schippers Willem en Hendrik van Antwerpen, Folkerik Niger (,,De Zwarte’’) en Folkerik De Witte. Deze kapiteins zijn ook koopman. Ze varen niet in hun eentje, maar hebben stuurlui, matrozen en scheepsjongens.

Kogge.

1224

Vermelding in Engelse documenten van de cogae of koggen van Willem Snacken, die van Godfried en Jan, die van Tibald en die van Folcericus, “kooplieden uit het land van de hertog van Leuven”. De kogge heeft één mast; de voorsteven valt naar buiten. Op het eind van de eeuw krijgt de kogge een achterkasteel met kantelen. Het roer staat achteraan. Ze heeft een laadvermogen van maximum 200 ton.

1225

Paus honorius vaardigt een bulle uit om Antwerpse zeelui toe te laten sneller te trouwen. Zij zijn vaak zo lang van huis, dat ze hun huwelijk niet lang genoeg op voorhand kunnen laten aankondigen in de kerk. Velen trouwen daarom niet, wat leidt tot “ontucht en overspel”.

1242

Kooplui uit Leuven, Brussel en Vilvoorde komen in Antwerpen wol kopen. Voorlopig gaat het om wol van Kempense schapen.

Midden 13de eeuw

Hadewych, een vrouw (!), die vanaf haar tiende levensjaar vizioenen heeft, schrijft in het Nederlands (!) over haar mystieke ervaringen. Vermoedelijk behoort zij tot een groep vrouwen die hun leven aan God wijden zonder in het klooster te gaan. Hieruit ontstaan de begijnen.

Hadewych – handschrift van de strofische gedichten.

1240

Eén van de kapelaans van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, meester Guillielmus Cornelis, is een ketter. Wie arm is, beweert hij, kan niet zondigen. Een arme hoer heeft in Guillielmus’ ogen meer verdienste dan een deugdzame vrouw die rijk is.

1243

Dominicanen uit Leuven vestigen zich ten zuiden van de stad (hieraan herinnert de Prekersstraat).

1245

Dood van Guillielmus Cornelis. De bisschop van Kamerijk, Guiardus van Lâon, stelt een onderzoek in.

1247

Eerste vermelding van het begijnhof Syon ten zuid-oosten van Antwerpen. Hieraan herinneren de straatnamen Begijnenvest en Begijnenstraat.

1248

Bisschop Guiardus de Laôn komt in 1148 naar Antwerpen, maar sterft onderweg. Zijn opvolger Nicholas des Fontaines voelt de medestanders van Guillielmus Cornelius aan de tand. Hij laat het lijk van de ketter opgraven en verbranden.

1249

Grondbezitter en schepen Hugo Nose schenkt de dominicanen een stuk van de Dries. Ze bouwen er een klooster.

Na 1249

De Dries wordt geïncorporeerd in de stad en omgeven met een gracht. De Sint-Pietersvliet vormt voortaan de noordelijke grens van Antwerpen.

1261

Dood van hertog Hendrik III. Zijn weduwe, Aleidis, regentes.

1268

Jan I volgt zijn onbekwame oudere broer Hendrik IV op.

1263

Eerste vermelding van een kraan op de Werf. De arbeiders die ze bedienen, zijn met zijn vieren. Ze heten kraankinders, een naam die ze zullen dragen tot op het einde van de 18de eeuw.

De kraan aan de Werf (Antwerpen Miniatuurstad).

1288

Slag van Woeringen. Jan I verovert Limburg. Verscheidene Antwerpse ridders nemen deel aan de strijd. Kooplui die van Brugge naar Keulen reizen, doen dat voortaan over “Brabantse” wegen.

Jan I wint de slag bij Woeringen. Prent van Jean-Léon Huenens.

Illustration de Jean-Léon Huens, extraite de ‘Nos Gloires’ – Historia – Héritiers de Jean-Léon Huens & Musée Royal de Mariemont” .

Vanaf 1290

Jan I doet alles om vreemde kooplui naar Brabant te halen.

1291

Antwerpen mag de vroegere gemeenschapsgronden verkopen. De schepenen benoemen vanaf nu zelf alle stadsambtenaren.

De stad krijgt een lakenhuis, waar de kooplieden-ondernemers hun laken te koop aanbieden aan particulieren en collega’s. Het gaat om een houten constructie op de markt.

1294

Dood van Jan I. Zijn zoon, Jan II, volgt hem op.

1295

Jan II maant de Antwerpenaren aan om een nieuwe stadsmuur te bouwen. De Nederlandse vorstendommen dreigen door allerlei bondgenootschappen meegesleurd te worden in grote conflicten.

Hertog Jan II van Brabant.

Aan de landzijde zal de omwalling het tracé van Lepelstraat, Sint-Rochusstraat, Schermersstraat, Bourlastraat en Blauwtorenplein volgen.

Naar het noorden toe bouwt men geen muur, maar houdt men het bij een nieuwe watersingel. Deze volgt de huidige Oude Vaartplaats, Wapper, Lange Klarenstraat, Sint-Jacobsstraat, Prinsesstraat, Grote en Kleine Kauwenberg, Stijfselrui, Falconrui, Verversrui, Oudemanstraat en Sint-Pietersvliet. Bovendien zal de stad ook aan de kant van de stroom versterkt worden.

1295-1297

Antwerpen moet zijn nieuwe stadsmuur zelf betalen. De stad haalt haar inkomsten uit de accijnzen of indirecte belasting op wijn, bier en mede. Ook de kraan aan de Werf brengt geld op. En dan zijn er de lijfrenten: burgers betalen het stadsbestuur een som en ontvangen in ruil daarvoor een levenslange rente. Maar dat volstaat niet. Daarom volgt in…

1298

…de invoering van het poortersgeld dat elke nieuwe Antwerpenaar moet betalen.

1298-1299

Omdat zelfs dit niet volstaat, eist men van alle poorters een speciale belasting, de “maeltote”. Aan zo’n heffing – ze wordt vijf jaar geheven – zijn de Antwerpenaars tot nu toe ontsnapt; hun onvrede is groot.

1298-1300

De werken aan de nieuwe stadsmuur beginnen bij de Sint-Michielsabdij. De muur doorsnijdt tarwevelden, die binnen de stad komen te liggen. Daarom weigeren de eigenaars nog tienden te betalen aan het kapittel van O.-L.-Vrouw.

De derde stadsvergroting, vanaf 1295.

De slabakkende export van laken naar het Rijnland, Engeland en Italië veroorzaakt onrust bij de slecht betaalde wevers en volders. Zij hebben ambachten opgericht om zich te verdedigen tegen de “patroons” van het lakengilde. Andere handwerkers zien eveneens de voordelen in van solidariteit.

1300

Jan II komt in het bezit van Mechelen. Hij laat de Mechelaars hun eigen kleine stapels van vis, zout en haver houden. De Antwerpaars voelen zich bedreigd.

1302

In de vroege zomer breken in Antwerpen rellen uit, maar voor 17 juni keert de rust weer. De hertog verschijnt in eigen persoon. Hij legt Antwerpen, zijn eigen aanhang incluis, een zware boete op.

Opstand van het Mechelse “gemeen” tegen de patriciërs. Jan II krijgt hulp van de Antwerpenaars bij de belegering van de opstandige stad.

De Brusselsepoort in Mechelen.

Eind mei, begin juni

Schepen van de hertog krijgen voor Rupelmonde hulp van de Antwerpenaars tegen een kleine Mechelse vloot. De Mechelaars worden verslagen. Mechelen verzoent zich met Jan II, maar behoudt eens te meer zijn zout-, vis- en haverstapel.

1306

Jan II geeft Antwerpen een nieuwe “vrijheidsbrief”. Het stadsbestuur krijgt toezicht op de ambachten. Die mogen zonder toestemming geen geld ophalen bij hun leden. Staken is verboden.

Kort na 1300

Jan van Boendale wordt “eerste schepenklerk” of stadssecretaris van Antwerpen. Als zodanig treedt hij op als “ambassadeur” van de stad bij de hertog en bij andere steden.

De vierde stadsuitbreiding, vanaf 1314.

1308

Het lakengilde krijgt een officieel statuut. Het lakengilde is geen “vakbond” van kleine wevers, maar een belangenvereniging van de kooplieden-ondernemers.

1309

Keizer Hendrik VII geeft Antwerpen zijn drie stapels terug.

1312

Hertog Jan II vaardigt het Charter van Kortenberg uit, dat de steden medezeggenschap verleent in het bestuur van het hertogdom. De hertog sterft; zijn 13-jarige zoon Jan III volgt hem op.

1316

Jan van Boendale begint aan de “Brabantsche Yeesten”, een kroniek van het hertogdom. Hij zal eraan werken tot 1350.

1325

Galei.

De eerste twee Venetiaanse galeien verschijnen voor de stad.

1326

Vijf Venetiaanse galeien doen Antwerpen aan.

1327

Acht Venetiaanse galeien doen Antwerpen aan.

1336

Antwerpen ontvangt enorme hoeveelheden Engelse wol. De Engelse koning Edward III maakt aanspraak op de Franse troon en probeert Frankrijk te verzwakken. Daarom zet hij de uitvoer van Engelse wol naar Vlaanderen stop.

24 mei 1337

Lakenhandelaars uit Antwerpen, Leuven en Brussel krijgen van de Engelse koning het recht overal in Engeland handel te drijven.

22 juli 1338

Edward III, die steun zoekt bij de hertog van Brabant en de Duitse keizer, komt naar Antwerpen. Samen met zijn gevolg neemt hij zijn intrek in de Sint-Michielsabdij. Edward onderhandelt met de hertog.

Graf van Edward III in Westminster Abbey.

Maart 1339

Uit Londen, Yarmouth, King Lynn, Boston, Kingston en Newcastle komen meer dan 1.400 zakken wol in Antwerpen aan. De voornaamste afnemers zijn Duitsers en Italianen.

20 september 1338

Edward III keert terug van een ontmoeting met de keizer in Koblenz.

Omstreeks 15 juli 1339

Het Engelse leger trekt naar Frankrijk, maar het komt niet tot een veldslag. De Engelsen keren terug naar Antwerpen, waar hun koningin op 2 oktober in de Sint-Michielsabdij is bevallen van een zoon.

December 1339

Verdrag tussen Edward III en Vlaanderen. Edward vertrekt naar Gent, waar Artevelde hem tot koning van Frankrijk laat uitroepen.

1340

Antwerpen telt zo’n 10.000 inwoners.

De Franse koning stuurt een enorme vloot van 200 schepen om de verbindingen tussen Vlaanderen en Engeland te verbreken. In Antwerpen vreest men dat ze vloot de Schelde zal opvaren. Men voert wapens aan en begint aan de bouw van de Visverkoperstoren bij de Vismarkt.

24 juni 1340

De Engelse vloot o.l.v. Edward zelf verslaat met Vlaamse hulp de Franse vloot bij Sluis. Toch is Edward niet in staat de oorlog meteen voort te zetten. Hij stemt in met een wapenstilstand.

De slag bij Sluis.

1341

Het bedrag van de accijnzen die de stad Antwerpen int, is sinds 1225 verdubbeld.

1344

Na een korte inzinking stijgt het bedrag de accijnzen weer.

1345

De Duitse koopman Hendrik Suderman sticht een tehuis voor hulpbehoevende oude vrouwen. De beggaarden en de H. Geestmeesters zullen het samen besturen.

1348

De pest breekt uit. Brabant en Vlaanderen hebben er minder van te lijden dan de meeste andere streken. Maar de ontelbare slachtoffers doen de afzetmarkt voor het Vlaamse en het Brabantse laken veel kleiner worden.

Laken weven.

