[Column] De stoel van de eeuwigheid en de onveranderlijkheid

JanmetPijp

De eerste verhalen die wij aan elkaar vertelden, gingen over de goden en het ontstaan van de wereld. De oorzaken en gevolgen die erin werden beschreven, zijn minder spectaculair dan wat de wetenschap ons vandaag over onszelf en onze plaats in de kosmos meldt. Maar we voelen nog altijd de behoefte het heden uit te leggen aan de hand van het verleden.

Dat kunnen we nu veel beter dan drieduizend jaar geleden. Historici stellen het zonder laboratorium en experimenten. Spijkerharde wetten vallen in de geschiedenis niet te ontdekken, hoe graag sommigen dat ook zouden hebben. Maar de bronnen die ons ter beschikking staan, leren ons dat gisteren wel degelijk het uitzicht van vandaag bepaalt.

Jammer genoeg valt er meer te zien wanneer we over onze schouder kijken, dan wanneer we voor ons uit staren om een glimp van de toekomst op te vangen. De dageraad van een betere wereld is iets van idealisten, niet van historici. Met idealisten moet je oppassen. Voor je het weet, blazen ze zichzelf op en jou erbij, om de toekomst minder onzeker te maken.

De vraag waar ze vandaan komen, is er een die alle mensen stellen. Iedere cultuur heeft haar eigen, religieuze antwoord. De idee dat je aardse verklaringen kunt vinden, is typisch Europees en behoorlijk recent. De basis werd gelegd door de Italiaanse humanisten van het quattrocento.

Zij zagen als eersten in dat de mens in de loop der tijden verandert. Opeens beseften zij dat Augustus en Vergilius niet zomaar figuren uit het verleden waren, maar lieden met een andere cultuur dan zijzelf. Een ingrijpend besef, dat de poten van onder de stoel van hun eigen normen zaagde (geschiedenis is een les in multiculturaliteit).

Teksten van Grieken en Romeinen werden voortaan gelezen als getuigen van een “ander” verleden en als inspiratiebron voor nieuwe idealen (de humanisten waren ook idealisten). Weldra beriep de Hervorming zich op het vroege christendom om de latere dogma’s van Rome in vraag te stellen.

De strijd tussen katholieken en protestanten leidde tot een nooit geziene bloei van tekst- en Bijbelkritiek. Legenden en overleveringen uit de voorgaande eeuwen werden tegen het licht gehouden. Niet toevallig ontstond het modern wetenschappelijk onderzoek in Engeland, waar men na het eindeloze gehakketak over godsdienstige kwesties de voordelen inzag van een tolerante samenleving.

Newton maakte een begin met het achterhalen van de wetten van de kosmos. De filosofen Locke en Hume leerden dat waarneming aan de basis ligt van onze kennis. Dat principe doordrong ook de prille “menswetenschappen”. Historici leerden het belang van historische bronnen en hoe je ze aanpakt om de waarheid van de leugen en de vergissing van het juiste feitenrelaas te onderscheiden.

De Franse Revolutie deed Europa op zijn grondvesten daveren. Wie het tot dan toe weigerde te geloven, kon er niet meer omheen: alles verandert. De kennis van dat proces was fundamenteel om onszelf te begrijpen. Geschiedenis werd de koningin der menswetenschappen, of men haar nu beoefende om te begrijpen, uit verlangen naar de oude tijd of om het mensdom uit slavernij te bevrijden.

Het verlangen om het verleden te kennen, is universeel. De wetenschappelijke manier om dat te doen, werd ontwikkeld in Europa. Ze behoort tot onze maner om tegen de wereld aan te kijken – een manier die wij (het maakt er deel van uit) graag delen (en soms: opleggen, ik weet het). We mogen het ons niet laten afpakken.

Niet door fundamentalisten die niets liever doen dan andersdenkenden, Boeddhabeelden (Afghanistan) en bibliotheken (Timboektoe) naar de verdoemenis helpen. Maar ook niet door junior managers in slecht zittende pakken die zeuren dat we alleen vooruit mogen kijken.

Hun mantra’s moeten aanvaard worden, vinden ze, zonder dat iemand ze in vraag stelt. Ze lijken bijgevolg verrekte sterk op Gods Woord. De hemel waar de pakken naartoe willen, gemaximaliseerde winst, is – zoals die van Allahs martelaren – een paradijs waar hun slachtoffers niet binnen mogen.

Verschenen in “Eos Memo” nr. 5

Memo5

[Column] Chronologie is de moeder van de geschiedenis.

Februari2012

(Foto Hannie Rouweler, februari 2012).

