Geschiedenis – Olympische plantrekkerij. De Antwerpse Spelen van 1920.

“Wij hebben gezien die schaar kortgerokte hemelsch blauwe juffers uit Amerika, Denemarken, Zweden met hun waaiende haren en bloote armen, veel schooner dan de godinnen onzer tafereelen op doek of in marmer.” Dat schrijft de extatische journalist Leon Ramault in Sportwereld na de opening van de Olympische zomerspelen op zaterdag 14 augustus 1920 in het Antwerpse Beerschotstadion.

Ramault vergeet te zeggen dat van de 2.668 atleten – een andere bron gewaagt van 4.353 deelnemers – maar 64 vrouwen zijn. Die mogen alleen schaatsen, tennissen en zwemmen. De journalist besteedt ook geen aandacht aan de bedenkelijke financiële vooruitzichten van de eerste naoorlogse Olympische Spelen. Hij gaat tenslotte niet in op de afwezigheid van atleten uit het overwonnen Duitsland, Oostenrijk – Hongarije en Turkije of op het feit dat sportlui uit de jonge Sovjet-Unie evenmin welkom zijn.

De verwachtingen in Antwerpen zijn hooggespannen. Het Internationaal Olympisch Comité van de Franse baron Pierre de Coubertin heeft de stad gekozen om eer te bewijzen aan het kleine, maar dappere België. Gallant little Belgium heeft in de donkere oorlogsjaren meer dan zijn plicht gedaan. Andere kandidaten voor de Spelen waren Boedapest in het vijandige Oostenrijk – Hongarije en Amsterdam in het neutrale Nederland. Na de geallieerde overwinning kunnen zij geen aanspraak maken op zo’n schouderklopje.

Lobbywerk

Het Antwerpse lobbywerk is overigens lang voor het uitbreken van de oorlog van start gegaan. In 1912 is de kandidatuur van België voor de organisatie van de Spelen van 1920 officieel voorgedragen aan het IOC. Op 9 augustus 1913 richten vooraanstaande figuren uit de havenstad – velen hebben bindingen met de in 1890 opgerichte Royal Beerschot Athletic Club – een Comité provisoire of Voorlopig Comité op. Dat verzoekt het Belgisch Olympisch Comité (BOC) de Antwerpse kandidatuur in te dienen bij het IOC. Een maand later komt De Coubertin in eigen persoon op bezoek in de Scheldestad. Hij bezoekt het stadium van de voetbalploeg van Het Kiel en luistert aandachtig naar de plannen die men ontvouwt. De (financiële) beloften die hij krijgt, hebben alvast voor gevolg dat de Spelen zeker niet in Brussel gehouden worden.

Het Voorlopig Comité publiceert een prestigieuze brochure van meer dan honderd bladzijden met als titel Aurons-nous la VIIe Olympiade à Anvers en 1920? (“Krijgen wij in Antwerpen in 1920 de VIIde Olympische Spelen?”). Het boekwerk bevat de portretten van alle betrokkenen, de plannen voor het stadion en een schaamteloze lofzang op Antwerpen, zijn monumenten en zijn kunstschatten. Er wordt een miljoen (!) exemplaren van gedrukt.

De regering, het gemeentebestuur en de provincie zeggen hun medewerking toe. De Belgische Staat zal vlakbij het stadion een nieuwe weg van Antwerpen naar de hoofdstad aanleggen. En er komen, dat spreekt, een Olympisch zwembad en een roeibaan. Maar wanneer een Belgische delegatie in 1914 vol verwachting arriveert in Parijs, blijkt het IOC de beslissing toch nog voor zich uit te schuiven.

Eerste Wereldoorlog

Theoretisch moeten de zesde moderne Olympische Spelen in 1916 plaatsvinden in Berlijn. Maar dan is de Eerste Wereldoorlog al twee jaar bezig en het feest gaat niet door. Ondanks het wapengekletter is er even sprake van de kandidatuur van het Franse Lyon als inrichter van de eerste naoorlogse spelen, maar Belgen en Fransen beloven uiteindelijk elkaar niet in de wielen te rijden. De Olympische overheden besluiten alvast te doen alsof de Berlijnse Spelen wèel zijn betwist en zullen Antwerpen het rugnummer zeven geven.

Vlak na de wapenstilstand van november 1918 verzoekt De Coubertin de Belgische regering om de spelen van 1920 of 1924 te organiseren. Er zijn nogal wat twijfels aan de haalbaarheid van 1920 – België ligt half in puin, de economie is ontregeld en de inflatie scheert hoge toppen. Maar de eerste minister, gouverneur Gaston van de Werve de Schilde en burgemeester Jan De Vos willen van geen wijken weten. Enige grootheidswaan is de Scheldestad nooit vreemd geweest. Op 5 april 1919, nauwelijks zestien maand voor de openingsceremonie moet plaatsvinden, wordt de Antwerpen officieel aangeduid als gaststad van de Spelen.

Tekort

Men raamt de kosten voor de organisatie op 3.700.000 frank. De staat betaalt daarvan anderhalf miljoen. De stad Antwerpen legt 800.000 frank op tafel en de provincie een kwart van dat laatste bedrag. Ook Brussel doet mee, ongetwijfeld met veel tegenzin omdat het zelf niet de hoofdrol mag spelen. De hoofdstad van het koninkrijk hoest trouwens maar 10.000 frank op. Nog voor de Spelen van start gaan, is er dus een tekort van een miljoen.

Dat miljoen moet van het Voorlopig Comité komen. Precies door dat geld in het vooruitzicht te stellen, heeft het clubje Antwerpse aristocraten, havenbaronnen en diamanthandelaars de laatste weerstanden tegen de organisatie van de Spelen overwonnen. Maar zij blijken opeens weinig of niets van sport te begrijpen en nog minder van de organisatie van een grootschalig evenement als de Spelen en uiteindelijk zijn ze enkel bereid het geld aan het B.O.C. te lenen – tegen vier procent interest, en met de belofte dat ze zullen delen in eventuele winst.

De scheiding van kerk en staat ten spijt, begint het feest op 14 augustus met een plechtige dienst in de kathedraal. Kardinaal Mercier, symbool van het vaderlandslievend verzet tegen de Duitse bezetter, gaat daarin voor. Sport, zegt Mercier, heeft bijdragen tot de prestaties van de soldaten op het slagveld. Voortaan zal ze echter in het teken van de vrede staan.

Beerschotstadion

Architecten Fernand de Montigny en L. Somers hebben het Beerschotstadion voorzien van een monumentale poort voor de entree van de atleten en een toren voor de Olympische vlag. Ze hebben een tribune met 4.000 zitplaatsen gebouwd en een atletiekpiste van 389 meter aangelegd (en geen 400 meter, wat de homologatie van het wereldrecord 400 meter horden zal bemoeilijken). Zeker bij slecht weer blijkt dat de piste van slechte kwaliteit is, ondanks de goede reputatie van de Londense aannemer.

De werken zijn klaar sinds 30 mei. Enkele weken eerder is koning Albert I “incognito” op bezoek geweest om de vorderingen gade te slaan. De Coubertin gewaagt in verband met de snelle voltooiing van de infrastructuur van een mirakel, dat te danken is aan de “plantrekkerij” van de Belgen.

In plaats van het geraamde miljoen, kost de aanpassing van het stadion uiteindelijk meer dan het dubbel. De inhuldiging wordt gevierd met een turndemonstratie door zowat alle Antwerpse gymnastiekverenigingen en de uitvoering van de cantate De Genius des Vaderlands van componist Peter Benoit (1834-1901), de legendarische stichter van het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium.

Een projectontwikkelaar staat de terreinen om het stadion tijdelijk af aan de inrichters. Inderhaast aangeplant groen en allerlei versieringen doen de Olympische zone van 5 hectare groter lijken dan ze eigenlijk is.

Om 13.45 arriveren koning Albert I en koningin Elizabeth met hun zoontjes Leopold en Karel en dochter Marie-José in het stationnetje dat speciaal is gebouwd op de lijn Brussel – Antwerpen. Vandaar lopen zij langs wat later de VIIde Olympiadelaan heet naar het stadion. Mercier is ook hier van de partij. Het weer zit mee: 14 augustus is een van de mooiste dagen van de verder regenachtige zomer.

Meer hoge hoeden dan petten

In het stadion zijn veel hoge hoeden te zien, maar weinig petten. Het volk loopt niet warm voor de mondaine spelen. De tickets zijn duur: drie frank voor een staanplaats en tien frank voor een zitplaats op de tribune. Dat is meer dan arbeiders of bedienden zich kunnen permitteren. Bovendien heeft niemand vrijaf gekregen – op zaterdag wordt in 1920 nog gewerkt – om de plechtigheid bij te wonen. Naar verluidt geeft zelfs de koning lucht aan zijn teleurstelling over de geringe opkomst.

Militairen paraderen; De Coubertin begeleidt de vorsten naar hun loge; een Zweeds koor zingt, begeleid door koperblazers, de Brabançonne. Dan begint het defilé van de delegaties van de 29 deelnemende landen. De Amerikaanse afvaardiging telt dertig vrouwen. Aan een Nederlandse correspondent vallen onder meer de “sluwe oogjes” van de Japanners op. Tot de Belgische ploeg behoort de bekende Antwerpse turner Cuperus die zich in woord en geschrift verdienstelijk maakt als propagandist van de gymnastiek.

De voorzitter van de B.O.I.C., graaf De Baillet-Latour, vraagt de koning – allemaal in het Frans, wel te verstaan – om de Spelen te openen. Wat Albert, de koning ridder, prompt doet, in het Nederlands nota bene. Er weerklinken zeven kanonschoten en soldaten openen manden waaruit witte duiven opvliegen. De Antwerpse dirigent Flor Alpaerts leidt een koor dat het bekende Vlaamse liet Naar wijd en zijd zingt – de tweede toegeving aan de Vlamingen tijdens het openingsfeest.

Olympische vlag

Victor Boin (1886-1974) legt als eerste deelnemer ooit de Olympische eed af: “Wij zweren dat wij ons op de Olympische Spelen aanbieden als loyale tegenstanders, met eerbied voor de uitgevaardigde reglementen en in een geest van ware sportiviteit, tot eer van ons land en tot glorie van de sport”.

Boin is een typische gentleman amateur. Op de vorige edities van de spelen in 1908 en 1912 behoort hij tot het succesrijke Belgische waterpoloteam. In Antwerpen zal hij als schermer een medaille behalen.

Een andere primeur bestaat in het hijsen van de Olympische vlag met vijf ringen. Die is in Antwerpen voor de allereerste keer te zien. De ringen symboliseren de vijf werelddelen. Pierre de Coubertin heeft de vlag zelf ontworpen op basis van een oud-Grieks motief (dat uiteraard een andere betekenis heeft).

“Waar honderden Amerikanen, Zweden, Noren Finnen enz. met hun atleten zijn meegekomen om gestadig door kreten en toejuichingen hun moraal hoog en gezond te houden,” schrijft de Antwerpse liberale krant De Nieuwe Gazet, “moesten wij tegen wil en dank de droeve vaststelling doen dat vlagjes van alle landen van de wereld talrijk in de knoopsgaten prijkten en de Belgische ver in de minderheid waren […]. Die onverschilligheid der anders zo sportminnende Belgische massa is een onvermijdelijk gevolg van de onvoldoende wijze waarop hier aan lichamelijke oefening wordt gedaan.”

Sport staat boven de politiek, daar is iedereen het over eens. Maar Duitsers, Oostenrijkers en Turken mogen niet meedoen. Ook De Coubertin vindt dat ze straf verdienen, maar omdat dit niet zou leiden tot een onherstelbare breuk in zijn IOC laat de Franse baron aan de Belgen over te inviteren wie ze wilden.

In werkelijkheid zijn de Spelen lang vòòr de officiële opening van start gegaan. De eerste Olympische wedstrijd is immers de ijshockeymatch Zweden-België op 23 april, gevolgd door de schaatscompetitie. Als decor hebben ze het Palais de Glace of IJspaleis, een omgebouwde rolschaatspiste aan de Henri Van Heurckstraat.

Ratten

Antwerpen staat zelf in voor de aanleg van een Olympisch zwembad. Het gaat om een zone die is afgebakend in de brede gracht van de versterkingen om de stad, de Brialmontvesting, ter hoogte van de Wezenberg. Het geheel omvat een honderd meter lang bad, een springtoren, een clubhuis en een kleiner bad voor het waterpolo.

De meningen over het “Nautisch Stadion” lopen uiteen. De Amerikaanse en Australische zwemmers zijn niet te spreken over het koude, donkere water. Andere deelnemers klagen over de ratten die “mee zwemmen”. De Antwerpenaars supporteren voor de broers Gérard en Maurice Blitz die deel uitmaken van het nationale waterpoloteam. Ze stromen in grote getale toe voor de finale tussen België en Groot-Brittannië. Luid protest klinkt wanneer de Zweedse scheidsrechter het “opneemt” voor de Britten. Na haar 3-2 overwinning moeten soldaten de Engelsen ploeg beschermen tegen de woede van de ontgoochelde Belgische supporters.

Minder fel gaat het eraan toe op de Garden City Wielerpiste die in Wilrijk is gebouwd. De kritische Belgen, gewend als ze zijn aan de prestaties van beroepsrenners, lopen niet warm voor de wedstrijden van Olympische amateurs. De “velodroom” biedt plaats aan 14.000 toeschouwers, maar tijdens de Olympische wedstrijden dagen er nauwelijks vijfhonderd op. Net vòòr de spelen is daar trouwens het veel spannender wereldkampioenschap gereden.

“Beest-verzorgers”

De worstel- en bokswedstrijden kennen evenmin het verhoopte succes. Plaatselijke beroemdheden als Laurent Garstmans of Jef de Paus mogen niet meedoen omdat het beroepssporters zijn. Bovendien vinden de wedstrijden plaats in de kleine feestzaal van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde aan het Astridplein. Een enkele keer komt er meer publiek opdagen dan verwacht en moeten de “beest-verzorgers” (dixit een krant) van de nabije Dierentuin de menigte tegenhouden.

Roeien gebeurt op de Willebroekse vaart in Brussel. Daar worden in het stadion van St.-Gilles ook voetbalwedstrijden gespeeld (net zoals op dat van AAG Gent in de Arteveldestad). Voor zeilwedstrijden en polo moet het publiek naar Oostende.

Van zoiets als een Olympisch Dorp is in 1920 geen sprake. De Nederlandse voetbalploeg verblijft op de Hollandia, een boot die voor anker ligt in de Schelde. De spelers hebben niet genoeg ruimte. Ze bedrinken zich en schoppen keet, ook wanneer ze op stap gaan in de beruchte havenbuurt. De Amerikaanse atleten krijgen dan weer onderdak in de stadsschool aan de Oudaan (het is zomervakantie en er zijn geen leerlingen). Ze klagen over het gebrek aan privacy en het koude water uit de douches. Ook de harde bedden en de met stro gevulde hoofdkussens moeten het ontgelden.

Formolgeur

Dat een aantal Amerikanen zo fel reageert, heeft ook de maken dat ze de overtocht naar Europa gemaakt hebben aan boord van de Princess Matoika, een schip dat tijdens de oorlog diende om de lichamen van gesneuvelde soldaten te repatriëren. Aan boord hangt een allesdoordringende geur van formol en op alle dekken lopen ratten rond.

De Amerikaanse vrouwen vergaat het gelukkig beter in het huis van de Young Women’s Christian Association (YWCA) aan de Paleisstraat. De Zweden zijn echter zo ontevreden over de leefomstandigheden in de school op Het Kiel waar ze logeren dat sommigen eruit trekken en op eigen kosten een hotelkamer in de stad huren. Omdat hun geld zo veel sneller opraakt dan voorzien, moeten ze voor het einde van de Spelen de terugreis aanvatten. De Noren en de Egyptenaren blijven braaf waar ze zijn.

De atletiekwedstrijden in het Olympisch stadion kunnen maar op een geringe belangstelling rekenen. De Antwerpse sportliefhebber is niet vertrouwd met deze weinig volkse sporttak. Door de band worden op de Spelen ook niet veel buitengewone prestaties neergezet – heel wat mogelijke topsporters zijn tijdens de oorlog gesneuveld.

Het opmerkelijkste Olympisch debuut is dat van de 22-jarige Fin Paavo Nurmi, die op termijn zal uitgroeien tot een van de succesrijkste Olympische atleten aller tijden. Bij de vijfduizend meter moet Nurmi het echter afleggen tegen de Fransman Guillemot. Guillmemot is nog maar pas hersteld van de gasvergiftiging die hij aan het front heeft opgelopen. Hij heeft in de oorlog 43 dagen in de vuurlijn gestaan en zijn hart zit aan de rechterkant.

Belgische medailles

Maar in het veldlopen en op de tienduizend meter behaalt Nurmi goud. Hij gaat uiteindelijk met vier gouden en een zilveren medaille naar huis. Later neemt hij nog deel aan de Spelen in Parijs (1924) en Amsterdam (1928).

Voor het voetbal blijken veel Antwerpenaars tòch bereid om vier frank neer te tellen. Vooral de balfinale tussen België en Tsjecho-Slowakije brengt veel volk op de been. Vijf minuten voor de rust stuurt de scheidsrechter een Tsjechische speler van het veld omdat hij de Belg Coppée heeft doen struikelen. Daarop vertrekken ook zijn verontwaardigde ploegmaats. De tussenstand (2 voor de Belgen, 0 voor de Tsjechoslowaken) wordt meteen de eindstand.

In totaal behaalt België dertien gouden, twaalf zilveren en elf bronzen medailles – een prestatie die het nooit meer overtreft.

Antwerpen gaat prat op zijn zelfbedachte bijnaam “stad der stoeten”. Drie opeenvolgende zondagen in augustus gaat de traditionele Ommegang uit met de Reus, de Reuzin, de walvis en de drie dolfijnen die voor de gelegenheid zijn opgelapt. Tijdens het hevige onweer dat op 22 augustus losbreekt, waait het hoofd van de Reus af.

Rubenskantate

Op 12 september is het feest voorbij. Tijdens de slotplechtigheid spreekt Pierre de Coubertin eens te meer een gloedvolle rede uit. De Olympische vlag wordt gestreken en na de nodige bazuinstoten en kanonschoten volgt een uitvoering van de Rubenskantate van Benoit, eens te meer gedirigeerd door Flor Alpaerts.

De Antwerpse spelen eindigen met een aanzienlijk deficit, dat zelfs tot het failliet van het BOC leidt. Wat echter vooral opvalt, is dat de Olympische kermis weinig sporen nalaat in de collectieve herinnering. De straten die na het einde van de spelen in de omgeving van het Beerschotstadion worden aangelegd, krijgen namen als Polo-, Atletiek-, Schijfwerpers- en Atletenstraat. Maar daar blijft het bij. Op de terreinen van de Garden City Wielerbaan verrijst na enige tijd inderdaad een… tuinwijk. Nadat de vestinggracht plaatsmaakt voor de ringweg, wordt een nieuw zwembad Wezenberg gebouwd, maar weinig Antwerpenaars beseffen dat het om een indirect spoor van “hun” Olympische Spelen van 1920 gaat…

Literatuur – Vuile manieren in Vlaamsche Arbeid. Karel Van den Oever wordt het slachtoffer van een mystificatie.

In het voorjaar van 1910 valt een omslag in de brievenbus van het fraaie art nouveauhuis van advocaat Jozef Muls (1882-1961) aan het Antwerpse Vleminckveld. Muls, die na de Eerste Wereldoorlog zijn praktijk opgeeft om zich aan de kunstgeschiedenis te wijden, is de oprichter van het katholieke en flamingante literaire tijdschrift Vlaamsche Arbeid. Zijn adres is ook dat van de redactie.

Huis van Jozef Muls aan het Vleminckveld (foto Jan Lampo).

Muls vertrouwt  de omslag toe aan redactiesecretaris Karel Van den Oever (1879-1926). De dichter Van den Oever woont enkele honderden meter verder, aan de Steenhouwersvest. Daar runt hij met zijn twee, eveneens ongehuwde zussen, een textielwinkel. Van den Oever, die zich na de oorlog tot het expressionisme zal bekeren, werkt op dat ogenblik aan een bundel die in neo-renaissancistische verzen het Antwerpen van de 16de eeuw oproept. Van den Oever is een militant katholiek.

Karel Van den Oever (foto AMVC-Letterenhuis).

De inhoud van de omslag brengt de ietwat wereldvreemde dichter in verrukking. Het gaat om verzen van een jonge vrouw, Maria Broeckx, uit Nieuwkerken in het Waasland. Een Engels motto, ontleend aan Dante Gabriel Rosetti, gaat de verzen vooraf. Van den Oever kiest twee gedichten en laat ze, met het motto, verschijnen in het 7de nummer van de 5de jaargang 1909-1910 van Vlaamsche Arbeid. Vermoedelijk schrikken de vrienden van Van den Oever wanneer ze de jongste aflevering van hun blad ontvangen. Hun oncomfortabele geheim blijft niet lang geheim.

Huis van Jozef Muls, détail (foto Jan Lampo).

In zijn septembernummer pakt De Blauwvoet, “vrijzinnig letterkundig Orgaan van den Oud-leerlingenbond van School 14”, onder de kop Een schandaal!! uit met de waarheid over Maria Broeckx en haar gedichten. De Blauwvoet is een op veredeld krantenpapier gedrukt maandblad dat nog maar net is opgericht en waarvan de nummers 8 bladzijden beslaan. Het besteedt uitsluitend aandacht aan onderwerpen uit de literatuur en het theater. De samenstellers zijn oud-leerlingen van een Antwerpse stadsschool. Ze noemen zichzelf uitdrukkelijk “vrijzinnig”, d.w.z. niet-katholiek, on- of antikerks.

Medewerker “Sherlock Holmes” publiceert de enthousiaste brief die Van den Oever aan Maria Broeckx heeft gestuurd om de publicatie van haar gedichten aan te kondigen. Met geveinsde ernst meldt hij dat Van den Oever het motto niet begrepen heeft – anders had hij het niet gepubliceerd. De verzen “O, the prick, the prick, the lovely prick / O, I faint, I faint, I close my eyes,” betoogt hij verder, zijn niet van Rosetti.

Huis van Karel Van den Oever aan de Steenhouwersvest (foto Jan Lampo).

“Holmes” brengt ook aan het licht dat de gedichten van Maria Broeckx eigenlijk van de Nederlandse dichters W.G. van Nouhuys en van Marie Metz-Koning zijn – slechts enkele verzen werden van plaats veranderd. Ook dat heeft Van den Oever over het hoofd gezien…

“Wat bewijst dat nu?” vraagt de literaire detective zich af. Hij antwoordt zelf: “Dat geen enkele der redacteuren van Vl. arbeid de Nederlandsche letterkunde kent, geen enkele, zelfs niet de zeer Eerwaarde Heer Jozef De Cock, Hoogleraar en Kritikus.” Erger nog, het voorval bewijst dat “morgen gelijk welke ploert vrij kan plagiëeren en mits geringe wijziging, zijn afschrift kan in de letterwereld brengen, aangemoedigd […] door Vlaamsche Arbeid.” En, voegt hij eraan toe, “dat is een Schandaal, dat ieder rechtgeaard en weldenkend mensch afkeuren moet en tegenwerken.” Om zijn aantijgingen hard te maken, laat hij de gedichten van Maria Broeckx en de originelen van de Nederlandse dichters volgen.

Gedenkplaat voor Karel Van den Oever aan de gevel van zijn huis (foto Jan Lampo).

De geest is uit de fles. Muls en/of Van den Oever zijn, om verschillende redenen, even boos als “Sherlock Holmes”. Ze doen hun beklag bij de katholieke Antwerpse kranten. Het Handelsblad gewaagt op 9 september van “een ploertenstreek”, op het getouw gezet door “verbitterde schrijvelaars, die hunne meesterstukken niet konden geplaatst krijgen”. Vervolgens, aldus nog de krant, heeft een “nietig blaadje” van “overal afgedankte of weggeschopte ploerten” geprobeerd daar garen van te spinnen. Het echte schandaal, aldus “Fides”, is dat “vandaag op zulke rotheid in de letterkundige Vlaamsche wereld moet gewezen worden.”

Enkele dagen later, op 11 september, doet Gazet van Antwerpen er nog een schepje bovenop met een artikel over “Oneerlijke praktijken in de Vlaamsche letterkunde”. Net zoals zijn collega van Het Handelsblad, vindt de journalist dat Van den Oever niets te verwijten valt. Men kan niet alle gedichten van tweederangspoëten kennen, men verwacht zich niet aan soortgelijk bedrog en de verzen getekend “Maria Broeckx” zijn niet geheel onverdienstelijk…

Cover van “Vlaamsche Arbeid”.

Blijkbaar worden in de wandelgangen van de literatuur al snel namen genoemd. De prozaschrijver André De Ridder (1888-1961), redacteur van het literaire tijdschrift De Boomgaard en oud-medewerker van Vlaamsche Arbeid, stuurt een lezersbrief op hoge poten naar Het Handelsblad. “Zekere vermoedens, die ik rond me opduiken zie en zekere geruchten, die mijn oor reikten” nopen hem ertoe te verklaren dat niet hij verantwoordelijk is voor de mystificatie en evenmin voor de berichtgeving daarover in De Blauwvoet. Niet zozeer Vlaamsche Arbeid is de gedupeerde van de grap, zegt De Ridder, “als […] den onbezonnen redacteur” wiens brief aan Maria Broeckx “feitelijk de pittigste en gekste kant van ’t avontuur uitmaakt.”

Blijkbaar vindt de aanstichter van de hele zaak het nu welletjes. In de Franstalige, katholieke krant La Métropole en ook in een lezersbrief aan Het Handelsblad (21 september), maat hij zich bekend. Het blijkt om Leo Van Goethem te gaan. Van Goethem is zelf journalist bij La Métropole. Hij verzekert zijn lezers van zijn katholieke rechtzinnigheid en wijst op het feit dat hijzelf reeds herhaaldelijk in Vlaamsche Arbeid heeft gepubliceerd.

Jozef Muls (foto AMVC-Letterenhuis).

“Ik zie er hoegenaamd geen bezwaar in openlijk te doen kennen dat ik alleen de dader ben der in den grond heel schuldelooze beetnemerij, waarvan M. Karel Van den Oever het beklagenswaardige slachtoffer werd,” schrijft Van Goethem. “Wat mij echter spijt is, dat er van die zaak misbruik gemaakt werd met ze zoo’n tint van politieke harenplukkerij te geven. […] Ik denk dat het nu zal uit zijn met de commentariën (vooral de politiek getinte) over die guitenstreek, die nooit (door wiens toedoen en in wiens voordeel?) zulke uitbreiding hadde moeten nemen.”

Krokodillentranen? Het ziet ernaar uit. Van Goethem zegt niets over de verontwaardiging van “Sherlock Holmes” in De Blauwvoet. Hij zinspeelt evenmin op het uitgebreide (en bijzonder grappige) interview met Maria Broeckx dat ene “Lieven Vogelaer” in een volgend nummer van diezelfde Blauwvoet heeft laten verschijnen. Daarin verklaart de dichteres “Mijnheer ik was Maagd. […] Litteraire en artistieke Maagd. ‘k Had nooit iets gepubliceerd, Mr Van den Oever heeft me ontmaagd (litterarisch!).”

André De Ridder in 1930 (foto Schrijversgewijs).

“Lieven Vogelaer” steekt genadeloos de draak met Van den Oever door o.m. alle verzen van een gedicht van hem in een andere volgorde te plaatsen en zijn prozastijl te pasticheren. Van Goethem maakt een cameo appearance in de tekst wanneer “Vogelaer” Maria Broeckx laat zeggen dat Van Goethem net als Van den Oever “een bries van vleeschelijke liefde zal doen waaien door de stille kamers onze Vl. Poëzie”.

Zijn “Vogelaer” en Van Goethem een en dezelfde? Het lijkt er sterk op. Wie is Leo Van Goethem en wat bezielt hem? Hoewel de biografie van deze auteur vaag blijft, weten we dat hij vanaf 1909 o.m. in De Boomgaard van André De Ridder verhalen, beschouwende stukjes, gedichten en “poëmen in proza” laat verschijnen. In 1920 zal hij meewerken aan Het roode Zeil, het literaire tijdschrift dat gedurende een jaar de lijn van De Boomgaard voorzet. Tot de redactie behoort behalve P.G. Van Hecke en Arthur H. Cornette o.a. André De Ridder.

Uit zijn teksten treedt Van Goethem naar voor als een nog wat voorzichtige, vroege modernist – een melancholisch gestemde, diep-religieuze rebel die af en toe blijk geeft van talent voor bijtende satire.

Van Goethem sterft in 1931. Uit zijn overlijdensbericht, verschenen in de Brusselse krant Le Soir van 7 mei, blijkt dat hij geboren is in 1887 in Beveren-Waas en dat hij sinds elf jaar voor de krant werkt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog dient hij aan het Ijzerfront, voordat hij in Parijs in opdracht van de Belgische overheid de Nederlandstalige soldatenkrant Het Vaderland opricht.  Le Soir herinnert aan Van Goethems werk bij La Métropole, waar hij zich al jong journalist “onderscheidde door zijn kwaliteiten als nieuwsgierige onderzoeker en liefde voor zijn vak.”

Hoewel de liberale Nieuwe Gazet en het weekblad De Gazet van de “Toneelboekhandelaren Gebr. Janssens, Antwerpen” er nog op terugkomen, raakt de Marie Broeckx-mystificatie snel vergeten. Van Goethem zal nooit de bekendheid van Van den Oever genieten, Vlaamsche Arbeid boert rustig verder en De Blauwvoet wiekt weg in de nacht der tijden.

Verschenen in Zuurvrij nr 22 van juni 2021

Geschiedenis – Kroniek van Antwerpen 1500 – 1600

Redezicht 1515 door anoniem meester (MAS).

Omstreeks 1500

De zg. Meester van het Morrisondrieluik, een Antwerps schilder, borstelt De aanbidding der koningen. Op de achtergrond ziet men Antwerpen met zijn onvoltooide O.-L.-Vrouwetoren. Het gaat om de oudste afbeelding van de stad op een schilderij. Het paneel bevindt zich thans in Philadedelphia.

