Dichter aan de wal. Het fantoom Saint-Rémy.

DeMuynck1
Rémy De Muynck, alias Saint-Rémy.

De ordening van een literair archief heeft soms bijwerkingen.  Het gebeurt dat men geboeid raakt door een schrijver met wie men artistiek noch persoonlijk veel affiniteit voelt – een schrijver wiens fantoom zich aan de archivaris opdringt zoals een personage dat ongevraagd aanklopt bij een romancier.

Rémy De Muynck, alias Saint-Rémy (1913-1979) is zo’n schrijver. En vertaler, schilder, uitgever en boekhandelaar –in het Nederlands en in het Frans. Zelfs nu het Letterenhuis dankzij de zus van De Muyncks medewerkster Ronny Janssens over een groot deel van zijn archief beschikt, vertoont zijn biografie gaten genoeg om de verbeelding op dreef te helpen.

Alleen mag dat niet. Literair archiefwerk is dan wel geen exacte wetenschap, het houdt zich bij voorkeur aan de feiten. Dat nogal wat elementen uit De Muyncks leven enigszins in nevelen gehuld blijven, is te wijten aan hemzelf maar ook aan de bewonderaars de na zijn onverwachte overlijden de loftrompet over hem steken.

De Muynck wordt geboren in Varsenare bij Brugge. Hij studeert in “Brugge, Oostende en Antwerpen” en “als aspirant-zeeofficier” reist hij de wereld rond, vertelt hij zelf in een biografietje voor de pers uit 1970.

In het herdenkingsnummer van het tijdschrift Trap, uitgegeven door de Antwerpse dichters Tony Rombouts en Maris Bayar, voegt de historicus Michel Oukhow daar negen jaar later aan toe: “Hij [De Muynck] liet zijn literaire bedrijvigheid ingaan sedert 1942. Al zijn vroegere werk verloochende hij, zoals dikwijls gebeurt met rijpende figuren, maar die daar zichzelf toch in feite te kort mee doen.”

Al in 1934 verschijnt bij de katholieke Brugse drukker J. Verbeke-Cappoen de roman Herwig. De Muynck heeft zelf het sobere, modernistische voorplat ontworpen. Maar het sentimentele en bijzonder vrome verhaal is allesbehalve modernistisch.Een jaar later volgt bij dezelfde uitgever een tweede roman, Het Lied. In de reeks Cahiers van de Waterkluis bij Varior in Sint-Amandsberg bij Gent publiceert De Muynck in 1938 zijn eerste dichtbundel, Ebbe en Vloed. De kritiek blijft gereserveerd, maar signaleert het boekje wel. Een foto van De Muynck met obligate pijp verschijnt in de krant.

Roland-Holst
Adriaan Roland-Holst.

De Duitse bezetting houdt Rémy De Muynck vanaf 1940 aan de wal. Hij gaat aan de slag als recensent en vertaler – genoeg om opgezadeld te raken met een “oorlogsverleden”. Hij schrijft voor de krant Het Vlaamsche Land die ook de door Jeroen Brouwers literair gerehabiliteerde Frans Buyle onder haar medewerkers telt.

De Muyck stelt de bloemlezing De moderne Finsche Poëzie samen, die hij ook inleidt. Het boekje verschijnt in 1943 bij De Nederlandsche Boekhandel. In zijn betoog is geen spoor waar te nemen van het bloed- en bodemdiscours van andere collaborerende poëten.

Uit het Zweeds vertaalt De Muynck de roman Britt-Marie Colstrup van Ejnar Smith (1878-1928). In 1938 al heeft hij in samenwerking met Peter Thiry Het Leven met Vader van de populaire Amerikaanse schrijver Clarence Day (1874-1935) vertaald; in 1941 volgt van dezelfde auteur Moeder en wij. Beide vertalingen verschijnen bij Boekengilde Die Poorte.Tenslotte zet hij zich aan de roman Unser Freund Peregrin van Ina Seidel (1885-1974) – een schrijfster die haar grote sympathie voor da Nazi’s niet  onder stoelen of banken steekt.

Tussendoor vindt De Muynck tijd voor poëzie. Zijn gedichten uit de periode 1938-1941 verschijnen in de bundel Het Spoor.  Het gaat om poëzie die zichzelf bijzonder au sérieux neemt, getuigend van een groot verlangen naar het absolute, maar duidelijk niet in een religieuze, laat staan katholieke zin.

DeCorte2
Bert Decorte (foto De Backer).

Na de Bevrijding komt De Muynck “in aanraking” (dixit Ludo Simons) met de repressie. Maar dat valt allemaal erg mee. In in 1945 vinden we de schrijver – op vrije voeten – in Antwerpen. Hij richt er aan de Sint-Katelijnevest nr. 55 de boekhandel en eenmansuitgeverij Orion in, die tot 1954 zo’n twintig boeken zal uitgeven. Tegelijk levert hij bijdragen aan de krant De Antwerpsche Gids.

Michel Oukhow schrijft: “Saint-Rémy plaatste zich na het einde van de oorlog […] in het centrum van een strikt uitgelezen groep mensen, die in zijn […] boekhandel samen kwamen. Een reeks ouderen, onder wie ik mij vooral Maurice Gilliams en de schilder Vandijck herinner, een groep jongeren voor wie hij enorm veel belangstelling had, en ik denk hier vooral aan Bert Decorte […].”

In 1946 verschijnt bij Orion De bloemen van den booze, een vertaling van Les fleurs du Mal van Charles Baudelaire door Bert Decorte (1915-2009) met een inleiding van niemand minder dan Herman Teirlinck.

Zijn goede verstandhouding met linkse, vrijzinnige figuren belet De Muynck niet om samen te werken met de bekende jezuïet en literatuurhistoricus Jozef Van Mierlo s.j. (1878-1958). Die verzorgt de inleiding van Het gulden Boek van Maria, een verzameling door De Muynck gebloemleesde teksten.

In 1958 verschijnen De Muyncks eerste Franse gedichten, de Poèmes de Georges, opgedragen aan de nagedachtenis van een gestorven vriend. Zijn boekhandel en uitgeverij heet voortaan de Librairie des Arts en verhuist naar de Galerie Moderne aan de Huidevettersstraat, inderdaad de eerste moderne winkelpassage in Antwerpen. De Muynck handelt er in eigen uitgaven en in antiquarische boeken en prenten.

Onder de nom de plume Saint-Rémy vertaalt hij werk van Maurice Gilliams in het Frans (L’Hiver à Anvers, 1965 en Elias ou le Combat contre les rossignols, 1968). Zijn passie voor het werk van de dichter Adriaan Roland Holst leidt tot een “herschepping” van diens cyclus Een Winter aan Zee onder de titel Un Hiver océan, ingeleid door de Franstalige Antwerpse schrijver Guy Vaes (1927-2012). De uitgave is geïllustreerd met houtsneden van Saint-Rémy.

Gilliams2
Maurice Gilliams.

Een poging om vertaalde gedichten van Bert Decorte te publiceren bij La Renaissance du Livre in Brussel loopt in 1977 stuk op de bezwaren van twee lectoren van de uitgeverij. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat zij zich meer ergeren aan het feit dat Saint-Rémy een tweetalige Vlaming is dan aan de fouten die ze hem verwijten. Wel is het zo dat de klassieke versvoeten en orthodoxe Franse woordenschat van Saint-Rémy geen recht doen aan de balorige, vaak meer Vlaamse dan Nederlandse dichtregels van Decorte. Maar dat merken de Brusselaars niet op.