Omstreeks 1350

De lakenkooplui “delocaliseren” de productie naar Lier, Turnhout, Herentals, Duffel enz., waar de arbeiders niet georganiseerd zijn. Een groot deel van de “nieuwe draperie” wordt wel tijdens de Antwerpse jaarmarkten aan de man gebracht.

De Antwerpse lakenindustrie verliest haar belang, zodat vele ambachtslui zich op termijn toeleggen op het bleken en de afwerking van Engels laken; ook het haringkaken neemt een hoge vlucht. Anderen vervaardigen luxeproducten zoals linnen, lederwaren, vilten hoeden, handschoenen enz.

1352

Begin van de bouw van de nieuwe, gotische Onze-Lieve-Vrouwekerk. Het noordoostelijke deel van Antwerpen wordt definitief ommuurd. De nieuwe muur volgt ongeveer het tracé van de Tabakvest en verderop naar de Kipdorppoort en de Rodepoort.

1355

Dood van hertog Jan III. Johanna, zijn oudste dochter en haar man, Wenceslas van Luxemburg, erven Brabant. Johanna’s zus Margareta, sinds 1347 vrouw van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male, krijgt 120.000 schilden.

1356

Johanna en Wenceslas verlenen hun onderdanen de Blijde Inkomst. Dat charter garandeert de Brabanders inspraak in het bestuur en de financiën van het hertogdom en bevestigt o.m. de rechten van de steden.

Het grootzegel van Johanna en Wenceslas.

Februari 1356

Johanna en Wenceslas doen hun intrede in Antwerpen. Wenceslas vult de schepenen aan met zes raadslieden uit de oudste geslachten van de stad. Stedelijke ambten mogen alleen worden uitgeoefend door poorters die geen schepen zijn.

Juni 1356

Johanna en Wenceslas kunnen het erfdeel van de gravin van Vlaanderen niet uitbetalen. Haar man, Lodewijk van Male, verklaart hen de oorlog en valt Brabant binnen. Wenceslas en staat Mechelen af, maar Lodewijk wil ook Antwerpen.

Augustus 1356

Een Vlaamse vloot o.l.v. Jacob Buuc vaart de Schelde op en bestookt Antwerpen met zwaar geschut. De verdedigers hebben geen kanonnen om het vijandelijke vuur te beantwoorden.

Lodewijk van Male. Prent van Jean-Léon Huenens.

Illustration de Jean-Léon Huens, extraite de ‘Nos Gloires’ – Historia – Héritiers de Jean-Léon Huens & Musée Royal de Mariemont” .

 

Inmiddels trekt Lodewijk zegevierend door Brabant. Jacob Buuc komt in Antwerpen aan land. Hij neemt een aantal poorters gevangen als gijzelaars. De stad erkent de graaf van Vlaanderen als haar heer. Die benoemt een nieuwe schout en amman.

Oktober 1356

Lodewijk van Male vertrekt naar Parijs. Diverse Brabantse steden scharen zich opnieuw achter Wenceslas en Johanna. Ook Antwerpen verjaagt de Vlamingen. Jacob Buuc verschijnt opnieuw op de Schelde. Wenceslas beseft dat hij de oorlog niet kan winnen.

Juni 1357

Vrede van Ath. De gravin van Vlaanderen krijgt Antwerpen in leen.

2 Juli 1357

Intocht van Lodewijk van Male en zijn vrouw Margareta in de Scheldestad.

Juli 1357-januari 1358

Lodewijk van Male stuurt voortdurend soldaten naar Antwerpen.

Johanna van Brabant.

28 februari 1358

Zesenvijftig poorters moeten zich als gijzelaars gevangen geven in het kasteel van Dendermonde.

Maart 1358

Klaes Zwyns en Cool van Zantvoorde onthoofd. Wellicht gaat het om figuren uit de ambachtswereld. Dat ook daar wat roert, blijkt uit het feit dat de onrust in de stad nog niet voorbij is. Lodewijk laat immers nog gijzelaars oppakken. Hij eist alle privileges op die over de stapels handelen.

September 1358

Lodewijk van Male geeft de drie stapels aan Mechelen.

1360

Lodewijk van Male benoemt de Vlaming Wouter van Zeebroek tot schout. Dat is in strijd met de Antwerpse privileges. Van Zeebroek ontpopt zich tot een dwingeland.

Een menigte bestormt het Steen en laat alle gevangenen vrij. De nieuwe schout sneuvelt. Andere “Vlaamsgezinden” verschuilen zich in kerken, maar worden toch in de pan gehakt.

Charter, bekend als de “Blijde Inkomst”.

De Antwerpenaren vrezen de wraak van Lodewijk, maar de graaf reageert gematigd. Het volstaat dat de Antwerpenaars zich publiekelijk aan hem onderwerpen en een hoge boete betalen.

1361

Verzoening tussen Lodewijk en Antwerpen. De graaf erkent het bestaan van de ambachten, maar brengt ze onder controle van het stadsbestuur. Dat komt de Antwerpse elite goed uit.

1360-1380

Brugse kooplui gebruiken de Antwerpse jaarmarkten om contacten te leggen met Hollanders, Engelsen en Zuid-Duitsers die zich zelden tot in Brugge wagen.

De Antwerpse stadsfinanciën verkeren in crisis. De stad betaalt hoge renten op de schulden die ze heeft gemaakt om de oorlogsinspanning van Johanna en Wenceslas te betalen. Omstreeks 1370 willen de burgers daarom van geen lijfrenten meer weten. Lodewijk van Male legt de stad bezuinigingen op.

1379

Lodewijk verleent Antwerpen de toestemming om twaalf jaar lang nieuwe accijnzen te heffen – op voorwaarde dat de stad hem per jaar 2.000 pond betaalt.

1380

Zowat alle Vlaamse steden staan op tegen Lodewijk van Male. Antwerpen blijft hem trouw.

1382

De stadsfinanciën staan er opnieuw goed voor. Antwerpen leent Lodewijk van Male geld.

De graaf verslaat de milities van de Vlaamse steden in Westrozebeke.

De slag bij Westrozebeke.

De Vlaamse opstand maakt een eind aan de handel tussen Vlaanderen en Antwerpen. De jaarmarkten gaan door. De Engelsen profiteren van de ondergang der Vlaamse lakenindustrie om de markt te overspoelen met hun eigen, goedkope laken.

1384

Dood van Lodewijk van Male. Zijn dochter Margareta volgt hem op. Zij is getrouwd met een zoon van de Franse koning, hertog Filips van Bourgondië, bijgenaamd “de stoute”.

Margareta van Male en Filips de Soute. Prent van Jean-Léon Huenens.

Illustration de Jean-Léon Huens, extraite de ‘Nos Gloires’ – Historia – Héritiers de Jean-Léon Huens & Musée Royal de Mariemont” .

 

Vanaf 1385

Antwerpen verkoopt weer op grote schaal lijfrenten.

1374

Aan weerszijden van de Meir – op dat ogenblik nog een waterloop – legt men plavuizen.

1375-1376

Zware stormen en springvloeden die van de ondiepe Honte of Westerschelde een goed bevaarbare waterweg maken.

1386

De leden van de 19 Antwerpse ambachten moeten bij officiële plechtigheden een bepaalde livrei dragen.

De Antwerpse voetboogschutters worden opgesplitst in een gilde van de “oude” voetboog en één van de “jonge” voetboog.

1391

Het hoogkoor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk is overwelfd.

1394

Filips de Stoute.

Filips de Stoute laat de Burcht opnieuw in staat van verdediging brengen. De poorten zijn herbouwd en de Burchtgracht is uitgediept. De Steenpoort gaat opnieuw iedere avond dicht. Dit alles bemoeilijkt de toegang tot de Werf.

1398

Op een “stagie” van wijnvaten, bedekt met planken, op de Grote Markt, voeren “ghesellen” een Legende van Sente Barberen op. Het gaat om stedelingen die tijdens de processie bijbelse taferelen uitbeeldden.

1399

Antwerpen heeft vier stadsklerken. Hun kantoor heet de scryfcamere. Andere ambtenaren zijn de erfscheider, de poortsluiters, stadwachters, spuiknapen en sluismeesters.

Begin van de 15de eeuw

Zowat alle Brugse kooplui bezoeken de Antwerpse jaarmarkten.

De Antwerpse rede strekt zich uit van Holenvliet (thans Koolvliet) tot Sint-Jansvliet – zo’n 800 meter. De meeste schepen die aan de Werf aanleggen, hebben een tonnenmaat van zo’n 150 ton; soms zijn er kolossen van 220 ton bij.

De havenwerkers zijn gegroepeerd in diverse “gezelschappen” met minder status dan de ambachten. Uit deze groepen zelfstandigen groeien veel later de “naties”. Het zijn kraankinders, buideldragers, turfdragers, kordewagenkruiers (kruiwagenvoerders).

De diverse ambachten krijgen van de schepenen elk hun eigen reglement.

1401

De tachtigjarige hertogin-weduwe Johanna maakt bekend dat zij Brabant nalaat aan haar nicht Margareta, de vrouw van Filips de Stoute.

De Bourgondische Nederlanden.

Opvoering van een Spel van Onser Vrouwen op de Grote Markt.

1404

Zware stormen en springvloeden maken de Westerschelde nòg beter bevaarbaar. Schepen bereiken Antwerpen hierlangs sneller dan over de Oosterschelde. In Zeeland zal men meer en betere dijken bouwen, waardoor de stuwkracht van de stroom richting Antwerpen verder toeneemt.

De Antwerpse schuttersgilden nemen in Mechelen deel aan een schuttersprijskamp. Hun delegatie telt 360 leden.

1405

Er zijn in Antwerpen 29 erkende ambachten.

Deken Jan van der Bruggen klaagt over de wanordelijke zang in de O.-L.-Vrouwekerk. Enkele jaren later komt meer geld vrij om geoefende zangers in dienst te nemen.

1406

Dood van Hertogin-weduwe Johanna. Antoon, de tweede zoon van Filips de Stoute, volgt haar op en verklaart dat Antwerpen voortaan weer Brabants is.

Na 1406

Begin van de bouw van een nieuw Schepenhuis waar zich nu het plantsoen bevindt met De buildrager van Constantin Meunier (zuidkant huidig Stadhuis).

Het stadhuis (links) en de lakenhalle (schilderij van Gillis Mostaert, ca. 1560, Antwerpen, KMSK)

1408

Zonder toelating te vragen aan hertog Antoon bevelen de schepenen de bouw van een nieuwe Steenbrug. Zij zullen twee “burgimagistri” of burchtmeesters aanstellen om de sleutels van de Burcht te bewaren.

1415

De Veemarkt geplaveid.

1416

“Vrouwkens van stade”, d.w.z. hoeren, mogen niet meer opereren bij het leeshuis en het klooster van de predikheren. Alleen op de Guldenberg mogen ze hun beroep uitoefenen.

1418

Jan IV verklaart zichzelf meerderjarig en trouwt met zijn nicht Jacoba van

Beieren, erfgename van Holland, Zeeland en Henegouwen.

Jan van Beieren, ook familie van Jacoba, stelt dat alleen een mannelijke verwant – hijzelf – de landen van Jacoba’s vader kan erven. Maar de steden van de drie graafschappen kiezen voor Jacoba.

Brabantse adel en steden komen bijeen in Antwerpen en besluiten daar dat ze Jan en Jacoba ook buiten de grenzen zullen helpen tegen hun oom.

De Brabanders belegeren Dordrecht. Antwerpen staat borg voor de lening die Jan IV heeft afgesloten bij Pieter Pot om de oorlog te financieren. De expeditie mislukt.

Jan IV gooit het tegen zijn vrouw en de steden in op een akkoordje gooit met de vijand en stelt Jan van Beieren aan tot gouverneur van Holland, Zeeland en Henegouwen. De steden en edelen van Brabant benoemen Jans broer, Filips van Sint-Pol, tot ruwaard van Brabant – een feitelijke staatsgreep.