1500

Geboorte, te Gent, van prins Karel, de latere keizer Karel V. Karel is de kleinzoon van keizer Maximiliaan en Maria van Bourgondië en de zoon van Filips de Schone en Johanna van Castilië. Hij zal de Bourgondische Nederlanden erven, en daarna Spanje.

Overbrenging van de waag voor ijzer en koper, de zg. Ijzerenwaag, van de Drijhoek (Comedieplaats) naar de Boeksteeg (thans Nationalestraat).

Men besluit tot de bouw van het achtkantige deel van de O.-L.-Vrouwetoren. Het voorlopige dak van de toren wordt verwijderd.

1501

Antwerpen wordt de exclusieve stapelmarkt voor Portugese koloniale waren. De eerste schepen met specerijen komen aan.

De burgemeester verwelkomt de kapiteins van de eerste Portugese schepen met specerijen. Wandschildering van Piet Verhaert in het trappenhuis van het Stadhuis.

Afbraak van het oude Vleeshuis en begin van de bouw van een nieuw. Het slagersambacht betaalt de bouw zelf dankzij leningen die het uitschrijft.

1502

Opening van de Ambtmanstraat.

1503

Schilder Jan Gossaert van Mabuse (Maubeuge) wordt meester in het Sint-Lucasgilde.

Dood van bouwmeester Herman de Waghemakere, die meewerkte aan de O.-L.-Vrouwekerk en mogelijk ook het Vleeshuis ontwierp. Zijn zoon Dominicus leidt nu de werf van Antwerpens grootste kerk.

Rede van Antwerpen, houtsnede in Benedictus de Opitii’s “Loeflicken Sanck”, 1515. 

1504

Het Vleeshuis is voltooid. Opening van de Blindestraat en de Gratiekapelstraat.

Filips de Schone ontvangt de kapiteins van Venetiaanse galeien.

Antwerpen ronselt soldaten voor de strijd tegen de hertog van Gelderland. Die verzet zich tegen het Habsburgse overwicht in de Nederlanden. Hij zal weldra een verbond sluiten met Frankrijk.

1505

Tijdelijke vrede met Gelderland.

1506

Filips de Schone moet onder Engelse druk enkele ongunstige aanpassingen doorvoeren aan de Magnus Intercursus. In de Nederlanden noemt men het nieuwe verdrag de Malus Intercursus.

25 september

Dood van Filips de Schone in Spanje. Zijn vrouw Johanna wordt krankzinnig. Keizer Maximiliaan opnieuw regent van de Nederlanden, ditkeer voor zijn kleinzoon Karel.

Maximiliaan van Oostenrijk door Albrecht Dürer.

Gelderland schaart zich aan Franse zijde voor de strijd tegen Maximiliaan.

1507

Maximiliaan benoemt zijn dochter, Margaretha van Oostenrijk (of van Savoye), tot landvoogdes van de Nederlanden.

Einde van de malus intercursus. De koning van Engeland schaft de jaarmarkt in Calais af. De Engelse kooplui komen terug naar Antwerpen.

21 juni

Plechtige intrede van de landvoogdes in Antwerpen. Zij vraagt de Staten van Brabant financiële hulp voor de strijd tegen Gelderland.

1508

De Fuggers uit Augsburg openen een filiaal in Antwerpen.

Antwerpen koopt de heerlijkheden Berchem, Wilrijk en Deurne.

Opening van de Jan van Lierstraat, de Eikenstraat en de Kolveniersstraat.

Jacob Fugger voor een kast waarop de namen van alle vestigingen van zijn handelshuis zijn aangebracht, waaronder “Antorff”.

Voltooiïng van het houten “belfroot” in de O.-L.-Vrouwetoren waaraan de klok Carolus komt te hangen.

Bij Adriaan van Bergen verschijnt de anonieme bundel Scone leysen ende veel scone gheestelike liedekens.

7 september

Plechtige intocht van keizer Maximiliaan, prins Karel en landvoogdes Margaretha.

18 september

Maximilaan beleent Karel op de Grote Markt met het markgraafschap Antwerpen.

10 december

Vrede van Kamerijk met Frankrijk.

 

Anoniem Duits kunstenaar, “Die grosz Kirch zu Antorff”, 1514.

1509

Vrede met hertog Karel van Gelderland.

De Welsers uit Neurenberg openen een filiaal in Antwerpen.

1510

De Violieren en de Goudbloem, samen 400 man sterk, nemen in Herentals deel aan een toneelwedstrijd.

De humanist Joannes Custos Brechtanus (Jan de Coster) doceert Latijn aan de kapittelschool. Hij doet dat tot 1515.

Peter Gillis, een tijdlang proeflezer bij de drukker Michiel Hillen van Hoogstraten, publiceert zijn eerste tekstuitgave van een klassiek auteur.

De Habsburgse Nederlanden (Putzger Historischer Weltatlas).

1511

Nieuwe oorlog met Gelderland.

De stad stelt de Portugese “natie” een groot huis ter beschikking aan het Kipdorp (thans brandweerkazerne).

Een aantal schrijnwerkers, lid van de Violieren, stichten een nieuwe kamer. Zij staan o.l.v. de Vlaamse jurist Joris de la Formanteel en noemen zich eerst De Ongeachten, dan De Olijftak. Gaspar van Halmale wordt hun eerste hoofdman.

Joos van Cleve meester in het Sint-Lucasgilde.

26 februari

Scheepskapitein Dirk van Paesschen zeilt met bedevaarders naar Palestina. Van Paesschen woont in het huis Jeruzalem, dat zijn naam heeft gegeven aan de Jeruzalemstraat.

1512

24 maart

Dirk van Paesschen keert terug van het H. Land. De schipper en zijn passagiers worden feestelijk ontvangen.

13 juni

Maximiliaan, Karel en Margaretha komen opnieuw in Antwerpen aan. De dag daarop horen ze de mis in de O.-L.-Vrouwekerk.

 

Kaart van de Schelde van Rupelmonde tot de zee, 1505, detail (Antwerpen, Felixarchief).

1513

Opening van de Augustijnenstraat.

31 juli

Nieuw vredestractaat met Gelderland.

1514

Opening van de Aalmoezeniersstraat.

Cornelis II Floris wordt geboren in het huis De Dondercloot aan de Steenhouwersvest. Zijn vader is de steenhouwer Cornelis I Floris.

De abdij van Averbode koopt bij Jacob van Cothem in de Kammenstraat een retabel, thans bekend als het Retabel van Averbode.

Het Passieretabel van Averbode. 

1515

Prins Karel meerderjarig verklaard op aandringen van de hoge adel. Die is ontevreden over de politiek van Margaretha van Savoye en haar raadgevers.

Schilder Joachim Patinier staat vermeld in de Liggeren (ledenlijst) van het Sint-Lucasgilde.

De Antwerpenaar Daniël van Bomberghen opent in Venetië een drukkerij. Hij specialiseert zich in de publicatie van boeken in het Hebreeuws. Drie jaar later drukt Van Bomberghen de eerste bijbel met rabbijnse commentaar. In totaal zal hij zo’n 200 boeken op de markt brengen, die hun weg vinden tot bij joden in India en in Ethiopië.

De Violieren zijn met 600 te gast bij De Pioen in Mechelen. Hun hoofdman is de organist van de O.-L.-Vrouwekerk, Benedictus sHertogen.

12 februari

Karel ingehuldigd als hertog van Brabant en markgraaf van het H. Roomse Rijk. Aan de grens van de Vrijheid, bij het klooster Ter Zieken, verklaart de prins onder ede dat hij de stedelijke privilegies zal eerbiedigen. Karel is vergezeld van zijn zusters Eleonora en Maria. Ook zijn tante Margaretha, de landvoogdes, is van de partij.

Margaretha van Oostenrijk (Pienternet). 

1516

Karel wordt koning van Aragon en van Castilië.

De duur van de Antwerpse jaarmarkten wordt verlengd om de Engelse lakenhandelaars plezier te doen.

Opening van de Prinsstraat. Burgemeester Aert van Liere laat er het prachtige Hof van Liere bouwen (thans Ufsia). De werken duren tot 1520.

Mei

Dirk van Paesschens derde reis naar Palestina eindigt vroegtijdig met schipbreuk op de Engelse kust.

1517

In het Duitse Wittenberg spijkert de augustijn Martin Luther zijn 95 stellingen aan de deur van de slotkerk. Begin van de Hervorming.

Maarten Luther.

Opening van de Venusstraat, Lange Sint-Annastraat en de Pieter van Hobokenstraat. Afbraak van de oude Kammerpoort en Koepoort omdat ze het verkeer hinderen.

7 september

Koning Karel gaat in Middelburg scheep naar Spanje.

1518

Dirk van Paesschen heeft het grootste schip laten bouwen “dat men in Antwerpen ooit gezien heeft”. Daarmee onderneemt hij zijn vierde tocht naar het H. Land. In Jaffa nemen de Turken de opvarenden gevangen. Pas na betaling van een hoog losgeld mogen ze doorreizen naar Jeruzalem.

Bij Willem Vorsterman verschijnt Die waerachtige ende een seer wonderlijcke historie van Mariken van Nieumeghen. Dit toneelspel in proza en verzen is het werk van een Antwerps rederijker.

1 september

Noordelijke toren van de O.-L.-Vrouwekerk voltooid: “den 1 september doen was den toren van Onse L. Vrouwe volmaect ende alsdoen eerst het cruys op den toren gesett (…) ende men danste om dat cruys op die stellagie die daer rontom gemaect was dat alle mensen dsagen”.

Het 15de-eeuwse stadhuis, reconstructie in de Wereldtentoonstelling van 1895.

1519

Dood van keizer Maximiliaan. Karel erft alle Nederlandse vorstendommen.

Domien de Waghemakere en Rombout Keldermans krijgen de opdracht voor de bouw van het koor van een nieuwe O.-L.-Vrouwekerk, het zg. “nieuw werck”. De geplande kerk moet vier keer groter worden dan de bestaande, die nieteens helemaal af is (!).

Jacob Spreng, proost van de augustijnen, hangt de leer van zijn ordegenoot Luther aan. Vele augustijnen volgen zijn voorbeeld. Ook buiten de kloostermuren wint de Hervorming aanhangers, vooral bij de talrijke Duitse kooplieden.

Geboorte van Gilbert Van Schoonbeke.

7 november

De universiteit van Leuven veroordeelt de ideeën van Maarten Luther.

Vanaf ca. 1520

De onrust in Centraal-Europa fnuikt de aanvoer van ertsen uit Zuid-Duitsland. Omdat via Spanje zoveel goud en zilver uit de Nieuwe Wereld Europa bereikt, hebben de Portugezen ook geen behoefte meer aan Zuid-Duits zilver. Zij brengen meer en meer specerijen naar Italië inplaats van naar Antwerpen. Toch blijft de Scheldestad veel specerijen ontvangen.

De oude beurs aan de Hofstraat. 

1520

Karel wordt, mede dankzij het geld van de Fuggers, verkozen tot keizer van het H. Roomse Rijk.

Albrecht Dürer bezoekt Antwerpen. Dürer is een overtuigd lutheraan. Stadssecretaris Cornelis Grapheus, die hetzelfde denkt, schenkt hem een exemplaar van Luthers Die Babylonische Gefängnis der Kirche. Dürer ontmoet Joannes Spreng.

Hij bezoekt het huis van Quinten Metsijs om er de muurschilderingen te bewonderen. Voorts heeft hij bijna uitsluitend contact met Duitse en Portugese protestanten, onder wie ook marranen, d.w.z. onder dwang tot het katholicisme bekeerde joden.

Dürer op bezoek bij Quinten Metsijs. Een romantische en onjuiste voorstelling uit de late 19de eeuw.

Dürer wordt feestelijk ontvangen in de Schilderskamer, bewondert het Huis van Liere, woont de bruiloft bij bij van Joachim Patinier, beklimt de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, bewondert de Sint-Michielsabdij en woont de grote processie bij op de zondag na 15 augustus.

In het stadhuis ziet Dürer de walvisbeenderen die in het begin van de 16de eeuw zijn opgegraven bij het Steen, en die men voor beenderen Antigoon houdt.

September

Karel komt uit Spanje in Antwerpen aan. Quinten Metsijs en 250 andere kunstenaars versieren de stad met aan weerszijden van de straten een dubbele zuilengalerij. Zij richten een grote triomfboog en 400 kleinere bogen op. Acteurs beelden op podia taferelen uit.

Ontvangst van Quinten Metsijs door het Sint-Lucasgilde.  Wandschildering van Edgard Farasyn in het trappenhuis van het Stadhuis.

Karel neemt zijn intrek in het Hof van Liere aan de Prinsstraat. De Staten Generaal van de Nederlandse gewesten komen bijeen; Karel zit hun vergadering voor. Hij legt de eerste steen van het “nieuw werck”

De Violieren voeren op de Kauwenberg een toneelspel op.

Opening van de Rodestraat.

1521

Oorlog met Frankrijk, die met onderbrekingen duurt tot in 1544.

Uitvaardiging van het eerste plakkaat tegen de ketters. De beul verbrandt op de Grote Markt lutherse boeken. Jacob Spreng en zijn opvolger, Hendrik van Zutphen, gearresteerd.

Dürer tekent Catharina, de 20-jarige zwarte dienares van de Portugese factor Brandan.

1522

Karel V heeft geen vertrouwen in de bisschoppelijke inquisitie. Hij stelt de leek Van der Hulst aan tot algemeen inquisiteur. Die ontdekt dat stadssecretaris Cornelius Grapheus een luthers getinte inleiding heeft geschreven bij een uitgave van een theologisch tractaatje van de in 1475 gestorven Jan Pupper van Goch.

De Antwerpse augustijnen worden opgepakt en naar Brussel gevoerd. Twee van hen, Hendrik Voet en Jan van Essen, weigeren hun overtuiging te herroepen en sterven op de brandstapel. Zij zijn de eerste martelaren van het protestantisme in de Nederlanden.

Koning Christiaan van Denemarken, schoonbroer van keizer Karel, wordt afgezet en komt aan in de Nederlanden. Hij zal zich in Lier vestigen.

Christiaan II van Denemarken.

Stadssecretaris Cornelis Grapheus zweert in de Onze-Lievevrouwekerk alles af wat hij ten gunste van de lutherse leer heeft gezegd. Terzelfdertijd verbrandt de beul lutherse uitgaven van de Antwerpse drukkers Claes de Grave, Hendrik Eckert van Homburch en Michiel Hillen van Hoogstraten.

Dominicus de Waghemakere krijgt een lijfrente uitbetaald “want hij den torre volmaict heeft”, d.w.z. omdat hij de O.-L.-Vrouwetoren heeft voltooid.

Ingebruikname van de Ossenmarkt.

1523

De overheid sluit het augustijnenklooster. De kerk wordt ontwijd. Enkele augustijnen organiseren in de omgeving van Antwerpen lutherse geloofsbijeenkomsten.

1524

Ketterse bijeenkomsten in de Eikenstraat, waaraan 40 personen deelnemen. De “voorzitter” van deze bijeenkomste, een zekere Adriaan “de Schilder” kan op tijd de benen nemen. Nicholaas van Brussel, pastoor van de Sint-Jacobskerk, verdacht van lutherse sympathieën.

Vervaardiging van het Retabel van Oplinter.

Omstreeks 1525

In het Zwitserse Zürich ontstaat de radicale stroming van de doopsgezinden. Zij zijn tegen de doop van kinderen en vóór die van volwassenen. De doopsgezinden willen alleen geestelijke “wapens” hanteren en weigeren eden af te leggen. Zij verwachten de spoedige komst van het Rijk Gods.

Melchior Hoffman.

Via Emden brengt Melchior Hoffman hun leer naar de Nederlanden. Daar ontstaat een extreme “afsplitsing”, de wederdopers of anabaptisten. Zij wiillen met geweld de komst van het Godsrijk bespoedigen.

Het anabaptisme schiet vooral wortel bij kleine ambachtslui en dagloners. Hun radicalisme heeft een uitgesproken sociale dimensie.

Publicatie van de anonieme bundel Refereinen in ’t sot, in ’t amoureus en in ’t wijs.

1525

Nieuwe ordonnantie met verbod tot het drukken en verkopen van ketterse boeken. Eligius Pruystinck, alias Looi de Schaliedekker, verkondigt heterodoxe ideeën. Luther waarschuwt zijn Antwerpse aanhangers voor deze “slang onder de palingen”.

30 juli

De uitgetreden augustijn Niklaas uit Ieper houdt vanop een bootje op de Falconrui een lutherse preek en wordt opgepakt.

31 juli

Eerste executie van een ketter in Antwerpen: Niklaas wordt in een zak gestopt en bij het Steen in de Schelde gegooid.

 

De laatgotische toren van de Sint-Jacobskerk.

1526

Voltooiïng van de toren van de Sint-Jacobskerk.

Keizer Karel sluit vrede met de hertog van Gelderland.

In Antwerpen verblijven meerdere marranen of nieuwe christenen, afkomstig uit Spanje en Portugal. Velen blijven in het geheim hun oude geloof belijden. Tal van Antwerpse marranen zijn actief in de Portugese specerijenhandel.

Februari.

Pruystinck en een tiental aanhangers herroepen hun ketterse denkbeelden.

1527

Geboorte van kroonprins Filips, de latere Filips II.

Opening van de Koningstraat, de Steenbergstraat en de Cellebroedersstraat.

Pieter Coecke van Aalst meester in het Sint-Lucasgilde.

Geboorte te Antwerpen van de rederijker Willem van Haecht en van de geograaf Abraham 0rtelius (Ortels).

1528

Opening van de Sint-Andriesstraat, de Pompstraat en de Waaistraat.

Jacob van Liesvelt brengt de eerste bundel refereinen van Anna Bijns op de markt: Een schoon en Zuiverlijk boeksken subtiellijk en rhetorijkelijk refuteerende al de dolinen en grote abusen komende uit de vermaledijde luthersche secte. Bijns hekelt de lutheranen, maar ook de lakse dienaars van de Kerk.

Karikatuurtje van Anna Bijns in een uitgave van haar refereinen.

1529

Vrede van Kamerijk met Frankrijk, ook genoemd de “Damesvrede”, wegens de grote rol die landvoogdes Margaretha van Oostenrijk en de moeder van de Franse koning Frans I bij de totstandkoming ervan gespeeld hebben.

De vrede wordt gevierd op de Grote Markt.

Eerste arrestatie van een wederdoper. Hij wordt levend verbrand op de Grote Markt.

Het vroegere bedehuis van de augustijnen wordt als St.-Andrieskerk Antwerpens vijfde parochiekerk.

Latijnse vertaling van de eerste bundel van Anna Bijns.

1530

Margaretha van Savoye sterft te Mechelen.

Februari

Arrestatie van de marranen Alfonse Fourco, Diego Lopez, Adam Vaes en Antonio Vaes. Zij worden ervan beschuldigd het joodse geloof te belijden en wapens te leveren aan het Turkse Rijk, waarmee Spanje op voet van oorlog leeft. Hun proces voor de Vierschaar leidt tot een prompte vrijspraak.

5 november

Overstroming in Zeeland en Vlaanderen. De polders ten noorden van Antwerpen en een deel van de stad lopen onder water.

1531

Keizer Karel en zijn zuster Maria van Hongarije bezoeken Antwerpen. Maria aangesteld tot landvoogdes van de Nederlanden. Maria vergadert dagelijks met enkele vertrouwde leden van de drie Raden die haar bijstaan: de Raad van Financien, de Geheime Raad en de Raad van State. Ze verkiest de ambtenaren boven de hoge edelen.

Maria van Hongarije.

Melchior Hoffmann organiseert de Amsterdamse anabaptisten.

Inhuldiging van de Beurs: een open binnenplein, omgeven door galerijen. De Twaalfmaandenstraat en de Borzestraat zijn geopend om het complex toegankelijk te maken.

Jan en Cornelis Metsys vermeld in de Liggeren van het Sint-Lucasgilde.

Tielman Susato speelt trompet in de O.-L.-Vrouwekerk.

Dood van Rombout Keldermans.

De nieuwe beurs. 

1532

De marraan Diego Mendes wordt beschuldigd van handel met en spionage voor de Turken. Zowat alle naties van vreemde kooplieden protesteren; de stad zelf wijst keizer Karel erop hoe nadelig een proces zou zijn. Uiteindelijk stelt men Mendes, na de betaling van een borgsom van 50.000 ducaten op vrije voeten. Mendes zal in 1543 in Antwerpen overlijden.

1533

In de nacht van 5 op 6 oktober zware brand in de O.-L.-Vrouwekerk. Schip en dwarsbeuk zijn nog niet zijn overwelfd. De voorlopige houten daken gaan in de vlammen op.

Erasmus, door Quinten Metsys.

“Het voorteken van de brand van de Antwerpse kerk jaagt mij schrik aan”, zal Erasmus vanuit Freiburg aan de Antwerpse kanunnik Goclenius schrijven.

1534

De anabaptisten komen aan de macht in Munster. Ze krijgen hulp van geloofsgenoten uit de Nederlanden.

Opening van de Pelgrimstraat, zo genoemd naar de afspanning De Pelgrom.

Dominicus de Waghemakere stelt zijn testament op.

1535

Onthoofding van Jeroen Pael, een der “profeten” die zijn uitgestuurd door de Munsterse wederdopers. Weldra arresteert men 7 andere anabaptisten.

De wederdopers proberen zich meester te maken van Amsterdam. Begin van strenge repressie, ook in het Zuiden.

Pruystinck komt in contact met de gevluchte Parijse juwelier Christophe Hérault.

Jan Metsys, Flora. 

1536-1538

Opnieuw oorlog met Frankrijk.

1536

Verkoop van houtsneden die Jan van Leiden voorstellen verboden. Onthoofding van de wederdoper Joost Baeten. Margriet Dregge wordt verdronken in de Schelde.

Keizer Karel geeft de marranen toestemming zich met hun familie en dienstboden in Antwerpen te vestigen.

Jozef Nasi

De marraan Jozef Nasi, die later hertog van Naxos en gunsteling van de Turkse sultan wordt, vestigt zich onder de naam Juan Miguez in Antwerpen. Hij is verwant met de familie Mendes en bevindt zich in het gezelschap van zijn tante, Gracia Mendes, en haar dochter Reyna. Zij zullen in 1546 de stad verlaten om naar Venetië en vervolgens naar Ferrara te gaan. In 1554 treedt Jozef Nasi in Constantinopel in het huwelijk met Reyna. Twaalf jaar later benoemt sultan Selim II hem tot hertog van Naxos en van de Cycladen. Hij sterft in 1579 in de Turkse hoofdstad.

De herstelling van de O.-L.-Vrouwekerk is klaar. De uivormige koepel boven de kruising is voltooid.

1537

Terechtstelling van zeven wederdopers, onder wie twee “bisschoppen”.

Plaatsing van een kruis op de zuidelijke toren van de O.-L.-Vrouwekerk.

1538

Terechtstelling van twee wederdopers.

1539

De Violieren winnen een toneelwedstrijd in Gent. Het deelnemende kamers moeten met hun toneelstuk een antwoord geven op de vraag “wat de mens in het uur van zijn dood de meeste troost biedt”. Volgens de Violieren is dat de verrijzenis van het vlees – een katholiek dogma.

Intocht van de Violieren na hun overwinning te Gent. Wandschildering van Edgard Farasyn in het trappenhuis van het Stadhuis.

Toch brengen andere rederijkers stukken met een lutherse tendens. Daarom zal het 25 jaar duren eer de Violieren in Antwerpen een Landjuweel mogen organiseren.

Publicatie van Een devoot ende profijtelijk boekske inhoudende veel geestelijke liedekens ende leisenen.

Cornelis II Floris, bijgenaamd De Vriendt, wordt meester in het Sint-Lucasgilde.

Pieter Coecke van Aalst publiceert onder de titel Die Inventie der Colommen de eerste Nederlandse vertaling van het werk van de Romeinse architect Vitruvius.

Terechtstelling van één wederdoper.

Vanaf 1540

De invoer van Engels laken neemt toe. Van het Iberisch schiereiland worden nog altijd veel specerijen ingevoerd, die via Antwerpen naar Duitsland gaan. Tegenlijk wordt de Scheldestad de grote uitvoerhaven van luxeproducten, vervaardigd in de steden van Noord-Frankrijk, de Zuidelijke Nederlanden, Holland en Zeeland. Om die nijverheid te bevoorraden, voert Antwerpen Italiaanse zijde, Engelse en Spaanse wol, aluin, cochenille, pastel en andere grondstoffen in.

Jan Sanders van Hemessen, “Judith”. 

1540

De liefdadige instellingen van de verschillende parochies en de gasthuizen komen onder het gezag van de stedelijke aalmoezeniers.

De Stad Antwerpen koopt de heerlijkheid van het Kiel van de karthuizers, die haar totdantoe in hun bezit hebben.

Opening van de Apostelstraat.

Plaatsing van een wijzerplaat op de noordelijke toren van de O.-L.-Vrouwekerk.

Geboorte, te Brecht, van jonker Jan van der Noot.

David Jorisz.

De doperse profeet David Jorizs., zijn vrouw en hun zes kinderen krijgen onderdak van Cornelis van Lier in zijn kasteel Hof ten Broecke in Schilde. Jorisz. oefent ook invloed uit op diverse leden van de familie Van Berchem. In Schilde schrijft hij aan zijn Wonderboeck dat op kosten van Cornelis van Lier gedrukt wordt in Deventer door Dirk van de Borne.

16 december

Edict waarin keizer Karel bepaalt dat marranen die in het geheim de joodse godsdienst belijden en de sabbat vieren, gestraft zullen worden.

1541

Afbraak van de oude Meirpoort. Overwelving van de Meir van aan de Meirbrug tot aan de Clarenstraat.

Men vreest een nieuwe inval van de Geldersen in Brabant. De huurlingenleider Maarten van Rossum wordt tijdens de jaarmarkt in Antwerpen gesignaleerd.

De Violieren en de Goudbloem nemen deel aan een wedstrijd in Diest. De Violieren behalen de eerste prijs.

Een grote brand verwoest de huizen tussen de Grote Markt en de rui. De stad koopt daarop de huizen aan de overkant, tussen de rui en de Handschoenmarkt. Men wil de rui overwelven en op het bouwterrein dat zo ontstaat een nieuw stadhuis bouwen. Dominicus de Waghemakere krijgt de opdracht om het te ontwerpen. Hij tekent plannen voor een gotisch gebouw. Weldra koopt de stad 37 schuiten Boomse baksteen.

1542

Keizer Karel V vecht in Noord-Afrika. Zijn aartsvijand, de Franse koning Frans I, overhaalt hertog Willem van Gulik om de landen van de keizer aan te vallen. Willem stuurt Maarten van Rossum naar de Zuidelijke Nederlanden.

Frans I, koning van Frankrijk.

Juni

Van Rossum trekt met een leger van zo’n 15.000 soldaten over de Maas. Antwerpen heeft geen garnizoen. Burgemeesters Lancelot van Ursel en Nicholaas de Schermere brengen de stad in staat van paraatheid. Poorters en ambachtslieden vatten post op stadsmuren. Zij krijgen versterking van vele vreemde kooplieden, die bovendien huurlingen in dienst nemen.

Keizer Karel V.

24 juli

’s Avonds verschijnen de benden van Maarten van Rossum voor de stad. Hun bevelhebber neemt zijn intrek in het kasteel Vordenstein bij Merksem. Zijn voorhoede slaat haar tenten op aan de Pothoek, bij het Sint-Willibrordsveld. Omdat de Geldersen geen geschut hebben maken ze geen aanstalten tot een echte belegering.

26 juli

Van Rossum eist de stad op. De Antwerpenaars weigeren. ’s Avonds vallen de Geldersen de Rodepoort aan. Enkele kanonschoten volstaan om hen op de vlucht te drijven.

27 juli

Van Rossum blaast de aftocht nadat hij van Berchem tot Merksem alle huizen, buitengoederen en windmolens in brand heeft laten steken. Alleen Vordenstein laat hij ongemoeid, volgens de overlevering omdat hij er zo’n goeie rijnwijn had aangetroffen.

Romantische voorstelling van Maarten van Rossum.

Het stadsbestuur wil dringend “moderne” stadsmuren te bouwen en besluit meteen 25 ha ten noorden van de stad in de nieuwe omwalling te incorporeren. Dit wordt de zg. Nieuwstad. De werken aan het nieuwe stadhuis worden stilgelegd.

De Italiaanse militaire ingenieur Donato Buoni de Pellezuoli ontwerpt de nieuwe stadsmuren. Stadsbouwmeester Pieter Frans heeft de dagelijkse leiding van de werken.

De vestingmuur krijgt tien bastions met holle, naar buiten gerichte flanken. Die laatste bieden ruimte aan geschut dat de stadsgracht en de face van het tegenoverliggende bastion berstrijkt.

Antwerpen en zijn “Spaanse” omwalling. Plattegrond van Virgilius Bononiensis, 1565 (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus).

De wallen zijn 10 meter hoog en hebben een borstwering van 1,30 meter. Muren en bastions zijn van baksteen. De buitenkant is bekleed met natuursteen uit Glabbeek en Nijvel.

Er komen vijf gigantische poorten: van zuid naar noord zijn het de Kronenburgpoort, de Sint-Jorispoort, de Kipdorppoort, de Rodepoort en de Slijkpoort.

1543

Begin van de bouwwerken aan de nieuwe Sint-Jorispoort, Kipdorppoort en aan de Rodepoort.

Opening van de Jodenstraat, de Bogaerdenstraat en de Schoytestraat.

Tielman Susato opent een muziekdrukkerij aan de Twaalfmaandenstraat. Hij publiceert de komende jaren 25 boeken chansons, drie met missen en 19 met motetten. Daarnaast komen van zijn pers 11 delen van het Musyck Boexken.

De koopman en rederijker Cornelis Crul schrijft  Gheestelijken ABC. Dit werk is een lofzang op de armoede. Crul klaagt geldmisbruik en kerkelijke wantoestanden aan.

 

Kasteel Selsaeten in Wommelgem, een van de buitengoederen die door de troepen van Maarten van Rossum werden verwoest.

1544

 

Vrede van Crespy met Frankrijk.