Van zijn goede relatie met conservator Emiel Willekens (1922-2009) maakt Saint-Rémy in 1970 gebruik om in het AMVC, de voorloper van het Letterenhuis, een tentoonstelling in te richten met bibliofiele edities van Een Winter aan Zee. Er hangt bovendien een groot aantal schilderijen, houtsneden, aquarellen en gouaches van zijn hand.

Willekens
Emiel Willekens.

De dichter is ook plastisch kunstenaar. In zijn nadien “verloochende” debuut Herwig is al sprake van de schilderkunst. In de jaren 1960 koopt Saint-Rémy zoals wel meer Antwerpenaren een vissershuisje in Zeeuws-Vlaanderen dat hij “Blinkwater” doopt. Op tal van foto’s ziet men hem daar (of in de tuin) aan zijn schildersezel.

Van elk groot “poema” – hij zegt nooit “gedicht” – en elke bundel kalligrafeert Saint-Rémy een volledig handschrift, vaak geïllustreerd met tekeningen, opgehoogd met aquarel. Het zijn fraaie en opvallende “objets d’art”. Hij maakt ook boekbanden.

VanOffel2
Edmond Van Offel.

Saint-Rémy is de drijvende kracht achter een expositie, eveneens in het AMVC, over de schilder, graficus en schrijver Edmond Van Offel (1871-1959). Onder de titel De Wereld van Edmond Van Offel verschijnt een boek met bijdragen van o.a. Gilliams en Willekens. Hoewel het uitgeversadres De Rode Beuk luidt, gaat het wel degelijk om een uitgave van Saint-Rémy.

De interesse van Saint-Rémy voor het dubbeltalent Van Offel ligt voor de hand. Bovendien is de dichter bevriend met een mevrouw Jeanne Moorkens, een verwante (?) van de kunstenaar die veel materiaal van en over hem bezit. Bovendien zijn ook de Van Offels tweetalig. Edmond schrijft Nederlands, maar zijn broer Horace (1876-1944) bezigt het Frans. Horace Van Offel publiceert zijn romans zelfs Parijs. Hij werkt mee aan Franstalige Brusselse kranten. Tijdens de oorlog is hij hoofdredacteur van Le Soir en zingt omstandig de lof van Hitler. Hij sterft als vluchteling in Duitsland.

De Franstalige romancière Marie Gevers (1883-1975) stelt voor de Librairie des Arts een bloemlezing samen uit het werk van de dichter Émile Verhaeren (Il fait Dimanche sur la Mer, 1966). Van Gevers zelf publiceert Saint-Rémy Parabotanique (1964). Van Guy Vaes (1927-2012) brengt hij het essay La Flèche de Zénon. Essai sur le Temps romanesque (1966) en Londres ou le Labyrinthe brisé (1968). Daarnaast verschijnt hij de Librairie des Arts ook de eerste bundel van Leonard Nolens (1947), Orpheushanden (1969).

De laatste uitgave van de Librairie des Arts dateert van 1972. Saint-Rémy staakt zijn activiteit als boekhandelaar; voor zijn eigen werk doet hij een beroep op derden. Eerst De Nederlandsche Boekhandel waar de verzamelbundel Polumetis, verzen 1934-1968 verschijnt, dan uitgeverij Contramine van Tony Rombouts en nadien de firma van Walter Soethoudt.

VanOffel1
Affiche door Edmond Van Offel.

Bij Soethoudt verschijnen o.m. de prozaboeken Helena’s, Magdalena’s, Mona Lisa’s en Sibyllen – een gefictionaliseerde autobiografie met o.m. het relaas van Saint-Remy’s ontmoeting met Ensor – en de eerste twee delen van wat de romantrilogie Achilles moet worden. De Fusillade komt van de pers in 1977, De Schipbreukeling verschijnt postuum in 197). Ook de dichtbundels Diep in de Velden van Elysium (1977), Het poema van de Groene Hoek (1978), Annus Mirabilis (1978) en het postume Een zomer aan zee (1979) worden door Soethoudt uitgegeven.

Over die laatste bundel, een soort “vervolg” op Een Winter aan Zee van Adriaan Roland holst, schrijft criticus Henri-Floris Jespers: “Saint-Rémy’s horizont is de ongeschonden, stralende, glanzende wereld van gaafheid, van vòòr het verval […]. Zoals Yeats en Roland holst stelt hij “de primauteit van de diffuse macht van het lichtende” tegenover “de sombere krachten van de historiciteit, en roept een ongeschonden wereld op die schril afsteekt tegen de ongebonden, fragmentarische, ‘verkeerde’ wereld van de moderne subjectiviteit […] een niet gemediteerde wereld van lichtende theofanie.”

Het archief van Saint-Rémy in het Letterenhuis omvat talrijke originele prenten en foto’s van schilderijen. Zij getuigen op hun manier van de eigenzinnigheid van een estheet die in de jaren 1960 en ’70 aan het maatschappelijk protest en de artistieke mode weerstaat. Subjectief, maar toch op zoek naar tijdloze schoonheid, ver weg van het storend straatrumoer.

Desondanks is de rijpe Saint-Rémy als dichter net zo verhangen aan bombast als de jonge De Muynck. Zijn verzen lopen beter, maar de toon blijft even hoogdravend. De dichter verwart gebrek aan zelfrelativering met diepzinnigheid. Sfeer gaat door voor wijsheid, suggestie voor klaarte. Zijn werk verwijst naar iets dat zich “erachter” of “erboven” moet bevinden, maar dat het niet vermag op te roepen. Zijn proza is minder “vormvast” dan zijn poëzie; het maakt een ouderwetse indruk, alsof de schrijver zich enkel erg traditionele vooroorlogse romans kon herinneren.

De letterdiefte van Victor Driessens.

Driessens3
Victor Driessens.

Op 5 april 1885 meldde het liberale Antwerpse blad De kleine Gazet:

‘De vertooning van verleden Woensdag in onzen schouwburg […] werd door een droevig voorval gestoord. Op het einde van het 3de bedrijf werd onze beroemde tooneelspeler Victor Driessens door eene beroerte getroffen en viel in de armen van den heer De Somme. Het publiek, gewoon aan het natuurlijk spel van den Heer Driessens, juichtte [sic] hem voor dit treffend tooneel geestdriftig toe. Maar, helaas! Driessens verscheen niet weer…’

Onder het artikel staat binnen een zwarte lijst in vetjes gedrukt: ‘Al onze hoop is vervlogen. Op het oogenblik van onder pers te gaan, komt ons de treurige tijding toe van het overlijden van den gevierden kunstenaar Victor Driessens, op Zaterdag morgen ten 9 uren.’

Zo vernam het Antwerpse theaterpubliek de dood van de populaire hoofdrolspeler uit ontelbare melodrama’s, die hij niet zelden zelf uit het Frans vertaalde. Driessens (geb. 1820), die ook in Nederland grote successen had behaald, genoot bovendien veel aanzien als stichter in 1853 van het Nationael Tooneel, het eerste professionele Nederlandstalige toneelgezelschap in Vlaanderen.

Het bescheiden archief van Victor Driessens berust in het Letterenhuis – als een van de talrijke archieven van theatermakers die er bewaard worden. In de map met drukwerkjes zit een genaaide brochure uit 1867 met groene kaft. De titel luidt: Letterdiefte van Victor Driessens. Verslag aan den heer Minister van Binnenlandsche Zaken, over het toneelspel vrouwen zijn geen menschen, door M. Victor Driessens, tot het bekomen der Staatspremie aan het onderzoek van het Antwerpsch Comiteit voorgelegd.