Peter Pot, een koopman uit Dordrecht die fortuin heeft gemaakt in het Midden-Oosten, koopt het goed De Swane aan de Hoogstraat.

1420

Fundering van de noordertoren van de Onze-L.-Vrouwekerk.

1421

Jan IV hervat in Holland de strijd tegen Jan van Beieren. Jacoba vlucht uit Henegouwen naar Engeland, waar ze wil trouwen met de hertog van Gloucester. Ze zegt dat ze daarvoor dispensatie heeft van de paus.

1422

Het Schippersambacht (waartoe ook de scheepstimmerlui behoren) krijgt een eigen reglement.

Het kapittel koopt een huis voor de leden van het koor van de O.-L.-Vrouwekerk. De meerstemmige muziek heeft vanuit Frankrijk haar intrede gedaan.

1425

Filips van Sint-Pol voert het Brabantse leger aan dat Gloucester en Jacoba in Henegouwen beoorloogt. Bemiddeling door Filips de Goede, die zijn vader Jan zonder Vrees is opgevolgd als hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen.

Dubbele groot van Filips van Saint-Pol.

12 april 1427

Dood van Jan IV. Filips van Saint-Pol volgt hem op.

Vanaf 1430

De Zuid-Duitsers komen zelf naar de Antwerpse jaarmarkten en schakelen de Keulse tussenhandel uit. Ze kopen Engelse laken dat door een devaluatie van het pond goedkoop is, en specerijen. Die laatste worden naar de Scheldestad gebracht door Brugse kooplui.

Weldra importeren de Zuid-Duitsers zelf specerijen uit Italië, maar dan over land. Brugge blijft daarbij buiten spel. Dank zij de verbetering van de mijnbouwtechniek in hun streek, beschikken de Zuid-Duitsers over veel zilver en koper.

Omstreeks 1430

Fundering van de zuidertoren van de O.-L.-Vrouwekerk.

4 augustus 1430

Dood van Filips van Saint Pol. Filips de Goede eist als dichtste verwant het hertogdom Brabant op.

10 oktober 1430

Blijde Intrede van Filips de Goede. Zoals zijn voorgangers heerst hij ook over Franse vorstendommen en is verwikkeld in de Frans-Engelse oorlog.

1431

Het koor dat links staat opgesteld in de O.-L.-Vrouwkerk telt 27 zangers; het rechterkoor 21.

1433

In zijn huis De Swane aan de Hoogstraat sticht Peter Pot een klooster.

Wapen van het Sint-Lucasgilde (17de eeuw).

1434-1435

Stichting van het Sint-Lucasgilde dat schilders en beeldhouwers groepeert. De bloei van Antwerpen trekt steeds meer kunstenaars aan. De houtsnijders maken op grote schaal retabels, die door de schilders gepolychromeerd worden.

1437

De Hanzeaten verlaten Brugge en vestigen zich voor een jaar in Antwerpen. De politieke toestand in de Reienstad is nadelig voor hun handel.

1441

Brand verwoest een deel van het predikherenklooster. De paters maken van de wederopbouw gebruik om een “pand” op te richten waar ze tijdens de jaarmarkten winkels verhuren aan zilversmeden.

Omstreeks 1450

Ten noorden van de Holenvliet, de losplaats van vis, graaft men een nieuwe binnenhaven, de Sint-Pietersvliet.

De Sint-Pietersvliet op het einde van de 19de eeuw.

Na 1450

Het stadsbestuur vertrouwt de armenzorg toe aan vier leken, de “aalmoezeniers”, gekozen onder de rijkste burgers.

1453

Oprichting van de rederijkerskamer De Violieren door de gezellen die vanaf het begin van de eeuw bij allerlei gelegenheden toneel spelen.

1455

Het stadsbestuur heft een buitengewone belasting op de tarwe om de bouw van de O.-L.-Vrouwekerk te subsidiëren. Men werkt aan de zijbeuken en aan het schip van de kerk.

Omstreeks 1465

Een lid van De Violieren schrijft het toneelstuk Marieken van Nieumeghen. Daarin is sprake van de herberg Den Boom aan de Grote Markt.

Karel de Stoute.

1465

Filips de Goede draagt de macht over aan zijn zoon Karel de Stoute. Karels eerste vrouw, Isabella van Bourbon, sterft in de Sint-Michielsabdij en wordt er begraven.

1467

Filips de Goede sterft in Brugge. Op 5 september haalt Antwerpen zijn nieuwe hertog in.

De Cluyse aan de Oude Koornmarkt.

1468

De stad geeft de hanzeaten het huis De Cluyse aan de Koornmarkt om er hun kantoor te vestigen.

1474

De Engelse “natie” krijgt een huis in de Bullincstraat (Oude Beurs).

1475

Voorlopig einde van de werken aan de toren van de O.-L.-Vrouwekerk. Afbraak van de Romaanse toren die tot dan toe heeft dienstgedaan als klokkentoren en uitkijkpost.

5 januari 1477

Karel de Stoute sneuvelt voor Nancy.

Graftombe van Karel de Stoute in Dijon.

Na 5 januari 1477

In de Nederlanden ziet de stedelijke middenklasse de kans schoon om tot meer inspraak en minder belastingen te eisen. Ze is bang voor de oorlog en verwijt de raadslieden van de hertogin dat ze zich te soepel opstellen tegen Frankrijk.

16 maart 1477

De ambachten betogen op de Grote Markt.

Maria van Bourgondië.

17 maart 1477

Begin van de “Quaeye Werelt”. Binnenburgemeester Hendrik van de Werve, rentmeesters Willem van Riethoven en Peter van de Voort en vijf schepenen worden opgesloten.

De ambachten stellen een nieuw stadsbestuur aan. De afgezette overheidspersonen worden beschuldigd van corruptie en fraude.

Mariken van Nieumeghen en de duivel Moenen.

Vanaf 9 april 1477

Nog meer vooraanstaanden gevangen. Ambachten en poorters bepalen dat zij het voortaan samen voor het zeggen hebben.

5 mei 1477

De gebroeders Van der Voort op de Grote Markt terechtgesteld.

Mei-juni 1477

De ambachten trekken overal aan het langste eind, maar vrezen de Fransen, die de ene overwinning na de andere behalen. Zo ontstaat een toestand waarin Maria haar blijde intrede kan houden in de Brabantse steden.

Maximiliaan van Oostenrijk.

14 tot 25 juni 1477

Maria in Antwerpen; zij belooft de straffen die de nieuwe machthebbers hebben uitgesproken, te respecteren. Zodra dat op papier staat, stuurt de stad haar schutterij naar het front.

Zomer 1477

Maria’s raadslieden hertogin bereiden haar huwelijk voor met Maximiliaan van Oostenrijk, de zoon van de keizer. De “democratische” stadsbesturen zijn daar niet gelukkig mee.

Anoniem Antwerps meester, “De Zeven Sacramenten en Zeven Werken van Barmhartigheid”, ca. 1490.

Toch sturen die uit Brabant afvaardigingen om de aartshertog in te halen. Vanuit Antwerpen vertrekt de buitenburgemeester met een groep kooplieden naar Aken. Ze begeleiden Maximiliaan tot in Leuven.

19 augustus 1477

Huwelijk van Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk in Gent.

30 november 1477

Commissarissen van de hertogin stellen een nieuw schepencollege aan. Ze nemen geen vertegenwoordigers van de ambachten in op, maar houden toch rekening met de middenklasse.

Model van een karveel (MAS).

14 januari 1478

Plechtige intrede van Maximiliaan en Maria te Antwerpen.

April 1478

Verzoening tussen de verwanten van de slachtoffers van de Quaeye Werelt met de dekens der ambachten en hoofdmannen van de poorterij.

Maart 1479

Maximiliaan heeft geld nodig voor de oorlog en roept de staten van zijn vorstendommen bij elkaar in het Antwerpse predikherenklooster.

1480

De Violieren worden voortaan expliciet als “rederijkerskamer” omschreven. De kamer wordt deel van het Sint-Lucasgilde.

Boek, gedrukt door Mathias van der Goes.

1481

De stad koopt de Burchtgracht en zal aan weerszijden kaaien bouwen ten gerieve van “de koopman”. Toch zijn die in 1500 nog niet af.

Mathias van der Goes brengt het Boexken vander officien ofte dienst der missen op de markt, het eerste boek dat in Antwerpen wordt gedrukt.

Wijding van het hoogaltaar van de O.-L.-Vrouwekerk.

1482

Maria van Bourgondië valt van haar paard en sterft. Maximiliaans erkend als regent in de plaats van zijn zoontje Filips de Schone – op voorwaarde dat hij vrede sluit met Frankrijk.

Graftombe van Maria van Bourgondië in de Onze-Lieve-Vrouwkerk in Brugge.

Opstand van Vlaanderen tegen Maximiliaan. Antwerpen en Mechelen blijven hem trouw.

Jan van Ranst leidt een Antwerpse expeditie tegen een Vlaams legerkamp bij Kallo dat is uitgerust met 60 kanonnen, en verovert dit.

21 juni 1486

Capitulatie van Brugge.

3 juli 1486

Terugkeer van Maximiliaan uit Duitsland, waar hij is gekroond tot Rooms Koning.

5 juli 1486

Capitulatie van Gent.

Zomer 1486

Maximiliaan stelt de Antwerpenaars voor zes jaar vrij van alle tollen in de Nederlanden.

Alle schepenen zijn voortaan weer poorters. Ambachtslui, zegt Maximiliaan, kunnen geen commerciële geschillen beslechten.

1488

Maximiliaan roept de Duitse, Portugese en Italiaanse kooplui uit Brugge naar Antwerpen en verleent hun daar dezelfde privilegies.

Omstreeks 1490

Jan Casyonszone Wenckaert facteur (dichter) van de Violieren. Hij is van zijn vak boekverluchter en schilder.

Meester van het Morrisondrieluik, “Aanbidding der Koningen” met Antwerpen op de achtergrond.

Vele schilders borstelen panelen met religieuze onderwerpen. Eén van hen is Hendrik van Woluwe, alias de Meester van Frankfort, die zichzelf in gezelschap van zijn vrouw afbeeldt als deken van het Sint-Lucasgilde.

Hendrik van Woluwe als deken van het Sint-Lucasgilde met zijn vrouw (Antwerpen, KMSK).

1490

Het aantal schepenen van twaalf op zestien gebracht.

1491

Herman de Waghemakere begint aan de bouw van de Sint-Jacobskerk.

Nieuwe oorlog met Frankrijk. Brugge en Gent weigeren Maximiliaan te helpen. Maximiliaan roept de staten van zijn Nederlandse gewesten, bijeen in Brugge, maar wordt er zelf gevangen genomen. Vlaanderen doet Maximiliaan en de overige gewesten instemmen met een akkoord.

De Sint-Jacobskerk, pas voltooid in de 17de eeuw.

Antwerpen weigert aan de besprekingen deel te nemen. Maximiliaan komt vrij, verbreekt het akkoord en voegt zich bij zijn vader, keizer Frederik, die aan het hoofd van een Duits leger in Leuven aankomt.

18 juni 1491

Antwerpen krijgt van Maximiliaan de aluinstapel. Aluin is van groot belang voor de lakennijverheid.

1492

Einde van de Vlaamse oorlog. Ook Frankrijk sluit weldra vrede met Maximiliaan.

Vijf Antwerpse schepen krijgen het op de Schelde aan de stok met de vloot Filips van Kleef. Deze edelman blijft ook na de vrede tegen Maximiliaan vechten. De Antwerpenaars krijgen hulp van Portugese koopvaarders en kapen de boten van de opstandelingen.

Jacob Obrecht.

De franciscanen beginnen aan de bouw van hun kloosterkerk aan de Mutsaertstraat.