Karel V verblijft geruime tijd in de Nederlanden. Hij organiseert de strijd tegen de protestanten in Duitsland.

Opening van de Beukelaarstraat (later Rijke Beukelaarstraat en Franckenstraat).

Het Hof van Liere komt in handen van de stad, die het ter beschikking stelt van de Engelse kooplui. Het doet dienst als zetel van de zg. Engelse Natie de overkoepelende vereniging van alle Engelsen in de Nederlanden en als verblijfplaats voor Engelse diplomaten.

David Jorisz.’ “Wonderboeck”.

Verspreiding van het Wonderboeck van de doperse profeet David Jorisz. David Jorisz. en Joachim van Berchem overwegen uit te wijken naar het Zwitserse Bazel, een lutherse stad, en reizen ernaartoe om poolshoogte te nemen. In hun gezelschap is Juraen Ketel.

 

Huibrecht Waelrant, zanger en componist, zingt “alle avonden” in het lof in de O.-L.-Vrouwekerk.

 

1 juni

Arrestatie in Deventer van Juriaan Ketel. Hij bekent dat hij een aanhanger is van David Jorisz. en verklikt Antwerpse ketters, onder wie de familie Van Berchem, maar ook Pruystinck en Hérault.

25 juni

Een keizerlijk plakkaat gebiedt Antwerpen een register aan te leggen van alle marranen die er verblijven. Om te beletten dat de “nieuwe christenen” uitwijken naar Turkije, wordt het de Antwerpenaars verboden hen te helpen met vervoer of hun uitgeleide te doen.

14 juli

Arrestatie van Pruystinck en Hérault. Weldra pakt men nog loïsten op, onder wie Dominicus van Oucle, die de opvattingen van de secte heeft te boek gesteld. Kort daarop vertrekken David Jorisz. en de Van Berchems naar Bazel, waar ze op 25 augustus het burgerschap verwerven.

25 oktober

Pruystinck sterft op de brandstapel op het Galgenveld.

 

Het “Antwerps Liedboek”.

Bij drukker Jan Roulans “onder Onser liever Vrouwentoren” verschijnt de tweede druk van Een schoon liedekens boeck in den welcken ghy vinden sult veelderhande liedekens (…) om droefheyt ende melancolie te verdrijven, beter bekend als het Antwerps Liedboek.

 

1545

 

Drie loïsten terechtgesteld; anderen vluchten. De schilder Jan Metsys, zoon van Quinten, verlaat Antwerpen. Mogelijk is ook hij een aanhanger van Pruystinck.

Proces tegen de rederijker en schoolmeester Peter Schuddemate. Hij heeft als lid van de Violieren en van de Olijftak een ketters toneelstuk geschreven. Hij is ook de auteur van het pamflet Het Babel van Vilvorden.

Proces tegen de drukker Jacob van Liesvelt voor de publicatie van een lutherse bijbelvertaling. Hij wordt nog dat jaar geëxecuteerd.

Frontispies van de “Liesveltbijbel” (detail).

Begin van de calvinistische invloed in Vlaanderen.

 

Keizer Karel rijdt Antwerpen binnen langs de pas voltooide Sint-Jorispoort. Daaraan dankt zij haar tweede naam van Keizerspoort. De poort bevindt zich waar nu het standbeeld van Leopold I op het Leopoldplein staat. In 2002 legt men de grondvesten ervan bloot.

 

1546

 

Plaatsing van een tweede, vaste kraan aan de Werf.

Opening van Pruynenstraat, Meistraat, Predikerinnenstraat en Haverstraat. Gilbert van Schoonbeke opent de Korte Clarenstraat en de Lombaardstraat.

De rijke marraan Loys Perez, afkomstig uit Spanje, wordt in de adelstand verheven voor zijn financiële hulp aan de keizer.

Vestiging van een nieuw Begijnhof aan de Rodestraat.

Westzijde van het begijnhof aan de Rodestraat.

Geboorte van de latere “tafereelmaker” en kroniekschrijver Godevaert van Haecht.

 

1547

 

Terechtstelling van Peter Schuddemate.

Gilbert van Schoonbeke ontwikkelt de buurt van de Stadswaag. Hij opent de Korte en de Lange Brilstraat, Hoornstraat en Raapstraat. Van Schoonbeke gaat ook van start met de aanleg van de Vrijdagmarkt en de omliggende straten. Hij legt de Sint-Jorispoortstraat aan.

 

Gilbert van Schoonbeke (Antwerpen, OCMW).

Van Schoonbeke koopt van schout Willem van de Werve het goed Ter Beke ten zuidoosten van de stad. Tot 1551 zal hij nog tal van gronden in de omgeving aankopen om het zg. Leikwartier te realiseren: een buurt met lommerrijke, met bomen beplante wegen en buitenhuizen voor rijke Antwerpenaars. De grondspeculant opent weldra de Markgravelei, de Emmaüslei (Van Schoonbekestraat), de Hinnekenslei (Hof ter Bekestraat en Sint-Laureisstraat), de Sint-Jorislei (Oude Kerkstraat) en de Haantjeslei.

 

De Stadswaag en haar onmiddellijke omgeving. Kaart van Virgilius Bononiensis, 1565 (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus).

De Violieren vieren feest ter ere van keizer Karels overwinning op de Duitse protestanten in Muhlberg.

 

Huibrecht Waelrant leidt jonge zangers op in zijn huis aan de Twaalfmaandenstraat.

 

In particuliere woningen en in het veld prediken gematigde doopsgezinden. Zij hangen de geweldloze leer van de Fries Menno Simons aan. Eén van de doperse leiders is Gillis van Aken.

 Menno Simons.

1548

De Zeventien Provincien vormen voortaan één ondeelbaar geheel, de zg. Bourgondische Kreits, en gaan als zodanig deel uitmaken van het H. Roomse Rijk.

Bouw van een nieuwe Sint-Andrieskerk.

Tweede, uitgebreide editie van het Schoon en zuiverlijk boeksken van Anna Bijns.

Christophe Plantin door Rubens, naar een eigentijds portret (Museum Plantin-Moretus).

Christophe Plantin, omstreeks 1520 te geboren te Saint Avertin bij Tours (Fr.), vestigt zich in Antwerpen als boekbinder en vervaardiger van kostbaar lederwerk.

Bij de graveur en prentenhandelaar Hiëronymus Cock verschijnt een reeks van 20 bladen met modellen voor fantasierijk luxevaatwerk. Ze zijn van de hand van Cornelis II Floris.

 

1549

 

Pragmatieke Sanctie. De Zeventien Provincien zullen samen, als één geheel, overgaan op de opvolgers van keizer Karel.

De dominicanen slopen hun oude kerk bij de Veemarkt en bouwen op dezelfde plaats een nieuwe (de huidige St.-Pauluskerk). De paters breken meteen het oude tapissierspand af, dat eigendom is van hun klooster.

Opening van de Kattenstraat.

Pieter Coecke van Aalst decoreert het huis De Groote Zot aan de Sint-Jacobsmarkt. Het is eigendom van Peter de Moelere.

 Hendrik Niclaes, stichter van het Huis der Liefde.

Christoffel Plantin komt in contact met Hendrik Niclaes en diens secte Het Huis der Liefde.

 

17 juni

 Voortaan mogen marranen zich niet meer in de Nederlanden vestigen. Zij die er al langer verblijven dan zes maand mogen blijven, maar de anderen moeten vertrekken. Antwerpen verzet zich tegen dit edict omdat de marranen een voorname rol spelen in het economisch leven.

 

11 –17 september

 Keizer Karel en zijn zoon, prins Filips, de latere Filips II, bezoeken Antwerpen. De feestelijkheden zijn bedacht door stadssecretaris Cornelis Grapheus; Pieter Coecke van Aalst neemt de versieringen voor zijn rekening.

Aan het Galgenveld (Prins Albertpark) wachten zo’n 4.000 gewapende poorters de keizer en de prins op.  Bij het klooster Ter Zieken (Mechelsesteenweg) krijgt de prins de sleutels van de stad. Bij de Keizerspoort moeten 1.000 kanonnen vuren, maar de regen verhindert dat.

Van aan de Sint-Jorispoort tot aan de Sint-Michielsabdij is een galerij van meer dan 2.000 vierkante zuilen getimmerd. Ze leidt langs het Sint-Elisabethgasthuis, de Huidevettersstraat, St-Katelijnevest en Minderbroedersrui, Koepoortbrug, Koepoortstraat en Kaasrui naar de Grote Markt en van hier via Hoogstraat en Oever naar de Kloosterstraat.

 De Onze-Lieve-Vrouwekerk en omgeving, 1565. Kaart van Virgilius Bononiensis, Antwerpen, Museum Plantin-Moretus). 

Op verscheidene plaatsen staan stellages en triomfbogen met beelden, bekostigd door de stad of door de naties van vreemde kooplui. De laatste hebben voor hun bijdrage 28.000 gulden neergeteld.

Op de Grote Markt prijkt onder een marmeren boog de reus Antigoon. Voor het Schepenhuis staat een houten paleis waar de vorsten het avondmaal gebruiken.

De volgende dag, donderdag 12 september, horen Karel en Filips de mis in de O.-L-Vrouwekerk. Op vrijdag 13 september houdt men op de Oever een steekspel. ’s Zaterdags vindt op de Grote Markt een tornooi plaats waaraan de strijders te voet deelnemen.

Op zondag 15 september is er een groot steekspel tussen twee ruiterbendes, waaraan ook Filips meedoet. Die avond wordt hjet gevolgd door een feestmaal, een danspartij en een vuurwerk.

 

1550

 

Eeuwig Edict van keizer Karel. Zeer streng plakkaat dat voorziet in de medewerking van inquisiteurs aan het proces tegen ketters. Vreemdelingen moeten altijd een getuigschift van de pastoor van hun woonplaats kunnen voorleggen.

Het Antwerpse stadsbestuur voelt niets voor inmenging van de inquisitie. Het wil buitenlandse kooplui uit de wind zetten wat het getuigschrift betreft.

De stad onderhandelt met Maria van Hongarije en krijgt, wat het laatste betreft, haar zin: “Onze kooplieden en ingezetenen zouden blijven bij hun oude vrijheden en voordelen”.

Opening van Bervoetstraat, Engelse Beurs, Happaertstraat, Hoofdkerkstraat, Moriaenstraat, Paradijsstraat, Parochiaanstraat, Rozenstraat en Rozengang en Sleutelstraat.

Christophe Plantin wordt poorter van Antwerpen.

Dood van Pieter Coecke van Aalst.

 

1551-1559

 

Oorlog met Frankrijk, waar nu Hendrik II regeert.

 

1551

 

Illustratie uit Consciences roman “Simon Turchi”.

De Italiaanse koopman Simon Turchi vermoordt zijn landgenoot Geronimo Deodati in een huis aan de Kleine Markt. Turchi is gebeten op Deodati omdat die zijn kwaliteiten als zakenman in twijfel trekt.

Het opgesmukte verhaal van de moord komt in de vierde en laatste bundel Novelle (1573) van de Italiaanse geestelijke Matteo Bandello. De geschiedschrijver Van Meteren heeft het er ook over in zijn Historie der Nederlanden (1623).

Executie van Jan van Oostende, tapijtwever uit Oudenaarde. Volgens sommigen is hij de eerste calvinistische predikant in Antwerpen. Na zijn dood treedt Gaspar van der Heyden uit Mechelen naar voren als gereformeerd voorman.

Negen wederdopers terechtgesteld.

Opening van Sudermanstraat en Haarstraat.

Pieter Breugel de Oude vermeld in de Liggeren van het Sint-Lucasgilde.

De Violieren spelen het stuk Van den wellustigen mensch, geschreven door hun factor Jan van den Berghe.

 

1552

 

Cornelis Floris maakt het tabernakel voor de Sint-Leonarduskerk in Zoutleeuw.

Opening van de Schermersstraat.

Nieuwe oorlog met Frankrijk. Om die te financieren leent Maria van Hongarije bij Antwerpse kooplieden 600.000 ducaten. Antwerpse instellingen en particulieren stellen nog eens, renteloos ditkeer, 250.000 ducaten ter beschikking. Toch volgen weldra nieuwe belastingen.

 Het tabernakel van Zoutleeuw.

20 september

De stedelijke schuttersgilden worden gereorganiseerd en krijgen tot de helft meer manschappen.

 

1553

Gilbert van Schoonbeke voltooit het Tapissierspand als verkoophal voor wandtapijten. In de onmiddellijke nabijheid heeft hij de Arenbergstraat, Arme Duivelstraat, Graanmarkt, Henri Van Heurckstraat, Kelderstraat, Gasthuisbeemden (Leopoldstraat), Orgelstraat en Sint-Martensstraat geopend.

Van Schoonbeke begint aan de bouw van brouwerijen en een Waterhuis in de Nieuwstad.

Opening van Grote en Kleine Koraalberg door Gilbert van Schoonbeke.

Vijf wederdopers terechtgesteld.

Cornelis van Ghistele vertaalt de eerste vier boeken van Virgilius Aeneis.

Frans Floris schildert een Val der Engelen voor het altaar van het Schermersgilde in de O.-L.-Vrouwekerk.

Componist Roland de Lattre, beter bekend als Orlandus Lassus, gewezen kapelmeester van de Sint-Jan-in-Lateranen te Rome, werkt in Antwerpen. Hij vertrekt in 1557 naar München.

Orlandus Lassus.

De Antwerpenaars vergapen zich aan een olifant. Het gaat om een geschenk van de koning van Portugal aan keizer Karel.

Voorjaar en zomer

Om de oorlog tegen Frankrijk te bekostigen komen er nieuwe belastingen op wijn, bier, vlees en graan. Men vreest dat de Fransen zullen oprukken naar Brussel. Daarom roept de landvoogdes alle weerbare mannen op.

11 juli

In Antwerpen breekt oproer uit. Woedende burgers bekogelen het Schepenhuis met stenen. De schuttersgilden slagen er met moeite in de woedende menigte terug te dringen. De oorzaak van de relletjes zijn niet alleen de nieuwe belastingen en de mobilisatie, maar ook de brouwerijen van Gilbert van Schoonbeke in de Nieuwstad, die in werking zijn getreden. De brouwers die elders actief zijn, verspreiden het gerucht dat het bier van Van Schoonbeke niet deugt. De menigte wil hem en zijn beschermer, stadspensionaris Jacob Maes, vermoorden.

1555

De Franse dreiging is afgenomen. In februari krijgt Antwerpen een garnizoen van tien eenheden Duitse lansknechten en een Albanese ruiterbende o.l.v. Lazarus Wendel. De landvoogdes en zelfs de keizer bezoeken de stad. De leiders van de opstandige beweging worden opgepakt; vier worden terechtgesteld.

Augsburgse Confessie. Voortaan is het de vorst die bepaalt welke godsdienst in zijn land beleden wordt. In de Nederlanden is dat het katholicisme.

Karel V doet te Brussel troonsafstand. Filips II volgt hem op als koning van Spanje en souverein van de Nederlanden. Stadspensionaris Jacob Maes antwoordt namens de Staten-Generaal op de afscheidsrede van de keizer. Filips blijft in de Nederlanden om de oorlog tegen Frankrijk te leiden. Maria van Hongarije volgt Karel naar Spanje. Emmanuel Filibert van Savoye wordt de nieuwe landvoogd.

Filips II.

Vijf wederdopers terechtgesteld.

Christophe Plantin opent een drukkerij. Het bedrijfskapitaal krijgt hij van Hendrik Niclaes, op voorwaarde dat hij diens werk drukt. Maar het eerste boek dat bij Plantin van de pers komt, is La Institutione di una fianculla nata nobilmente. L’Institution d’une fille de noble maison. Het gaat om een handleiding voor de opvoeding van meisjes van goeden huize.

Cornelis van Ghistele vertaalt de komedies van Terentius. Hij is factor van de Goudbloem.

17 december

Gaspar van der Heyden meldt aan de kerkenraad te Emden dat in Antwerpen een kleine Nederlandstalige calvinistische gemeenschap bloeit.

Jean Calvin.

1556

Generaal kapittel van de orde van het Gulden Vlies in de O.-L.-Vrouwekerk. Filips II woont de bijeenkomst bij.

David Jorisz. sterft in zijn kasteel te Binningen bij Bazel. Er ontstaat onenigheid onder zijn volgelingen. Een en ander leidt tot een gerechtelijk onderzoek. In 1559 zweren de laatste getrouwen van David Jorisz. hun opvattingen af en gaan vrijuit. Verscheidene Van Berchems blijven in Bazel wonen.

Cornelis van Ghistele vertaalt de Antigonè van Sofokles.

December

Gilbert van Schoonbeke sterft op zijn 37ste in zijn huis De Keyser aan de Minderbroedersrui.

1557

 

De oorlog met Frankrijk laait op. Filips II en zijn voornaamste raadgevers zijn aan het front.

Verkapt Spaans “staatsbankroet”. Filips II bepaalt dat hij nog maar 5% rente meer op zijn schulden zal betalen.

Evrard Erail komt op verzoek van de Waalse kerk van Genève naar Antwerpen en wordt haar eerste vaste predikant.

De Nederlandstalige gereformeerde gemeente telt 16 of 18 secties, waarvan telkens 8 à 12 personen deel uitmaken.

10 juli

Onthoofding van de anabaptistenleider Gillis van Aken op de Grote Markt.

 

De Antwerpse Vierschaar. De rechtbank zetelde in open lucht.

1558

Karel V sterft in het klooster van San Yuste in Spanje.

De gereformeerde Van Haemstede predikt in het openbaar en lokt tot 2.000 toeschouwers, al zijn de meesten volgens de plaatselijke overheid “geen calvinisten”.

De graveur en dichter Willem van Haecht (°1527-vóór 1612) factor van De Violieren.

1559

Vrede van Cateau-Cambrésis met Frankrijk.

Paus Paulus III bepaalt de oprichting van 14 nieuwe bisdommen, waaronder Antwerpen. In de stad vreest men strengere vervolgingen van de protestanten en een grotere Spaanse inmenging in het bestuur van de Nederlanden.

Margaretha van Parma, een natuurlijke dochter van Karel V, aangesteld tot landvoogdes van de Nederlanden.

De Staten-Generaal vragen Filips II om de hoge edelen een grotere inbreng te geven in het bestuur. De koning zegt toe. Hij vertrekt definitief naar Spanje. Willem van Oranje wordt stadhouder (gouverneur) van Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht.

Antwerpen koopt de heerlijkheden Deurne, Wilrijk, Oorderen, Wimarsdonk en Oosterweel.

Jan van de Werve laat Den Schat der Duytscher tale verschijnen. Daarin pleit hij voor een zuiver Nederlands, zonder de bastaardwoorden waar de rederijkers zo’n voorkeur voor aan de dag leggen.

Wapen van de familie Van de Werve.

Plantin drukt La magnifique et somptueuse Pompe funèbre faite aux obsèques de Charles Cinque, célébrées dans la ville de Bruxelles. Dit prachtige plaatwerk beschrijft de rouwstoet die te Brussel is uitgegaan na de dood van Karel V.

1560

Het stadsbestuur beslist tot de bouw van een nieuw Stadhuis. Cornelis Floris de Vriendt ontwerpt het gebouw, misschien geholpen door de Italiaan Scarini. Floris leidt de werken.

 

Opening van de Korte en de lange Pandstraat.

 

1561

Schout Jan van Immerseel legt aan de westzijde van de Grote Markt de eerste steen van het nieuwe Stadhuis.

Inhuldiging van het kanaal van Brussel naar Willebroek. Wie tussen Brussel en Antwerpen reist, kan dat van de hoofdstad per trekschuit tot in Klein-Willebroek en vandaar per zeilboot over Rupel en Schelde tot in de Scheldestad. Ook voor het vrachtvervoer is het kanaal van groot belang.

Inquisiteur Titelmans schrijft dat de Antwerpse doopgsgezinden voor de viering van hun Avondmaal 25 à 30 bijeenkomsten moeten houden. Ze zijn dus zeker met enkele honderden.

Opening van Vleminckstraat en Kriekenstraat.

De familie Van Berchem.

Een Antwerps meester – Frans Floris of Adriazan Thomasz. Key – schildert De Familie van Berchem, een beroemd familieportret, thans in het Museum Wuyts-Van Campen en Baron Caroly te Lier.

3 augustus

Na lang aandringen hebben de Violieren van de regering toelating gekregen  om een Landjuweel te organiseren. Twaalf rederijkerskamers uit het hertogdom Brabant nemen deel.

Het toneel dat tijdens het Landjuweel bespeeld werd op de Grote Markt (3dtheater.be).

Zo’n 1.400 rederijkers te paard doen hun intrede in de stad. In de stoet rijden 23 praalwagens en 200 andere rijtuigen.

De voorstellingen vinden plaats op een fraai versierd houten toneel op de Grote Markt, voor de werf van het nieuwe Stadhuis. Het is ontworpen door Cornelis II Floris.

De inleidende spelen zijn geschreven door Willem van Haecht. Het spel van zinnen moet een antwoord geven op de vraag “wat de mens het meest tot de kunst aanzet”.

Dood van Tielman Susato.

1562

 

Hoge edelen, onder wie Oranje en de graven van Egmond en Hoorne, zijn ontevreden over hun geringe rol in het landsbestuur. Zij vrezen de macht van kardinaal De Granvelle en de invoering van de nieuwe bisdommen. Daarom sluiten zijn een liga.

Willem van Oranje.

De steden van de Duitse Hanze besluiten hun grote kantoor vanuit Brugge naar Antwerpen over te brengen (het kantoor dat sinds 14 is gevestigd in het huis De Cluyse aan de Oude Koornmarkt is slechts een succursaal).

De stad stelt hun een stuk grond van zo’n 5.000 vierkante meter ter beschikking tussen twee vlieten in de Nieuwstad. Antwerpen zal één derde van de bouwkosten, d.w.z. 30.000 gulden, betalen. Het stadsbestuur stelt Cornelis de Vriendt aan om de plannen te tekenen en de werken te leiden.

Eerste calvinistische synode in Antwerpen.

De eerste jezuïeten vestigen zich in Antwerpen. Hun orde is in 1540 gesticht door de Spanjaard Ignatius van Loyola. De paters treden vooral op als biechtvader van de Spaanse, Portugese en Italiaanse kooplui.

Twee arbeiders van de drukkerij van Plantin worden gearresteerd voor het drukken van calvinistische tractaatjes. Plantin zelf heeft daar niets mee te maken, maar neemt toch de wijk naar Parijs, vanwaar hij pas het volgend jaar terugkeert.

Willem Silvius publiceert de spelen van sinne en de haagspelen die zijn vertoond tijdens het Landjuweel van 1561 in twee bundels.

1563

Wijding van een nieuwe kapel op het Kiel. Deze zal verdwijnen bij de bouw van de Citadel.

Opening van de Israëlietenstraat.

Opvoering van de zg. Apostelspelen van Willem van Haecht, waaruit diens lutherse gezindheid blijkt.

 John Dee.

Cornelis II Floris bouwt het huis van zijn broer Frans aan de Arenbergstraat. Het is een klein stadspaleis in renaissancestijl. De voorgevel is versierd met beelden en schilderingen.

Het huis van Frans Floris aan de Arenbergstraat, ontworpen door zijn broer Cornelis.

Plantin gaat een vennootschap aan met Cornelis van Bomberghen en diens neef Karel, met Jacob de Schotti en met de arts en humanist Joannes Goropius Becanus, allen sympathisanten van Het Huis der Liefde. Karel en Cornelis Van Bomberghen zijn resp. de zoon en de neef van de “Venetiaanse” drukker van joodse boeken.

De Engelse geleerde, spion en magiër dr. John Dee bezoekt Antwerpen. Hij logeert in de herberg De Gulden Engel. Dee is gekomen om het handschrift Steganographia van Johannes Trithemius te kopen. Het gaat om een verhandeling over geheimschrift. Dee bezoekt zijn vriend Ortelius, die lid is van het Huis der Liefde.

In de stad is eens te meer een olifant te zien. Het beest heet Emanuel en is op doorreis naar het keizerlijke hof in Praag.

 

1564

Het “nieuwe” stadhuis, 1564.

Vertrek van kardinaal De Granvelle. Toch willen de hoge edelen nog meer macht.

5 mei

Burgemeesters Hendrik van Berchem en Jan van Schoonhoven leggen de eerste steen van het Hansahuis. Men begint aan de bouw van het Hessenhuis.

Omdat Engelse kapers koopvaardijschepen uit de Zuidelijke Nederlanden enteren, komt er een verbod op de import van Engels laken.

De calvinisten laten geregeld van zich horen.

25 november

Filips II schrijft de landvoogdes een brief waarin hij schrijft dat zich te Antwerpen een “oneindig aantal” joden bevindt. Zij belijden openlijk hun geloof, aldus de koning, en verzamelen zich in een synagoog.


1565

Filips II is bang is voor de toenemende invloed van het calvinisme. Hij verbiedt de landvoogdes de regering te hervormen en bezweert haar de vervolging van de hervormden voor te zetten.

Het calvinisme boekt ook succes bij de lage adel, die zich bedreigd voelt door de centrale instellingen te Brussel. Contacten tussen adel en calvinisten om “iets” te doen aan de plakkaten.

Totstandkoming van een Compromis der Edelen om zich te verzetten tegen de Inquisitie.

Afkondiging van de besluiten van het concilie van Trente. Begin van de Contrareformatie in de Nederlanden.

Afbraak van het oude Schepenhuis.

Opening van de Grammeystraat.

Het “Wonderjaar” en de komst van Alva

Ferdinand Alvarez van Toledo, hertog van Alva.

1566

Sinds 1563 zijn Denemarken en Zweden in oorlog. De Nederlanden kunnen geen graan meer invoeren uit de Baltische gebieden. Dit leidt tot prijsstijgingen en sociale onrust.

Antoon Rodriguez, “negro oft moriaen” uit Kaapverdië, krijgt van het stadsbestuur een bewijs van goed gedrag. Hij woont al 24 jaar in Antwerpen en is verwer van zijn vak.

19 tot 30 januari

Het 22ste kapittel van de Orde van het Gulden Vlies vindt plaats in de O.-L.-Vrouwekerk.

5 april

Tweehonderd edelen bieden Margaretha van Parma een smeekschrift aan. Zij vragen de schorsing van de ketterplakkaten en de bijeenroeping van de Staten-Generaal. De hoveling Berlaymont noemt hun spottend “gueux” of bedelaars. Daarom noemen de opstandige edelen zichzelf  weldra “geuzen”.

Hagenpreken in alle steden. Calvinistische kooplui willen geld bijeenbrengen om een leger op te richten.

19 juni

Hagenpreek in het Frans in het Berchembos voor een publiek van 4 à 5.000 toehoorders. Er worden psalmen gezongen. Gewapende calvinisten trekken de wacht op.

Voor zijn “Prediking van Johannes de Doper” inspireerde Pieter Bruegel de Oude zich op een hagenpreek.

29 juni

Hagenpreek voor circa 4.000 toehoorders op het Laar in Borgerhout.

Juni-juli

Hagenpreken voor “nog meer” toehoorders. Het stadsbestuur verbiedt de inwoners Antwerpen te verlaten om ze bij te wonen, maar zonder succes.

13 juli – 18 augustus

Willem van Oranje komt naar Antwerpen om er de orde te handhaven. Hij probeert vergeefs de hagenpreken te verhinderen, maar laat tenslotte betijen.

19 juli

Oranje roept de Brede Raad bijeen. De Raad vraagt de bijeenroeping van de Staten-Generaal.

30 juli

Afgevaardigden van het Eedverbond der Edelen vragen de landvoogdes om godsdienstvrijheid. Oranje, Egmond en Hoorne moeten de leiding van het land krijgen.

10 augustus

In Steenvoorde, in huidig Frans – Vlaanderen, bestormen calvinisten de kerken en slaan de inboedel kapot. Dit is het begin van de Beeldenstorm.

15 augustus

Met instemming van Oranje vinden buiten de stad predicaties plaats, beschermd door talrijke gewapende mannen. De calvinisten beweren immers dat ze een overval van de drossaard van Brabant vanuit Brussel vrezen.

Romantische voorstelling van de Beeldenstorm.

17 augustus

In Antwerpen verneemt men de baldadigheden van de Beeldenstormers in Vlaanderen.

20 augustus

Begin van de Beeldenstorm in Antwerpen. De schout probeert vergeefs 200 mannen uit de O.-L.-Vrouwekerk te zetten.


Herman Modet houdt daarop een preek tegen de “afgoderij” en geeft het startsein. Twintig à 30 die hards slaan aan het vernielen en plunderen. ’s Namiddags en ’s avonds ondergaan andere kerken hetzelfde lot.

De beeldstormers zijn weinig talrijk, maar niemand houdt hen tegen. De schepenen verschansen zich in het Stadhuis terwijl de gewapende gilden de toegangen tot de Grote Markt afsluiten.

21 augustus

Beeldstormers keren terug naar de O.-L.-Vrouwekerk. Een andere groep zakt af naar de Sint-Bernardsabdij in Hemiksem.


Geuzenpenning in verguld zilver, vervaardigd door Jacob Jonghelinck, 1566.

22 augustus

Herman Modet predikt in de O.-L.-Vrouwekerk.

23 augustus

Modet predikt opnieuw in de O.-L.-Vrouwekerk. Het Stadsbestuur heeft moed gevat en vaardigt strenge straffen uit tegen de beeldstormers. ’s Namiddags arresteert de amman zes calvinisten en sluit de O.-L.-Vrouwekerk.

24 augustus

Maria van Hongarije schort de plakkaten tegen de ketters voorlopig op.

Calvinistische preken in de Sint-Walburgiskerk, en in de Nieuwstad, voor het Oosters Huis.

Maquette van de Sint-Walburgiskerk (Antwerpen Miniatuurstad).

26 augustus

Oranje keert terug naar Antwerpen en sluit een compromis met de calvinisten. Zij krijgen drie kerken, maar moeten zich onderwerpen aan het gezag. De prins zal dit compromis later verdedigen bij de landvoogdes. Hij blijft tot 12 oktober in de stad.

Oktober

Rijke calvinistische kooplui brengen geld bijeen. Ze zeggen dat ze van Filips II de vrije beoefening van hun godsdienst willen afkopen, maar in feite nemen ze huurlingen in dienst.