Vanaf 1860 stimuleerde de Belgische overheid het Vlaamse toneel met een premie voor auteurs en componisten die nieuw werk schreven én voor de uitvoerders die het stuk creëerden. Een leescomité beoordeelde de kwaliteit van de stukken in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De regeling leidde tot een enorme toename van het aantal nieuwe Nederlandstalige stukken en de oprichting van vele toneelgezelschappen. In 1872 kwamen 175 werken in aanmerking voor een subsidie. Toch leidde de maatregel niet tot het ontstaan van een vitale toneelschrijfkunst. Vlaamse auteurs produceerden middelmatige stukken en bezondigden zich geregeld aan plagiaat.

Uitgerekend dat verwijt trof ook Victor Driessens. In 1867 bezorgde de gevierde acteur het handschrift van de komische eenakter De vrouwen zijn geen menschen aan de leden van het Provinciael Leescomiteit van Antwerpen dat het werk van Antwerpse auteurs beoordeelde. Baron F.C. d’Hane-Steenhuyze zat deze commissie voor; historicus Pieter Génard vervulde de rol van secretaris; ‘gewone’ leden waren de arts F.J. Matthyssens, Ed. Rigelé, de dichter Jan van Beers, Jacobs-Beeckmans en Ch. Wilmotte.

Génard
Pieter Génard.

Aangezien er geruchten in omloop [waren], die de echtheid van een ander stuk, dat de heer driessens onder zijnen naam liet opvoeren en primeeren, in twijfel trokken,

schreef het Comiteit, ‘zoo deden wij niet dadelijk uitspraak […] maar wilden eerst grondig onderzoeken, in hoe verre dit gewrocht [Driessens’ nieuwe stuk] al of niet op oorspronkelijkheid aanspraak konde maken’.

Volgens een anonieme aantekening op het handschrift is deze tekst opgesteld door Jan van Beers.

Weldra vernamen een of meerdere leden van de commissie dat De vrouwen zijn geen menschen bijzonder grote overeenkomst vertoonde met het ‘blijspel in één bedrijf’ Het toegemetselde venster. Dat laatste is de vertaling van een oorspronkelijk ‘Hoogduitsch’ stuk van de bekende August von Kotzebue die  al in 1812 door de Nederlandse toneelvertaler Jan Steven van Esveldt Holtrop in Amsterdam werd uitgegeven. Voorts kwamen er in het stuk letterlijke citaten voor uit de komische vlugschriften De vrouwen zijn geen menschen en De mannen zijn tirannen, beide van de pers gekomen bij de Nieuwe Boekhandel A. van Brussel, eveneens in Amsterdam.

De commissie zat erg verlegen met deze ‘letterdiefte’ door een man die ‘als tooneelist zulke schoone faam in gansch Nederland mocht verwerven’ en wilde de zaak liefst ‘smooren’. Maar met de doofpot nam Driessens geen genoegen. Integendeel: hij had De vrouwen zijn geen menschen al op de planken gebracht, en liet het stuk nu ook drukken. Het verscheen in de reeks Tooneelrepertorium van uitgevers J. Legross en J. de Deken, gevestigd aan de Antwerpse Sint-Katelijnevest nummer 23. Bovendien meldde de acteur dat hij iedereen die hem van plagiaat durfde te beschuldigen, zou laten vervolgen wegens laster.

Het Provinciael Comiteit schreef vervolgens een open brief aan de Minister van Binnenlandse Zaken, bevoegd voor de toekenning van de subsidie waarop Driessens recht meende te hebben. De (gedrukte) brief wordt gevolgd door de tekst van zijn toneelstuk (linkerkolom) en die van het origineel dat hij heeft geplunderd (rechterkolom). Zelfs een vluchtige vergelijking maakt duidelijk dat Génard, Van Beers en co. meer dan gelijk hadden.

250px-Kortrijk_1302_Henri_De_Pondt_portret_van_Hendrik_Conscience_ca__1870_9-01-2010_14-59-41
Hendrik Conscience (a).

Driessens antwoordde, eveneens publiekelijk, dat hij inderdaad gebruik had gemaakt van het toneelstuk en de ‘vlugschriftjes’ waar het Comiteit naar verwees. Maar, betoogde hij, toen hij destijds een spel in vier bedrijven naar de roman Houten Clara van Hendrik Conscience schreef, kreeg hij van diezelfde jury te horen dat hij juist te veel scènes van eigen vinding aan het originele verhaal had toegevoegd. Het Comiteit wild hem toen pas een premie gunnen ‘wanneer [hij] eene getrouwe navolging van Conscience’s gewrocht op het tooneel had gebracht’.

Alsof dat niet genoeg was, voegde de acteur hieraan toe dat ‘de Heer S.C. Willems, secretaris van het Brusselsche Leescomiteit, die voorzeker goed de reglementen wegens de premiën moet kennen, eene getrouwe navolging van een franschen vaudeville door zijn eigen Brusselsche Leescomiteit heeft doen primeren, den 12 juli 1862.’

Daarop liet Driessens een samenvatting volgen van het Franse origineel La fille de Dominique en de Nederlandse ‘bewerking’ De dochter van den kleermaker van Willems. Wie drie teksten verwerkt tot één stuk, zo concludeerde de acteur, wordt beschuldigd van plagiaat, terwijl degene die zich op een enkele tekst baseert, nota bene geld krijgt om zijn werk te laten drukken.

Driessens ging niet in op het feit dat de criteria voor drama’s, gebaseerd op een historische roman (zoals Houten Clara), anders waren dan die voor blijspelen, en trok de integriteit van het ‘Brusselsche Comiteit’ in twijfel om een oordeel van de Antwerpse collega’s onderuit te halen. Daar konden die laatsten niet om lachen. Het Antwerpsch Comiteit publiceerde daarom een brochure van maar liefst 72 bladzijden. Ze was voor de handel bestemd en kwam van de pers bij de uitgever J.W. Marchand aan de Oude Beurs in Antwerpen; in Amsterdam werd ze gedistribueerd door H.J. van Kesteren.

De brochure bevat alle hierboven aangehaalde ‘stukken’ uit het dossier, Driessens’ toneelstuk en zijn bronnen incluis. Daarbij voegde het Comiteit de commentaren van een zekere ‘K.N.’ die naar eigen zeggen al sinds de eerste opvoering eind 1866 in het Franstalige Antwerpse weekblad Le Courrier de la Semaine het vermoeden had geuit dat De vrouwen zijn geen menschen gebaseerd was op werk van derden. Volgens deze K.N. was het ‘een der opstellers van het dagblad De Koophandel’ die als eerste had ontdekt dat Driessens Het toegemetselde venster plagieerde, maar ontbrak het hem ‘den moed zulks bekend te maken. Dit had ook zijne reden in; hij was een der uitgevers van het Vlaamsch Tooneelrepertorium, waarin het plagiaat van den heer Driessens het licht zag.

Driessens2
Driessens in een van zijn glansrollen.

Uiteindelijk kwam K.N. op eigen kracht achter de waarheid.

De identiteit van K.N. blijft een mysterie; verondersteld kan worden dat hij het was die het Comiteit op de hoogte bracht van Driessens’ ‘diefte’. Ook de afloop van de zaak, waarover Driessens’ archief geen uitsluitsel geeft, is vooralsnog onbekend.