Jacob Obrecht uit Bergen-op-Zoom wordt zangmeester van de O.-L.-Vrouwekerk. Hij ontpopt zich tot één der grootste toondichters van zijn tijd.

1494

Filips de Schone meerderjarig.

Quinten Metsys komt vanuit Leuven naar Antwerpen en wordt vrijmeester van het Sint-Lucasgilde. Vòòr 1497 schildert hij voor de kapel van het ambacht van kuipers en schrijnwerkers een Kruisafneming.

Quinten Metsys.

Oktober 1494

Filips de Schone doet zijn Blijde Intrede in Antwerpen.

1496

De Antwerpse rederijkers organiseren een toneelwedstrijd. 28 kamers uit Brabant, Vlaanderen, Henegouwen, Zeeland en Holland nemen deel.

Johanna van Castilië, de dochter van de “katholieke” koningen Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië, komt naar Antwerpen om te trouwen met Filips de Schone.

Filips de Schone.

Schout Jan van Immerseel laar daarvoor de kapel van zijn woning aan de Lange Nieuwstraat in gereedheid brengen. Uiteindelijk trouwen Johanna en Filips in Lier.

Filips de Schone en de Engelse koning Hendrik VII sluiten de “Magnus intercursus”, een handelsverdrag dat voor Antwerpen vele voordelen inhoudt.

1499

Begin van de bouw van een nieuwe, grotere Sint-Walburgiskerk. De Vierschaar verhuist naar de hoek van de Mattenstraat.

Maquette van de Sint-Walburgiskerk (Antwerpen Miniatuurstad).

1500

Geboorte van prins Karel, de latere keizer Karel V, te Gent.

Jacob Obrecht trekt zich terug als zangmeester van de O.-L.-Vrouwekerk.

Geschiedenis – Kroniek van het Schipperskwartier

Gade weg, gade weg, gade weg:

wij zijn hier, wij zijn hier.

Wij zijn de mannen van het Schipperskwartier.

En zie ze maar eens gaan,

en ze maar een staan,

zoude nu niet zeggen

daar kan geen een ploeg aan.

Liedje van de straatjeugd uit het Schipperskwartier, omstreeks 1900

Kraaiwijk (1000-1300)

De populaire TV-serie Lili en Marleen speelt in een café aan de Koolkaai. Dat is de naam die men in 1885 geeft aan het pleintje dat ontstaat na de overwelving van de Koolvliet. Die vormt al vòòr 1200 het laatste stuk van de watersingel om Antwerpen en fungeert tegelijk als een binnenhaven. Geen wonder dus, dat er scheepsvolk woont: reders-kapiteins die de zee bevaren en hun matrozen, maar ook lieden die hun kost verdienden op de Schelde en haar bijrivieren.

Het Schipperskwartier vandaag – de Vingerlingstraat.

Gehard en roerig volk, welbespraakt en met een bijtend gevoel voor humor, dat zich afzijdig houdt van de handwerkers en de boeren uit de omgeving. De Scheldemonding heeft voor de schippers geen geheimen. In de 12de en de 13de eeuw steken ze al het Kanaal over, tot in Engeland.

De buurtschap waar deze mensen wonen, krijgt de naam Kraaiwijk. Wat die naam precies betekent, weten we vandaag niet meer. Maar “wijk” wijst in ieder geval op een haventje, een plek waar handel wordt gedreven. Vandaag resten ons nog de straatnamen Grote en Kleine Kraaiwijk.

Aan de overkant van de Koolvliet, van aan de Schelde tot aan de weg naar het noorden (Lange Koepoortstraat, Klapdorp, Paardenmarkt) vinden we een drassig weidegebied, de Dries. Hier laten de Antwerpenaars hun vee grazen. Dat doen ook de bewoners van het gehucht Klapdorp. Het ligt aan weerszijden van de weg waaraan het op de duur zijn naam geeft.

De cast van “Lilly en Marleen”.

Tot in 1249 verandert het uitzicht van de buurtschap weinig. Maar dan krijgen de predikheren of dominicanen van kanunnik Hugo Nose (Nosestraat) een

stuk van de Dries om er een klooster te bouwen. Weldra beslaat dat zowat het hele gebied tussen de huidige Dries, Keistraat en Zwartzusterstraat. Bij de Tweede Stadsuitbreiding zal Antwerpen het klooster en een stuk van het oude weidegebied inlijven.

De Sint-Pietersvliet wordt de noordgrens van de stad. Wallen of poorten zijn er niet. Alleen grachten houden de vijand (of veedieven) buiten dit deel van de stad.

Falco en zijn plein (1350)

De Italianen zijn al vroeg bekwame geldwisselaars en bankiers. In de eerste helft van de 14de eeuw slaat Falco de Lampage uit Florence munt in opdracht van hertog Jan III van Brabant. Falco is een rijk man. Van zijn werkgever koopt hij een stuk van de Dries ten noordwesten van Klapdorp. Hij maakt het droog en sticht er op zijn beurt een klooster.

De nonnetjes die er wonen, noemt men naar Falco de falcontinnen en de open plaats voor het klooster heet Falconplein. Lang duurt de falcontinnen alle ruimte tussen Falconplein, Falconrui, Oudeleeuwenrui en Generaal Belliardstraat in handen hebben. Ze beschikken over een kerk en een gastenverblijf en bouwen zelfs huizen die ze verhuren aan particulieren.

Het Falconplein vandaag.

Het gaat Antwerpen voor de wind. Stilaan groeit het uit tot de voornaamste handelsplaats van Brabant. Ook de schippers boeren goed. Ze zwermen uit over de nieuwe buurtschap ten noorden van Kraaiwijk. Aan de Sint-Pietersvliet vestigen zich scheepsbouwers.

Waar nu de Sint-Paulusplaats is, vindt twee keer per jaar de huidenmarkt plaats. Ze duurt twee of drie dagen en men verkoopt er huiden en leder uit de Nederlanden en van daar buiten.

Het Vingerlinc en het ontstaan van het Schipperskwartier (1400-1548)

Bij de Vierde Stadsuitbreiding (14de- begin 15de eeuw) schuift de noordgrens van Antwerpen weer eens op – ditkeer tot aan de Brouwersvliet. Daarover komen twee bruggen die naar heuse stadspoorten leiden.

De vierde stadsuitbreiding (naar Prims).

In de “hoek” tussen de Sint-Pietersvliet en de Brouwersvliet komt omstreeks 1410 een heuse versterking. Zij krijgt de naam Het Vingerlinc – vandaar de naam van de Vingerlingstraat. Bij de bouw van het Vingerlinc ontstaat de Schippersstraat. Eerst heet ze Bredestraat of Klappeistraat. Pas in 1856 krijgt ze haar huidige naam, om verwarring met de Klappeistraat bij de Sint-Willibrorduskerk te vermijden.

De hebben geleerd dat ze er voordeel bij hebben hun gemeenschappelijke belangen samen te verdedigen. Omdat hun activiteit zo belangrijk is voor het economisch leven, legt het stadsbestuur hen allerlei reglementen op. In 1421 verenigen de schippers zich dan ook officieel in een ambacht. Zo’n een organisatie houdt het midden tussen een vakbond en middenstandsvereniging.

Het schippersambacht groeit uit tot een rijke en machtige organisatie. Ze drukt mee haar stempel op de Antwerpse politiek. Bij de huidige Korte en Lange Schipperskapelstraat bouwt het ambacht ca. 1406 een godshuis voor bejaarde schippers. In 1443 krijgt dat een (nieuwe) kapel die de beide straten hun naam geeft.

“Les Demi-Grues” door Carel De Poorter.

In 1477 spelen de schippers een voorname rol in de opstand tegen de jonge hertogin Maria van Bourgondië. Deze kleine revolutie gaat de geschiedenis in als de Quaeye Werelt. Eén van de grootste oproerkraaiers is Peter Biggen, die in de volksmond de heer van Kraaiwijk heet.

Een paar jaar later, in 1480, breekt de stad het Vingerlinc af. In de buurt worden straten geopend: de Vingerlingstraat (die in het begin ook de Oudemansstraat omvat) en de Broekstraat. Die laatste gaat later de Blauwbroekstraat heten, naar een verwerij. Aan de noordkant van de Blauwbroekstraat bevinden zich verscheidene gangen met kleine huisjes. De Oudemansstraat ontleent haar naam aan een godshuis voor oude mannen dat omstreeks 1470 is gesticht.

Zo groeit het Schipperskwartier uit tot een levendige, drukke wijk met woon- en werkhuizen, kroegen en opslagplaatsen, kloosters en kapellen. Het deelt het lief en leed van Antwerpen.

Gilbert van Schoonbeke en daarna (16de-18de eeuw)

Iets voor het midden van de 16de eeuw bouwt Antwerpen nieuwe stadsmuren, de zg. “Spaanse” wallen. Een groot gebied ten noorden van de Brouwersvliet wordt ingelijfd bij de stad. In 1548 sluit bouwpromotor Gilbert van Schoonbeke een contract met de schepenen. Hij zal de Nieuwstad, zoals het daar is gaan heten, verkavelen, er straten trekken en twee nieuwe vlieten graven.

Gilbert van Schoonbeke.

Net zoals de Brouwersvliet staan de Middenvliet en de Timmervliet in verbinding met de Schelde. De Middenvliet kan schepen tot 200 ton ontvangen, de andere twee schepen tot 80 ton. Nabij zijn vlieten trekt Van Schoonbeke straten en bouwt hij huizen. De werken duren tot in 1552. Twaalf jaar later legt men in de Nieuwstad de eerste steen van het Hansa- of Oosters Huis. Dat fungeert als hotel en opslagplaats voor de kooplieden uit de steden van de Duitse Hanze.

Om de waren op te slaan die met platte wagens uit andere plaatsen in Duitsland naar Antwerpen komen, begint men nog datzelfde jaar aan het Hessenhuis.

Het eigenlijke Schipperskwartier is niet langer de noordelijkste buurt van Antwerpen.

Jozef II, de “keizer-koster”.

De Oostenrijkse keizer Jozef II schaft op het einde van de 18de eeuw de “nutteloze” kloosterorden af. Zo ook de falcontinnen. Zij verlaten hun klooster in 1784. De Fransen gebruiken de gebouwen nadien als militair hospitaal. Omstreeks 1810 maakt het klooster plaats voor een kazerne, die blijft staan tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

Alleen de Falconpoort, die toegang verleende tot het klooster, overleeft. Er komt in de 19de eeuw een gang met twintig huisjes achter. Die verdwijnen pas wanneer men 1955 op het terrein van de Falconkazerne het Internationaal Zeemanshuis bouwt.

Napoleons dokken en de Kapel onder de Sint-Paulusplaats

In 1803 besluit de Franse keizer Napoleon om van Antwerpen een militaire haven te maken. Hij beveelt de aanleg van getijdenvrije dokken. Daarvoor maakt men gebruik van de vlieten van Gilbert van Schoonbeke. In 1807 gaan de graafwerken aan het Petit Bassin of Bonapartedok van start. Zes jaar later volgt het Grand Bassin, later Willemdok genoemd omdat de koning der Nederlanden het overdraagt aan de stad Antwerpen.

Napoleon door Ingres.

Anno 1855 overwelft men de Sint-Pietersvliet. Dwars over de gronden van het oude dominicanenklooster trekt men de Sint-Paulusstraat. Aan weerszijden komen voorname burgershuizen.

In één van die huizen wordt in de Franstalige dichter Max Elskamp geboren. Hij verhuist naar de Belgiëlei, maar vereeuwigt “zijn” straat in het gedicht La Chanson de la rue Saint Paul (Het Lied van de Sint-Paulusstraat).

Men legt ook de Sint-Paulusplaats aan. Die krijgt op termijn haar eigen politiebureau. En vlakbij verrijst verrijst het Tolhuis.