 

1567

 

Opening van de Kronenburgstraat.

Januari

Margaretha eist van alle grote edelen, ambtenaren en soldaten een nieuwe eed van trouw aan Filips II. Oranje, Hoorne e.a. weigeren die eed af te leggen. De calvinisten eisen godsdienstvrijheid; anders komen ze in opstand.

Bij de drukker Gillis Coppens van Diest verschijnt een Traicté de quelques poincts de la sincère religion Chrestienne, een tractaat waarin Dirk Philips de belangrijkse doperse denkbeelden uiteenzet.

Februari

Calvinistische edelen werven in Antwerpen soldaten aan. De magistraat verplicht deze troepen de stad te verlaten. Zij slaan hun kamp op in Dambrugge. Van daar trekken ze naar Oosterweel. Van overal komt versterking. Oranje gebiedt de huurlingen naar Vlaanderen te vertrekken, maar na enkele dagen keren ze terug.

Maart

Het stadsbestuur wijst de landvoogdes op het gevaar. Het calvinistische legertje onderneemt strooptochten naar Ekeren, Merksem, Deurne en het Kiel.

13 maart

De slag bij Oosterweel.

Slag bij Oosterweel. Vier regimenten van het regeringsleger vallen de opstandelingen aan en behalen de overwinning. Toch proberen de Antwerpse calvinisten alsnog de stad te overmeesteren. Ze halen geschut uit de Eekhof en bezetten de Meir. Oranje neemt een verzoenende houding aan. Hij belooft dat regeringstroepen de stad niet binnen mogen en laat de calvinisten de wacht optrekken.

15 maart

Burgemeester Jacob Van der Heyden roept alle burgers, die trouw zijn aan de koning, onder de wapens. Men verzamelt zich bij de Munt aan de Oever.

De schuttersgilden bezetten de Grote Markt. De naties van vreemde kooplui stellen zich op in de omgeving van het Kipdorp.

De calvinisten beseffen dat ze omsingeld zijn en druipen af, met achterlating van hun kanonnen. De rust keert weer.

Oranje vertrekt over Breda naar Duitsland.

 25 maart

Het stadsbestuur vraagt Margaretha verdere “discrete” calvinistische prediking in Antwerpen toe te laten.

April

Margaretha weigert. Calvinistische predikanten moeten Antwerpen verlaten, zegt zij. De magistraat gehoorzaamt en wijst hen uit.

28 april

Bezoek van Margaretha aan Antwerpen. Ze blijft tot 18 juli. Meer dan 3.000 soldaten zijn in de stad gelegerd. Zij staan onder het bevel van Mansfelt. Margaretha stelt aan Filips II voor om de stad van een citadel te voorzien.

Pinksteren

De aartsbisschop van Kamerijk herwijdt de O.-L.-Vrouwekerk.

22 augustus

Intocht van Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva, kapitein-generaal van het leger in de Nederlanden. Op het eind van het jaar neemt Margaretha van Parma ontslag. Alva volgt haar op als landvoogd.

 September

Arrestatie van de graven van Egmond en Hoorne en van de Antwerpse burgemeester Antonie van Straelen.

Vervolging van vier anabaptisten die zijn gearresteerd aan het Scheldeken.

De “Descrittione di tutt i Paesi Bassi” van Lodovico Guiccardini.

5 november

Alva beveelt de afbraak van de wallen aan de zuidkant van Antwerpen om de bouw van een citadel mogelijk te maken.

12 november

Sloop van de Kronenburgtoren.

Publicatie van de Descrittione de tutti i Paesi Bassi van Lodovico Guiccarcini.

Hendrik Pippinck, provinciaal van de minderbroeders, publiceert een nieuwe bundel met 69 refereinen van Anna Bijns.

Jonker Jan van der Noot, gezocht als calvinist, vlucht naar Londen.

De Opstand (1568-1585)

Vanaf 1568

De Opstand van de Nederlanden tegen Spanje ondermijnt langzaam maar zeker de economische bloei van Antwerpen. Dit verval is niet alleen te wijten aan krijgsverrichtingen en blokkades, maar ook aan hogere belastingen.

1568

Willem van Oranje valt de Zuidelijke Nederlanden binnen in de hoop dat er een volksopstand tegen Spanje ontstaat. Zijn acties draaien uit op een mislukking. Van Straelen terechtgesteld in Vilvoorde. Te Brussel sterven Egmond en Hoorne op het schavot.

 Het Oosters Huis of Hanzahuis 

Het Hansahuis voltooid. De twee verdiepingen tellen 300 kamers waar kooplieden kunnen verblijven. Het gelijkvloers fungeert als opslagplaats.

Aan de oostkant staat een vierkante toren met op de spits de adelaar van het Heilig Roomse Rijk.

Naar verluidt, laten de kooplui die in het Oosters Huis verbleven, zich bij hun dagelijkse tocht naar de Predikherenkerk en naar de Beurs voorafgaan door muzikanten. Die bespelen schalmeien, pommers, een bashobo, een kromhoorn en een schuiftrompet. Men vermeldt ook violen.

 

Jan van der Noot publiceert Het Theatre met gedichten, gevolgd door een prozabeschouwing waarin hij de katholieke kerk aanvalt

 

Jonker Jan van der Noot (DBNL).

Plantin begint met het drukken van de vijftalige Biblia Regia of Biblia Polyglotta, een wetenschappelijke editie van de Bijbel in het Latijn, Grieks, Hebreeuws, Syriak en Aramees. Het laatste van de acht delen zal van de pers komen in 1572. Van elk deel worden 1.200 exemplaren gedrukt. De maraan Loys Perez neemt er 400 af.

 

Antwerpen telt 100.259 inwoners. In de stad staan 11.856 huizen.

1569

De hertog van Alva voert nieuwe belastingen in, waaronder de 10de penning, een heffing van 10% bij iedere verkoop van roerend goed. In de praktijk worden de meeste van deze taksen nooit geheven. Vooral de 10de penning stuit op zeer veel verzet, omdat hij nefast is voor de handel.

Franciscus Sonnius aangesteld tot eerste bisschop van Antwerpen.

Joannes Goropius Becanus.

De arts Joannes Goropius Becanus publiceert bij Plantin de Origines Antverpiensis. Becanus situeert het Aards Paradijs op de linker Scheldeoever en beweert dat Adam en Eva Nederlands spraken. Ondanks die rocamboleske theorie is Becanus één van de eersten die pogingen te onderneemt om aan vergelijkende taalkunde te doen.

Plantin wordt “aartsdrukker” van koning Filips II.

Voorlopig laatste calvinistische preek in Wijnegem.

1 mei

Franciscus Sonnius geinstalleerd als eerste bisschop van Antwerpen. Hij neemt zijn intrek in het refugiehuis van de Sint-Bernardsabdij aan de Schoenmarkt. Dit gebouw zal bisschoppelijk paleis blijven tot in ….

In 1571 laat Alva een standbeeld van zichzelf plaatsen in de Antwerpse citadel.

1570

16 juli

Afkondiging van een Generaal Pardon op de Grote Markt in aanwezigheid van Alva. Al wie aan de troebelen van 1566 heeft deelgenomen, krijgt amnestie, behalve beeldenstormers, calvinistische predikanten en leden van het compromis der edelen.

26 augustus

Anna van Oostenrijk, verloofde van Filips II, bezoekt Antwerpen in het gezelschap van Alva en tal van hoge edelen.

Publicatie van Abraham Ortelius’ Theatrum Orbis Terrarum, de eerste wereldatlas.

Abraham Ortelius door Filips Galle.

Jonker Jan van der Noot publiceert Het Bosken met de eerste renaissancegedichten in het Nederlands, geschreven onder invloed van Petrarca en de Franse Pléiade-dichters.

1571

Op initiatief van Alva komt te Antwerpen een commissie bijeen om een Index Expurgatorius of lijst van verboden boeken samen te stellen. Deze index is strenger dan die werd uitgevaardigd door het Concilie van Trente.

Alva vraagt om zijn ontslag als landvoogd.

1572

De Watergeuzen veroveren Den Briel. Weldra vallen ook Vlissingen en Veere. Zeeland komt in opstand tegen Spanje.

In juli begint Willem van Oranje vanuit Duitsland aan zijn opmars richting Brussel. De opstandige steden in Holland erkennen hem als stadhouder.

Na de Sint-Bartholomeusnacht (24 augustus), waarop in Parijs alle protestanten worden uitgemoord, rekent Oranje niet meer op hulp uit Frankrijk en trekt zich terug.

Cornelis Kiliaen stond model voor deze “Proeflezer” (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus).

In het Noorden verloopt de strijd tussen opstandelingen en Spanjaarden met wisselend succes.

In december vertrekt Alva naar Spanje. Hij wordt opgevolgd door Don Luis de Requesens.

Kiliaen publiceert zijn Etymologicon. In Keulen verschijnt de bundel Verscheidene Poetixe Werken van Jan van der Noot. Van der Noot zal tot 1578 in het Rijnland blijven.

 

1573-1576

Te Keulen verschijnt Das Buch Extasis van jonker Jan van der Noot. Dit werk is de vroegste poging tot een allegorisch renaissance-epos in het Duits (en in het Nederlands).

 

1573

 

Willem van Haecht keert terug naar Antwerpen.

 

29 november

Alva’s opvolger, don Luis de Requesens, legt te Brussel de eed af als nieuwe landvoogd.

18 december

Alva keert terug naar Spanje.

23 december

Plechtige intocht van Requesens in Antwerpen.

 

Don Luis de Requesens. 19de eeuwde litografie.

1574

Filips II decreteert dat het jaar voortaan op 1 januari begint, en niet meer op Pasen.

3 maart

Ontdekking van een complot, opgezet door Oranje. Doormiddel van omkoping van Spaanse soldaten in de citadel en het binnensmokkelen van eigen soldaten moest Antwerpen in zijn handen vallen.

April

De Spaanse soldaten die Lodewijk van Nassau verslagen hebben op de Mokerheide, slaan aan het muiten omdat ze niet betaald zijn. De troepen verjagen hun officieren en zakken af naar Antwerpen.

Ze krijgen hulp van het garnizoen van de citadel en slagen erin het Kasteelplein in te nemen. Daarop bezetten ze de Meir.

Om plundering van de stad te voorkomen, vraagt Requesens het stadsbestuur mee in te staan voor een lening van 400.000 gulden. Rijke burgers en naties van vreemde kooplui brengen geld bijeen. De stad zelf levert haar zilverwerk in.

27 – 29 mei

De Spaanse soldaten in Antwerpen ontvangen hun achterstallige soldij.

5 juni

Zij vertrekken op veldtocht naar Holland.

28 juni

Negen jezuïeten nemen officieel hun intrek in het Huis van Aken, een woning in een straatje nabij het huidige Conscienceplein. Dankzij steun van de Spaanse kooplieden in Antwerpen hebben ze het pand gekocht van Gaspar Schetz.

13 december

Een Zeeuwse vloot vaart de Schelde op.

Marten Neyen en andere samenzweerders, onder wie ook katholieken, willen Antwerpen uitleveren aan de Zeeuwen. De deken van de schippers, Michiel van de Wiele, die de stroom bewaakt, is op hun hand.

Requesens doet op tijd de poorten sluiten en laat de verraders oppakken.

 

Ignatius van Loyola, stichter van de jezuïetenorde.

1575

Filips II staakt de betaling van alle interesten op de leningen die hij heeft uitstaan, o.m. bij Antwerpse kooplieden. Dit staatsbankroet leidt tot een financiële crisis.

Vergeefse onderhandelingen tussen Requesens en Oranje in Breda. In Zeeland laait de oorlog weer op.

Opening van het college van de jezuïeten in het Huis van Aken. Weldra telt het 300 leerlingen.

Dood van de dichteres Anna Bijns en van de architect en beeldhouwer Cornelis II Floris.

1576

4  maart

Landvoogd Requesens overlijdt te Brussel. Hij laat een verwarde financiële toestand na. De Spaanse garnizoenen zijn al lang niet meer betaald. De ontevreden soldaten beginnen zich opnieuw te roeren.

September

De Staten-Generaal komen in Brussel bijeen. Zij lichten troepen om het land te beschermen tegen de muitende Spanjaarden. Dit gebeurt in weerwil van een verbod vanwege Filips II.

Oktober

Pacificatie van Gent. De Staten-Generaal en de opstandige provincies Holland en Zeeland eisen het vertrek van de Spaanse troepen en schorsen de plakkaten tegen de ketters. Oranje wordt gouverneur van Holland en Zeeland. Buiten die twee provincies mag nergens geraakt worden aan de uitoefening van het katholicisme. Een nieuwe landvoogd zal slechts erkend worden als hij deze bepalingen onderschrijft.

De pacificatie van Gent.

4 november

Spaanse Furie in Antwerpen. Spaanse troepen die in geen maanden soldij hebben gekregen, plunderen de stad. Het garnizoen van de citadel bestaat uit zo’n 4.000 soldaten. In de nacht van 3 en 4 november krijgen zij versterking van troepen uit Lier, Aalst, Breda en Maastricht. Dat brengt de getalsterkte van de Spanjaarden op zo’n tienduizend.

Om één uur ’s namiddags trekken 5.000 Spanjaarden uit de citadel op tegen Antwerpen. Er zijn achthonderd ruiters bij en een menigte “trosboeven”, uitgerust met bussels stro om brand te stichten. Hevig kanonvuur tegen de aarden wal gaat de aanval vooraf. Zesduizend man verdedigen de geïmproviseerde versterking – vergeefs, zoals weldra blijkt.

De Spaanse Furie.

De Walen die de Kronenburgpoort verdedigen, worden teruggedreven tot in de Sint-Michielsabdij. Ook aan de Blijden Hoek en aan de Begijnenstraat breken de Spanjaarden door. Weldra stormt hun ruiterij over het Sint-Jorisplein bij de Sint-Joriskerk.

De Antwerpse burgerij verdedigt de Grote Markt en het Stadhuis. Vanuit de ramen van de huizen schiet men op de Spaanse ruiters, die zware verliezen lijden.

Enkele Spanjaarden slagen er echter in het Stadhuis in brand te steken. Wie naar buiten vlucht, wordt afgemaakt. Onder de sachtoffers zijn enkele schepenen. Een stuk of wat dapperen slagen er inmiddels in een groot gedeelte van het stedelijk archief te redden.

Het Stadhuis gaat in vlammen op. Het vuur slaat over naar de huizen in de omgeving. Zo’n 600 woningen branden af, voornamelijk aan Suikerrui, Kaastraat, Zilversmidstraat, Braderijstraat, een deel van de Hoogstraat enz…

De Spanjaarden slaan aan het moorden en plunderen. Tot hun bekendste slachtoffers behoren burgemeester Jan Vander Meeren, schout Gozewyn van Varick en de schepen en taalkundige jonker Jan van de Werve.

De Spaanse Furie zal drie dagen woeden. Hoeveel slachtoffers vallen, is niet duidelijk. Sympathisanten van de Nederlandse opstand overdrijven hun aantal schromelijk – zij gewagen op een bepaald moment van tienduizend doden!

1577

Don Juan van Oostenrijk.

Don Juan, een bastaard van keizer Karel V, bekrachtigt als nieuwe landvoogd de Pacificatie van Gent. De Spanjaarden ontruimen Antwerpen op 20 maart.

Omdat Oranje Don Juan tegenwerkt, wil de landvoogd een aantal vestingen onder zijn gezag brengen.

Duitse huurlingen hebben de plaats van de Spanjaarden in de Citadel van Antwerpen ingenomen. Hun aanvoerder, Lodewijk van Treslong, wil de versterking overleveren aan Don Juan.

Enkele eenheden komen in opstand en verdrijven de aanhangers van Treslong uit de citadel. De strijd brengt de Antwerpenaren op de been. Gewapende burgers verdrijven de Duitsers naar de Nieuwstad. De soldaten verschansen zich. De Antwerpenaars besluiten hun vertrek af te kopen.

Wanneer op de Schelde onverwacht een Staatse vloot verschijnt, verkeren de huurlingen in de waan dat ze verraden zijn en vluchten uit de stad.

Ook elders delft Don Juan het onderspit. Alleen in Namen en Luxemburg geniet hij nog steun.

September

Intocht van Oranje in Brussel. Hoge edelen, die Oranjes macht vrezen, halen aartshertog Mathias, broer van keizer Rudolf II, naar Brussel als landvoogd. Maar dat doet niets af aan het gezag en de populariteit van Willem de Zwijger.

December

Om de inkwartiering van een Staats leger te voorkomen, voert het stadsbestuur een algemene dienstplicht in.

Intocht van Willem van Oranje te Antwerpen in 1577.

De nieuwe burgerwacht die zo ontstaat, telt in theorie 16.000 manschappen, verdeeld in 80 vendels van telkens 200 man. Aan het hoofd van elke tien vendels staat een kolonel.

De acht “kolonellen”, zoals men ze noemt, staan in voor de verdediging van de stad en voor de ordehandhaving binnen de muren. In de loop van de komende jaren breiden ze hun invloed aanzienlijk uit.

De kolonellen zijn protestanten uit de gegoede koopmansstand en genieten het vertrouwen van de prins van Oranje en zijn omgeving.

In het Duitse Siegen wordt Peter-Paul Rubens geboren. Hij is de zoon van de gevluchte Antwerpse schepen Jan Rubens en Maria Pijpelinckx.

1578

Aartshertog Matthias.

In zowat alle Vlaamse steden komen de calvinisten aan het bewind. In Holland wordt het katholicisme in tal van plaatsen verboden.

Filips II stuurt opnieuw een leger naar de Nederlanden. Het staat o.l.v. Alexander Farnese, hertog van Parma, zoon van de vroegere landvoogdes Margaretha.

Farnese is een bijzonder bekwaam veldheer. Na de dood van Don Juan in oktober neemt hij diens functies over.

April

Het stadsbestuur eist van de katholieke clerus een eed van trouw aan aartshertog Mathias, waarmee ze zich meteen afzetten tegen Don Juan. De jezuïeten en de meeste franciscanen weigeren de eed af te leggen en worden uit de stad gezet.

29 juni

Dood van bisschop Sonnius. De deken van het kapittel en vijf kanunniken nemen voorlopig de leiding van het bisdom over.

18 juli

Advocaten Karel Gabri en Filips Malery krijgen van het stadsbestuur de opdracht om de “costuymen” en gerechtelijke tradities van Antwerpen te onderzoeken en op schrift te stellen. Het werk zal in 1582 klaar zijn.

29 augustus

Aartshertog Mathias verleent de calvinisten de vrijheid om hun eredienst te belijden. Ze krijgen het college van de jezuïeten en de kerk van de Citadel. Later komen daar een deel van de Sint-Andrieskerk en een stuk van de kerk van de Minderbroeders bij.

6 september

Ook de lutheranen mogen diensten organiseren. Ze beschikken daartoe over de kapel van de droogscheerders en een schuur bij de Sint-Michielsabdij. Weldra krijgen ze ook een deel van de Sint-Joriskerk en een zaal in het karmelietenklooster.

Jan van der Noot ontmoet in Parijs zijn idool, de Franse renaissancedichter Ronsard. Daarna keert hij, opnieuw tot het katholicisme bekeerd, terug naar Antwerpen.

1579

12 juni

De katholieken hebben nog maar drie kerken: de kathedraal, de Burchtkerk en de Sint-Jacob.

Willem van Haecht publiceert De CL Psalmen Davids, een psalmberijming die grote invloed zal uitoefenen op het gezangboek van de Nederlandse lutherse kerk.

Jan van der Noot laat Cort Begryp der XII. Boeken Olympiados / Abrégé des douze livres Olympiades verschijnen. Het gaat om een sterk ingekorte versie van Das Buch Extasis.

1 maart

De slag van Borgerhout, gravure van Frans Hogenberg. 

Farnese, onderweg van Gembloux naar Maastricht, onderneemt een korte militaire expeditie tot onder de muren van Antwerpen. Borgerhout gaat in vlammen op.

6 juni

Unie van Atrecht. Artesië en Henegouwen bevestigen de Pacificatie van Gent. Tegelijk eisen ze het behoud van het katholicisme en willen zij trouw blijven aan de koning. Weldra erkennen zij Parma als landvoogd. Mechelen en ’s Hertogenbosch sluiten zich aan bij de Unie van Atrecht.

Unie van Utrecht.

De Unie van Utrecht.

Farnese vervoert Maastricht. Onderhandelingen tussen de Staten-Generaal en de Spanjaarden lopen op niets uit omdat Filips II geen godsdienstvrijheid wil.

Plantin brengt de tweede druk van Ortelius’ Theatrum Orbis Terrarum op de markt.

1580

Alexander Farnese, hertog van Parma.

Farnese verovert Kortrijk.

Opening van de Ulrikstraat.

Jonker Jan van der Noot publiceert zijn gedicht Lofzang van Braband.

In Antwerpen bevinden zich Marokkaanse kooplui, onder wie joden.

15 maart

Filips II verklaart Oranje vogelvrij en stelt een prijs op zijn hoofd.

19 september

Op aansturen van Oranje geven de Staten-Generaal de soevereiniteit over de Nederlanden aan Filips van Anjou.

1581

Aartshertog Matthias verlaat de Nederlanden. Hij gaat scheep aan het Oosters Huis.

Opening van de Lange Gang .

1 juli

Het stadsbestuur schorst de uitoefening van de katholieke eredienst. 

22 juli

Met hun Plakkaat van Verlatinghe zeggen de Staten-Generaal hun gehoorzaamheid aan Filips II op. Anjou wordt landvoogd. Mathias keert terug naar Oostenrijk. Farnese verovert Doornik.

De brouwers vergaderen voortaan in het Waterhuis. Hun natie heeft twee dekens en twee oudermans of oud-dekens.

 

Frans van Anjou.

1582

Farnese verovert Oudenaarde. Anjou krijgt hulp van Franse troepen.

Antwerpen telt nog maar 83.700 inwoners.

Opening van de Geefsstraat.

De intocht van Anjou, prent van Frans Hogenberg.

10 december

Anjou voert de zg. Gregoriaanse kalender in. Dit besluit wordt uitgeroepen vanop de pui van het Stadhuis. Het geldt in alle Nederlandse provincies. Na 14 december 1582 volgt dadelijk 25 december.

18 maart

Jean Jauregui pleegt in de eetkamer van de gouverneurswoning in de citadel een aanslag op Oranje. De kogel treft de prins onder het rechteroor en doorboort ook zijn linkerwang. Oranje zal overleven. Een toegesnelde dienaar doodt Jauregui. Eerst denkt men dat de aanslag is beraamd door de omgeving van Anjou; pas later blijkt de Spaanse “connectie”: Jauregui is in dienst bij een gevluchte Spaanse koopman.

De mislukte aanslag van Jauregui op Willem van Oranje.

 28 maart

De Spanjaard Venero, boekhouder van Jauregui’s werkgever, en de dominicaan Temmerman, bij wie Jauregui voor zijn aanslag gebiecht heeft, worden op de Grote Markt gewurgd en gevierendeeld.

 

Oudst bekende (en postume) druk van de Cluchte van eenen dronckaert en Schoone ende gheneuchlicke historie oft cluchte van Heynken de Luyere van Cornelis Crul.

 

1583

 

De Franse Furie.

Opening van de Beggaardenstraat.

 

Anjou wil, net als voor hem Don Juan, zijn machtsbasis uitbreiden. Hij zal proberen een aantal steden in het Zuiden, waaronder Antwerpen, rechtstreeks onder zijn gezag te brengen. 

Plantin vestigt zich in Leiden als drukker van de onlangs opgerichte protestantse universiteit aldaar. Hij zal in 1585 naar Antwerpen terugkeren.

 

17 januari

Franse Furie. Bij de Kipdorppoort leveren de Antwerpenaars slag met de Franse troepen van Frans van Anjou. Ook in de de Sint-Jacobsmarkt, de Jezusstraat en op de stadswallen wordt hevig gevochten. De Antwerpenaren, van wie er 200 sneuvelen, behalen een klinkende overwinning. De verslagen Fransen vluchten langs de Kipdorppoort de stad uit of springen in de vestinggrachten. Naar verluidt, liggen de lijken bij de Kipdorppoort tot op een hoogte van twee meter. Anjou zelf neemt de wijk.

Oranje brengt een verzoening tot stand tussen Anjou en de Staten-Generaal. Toch is de rol van de Franse prins zo goed als uitgespeeld. Farnese maakt van de onenigheid gebruik om tal van Vlaamse steden te heroveren.

1584

De opstand in de Nederlanden, kaartgewijs (Putzger Historischer Weltatlas).

Ieper en Brugge geven zich over aan Farnese. Antwerpen, Gent en Brussel zijn de laatste grote steden in de Zuidelijke Nederlanden die nog meedoen met de Opstand.

De Franse Furie is noodlottig voor de populariteit van Willem van Oranje. Wanneer hij na zijn huwelijk met Louise de Coligny Antwerpen bezoekt, wordt hij koel ontvangen.

 

Juli

Farnese zendt de bevelhebber van zijn cavalerie, Giorgio Basta, naar Brabant. Zijn Italiaanse en Albanese ruiters sluiten de wegen vanuit het zuiden en het oosten naar Antwerpen af.

Farnese slaat zijn kamp op in Beveren.

De markies van Richebourg voert zijn troepen vanuit Eekloo naar de forten op de linkeroever van de Schelde. Hij verovert Kallo en bouwt daar een fort.

10 juli

Richebourg verovert de schans Liefenshoek.

In Delft wordt Willem van Oranje het slachtoffer van een moordaanslag.

Willem van Oranje wordt vermoord in het Prinsenhof in Delft.

Mansfelt en Mondragon, die de Schelde zijn overgestoken, belegeren Lillo. Drie weken en 2.000 gesneuvelden later geven zij het op en verschansen zich in Stabroek. Weldra laat Farnese ook Berendrecht en Zandvliet bezetten.

17 juli

Velen verlaten Antwerpen. Het stadsbestuur verbiedt burgers te vertrekken, maar dat heeft weinig resultaat.

Intussen groeit de partij van de zg. Peiswillers, die zo snel mogelijk vrede willen met Farnese. Schepen Jan de Pape staat aan hun hoofd.

Omdat het fort Lillo standhoudt, besluit Farnese de Schelde af te sluiten met een scheepsbrug. Die moet de Hollands-Zeeuwse vloot verhinderen om Antwerpen te bevoorraden.

De brug wordt gebouwd waar de stroom smaller en relatief ondiep is, tussen Kallo (linkeroever) en Oordam (rechteroever). Op de linkeroever bouwt Richebourg het fort Sint-Marie, terwijl Mondragon op de rechteroever de schans Sint-Filip opricht.

De scheepsbrug van Farnese.

Terwijl de werken van start gaan, slaat Farnese het beleg voor Dendermonde en verovert de stad. De overgave van Dendermonde jaagt het Gentse stadsbestuur zoveel schrik aan, dat het op zijn beurt onderhandelingen aanknoopt met Farnese.

De Peiswillers sturen een delegatie naar de kanselier van Brabant in Brussel om te pleiten voor verzoening met koning Filips II. Bij haar terugkeer laat Marnix de delegatie arresteren. Hij zet Jan de Pape af als schepen. De andere afgevaardigden krijgen een fikse boete.

Omdat er af en toe een schip met graan vanuit Zeeland tot in Antwerpen kan varen en het stadsbestuur een maximumprijs bepaalt, blijft honger voorlopig uit. Maar de graankooplui zijn boos omdat ze geen winst maken en staken weldra verdere pogingen om nog graan in te voeren.

Om zijn scheepsbrug te bouwen, heeft Parma platbodems nodig. Maar hij kan die schuiten niet langs Vlissingen of Antwerpen laten varen. Daarom worden de 22 boten in Dendermonde gebouwd. Vandaar varen ze over de Schelde naar Burcht. Langs een bres in de dijk gaat het dan de overstroomde polders in en zo, langs een tweede bres, naar de Schelde in Kallo.

17 september

Capitulatie van Gent.

Farnese stelt aan Antwerpen voor het Gentse voorbeeld te volgen. Marnix weigert.

Filips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde (DBNL).

1585

Verdeeldheid onder de gezagsdragers in Antwerpen. Kolonels, kapiteins en gildendekens betwisten elkaars gezag en dat van de schepenen. Marnix heeft moeite om zijn autoriteit te handhaven.

Februari

Farnese doet Antwerpen een nieuw voorstel. Marnix wijst het af.

25 februari

De scheepsbrug van Farnese is af. Ze bestaat uit 32 boten, met elkaar verbonden door een plankier. Aan de voor- en de achtersteven zijn de pleiten van geschut voorzien. Dertig soldaten bemannen ieder vaartig. Aan weerszijden van de brug liggen binnenschepen, eveneens uitgerust met kanonnen.

4 april

De Italiaanse ingenieur Frederico Gianibelli heeft een strategie bedacht om de scheepsbrug op te blazen. Hij heeft daarbij hulp gekregen van de Antwerpenaren Timmermans en Bovy. De laatste is uurwerkmaker van zijn vak.

Gianibelli bevestigt acht keer vier platbodems aan elkaar bevestigen en bestrooit ze met buskruit. Hij laat ze afdrijven naar de scheepsbrug. Ze worden gevolgd door twee grotere schepen, De Fortuin en De Hoop. Hun het ruim is volgestouwd met buskruit.

De brandschepen De Hoop en De Fortuin.

De Fortuin strandt op de linkeroever en ontploft. Daarbij sneuvelen veel Spaanse soldaten; de scheepsbrug is onbeschadigd. Maar De Hoop ramt de brug.

Bij de ontploffing ontsnapt Farnese op het nippertje aan de dood; 500 Spanjaarden laten het leven en 1.000 anderen raken gewond. Drie schepen van de brug zinken; drie andere kantelen. Het plankier is verwoest.

De Antwerpenaren verkeren in het ongewisse over het resultaat van de operatie; bovendien hebben ze geen vloot om Farnese aan te vallen. Hierdoor gaat kostbare tijd verloren.

Het schip Fin de la Guerre.