Victor Driessens was acteur en theaterdirecteur, geen schrijver. Hij wilde teksten hebben die goed bekten, liefst met een glansrol voor hemzelf. Als zo’n tekst ook nog eens extra geld kon opbrengen in de vorm van een subsidie – aan auteur en aan de spelers, dat wil zeggen een eerste keer aan Driessens de schrijver en een tweede keer aan Driessens de toneelspeler – woog dat voor hem zwaarder dan het intellectuele eigendomsrecht. Het Comiteit, in het leven geroepen om de ‘tooneelletterkunde’ te stimuleren, beriep zich op het romantische concept van de originaliteit en dacht er bijgevolg helemaal anders over.

Even leek het erop dat het conflict ook nog een politieke dimensie had, maar dat blijkt niet het geval. Driessens was namelijk liberaal en vrijmetselaar – hij behoorde tot de Antwerpse loge Les Élèves de Thémis, terwijl in het Comiteit katholieken als Pieter Génard en d’Hane-Steenhuyse zaten. De laatste was voorzitter van de Kamer van Koophandel en op een bepaald moment ook gemeenteraadslid. Maar Rigelé en Jacobs-Beekman waren actieve liberalen. De laatste was lid van de loge Les Amis du Commerce. Bovendien zijn de bladen Le Courrier de la Semaine en De Koophandel allebei liberale publicaties.

ZOLA(Wikipedia)
Émile Zola (foto Wikipedia)

Had Victor Driessen zijn lesje geleerd? Geenszins. In 1879 maakte hij, zonder eerst om toestemming te vragen, een Nederlandstalige toneelbewerking van (een Franse toneelbewerking van) de roman L’Assommoir (1877) van de grote Franse naturalist Emile Zola. Driessens speelde het stuk in juni 1879 in een tijdelijke ‘houten schouwburg’ die hij liet neerzetten op de Gemeenteplaats (thans Franklin Rooseveltplein). Zola wilde een proces tegen hem aanspannen bij de Rechtbank van Koophandel, maar die verklaarde zijn eis niet-ontvankelijk, ‘op grond dat de Fransche schrijver […] zelf eene Vlaamsche vertaling van zijn stuk hadde moeten doen verschijnen minder dan 6 maanden na de eerste opvoering in de Fransche taal, aan welke vereischte niet was voldaan. ‘

‘Dit boekje,’ schrijft het Comiteit in 1867 in zijn verantwoording die aan de tekst van de brochure voorafgaat, ‘is geen werk van haat; er zijn van die menschen die men zelfs niet kan verachten: tot deze behoort de letterdief. Door deze uitgave wordt getoond hoe laag een man van wezenlijk talent door hoogmoed en verwaandheid vallen kan.’

Maar de onverbeterlijke Driessens kwam ermee weg. Na zijn onverwachte dood herdacht men alleen de ‘uitsteekenden Vlaamschen tooneelist’.

Maagden van vlees en maagden van verf. Kleine biografie van Antverpia, de Maagd van Antwerpen.

Koninklijk_Atheneum_Antwerpen

In 2004 richt een brand grote verwoestingen aan in de hoofdvleugel van het Koninklijk Atheneum van Antwerpen. Het gebouw uit 1884, een ontwerp van stadsarchitect Pieter Dens (1819-1901), blijft structureel ongedeerd. Maar het dak is beschadigd en het interieur van de feestzaal blijkt verwoest.

Negen van de tien schilderijen van Franz Vinck – twee ensembles van telkens vijf doeken – zijn verloren. Tot de vernielde taferelen behoort De Maagd van Antwerpen. Alleen haar – letterlijke – tegenhangster, De Faam, blijft min of meer ongedeerd. Toch inspireert de Maagd van Antwerpen het jubilerende Atheneum nog altijd.

De Maagd van Antwerpen is een jonge vrouw, die schilders en dichters opvoeren om de Stad Antwerpen voor te stellen. Wanneer een persoon optreedt als belichaming van een algemeen begrip, spreken we van een allegorie. De Maagd van Antwerpen is een allegorie van de Stad Antwerpen.

DeMaagd
Franz Vinck, De Maagd van Antwerpen (a).

Net als andere stedenmaagden draagt de Maagd van Antwerpen een “stedenkroon”. Zo noemt men in de heraldiek of wapenkunde een kroon die eruitziet als een stadsmuur met torens en kantelen. De Maagd van Antwerpen heeft een wit kleed – wat meteen haar maagdelijke status benadrukt – en een rode mantel aan. Die kleuren verwijzen naar de zeven witte en zeven rode rozen, die op hun beurt de vrijheden of privilegies van de stad voorstellen.

Met Onze-Lieve-Vrouw, de moeder van Jezus, heeft de Maagd van Antwerpen niets te maken, al is Onze-Lieve-Vrouw wel de patrones of beschermster van Antwerpen en is de kathedraal aan haar gewijd.

***

Wie de Maagd van Antwerpen bedenkt en wanneer dat precies gebeurt, weten we niet. Vermoedelijk ontspruit ze in de 16de eeuw aan het brein van een rederijker. De rederijkers zijn welvarende burgers die in hun vrije tijd gedichten schrijven en toneel spelen. Zij treden ook op als figurant in processies en de optochten die men houdt bij de intrede van een nieuwe vorst of landvoogd. In hun toneelstukken leggen de rederijkers een grote voorliefde aan de dag voor allegorische personages.

De verenigingen van rederijkers heetten “kamers”. De oudste Antwerpse kamer, De Violieren, wordt voor het eerst vermeld in 1453. Maar erin de stad wordt al langer toneel gespeeld.

PieterDens
Architect Pieter Dens, ontwerper van het Atheneum (foto Letterenhuis).

In de 14de eeuw groeit de Besnijdenisprocessie uit tot een “ommegang” waaraan de hele bevolking deelneemt. Eerst stappen de ambachten op, dan komen de geestelijkheid van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, de stadsmuzikanten, het stadspersoneel, de schepenen en tenslotte de priesters die in de kerk de mis hebben opgedragen.

Tussen ambachten en geestelijkheid ziet men gecostumeerde “personagiën” – rederijkers dus – lopen of rijden. Zij beelden “puncten” of episodes uit de Bijbel en de gewijde geschiedenis uit. Soms gaat het om heuse tableaux vivants met profeten, heiligen, ridders en maagden.

De meeste personages  hebben rekwisieten bij, versierd door de schilder Andries de Cuypere. Sommigen dragen “pincheelen” of schilderijen met religieuze en symbolische voorstellingen. Muzikanten begeleiden het gebeuren.

  In de stadsrekening van 1401 staat: “Item, dat men gaf den ministrelen, trompers, bonghers, pypers, snaerspeelders ende alderhande ministrelen die metter processie om ghinghen, haer spel ende conste daden ter eeren Gods ende van sinen heylighen besnidenisse […] Item van nuwen ornamenten dat de persone hadden, die mede om ghingen ende reden, alse apostelen, propheten, maeghden, coninghe, ridderen ende andere nieuwe zaken alsoe men sien mochte […]. Andries de Cuypere, pingeren, die de ornamenten maecte ende pingeerde, ende oec ordinerde hoe sij riden ende ghaen souden […].”

Andries de Cuypere, over wie we verder niets weten, decoreert niet alleen de rekwisieten: hij “regisseert” de optocht. Hieruit blijkt dat er van bij het begin een hechte band bestaat tussen de beeldende kunsten, publieke vertoningen en theater.

Heel wat schilders maken trouwens ook deel uit van een rederijkerskamer. Ze schrijven teksten en staan mee op de planken, maar natuurlijk maken ze zich vooral verdienstelijk door het schilderen van decors, het ontwerpen van kostuums enz.

In 1480 wordt de nauwe band tussen de beoefenaars van kunstambachten en de rederijkers officieel bekrachtigd. De Violieren wordt bij het Sint-Lucasgilde gevoegd. Dat laatste groepeert de schilders, beeldhouwers en andere beoefenaars van kunstambachten.