De ruien.

Onder de Sint-Paulusplaats vinden we de zg. Kapel, een onderdeel van Antwerpens legendarische ruien. De kapel heeft een oppervlakte van bijna 250 vierkante meter. Ze bestaat uit twee beuken van zo’n vijf meter breed en vier meter hoog, die door twee machtige zuilen van elkaar worden gescheiden.

De Kapel vormt de verbinding van de Minderbroedersrui met de Koolvliet en de Sint-Pietersvliet. De legende wil dat een dertigtal Engelse ingenieurs met hun echtgenote hier in 1890 op bootjes een banket hielden. Eten en champagne zouden daarbij via mangaten van op straat zijn neergelaten.

De leerjaren van een kapitein (ca. 1860)

Omstreeks deze tijd schrijft Domien Sleeckx (1818-1901) de roman In ’t Schipperskwartier (1861). In dit populaire boek, dat tot halverwege de 20ste eeuw geregeld herdrukt wordt, vertelt Sleeckx het leven van de straatjongen Jan Savoir uit het Schipperskwartier. Dankzij zijn grote verstand en doorzettingsvermogen brengt hij het tot scheepskapitein en trouwt met Rozeke, de dochter uit een florissante kaaswinkel aan de Keistraat.

Sleeckx blijft niet blind voor de armoede en de ellende in de gangen en op de zolderkamers van de wijk, maar zijn Schipperskwartier is toch burgerlijker en vooral “braver” dan het echt moet zijn geweest.

De Sint-Pauluskerk.

“Waar ik geboren werd, en wie eigenlijk mijn ouders waren,” vertelt Jan Savoir, “zou ik, om de waarheid te zeggen, niet met juistheid kunnen opgeven. Zooveel is zeker, dat ik een jongen ben van het zoogenaamde Schipperskwartier, dat is, van de wijk, nabij de haven en de dokken gelegen, waar sinds eeuwen dat gedeelte der Antwerpsche bevolking huist, dat in de scheepvaart zijn bestaan vindt. Zoover mij heugt, heb ik nooit andere bloedverwanten gehad, dan een oud vrouwtje, dat ik moeitje noemde, en dat, op de Citernebrug, rechtover de Oude-Leeuwenrui, met een kraampje kersen en krieken, appel en peren zat, of met andere lekkernij, al naar ’t seizoen het meebracht.”

“Wij woonden op een zoldertje, in een gang der Oudemanstraat, waar het ’s zomers zeer heet en ’s winters fel koud was. Eten kreeg ik in nogal tamelijke maat, want moeitje had veel vertier, en genoot zekere befaamdheid bij de snoepzieke jeugd van het Schipperskwartier, zoowel voor haar caramellen en babbelaren, als voor haar smoutebollen, die zij, volgens het oordeel zelfs van meer bejaarde personen, zeer smakelijk wist te bakken, en zonder dat zij noodig had Spaansche zeep te gebruiken, om het beslag te doen rijzen.”

Domien Sleeckx.

Sleeckx heeft het verder over de “veldtochten” die de jeugd van het Schipperskwartier in andere wijken onderneemt: “’t Gebeurde in dien tijd meermalen, dat de jongens van het Schipperskwartier, niet tevreden met onder elkaar te vechten en te borstelen, noodig oordeelden, waarschijnlijk om zich beter in den krijg te oefenen, een grooten, algemeenen veldtocht te ondernemen tegen de knapen van een andere wijk der stad, ik zal maar eens zeggen tegen die van het St. Jacobskwartier (…). Onder het zingen van

“Wij zijn hier, wij zijn hier,

jongens van het Schipperskwartier”

en andere krijgszuchtige liederen, togen dan een paar honderd of meer snaken van onzen kant tegen den vijand uit, werden slaags met dezen, na de onvermijdelijke voorloopige schermutselingen, klopten of werden geklopt, zoodanig, dat er soms zwaar gewonden op het slagveld achterbleven.”

De beschrijving van het huis van Jan Savoirs toekomstige schoonvader leert ons hoe het er uitzag bij de kleine burgerij, niet alleen in het Schipperskwartier, maar in heel Anterpen:

“Overal heerschte een smaak en een pracht, waaraan ik natuurlijk niet gewend was. Zij (de kamer) bevatte vooreerst een kostelijke commode van mahoniehout, waarop een porceleinen servies stond met gouden bloemen. Voor den schoorsteen hing een grooten spiegel, waarin men zich bijkans van het hoofd tot de voeten kon zien, en verder aan de muren schilderijtjes met de historie van Genoveva in print, met vergulde lijsten.”

Huis aan de Sint-Paulusstraat.

“In het midden van de kamer bevond zich een groote ovale tafel, met een rood zwartgebloemd kleed, en de vensters waren behangen met rolgordijnen van wit percal met franjes. Op een hoekkastje prijkten een paar kinkhoren, van de schoonste die ik nog had te zien gekregen, en van de zoldering daalde boven de tafel een nette kleine driemast, voorzien van al zijn takelage en staande want, met volle zeilen. Het was verrukkelijk, zonder te rekenen dat de stoelen en verdere meubels, zorgvuldig geboend, blonken als zoovele zonnen, en dat het gansche vertrek door een zindelijkheid en een rijkdom schitterden, die mij met eerbied vervulden voor de gelukkige bezitters van al die kostbaarheden.”

Verhuizen naar het Schipperskwartier (1885)

De rechttrekking van de Scheldekaaien in 1880-1885 veegt een groot deel van het oudste Antwerpen van de kaart. Duizenden mensen moeten verhuizen. Van Burchtplein en Mattenstraat, Steenstraat en Palingbrug, Visberg en Burchtgracht gaat het naar het meer noordelijk gelegen Schipperskwartier.

Het zijn niet alleen zeelui en arbeiders die verhuizen. Ook een groot deel van de Antwerpse prostituées volgt hen. Zo krijgt een aantal straten in het Schipperskwartier weldra het karakter van rosse buurt.

Jan Denucé.

Tot de vele “landverhuizers” van die dagen behoort de familie van de latere stadsarchivaris Jan Denucé. Eind jaren 1920 schrijft hij zijn herinneringen neer aan het Schipperskwartier anno 1890:

“Het eigenlijke Schipperskwartier, van de (…) sint-Paulusplaats tot aan de Falconplein, kende toen zijn bloeiendste dagen, denk ik. Het was een zuiverder zeeliedencentrum dan de Jordaanskaai; er waren geen groote kantoren noch magazijnen. In de hoofdstraat, Oude-Man, Vingerling- en Schippersstraten waren bijna zonder uitzondering huizen met verlokkende Engelsche en Scandinaafsche uithangborden, veel logementen of ‘slaapsteeën’ waar het zeevolk zoo niet geplunderd dan toch van zijn meeste geld heel snel verlicht werd, vóór het tot standkomen van de officieele zeemanshuizen. Even gemengde bevolking als aan de Werf, maar de Engelschen niet meer zo domineerend; veel Zweden, Denen en Noren, meer en meer Duitschers, Russo-Finnen, Indiërs, minder graag geziene Italianen, weinig Franschen.”

Aan de Schelde…

“Een atmosfeer van Beiersche en Engelsche bieren was niet van de straat; ’s avonds (…) groepen twistzieke dronken matrozen, gillende meiden, gevechten waarin toch steeds de een of andere Antwerpsche vechtbaas, in allerijl geroepen, de nationale eer moest redden. Voor de jeugd was het een erbarmelijk midden; op straat gejaagd omdat de meeste huizen tuin noch binnenplaats hadden, speelden grooten en kleine op het Boelvarke (Oude Leeuwenrui), deden aan grof atletensport met gewichten, krachtmetingen aan natiewagens, ondernamen rooftochten (…), trokken op expeditie naar St-Anneken of naar het Noordkasteel, om fakkels te plukken – en om te gaan zwemmen. (…) Zoo leefde (…) men (…) in het Schipperskwartier, van de rest van de stad afgescheiden en ontkend – behalve de Vastenavonddagen, wanneer een deel van het

De Sint-Paulusplaats.

Antwerpen het Schipperskwartier kwam ontdekken, tuk op exotisme. Toen was het in de smalle straten een gedrang, een waanzinnig gejoel van verkleede groepen, van de gemeenste voddejoën en brooiken-bijt tot de gepruikte markiezinnetjes. De dwaze tocht begon aan de Van Schoonbeke- en Falconpleinen, trok door de Schippersstraat, waar natuurlijk de schitterendste danszaal van de stad, ‘Lucifer’, later ‘Zwarte Kat’ bezocht werd. Dan ging het gewoel door de Vingerling- en Mannekensstraten of Verwersrui, waar bij talrijke ‘Norske Mamas’ even in- en uitgeloopen werd, tot aan de Kalkbrug.”

Vechtersbazen van de Dries (ca. 1900)

Een ander talentrijk kind van het Schipperskwartier is de dichter Armand Willem Grauls (1889-1968). Hij groeit op aan de Dries en zet daarover dertig jaar later zijn herinneringen op papier.

“Inderdaad,” schrijft Grauls, “de mannen van den Dries (…) kónden vechten. In de week waren het gewoonlijk de kolendragers, die den slag aangingen. Er waren in de straat twee naties, de Koolnatie en de Rijnnatie. Van ’s morgens zes uren kwamen de arbeidslustigen naar werk uitzien. In afwachting dat de sjouwersbaas hen kwam uitpikken, stelden zij zich langs de muren der huizen, zaten zij in groepjes gehurkt tegen de deuren, riepen een galant kompliment naar de voorbijkomende zakkennaaisters, sakkerden en vloekten al de engelen uit de hemel (…), trokken uit verveling een kaartspel of liepen in en uit ‘Den gevonden Heiligen’ herberg-afspanning, waar de genever geschonken werd in groote kappers met weinig water en bijna geen peper tegen zeer matigen prijs.”

“Het gebeurde zeer dikwijls dat reeds tegen acht uren het kantje in rep en roer stond om twee boksende kolenlossers te zien beslechten wie het meeste recht had om het eerst aangeworven te worden bij de kolenvoorziening van de aankomende Congoboot. In de venster verschenen ongewasschen vrouwen, trossen kinderen met slechts hun hemdeken aan, werklooze of werkschuwe venten, die met kennis van zaken den strijd volgden en tegelijkertijd toeschouwer en scheidsrechter waren.”

Het is met minder nostalgie dat Grauls terugdenkt “aan de muffe gangetjes en de volgepropte woonhuizen, waar gezinnen met twaalf kinderen geen uitzondering waren, waar de huisvrouwen drie, vier dagen rink-aan-een aan de waschtob stonden, en als hoogste en eenigste weelde met Carnaval en Halfvasten er evenveel dagen en nachten op loszwierden.”

De auteur beschrijft “typen als Den Scheele, een metserdiender, die elken Zaterdag op de lappen ging en eerst ’s Maandags nachts terugkeerde om zijn kamerdeur in te stampen en zijn wijf af te troeven; en Rik de Rat, die zich uitgaf als buildrager, maar nooit werkte, den heelen dag in de kroeg zat en u van alles en nog wat kon aan de hand doen tegen een civiel prijsken”. Voorts herinnert Mie de Rets, een klein moedig huismoederken, met negen kinderen, dat zich letterlijk doodwroette om haar kroost uit de armoede te houden en toch vooral deftig groot te krijgen. Haar oudste jongen geraakte in ’t prison en een van haar dochters belandde als ontuchtvrouw in een bordeel der Spuistraat…”

De Sint-Pietersvliet.

En Grauls besluit: “De ruwe, armoedige doch zoo levensblijde bevolking van havenwerkers en straatjesvolk, de zonnekloppers, de rabauwen, de nachtridders, het rumoerig bedrijf der naties (…), de winkelier- en herbergierkens met hun zeden en gewoonten van Deezekens tijd zijn niet meer te vinden in de thans gemoderniseerde, kleinburgerlijke straat.”