De kroning van Karel de Grote? 800. De Slag der Gulden Sporen? 1302.

1648? De Vrede van Munster. 1903? De eerste vlucht van de Kitty Hawk, het vliegtuigje van de gebroeders Wright.

Cijfers en de onbuigzame logica van mijn computer drijven mij soms tot wanhoop. Ik heb woorden nodig, de relatieve plooibaarheid van grammatica en zinsbouw. Dat ik met data niet zo’n probleem heb komt doordat data getallen met een verhaal.

Veel mensen vinden data moeilijker om te onthouden dan wiskundige formules, zeggen ze. Blijkbaar menen pedagogen en de lieden die eindtermen voor het onderwijs verzinnen sinds de jaren 1970 dat het daarom zelfs niet meer nodig is voor leerlingen en studenten om het te proberen.

Twintig jaar geleden gaf ik mijn achternichtje bijles in het vak geschiedenis. Ze moest de Franse revolutie en de Belgische staatshervorming kunnen uitleggen. Of die voor of na de Romeinen kwamen, had geen belang.

Twee weken geleden ontmoette ik een “kunstwetenschapster” – het vak kunstgeschiedenis heet in Belgïe sedert enige tijd “kunstwetenschap” – die mij raad vroeg over een tentoonstelling die ze organiseert. “Nee,” zei ze, gedecideerd, “we geven geen saai chronologisch overzicht”.

“Saai” en “chronologisch”. Alsof het synoniemen waren. Gelukkig hoorde ik een paar dagen later op radio Klara: “De chronologie is de moeder van de geschiedenis.” Ik ben vergeten wie de ware woorden sprak; ze stemden mij gelukkig, dat weet ik nog wel.

“De chronologie is de moeder van de geschiedenis.”

De moeder. De vader. De ruggengraat. De hoeksteen. De basis.

Aan geschiedenis doen, is proberen het verleden te begrijpen. Oorzaken van gevolgen scheiden. Daarvoor moet je weten wat eerst komt en wat later. Dat is geen kwestie van kip of ei.

Volgens de quantumfysica, lees ik in Eos, kunnen dingen zich tegelijk op verschillende plaatsen bevinden en loopt de tijd soms omgekeerd. Ik dat niet, maar ik wil het best geloven. Alleen verandert het niets aan de manier waarop wij, hier in het ondermaanse, het verloop van de tijd ervaren.

Microkosmos, macrokosmos. Onze hersens en de trage dans van de hemellichamen.

Wij herinneren ons dat we kinderen waren. Ook wie geen ouder is, voelt we de drang om kinderen te beschermen. In de loop der jaren krijgen we onwrikbare overtuigingen en even onwrikbare wervels. Rugpijn, stramheid en minder seks worden ons deel. Wie ouder is dan wijzelf, zien we opeens het laatste stuk aanvatten van de weg naar de dood.

Ook de stand van zon, maan en sterren en de wenteling van de seizoenen zadelden ons millennia geleden op met tijdsbesef. Onontbeerlijk voor wie wilde weten wanneer de jacht begon, er moest gezaaid worden of de oogsttijd aanbrak.

Tijd en zijn indeling maken onverbrekelijk deel uit van ons bewustzijn. Dat was al zo toen wij onze mythen nog letterlijk namen en toen in de eerste annalen de namen van koningen en dynastieën, rampen, oorlogen en de bedrieglijke woorden van profeten werden opgetekend.

Eeuwige wederkeer der dingen? Heilsgeschiedenis met aan het eind de klassenloze maatschappij of een ander Laatste Oordeel? Of business as usual tot binnen vijf miljard jaar de zon implodeert?

Wat ervan zij – ik maak even abstractie van wijsbegeerte en het quantumgebeuren – fenomenen vloeien voort uit eerdere fenomenen. Om daarmee aan de slag te gaan, moet je ze in de juiste volgorde kunnen zetten. Chronologische volgorde. Daar zijn dan weer data voor nodig.

Chronologie is best spannend. Waarom anders vertellen de makers van televisiethrillers ons dat het 12 uur is op woensdag 21 maart en dat sinds de ontdekking van het lijk twaalf dagen zijn verlopen?

Historisch begrip is in de eerste plaats een kwestie van chronologie. Lastig? Niemand heeft ooit gezegd dat geschiedenis eenvoudig is. Wiskunde en autorijden zijn dat ook niet. Alleen heb ik nooit iemand die aan wiskunde wilde doen of ging leren rijden, horen weigeren de regel van drie of de volgorde van zijn versnellingen te onthouden.