Een gilde is een beroepsvereniging waarvan de leden het monopolie hebben om in een stad hun bedrijf uit te oefenen. De gilden geven hun leden zoveel mogelijk gelijke kansen. Ze controleren daarom de productiewijze, de materialen en de kwaliteit van de producten, leggen de onderlinge concurrentie aan banden en verlenen steun aan de weduwen en wezen van gestorven leden. Elke gilde heeft zijn eigen patroonheilige, schatkist, lokaal en meestal ook een kapel in een belangrijke kerk.

Al in 1382 vragen de Antwerpse schilders, beeldhouwers, glazenmakers of vervaardigers van glas-in-lood, borduurwerkers en goud- zilversmeden om hun gemeenschappelijke belangen te verdedigen aan het stadsbestuur om “een ambacht te makene”. De magistraat stemt in en ze krijgen “enighe pynten ende ordinanchen […]” om “hare ambacht mede te houdene ende te regeerne, omme dat sij […] vorsien mochten van allen zaken, die hen ende haren ambachte behoufden”.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Huis De Bock op de hoek van de Kammenstraat en de Ijzeren Waag, de eerste zetel van het Sint-Lucasgilde (foto Jan Lampo).

De Onze-Lieve-Vrouweommegang op de eerste zondag na 15 augustus (Onze-Lieve-Vrouwhemelvaartsdag) groeit uit tot de voornaamste optocht van het jaar. Er bestaat nog geen rigoureus onderscheid tussen het religieuze en het civiele. Daarom combineert de stoet religieuze en wereldlijke elementen.

In 1521 bezoekt de beroemde Duitse schilder en graveur Albrecht Dürer (1471-1528) Antwerpen. Hij wordt ontvangen door het Sint-Lucasgilde. In zijn reisdagboek noteert hij over de Ommegang:

“De hele stad was erbij, eenieder, naar zijn rang en stand, uitgedost in zijn fijnste kleren. Ieder gilde had zijn bijzondere kenteken bij, zodat men het kon herkennen. Bovendien droeg men grote, kostbare waskaarsen. Muzikanten torsten ouderwetse, lange zilveren bazuinen. Er waren ook veel fluitspelers en trommelaars, gekleed op zijn Duits. Met hun instrumenten produceerden ze enorm veel lawaai.”

Albrecht Dürer, Zelfportret (a).

Dürer bewondert de rederijkers die op wagens Bijbelse taferelen uitbeelden: “Eerst kwamen de profeten en vervolgens tonelen uit het Nieuwe Testament. Ik zag de boodschap van de engel aan Maria, de heilige Drie Koningen op grote kamelen […] en de vlucht van Onze-Lieve-Vrouw naar Egypte.”

Van de Maagd van Antwerpen is nog geen sprake. Dat is evenmin zo bij de intrede van keizer Karel, waarvan Dürer ook getuige is. Wel weten we dat de Sint-Jorispoort waarlangs de Karel de stad binnenrijdt, versierd is met een triomfboog. Daarop staan de mooiste maagden van Antwerpen, “byna gansch naekt en slechts in een dunne gazen kleeding gehuld”, aldus de 19de-eeuwse geschiedschrijvers F.H. Mertens en K.L. Torfs.

In tegenstelling tot de Ommegang, getuigt de intrede van Karel V van de nieuwe geest van de renaissance. Symbolen en taferelen, decoratie en tableaux vivants verwijzen naar de Grieks-Romeinse Oudheid.

***

AlbrechtDurer
Albrecht Dürer, Zelfportret (a).

Ook de Ommegang verandert de komende jaren van uitzicht en karakter. Er komen allerlei nieuwe elementen bij die bedoeld zijn om de welvaart en de roem van de stad te illustreren. In 1534 vervaardigt de schilder Pieter Coecke van Aelst (1502-1550) de beeltenis van de reus Antigoon. Stadssecretaris Carolus Scribonius beschrijft hierover:

“Het is zoo constelyck na menschelycx lichaems proportie gemaect dat men over dese side der berghen noch van grootheden, noch van consten weghen geenen desgelycken vinden en soude […]. Hy heeft een regt reusens opsien, te wesene vroet, vreeslyck, tyrannich, met eenen langen rooden baert, bernende innewaerts staende oogen, lancharige wynbrouwen, met bloote armen, bloote beenen, met eene antycke borst, met cothurnen aen de voeten ende schenen.”

Er komt ook een walvis met op zijn rug Neptunus, de god van de zee. Een schip verbeeldt de commerciële voorspoed van de stad. En de Maagd van Antwerpen, alias Antverpia doet haar intrede.

In 1564 is zij een van de “poincten” in de Ommegang, “voor haer liggende Scaldis op zynen waterstroom. Op de rechterzyde zit Mercurius, op de linkerzyde Copia. Hierachter ryden veel jongers en maegdekens met diversche sieraden”. Dit “poinct” is op dat ogenblik al niet meer nieuw.

Scaldis is de verpersoonlijking van de Schelde. Mercurius kennen we als de Romeinse god van de handel en Copia is de godin van de overvloed. De complexiteit van het allegorische gezelschap verraadt duidelijk de hand van een rederijker.

Prenten uit 1582 tonen de praalwagens van de Ommegang die meerijden bij de blijde intrede van Frans, hertog van Anjou, die de leiders van de opstand tegen Spanje korte tijd naar voor schuiven als vorst van de Nederlanden.

De Maagd van Antwerpen zit op haar praalwagen onder een fraai baldakijn. Ze draagt een rood kleed met gouden versierselen. Op haar hoofd heeft ze een lauwerkrans; in haar handen houdt ze een lauriertak. Rechts van haar leest Prudentia of de Voorzichtigheid in een boek; links staat Justitia of Gerechtigheid met zwaard en weegschaal. Voor de troon van de Maagd zien we het wapen van het markgraafschap Antwerpen.

Maagdenwagen
Praalwagen met de Maagd van Antwerpen in de Ommegang bij de intrede van Frans van Anjou (a).

De aanwezigheid van andere personages, wier betekenis moeilijk te doorgronden is, maakt het geheel moeilijk te begrijpen voor wie niet goed op de hoogte is van allegorieën en hun attributen. Geen wonder dat ook rebussen, raadsels opgebouwd uit woord en beeld, populair zijn bij de rederijkers.

In 1651 is er geen een Maagd van Antwerpen, maar wel een “Maegdenberg”. De maagden stellen de “leden der stad Antwerpen” voor. In zijn Antverpiensia zegt de historicus Floris Prims:

“In de middeleeuwse omgangen, zo te Antwerpen, als in het Rijnland en in Frankrijk, ging er een groep van vijf wijze maagden met de brandende lampen en de vijf dwaze met ledige lampen.”

“We menen dat de Antwerpse maagdekenswagen van de XVIIde eeuw voortkomt van dit middeleeuwse punt. Maar kort na de protestantse crisis hadden deken en kapittel bezwaren ingebracht tegen sommige dezer oude voorstellingen wegens misbruiken en aanstotelijkheden. En zo is de maagdekenswagen gelaïciseerd geraakt. Er was echter toch betekenis aan te geven. In 1698 zal men ons leren dat ‘de diverse maagdekens de leden (van de magistraat) uitbeelden, daar deze lieden de privilegiën van de stad als zuivere maagdekens onbevlekt waren.”

Prims vervolgt: “Boven op zat een maagdeke met een zilveren lauriertak in de hand, “om te tonen dat de leden alle wetten in hun rechte staat houden”.