De ingenieurs Hendrick en Antheunis rusten een groot schip uit met 24 stuks geschut. Het kan 500 musketiers aan boord nemen. Omdat men veronderstelt dat het een einde zal maken aan het belef, krijgt het gevaarte de naam Fin de la Guerre. Maar bij de tewaterlating blijkt het vaartuig allerlei gebreken te hebben. Het maakt meer diepgang dan men verwachtte en is zo goed als onbestuurbaar. Men heeft zes maand werk vooraleer men de Fin de la Guerre bij wijze van proef inzet in de buurt van Oorderen. Het schip dreigt te kapseizen en loopt vast. Op 26 april wordt het door Farnese veroverd. Hij laat het dadelijk slopen.

10 maart

Brussel geeft zich over.

7 mei

De belegerden willen een poging wagen om in samenspraak met het garnizoen van Lillo de Kauwesteinse dijk te veroveren en te doorsteken. Hulp uit Zeeland moet Antwerpen dan kunnen bereiken via de overstroomde polders. Zo wordt de scheepsbrug van Farnese letterlijk omzeild.

Maar omdat de communicatie slecht verloopt, krijgt het garnizoen van Lillo bij zijn uitval naar de dijk geen hulp vanuit de stad. De Spanjaarden slaan de aanval af. Aan beide zijden sneuvelen zo’n honderd soldaten. Farnse laat de Kauwenstijnse dijk versterken.

Het treffen op de Kauwestijnse dijk.

26 mei

Ditkeer bestormen de belegerden uit Antwerpen en uit Lillo tegelijk de Kauwenstijnse dijk en krijgen hem in handen. Maar opnieuw wordt hij door Farneses manschappen heroverd voor men hem kan doorsteken. Aan Staatse zijde vallen zo’n 1.500 doden.

31 mei

De Brede Raad vergadert over het dreigende voedselgebrek in de stad.

8 juli

De Brede Raad besluit onderhandelingen aan te knopen met Farnese. Daartoe zal men een afvaardiging sturen o.l.v. Marnix. Antwerpen zal Farnese vragen vrede te sluiten met de opstandige Staten.

10 juli

Marnix en Farnse voeren in Beveren een lang gesprek onder vier ogen.

12 juli

Farnese deelt de Antwerpse gezanten mee dat de stad onmiddellijk vrede kan sluiten met hem, d.w.z. met de koning, en niet hoeft te wachten op een verdrag met de Staten.

Het thans verdwenen kasteel Singelberg in Beveren waar Parma zijn hoofdkwartier vestigde.

14 juli

Terwijl in de Brede Raad een felle discussie woedt over het antwoord van Farnese, arriveert een boodschapper van de Staten-Generaal. Als Antwerpen het nog drie maand volhoudt, komt een groot Staats leger de stad ontzetten, verzekert  hij. Velen twijfelen aan zijn woorden.

19 juli

Mechelen geeft zich over aan Farnese.

23 juli

De Brede Raad beslist opnieuw te onderhandelen met Farnese en benoemt 17 nieuwe afgevaardigden.

24 juli

Begin van de nieuwe onderhandelingen te Beveren.

9 augustus

De onderhandelaars brengen verslag uit bij de Brede Raad. Marnix beseft dat dat Hollanders noch de Engelsen Antwerpen ter hulp komen. De calvinisten willen de strijd voortzetten. Maar de bevolking betoogt op de Grote Markt. Leden van de Brede Raad roepen door de ramen van het Stadhuis dat men vrede zal sluiten.

17 augustus

Ondertekening van een vredesverdrag van 28 artikels. Antwerpen onderwerpt zich aan Filips II. De niet-katholieken mogen nog vier jaar in de stad blijven. Farnese zal in de stad 2.000 infanteristen en twee compagnieën ruiterij legeren. De stad belooft Farnese 400.000 gulden voor de kosten van het beleg.

De handtekeningen onder het verdrag over de overgave van Antwerpen aan Farnese.

20 augustus

Laatste calvinistische preek in Antwerpen. Predikanten, bevelhebbers en vooraanstaande calvinistisiche families verlaten de stad.

Op de Grote Markt staat een podium, vanwaar men de vrede afkondigt in aanwezigheid van het stadsbestuur en van vertegenwoordigers van Farnese.

27 augustus

Farnese rijdt Antwerpen binnen door de Sint-Jorispoort. Een meisje, gekleed als Maagd van Antwerpen, biedt hem de sleutel van de stad aan. De bevolking onthaalt de veldheer met vreugde.

Eerst bezoekt Farnese de kathedraal. Na het Te Deum gaat het naar de Grote Markt. Daar staan acht koperen standbeelden van de hand van Jacob Jongelincx. Ze stellen Bacchus en de zeven planeten voor. Farnese neemt zijn intrek in de Sint-Michielsabdij.

Intocht van Parma in Antwerpen, prent van Frans Hogenberg.

De Spaanse en Italiaanse troepen blijven buiten de stad en vieren feest op de scheepsbrug.

30 augustus

Farnese hoort de mis in de kapel van de jezuïeten, die inderhaast naar Antwerpen zijn teruggekeerd en opnieuw het Huis van Aken betrekken.

8 september

De calvinistische magistraat treedt af. Farnese benoemt nieuwe burgemeesters en schepenen. Plechtig banket in het Stadhuis, waaraan zowel het oude als nieuwe stadsbestuur deelnemen.

27 september

Heropening van het college van de jezuïeten.

7 november

De protestanten krijgen twee begraafplaatsen toegewezen: één aan de Lepelstraat en één tussen het oude begijnhof en de stadsmuur. Slechts zes personen mogen de uitvaart van een protestant bijwonen.

De lange herfst (1586-1648)

1586

Economische inzinking. De oorlog heeft de Nederlanden zo uitgeput dat er niets is om te verhandelen. De natte zomers van dit en vorig jaar leiden tot teleurstellende oogst. Er heerst hongersnood.

1587

De aartsbisschop van Mechelen wijdt te Vilvoorde Laevinius Torrentius tot tweede bisschop van Antwerpen.

28 februari

Het Brabobeeld in de nis in het middenrisaliet van het Stadhuis wordt op initiatief van de jezuïeten vervangen door een O.-L.-Vrouwebeeld.

1589

Dood van Christoffel Plantin. Zijn schoonzoon Jan Moretus volgt hem op aan het hoofd van de Plantijnse drukkerij.

1591

 

Antwerpen telt nog maar 46.123 inwoners.

De Staatsen eisen contributies van alle gebieden waar geen Spaanse troepen gelegerd zijn. Deurne en Borgerhout betalen elke maand.

Opening van de Vlaaikensgang.

1592

3 december

Alexander Farnese sterft.

Jan Moretus door Rubens.

1595

25 april

Dood van bisschop Laevinius Torrentius.

 

1596

Aartshertog Albrecht van Oostenrijk benoemd tot landvoogd. Hij komt aan in Brussel. De opmars van de Staatsen wordt op verscheidene plaatsen gestuit.

Filips II benoemt Willen van Bergen (De Berghes) tot derde bisschop van Antwerpen.

1597

 

Antwerpen telt opnieuw 47.000 inwoners.

 

1598

 

Filips II draagt de Nederlanden over aan zijn dochter, de infante Isabella. Hij hoopt dat dit de opstandige gewesten in het Noorden tot inkeer zal brengen.

Isabella huwt in Spanje met aartshertog Albrecht van Oostenrijk. Filips II sterft. Zijn zoon, Filips III, volgt hem op.

 

Carolus Scribani, een neef van bisschop Laevinius Torrentius, wordt rector van het college van de jezuïeten.

 Carolus Scribani s.j. door Antoon van Dyck.

1599

 

Albrecht en Isabella ontschepen in de Nederlanden. De oorlog met het Noorden gaat door, met wisselend succes.

 

De zg. Zwarte Galei, onder het bevel van kapitein Evertsen, en 13 sloepen, varen vanuit Lillo de Schelde op. Zij overvallen het Spaanse admiraalschip van 580 ton dat ter hoogte van de Nieuwstad ligt aangemeerd. De aanval is een succes. Behalve het admiraalschap maken de staatsen zeven andere boten buit.

 

8-10 december

 

Albrecht en Isabella op de Grote Markt.

Blijde Intrede van Albrecht in Isabella in Antwerpen.

 

Geboorte van Antoon van Dijck.

 

1593

Geboorte van Jacob Jordaens.

 

Albrecht en Isabella (Koninklijk Huisarchief).

1598

 

Rubens wordt als meester aanvaard door het Sint-Lucasgilde.

 

Dood van de aardrijkskundige Abraham Ortelius.

 

1600

 

Lucas van Valckenborgh, “Gezicht op Antwerpen in de sneew”, 1579.

Rubens aan het hof van de hertog van Mantua. Hij zal tot 1608 in Italië blijven.

 

Column – Een historicus is ook maar een mens of hoe bespreekbaar is de Tweede Wereldoorlog?

Mijn dagelijkse boterham verdien ik in het Letterenhuis. Daar inventariseer ik schrijversarchieven. In zo’n verzameling papieren gaapt soms een lacune. Van omstreeks 1940 tot 1950, zodat ik mij begin af te vragen hoe fout de “archiefvormer” in de oorlog wel mag geweest zijn.

Een en ander weerspiegelt de dubbele houding van de Vlaamse middenklasse (literatuur is geen aangelegenheid van proletariërs) t.o.v. haar oorlogsverleden. Vele lieden schaamden zich nadien nauwelijks voor hun vriendschap met de nazi’s – die stond in het teken van Vlaanderen en van Onze-Lieve-Heer. Voor hun generatie was “idealisme” – hetwelk hoefde niet gespecificeerd te worden – “onvermijdelijk”. Maar papieren achterlaten waarin een en ander zwart op wit stond, misschien met minder “idealistische” details, was een brug te ver.

Een mens is in ruime mate het product van zijn afkomst. Mijn overgrootvader aan moederskant richtte anno 1885 in Antwerpen mee een socialistisch partijtje op, dat weldra opging in de grote Belgische Werklieden Partij. Zijn portret (“Bompa Dirickx”) hangt nog bij mij aan de muur. Aan het partijtje herinnert de verweerde gedenkplaat op een gevel aan de Sint-Andriesplaats.

Bompa Dirickx was meubelmaker; het adresboek van Ratinckx noemt hem “ébéniste”. Naar verluidt correspondeerde hij met Friedrich Engels. Zijn betrokkenheid bij het socialisme deed zijn zaak de das om. Mijn grootvader, afgeschrikt door het voorbeeld van zijn pa, werd liberaal en las De Nieuwe Gazet. Ook hij was zelfstandig meubelmaker – tot de crisis van 1929 zijn lot beslechtte. Toen al sleurde Wall Street de wereld mee. “Bompa” (zonder meer) werd arbeider bij de stad Antwerpen.

Zijn zoon, “nonkel” Lucien, studeerde aan de Stedelijke Normaalschool voor onderwijzer. Hij raakte in de ban van communisme en Verzet. Als negentienjarige werd hij opgepakt door de Duitsers. Vanuit de gevangenis in de Begijnenstraat en via Breendonk ging het naar – denk ik – het concentratiekamp Dora. Daar werkten dwangarbeiders aan het V-bommenprogramma. Tussen zijn arrestatie en de huiszoeking bij mijn grootouders, werden de brieven van Engels in de kachel verbrand.

Mijn gebrekkige kennis van zijn lot vloeit voort uit de stilte waarmee de familie dit alles toedekte. De herinnering aan het verdriet en de angst was te intens. Misschien worden bepaalde angsten en verdriet gewoon nooit herinnering. We hebben allemaal documentaires over de Tweede Wereldoorlog gezien waarin stokoude mensen, ondanks hun wil om te getuigen, hun verzet tegen de tranen moesten opgeven.

Wat mijn moeder wel vertelde, was hoe zij en mijn grootouders ’s avonds op het binnenplaatsje achter hun huis stonden te luisteren naar de honderden brommende bommenwerpers die door het donker boven de stad koers zetten richting Duitsland. Kippenvel krijg ik daar nog altijd van.

Paradoxaal genoeg kan ik mij daarom inleven in de wrok die collaborateurskinderen of -kleinkinderen nog altijd voelen over de wrede grap die de geschiedenis met hen uithaalde. Al heb ik het daar niet gemakkelijk mee – deel omdat ik niet anders “kan”, deels omdat veel collaborateurs die deel uitmaakten van wat politiek commentator van De Standaard Manu Ruys de Vlaamse “elite” noemde, na de oorlog in bladen, kranten en boeken decennialang toeterden over het hun aangedane onrecht.

Hun overwinnaars sloegen zichzelf minder op te borst, een jaarlijkse officiële dodenherdenking daargelaten. Mijn oom, die bij zijn terugkeer vijfenveertig kilo woog, stierf op zijn vierenveertigste aan kanker. Hij schreef nooit een boek.

Tot de objectiviteit waarvan natuurwetenschappers dromen, zal ik nooit in staat zijn, zeker niet als het over de Führer en zijn Vlaamse volgelingen gaat. Een historicus is ook maar een mens; geschiedenis is bepaald geen natuurwetenschap. Juist daarom moet die historicus zichzelf op tijd tot de orde roepen en de feiten laten spreken, niet zijn (negatieve) emoties. Begrip, inleving en aanvaarding zijn ook bouwstenen van de verwondering en die verwondering houdt de historische interesse gaande.

Het zou voor verheldering, zelfs voor grote opluchting zorgen als de Tweede Wereldoorlog in Vlaanderen bespreekbaar werd. De nieuwsgierigheid van mijn generatie – ik ben twaalf jaar na de oorlog verwekt – en degene die na ons komen, verdient niet alleen aanbeveling, maar ook bevrediging.

Verschenen in Memo nr. 2, februari 2012.

Recensie – Franstalige Antwerpenaars wijken uit naar VS in 1794

Soms verschijnt een historisch boek dat de lezer een directe kijk gunt in het denken en handelen van mensen van vroeger. Dat is het geval met L’Épopée américaine de la Famille Stier d’Anvers door de Franstalige Antwerpse juriste en cultuurhistorica Jacqueline Letzter (1955).

Wanneer de Franse revolutionaire legers in 1794 de Oostenrijkse Nederlandenbinnenvallen, vluchten vele edellieden, ook uit Antwerpen. De meesten belanden in Duitsland. De grote uitzondering vormt het gezin van Henri Stier d’Aertselaer en zijn vrouw Marie-Louise Peeters. Zij wijken uit naar de Verenigde Staten. Ze nemen de beroemde schilderijencollectie van de Peetersen mee, waarover Henri Stier zich ontfermt sinds de dood van zijn schoonvader in 1786.

Tot het reisgezelschap behoren zoon Charles die op zijn beurt uitgroeit tot verzamelaar en kunstkenner, zijn vrouw Marie Joséphine (“Mimi”) van Havre, en de twee dochters, de 16-jarige Rosalie en de tien jaar oudere Isabelle, getrouwd met Jean Michel van Havre.

Op Mimi na, keren de Stiers onder Napoleon terug naar Antwerpen. De peripetieën van het gezin geven aanleiding tot een uitgebreide correspondentie tussen de leden, die de Antwerpse archivaris Alfons Bousse in de jaren 1970 terugvond en waarop Letzter zich baseert.

De collectie die de Stiers meenemen naar Amerika bestaat uit minstens 63 schilderijen van o.a. Rubens, Van Dyck, David Teniers de Jonge, Jan I Breugel, Titiaan en Rembrandt. Maar L’épopée américaine gaat over veel meer dan kunst. De Stiers sluiten vriendschap met de top van de politieke wereld en dineren met George Washington.

Het echtpaar bouwt in de omgeving van de hoofdstad een schitterend landhuis. De familie wordt geconfronteerd met de slavernij. Charles ziet zich genoodzaakt om zijn boterham te verdienen – adellijk nietsdoen is in Amerika onbekend en ongewenst. Maar dat is niet zo gemakkelijk als hij denkt. De vrouwen van de familie schrijven over danspartijen en kinderen, maar ook over boeken en zakelijke aangelegenheden.

 De brieven die ontstaan na de terugkeer van de Stiers in het Napoleontische Antwerpen, roepen de sfeer op van familiebijeenkomsten, theaterbezoeken en vertrouwen in de Eerste Consul. Interessant is ook te zien dat de hogere klassen anno 1800 volledig verfranst zijn en zich daar geen vragen bij stellen. De Stiers schrijven trouwens goed Frans, zonder fouten, en geven blijk van een grote vertrouwdheid met de politieke denkbeelden en de literatuur van hun tijd.

Jacqueline Letzter. Entre deux Mondes. L’épopée américaine de la famille Stier d’Anvers. Brussel, Académie royale de Langue et de Littérature françaises de Belgiques en Éditions Racine, 2011. Paperback, 229 blz., zwart-wit illustraties, ISBN978-2-87386-681-5.

Literatuur – Van “kakkentisten en artisten” . Het Sint-Luybrechtsgilde of het geheime oeuvre van Theodoor van Rijswijck.

Wy krauwen en spouwen

In speekzel en zyk,

En rekken en trekken,

Op eens na den Dyk.

Dan vragen en plagen

Wy teven en hoer,

En neuken in keuken

Op tafel en vloer.

Wy neuken en beuken

De wanden in ’t rond

En reuselen neuzelen

Een hoer in haer kont.

Anoniem gedicht in Archiven van de Sint Luybrechtsgilde

Omstreeks 1835, twee jaar voor Hendrik Conscience In ’t Wonderjaer publiceert, behoort een aantal van zijn Antwerpse vrienden tot het Sint-Luybrechtsgilde. Dat is een informeel clubje van kunstenaars. Ze treffen elkaar in de bekende herberg Het Roosken aan de Gildekamersstraat “agter het stadhuys”.

Spilfiguur van dit “deftig gezelschap” is de dichter en flamingant Theodoor Van Rijswijck (1811-1849). Van zijn hand is het merendeel van de gedichten, opgetekend in De Archiven van de Sint-Luybrechtgulde, een ingebonden handschrift dat sinds 1934 in het Letterenhuis berust.

Waar de naam van het gilde precies vandaan komt, blijft onduidelijk. De titel van het schrijfboek is gekalligrafeerd in grote gotische letters – die zijn in de jaren 1830 erg in de mode. Daaronder is met zorg het wapenschild van de club geschilderd. Op een rode achtergrond prijken twee gekruiste tabakspijpen.

Van Rijswijck in zijn interieur, door Carolus Louis Antoine (Letterenhuis).

Links ziet men een takje met een pruim (een verwijzing naar het vrouwelijk geslachtdeel), rechts een jeneverkelk. Het schild wordt bekroond door een hoed met daarop het woord “Libertas”, Latijn voor “vrijheid”. Het devies van de vereniging luidt: “Kort is het leven – zoet is de vreugd”.

“Toen sloot zich de trut en de lul stond verslagen / En zag dat de trut geen goesting en had.” – “Die niet en schijt, die moet kapot!” Een paar willekeurige verzen (de eerste twee van Van Rijswijck) illustreren waarover de teksten in het dikke schrijfboek handelen – seks, stront en in mindere mate “kwak” of jenever.

De inleiding voert Van Rijswijck op als stichter van het genootschap. “Altoens telde men in de Sint Luybrecht Gulde een aental zeer uytmuntende kakkentisten, artisten en Luybrechten,” lezen we.

Theodoor Van Rijswijck (Letterenhuis).

Waar de namen van de andere leden stonden, heeft een bezorgde hand een laag papier afgeschraapt. Gelukkig lezen we verderop dat het “altemael felle goede mannen” zijn en staat onder nogal wat gedichten de (voor)naam van de auteur. Waar mogelijk noteerde een andere, even geheimzinnige hand (die van Ger Schmook, eertijds directeur van het Museum van de Vlaamsche Letterkunde?) daar een familienaam bij.

De Theodoor “den Door” Van Rijswijck die men hier leert kennen, is veel stouter dan de overlevering en zijn eerste biografen hem voorstellen. Maar zijn verzen zijn beter en zijn humor is (iets) subtieler dan die van zijn vrienden. Dat blijkt o.m. uit zijn spotzieke en zéér oneerbiedige Sodoma, een navertelling van het bijbelse verhaal van Lot. Over de inwoners van Sodom vernemen we:

“Zy zochten nimmer naer een meisje

Als wy, geheel nachten rond

Maer zaten doorgaens ’t liefst van allen

Elkanderen agter in de kont.”

Braver is het gedicht Verhuys – zijn laatste – dat Van Rijswijck schrijft wanneer Angélique, de alom bewonderde caféhoudster van Het Roosken, de Gildekamersstraat verlaat en De Faem opent aan de Grote Pieter Potstraat, zodat ook de Luybrechten moeten verhuizen.

Vaerwel dan kamer lief

Met uw antieke stukken,

Met al uw kwak gerief,

Dat ons zoo kon verkwikken.

[…]

Wy trekken dan ook mee

Het zyn de laetste ueren.

’t Is voor de laetste mael

Dat wy ons klooten schueren.

Maer tot de naeste week,

Dan vangt het ginder aan.

Daer zal een enkel fles

Voor onzen inkoom staen.

Wy mannen blyven aen een,

Wy minnen het plaisir.

Wy doen ons klooten deugd

In schiedam en in bier.

Vaerwel dan klyn locael

Dat wy uw salueren.

God weet of geenen paep

Hier, naer ons komt logeeren.

[…]

Wy trekken haest van hier

Met onze klootery

Naer Sint Andries kwartier.

Na “den Door” blijkt het productiefste lid van het Sint-Luybrechtsgilde Willem-Jozef Vertommen (Aarschot, 1815-ca. 1860), schilder van interieurs en genretaferelen. Vertommen studeert aan de Antwerpse academie bij Ferdinand De Braekeleer en wordt lid van De Olijftak.

Net als Van Ryswyck ontwikkelt hij een drankprobleem. Vertommen verlaat Antwerpen in 1846 en gaat aan de slag in drukkerijen die lithografieën produceren, eerst in Brugge en dan in Brussel. Hij wordt blind en sterft naar verluidt omstreeks 1860 in bittere armoede.

Van Vertommen zijn de onsterfelijke verzen:

Waerom toch die freetpartyen

Van rosbief en carmeneyen?

[…]

Alles dient om strond te maken!

Van Edouard Gevers – telg van de bekende Antwerpse familie waaruit ook de Franstalige schrijfster Marie Gevers (1883-1975) stamt? – zijn in De Archiven van de Sint-Luybrechtgulde verscheidene gedichten opgenomen.

Andere teksten werden geschreven door de onbekenden “Sus Carpentier”, “Nys”, “Kistemakers”, “Thomas” en een zekere De Haes. Een parafrase in Brussels dialect van de beroemde fabel van Jean de La Fontaine over de vos en de raaf is van de hand van Victor – eigenlijk: Vincent – Joli (1807-1870).

Joli publiceert in 1835 een historisch drama over Artevelde. Vijf jaar nadien volgt de roman Siège de Maestricht sous Alexandre Farnèse, duc de Parme en 1579. Joli schrijft ook een veelgelezen boek over de Ardennen.

Hij is bevriend met de Franstalige Leuvenaar Eugène Gens, dichter en auteur van een soms fantasierijke Histoire de la Ville d’Anvers (1861). Joli is ook een verdienstelijk schilder en etser.

De Luybrechten profileren zich als uitgesproken antiklerikaal, wat des te meer opvalt omdat het “unionisme” van katholieken en liberalen voorlopig nog altijd hoogtij viert in het jonge België. Ze behoren hiermee tot een in Vlaanderen nauwelijks in kaart gebrachte “vrijzinnige” traditie die allicht teruggaat tot de Brabantse Omwenteling van 1790.

Uitgesproken politieke gedichten bevat de bundel niet, maar er wordt uitgebreid de spot gedreven met “Sterkus”, i.e. aartsbisschop Engelbertus Sterckx (1792-1867), vòòr 1832 pastoor deken van Antwerpen, en burgemeester Gerard Le Grelle (1793-1871).

Burgemeester Gérard Le Grelle.

Sterckx zet zich in voor de herinrichting van het katholiek onderwijs en voor de katholieke universiteit die is opgericht in Mechelen en nadien naar Leuven verhuist. In 1838 wordt hij kardinaal.

Jonkheer Gerard Le Grelle, in functie van 1831 tot 1848, stamt uit een bankiersfamilie die in 1794 is geadeld door de Oostenrijkse keizer Frans II. De uitgesproken katholiek Le Grelle heeft dertien kinderen. In 1835 keert hij zich tegen subsidies voor de Franse schouwburg omdat hij die als een oord van verderf beschouwt.

Tegelijk steunt hij goede werken en neemt als burgemeester adequate maatregelen tegen de ergste vormen van armoede na de revolutie van 1830. Le Grelle beschermt ook de schilder en latere academiedirecteur Niçaise De Keyser. In 1852 verleent de paus hem de titel van graaf omdat hij zijn klanten in de loop der jaren veel Vaticaans staatspapier heeft verkocht.

Vertommen schrijft een gedicht waarin de aartsbisschop bij de vrouwtjes is geweest zodat hij platzak is en voor een lening aanklopt bij de bankier. Hoewel de “e”’s uit de naam Le Grelle zijn weggelaten, kan de (voor)lezer zich onmogelijk vergissen in diens identiteit.

Sterkus den verloren kost

Had gevost,

In kroegen en in kasten

[…]

Maer zyn centen schoven fel

En toen ging hy naer L gr l

Over zynen nooddruft klagen.

En een luttel duiten vragen

Om naer huis te kunnen gaen.

Zoo gezeyd en zoo gedaen:

En beloofde hem op het leven

Van die somme weértegeven

Hy zwoer het op zyn woord van eer.

Ja, zei L gr l voor dezen keer

‘k Hou anders niet van leenen

’t Valt my zoo hard als steenen

Zeg Buskop lief wat deed gy met uw geld

Waer hebt ge’t zoo verspeld?

Wel ‘k heb daer liggen neuken

In ’t wynhuis in de keuken

Gy neuken wel Godome dat is laf

Wat dat ge doet, ga speelt hem nu wat af.

Ook met Hendrik Conscience en diens jeugdvriend de dichter en latere politicus Jan-Alfried De Laet wordt in De Archiven de draak gestoken – maar minder uitgebreid. In zijn Redevoering bij zijne aenneming tot Lid der Gulde zegt “De Haes”:

“[…] ik heb in mijn leven […] maer eens versen gemaekt en dat waren stront versen, en die een dubbel regt op dien titel hadden, ten eersten om dat er van Jan de Laet en Conscience ingesproken werd, en voorts om dat [ik] er myn gat mede gevaagd heb.”

Men kan daaruit afleiden dat het stuk van omstreeks 1847 dateert, toen de tegenstellingen tussen de “katholieken” Conscience en De Laet en hun “liberale” vrienden aan de oppervlakte kwamen.

De jonge Conscience, door Xavier De Cock (Letterenhuis).

De inleiding tot het handschrift besluit met de “vervloeking” van de vijanden van Theodoor Van Rijswijck. Zij worden niet bij naam genoemd.

“Haet en vloek op de ellendige die door hunne afgunstige vervolgingen, het leven zoo verbitterden van onzen geliefden Meester en Président Th. Van Rywyck, dat Hy er van op [sic] een kwyning [kreeg] en ten laesten ontroofd [werd] van den uytmuntenden geest die hem bezielde overleed den 10 mey 1849.” Het handschrift waarin een anonymus de nalatenschap van het Sint-Luybrechtsgilde bijeenbracht, is dus allicht kort na Van Rijswijcks dood ontstaan.

Dodenmasker van Theodoor Van Rijswijck (Letterenhuis).

De teksten in De Archiven van de Sint-Luybrechtgulde zijn seksistisch en vrouwonvriendelijk en geven blijk van een soms tamelijk infantiele obsessie met pis en kak. Als ze een beetje eeuwigheid verdienen, komt dat doordat ze laten zien hoeveel spot, verzet, drift en grote dorst schuilgaan achter de officiële en gemystificeerde geschiedenis van de prille Vlaamse letteren.

Geschiedenis – Eligius Pruystinck, alias Looi de Schaliedekker. Een Antwerps ketter uit de 16de eeuw.

Hoewel de ketterse leerstellingen van Eligius Pruystinck en zijn aanhangers, de zg. Loisten, in laat-middeleeuwse vormen van heterodoxie wortelen, moet deze ketterij gezien worden in het raam van de godsdienstige verwarring die de eerste helft van de 16de eeuw kenmerkt. Er waren niet alleen te Antwerpen Loisten, maar de sekte ontstond in deze stad en het was ook hier dat ze tot bloei kwam.

Antwerpen in 1515.

Tijdens het eerste kwart van de 16de eeuw kende Antwerpen een aanzienlijke economische bloei en werd het de voornaamste haven en één der belangrijkste financiële centra van Europa. Het bevolkingsaantal steeg enorm en de stad moest vergroot worden. Het is echter ook gedurende deze bloeiperiode dat de eerste tekens die naar de nakende godsdiensttwisten verwijzen, aan het daglicht treden.

Rond 1520 wordt er voor het eerst over het Lutheranisme gehoord. Onder invloed van Jacob Praepositus die te Wittenberg studeert, schiet de nieuwer leer wortel in het Antwerpse augustijnenklooster, dat weldra gesloten wordt. Twee van de monniken die er verbleven worden op 1 juli 1523 te Brussel terechtgesteld.

Rijke Beukelaarstraat

In 1525 is sprake van de sekte der Loisten en van haar leider, Eligius Pruystinck. Over geboorte en jeugd van Pruystinck is niets bekend. Hoogstwaarschijnlijk was hij een Antwerpenaar. Hij moet van zeer bescheiden afkomst geweest zijn; de bronnen noemen hem ongeletterd. In 1544 woonde hij waarschijnlijk in de Rijke Beukelaarstraat, een straat in het Sint-Andrieskwartier, een wijk die toen reeds tot de armste van de stad behoorde. Uit de processtukken blijkt dat hij bij zijn dood niets naliet.

De eerste vermelding die we van hem vinden dateert uit 1525. Mogelijk kwam hij een jaar tevoren in contact met de latere anabaptistische sekteleider David Jorisz., die toen voor het eerst een tijdlang te Antwerpen verbleef en misschien de ongeletterde Pruystinck over de bijbel sprak.

Quinten Metsys, Graflegging, Antwerpen, KMSK.