Column – Leerproces

Toen ik twaalf of dertien was, maakte ik in mijn eentje lange fietstochten in en om de stad. Met grote ogen keek ik om mij heen.

Ik dacht er niet echt over na, maar ik verwachtte in die tijd veel van de toekomst, van het leven dat na de middelbare school beginnen zou. Ik was nog jong. Ook wanneer we ouder en wijzer zijn, vergeten wij dikwijls dat we al met leven bezig zijn en dat wat achter de bocht of aan de overkant van de heuvel ligt niet per se beter, laat staan groener is.

Ik heb intussen geleerd dat het bestaan vooral veel van hetzelfde is en dat uitgerekend bijzondere omstandigheden erg lastig kunnen zijn.

De stad verkennen en van op een afstand mensen en dingen gadeslaan, fascineert mij nog altijd. Alleen doe ik het nu van op de donkerblauwe Vespa die ik mezelf voor mijn vijftigste verjaardag heb cadeau gedaan.

Het was de hoogste tijd om opnieuw kennis te maken met mijn stad. Er is de voorbije jaren veel veranderd. En laat een Hollandse uitgever mij net nu vragen om er een boek over te schrijven. “Kies zelf je benadering maar,” zegt hij, “ik wil een leuk en leerzaam boek over Antwerpen.”

Ik rijd door Zurenborg en over zijn beroemde Cogels-Osylei, eind jaren 1960 van de slopershamer gered door het rumoer van de langharige alternativo’s die in de grote Belle Époquehuizen kwamen wonen. Vandaag is de buurt onbetaalbaar voor een gewone sterveling.

Dat geldt mutatis mutandis ook voor Het Zuid. Het begon zijn geschiedenis in de jaren 1880 als een vastgoedproject van de gemeente Antwerpen en de immobiliëntak van de machtige Société Générale. Om allerlei redenen kende dat decennialang een moeizame geschiedenis. De buurt kwam pas begin 20ste eeuw tot leven en werd eigenlijk nooit wat haar bedenkers hadden gehoopt. Pas na 1980 groeide het uit tot een wijkplaats voor het trendy volkje. Als ik er een uur op een van de vele terrassen zit, geloof ik dat iedereen minstens een Saab heeft.

Het nieuwe Justitiepaleis, vlakbij, heet in de volksmond – bestaat die eigenlijk nog, de volksmond? – het Vlinderpaleis. Mij doet het meer denken aan een ruimteschip, maar ik vind het mooi. Het zet een punt achter de stad of toch achter haar riante boulevards, waar vroeger een rafelig gat gaapte.

Van hier is het een kwartiertje rijden, noordwaarts, naar postcode 2060 met zijn kansarmen, legale en illegale migranten (meer dan 200 nationaliteiten), huisjesmelkers, drugstoeristen en noem maar op. In 1985 zette een reportage in Vrij Nederland (denk ik) de buurt op de kaart. Kort daarop kwamen de electorale successen van het Vlaams Blok. Dit is het soort gebied dat men in de 17de eeuw op de kaart karakteriseerde met het zinnetje “Hic sunt leones” – “hier lopen leeuwen”, lees onbekend, gevaarlijk.

Een veelkleurige en veeltalige wijk. Ik zie er het resultaat van migratiegolven van de jaren 1960 en van na het jaar 2000, van de economische mondialisering en van conflicten en miserie waarvan ik maar een vaag idee heb. Van decennialange verwaarlozing door allerlei overheden ook.

Er wordt vandaag hard gewerkt – door ambtenaren van de stad, Marokkaanse winkeliers, Turkse pitaverkopers, Kaapverdische straatvegers, buurtwerkers en jonge blanke koppels die hun pas verworven huis renoveren. Maar het is allemaal niet gemakkelijk en niet eenvoudig.

Het laboratorium van de 21ste eeuw.

Ik begon mijn beroepsleven dertig jaar geleden met archief inventariseren in het Museum Plantin-Moretus. Daarna was ik twee decennia journalist. En nu houd ik me alweer tien jaar bezig met schrijversarchieven in het Letterenhuis.

Mijn donkerblauwe Vespa, een werkinstrument zoals mijn notitieboekje of mijn computer, is een werkinstrument. Hij  maakt me weer bewust van iets dat ik jaren geleden al leerde, maar een poos uit het oog verloor. Het is voor een historicus goed om af en toe archief en boeken opzij te schuiven en naar het leven te kijken.

Geschiedenis is leven dat voorbijging. Het leven van nu, dat ik gadesla van op de scooter, is geschiedenis in wording. Leven doet geschiedenis beter begrijpen en omgekeerd. Dat is geen paradox. Zo werken leerprocessen.