Misschien is dit laatste “maagdeke” toch wel “de” Maagd van Antwerpen.

***

Schilder Abraham Janssens (1575-1632) voltooit in 1609 het indrukwekkende paneel Scaldis en Antverpia. Daarop staan de riviergod Scaldis en de Maagd van Antwerpen afgebeeld. Scaldis is een gespierde oudere man met een lendenboek. Hij leunt op een amfoor waaruit het water van de stroom vloeit.

Antverpia draagt een wit gewaad en een stedenkroon. Met haar uitgestrekte linkerhand wijst ze naar het water. Scaldis reikt haar een hoorn des overvloeds aan, waaruit vruchten tuimelen.

Het schilderij is een bestelling van het stadsbestuur voor de Statenkamer in het stadhuis. Daar vinden vredesbesprekingen plaats tussen de ambassadeurs van de Verenigde Provinciën en van de Zuidelijke Nederlanden. Met Scaldis en Antverpia wil de magistraat hen herinneren aan de noodzaak om de Schelde opnieuw open te stellen voor het scheepvaartverkeer.

DavidTeniers
David Teniers (a).

In 1665 borstelt Theodoor Boeijermans (1620-1678) het doek Antwerpen, voedster van de schilders. Het wordt aangebracht tegen de zoldering van de Schilderskamer, de nieuwe vergaderruimte in de Beurs die de stad ter beschikking stelt van het Sint-Lucasgilde. Het gilde verhuist daar naartoe omdat in zijn oude lokaal aan de Grote Markt geen plaats is voor de Academie die pas is opgericht door David Teniers.

Op Boeijermans’ schilderij legt de Maagd van Antwerpen haar hand op de schouders van een jonge kunstenaar – een verwijzing naar de Academie waar de leerlingen leren tekenen en boetseren naar levend model. Antverpia draagt een rood gewaad en op haar knieën ligt een witte mantel. Ze heeft een klein stedenkroontje op.

Links onderaan zitten kinderen te tekenen – een tweede verwijzing naar de Academie. Achter hen ziet men de recentelijk overleden meesters Rubens en Van Dijck goedkeurend toekijken. Op een tafel prijkt de gipsen kop van de Griekse dichter Homeros die op de nauwe band tussen schilderkunst en literatuur wijst. Links van de Maagd verschijnt de Tijd, herkenbaar aan zijn vervaarlijke zeis. Hij voert een stoet van kinderen aan – nogmaals een referentie aan de Academie. Op de voorgrond rechts zit Scaldis met zijn hoorn des overvloeds.

Ook in het stadhuis doet de Maagd haar intrede. We zien haar op plafondschilderingen in wat nu de Raadzaal is. De zoldering is gedecoreerd met zes grote allegorische taferelen. Die in het midden – het eerste, tweede, vierde en vijfde – zijn de oudste. Ze worden geschilderd door Jacob de Roore (1686-1747) wanneer door de Vrede van Utrecht de Zuidelijke Nederlanden in 1713 onder Oostenrijks bewind brengt.

De Roores panelen weerspiegelen de hoop van het stadsbestuur dat Oostenrijk een eind zal maken aan de sluiting van de Schelde. Het vierde paneel toont de Maagd van Antwerpen met het wapen van het markgraafschap en engelen met de schilden van de kwartieren Rijen, Arkel, Hoogstraten en Herentals waarin dit administratief was onderverdeeld.

VinckdoorVaes
Franz Vinck door Walter Vaes (foto Letterenhuis).

 Naast Antverpia plaatst De Roore Ceres, de Romeinse godin van de landbouw. De Scheldegod Scaldis ligt nog te slapen; de handelsgod Mercurius wenkt Antverpia om hem te wekken. Op het vijfde paneel voert de Faam de Maagd van Antwerpen ten hemel.

De twee overige plafonschilderingen, eveneens met de Maagd, dateren uit de 19de eeuw. Ze zijn het werk van Franz Vinck. Ik kom er later op terug.

***

Het kan niet anders of de Maagd van Antwerpen klimt ook op de planken. Dat is o.m. het geval in het gelegenheidsstuk

Op 18 februari 1693 doet keurvorst Maximiliaan-Emmanuel van Beieren zijn intrede als nieuwe landvoogd te Antwerpen. Het bestuur van het Sint-Lucasgilde nodigt de hertog uit in de Schilderskamer en de Academie. De hoofdman van het gilde, die ook schepen is, en de dekens ontvangen de hertog bij de ingang van de Beurs en begeleiden hem met brandende fakkels naar boven. In de Schilderskamer laten ze hem plaatsnemen.

Muzikanten spelen een ouverture en het doek gaat op. De leden van De Olijftak – dat is de nieuwe naam van de rederijkers die bij het Sint-Lucasgilde horen – brengen het stuk. Het doek achter het toneel is beschilderd door Godfried Maes (1649-1700) en stelt het Scheldestrand voor, met in de verte Antwerpen. Personages zijn de stedenmaagd, Apollo, de god der kunsten, en de allegorische figuren Pictura (de schilderkunst) en Sculptura (de beeldhouwkunst). Ze brengen hulde aan Maximiliaan-Emmanuel en zingen de lof van Antwerpen als metropool van handel en kunsten.

Zodra het stuk gedaan is, klimt de griffier van het Sint-Lucasgilde op het toneel en leest een smeekschrift voor waarin hij de landvoogd om nieuwe subsidies voor de Academie vraagt. Vervolgens bezoekt Maximiliaan-Emmanuel de school. Hoewel de landvoogd belooft dat hij de bede van het gilde in overweging zal nemen, zijn de problemen nog niet opgelost.

Reus
De reus Antigoon uit de Ommegang werd gemaakt door Pieter Coecke van Aelst (a).

Het aantal leerlingen groeit. De “cleynicheyt van de plaetse” wordt een probleem. Bovendien wil men een “Accademie van plaester”, d.w.z. een klas waar de leerlingen als voorbereiding op het tekenen naar levend model gipsen beelden kunnen tekenen. Daarom vraagt het Sint-Lucasgilde een vertrek in de noordelijke vleugel van de Beurs.

De magistraat stemt in. De inhuldiging van de nieuwe klas wordt in 1694 gevierd met de opvoering van het stuk De Verrijkte Academie – alweervan Barbara Ogier.

***

Op het einde van de 13de eeuw geeft hertog Jan II van Brabant de kooplieden die de jaarmarkten van Antwerpen bezoeken een vrijgeleide. Er zijn twee jaarmarkten. De eerste begint met Pinksteren; de tweede op Bamis of Sint-Baafsdag, 1 oktober. Aanvankelijk kondigen de “stadsknapen” het begin van een jaarmarkt aan met hoorngeschal vanuit een woning “tegenover het stadhuis”.

De jaarmarkten zijn van groot belang voor de Antwerpse economie. Geen wonder dat de afkondiging na verloopt van tijd uitgroeit tot een heel ritueel.

De zondagmorgen voor het begin van de jaarmarkt maken de schout en de leden van de magistraat om half negen hun opwachting bij de Maagd van Antwerpen – een jong meisje dat vooraf door de jongste schepen is aangeduid. Die laatste is in het rood gekleed, terwijl zijn collega’s zwarte tabbaarden aan hebben.

Vis
De Vis en Scaldis uit de Ommegang (a).