Nadat Pruystinck in 1525 was beginnen te prediken, reisde hij nog datzelfde jaar naar Wittenberg, waar hij in maart Luther ontmoette. Deze ontstak in verontwaardiging over zijn leer en richtte een gealarmeerd schrijven tot de Antwerpse hervormden om hen tegen hem te waarschuwen. Vermoedelijk was het deze brief die de aandacht van de autoriteiten op Pruystinck vestigde.

Toen hij opnieuw zijn leer begon te verspreiden, werd hij met negen van zijn aanhangers gearresteerd. In februari 1526 moesten ze voor de rechter verschijnen. Het geding werd geleid door de commissarissen van de Raad van Brabant, bijgestaan door de inquisiteur Nicholaas Coppin en enkele andere bevoegde personen.

De ketters werden veroordeeld tot het herroepen van hun leerstellingen en een openbare boetedoening. Toen het vonnis voltrokken was, gelastte de landvoogdes Maria van Hongarije hen vrij te laten.

Familie van Berchem

Over wat er in de eerstvolgende negen jaar na hun veroordeling gebeurde, is niets geweten. In 1535 maakte Pruystinck kennis met de Fransman Christophe Hérault, een juwelier die van Lutherse opvattingen verdacht werd en daarom vanuit Parijs naar Antwerpen gevlucht was.

Nadat de overheden van de stad hem een tijdlang met rust gelaten hadden, werd hij opgepakt en als ketter vervolgd. Men kon hem echter niet veel ten laste leggen en hij werd spoedig weer op vrije voeten gesteld. Negen jaar later, in 1544, zou hij echter deel uitmaken van de Loisten.

Op dat ogenblik had Pruystinck zeer talrijke aanhangers die hij vooral uit de wereld van de kooplieden en de rijke burgerij recruteerde. Sommigen, zoals bijvoorbeeld verschillende leden der familie Van Berchem, behoorden tot de adel. Pruystincks leer werd niet alleen mondeling verspreid, maar ook op schrift gesteld. De auteur van deze traktaten was vermoedelijk Dominicus van Oucle (Ukkel?). Jammer genoeg zijn ze alle verloren gegaan.

Frans Floris (?), De familie van Berchem, Lier, Museum Wuyts-Van Campen en baron Caroly).

Een op 1 juni 1544 te Deventer aangehouden ketter, Juriaan Ketel, bekende op de pijnbank dat hij bevriend was met David Jorisz. en verklikte tevens een aantal Antwerpse ketters met wie hij in contact geweest was. Onder hen waren Pruystinck, Hérault en de Van Berchems.

De magistraat van Deventer verwittigde zowel de landvoogdes als de stedelijke overheid van Antwerpen, die de brief in kwestie op 14 juli ontving. Men slaagde er enkel in Pruystinck en Hérault gevangen te nemen.

De leider van de sekte werd op 15 juli in het bijzijn van de schout en drie schepenen gefolterd. De landvoogdes drong erop aan de ketters streng te vervolgen en het onderzoek grondig te doen verlopen. Wat haar vooral interesseerde was te weten of de beklaagden al dan niet betrekkingen onderhielden met David Jorisz.

Arrestatie

Spoedig werden nog meer Loisten opgepakt. Niet alleen te Antwerpen, maar ook te Vilvoorde, de plaats waar gevangen ketters meestal door commissarissen van de Raad van Brabant verhoord werden, zaten leden van de sekte in de kerker. Op 14 september bevond ook hun leider zich hier omdat men hem er met enkelen van zijn volgelingen wou confronteren. Dominicus van Oucle pleegde er in zijn gevangenis zelfmoord.

Inmiddels begon te Antwerpen het proces tegen Hérault en een ander sektelid, de oudekleerkoper Jan Dorhout. Begin oktober werd in de Scheldestad overigens nog een aanzienlijk aantal Loisten gearresteerd. Velen slaagden er echter in naar Engeland en Duitsland te ontkomen, waar ze zich verspreidden. Dorhout en Hérault werden op 9 oktober onthoofd.

Pruystinck werd terug naar Antwerpen overgebracht en verscheen er op 24 oktober voor de magistraat die hem ter dood veroordeelde. ’s Anderendaags werd hij buiten de stadswallen levend verbrand. Of hij zijn ketterij op het laatste moment herriep, staat niet vast. In de loop van het volgend jaar vonden nog verscheidene terechtstellingen plaats. Dit betekende het einde van de sekte.

David Jorisz. (?) door Jan van Scorel (Foto Global Anabaptist Mennonite Website)

Vaak worden de Loisten beschouwd als wederdopers, maar dat berust op een vergissing. Ze worden overigens in geen enkel archiefstuk rechtstreeks met dezen in verband gebracht. De anabaptist David Jorisz. met wie Pruystinck betrekkingen onderhield verliet de katholieke kerk trouwens pas in 1528, dus drie jaar nadat de Loïsten voor het eerst in de bronnen opduiken. Eerst in 1536 werd hij zelf hoofd van een sekte.

Pruystincks leerstellingen waren niet bijzonder diepzinnig. Frederichs noemt zijn ketterij dan ook een echte volksketterij (1). Hoewel deze formulering wat overdreven lijkt, bevat ze waarheid. De leden van de sekte behoorden geen van allen tot de geestelijkheid, maar waren leken. Toch mag men niet uit het oog verliezen dat ze uit verschillende geledingen van de maatschappij kwamen, en zeker niet uitsluitend uit de laagste.

Zoals gezegd telden de Loisten rijke burgers, kooplui en zelfs edelen onder hun leden. Hoe talrijk zij precies waren is niet uit te maken. Nochtans suggereren verschillende bronnen dat de sekte veel aanhangers telde. Die werden niet alleen door prediking, maar ook met geschriften gerecruteerd; het laatste wijst erop dat zij tenminste voor een deel geletterd waren.

Homines intelligentiae

De leer der Loïsten is gebaseerd op die van de zogeheten Homines Intelligentiae (“Mensen van verstand”) die in het begin van de 15de eeuw opdoken te Brussel.

Hun leiders, Aegidius Cantor en Willem van Hildernissen, bouwden voort op een oudere traditie, namelijk die van de Libertijnen of Vrije Geesten. Onder deze noemer kunnen talrijke sekten gebracht worden. Wij vernoemen slechts de Broeders van de Vrije Geest en de Turlupijnen (2).

Aegidius Cantor was reeds overleden toen Willem van Hildernissen voor het gerecht moest verschijnen. Het is dan ook niet zeker of hij de leider der sekte was en of hij beweerde dat hij reeds het derde van de drie tijdperken waarin Joachim van Fiore de geschiedenis indeelde, binnengegaan was (3).

Willem van Hildernissen maakte een scherp onderscheid tussen de uitwendige en de inwendige mens, die elkaar niet beïnvloeden konden. De inwendige mens kon niet verdoemd worden. Verder geloofde Van Hildernissen reeds deel te hebben aan het paradijs en dat hij een dieper inzicht in de Heilige Schrift had dan andere stervelingen.

Joachim van Fiore, anonieme houtsnede (Foto L’Osservatore Romano)

Hij leerde dat er een tijd zou aanbreken waarin de Heilige Geest de mens meer dan ooit te voren zou verlichten en alzo de dispensatie van de geestelijke vrijheid zou invoeren. Tenslotte was hij de pantheistische visie toegedaan dat God net zo goed in een steen, in de ribben van een mens en in de hel, als in de eucharistie aanwezig was (4).

De aanhangers van Eligius Pruystinck waren geen atheïsten en geloofden in het bestaan van God, dat zowat hun enige dogma was. Hun leer was gebaseerd op de onverenigbaarheid van Gods gerechtigheid en zijn barmhartigheid. Het geloof is een gave Gods en niemand kan beweren dat hij het volledig bezit. Men kan dus niet door zUn geloof van de verdoemenis gered worden; dat kan enkel door Gods barmhartigheid.

Romeinen VII

Wanneer men God echter door zijn geloof en het gebed tot barmhartigheid zou kunnen brengen, zou Hij onstandvastig zijn, wat strijdig is met Zijn volmaakte natuur.

In navolging van de Homines Intelligentiae en zich hierbij baserend op Paulus’ brief aan de Romeinen (meer bepaald Romeinen VII), poogden de Loisten dit probleem op te lossen door de mens voor te stellen als een tweedelig wezen dat bestaat uit een dierlijke, uitwendige mens, en een geestelijke, innerlijke mens.

De dierlijke mens is ongehoorzaam aan God en ondergaat dan ook Gods gerechtigheid. De geestelijke mens kan echter niet zondigen omdat hij uit God zèlf voortkomt. Zo zal ieder mens op het dierlijke vlak verdoemd en op het geestelijke vlak gered worden en zullen zowel Gods gerechtigheid als zijn barmhartigheid voldaan worden. De dierlijke mens wordt reeds op aarde – dit is de eigenlijke hel – verdoemd.

Van de traditionele hel en het vagevuur is dus geen sprake meer. Bovendien kan de mens als dierlijke mens niet verrijzen, dus ook de verrijzenis van het vlees wordt, door de Loisten uitgesloten.

De Rijke Beukelaarstraat vandaag (Foto Alfons Van Camp/Seniorennet).

De dierlijke mens of homo exterior heeft zoals bij de Homines Intelligentiae geen invloed op de geestelijke mens of homo interior; ook omgekeerd is beïnvloeding onmogelijk. De Loisten meenden dat zij in het derde tijdperk van de Joachitische indeling van de geschiedenis leefden, dus in dat van de Heilige Geest.

Volgens hen was de Heilige Geest het menselijk verstand, en had iedereen er deel aan, zodat iedereen geloofde en niemand kon zondigen. Dat de Heilige Geest zou zondigen, was nu eenmaal uitgesloten. Vermits zijn verstand hem op die manier niet toebehoorde, was de mens overigens niet tot zondigen in staat.

Panentheisme

Tengevolge daarvan werd niemand verdoemd en zou iedereen gered worden. De verrijzenis der zielen was dan ook slechts de terugkeer van alle zielen tot God, uit wie zij gesproten waren. We hebben bij de Loïsten dan ook duidelijk met een panentheïstische visie te maken.

De geestelijke mens bestond niet op zichzelf, maar alleen in God. De mens moest God bijgevolg niet gehoorzamen; zulks zou immers impliceren dat God zichzelf bevelen zou geven. Tenslotte bestaat dan ook het geloof niet als zodanig; volgens de Loisten kon men er geen ander hebben dan dat in Christus’ uitspraak: Doe aan een ander wat ge wenst dat aan u gedaan worde (Mattheus, 7:12).

Anonieme meester, Antwerpen in 1515, Antwerpen, MAS (voordien Nationaal Scheepvaartmuseum).

In deze hele context werden dan ook de sacramenten overbodig. De Loisten vonden derhalve dat iedereen zijn eigen priester was en erkenden het huwelijk niet. Dit laatste lag waarschijnlijk ten grondslag aan hun reputatie als zedelozen. Vasten, bidden en andere voorschriften van de Kerk werden eveneens verworpen. De Heilige Maagd en de heiligen oefenden niet de minste invloed uit.

Ook op de Heilige Drievuldigheid hadden de Loisten een eigen visie. De Zoon moest gezien worden als God in zijn hoedanigheid van verlosser der mensen;, de Heilige Geest was God als bezitter van het verstand. Verder verwierpen zij iedere wereldlijke overheid, maar andere maatschappelijke denkbeelden hielden zij er, in tegenstelling tot de Anabaptisten, niet op na.

Kosmopolitisme

Samenvattend kan dan ook gesteld worden dat we bij Eligius Pruystinck en zijn volgelingen geconfronteerd worden met een leer die stoelde op een oude, middeleeuwse traditie, waarvan hoogstens gezegd kan worden dat zij ze iets verder uitbreidden.

Van andere bewegingen uit de reformatietijd stond het Loisme min of meer los. Daartegenover staat het feit dat het succes van Pruystinck en de zijnen waarschijnlijk te danken was aan de relatieve vrijheid en het kosmopolitisme die in de metropolis Antwerpen heersten en een uitstekende voedingsbodem voor nieuwe godsdienstige strekkingen en ideeën vormden.

Hun afwijzing van de zonde en van het wereldlijk gezag zullen bij een deel van de rijke Antwerpse bovenlaag zeker in de smaak gevallen zijn. Deze opvattingen moeten ongetwijfeld ingespeeld hebben op het verlangen naar economische vrijheid en het opkomende individualisme van de kooplieden-ondernemers, wier wereld gekenmerkt werd door tal van verschijnselen die het begin van een nieuwe tijd aankondigden.

B  I  B  L  I  O  G  R  A  F  I  E

Bronnen

Alle literaire en archivalische bronnen in verband met de Loïsten werden gepubliceerd in :

FREDERICHS (J.), De Secte der Loïsten of Antwerpsche Libertijnen (1525-1545). Eligius Pruystinck. (Loy de Schaliedecker) en zijne aanhangers, Gent – ’s Gravenhage 1891.

Studies

DIERCXSENS (J.), Antverpia Christo nascens et crescens, vol. 4, Antverpiae 1773.

UYTTENHOOVEN (A.), Geschiedenis der Hervormde Kerke te Antwerpen van de twaalfde eeuw tot den tegenwoordigen tijd, vol. 1, Arnsteldam 1794.

MERTENS (F.) en TORFS (K.), Geschiedenis van Antwerpen sedert de Stichting der Stad tot onze tijden, vol. 4, Antwerpen 1846.

FREDERICHS (J.), De Secte der Loïsten of Antwerpsche Libertijnen (1525-1545). Eligius pruystinck (Loy de Schaliedecker) en zijne aanhangers, Gent – ’s Gravenhage 1891.

LEFF (G.), Heresy in the Later Middle Age. The Relation of Heterodoxy to Dissent c. 1250 – c. 1450, Manchester – New York 1972, 2 delen.

LERNER (H.), The Heresy of the Free Spirit, Berkeley 1972.

HAMILTON (A.), The Family of Love, Cambridge s.d. [1981].

Verschenen in Vrijdenkerslexicon, Woordenboek van Belgische en Nederlandse Vrijdenkers, deel II, Brussel, Centrum voor de Studie van de Verlichting en het Vrije Denken, 1981.

Geschiedenis – De Antwerpse ketters Tanchelm en Guillielmus Cornelis (tekst van een uiteenzetting uit 1980)

1.   T  A  N  C  H  E  L  M

Over de levensloop van Tanchelm, de beruchtste en meest bestudeerde ketter uit de middeleeuwse godsdienstgeschiedenis der Nederlanden, is bitter weinig bekend. Bovendien blijven de meeste bekende gegevens betwijfelbaar of tenminste oncontroleerbaar.

Ko van Dijk en Han Bentz van den Berg in "Tanchelijn", het toneelstuk dat Harry Mulisch over Tanchelm schreef (Foto Collectie Theater Instituut Nederland).

Wanneer en waar Tanchelm geboren werd, is niet geweten. Meyerus zegt dat hij in 1110 begon te prediken. De Annales Veterocellenses vermelden dat hij reeds in 1112 actief was. Hij moet op diverse plaatsen werkzaam geweest zijn. Eerst predikte hij in de weinig bevolkte kustgebieden van het bisdom Utrecht, volgens Abélard in Vlaanderen, volgens de Continuatio Valcellensis der kroniek van Sigebert van Gembloers op Walcheren en de omringende eilanden.

Op het ogenblik van de redactie der allerbelangrijkste bron die we over Tanchelm bezitten, en die tussen 16 mei 1112 en een niet nader te bepalen tijdstip in 1114 opgesteld werd, bevond hij zich te Keulen, waar hij door de aartsbisschop werd vastgehouden.

Dit document is een waar requisitoor tegen de ketter, opgesteld door de kanunniken van het Utrechtse kapittel die Frederik, aartsbisschop van Keulen, van al Tanchelms wandaden op de hoogte wilden brengen. Indien Tanchelm, zoals zij zeggen, naar Rome reisde, moet zulks kort voor of in de genoemde periode gebeurd zijn.

Norbertus.

Volgens diverse bronnen predikte Tanchelm ook te Antwerpen, waar de H. Norbertus na zijn dood tegen zijn volgelingen zou opgetreden zijn. De levensbeschrijvingen van de heilige vermelden Tanchelms ketterij overigens als hoofdoorzaak van Norbertus’ reis naar Antwerpen.

Volgens Meyerus predikte Tanchelm in 1113 te Brugge en werd hij uit de stad verdreven. Divaeus beweert dat de ketter zijn leer ook te Leuven zou verspreid hebben. Samen met Molanus, Haraeus en Miraeus poneert hij dat Tanchelm tenslotte door hertog Godfried met de Baard uit diens landen verbannen werd. Molanus preciseert dat zulks in 1115 gebeurde. De Continuatio Praemonstratensis der kroniek van Sigebert van Gembloers vermeldt tenslotte dat Tanchelm in 1115 vermoord werd door een priester met wie hij zich aan boord van een schip bevond.

Gezien al het voorgaande dient Tanchelms activiteit in de periode 1110-1115 gesitueerd te worden. Dat zijn invloed na 1115 wellicht nog geruime tijd doorwerkte, kan afgeleid worden uit de bronnen die betrekking hebben op het optreden van Norbertus te Antwerpen.

Wat de bronnen ons over de inhoud van Tanchelms ketterij meedelen, is voor verschillende interpretaties vatbaar, interpretaties die overigens niet enkel wat Tanchelm verkondigde, maar ook zijn ganse optreden betreffen. Reeds in de loop van het Ancien Régime was deze ketter een zeer omstreden figuur.

Godfried met de Baard. Fantasieportret uit de 17de eeuw (Antwerpen, Stadsarchief).

Waar alle middeleeuwse bronnen hem zonder uitzondering als een aartsketter en een antichrist afschilderen ontstond er na de Reformatie een grondig meningsverschil over hem tussen katholieke historici, die geen millimeter van de middeleeuwse opvatting afweken, en protestantse schrijvers als Uyttenhooven en Tydeman die hem ophemelden en zich inspanden voor zijn rehabilitatie: in hun ogen was hij immers niets minder dan een vroege wegbereider van het protestantisme in de Nederlanden.

In de negentiende-eeuwse geschiedschrijving werd meer dan ooit tevoren aandacht aan Tanchelm besteed. In de Antwerpse stadsgeschiedenissen van Mertens en Torfs, Gems, en Le Poitevin de la Croix treffen we reeds een vrij objectieve toon aan.

Het onderzoek over de ketter werd voortgezet in korte monografieën die welhaast met de regelmaat van de klok bleven verschijnen, de hele vorige eeuw door. Paul Frédéricq, de grondlegger van de studie der inquisitie en der ketterijen in de hele Nederlanden, behandelde hem in zijn Geschiedenis der Inquisitie in de Nederlanden uit 1892 weliswaar zeer oppervlakkig, maar toch nadat hij alle vermeldingen van Tanchelm in de bronnen had samengebracht in zijn Corpus Documentorum Inquisitionis haereticae pravitatis Neerlandica, waarvan het eerste deel in 1889 verschenen was.

Belangrijk voor de hedendaagse Tanchelmstudie zijn de meer recente studies die aan hem gewijd werden. De belangrijkste daarvan zijn het korte artikel van W. Goossens, de al bijna even beknopte studie van Henri Pirenne, het lange artikel van L. Philippen en tenslotte de monografieën van de Duitse historicus W. Mohr en onze landgenoot J. De Smet, wiens artikel de laatste bijdrage is uit een lange reeks van studies over Tanchelm.

Norbertus vetrappelt Tanchelm. Olieverfschets van P.-P. Rubens.

Inmiddels kwam deze ketter ook in een aantal buitenlandse werken over religieuze dissidenten in de middeleeuwen aan bod. Wat de auteurs hiervan over hem schrijven is echter meestal op de hoogst aanvechtbare visie van Pirenne gebaseerd.

Zoals gezegd is de belangrijkste bron over Tanchelmn de brief die door het kapittel van Utrecht aan de Keulse aartsbisschop Frederik gericht werd. Omdat het initiatief tot het opstellen van dit document van het kapittel en niet van de bisschop van Utrecht uitging, neemt men aan dat het ontstond toen het diocees vacant was na de dood van bisschop Burchard op 16 mei 1112 en voor de benoeming van zijn opvolger Godebald in 1114.

De brief werd bewaard doordat hij door de Bambergse kanunnik Udalrich in een bloemlezing van brieven en oorkonden met literaire of historische betekenis voor de bedienden der Bambergse bisschoppelijke kanselarij, de zgn. Codex Udalrici Bambergensis, opgenomen werd. Zulks gebeurde tussen 1125 en 1134.

Harry Mulisch schreef over Tanchelm het indrukwekkende toneelstuk "Tanchelijn" (Foto Roger Cremers)

Hoewel het moment waarop deze bron ontstond, de plaats waar en het milieu waarin zulks gebeurde, evenals de auteurs en de destinataris bekend zijn, terwijl er niet aan haar echtheid getwijfeld wordt, lopen de diverse interpretaties ervan zo sterk uiteen dat een korte karakterisering ervan welhaast onmogelijk wordt.

Deze brief is als bron zo belangrijk dat de manier waarop men hem interpreteert doorslaggevend is voor de manier waarop de hele zaak- Tanchelm beoordeeld wordt, en bovendien bepalend is bij de keuze der feiten waarvan men veronderstelt dat ze inderdaad plaatsvonden en die dus voor interpretatie in aanmerking komen.

De inhoud van het document komt op het volgende neer: Tanchelm werd omwille van zijn optreden als ketter gevangen genomen door Frederik, aartsbisschop van Keulen. Hij verkondigde immers dat de kerkelijke gezagsdragers niets betekenden en dat de ware kerk slechts bij hem en zijn volgelingen te vinden was.

Eerst predikte hij in dunbevolkte kuststreken waar het geloof nooit zo diep wortel had geschoten. Hij begon bij de vrouwen en het was via hen dat hij tenslotte ook de mannen met zijn leer besmette. Vervolgens trad hij in de openbaarheid. In het open veld hield hij sermoenen voor een grote schare toehoorders.

Wanneer hij ging prediken werd hij door zijn volgelingen begeleid als een koning die omringd wordt door zijn volk dat de kentekenen van zijn vorstelijke macht voor zich uitdraagt. Zijn toehoorders luisterden naar Tanchelm als naar een engel Gods.

Abélard, zoals men hem zag in de 19de eeuw. (foto AbsoluteFacts.nl).

Hij beweerde dat de kerken bordelen waren en leerde dat de sacramenten die tijdens de mis door de priesters werden toegediend, slechts een bezoedeling waren, en dat ze hun kracht slechts uit de verdiensten der bedienaars putten. Hij maakte het volk dan ook afkerig van de sacramenten en verbood het betalen van de kerkelijke tienden.

Omdat de mensen niet beter vroegen, kon hij ze van dit laatste gemakkelijk overtuigen. Hij werd zo stoutmoedig, dat hij zichzelf God noemde. Daarbij redeneerde hij als volgt: als Christus God was, omdat hij de H. Geest had, was hij, Tanchelm, eveneens aan God gelijk, daar ook hij de volheid van de H. Geest ontvangen had.

Door deze vorm van eigenwaan misleidde Tanchelm het volk zozeer, dat sommigen hem als een godheid begonnen te vereren. Hierin gingen zij zo ver dat zij het water waarin hij zich gebaad had aan de domme massa uitdeelden alsof het voor ziel en lichaam heilzamer was dan de sacramenten.

Op een gegeven ogenblik liet Tanchelm een beeld van de H. Maagd temidden van een groep toehoorders brengen. Door de hand van het beeld aan te raken verloofde hij zich op symbolische wijze met Maria terwijl hij de gelofte en al de plechtige formules der verloving uitsprak. Vervolgens vroeg hij de menigte om bruidsgeschenken te brengen en de kosten van het feest te betalen.

Links en rechts van het beeld plaatste hij een schaal. De mannen moesten in de ene schaal, de vrouwen in de andere offeren, en zulks opdat hij zien zou welke van beide geslachten hem het meest in zijn hart droeg. De omstaanders rukten aan met geschenken. De vrouwen offerden zelfs de oorhangers en halssnoeren die ze droegen.

Samen met Tanchelm zat bij aartsbisschop Frederik ook de smid Manasses gevangen, die naar voorbeeld van de ketter een broederschap stichtte die gilde werd genoemd. Hiervan maakten twaalf mannen deel uit die de apostelen voorstelden en één vrouw die Maria verbeeldde, en beurtelings met elk van de twaalf mannen sliep.

Naast hen beiden hield Frederik nog de afvallige priester Everwacher in verzekerde bewaring. Deze was eveneens een volgeling van Tanchelm, die hij naar Rome was gevolgd.

De middeleeuwe bisdommen van de Nederlanden. (Foto Het Museum van de Vaderlandse Geschiedenis).

Hij wou de zg. zeelanden, d.w.z. ongeveer één vierde van het bisdom Utrecht op gezag van de paus bij het Franse bisdom Terwaan laten voegen. Tanchelms discipel in alles, maakte hij zich meester van de tienden der kanunniken van de St-Pieterskerk waar hij tevens gewapenderhand de priester van het altaar verjoeg.

Tanchelm zelf tenslotte, vermomde zich valselijk als een monnik om zijn optreden des te efficiënter te maken. De bronnen die aan deze informatie over de aard van Tanchelms optreden details toevoegen kunnen, zoals door Philippen werd aangetoond, alle tot de brief der Utrechtse kanunniken teruggevoerd worden.

De voornaamste beschuldigingen uit dit document werden door de auteurs van de Vita Norberti A, de Vita Norberti B en de Continuatio Premonstratensis Chronici Sigiberti Gemblacensis soms bijna letterlijk, maar vaak ook met de nodige aanvullingen overgenomen. Dit laatste gebeurde echter steeds zo dat hun herkomst duidelijk te achterhalen is.

Volgens de Utrechtse kanunniken reisden Tanchelm en Everwacher naar Rome, waar Everwacher bij de paus de afscheiding van een deel van het bisdom Utrecht bepleitte. Zulks bracht met zich mee dat men Tanchelm in de meer recente historiografie niet langer uitsluitend als een ketter, maar ook als een politieke figuur ging beschouwen. Voor sommige historici heeft hij zijn ketters karakter trouwens voledig verloren.

Dat het vorsteel om de “maritima loca” van Utrecht bij het bisdom Terwaan onder te brengen in de periode van Tanchelms optreden tot de mogelijkheden behoorde, werd reeds door W. Goossens aangetoond.

Deze auteur besteedt geen aandacht aan wat de Utrechtse kanunniken over Tanchelmn als ketter schrijven. Volgens hem dient Everwachers voorstel gezien te worden in het perspectief der politiek van de Vlaamse graaf Robrecht II die de gebieden in kwestie, de Zeeuwse eilanden en het deel van Vlaanderen dat aan het diocees Terwaan grensde, liever onder het geestelijk gezag van dat laatste geplaatst zag, omdat ze hem door de graaf van Holland betwist werden.

Pirenne was blijkbaar niet op de hoogte van Goossens’ studie. Hij beweert dat men de gebieden die men van Utrecht wilde losmaken niet bij het bisdom Terwaan, maar bij het bisdom Doornik wou voegen.

Henri Pirenne.

Als opdrachtgever van Tanchelm en Everwacher ziet hij eveneens graaf Robrecht II, die in de investituurstrijd aan de zijde van de paus stond en de invloed van de Utrechtse, d.w.z. keizersgezinde bisschop in zijn landen verzwakken wou. Volgens hem vonden de onderhandelingen waarvan sprake plaats in 1100.

In Everwacher en Tanchelm ziet hij verder ondergeschikten van de graaf die op het ogenblik van hun missie te Rome onmogelijk ketters kunnen geweest zijn. Dat ze echter naderhand in heterodoxie vervielen, staat volgens hem vast. Pirenne vermoedt dat zij aanvankelijk naar een disciplinaire hervorming van de kerk streefden en hierdoor tenslotte van de orthodoxe kerkleer gingen afwijken.

Mohr, die Tanchelm eveneens in de sfeer van de Gregoriaanse kerkhervorming plaatst, meent daarentegen dat hij nooit een ketter werd. Hij besteedt echter vooral aandacht aan de elementen uit de diverse bronnen die volgens hem toelaten de leer van Tanchelijn te interpreteren.

In 1961 verscheen de studie van De Smet over Tanchelm. Deze auteur toont aan dat Pirenne zich vergiste wanneer hij vooropstelde dat in de brief van het Utrechts kapittel sprake zou zijn van het bisdom Doornik. Het gaat hier wel degelijk om Terwaan.

Gezien de concordantie met verschillende gegevens uit de vita van Jan van Waasten, bisschop van Terwaan, met het voorstel aan de paus, meent De Smet dat een deel van het bisdom Utrecht inderdaad aan het bestuur van de bisschop van Terwaan werd toevertrouwd.

Hij toont verder aan dat Tanchelms opdrachtgever onmogelijk graaf Robrecht II kan geweest zijn, en maakt zijn politieke betekenis volledig afhankelijk van de investituurstrijd. Na het overlijden van de Utrechtse bisschop in 1112 stelde zich de vraag of zijn opvolger door de paus of door de keizer zou benoemd worden.

De Smet meent dat bij de hervormingsgezinden onder de Utrechtse geestelijkheid het plan rees om te Rome de benoeming van een kandidaat te vragen die een hervorming van de Utrechtse kerk naar Gregoriaans model zou steunen. Als onderhandelaars werden Tanchelm en Everwacher gekozen.

Toen bleek dat de curie op dat moment nog niet kon ingaan op het voorstel dat zij formuleerden, moest er een ander gedaan worden. De Smet poneert de veronderstelling dat dit tweede voorstel datgene is wat in de brief der Utrechtse kanunniken beschreven wordt. Daarbij laat hij echter de mogelijk heid open dat Tanchelm misschien aan de oprichting van een nieuw bisdom dacht.

Robrecht II van Jeruzalem, graaf van Vlaanderen (Foto Wikipedia).

Omdat de curie voorzichtig was en de breuk tussen Kerk en imperium niet vergroten wou, zou dan de oplossing die als compromis aangenomen werd ,erin bestaan hebben dat de maritima loca in kwestie, waar de keizer geen rechten bezat omdat ze onder het graafschap Vlaanderen resorteerden, ad interim onder de jurisdictie van de bisschop van Terwaan gebracht werden.