Verschenen in “Eos Memo” nr. 3.

Column – Een historicus is ook maar een mens of hoe bespreekbaar is de Tweede Wereldoorlog?

Mijn dagelijkse boterham verdien ik in het Letterenhuis. Daar inventariseer ik schrijversarchieven. In zo’n verzameling papieren gaapt soms een lacune. Van omstreeks 1940 tot 1950, zodat ik mij begin af te vragen hoe fout de “archiefvormer” in de oorlog wel mag geweest zijn.

Een en ander weerspiegelt de dubbele houding van de Vlaamse middenklasse (literatuur is geen aangelegenheid van proletariërs) t.o.v. haar oorlogsverleden. Vele lieden schaamden zich nadien nauwelijks voor hun vriendschap met de nazi’s – die stond in het teken van Vlaanderen en van Onze-Lieve-Heer. Voor hun generatie was “idealisme” – hetwelk hoefde niet gespecificeerd te worden – “onvermijdelijk”. Maar papieren achterlaten waarin een en ander zwart op wit stond, misschien met minder “idealistische” details, was een brug te ver.

Een mens is in ruime mate het product van zijn afkomst. Mijn overgrootvader aan moederskant richtte anno 1885 in Antwerpen mee een socialistisch partijtje op, dat weldra opging in de grote Belgische Werklieden Partij. Zijn portret (“Bompa Dirickx”) hangt nog bij mij aan de muur. Aan het partijtje herinnert de verweerde gedenkplaat op een gevel aan de Sint-Andriesplaats.

Bompa Dirickx was meubelmaker; het adresboek van Ratinckx noemt hem “ébéniste”. Naar verluidt correspondeerde hij met Friedrich Engels. Zijn betrokkenheid bij het socialisme deed zijn zaak de das om. Mijn grootvader, afgeschrikt door het voorbeeld van zijn pa, werd liberaal en las De Nieuwe Gazet. Ook hij was zelfstandig meubelmaker – tot de crisis van 1929 zijn lot beslechtte. Toen al sleurde Wall Street de wereld mee. “Bompa” (zonder meer) werd arbeider bij de stad Antwerpen.

Zijn zoon, “nonkel” Lucien, studeerde aan de Stedelijke Normaalschool voor onderwijzer. Hij raakte in de ban van communisme en Verzet. Als negentienjarige werd hij opgepakt door de Duitsers. Vanuit de gevangenis in de Begijnenstraat en via Breendonk ging het naar – denk ik – het concentratiekamp Dora. Daar werkten dwangarbeiders aan het V-bommenprogramma. Tussen zijn arrestatie en de huiszoeking bij mijn grootouders, werden de brieven van Engels in de kachel verbrand.

Mijn gebrekkige kennis van zijn lot vloeit voort uit de stilte waarmee de familie dit alles toedekte. De herinnering aan het verdriet en de angst was te intens. Misschien worden bepaalde angsten en verdriet gewoon nooit herinnering. We hebben allemaal documentaires over de Tweede Wereldoorlog gezien waarin stokoude mensen, ondanks hun wil om te getuigen, hun verzet tegen de tranen moesten opgeven.

Wat mijn moeder wel vertelde, was hoe zij en mijn grootouders ’s avonds op het binnenplaatsje achter hun huis stonden te luisteren naar de honderden brommende bommenwerpers die door het donker boven de stad koers zetten richting Duitsland. Kippenvel krijg ik daar nog altijd van.

Paradoxaal genoeg kan ik mij daarom inleven in de wrok die collaborateurskinderen of -kleinkinderen nog altijd voelen over de wrede grap die de geschiedenis met hen uithaalde. Al heb ik het daar niet gemakkelijk mee – deel omdat ik niet anders “kan”, deels omdat veel collaborateurs die deel uitmaakten van wat politiek commentator van De Standaard Manu Ruys de Vlaamse “elite” noemde, na de oorlog in bladen, kranten en boeken decennialang toeterden over het hun aangedane onrecht.

Hun overwinnaars sloegen zichzelf minder op te borst, een jaarlijkse officiële dodenherdenking daargelaten. Mijn oom, die bij zijn terugkeer vijfenveertig kilo woog, stierf op zijn vierenveertigste aan kanker. Hij schreef nooit een boek.