De Maagd is gehuld in een kostbare mantel die zij voor de gelegenheid van het stadsbestuur ten geschenke heeft gekregen. Zij biedt iedereen een tuil met zeven witte en zeven rode rozen aan. De bloemen stellen de vrijheden van de stad voor. Alleen de jongste schepen mag de Maagd van Antwerpen omhelzen. Bovendien geeft hij haar een schaal met gekonfijte vruchten. Daarna wordt de opening van de jaarmarkt onder trompetgeschal afgekondigd.

De plechtigheid vindt tot 1705 plaats in het huis Den Eechoren op de hoek van de Zilversmidstraat en de Braderijstraat. Van 1606 tot 1715 verhuist ze naar het (thans gesloopte) pand Onze-Lieve-Vrouw op de hoek van de Grote Markt en de Maalderijstraat.

In 1715-1716 koopt de stad enkele woningen bij de vroegere Ijzeren Brug om ze af te breken. Op de plaats van De blau Gheyte en De Sevensterre bouwt de magistraat een hoekpand met drie verdiepingen. Voortaan gebeuren de begroeting van de Maagd en de afkondiging van de jaarmarkten hier. Daarom verandert de naam van het nieuwe huis al gauw van Het Wapen van Antwerpen in De Maagd van Antwerpen.

De dat keuze van een Maagd tot conflicten kan leiden, blijkt in 1744. De jongste schepen en de tresorier of schatbewaarder krijgen ruzie over de nieuwe Maagd. Dat jaar geniet zij de eer dat ze de sleutels van de stad mag overhandigen aan aartshertogin Maria-Anna en haar man, landvoogd Karel van Lorreinen (1712-1780), die de stad bezoeken. Uiteindelijk krijgt de tresorier gelijk; zijn kandidate mag de rol van Maagd vervullen. Uit protest verschijnt ook de jongste schepen in het zwart.

***

Maagd1jpg
De Maagd van Antwerpen kroont David Teniers. Beeld op de Grote Markt. Illustratie uit De Vlaemsche School, 1877 (a).

In de 19de eeuw kent Antwerpen als havenstad een nieuwe bloeiperiode. Het jonge België legitimeert zichzelf door te verwijzen naar het verleden en houdt de herinnering levendig aan de (veronderstelde) deugden en grootse daden van de Belgen uit vroeger eeuwen. Het liberale Antwerpse stadsbestuur doet op kleinere schaal hetzelfde. De beeldende kunst speelt hierbij een voorname rol.

Schilders en beeldhouwers verheerlijken de middeleeuwen en de renaissance, de opstand tegen Spanje, de revolutie van 1830 en natuurlijk hun eigen grote voorgangers. In de Scheldestad ontstaat een ware Rubenscultus die wordt ingeschakeld bij de “marketing” van Antwerpen als “moederstad van handel en kunsten”.

Om een en ander gestalte te geven drukken, grijpen kunstenaars en ontwerpers terug naar vormen en genres uit het verleden, waaronder de allegorie. Ook Antwerpens Maagd beleeft een tweede jeugd.

***

In 1840 vindt op het Burchtplein bij de Schelde de onthulling plaats van het standbeeld van Rubens. Omdat het bronzen beeld, dat gegoten wordt in Luik, niet op tijd klaar is, stelt men zich, noodgedwongen, tevreden met een gipsen model (de bronzen Rubens komt later op de Groenplaats). Tal van buitenlandse belangstellenden strijken neer in de stad.

Antwerpen is feestelijk versierd met triomfbogen en andere versierselen van hout, textiel en bordkarton. Mertens en Torfs zeggen: “Op de Groote Markt was de Stad Antwerpen afgebeeld, door Mercurius en de Vrye Kunsten gekroond.” De Maagd van Antwerpen is dus wel degelijk present.

Antiquités
Kop van de reus Antigoon en de reuzin Pallas Athene in het Musée d’Antiquités in het Steen (a).

Tot de feestelijkheden behoort het uitgaan van de Ommegang, “verrykt” met een nieuwe wagen. Die is volgens Mertens en Torfs, “vervaerdigd volgens Rubens teekening van den callooschen zegewagen des jaars 1638”. Ik vermeld hem omdat hij later opnieuw deel zal uitmaken van historische optochten.

De Antwerpenaren constateren dat ze goed zijn in het organiseren van groot opgezette feesten. De bevolking houdt ervan en mensen komen van heinde en verre naar de stad om mee te vieren en zich te vergapen aan de stadsversiering en de parades. Die worden almaar grootser opgevat, zodat Antwerpen weldra de bijnaam “stad der stoeten” krijgt.

Bij “Kermisfeesten” van 1864 is de Maagd van Antwerpen alomtegenwoordig. De feestelijkheden staan dat jaar in het teken van de 200ste verjaardag van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten.

Eens te meer is de stad versierd met gelegenheidskunst: triomfbogen, zuilengalerijen enz. Er zijn exposities, maar ook een landbouwtentoonstelling, concerten, koorwedstrijden en zelfs “roeifeesten” op de Schelde. Er stijgen “luchtballen” op, het standbeeld van de dichter Theodoor Van Rijswijck wordt ingehuldigd en in het Steen opent het nieuwe Museum van Oudheden voor het eerst zijn deuren.

“Op het uiteinde der St. Paulusstraat, tegen de St. Pietersvliet,” zo lezen we in het verslag van de feestweek, “prijkt eene schildering van twintig meters hoogte, uitgevoerd naar de teekening van den bouwmeester Frans Durlet. Zij is eene der heerlijkste scheppingen van ’s meesters talent en verbeeldt Antwerpen, kroonen uitreikende aan de kunstenaren.”

Maagd2
Prent naar het schilderij met de Maagd van Antwerpen, opgehangen aan de Sint-Paulusstraat voor de Rubensfeesten van 1877. Illustratie uit De Vlaemsche School, 1877 (a).

Uiteraard neemt Antwerpen hier de gedaante van de Maagd aan, die in haar opgestoken rechterhand lauriertakken houdt. Ze draagt een kroon die wat aan de hoofdtooi van het Vrijheidsbeeld doet denken.

Op de Grote Markt staat dan weer een levensgroot beeld van de  Maagd van Antwerpen met stedenkroon en Mercuriusstaf die het borstbeeld van David Teniers kroont. Het gaat om een werk van Jan Van Arendonck (1822-1881).

De Maagd maakt ook prominent deel uit van de feestelijke versiering van de Academie. Het poortgebouw van de school wordt geïncorporeerd in een geheel met twee triomfbogen en een lange wand met twaalf nissen waarin beelden staan.

Op de kroonlijst van het poortgebouw prijkt een portret van David Teniers. Op het dak staat de Maagd van Antwerpen “omringd van beelden, de verschillende vakken der beeldende kunsten voorstellende; links en rechts zijn, in de gedaante van zittende vrouwen, de Wetenschap en de Nijverheid afgebeeld, naast vazen waaruit het vlammende vuur van den vooruitgang opflikkert. Het geheel is bekroond met eene prachtige tropee [sic] van zinnebeeldige en nationale vlaggen”. Het blijft gissen waaruit de beelden en de rest van de decoratie vervaardigd zijn.

De Ommegang gaat uit. Behalve de traditionele elementen van de Ommgegang – de reus, de reuzin, de walvis enz. – rijden wagens mee die bekostigd en gedecoreerd zijn door verenigingen of “maatschappijen” zoals men ze dan noemt. Twee praalwagens tellen de Maagd onder hun bemanning.

De toneelvereniging Jong en Leerzuchtig is van de partij met een Tenierswagen naar ontwerp van schilder J. Werts en beeldhouwer Leonard De Cuyper (1813-1870).

Maagd4
Triomfboog op de Meir, opgericht voor de Rubensfeesten van 1877. Illustratie uit De Vlaemsche School, 1877 (a).