Meteen had men zo een middel gevonden om druk uit te oefenen op de keizersgezinde partij te Utrecht en via haar op de aartsbisschop van Keulen: de voorlopige oplossing was een stille bedreiging met iets wat gebeuren kon, nl. de definitieve afscheiding der gebieden in kwestie.

De Smet is van oordeel dat Tanchelm een Gregoriaan was, en geen ketter. Schrijver meent o.m. dat zijn verklaring als waren paus, prelaten en priesters niets voor hem, in zijn gedachten niet verder gaan dan verschillende uitspraken van rechtgelovigen zoals Godfried van Vendörne, Guido van Vienne e.a. Hij ziet hem als de leider van een groep rondreizende predikanten, die een beginnende kloostergemeenschap vormden.

Harry Mulisch' "Tanchelijn" verscheen in 1961 bij De Bezige Bij.

Voorzover Mohr zich op andere bronnen dan de brief der Utrechtse kanunniken baseert om het Gregoriaans karakter van Tanchelms opvattingen en optreden aan te tonen, verwerpen wij zijn argumentatie. Net zoals De Smet wijkt Mohr bij zijn interpretatie van de brief echter ver af van de letterlijke betekenis hiervan, en kunnen wij zijn conclusies hoogstens als hypothesen beschouwen.

De brief der Utrechtse kanunniken is overigens voor een alternatieve interpretatie vatbaar. Zo zijn er gronden waarop men de waarheid van het bericht over Tanchelms reis naar Rome in twijfel kan trekken, waardoor meteen iedere zuiver politieke betekenis van deze figuur op losse schroeven komt te staan.

Verder brandmerken alle bronnen Tanchelm unaniem als ketter. Zulks geldt niet alleen voor de literaire, maar ook voor de archivalische bronnen. Het staat vast dat de pausgezinde hervormers uit de sfeer van de H. Norbertus Tanchelm omstreeks 1123 als zodanig beschouwden.

Of er een werkelijk verband bestaat tussen drie zo verschillende figuren als Tanchelm, Everwacher en Manasses, is o.i. aanvechtbaar, zoniet onwaarschijnlijk. Dat Tanchelm zichzelf vereenzelvigde met God, kan ook vanuit de richting van het pantheïsme verklaard worden. Ideeën die hiermee verband houden komen doorheen de tijd vaak en in velerlei gedaanten voor. Men denke slechts aan de nog onvoldoende bekende ketterij van de Vrije Geest, die in de late middeleeuwen vele aanhangers kende.

De "Vita Norberti A" (Foto Wikipedia).

Tanchelms uitspraak dat de sacramenten van de verdienste van de priester die ze toedient afhankelijk zijn, is ketters. De aard van zijn optreden, dat door prediking voor de massa wordt gekenmerkt maakt Tanchelm een typische figuur uit wat Moore an age of anticlericalism noemt.

Vanaf het begin der XIIe eeuw verschenen immers overal in Europa ketterse leiders, wier kritiek op de kerk veel respons bij de menigte vond en nauw samenhing met de beroering die ontstond als gevolg van het pauselijk hervormingsprogramma der late XIe eeuw: de bekendheid die Gregorius VII aan de gebreken van de clerus en aan de nadelige gevolgen van de betrokkenheid van de kerk in de feodale maatschappijstruktuur gaf, alsmede het onvermogen om de situatie althans wat de lagere clerus betrof te verbeteren, dienen gezien te worden als belangrijke oorzaken van het toenemen der ketterijen en hun succes.

2.     G  U  I  L  L  I  E  L  M  U  S    C  O  R  N  E  L  I  S

Zoals bij zeer vele figuren uit de middeleeuwen het geval is, blijft het grootste deel van Willem Cornelis’ leven in het duister gehuld. Eén van de weinige bronnen die ons iets over zijn leven mededelen is Thomas van Cantimpré’s Bonum Universale.

Nadat deze auteur in het vierde hoofdstuk van Boek I van dit werk verteld heeft hoe Guiardus van Láon, bisschop van Kamerijk (1237-1248) onderweg stierf toen hij naar Antwerpen reisde om er niet nader genoemde ketters te gaan bestrijden, wat in 1248 gebeurde, heeft hij het in het zevenenveertigste hoofdstuk van Boek II expliciet over Willem Cornelis.

Hij zegt dat deze ketter een tijdgenoot van hem was en onder het voorwendsel in volmaakte armoede te willen leven op schijnheilige wijze zijn prebendebeneficie wegschonk, hoewel hij in feite een wellustig mens was; verder verkondigde Willem Cornelis dat de armoede elke zonde tenietdeed; dat een arme hoer beter was dan een deugdzame rijke vrouw; dat de priesters verdoemd zijn omwille van hun rijkdom en dat vleselijke wellust voor de armen geen zonde is.

Vier jaar na Willems dood, die we in 1245 dienen te situeren, visiteerde Nicholaas des Fontaines, bisschop van Kamerijk (1249-1272) Antwerpen; tijdens zijn bezoek deed hij de ketterij van Willem Cornelis onderzoeken en liet hij tengevolge daarvan het lijk van de ketter, die na zijn overlijden met alle eer in de Onze-Lieve-Vrouwkerk begraven was, ontgraven en verbranden. Totdaar de informatie die Thomas van Cantimpré ons levert.

Miniaturen in een handschrift van het "Bonum universale" van Thomas van Cantimpré (Brussel, Koninklijke Bibliotheek).

Uit de vermelding van het door bisschop Nicholaas in 1249 verrichte onderzoek, menen we in ieder geval te mogen afleiden dat de eerder door Thomas genoemde Antwerpse ketters met Willems volgelingen moeten geïdentificeerd worden.

Verder dient het begin van de ketterij waarover sprake na 1239 gesitueerd te worden, omdat Guiardus van Lâon toen zijn laatste bezoek aan de stad bracht en er geen ketters aantrof. Thomas’ vermelding van Willem Cornelis prebende-beneficie en begrafenis in de kerk vormde voor latere historici de aanleiding om hem voor een kanunnik te houden. Prims poneert echter de waarschijnlijker stelling dat hij kapelaan was. Oorkonden in het Antwerps kathedraalarchief maken melding van een magister Willem Cornelis die reeds in 1240 in functie moet geweest zijn.

Prims meent verder dat hij afkomstig was uit een aanzienlijke Antwerpse familie. Zijn titel magister wijst er op dat hij een universitaire opleiding genoot, waarschijnlijk in de theologie en zulks wellicht te Parijs. Wie Willems volgelingen waren en welk hun aantal was, is niet uit te maken. Prims brengt een aantal argumenten naar voren waaruit met zekere waarschijnlijkheid blijkt dat zij in het milieu van het Antwerps Onze-Lieve-Vrouwekapittel waaraan Willem verbonden was, dienen gezocht te worden.

Floris Prims.

Tijdens zijn leven werd Willem Cornelis niet vervolgd, In tegenstelling tot wat Diercxsens beweert, is het weinig waarschijnlijk dat de vestiging der Dominicanen te Antwerpen, die vanaf augustus 1243 werd voorbereid, iets met de ketterij van Willem te maken had. Waarom de vervolging hiervan zo lang op zich wachten liet, is niet meteen duidelijk.

Misschien bleef Willem Cornelis’ ketterij geheim of vond het kapittel ze weinig verontrustend, wat bij voorbeeld verklaard zou kunnen worden door het feit dat Willems stellingen aanvankelijk weinig heterodox waren en pas na verloop van tijd een uitgesproken ketters karakter kregen. Dit laatste zou er eventueel na zijn dood door zijn volgelingen aan gegeven kunnen zijn.

Ook behoort het tot de mogelijkheden dat het kapittel een schandaal wilde vermijden en/of geen inmenging wilde’ van de recentelijk te Antwerpen gevestigde Predikheren, met wie de seculiere geestelijkheid in de steden waar zij een klooster oprichtten doorgaans conflicten had.

"Der Byen Boec", Nederlandse vertaling van het "Bonum" van Thomas van Cantimpré (DBNL).

Dat het hele kapittel de leer van Willem toegedaan was, is zeer onwaarschijnlijk. Misschien was het zo dat de zaak tijdens Willems leven intern geregeld werd, en pas jaren later uit de hand begon te lopen. Zulks zou meteen de eervolle begrafenis van de kapelaan in de kapittelkerk verklaren.

Zowel het optreden van bisschop Nicholaas als de stelligheid waarmee de goedingelichte Thomas van Cantimpré Willem als ketter brandmerkt, zijn argumenten om hem zelf hoe dan ook voor de aanstichter van de ketterij te houden.

Naast de gegevens die we bij Thomas vinden, komt in een dertiende eeuws handschrift met sermoenen dat zich in de Bibliothèque Nationale te Parijs bevindt, een lijst met ketterse stellingen voor waarvan gezegd wordt dat het die van een Antwerps ketter zijn.

Qua srekking vertonen ze een zeer grote overeenkomst met wat Thomas over de inhoud van Willem Cornelis’ ketterij meedeelt. Men mag dan ook besluiten dat het hier gaat om stellingen die zoniet van hem, dan toch van zijn volgelingen afkomstig zijn.

Deze eenentwintig stellingen, die door Paul Frédéricq gepubliceerd werden, kunnen opgedeeld worden in drie groepen: stellingen met een sociale strekking, stellingen over de sexuele moraal en stellingen die betrekking hebben op geloof en kerkelijk recht.

Willems stelling dat men de rijken goederen mag ontnemen om ze aan de armen te schenken, is op zichzelf genomen zeer extreem. Deze bewering staat echter alleen en wordt door geen enkele van de andere stellingen versterkt: zij geven immers enkel blijk van een uitgesproken voorkeur voor de armen en afkeer van de rijken.

Willem Cornelis had wel oog voor de ongelijke verdeling van de aardse goederen, maar de oorzaken hiervan begreep hij niet en het kwam dus ook niet bij hem op daaraan iets te veranderen. Wel is het mogelijk dat hij de herverdeling van de rijkdom als een plicht van de rijken beschouwde, een plicht waarvan de vervulling hen van hun schuld verloste.

Daar waar de rijke zich in staat van doodzonde bevindt zijn voor de arme bepaalde dingen geen zonde, precies omdat hij arm is. De arme is in Willems ogen duidelijk iemand die dichter bij de oorspronkelijke idealen van het Christendom leeft.

Paul Frédéricq, foto van Nestor Schaffers (foto UGent).

Willem Cornelis’ houding t.o.v. de seksualiteit is vrij dubbelzinnig. Homofilie laat hij toe, maar verder is hij tegen seksuele handelingen die de voortplanting niet bevorderen; daarnaast is overspel voor de arme geen zonde, en mag een vrouw die zich uit armoede prostitueert niet als zondares beschouwd worden. Het is onmogelijk hieruit enige steekhoudende conclusie te trekken. Mogelijk is zulks het gevolg van de eventuele onvolledigheid der bron.

Willem Cornelis stelde zich niet buiten de kerk op. Hij was niet de leider van een onafhankelijke sekte. Zijn ketterij uit zich slechts in afwijkingen van de leer en kritiek op de gezagsdragers van de kerk. Het instituut zelf stelt hij nergens in vraag. Hij heeft kritiek op de rijkdom van de clerus en wellicht ook op de kerkelijke liefdadigheid.

Door hun rijkdom zondigen de priesters, maar het priesterlijk gezag als zodanig wordt niet aangevallen. Dat Willem aan de gewone priesters de macht tot het vergeven van alle zonden wou geven wijst er op dat hij de rol van de lagere clerus wenste te benadrukken. De aflaten en de kerkelijke ban zijn voor hem uit den boze.

Zijn uitspraak dat een onwaardig priester geen mis mocht lezen, noch zonden vergeven, noch penitenties opleggen bewijst dat Willem invloed onderging van oudere hervormingsbewegingen binnen de kerk. De meest merkwardige stelling van Willem Cornelis is die welke zegt dat niet alle waarheid in de H. Schrift klaarblijkend is en dat niet alle waarheid kan gepredikt worden.

Deze uitspraak vertoont o.i. de invloed van het denken van de Arabische wijsgeer uit Spanje Averroës (1126-1198) wiens visie dat er naast de geopenbaarde waarheid nog een andere waarheid bestaat, nl. die welke door het redelijk denken wordt achterhaald, tot onoverkomelijke moeilijkheden leidde van zodra bleek dat deze beide waarheden niet met elkaar verzoend konden worden. Hierom werd Averroës er door zijn tegenstanders van beschuldigd een leer van de Dubbele Waarheid aan te kleven.

Standbeeld van Averroës in Cordoba.

De leer van de Dubbele Waarheid vond uiteraard ook in het Christelijke Westen navolgers, meer bepaald bij de averroïstisch geïnspireerde magistri artium van de Parijse theologische faculteit uit de tweede helft der dertiende eeuw. Hun filosofische besluiten waren niet zelden in lijnrechte tegenspraak met de waarheid zoals die in de H. Schrift geopenbaard was.

Terwijl hun rede hen ertoe dwong deze bevindingen als waar te onderkennen, verplichtte hun geloof hen ertoe ook andere waarheden te aanvaarden. Dit haalde hen dan ook meermalen de achterdocht en veroordelingen vanwege de kerkelijke overheid op de hals.

Voor 1269 is er geen sprake van enige expliciete formulering van de visie dat er twee naast elkaar bestaande en met elkaar in tegenspraak zijnde waarheden bestaan. Het zou dan ook onverantwoord zijn Willem Cornelis te beschouwen als een werkelijke aanhanger van de leer der Dubbele Waarheid.

Nochtans zijn er o.i. argumenten die erop wijzen dat hij tenminste met de geschriften van Averroës vertrouwd was, en dat men hem wellicht in de geestesstroming die door het Arabisch aristotelisme beïnvloed werd en uiteindelijk aanleiding zou geven tot de ketterse visies der Parijse magistri artium mag onderbrengen.

Volgens de kerk was het Woord Gods geopenbaard in het Oude en het Nieuwe Testament, de H. Schrift. Aan de waarheid van de H. Schrift kon dus onmogelijk getwijfeld worden. Zij werd onvoorwaardelijk geloofd, en kon niet in vraag gesteld worden. Dit is dan ook niet wat Willem Cornelis probeert te doen: voor hem is alle waarheid niet klaarblijkend, echter evenwel nog steeds waarheid. Met klaarblijkend bedoelde hij dus: ondoorzichtig, onduidelijk, niet dadelijk te begrijpen, niet evident.

Hiermee geeft Willem Cornelis blijk van het verlangen de waarheid uit de H. Schrift te begrijpen door middel van de rede. Een waarheid die men onvoorwaardelijk gelooft, moet echter niet noodzakelijk begrepen worden. De gelovige dient ze zonder meer aan te nemen. Willem stelt zich dan ook niet op het standpunt van de gewone gelovige, maar op, dat van de man die zou willen begrijpen, op dat van de filosoof.

Er dienen zich nu twee mogelijkheden aan: ofwel bedoelde Willem dat sommige aspecten van de geopenbaarde waarheid niet redelijk te vatten waren door de gewone gelovige, die er niet lang bij stilstond en ze aanvaardde zonder ze te begrijpen, maar wel voor de rationeel te werk gaande denker, ofwel poneerde hij dat ook deze sommige waarheden uit de Schrift niet redelijk verklaren kon.

Wij menen te moeten opteren voor de eerste mogelijkheid. Immers, alle waarheid kan niet gepredikt worden, vervolgt Willem. Gaat het hier noodzakelijk om dezelfde waarheid als die waarvan eerder sprake? Dit is op zijn minst twijfelachtig: het wordt immers niet expliciet gezegd, en bovendien kan men zich afvragen waarom niet alle waarheden die op geloof gebaseerd waren, gepredikt konden worden.

Paul Frédéricq en Henri Pirenne.

De andere waarheid waarover Willem Cornelis het hier heeft stelt natuurlijk een nieuw probleem. Wat was immers de aard van deze waarheid? Zij was niet op geloof gebaseerd. Hieruit volgt dat Willem een menselijke waarheid bedoelde, een waarheid die door de mensen wordt ingezien en als waar ervaren, zonder dat ze hen van boven werd opgelegd en tot geloof voorgehouden.

Een zodanige waarheid is er noodzakelijk één die door het menselijk denken, door de menselijke rede achterhaald wordt. De enige reden waarom ze niet kon gepredikt worden, kan dan ook alleen maar zijn dat zij met de geopenbaarde waarheid in botsing kwam, en haar in vraag stelde, of dat althans in de ogen van sommigen deed. Het is ons inziens dan ook zo dat Willem het hier over de waarheid heeft, zoals de filosoof haar interpreteert.

Het woord waarheid is hier dan ook nogal ongelukkig gekozen. Het zou vervangen moeten worden door filosofische interpretatie van de H. Schrift. Wij zijn van mening dat Willem Cornelis in navolging van Averroës aannam dat er bij de interpretatie van de Bijbel verschillende niveaus (moeten) bestaan.

Daar waar Averroës drie niveaus onderscheidde, vinden we er in de desbetreffende stelling van Willem slechts twéé. Zelfs indien dit geen gevolg is van gebrekkige overlevering, lijkt het ons geen wezenlijke tegenstelling tussen zijn visie en die van de Arabische wijsgeer te impliceren.

Willem blijkt het trouwens ook met Averroës eens te zijn waar deze zegt dat een bepaalde manier om de geopenbaarde waarheid te begrijpen voorbehouden moet blijven aan de categorie van mensen die in staat is ze te begrijpen en niet aan een minder ontwikkelde groep mag meegedeeld worden.

Paul Frédéricq, flamingant, protestant en liberaal, bracht als hoogleraar geschiedenis aan de Gentse universiteit met zijn studentende middeleeuwse ketterij in de Nederlanden in kaart.

Een andere verklaring voor Willems uitspraak dat niet alle waarheid gepredikt kan worden, kunnen wij niet geven. Het is allerwaarschijnlijkst dat hij onder prediken niets anders verstond dan: meedelen aan de gelovige massa, die in de onmogelijkheid verkeert om filosofische redeneringen te verstaan, en erdoor in verwarring wordt gebracht.

Uit het voorgaande kan men afleiden dat Willem nog geen onoverkomelijke tegenspraak tussen de besluiten van de rede en de geopenbaarde waarheid onderkende. Ook dit ligt in de lijn van Averroës’ gedachten. Het blijkt overigens ook op afdoende wijze uit het feit dat Willem de letter van de H. Schrift nergens in vraag stelt. Als hij ervan afwijkt om een alternatieve mening te verkondigen, doet hij dat zonder enige commentaar, en zijn met de Bijbel strijdige opvattingen zijn steeds van morele, nooit van theologische aard.

Zuiver historisch gezien zijn er geen argumenten om deze interpretatie van Willem Cornelis’ stelling in kwestie te verwerpen: de geschriften van Averroës waren in zijn tijd reeds bekend, en bovendien behaalde hij een universitaire graad, zodat de kans dat hij inderdaad met de filosofie van de Arabische denker in aan raking kwam, zeer groot is.

Misschien mag het feit dat Averroës later vooral aan de theologische faculteit van Parijs aanhangers vond gezien worden als aanwijzing dat Willem hier zijn studies voltooide, al kan het natuurlijk niet tot een absolute zekerheid leiden.

Verschenen in Handelingen XXXIV van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, 1980.

Literatuur – De vergeten Frans Carolina Ridwit (1908-1980) – “Hier openbaart zich ongetwijfeld een sterk dramatisch vermogen”.

In 1933 verscheen bij J.A. De Ridder, “uitgever”, Dijk-Noord 15 te Antwerpen, de roman Wereldsche Menschenvan Frans Carolina Ridwit. In feite heette de 26-jarige schrijver Frans Lodewijk De Ridder (°6 augustus 1908). Hij volgde oude humaniora aan het Sint-Lodewijksinstituut en was de broer van de uitgever. Het ongewone pseudoniem dat hij gebruikte, was een samentrekking van zijn naam en die van zijn vrouw, Carolina Withaegels.

Frans-Carolina Ridwit.

Wereldsche Menschen was zo goed als in eigen beheer uitgegeven. Toch maakte Jozef De Ridder er werk van. Hij liet zich inschrijven in het handelsregister, betaalde lidgeld aan de VBVB en kocht een valies om het boek mee te nemen naar de boekhandel. Tussen 27 december 1934 en 12 januari 1935 lukte het hem nog 22 exemplaren te slijten. Dat blijkt uit een overzicht dat de uitgever met potlood bijhield in een dummy. Aan de andere kant plakte hij (of zijn broer, de schrijver) recensies uit dag- en weekbladen.

Wereldsche Menschen werd opgemerkt, ook al omdat Ridwit het boek aan heel wat literatoren toestuurde.

Marnix Gijsen (1899-1984) schreef (in Forum?): “De eerste helft van het boek behandelt de lamentabele geschiedenis van een jongen man zonder veel roeping die in een kloosterschool geplaatst, onder verdenking van een ‘Knabenliebe’ wordt doorgezonden. Alhoewel het leven in de school al te eenzijdig gezien wordt van uit het standpunt der freudiaansche bekommernissen, is dit deel soms zeer suggestief. Het verder verloop van het verhaal is chaotisch en ongerijmd.”

Gijsen voegde er echter aan toe: “Ridwit heeft genoeg talent en opmerkingsgave om tot een aardig resultaat te komen. Hij schrijft vlot, ietwat grijs maar boeiend.”

In het Antwerpse weekblad Panstak Marc Edo Tralbaut (1902-1976), die later vooral naam maakte als kunsthistoricus- en criticus, de loftrompet: “Men denke van dezen roman (…) maar liefst niet te weinig! Een zwaar boek van driehonderd welgevulde bladzijden samengedrongen druk, boeiend van inhoud en geschreven door een jongen Antwerpenaar (…) die wat te zeggen heeft.”

Marc Edo Tralbaut in 1924.

(In welke omstandigheden Ridwit en Tralbaut elkaar ontmoetten, is niet bekend, maar het gebeurde zeker via Emmanuel De Bom. Vooral in de Tweede Wereldoorlog stuurde Tralbaut Ridwit tal van lange brieven.)

De recensent van de Gentse Reinaert – het ontbrak hem niet aan zin voor overdrijving – sleepte er zelfs Louis Ferdinand Céline bij: “En toch doet het ons zeer sterk denken (…) om [sic] dat fantastische werk van Céline, dat ‘Voyage au bout de la nuit’ heet. Deze vergelijking met het werk van den beroemden Franschen schrijver met dezen nagenoeg onbekenden Vlaamschen auteur is voor dezen laatste helemaal niet verpletterend. Er steekt rythme, er steekt leven in zijn verhaal, het is de montage van een snel-ontrollende film. (…) Het is iets heel eigenaardigs, hoe de visie van de schrijver steeds wankelt tussen een preekend messianisme en een nuchter-cynische observatie der bestiaalste werkelijkheid. Daar spreekt wel een sterke persoonlijkheid, een oorspronkelijk talent in deze bladzijden.” (“Bestiaalste werkelijkheid” mag in deze context trouwens ook met een korrel zout worden genomen.)

Ook de toneelschrijver Paul De Mont (1895-1950) toonde zich enthousiast, al publiceerde hij op 18 februari 1934 een bespreking die vooral de schizofrenie van de toenmalige kritiek illustreert: Ridiwits boek was “goed” om literaire redenen, maar de lectuur ervan was om redenen van “zedelijke” aard ten stelligste afgeraden.

“Onthoud den schuilnaam Frans Carolina Ridwit, vriend lezer,” begon De Mont, “er bestaat zeer ernstige kans dat er eerlang een schrijver van onder opduikt, zooals wij er hier niet zoo heel veel bezitten. (…) Onthoud den naam van den schrijver… en lees zijn eersteling niet, zouden wij geneigd zijn er bij te voegen.”

Toneelschrijver Paul De Mont

Paul De Mont en Frans Carolina Ridwit maakten persoonlijk kennis in de zomer van 1935. Ridwit, die voordien zijn boterham verdiende als bediende – voor het handschrift van Wereldsche Menschen gebruikte hij briefpapier van de firma Muller & Co, “armateurs en agents maritimes” – zat toen zonder werk. Het jaar daarop wierf De Mont Ridwit aan voor de rexistische krant De Nieuwe Staat, waarvan hij (als enige Vlaamse senator voor Rex) hoofdredacteur was. Hoelang Ridwit in het dagblad schreef, is niet duidelijk.

Het was ook De Mont die zijn vriend aanzette om de steun van Emmanuel De Bom (1868-1953) te zoeken. Pas na twee brieven ontving schrijver van Wrakken Ridwit in zijn Huis ten Heuvel te Kalmthout. Die eerste ontmoeting verliep stroef, tot De Bom zonder (voor Ridwit) aanwijsbare reden ontdooide. Hij gaf zijn gast een rondleiding en toonde hem schilderijen, prenten en manuscripten.

Een jarenlange vriendschap, die veel weg had van een vader-zoon relatie, en een uitgebreide correspondentie waren het gevolg. De Bom bestookte Ridwit met brieven, postkaarten en telegrammen. Hij sommeerde zijn vriend hem te ontmoeten in de hal van het Centraal Station of in een café in de buurt. De grijze letterkundige bezorgde zijn jonge confrater o.m. typwerk en spande zich in om hem aan een baan te helpen.

In 1938 zou Ridwit in het weekblad De Stad Antwerpen (nummer van 11 november) getuigen:

“Ik ontmoette Emmanuel de Bom, ik zag hem tienmaal, honderdmaal, onderalle omstandigheden, in gelukkige en ongelukkige momenten, steeds even opgeruimd, hartelijk, loyaal, met z’n rose gelaat, z’n grooten hoed, z’n met boeken en archieven gevuld half-seizoentje, z’n onafscheidelijke paraplu of wandelstok. In mooie hotels, grauwe automatiekjes, door stad en dorp, reizend of wandelend vergezelde ik hem en de jongste van ons beiden was voorzeker ik niet. Integendeel, het levenstempo van den “man die vóór veertig jaar bleef stilstaan” matte mij af, haalde mij dikwijls door de knieën. (…) Nooit deed ik vergeefs beroep op hem voor het bewijzen van een dienst en nóóit zag ik iemand anders vruchteloos beroep doen op z’n dienstvaardigheid. Nimmer hoorde ik de onnoozelste onwaarheid (…) uit z’n mond. Als een glazen serre stond hij voor eenieder doorzichtbaar. Hoe kon het anders of zulk mensch moest genegenheid wekken in een jongen geest, die zelfs in de meest intieme oogenblikken hard critisch is opgesteld.”

Emmanuel De Bom.

Op 30 oktober 1937 schreef Ridwit op instigatie van De Bom aan Julien Kuypers in verband met een “plaats” op het ministerie. De sollicitatie leidde tot niets. In maart van het jaar daarop pleitte de oud-Van Nu en Straks’er voor zijn beschermeling bij de hoofdredacteur van Het Laatste Nieuws. Maar die opperde bezwaar “tegen Rex”. We mogen daarom aannemen dat Ridwit op dat moment nog voor De Nieuwe Staat werkte. Lang zou dat niet meer duren, want de krant werd een weekblad, om in 1939 te versmelten met het weekblad Rex.

Ridwit vond in de jaren 1930 in ieder geval de tijd om avondonderwijs te volgen. In 1938 behaalde hij bij de Union professionelle reconnue de la Comptabilité te Brussel met onderscheiding het diploma van “Comptable-organisateur”. Later legde hij met succes de examens die het eerste leerjaar van de cursus Bestuurswetenschappen van de Provincie Antwerpen afsloten.

Emmanuel De Bom introduceerde Ridwit ook bij de Amsterdamse uitgeverij Wereldbibliotheek. Daar verscheen in 1937 met een bandontwerp van Jac. Gorus (1901-1981) zijn tweede roman, Landrotten.

Dit lijvige boek (416 blz.) speelt zich af op de Antwerpse Linkeroever ten tijde van de aanleg van de Imalsotunnel. In Landrotten voert de schrijver een kleine gemeenschap van marginalen ten tonele. De hoofdpersonen zijn de eenogige Streep en Vader Monte, een man zonder armen.

Ridwit koos dit gebied omdat hij er was opgegroeid (en nog altijd woonde). Het was bovendien een halve wildernis, een overgangsgebied dat zijn vitalistisch levensgevoel aansprak.

In De Dag van 5 september 1937 publiceerde Lode Monteyne (1886-1959) een lange bespreking. Zijn conclusie luidde: “‘Landrotten’ is lang geen degelijk en zeker niet een goed geschreven roman! Het tegendeel kan zelfs met groote stelligheid worden beweerd van deze onrijpe vrucht van een opgewonden verbeelding. Het is echter een boek waarin een groote kracht zich op onstuimige wijze een baan breekt en dat, hoe onbeholpen en on-schoon het ook zijn mag, toch verre van banaal blijkt! Het heeft ons een visionnair talent van meer dan gewoon formaat veropenbaard, dat echter nog te ongeschoold is om [de] tusschen zijn eigen visie en het leven noodzakelijke harmonie te verwezenlijken, waaruit echte kunst in bijzonderheid ontstaat.”

Ridwit op bezoek bij Emmanuel De Bom.

Op verzoek van alweer De Bom beschreef Ridwit het “land van zijn oorsprong” voor het boek “Vlaandren, o welig huis”. Zooals Vlaamsche schrijvers hun land zien, dat in 1939 bij Wereldbibliotheek verscheen.

“Maar zij die bleven waren gedoemd den langen doodstrijd van het kleine Sinte Anneke mee te maken. Tergend regelmatig hoorden zij het lugubere gereutel in de metalen pijpen der opspuitingspijpen, dat als een burlesk Requiem over het vernielingswerk raasde. Lokkende dreven, groene kathedralen met hun dichtgekruinde canadabomen (…), bloementuintjes rond de resten van gesloopte houten herbergjes, waarin zich weleer Breugheliaansche tooneeltjes afspeelden van rijpere Antwerpsche smulpapen vóór monumentale teilen rijstebrij en mosselen (…) ; dit heele wereldje van gulle vrijheid aan den zelfkant der versteende beschaving werd in een eeuwige coma gedompeld (…). Het eenige plekje vlakbij de handelsmetropool, dat zoolang aan de gehandschoende klauwen van een schijnheilige beschaving en flauwe cultuur was ontkomen, werd met één greep gewurgd.”