Tot de objectiviteit waarvan natuurwetenschappers dromen, zal ik nooit in staat zijn, zeker niet als het over de Führer en zijn Vlaamse volgelingen gaat. Een historicus is ook maar een mens; geschiedenis is bepaald geen natuurwetenschap. Juist daarom moet die historicus zichzelf op tijd tot de orde roepen en de feiten laten spreken, niet zijn (negatieve) emoties. Begrip, inleving en aanvaarding zijn ook bouwstenen van de verwondering en die verwondering houdt de historische interesse gaande.

Het zou voor verheldering, zelfs voor grote opluchting zorgen als de Tweede Wereldoorlog in Vlaanderen bespreekbaar werd. De nieuwsgierigheid van mijn generatie – ik ben twaalf jaar na de oorlog verwekt – en degene die na ons komen, verdient niet alleen aanbeveling, maar ook bevrediging.

Verschenen in Memo nr. 2, februari 2012.

Column – Onbekend en onbemind. Geschiedenis is een nukkige wetenschap.

Portret door Dilys Klitsée.

Af en toe brengen de media musea of archieven ter sprake. Ze  gebruiken dan altijd het adjectief “stoffig”, dat daarna enigszins hypocriet wordt gerelativeerd. Vervolgens mag de conservator in de krant zijn nieuwe tentoonstelling toelichten of de archivaris op de televisie over een bij voorkeur bloedige gebeurtenis uit het verleden vertellen.

Mediatypes verslijten historici voor betweterige lui die zich vermeien in zouteloze anekdotes over de gulzigheid en geilheid van middeleeuwse paters of die gebukt gaan onder een minderwaardigheidscomplex en daarom dwepen met Napoleon.

Bestaan zulke historici? Nou en of.

Maar journalisten, vaak te slecht opgeleid om iets te weten en te jong om het zich te herinneren, zijn vooral bang van geschiedenis omdat ze er niets van afweten. Onbekend maakt onbemind, etc. Al in de jaren 1970 wilde de Belgische onderwijsminister komaf maken met het vak. En wie zich vandaag inschrijft aan de universiteit, moet “vaardigheden” en “attitudes” in huis hebben, geen kennis.

Als dinosaurus mag ik dat zeggen. Dertig jaar geleden schreef ik mijn eerste artikels op een mechanische schrijfmachine. Corrigeren deed ik met de vulpen.

Wanneer ik door een boekhandel loop, zie ik daar nog altijd hoge stapels historische boeken liggen. Onze kennis is misschien niet meer wat ze geweest is, de dorst ernaar blijkt niet gelest. (Ik ga voorbij aan de historische sites op het Web en het succes van kitcherige maar uitputtend gedocumenteerde televisieserie als The Tudors).

De politiek correcte tijdsgeest wil dat iedereen een identiteit heeft, behalve wijzelf. De absurditeit daarvan is zo evident dat er geen tekeningetje bij hoeft. En eigenlijk beseffen we dat ook wel – waar komen anders discussies vandaan over een “historische canon” met essentiële feiten en ideeën uit onze geschiedenis?

Iets afweten van geschiedenis levert geen gewin op, maar wel historisch bewustzijn. Laat nu net dàt zijn wat ons slim genoeg maakt om mensen met een ander verleden, een andere identiteit, NIET het hoofd in te slaan of te deporteren.

Wie zijn we? Waar komen we vandaan? Waarom zien we onszelf zo en niet anders? Zijn de verhalen over ons verleden (de Slag der Gulden Sporen, het Beleg van Leiden, “wit” en “zwart” of “goed” en fout” in de oorlog) juist? Of juist niet?

De antwoorden op zulke vragen zijn nooit ondubbelzinnig of definitief. Daarom moeten we er voor onszelf naar op zoek gaan en dat vooral niet overlaten aan fanatici, aan fundamentalisten met een bord voor hun kop of utopisten met een geëxalteerde blik.

Historisch bewustzijn is een collectief zelfbewustzijn – dat laatste is niet hetzelfde als zelfoverschatting. Elk van ons is een minderheid; samen kunnen we proberen een gemeenschap te vormen. Het is – jawel – een attitude. Het besef dat niets in de samenleving uit de lucht komt vallen en onveranderlijk is. Dat alles het resultaat is van groei, van botsende belangen, en daarom geen eindpunt.

Iedereen heeft recht op historisch bewustzijn, niet alleen vaklui. Geschiedenis laat zien dat de wereld ingewikkelder in elkaar zit dan wij denken. Ze maakt het leven moeilijker, want ze drukt ons met onze neus op onze mogelijkheden en dus op onze verantwoordelijkheid.

Dat leer ik uit dertig jaar nukkig artikels schrijven over geschiedenis. Mezelf heb ik overtuigd. Ik hoop van u hetzelfde.

Verschenen in Memo nr. 1.