De smaak van opium (1933)

In 1931 publiceert de journalist Carel De Poorter in het Franstalige, liberale dagblad Le Matin een reeks reportages over de onderwereld in het Schipperskwartier. Hij beschrijft expedities die hij zelf in de buurt heeft ondernomen. Twee jaar later verschijnt een ongecensureerde versie van de artikelenreeks in een boek over de prostitutie in de Scheldestad.

Met Ouala, een zwarte ex-bokser en gigolo, bezoekt de reporter een kelder waar Afrikanen hennep komen roken. De Egyptische drugshandelaar Ghyssa neemt De Poorter mee naar een Chinees restaurant aan de Verversrui (waar er toen vele waren) en clandestiene goktent boven, waar Chinezen spelen voor grof geld.

Via een deurtje binnen naast een café komen de twee in een donkere gang. Aan het eind gaan ze een trap op en bereiken een tweede deur. Die geeft toegang tot een elegant gemeubeld appartement. Een Chinees brengt de gasten door een deur achter een gordijn naar een zolder, ingericht in “oosterse stijl”.

Er brandt een kacheltje. Op een tafel staat een elektrische lamp met een rode lampenkap, versierd met paradijsvogels. Twee Chinezen en een blanke matroos liggen op sofa’s, onderhevig aan een opiumroes.

“Ghyssa strekte zich uit op een smalle sofa en schikte de kussens onder zijn hoofd. Ik deed hetzelfde. De Chinees zette een tafeltje bij ons (…). Hij haalde twee pijpen tevoorschijn. Ze hadden een lange steel en een kop, maar half zo groot als een vingerhoed. Met een lange naald viste hij uit een pot op een driepoot twee bruine bolletjes. Hij hield ze bij de vlam van een alcohollamp naast de pot. Vervolgens stopte hij de knisperende bolletjes in de pijpenkopjes en gaf ons elk ons rookinstrument. Ghyssa sloot zijn ogen en bracht de steel naar de mond. Ik volgde zijn voorbeeld.”

Opium…

De rook bezorgt De Poorter een geweldige hoestbui en hij is allesbehalve opgetogen over de vieze smaak van de opium die geen enkel onmiddellijk effect sorteert. De misselijke reporter en zijn Egyptische vriend verlaten de opiumkit.

Een groot café in een straat bij het Falconplein fungeert meer als plaats waar louche deals worden gesloten, dan als drankgelegenheid. De Poorter en Ghyssa ontmoeten er de Duitse cocaïnedealer Fred. Die laatste betrekt zijn waar in Brussel en brengt ze van daar naar Antwerpen, verstopt in de koplampen van zijn auto. Maar een cocaïne waagt De Poorter zich niet.

Naar de hoeren

In een volgend hoofdstuk bezoekt de journalist één van de logementhuizen aan de Schippersstraat. Daar worden zeelui systematisch uitschud en dronken gevoerd, zodat ze minstens één nacht moeten blijven. Terwijl ze hun roes uitslapen, doorzoekt men hun zakken om de naam van hun schip te vinden. Iemand van het logement gaat dan naar de kapitein om bij wijze van voorschot op het loon van de matroos (!) het geld te innen dat hij verschuldigd is voor zijn logies en verbruik…

(foto Het Laatste Nieuws).

Geen wonder dat het logement waar De Poorter neerstrijkt, ook als bordeel fungeert. De uitbaatster heeft een nichtje van zeventien, dat voor driehonderd frank naar boven gaat met ietwat kapitaalkrachtiger klanten. De journalist gaat naar bed met het meisje. Overnachten doet hij in een andere kamer. Hij wordt er opgeschrikt door een Engelsman die zijn bed moet delen en die onbeschaamd op de vloer watert.

In een volgend hoofdstuk vermeldt de journalist terloops de oude, tandenloze (!) hoeren die in de buurt van Steen en Vleeshuis hun klanten oraal bevredigen.

Hij heeft het uiteraard ook over de raamprostitutie. “In de havenbuurt vindt men zowat overal vrouwen die achter een raam op klanten zitten te wachten,” noteert hij. “Ze bewonen een kamer op het gelijkvloers. ’s Avonds steken ze het licht aan, schuiven het gordijn open en stallen zichzelf uit achter hem venster. Bij mooi weer doen ze dat zelfs open, opdat niemand hen over het hoofd zou zien.”

“Vooral aan de Burchtgracht tiert deze soort prostitutie welig. Achter alle ramen aan deze straat zitten vrouwen; de woningen zien er overal min of meer hetzelfde uit. Achterin staat een tweepersoonsbed waarvan de witte gestikte deken uitnodigend is teruggeslagen. In het midden staat een kacheltje met daarop een pot warm water. Voorts ziet men een tafel, twee of drie stoelen en een min of meer aantrekkelijk meisje, wachtend op een logé voor één uur. Ik ken zo’n meisje, dat in haar eentje de economische crisis heeft opgelost: ze is erin gelukt al haar leveranciers, tot zelfs haar huisbaas, in natura te betalen.”

De Burchtgracht, richting Vleeshuis.

Het volk van het Schipperskwartier interesseert Carel De Poorter slechts matig. Toch biedt hij ons even een kijk op het amusement van de buurtbewoners. Dat doet hij in een passage over de “N…-Palace”, een danszaal aan de Schippersstraat, “onbegrijpelijkerwijze getooid met de pompeuze naam van ‘paleis’.”

“Een man met een pet en een wijde trui ontvangt er u aan de deur. Zo beleefd mogelijk, dat wil zeggen zonder u te beledigen, brengt hij u naar een soort kassa, waar u twee frank entree betaalt. De danszaal bereikt men langs een dubbele. Het is een grote, vierhoekige zaal, badend in schel licht en een doordringende stank van mensen. Aan weerszijden loopt een strook van drie meter breed over de hele lengte van de zaal. Hier staan tafels en stoelen; langs de wand zijn banken gemonteerd. Naast de ingang, in een grote nis, staat een verbazend grote tapkast. Vijf of zes mensen zijn erachter in de weer. Dat moet ook, want de clientèle van het paleis houdt evenveel van drinken als van dans, misschien zelfs meer.”

“Tegenover de ingang neemt een enorm wit orchestrion de hele muur in beslag. Het is formidabel groot, gedecoreerd met vergulde cupido’s en met Venussen die zich schijnen af te vragen hoe ze daar terecht zijn gekomen. Er zijn ook nog engelen, wier trompetten een Laatste Oordeel aankondigen waarvan de aanwezigen volstrekt niet wakker liggen.

(foto Gazet van Antwerpen).

“Links achteraan is een podium. Daar zit een jazzkwartet: piano, sax, banjo en drums. De muzikanten, zelfs de dikke banjospeelster, dragen een pet en een trui. Live ensemble en orchestrion wisselen elkaar af. (…)”.

“De clientèle van het havenpaleis is niet afkerig van plezier. Ze bestaat uit aangeschoten matrozen en arbeiders uit de buurt met hun vrouw of vriendin. Jongelui met slechte bedoelingen zitten zonder ophouden achter de meisjes aan. Hun gebaren maken overduidelijk wat ze denken. Het vrouwelijk schoon maakt zich daar overigens niet druk over – integendeel zelfs.”

Een dichter in het Schipperskwartier (ca. 1960)

Van het Schipperskwartier tussen 1957 en 1960 krijgen we een idee dankzij de roman Een hondsdolle tijd (1978) van de vooral als dichter bekende Paul Snoek (Edmond Schietekat, 1933-1981). Hij beschrijft hoe hij van de bushalte bij de kerk voor Noorse zeelui aan de Imalsotunnel door de buurt:

Paul Snoek.

“Om kwart voor acht stopte de bus aan de Norske Sjomanskirke en mijn (…) dasje in een mooie knoop strikkend liep ik de Grote Tunnelplaats over richting Falconplein en wandelde naar Blacky’s bar (…), want alles moest nog beginnen.”

“Het was een prachtige septemberavond. Voor hun huizen op het trottoir zaten dokwerkers en schippers in gestreepte onderhemden van pluizig flanel, tot halverwege de borst trokken brede zware bretellen hun broeken op, zodat hun dikke bierbuiken uitpuilden tussen de gespreide benen. Tot aan de ellebogen waren hun armen gebruind, maar de bovenarmen waren wit en dikwijls versierd met een door onderhuids vet vervormde tatouage uit betere dagen.”

“De dokwerkers droegen kaki petjes van katoenen stof afkomstig uit een Amerikaanse legerstock, de schippers donkerblauwe zeemanskepis. Tussen hun lippen stak een uitgedoofde peuk van een zelfgerolde sigaret en als ze hun mond opendeden om iets te zeggen of om te geeuwen, bleef de peuk aan hun onderlip hangen. Vrouwen leunden tegen de lijst in het deurgat en droegen strak spannende, zwarte satijnen jurken, waaronder men de baleinen van zware korsetten zag uitpuilen. Hun hoofden zaten vol krulspelden, de armen hielden ze boven de zware borsten gekruist en een netwerk van gezwollen donkerblauwe spataders stak fel af tegen de witte, misvormde kuiten. Hier en daar stond een jonge kerel zijn nieuwe scooter op te poetsen onder het bekijks van kinderen in pyjama.”

De Noorse zeemanskerk.

“De geur van opdrogend zeepsop kon de stank uit de riolen niet verdrijven en de muziek die uit de deuren klonk was bijna in elk huis dezelfde en niemand scheen ze te horen.”

“De cafés liepen vol met jonge kerels en hun haar blonk van de brillantine, meisjes, die nog maar pas voor goed de schoolbanken hadden verlaten, stonden in groepjes van drie onvast op hun veel te hoge hakken in hun pettycoats te draaien op het trottoir voor de ingang van de dancings. De zeelui waren nog niet bedronken en drentelden door de smalle straten voorbij de vitrines waarachter oude hoeren zich zaten te schminken of vlug nog een stukje aan het breien waren in het laatste avondlicht dat hun smalle hokje binnensijpelde.”

Bronnen:

FRANCK, L. (ED.). Weerspiegeld Antwerpen. Hoe ’t vroeger was: onze schrijvers over hun stad. Antwerpen, De Sikkel, 1929.

LAMPO, J. Tussen Kaai en Schip, Leuven, Davidsfonds, 2002.

LAMPO, J. Vermaerde Coopstadt. Antwerpen in de Middeleeuwen. Leuven, Davidsfonds, 2000.

LAMPO, J. Zwarte gids voor Antwerpen, Antwerpen, De Dageraad, 1989.

POORTER, Carel de, Les Demi-Grues. La Vie nocture à Anvers. Dans les bas-fonds du port. Reportage vécu. Anvers, Delko, s.d. (1933).

PRIMS, F., Geschiedenis van Antwerpen. Nieuwe uitgave van de oorspronkelijke tekst van 1927-1948, deel IV, Brussel, 1980.

SLEECKX, D. In ’t Schipperskwartier, Brussel, Steenlandt, 1943.

SNOEK, P., Een hondsdolle tijd, Antwerpen; Amsterdam, Manteau, 1978.

THIJS, A. Historiek der Straten en openbare Plaatsen van Antwerpen, anastatische herdruk, Antwerpen, De Vries-Brouwers, 1973.

VANDE WEGHE, R., Geschiedenis der Antwerpse Straatnamen, Antwerpen, Mercurius, 1977.

Klamme handen. Verhaal.