Vlaams Hoofd.

Het dorp Vlaams Hoofd werd in de 19de eeuw het vertrekpunt van de spoorweg naar Gent. De omgeving was bijzonder geliefd bij de Antwerpenaars, die de Schelde overstaken met de “Sint-Annekensboot” (2). Er waren mosselrestaurants en cafés met speeltuinen voor de kinderen. Maar in de jaren 1930 kwam er een eind aan het bestaan van dit idyllische oord: men groef tunnels onder de stroom; grote delen van het gebied werden rijp gemaakt voor stadsuitbreiding.

In de niet gepubliceerde autobiografische roman Wij waren Broeders (ca. 1945) beschreef Ridwit hoe zijn familie na de Eerste Wereldoorlog in dit eigenaardige voorstadsgebied terechtkwam:

“Vader zat gewoon te ijlen bij het lezen van het lange, officiële epistel, dat hem het recht toezegde op de linkeroever van de Schelde ‘op de grond gelegen te Antwerpen, Vlaamsch hoofd – Noordelijke-Zandplaat Wijk 1, ten voorloopigen titel: een houten noodwoning op te richten, volgens de bijgevoegde plannen’.”

Lode Monteyne in 1928.

“Met die plannen gewapend togen we met z’n allen de volgende dag naar de linker Schelde-oever. De oude veerpont met haar indrukwekkende paddelwielen bracht ons er heen. (…)”

“Een nieuwe wereld was het zeker, die wij ontdekten. Een wereld van een dijk, door de baggermolens opgebouwd met het slijk uit de bedding der Schelde, heel hoog en heel breed. Een grenzenloze, dorre zandgordel hadden de tijd, de wind en de zon van het opgeworpen slijk gemaakt. Het oude polderland lag achter die enorme dijk als achter een vesting, beschermd tegen de stroom en tegen de metropool, stralend van zomergroen, van rode daken en blanke huisjes.”

(…) “Slaven hebben geen eer. En slaven waren wij geworden sedert de noodlottige ochtend, dat moeder ons ter verovering van een eigen huis had opgeroepen. (…) Met barbaarse regelmaat werden wij (…) gedwongen tot de geweldigste karweien. Wrakhout mochten wij tot planken zagen, autokisten tot gladde muren schaven, ijzeren golfplaten tot goten omvormen; van betonnen kuipen moesten wij een waterput maken en elkaar daarbij beurtelings uit de opwellende modder redden; we sjouwden cementzakken, deuren, ramen, glas, buizen; we waggelden onder de ruwste en vreemdste lasten door het brandende mul, tegen een wrakke ladder, over ruwe balken; we heiden palen, sloofden met spade en hark, mepten stukken baksteen tot grint.” (…)

“Op de laatste dag van de maand augustus werd door ons gezin officieel bezit genomen van het houten huis.” (…)

“Door de ramen van ons huis keken we uit op de gehele wereld. Uit alle heren landen voeren ons de machtigste schepen met de kostbaarste ladingen voorbij; hun sirenegegil scheurde onze dromen. Dag en nacht donderde het leven van haven en stad aan onze oren. Plechtstatig zong de kathedraal met al haar klokken vreugde en leed over onze hoofden.”

“Als de drukte van atlantiekers, haven en metropool ons te machtig werd, dan dienden wij ons slechts om te keren en te kijken door een ander raam. Beneden ons bloeide het polderland in zijn stille heerlijkheid met golven van kleuren, blanke waterlinten en duistere holen van schaduw. Uit de diepte kwam tot ons het geroep van kletskous koekoek of de zilveren kinderstem van een verborgen dorpskerkje. Aan de voorkant van ons huis lag de wereld, aan de achterkant de aarde.”

“Wij leerden ebbe, vloed en waling van de Schelde kennen. Doch we leerden ze ook kennen bij giertij, wanneer ze, amok geworden, joelend buiten haar oever barstte en door alle dijken heen het lage polderland dreigde te verdrinken.”

“We leerden angst krijgen als uit het kwade zeegat de Noordenwind over de streek loeide en ons huis deed rillen en kreunen erger dan wijzelf.”

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog verscheen ook Ridwits derde roman, De Man van den Weg. De hoofdpersoon van dit boek is de landloper Dictus. De flaptekst noemt hem “een vrijgevochten zwerversziel, die de benauwenis van het geregelde en gereglementeerde maatschappelijke leven vrijwillig ontvlucht in zijn hevige levensdrang en de onweerstaanbare drift van zijn onstuimige natuurkracht.” Ook deze nieuwe roman speelde zich af op de Antwerpse Linkeroever.

Sinds zijn vertrek bij De Nieuwe Staat leverde Ridwit verhalen en reportages aan het geïllustreerde weekblad De Stad Antwerpen. Toen hij gemobiliseerd was als sergeant bij de Stafcompagnie van het 37ste Linieregiment (hij was er verantwoordelijk voor de boekhouding) volgde in 16 afleveringen het Journaal van een gemobiliseerde (26 januari tot 10 mei 1940).

Het geïllustreerde weekblad "De Stad Antwerpen".

Hoe Ridwits militaire loopbaan eindigde, is niet duidelijk, maar hij kwam zonder kleerscheuren uit de Achttiendaagse Veldtocht.

In de oorlog publiceerde de auteur fictie in het geïllustreerde weekblad Ons Land. Vanaf 1943 was hij bediende van de Fotografische Dienst van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis – blijkbaar speelde ook hierbij Emmanuel De Bom een rol. Aan zijn baan in Brussel hield Ridwit een erg hartelijke vriendschap over met prof. Paul Coremans (1908-1965). Dankzij hem kreeg hij na de oorlog vertaalopdrachten van het Centraal Laboratorium der Belgische Musea.

Paul Coremans.

1942 was het jaar waarin bij Snoeck, Ducaju en Zoon in Gent de korte roman Kleine Monniken verscheen. De recensenten die erover schreven, waren er zich niet bewust dat het om een bewerking van Wereldsche Menschen ging.

Hoewel De Man van den Weg behoorlijke verkocht was, bleef Wereldbibliotheek zitten met een voorraadje van 564 exemplaren. Door de oorlogsomstandigheden vonden die hun weg naar België niet. Daarom onderhandelde Ridwit met het Uitgeversfonds Were Di – allicht een uitgeverijtje van collaborateurs – over een herdruk van 3.000 exemplaren. Hij zou daarvoor een forfaitair honorarium van 10.000 frank ontvangen. De “Vlaamse” Man van den Weg verscheen in 1944.

Gezien Ridwits werk in de hoofdstad moet het in zijn vrije (?) tijd zijn geweest dat hij van 1943 tot 1947 optrad als “letterkundig leider” van de Palmuitgaven. Uitgeverij De Palm maakte deel uit van dezelfde nv als De Stad Antwerpen en was gevestigd aan de Wetstraat 44, later aan de Ommeganckstraat 36. Via de dagbladhandel bracht ze (ook in Nederland) populaire lectuur op de markt: westerns, politieverhalen en liefdesromans.

Een Palmuitgave.

Voor de boekjes in de Kleine Palmreeks – in principe verscheen er elke maand één – zocht Ridwit handschriften van 25, met interlinie getikte vellen. Die van de Grote Palmreeks waren dubbel zo lang. Voorts waren er een Palm Jeugdreeks en “losse” uitgaven. In 1946 ging De Palm van start met het jeugdblad Hallo.

In een brief uit 1945 staat het volgende mission statement: “Het is (…) een der principes der firma, dat wij alle verhalen, waarin maar eenigszins politieke of religieuze personen, vereenigingen of instellingen worden genoemd, zg. problemen van moreelen of socialen aard worden behandeld,  weren, hetzij we als uitgeefster of verdeelster optreden. Ons doel bepaalt zich uitsluitend tot het bezorgen van eenvoudige, gezonde en ongecompliceerde ontspanningslectuur aan de gemeenschap.” Titels als Het Geheim van de Slotgracht, Naar het Westen, In de Far-West is’t ook niet alles!, en De Dame zonder Neusvertellen genoeg.

Tot de auteurs die voor De Palm werkten (en per boekje forse honoraria van 1.500 à 2.000 frank ontvingen) behoorden randfiguren uit de literatuur, zoals Antoon Van Casteren (1911-1997), Robert Van Passen (1895-1963) en Jan Michiel Bruylants. Ridwits uitgebreide Palm-correspondentie biedt een unieke kijk op thans vergeten volksschrijvers en de subliteratuur waarmee ze hun boterham verdienden.

Robert Van Passen.

Als Soe Linkerd publiceerde Ridwit in Ons Land zelf ook op Amerikaanse leest geschoeide gangsterverhalen. Eén ervan, Miss Mizzy, verscheen als Palmuitgave.

Na zijn vertrek bij De Palm leverde Ridwit artikels aan  het damesblad Libelle. Uit 1948 dateert een reeks bijdragen over Grote Mannen en Dingen in De Schatkamer. Weekblad voor Jong en Oud, een uitgave van Het Laatste Nieuws. Ridwit behandelde onderwerpen zoals Een Egyptisch Graf, De Fiets, Een Kanaaltunnel, Dr. Zamenhof, enz.

Uit 1949 bleef één brief bewaard, waaruit blijkt dat hij toen hoofdredacteur was van het weekblad Sporting, gevestigd aan de Lombaardenvest nr. 34 (Sporting verscheen van 1944 tot 1961). Elders wordt hij redactiesecretaris genoemd.

Vast staat dat hij zelf talrijke bijdragen schreef, o.m. over boksen dat hem bijzonder interesseerde. Onder het pseudoniem Frank publiceerde Ridwit trouwens de “sportroman” Een zware Jongen, later in boekvorm verschenen bij Ignis te Brussel. Het verhaal vertelt over een student in de kunstgeschiedenis die om den brode gaat boksen. Eerder liet de auteur als Frank reeds Bij groote Sportmenschen verschijnen, een bundel interviews. Onder zijn echte naam publiceerde hij ook Het Rijk der Sport (Herenthout, Drukkerij Ach. Bulckens, z.d.) een overzicht en geschiedenis van de athletiek, het boksen, worstelen en wielrennen. Jef Nijs maakte de illustraties bij Een Zware Jongen.

Ridwit interviewt Lode Verhees.

Nog dat jaar trad Ridwit in dienst bij De Spaarnestad, de uitgeversgroep van o.m. Libelle, Ons Land en later Panorama. Hij verhuisde naar Haarlem, waar hij een appartement bewoonde aan de Aelbertbergstraat.

De roman De wereld lacht om tranen verscheen in 1952. Het boek vertelt de wederwaardigheden van een middelmatige kantoorbediende in de crisis van de jaren 1930, de Tweede Wereldoorlog en de periode na de Bevrijding.

Intussen was een nieuwe generatie recensenten aangetreden. Ivo Michiels (1923) besprak De wereld in Het Handelsblad van 17 juni 1952. Hij stelde op prijs dat de schrijver “voor het eerst in onze literatuur een poging gewaagd [had] om omvattend de neerslag van het oorlogsgebeuren (met vóór- en naspel) in één machtige greep te peilen”. Jammer genoeg was Ridwit daar niet in geslaagd. Wat men in de jaren dertig als de redeeming features van zijn schrijverschap beschouwde, vond in Michiels’ ogen geen genade.

“De tragische, de zeer tragische en vaak schrijnende ondergrond zelfs, wordt bestendig tot het ridicule opgedreven door schrijver’s hang naar het caricaturale, naar het sensationele effect. Er komen potentiëel-prachtige figuren voor (…) doch stuk voor stuk worden ze door de auteur vermoord (…).  Ook de – volgens de omslagflap tragi-komische – toon (…) maakt het onmogelijk in het lijden (…) of de dapperheid van deze mensen te geloven. (…) Ik zou tientallen passages kunnen citeren waaruit duidelijk de geforceerdheid en de melodramatische ontsporing blijken.”

Panorama., jg. 1954.

Of, zoals Hubert Lampo (1920) schreef in Volksgazet van 3 juli 1952, Ridwits boek droeg niets bij tot “onze kennis van mens en leven en dus evenmin tot (…) onze hedendaagse Vlaamse letteren”.

Ridwit keerde terug naar Antwerpen, maar bleef in dienst bij zijn werkgever. Voor Libelle scheef hij Ontmoetingen met mijzelf en anderen. Daarin vertelt de schrijver in de ik-vorm de wederwaardigheden van de doktersvrouw Katelijne, haar man Anatole en hun huishoudster. Het concept van de reeks, half vervolgverhaal, half cursiefje, is vandaag een beetje onduidelijk. De lezeressen van Libelle lustten er in ieder geval pap van: Katelijne, alias Frans De Ridder, kreeg heel wat fanmail.

Voor het familieblad Panorama schreef Ridwit vaak over sport. Hij maakte ook interviews en reportages, soms over ietwat ongewone onderwerpen zoals de Antwerpse begraafplaats Schoonselhof, de berging van scheepswrakken of de dood van Maria ’s Heeren, de jonge vrouw die levend verbrandde tijdens de Lichtstoet van 1902 (Brigitte Raskin wijdde in 1992 aan haar het boekje De Maagd van Antwerpen). Het zijn lange, boeiende stukken, waaraan de journalist De Ridder een zeker narratief élan gaf.

Bidprentje voor Maria 's Heeren.

Wilden uitgevers Ridwits werk niet meer? Le plaisir de se voir imprimé viel hem als weekbladjournalist frequent te beurt, maar hij ging onverminderd door met de beoefening van “literatuur”.

Het archief van de schrijver omvat het manuscript van romans als Wij waren Broeders en Een vaste Burcht, verhalen, hoorspelen en toneelstukken. Vooral van het stuk Engelen wachten ons, waarvan hij een Franse en een Engelse vertaling liet maken, moet Ridwit veel verwacht hebben. Een blad met een motto gaat sommige handschriften vooraf, wat wijst op deelname aan literaire wedstrijden. In 1966 hoopte Ridwit op de publicatie van een boek bij de Standaard Uitgeverij, maar die ging niet door.

Pas in 1971 verscheen weer een verhaal van hem. Ter gelegenheid van haar vijfentwintigjarig bestaan schreef DAP-Reinaert Uitgaven een novellewedstrijd uit. De zeven beste verhalen werden gepubliceerd in de bundel 7 bekroonde novellen. Ridwit was de nestor van de winnaars (tot wie ook de jonge Gaston Van Camp behoorde). Zijn verhaal Overal zijn Indianen sloot het boek af.

In het korte autobiografietje dat hij aan de Reinaert Uitgaven bezorgde, maakte Ridwit gewag van een “niet al te stevige gezondheid”. Had die iets te maken met zijn vroegtijdig vertrek bij wat inmiddels de Tijdschriften Uitgevers Maatschappij heette? Vast staat dat de schrijver op 7 februari 1958 ontslag nam.

Jeugdherberg 't Paddevenne in Hofstade.

Hij ruilde zijn journalistenbestaan in voor dat van jeugdherbergvader (!) van de jeugdherberg ‘t Paddevenne in het Rijksdomein van Hofstade bij Mechelen. Ridwit werkte daar zeker tot 1963. Inmiddels was hij verhuisd naar Kontich. Hij overleed er op 30 oktober 1980.

Noten

(1) Jozef De Ridder maakte carrière bij Gevaert Photoprodukten. In de jaren 1950 leidde hij de Zuid-Amerikaanse activiteiten van het bedrijf. Met de roman Pensioenhuis in de Galg won hij in 1963 een debutantenwedstrijd van de uitgeverij Kosmos. Zijn tweede roman, Jorre en het blauwe Lint, verscheen in 1966 bij Hollandia in Baarn in de reeks Hollandia Bibliotheek der Hedendaagse Letteren o.l.v. Willem Brandt. Een ander familielid, Joseph De Ridder, publiceerde in de jaren 1973 in het Frans bij de Parijse uitgeverij La Pensée universelle de Qui m’attendrait, sinon personne? en Les mollusques. Ridwit kreeg ook hiervan een gesigneerd exemplaar. 

(2) Zie over de “Sint-Annekensboot” o.m. Maurice Gilliams, Oefentocht in het Luchtledige en Edmond Van Offel, Antwerpen 1900, Antwerpen, De Sikkel, 1950. Over Sint-Anna zelf handelen o.m. Frans Lauwers, Antwerpen een terugblik: en op Sint-Anneke Mosselen, Ljubljana, History, 2002 en Odile Poppe, Lief en Leed op het oude Sint-Anneke, Antwerpen, De Vries-Brouwers, 1988.

Literatuur – Hemiksem of het Arcadië van Georges Eekhoud (1996).

(Foto Marc De Vos).

Georges Eekhoud werd in 1854 in Antwerpen geboren. Zijn ouders spraken Frans. Na hun vroegtijdige dood woonde Eekhoud in bij zijn oom Henri Oedenkoven, de eigenaar van een kaarsenfabriek in Borgerhout, waar hij later ook burgemeester werd.

Eekhoud studeerde aan een Zwitserse kostschool en korte tijd aan de Koninklijke Militaire School. Nadat hij het fortuin van zijn grootmoeder had verbrast, werd hij journalist – eerst in zijn vaderstad, dan in Brussel.

Eekhouds eerste roman, Kees Doorik (1883), en de verhalen in Kermesses(1884), spelen in de Scheldepolders en in de Kempen. De schrijver bekeek het “volk” met de ogen van een burger – één die bovendien andere taal sprak. Maar hij zag dikwijls meer dan collega’s die vanuit flamingant en katholiek perspectief over de kleine man schreven. Arbeiders interesseerden Eekhoud minder dan dieven, matrozen en dagloners – voor hem een soort “edele wilden”, échter dan zijn eigen huichelachtige klasse.

De abdij van Hemiksem in Sanderus’ “Flandria Illustrata”.

La nouvelle Carthage (1888; uitgebreide versie 1893) is een deels autobiografische roman. De auteur borstelde een lyrisch fresco van Antwerpen in het laatste kwart van de 19de eeuw. In 1899 verscheen Escal-Vigor, een van de eerste romans over homoseksualiteit. Er kwam zelfs een proces van voor het Hof van Assisen in Brugge. Na zijn vrijspraak werkte Eekhoud mee aan Franse en Duitse publicaties die de emancipatie van homo’s nastreefden – in dit opzicht behoorde hij eveneens tot de avant-garde onder de Europese intellectuelen.

De schrijver, die ook in Frankrijk grote faam genoot, stierf in 1927. De interesse voor zijn werk nam af – tot de Parijse uitgever in 1982 een herdruk bracht van La nouvelle Catthage. In Vlaanderen kwam in 1991 bij Houtekiet de bundel Bloedige Kermis van de pers met verhalen uit Kermesses en Nouvelles Kermesses, vertaald door Jan H. Mysjkin.

(Foto Marc De Vos).

Laurent, het jonge hoofdpersonage van La nouvelle Carthage, is het alt er ego van de schrijver. Laurent groeit op in het gezin van zijn neef, kaarsenfabrikant Guillaume Dobouziez. Slecht wordt Laurent niet behandeld, maar de Dobouziez’ laten hem voelen dat hij niet echt op zijn plaats is in hun wereld van rijke burgers. Ze willen hem bovendien naar een kostschool in het buitenland sturen.

De Dobouziez’ maken kennis met de reder Freddy Béjart, die zal trouwen met hun dochter Gina. Zij nodigen hem uit op hun buitengoed in Hemiksem. Béjart vindt dat een uitstekend idee en stelt voor de reis te maken aan boord van zijn luxueuze stoomjacht.

Eekhoud beschrijft de reis in het zevende hoofdstuk, dat als titel Hémixem meekreeg. Hij zegt niet in welk jaar de excursie plaatsvindt, maar als men aanneemt dat hij een beroep deed op zijn eigen jeugdherinneringen, moet dat omstreeks het midden van de jaren 1860 zijn.

Sint-Bernards was op dat ogenblik niet langer een huis van bewaring, maar een kazerne. Eekhoud verwijst daarnaar op het einde van het hierna volgende fragment. De industrialisatie van de Schelde-oever in Hemiksem was volop bezig – Eekhoud vermeldt trouwens een steenbakkerij, en een gesprek van Dobouziez en diens vrienden over de inplanting van andere nijverheden.

Hemsdael, gravure van Gaspar Bouttats.

Maar het is het landelijke, arcadische Hemiksem met zijn kastelen en vele groen dat alle aandacht krijgt – de auteur wist bij het schrijven van zijn roman ongetwijfeld dat dit landschap toen niet meer bestond. Ook elders in La nouvelle Carthage beschreef hij met veel weemoed toestanden die ca. 1885 tot het verleden behoorden.

Eekhoud gebruikt de schoonheid en ongereptheid van “zijn” Hemiksem om de enggeestigheid en het materialisme van de Dobouziez’ en hun vrienden beter te doen uitkomen: na een uur hebben ze genoeg van “al dat groen” en picknicken doen ze volgens het boekje, zonder zich af te vragen of ze wel de beste plek hebben uitgekozen.

Het hoofdstuk Hémixemheeft ook een zeker cultuurhistorisch belang; het leert ons hoe dagjesmensen en zelfs bezitters van een buiten hun tijd doorbrachten. Het is even virtuoos en “barok” geschreven als de rest van de roman; ik hoop dat daar in de vertaling iets van overblijft.

De abdij van Hemiksem (foto Kartix Fotoblog).

“Hemixem” [fragmenten]

Laurent staat voor het eerst op het dek van een schip. Een menigte nieuwe indrukken verzacht zijn verdriet. Bevallig als een vogel, die zijn eigen kracht uitprobeert voor hij aan een steile klim begint, maakt het jacht enkele rondjes. Alsof het dan pas de juiste koers vindt, vaart het weg, gedreven door de hogere druk van de stoom in de machine – de grote, onzichtbare hand die het voortduwt.

Voor de ogen van Laurent ontvouwt zich het weidse redegezicht, dan pas vallen hem de gedurfde, ja grandioze verhoudingen van de monumenten op.

Het is alsof de stad zelf oprijst uit de grond. Achter het dichte gebladerte van de bomen op de kade verschijnen de daken van de huizen, en daarachter, hoger dan de hoogste woningen, verrijst het schip van de kerken, uitkijkend over de daken van de pakhuizen en over markten en oude hallen. En dan, hoger, altijd hoger, klimmen torens, donjons en campaniles alsof ze de hemel bestormen – tot ze zich, buiten adem, gewonnen geven, allemaal, behalve de glorierijke spits van de kathedraal.

[…]

De eerbiedige reiziger kijkt uit over het land: de lemige polders, steenbakkerijen die rode vlekken vormen tussen de groene dijken, witte villa’s, omgeven door ijle bomenrijen, van waar men langs uitgestrekte grasvelden uitkijkt over de stroom. Maar het is de Schelde zelf, die het meeste indruk maakt op de scholier.

Met de gretigheid van een banneling aan de vooravond van zijn vertrek, laat hij de beelden, de geuren en geluiden in zijn hart vloeien, om ze op te slaan voor de dromen en herinneringen die hij nodig heeft, de vele dagen die hem wachten in de vreemde.

[…]

Neef Guillaume overlegde met Béjard, Saint-Fardier en de eminente advocaat Vanderling. Als zij de Schelde af en toe een blik waardig keurden, was dat alleen omdat zij het hadden over de winsten die een naamloze venootschap kon maken dank zij een lucifersfabriek of een guano-opslagplaats op zijn oevers.

Regina droeg een jurk van roze mousseline; op haar krullenbol prijkte een strohoed à la Lamballe. Zij was het middelpunt en de bezielster van een groepje jonge meisjes die luisterden naar haar scherpe opmerkingen over de jongelui, aangevoerd door de broers Saint-Fardier. Die staken af en toe het dek over tot bij de lachende meisjes en debiteerden de een of andere bespottelijke galanterie.

Aanlegsteiger (Foto Heemkundige Kring Heymissen).

[…]

Het jacht meerde op onberispelijke wijze af aan de steiger van Hemiksem. Aan land verliep het programma vlekkeloos. Tijdens de wandeling vertelden de gelegenheidstoeristen elkaar de naam van de eigenaars van de villa’s en kastelen. De jongelui deden hun best om te schatten hoeveel paarden in de stallen stonden; de bakvissen slaakten verrukte kreetjes bij het zien van de prachtige witte zwanen, en ook van de rozen, die zo mooi roze waren.

Op een bepaald moment hield het groepje eerbiedig stil voor een verguld hek. Daarachter liep een heerlijke dreef. Tussen de bomen, aan de overkant van een gazon, stond een juweel van een paviljoen in renaissancestijl.

Kasteel Monnikenhof.

“Mooi, heel mooi,” zei Béjart. Hij en de onafscheidelijke Dupoissy hadden de anderen ingehaald. “De baron van Waerlant woont hier. Chic, zeker. Maar voor driekwart gehypothekeerd. De tent kost niet meer dan vijftig duizend ballen – bovenop de hypotheken. Die lopen op tot zo’n honderdduizend frank. Iemand geïnteresseerd?”

“Luie, libertijnse aristocraten verdienen niet beter,” zei de neusstem van Dupoissy. Hij klonk als de voorzanger in een uitvaartmis.

Béjarts cijfers temperden de geestdrift van het welopgevoede gezelschap, waarvan niemand door de gedachte aan schulden werd geplaagd. De wandelaars stapten snel voort. Ze staken hun neus in de lucht en probeerden niet meer te denken aan de bewondering die ze daarnet hadden gevoeld voor het onroerend goed van de baron. Het was alsof ze vreesden dat de in het nauw gedreven eigenaar plots van tussen de bomen op hen toe zou stappen en hun om een lening vragen.

Een uur lang liepen ze onder het blauwe zwerk vol zingende leeuweriken, tussen weiden met geurende hooischelven. Zonder dat ze het toegaven, hadden ze schoon genoeg van al dat groen en blauw, boerderijen waar niets verroerde en buitenplaatsen wier bewoners ze niet kenden.

Tenslotte kwamen ze bij een sparrenbos – het enige in de buurt. Het ging om een onaanzienlijk, aangeplant bosje dat het eigendom was van de eerste commies van de Dobouziez’. De man verstond de geneugten van het land en van een déjeuner sur l’herbe Want daar waren alle deelnemers aan de uitstap het over eens: voor een picknick had men een bos nodig.

Hemiksemhof.

Ze waren hierheen gekomen door majestueuze dreven met beuken of eiken, waar koelte tot verpozing noodde. Maar ze wilden een bos, ook al zag het er miserabel en schraal uit, en wierpen de coniferen zo weinig schaduw af dat de dames er hun parasol nodig hadden.

Men haalde de mondvoorraad te voorschijn. Het eten was koud. En omdat het ingenieuze apparaat dat de champagne koel moest houden, dienst weigerde, dronk men hem warm. Zo gaat het meestal met wonderen van de techniek! Toch verliep de maaltijd in een opperbeste stemming: de hitte en de vervloekte machine zorgden voor voldoende gespreksstof.

Angèle en Cora Vanderling hadden Gaston en Athanase Saint-Fardier met hun kokette maniertjes bekoord; de twee waren niet bij hen weg te slaan. Rupsen en kevers die op de borden en in de halsuitnijding van de jongedames vielen, boden hen de kans om aan de meisjes te plukken, zogezegd om hen van het ongedierte te verlossen.

Een troepje boerenkinderen haastte zich na de hoogmis terug naar hun gehucht. Toen ze de mensen uit de stad in de gaten kregen, hielden ze halt. Na opgewonden gefluister overwonnen ze hun achterdocht en hun schrik kwamen dichterbij. Met rode gezichten duwden ze elkaar voort.

Callebeekveer – de aanlegplaats.

Ze kregen wat restte van vleespasteien en belegde broodjes, half opgegeten stukken vlees en het karkas van het gevogelte. De meisjes stopten het eten in hun schort; de jongens laadden het in de zakken van hun kiel. Toen de kinderen weer op weg gingen, riepen de wandelaars hen nog eens terug en schoven de amper aangebroken flessen onder hun armen.

Dit intermezzo hield hen bezig tot het tijd werd om naar het buitengoed van de Dobouziez’ te gaan. Neef Guillaume, zelf een geoefend wandelaar, stelde voor om langs een omweg terug te keren naar de plaats van vertrek. Maar zijn gasten wilden eerst weten of dat traject meer schaduw bood, en of er iets anders te zien viel dan velden en bomen.

Na lang peinzen schoten M. Dobouziez geen andere bezienswaardigheden te binnen dan een verlaten jeneverstokerij en de Sint-Bernardskazerne. Daarom koos de meerderheid voor de kortste weg, ook al hield die het risico in dat men de armlastige baron op het lijf liep.

In afwachting van het diner gingen de dames naar boven om het stof van hun kleren te slaan en om zich te verfrissen; de heren brachten een bezoek aan de ‘eigendom’.

Georges Eekhoud.

Het eten liet niets te wensen over – vooral niet aan deze lieden, die zo weinig voelden voor de landelijke keuken. Toch zongen zij unaniem de lof van hun maaltijd in open lucht, en zij die daarstraks nauwelijks gegeten hadden, veinsden dat hun grote eetlust hen verbaasde. Het was de wandeling, zeiden ze, de wandeling en de frisse lucht…

De koffie werd op terras voor het huis geserveerd. Béjard bracht Gina naar de piano en vroeg haar te zingen. De mooie avond, de bries van over de Schelde, de avondlijke geur van de bomen en de stilte, doorbroken door het gesjirp van de krekels, lokten Laurent in de tuin. In de schemer sloeg hij de snelle, hoekige vlucht van de vleermuizen gade die waren opgeschrikt door de uitzonderlijke aanwezigheid van de meesters van het verwaarloosde buitengoed.

Tot helemaal achteraan in de Engelse tuin hoorde hij de heldere, parelende stem van Gina. Ze zong op goddelijke wijze de wals uit Romeo en Julia van Gounod – de uitvoering overtrof de muziek.

Verschenen in BODDAERT, F., LAMPO, J., LOMBAERDE, P., MEEWIS, W. EN REETH, I. VAN, 750 jaar Sint-Bernardusabdij, Deurne, Continental Publishing; Hemiksem, Gemeentebestuur, 1996.