(De burggraaf van Valmont aan de markiezin van Merteuil)

Antwerpen, 19 mei 1777

Chère Marquise,

Ik las met belangstelling uw brief over de symfonie van de Oostenrijker Mozart waarmee men op Corpus Christi-dag het Concert Spirituel opende in de Tuilerieën. Uw voornemen klavierles bij hem te nemen, stemt mij wat wrevelig. (Soms is mijn eigenliefde groter dan mijn zekerheid dat u niet een van de vrouwen bent die zich afgeven met het personeel.)

Wist u dat ik de fameuze sieur Mozart ooit zelf aan het werk zag, en wel uitgerekend hier in Antwerpen? U denkt vast dat men goede redenen moet hebben om de Zuidelijke Nederlanden te bereizen. Welnu, mijn oudoom, generaal de Rosemonde, nam in 1745 deel aan de veldtocht van koning Lodewijk XV tegen de Oostenrijkers. Zijn regiment werd in Antwerpen gelegerd.

Monsieur de Rosemonde was weduwnaar en ontstak in liefde voor de dochter van een recentelijk geadeld financier. Monsieur de Rosemonde was niet rijk, maar een Jehan de Rosemonde streed met Godfried van Bouillon in het Heilig Land; dat gaf voor de familie van zijn bien-aimée de doorslag.

Het huwelijk van Monsieur de Rosemonde te was van korte duur. Drie maanden na de inzegening – een detail dat niemand ontging – beviel zijn vrouw van een dochter en stierf. Omstreeks dezelfde tijd overleden ook haar beide ouders aan wat men hier de ‘zwetende ziekte’ noemt. Het gevolg was een bijzonder ingewikkelde betwisting tussen Monsieur de Rosemonde en de broers en zusters van zijn vrouw zaliger over de erfenis.

Weldra sloot men de vrede van Aken; mijn oudoom keerde naar Frankrijk terug. Hij hertrouwde met de Madame de Rosemonde die u kent. Toen hij enkele jaren later van zijn paard viel, was het proces met de familie Du B. nog steeds hangende. Omdat het over aanzienlijke bezittingen ging – dertien Brabantse dorpen waar de Du B.’s het recht hadden hun eigen boeren op te hangen – reisde mijn oudtante in 1765 met mij, haar pupil, naar Antwerpen. Ik was twaalf, maar zag er iets ouder uit.

Wij trokken naar Gent, waar Madame de Rosemonde een ver familielid bezocht, en dan naar Antwerpen. Toen we op 6 september het Vlaams Hoofd bereikten, waar het veer over de Schelde aanlegt, stond daar één ander rijtuig. Mijn tante gaf de koetsier opdracht ernaast te stoppen.

In de koets zaten twee kinderen – een jongen van tien en een meisje van dertien of veertien – en een zorgelijke heer die er uitzag als hun huisleraar. De kinderen wezen elkaar de torens van de stad aan.

Achteraf vernam ik dat ze Duits spraken, maar aanvankelijk klonk het mij niet anders in de oren dan het patois van de Vlamingen. Ik vreesde dat ik, zelfs indien ik het durfde, nooit met het meisje zou kunnen praten.De heer stelde zich aan ons voor als Monsieur Mozart uit Salzburg. Hij hield ons voor Antwerpenaars en informeerde naar de logiesmogelijkheden in de stad. Madame de Rosemonde deed hem zijn vergissing inzien, maar voegde eraan toe dat men haar de herberg De Beer had aanbevolen.

Ook de kinderen waren uit de reis wagen geklommen. Het mollige jongetje hield zich op de achtergrond; het meisje maakte voor Madame de Rosemonde – en mij! – haar mooiste revérence.

Tijdens de overtocht onderhield de heer Mozart ons over zijn ervaringen in de herbergen van dit land: ‘Men zit er op zijn Hollands in strozetels rond de haard, waarboven een ketel hangt aan een lange ketting. In die ketel koken vlees, rapen en allerhande andere ingrediënten. Aan een tafeltje krijgt men uit die vervaarlijke ketel soep en vlees. De deuren van het etablissement staan open, zodat men de eer geniet varkens op bezoek te krijgen die om de tafel lopen te knorren. Maar het ergste is nog dat de plaatselijke bevolking het zich niet anders kan voorstellen. Alsof het om een Hollands stilleven ging!’

Monsieur Mozart voegde eraan toe dat hij en zijn kinderen uit Londen kwamen en op doorreis waren naar Den Haag. Hoe jong ook, ik begreep dat de uitleg maar één doel had: mijn tante de vraag ontlokken wat het doel van de onderneming was. Monsieur Mozart had zich de moeite kunnen besparen, want mijnanders vergeetachtige tante – zelfs toen was ze niet jong meer – vroeg of de kleine Wolfgang niet het wonderkind was dat twee jaar geleden in Versailles had opgetreden en over wie toen veel te doen was in de Parijse salons.

Het jongetje kromp in elkaar; de welbespraaktheid van zijn vader verdubbelde. Ik verheugde mij intussen in een knipoog van de lieflijke Marie-Anne, die door Monsieur Mozart met Nannerl werd aangesproken.

De Beer bevindt zich bij de Beurs. Daar deden de Antwerpse kooplui taken vóór Farnese in 1585 de stad heroverde. Sindsdien ligt de binnenplaats er verlaten bij. De Beer is een grote herberg die als postrelais fungeert.

Madame de Rosemonde betrok met veel gedruis een vertrek op de ‘eerste verdieping. De ramen keken uit over de Place de Meir, eerder een brede straat dan een plein. Zodra ze geïnstalleerd was, liet ze een knecht van de herberg haar advocaten een briefje bezorgen. Ik kreeg het kleine vertrek naast het hare. De Mozarts logeerden achteraan.

Die avond raakte ik moeilijk in slaap. Wat ik voelde, was ongetwijfeld liefde, een onbestemde, maar hevige vorm van désir die mij – omdat het verlangen genoeg had aan zichzelf – volmaakt gelukkig stemde. Ik verlangde er hevig naar Nannerl te zien. Toch construeerde ik dromen waarin we elkaar goed kenden, maar ruziemaakten, zodat zij in tranen van mij wegliep; de imaginaire smart die ik daarbij voelde, liet me intenser genieten van het gemis dat haar afwezigheid bij mij veroorzaakte.

Meer kan ik hier niet over zeggen: op de duur blijft van onze herinneringen weinig méér over dan de woorden die wij bij onszelf of tegen anderen herhalen – hoewel mijn bankier, de jood Isaac Proust, beweert dat de smaak van een koekje bij hem ooit talrijke en bovendien haarscherpe herinneringen opwekte aan zijn prilste jeugd.

De volgende ochtend liet Madame de Rosemonde mij vroeg wekken. We ontbeten samen en wachtten op de advocaten. Monsieur Mozart verscheen. Ik voelde teleurstelling én opluchting, toen ik merkte dat noch Wolfgang noch Nannerl achter hem de trap afkwamen. Hij informeerde bij Gevers, de herbergier, naar de bezienswaardigheden van de stad. Dat bracht mijn oudtante op het idee te vragen of de Mozarts mij niet wilden meenemen, zodat ze zich zélf niet om mij hoefde te bekreunen. Monsieur Mozart stemde volgaarne toe.

Eerst richtten wij onze schreden naar de sombere Onze-Lieve-Vrouwekerk, naar verluidt de grootste van de Nederlanden. Monsieur Mozart kwam er zeer onder de indruk van Rubens’ Kruisafneming. Hij stak een lang betoog over het schilderij af, dat Nannerl zichtbaar verveelde (enkele dagen geleden zag ik het opnieuw, en constateerde dat het inderdaad een meesterwerk is, superieur aan de grandes machines die de schilder voor koningin Marie de Médicis konterfeitte). Haar broer had alleen oog voor het orgel.

We kregen het gezelschap van Monsieur van den Bosch, de organist. Ik vermoed dat Monsieur Mozart een knecht vooruitgestuurd had om hem op de hoogte te brengen van onze komst. De twee mannen onderhielden elkaar over muziek.

Monsieur van den Bosch had de mond vol over de Hollander De Fesch, die zangmeester van de kerk was geweest, maar opstapte na een ruzie met het kapittel. Zijn opvolger was ene Joseph Hector Fiocco, die men in Antwerpen roemt als de componist van een mooie Sinte-Ceciliamis.

Monsieur van den Bosch was een pompeus, breedsprakerig heerschap, en als zodanig een typische Antwerpenaar. De meeste bewoners van deze stad spreken Vlaams; enkel adel en hoge burgerij beheersen het Frans, hoewel ze het blijkbaar zelden bezigen. Hun uitspraak laat veel te wensen over en ze raken de nasale klank van hun eigen taalt je niet kwijt.

(Hun fysiek is meestal in overeenstemming met de volksaard: dikke buiken en dito derrières domineren het straatbeeld. Rubens hoefde de modellen voor zijn peervormige nimfen met hun plompe onderlijven en kleine boezems niet ver te zoeken.)

Toen de naam Fiocco viel, begon Nannerl onbedaarlijk te giechelen. Zelfs u, chère Marquise, had daar ooit last van, stel ik mij voor. Opdat haar vader niets zou merken, hield ze haar hand voor haar mond.

Monsieur van den Bosch beschreef de drie koren van de kathedraal’ die elk hun eigen orkest hadden. “Men kan de muzikale omlijsting van de erediensten enige grandeur niet ontzeggen,” merkte hij tevreden op. “Sommige musici verdelen hun tijd over verscheidene kerken; andere verkiezen naast hun gewone taak een profaan ensemble.”

De kleine Mozart had genoeg van de conversatie. Op een toon die geen tegenspraak duldde, zei hij: “Met uw goedvinden, speel ik nu op uw orgel.”

Zijn vader probeerde hem met een boze blik het zwijgen op te leggen, maar het j och liep al naar de deur die toegang gaf tot de trap naar het doksaal. Van den Bosch volgde op een sukkeldrafje.

Toen wij op onze beurt bovenkwamen, zat Wolfgang al op de plaats van de organist. Die bediende de pedalen die de blaasbalgen in beweging brachten. Wolfgang wreef in zijn dikke handjes en begon.

Hij speelde met uitzonderlijk gemak, al besefte ik op dat ogen- blik niet hoe verrassend dat was voor een kind van zijn leeftijd. Jaren-nadien herkende ik in uw salon, chère Marquise, de melodie. De kleine organist speelde variaties op de aria Amants, c’ est être téméraire de ne l’être pas assez uit de cantate Diane et Actéon van Monsieur Bodin de Boismortier. Daarna speelde hij van het blad een partituur die Monsieur van den Bosch – letterlijk – uit zijn mouw had getoverd.

Terwijl we luisterden, deed Nannerl- of was ik het zelf? – een stap opzij. De ruggen van onze handen raakten elkaar; ik durfde niet te bewegen. Toen strengelde ze haar vingers door de mijne.

Ze wierp een angstige blik naar haar vader, maar die stond met zijn rug naar ons toe. Even duizelde ik van geluk, maar toen werd ik bevangen door hevige paniek. Want wat gebeurde er nu?

Heel eenvoudig: Nannerls broer beëindigde het stuk en wij applaudisseerden. Stilletjes, want we waren tenslotte in een kerk. Wolfgang had zijn succesje behaald; hij werd weer een voorbeeldig jongetje en week niet meer van onze zijde.

Van de kathedraal liepen we terug richting De Beer, maar in plaats van er binnen te gaan, zetten we koers naar de Beurs. Op de eerste verdieping, aan de kant van de Place de Meir, bevindt zich de bescheiden concertzaal van het gilde der speellieden, dat al sedert 1718 een eigen concertvereniging heeft. Sinds mijn bezoek met de Mozarts nam men nog een tweede vertrek – oorspronkelijk van de Oost- en West-Indische Compagnie – als concertruimte in gebruik.

Monsieur Mozart informeerde bij de deken van het gilde welke voorwaarden de speellieden stelden om Nannerl en haar broer te begeleiden. Wolfgang kreeg het klavecimbel in de gaten en probeerde een paar toetsen. Meteen kon hij op de onverdeelde aandacht van zijn vader en van de deken rekenen.

“Parfois, je le hais,” siste Nannerl in mijn oor, zonder te preciseren of ze Monsieur Mozart dan wel Wolfgang bedoelde. “Et la musique aussi.”

Het was de eerste keer dat ze zich rechtstreeks tot mij richtte; ik was te verbouwereerd om te antwoorden. Hoewel ik vurig het tegendeel wenste, maakten Monsieur Mozart en de deken geen afspraak. Nannerls vader bleef bij zijn besluit om door te reizen naar de Republiek. Daarna pas traden de kinderen misschien in Antwerpen op. Ik hoef u niet te vertellen hoezeer mij dat verdroot. Gelukkig pakte Nannerl opnieuw mijn hand.

We namen een kijkje in het vertrek dat als schouwburg dienstdeed. Hoewel men het sindsdien verfraaide, kan het de vergelijking met onze theaters niet doorstaan. De deken vertelde dat er vooral amateurs uit de burgerij optraden. De belangrijkste voorstellingen vonden – en vinden – plaats in het Grand Théatre op het einde van de Huidevettersstraat.

Ik weet niet waarom Monsieur Mozart daar achteraf niet naartoe ging, want het is een voortreffelijk ingerichte schouwburg, al belooft de buitenkant weinig goeds. Omdat het oorspronkelijk door de tapijtverkopers werd gebruikt, noemt men het gebouw het Tapissierspand. De zaal is de grootste van de Oostenrijkse Nederlanden en biedt plaats aan vijfhonderd zestig toeschouwers. Een winkelhuis naast de ingang fungeert als Café du Spectacle.

De schouwburg wordt bestuurd door de aalmoezeniers, die men kiest onder de rijkste inwoners van de stad. Ze staan in voor de stedelijke armenzorg, die ze gedeeltelijk financieren met de opbrengst van de voorstellingen. Buitenlandse gezelschappen brengen hier opera’s van de onsterfelijke Lully, van Pergolesi en van Monsieur Grétry, die – zoals u weet – uit Luik afkomstig is. Men spreekt thans zelfs van de Orphée et Eurydice van de nieuwlichter Gluck.

Daarnaast houdt men er sedert een goede vijftig jaar openbare concerten met instrumentale muziek en natuurlijk ook bals. De schouwburg heeft zijn eigen orkest, maar de meeste dirigenten en solisten die er optreden, zijn Italianen of Fransen. Wat het theater betreft, Marivaux, Molière noch Voltaire zijn hier onbekend.

Tenslotte troonde de deken van de speellieden ons mee naar de academie van de schilders, eveneens in de Beurs. Daarna keerden we terug naar De Beer. Mijn tante ontfermde zich over mij; Nannerl verdween in het voetspoor van de mannelijke Mozarts.

De volgende morgen – het beloofde een warme dag te worden – maakte Nannerl zich van bij ons vertrerk meester van mijn hand. Zelf had ik nooit het initiatief durven nemen. We wandelden naar de kerk van de dominicanen. Vandaar begaven we ons naar de Sint-jacob, de rijkste parochiekerk van de stad, om het graf van Rubens te zien. Monsieur Mozart besteedde een halfuur aan het altaarstuk en de familieportretten, geschilderd door de meester zelf.

De Antwerpse kerken hebben weelderige interieurs met altaren in de Italiaanse stijl van de vorige eeuw. De altaarstukken en andere schilderijen zijn meestal van uitmuntende schilders. Ook de zijkapellen puilen uit van de kunstwerken. Kortom, zij weerspiegelen de rijkdom en de devotie der parochianen.

Monsieur Mozart was over dat alles verrukt; aan mijn herinneringen te oordelen, besteedden wij, kinderen, er niet veel aandacht aan. Achteraf erken ik dat men van vele Brabantse kunstenaars het meesterschap dient te erkennen; maar de weinig oordeelkundige manier waarop men hun werken in kerken én in particuliere woningen op elkaar stapelt, getuigt meer van pronkzucht dan van goede smaak. Dat stemt mij bijwijlen somber, net als de kritiekloze devotie van het volk. De clerus is hier oppermachtig; bovendien ontbreekt het de plaatselijke abbés aan iedere vorm van esprit.

U kent mijn hebbelijkheid die erin bestaat om tussen het ogenblik dat men mij een vertrek binnenleidt, en het verschijnen van de gastheer, een blik in zijn boekenkast te werpen. Dat leerde mij de voorbije weken dat Antwerpen niet veel verlichte geesten telt. Natuurlijk hebben nogal wat edelen en rijke burgers Montesquieu, Rousseau en Voltaire in hun bibliotheek; sommigen bezitten de Encyclopédie. Naar verluidt bestelt zelfs bisschop De Nélis geregeld werk van onze vriend uit Ferney. Maar ik vermoed dat hij het enkel doet om diens stellingen met meer gezag te ontzenuwen.

De Antwerpenaar houdt vooral van nuttige lectuur; voor romans voelt hij weinig. De enige die ze kennen, is de Emile van Rousseau, meer opvoedkundig traktaat dan roman (wat een geluk dat wij, adorable Amie, beter weten dan wat de brave man neerschreef over ’s mensen ingeboren goedheid!). De honderd drukkers en boekhandelaars in deze stad doen goede zaken. Maar de interessante titels in hun aanbod zijn ingevoerd. Hun eigen productie beperkt zich tot religieuze werkjes en gelegenheidsdrukken. De belangrijkste firma is die van Monsieur Moretus, de opvolger van de grote Plantin. Tot voor kort bezat zijn familie het monopolie van de export van liturgische boeken naar Spanje en zijn kolonies.

De kerk die mij reeds bij mijn eerste bezoek aan de stad het meest beviel, is die van de jezuïeten, thans gewijd aan de Heilige Carolus Borromeus. Men bouwde ze in onvervalst Italiaanse stijl; zij heeft grote ramen die het interieur doen baden in helder licht.

Bij de karmelieten aan de Place de Meir bewonderden wij een Drievuldigheid van Rubens en een zilveren beeld van Onze-Lieve-Vrouw. Nannerl had vooral belangstelling voor een reeks marmeren bas-reliëfs die de rede, de toren van de kathedraal, die van de jezuïetenkerk, het stadhuis en een veldslag voorstellen. Ik vermoed dat ik haar geestdrift deelde. Tot ze volkomen onverwacht mijn hand losliet en de hare uitvoerig afveegde aan haar rok.

“Vous avez les mains bien moites,” zei ze. Vervolgens draaide ze zich om en liep vóór mij de kerk uit. Mijn hoofd was leeg, ik wachtte. Dan kwam het over me, onontkoombaar, massief enonbepaald. Vernedering, woede of teleurstelling? Later leerde ik dat het al die woorden samen was, en dat een mens het zich maar twee keer hoeft te laten welgevallen om er voortaan tegen gewapend te zijn.

Ik zag Nannerl niet terug. ’s Anderendaags vertrokken de Mo- zarts naar de Republiek. Hun eigen reiswagen bleef in De Beer; ze namen de postkoets naar Moerdijk. Madame de Rosemonde en ikzelf waren getuige van hun vertrek. Nannerl riep Wolfgang een laatste keer tot de orde, en liet hem eerst in de koets stappen. Vervolgens gaf ze hem een rieten mand met eten; dan zette ze op haar beurt een voet op de treeplank.

Toen ze verdween, kneep Monsieur Mozart – hij had zich het voorbije kwartier tegen Madame de Rosemonde uitgeput in beleefdheden – in mijn wang en volgde haar voorbeeld. Tenslotte reed de koets de Place de Meir op, sloeg linksaf en verdween uit de werkelijkheid.

Zo, divine Marquise, eindigde mijn eerste liaison. De potsierlijke confrontaties van Madame de Rosemonde met de plaatselijke rechtspraak onthoud ik u. Het moge volstaan dat de dossiers eens te meer onderaan de stapel kwamen te liggen – in dit land is men daar naar het schijnt erg goed in – en dat wij onverrichter zake moesten afreizen. Het is nog steeds dezelfde zaak die mij nu, meer dan tien jaar later, en dit keer als procuratiehouder van mijn hoogbejaarde tante, weer naar Antwerpen brengt.

Gelukkig belooft dit verblijf lonend te worden. Onze advocaten zijn optimistisch over een aanstaande uitspraak, en in de salons van Madame de Proli – haar man is de belangrijkste bankier van de stad – ontmoette ik de allercharmantste Mademoiselle van Ertborn, die momenteel het leeuwendeel van mijn aandacht opeist.

Enkele dagen geleden was ik met haar en andere personen te gast bij de chevalier Schilders in zijn kasteel in Hemiksem, enkele mijlen ten zuiden van de stad. In de loop van de dag moest onze gastheer de schepenen van het dorp zien; Mademoiselle van Ertborn ging met de andere aanwezige spelevaren op de vijver.

Omdat ik hevig verkouden was, besloot ik binnen te blijven. Uit verveling doorbladerde ik de ingebonden jaargangen van de Gazette van Antwerpen in de bibliotheek. Alsof uw brief over het concert van Mozart, die ik dezelfde avond vond, zich hierdoor liet aankondigen, viel mijn oog op de volgende advertentie.
Zij verscheen een half jaar na Nannerls vertrek naar Holland.

“Mr. Mozart aura l’honneur de donner Mercredi 30 Avril à la salle du Concert de la Bourse grand Concert, dans lequel son Fils agé de 9 ans & sa Fille àgée de quatorze, joueront les différentes pièces sur le Clavecin. Toutes les Symphonies seront de la Composition de ce petit Compositeur qui a fait l’admiration de la Cour de Vienne, de Versailles, de Londres & de la Haye; ils joueront ensemble sur deux Clavecins et aussi sur un Clavecin à quatre mains. Le Prix est de quatre Eschelins; on commencera à six heures.”

Bij het middagmaal ondervroeg ik de overige gasten; verscheidene aanwezigen hadden een levendige belangstelling voor muziek, waren oud genoeg om het concert te hebben bijgewoond en wisten dat Mozart de naam is van een gerenommeerd klaviervirtuoos. Maar niemand herinnerde zich dat de beroemdheid in Antwerpen optrad. Ik leid daaruit af dat het concert niet plaatsvond; naar het waarom kan ik slechts gissen.

Even, Marquise, scheen het mij toe dat verlies een intenser ervaring is dan bezit – al was het maar omdat zij ruimte geeft aan de verbeelding. Maar als dat zo is, geldt het natuurlijk ook voor het verlangen dat aan bezit voorafgaat. En dan is het ons lot om voortdurend achter een teleurstelling aan te lopen. Is het dát wat ons onderscheidt van de Mozarts dezer wereld, voor wie er geen verschil bestaat tussen datgene waarnaar zij verlangen – de ordening van de klanken in hun hoofden hun begeerte?

Intussen, belle Amie, valt de avond. Het is de hoogste tijd voor mijn toilet. Vanavond ontvangt Madame Geelhand in haar hotel naast het huis waarvan men zegt dat Rubens er woonde. Mademoiselle van Ertborn vroeg mij haar te begeleiden. Men verwacht uit Brussel de jonge advocaat Verlooy, een volgeling van Monsieur Voltaire, die naar men zegt interessante ideeën heeft over de Vlaamse taal. Alles is goed om in Antwerpen de verveling te verdrijven. Breng mij spoedig op de hoogte van uw vorderingen op het klavier.

Valmont

Dit verhaal verscheen in De Standaard van 19 februari 1991. Nadien werd het herdrukt in de bundels Vereerde Meester (DNB/Pelckmans, Kapellen, 1991) en Blauwe Duivels en enige andere verhalen (Leuven, Davidsfonds, 2000)