“Voor op den wagen zit de Maagd van Antwerpen, welke de paarden ment; achter haar staat de Genius der kunst met eene schitterende ster in de hand, waardoor te kennen gegeven wordt dat Antwerpen’s naam als eene ster op het gebied der schoone kunsten schittert. Op het verheven gedeelte van den wagen zit David Teniers onder een prachtig met de wapens van de Sint-Lucasgilde versierd troongehemelte; wat lager ziet men de zinnebeelden der verschillende vakken der kunst en faamgodinnen die den roem des meesters uitbazuinen. Op het plat of middengedeelte van den wagen, houden zich de beroemdste tijdgenoten van Teniers.”

PeterBenoit
Peter Benoit (foto Letterenhuis).

Vier ruiters volgen de Tenierswagen. Dan komt, getrokken door prachtige natiepaarden, de Rubenswagen, d.w.z. het rijtuig dat men in 1840 heeft gebouwd naar Rubens’ schetsen voor de Zegewagen van Kallo.

“Voorop staan, op een verheven voetstuk, twee faamgodinnen welke het geschilderd afbeeldsel van Rubens vasthouden,” schrijft de verslaggever, “aan het uiteinde leest men het volgende opschrift in een rozenkroon geplaatst: Hulde aan Rubens. Aan de achterzijde prijkt het wapen der stad, weerkanten van den wagen staan reukvaten en voorop zit eene vrouw die de Maagd van Antwerpen voorstelt.”

***

De grote vieringen blijven elkaar opvolgen. In 1877 viert men de driehonderdste geboortedag van Rubens. Voor het eerst zijn ook de nieuwe straten buiten de vroegere stadswallen versierd. Dat geldt in het bijzonder voor de Leopoldlei (thans Belgiëlei), waar op de rotonde aan de Charlottalei “zuilen, zinnebeelden en vazen” zijn geplaatst.

De literaire vereniging De Olijftak organiseert een “historische optocht” organiseert met de reus, de reuzin, de dolfijnen, het schip en de bootjes van de Ommegang en tal van gekostumeerde figuranten te voet en te paard.

Ook de Rubenswagen is weer van de partij. Hij is voor de gelegenheid opnieuw geverfd. Bovenop staat deze keer een groot, verguld houten standbeeld van Rubens door P. Dekkers die in 1864 de Prijs van Rome voor beeldhouwkunst heeft behaald. Aan de voorkant van de wagen zit de Maagd van Antwerpen.

***

In opdracht van het stadsbestuur heeft de liberale dichter Julius De Geyter (1830-1905) het libretto Vlaanderens Kunstroem geschreven dat Peter Benoit (1834-1901) van muziek voorziet. Het werk wordt bekend als de Rubenscantate. Op 18 augustus voeren 1200 (!) “zangers en spelers” het voor zo’n 30.000 toehoorders – sommigen gewagen van 100.000 – uit bij het Rubensbeeld op de Groenplaats.

Maagd5
Creatie van de “Rubenscantate” op de Groenplaats. Illustratie uit “De Vlaemsche School”, 1877 (a).

Een van de “rollen”, de “stemmen” in het zangstuk is Antwerpen. Ze zingt over de vreemdelingen die haar bezoeken en haar reputatie verspreiden: “Ik zag er komen / Uit ieder land, / zag zeilen, stoomen / Van ieder strand… / Geen volk ter wereld / Dat weder thans / Mijn kroon niet perelt / Met roem en glans… / Weest welkom allen! Hebt allen dank ! / en dreunt, mijn wallen, / Bij klank en zang!”

Het zijn niet echt onsterfelijke verzen.

.***

De Academie is sinds 1813 gevestigd in het gewezen franciscanenklooster aan de Mutsaertstraat. De kerk fungeert als museum. Stadsbouwmeester Pierre Bruno Bourla (1783-1866) verbouwt ze grondig. Hij breekt het westelijke deel af en vervangt het door een classicistisch museumgebouw met Dorische zuilen en een fronton. In 1843 is alles klaar.

De deur geeft toegang tot een monumentaal trappenhuis. Langs de dubbele trap begeven de bezoekers zich naar de eerste verdieping, waar de eigenlijke museumzalen zich bevinden.

De Keyser
Niçaise De Keyser (foto Letterenhuis).

Tussen 1861 en 1872 voert directeur Niçaise De Keyser (1813-1887) schilderijen uit voor de trapzaal. Samen stellen ze De Roem van de Antwerpse School voor. Het gaat om drie grote en twaalf kleinere schilderijen. Op het centrale tafereel ziet men de Maagd van Antwerpen in het gezelschap van personages die de gotiek en de renaissance uitbeelden. Kunstenaars omringen hen.

De Maagd draagt opnieuw een stedenkroon; in haar uitgestrekte rechterhand houdt ze een lauwerkrans die de roem van de Antwerpse “schilderschool” symboliseert.

In augustus 1873 veroorzaakt een blikseminslag brand op de Stadswaag, vlakbij de Academie. Het scheelt niet veel of het Museum gaat in vlammen op. Ook omdat Bourla’s gebouw niet langer aan de normen van de tijd beantwoordt, begint men na te denken over een verhuizing van de collectie.

Het schepencollege koopt grond voor een nieuw museum op Het Zuid. De stad heeft zwaar geïnvesteerd in de nieuwe wijk en wil ze aantrekkelijk maken. Na een architectuurwedstrijd in 1877 mogen Jean Jacques Winders (1849-1936) en Frans Van Dyk (1853-1939) het museum te ontwerpen. In het lastenboek staat dat de bouwmeesters een vestibule moeten voorzien waarin de wandschilderingen van De Keyser een plaats kunnen krijgen. De werken starten in 1884 en duren zes jaar. De wandschilderingen, Maagd van Antwerpen incluis, verhuizen mee met de rest van de kunstverzameling.

***

Vinck1
Franz Vinck (foto Letterenhuis).

Bij zijn ambtsaanvaarding op 2 september 1872 verklaart de liberale burgemeester Leopold de Wael (1823-1892) dat het Atheneum een behoorlijk nieuw gebouw moet krijgen. Toch duurt het nog tot 1880 eer het stadsbestuur beslist om daar werk van te maken.

De school moet op grond van de stad aan de Gemeenteplaats (het huidige Franklin Rooseveltplein) komen. Deskundigen, onder wie stadsarchitect Pieter Dens, bezoeken gelijkaardige instituten in Nederland, Frankrijk en Duitsland.

Dens ontwerpt uiteindelijk het gebouw dat in 1884 wordt ingehuldigd. Het bestaat uit de voorste helft van het huidige complex. De eerste lessen vinden er plaats op 7 oktober 1884. De feestzaal is dan nog niet klaar. Frans Van Dievoort werkt ze de komende jaren af. Kunstschilder Franz Vinck krijgt de opdracht om de zaal te versieren met schilderijen die kunsten en wetenschappen verheerlijken.

Franz – eigenlijk Gaspard Franz Hubert – Vinck is op 14 september 1827 geboren in Antwerpen. Zijn vader verdient de kost als boekhouder bij de bekende jeneverstoker Louis Meeus.

Als kind krijgt Franz tekenles van de schilder Karel Schippers, de verloofde van zijn nicht. Zijn ouders willen dat hij viool gaat studeren aan het conservatorium van Brussel, maar hij schrijft zich in aan de Academie waar hij les krijgt van Edward Dujardin en Joseph Dyckmans.

In 1846 debuteert de jonge schilder op het Salon van Antwerpen met Jozef bij de vrouw van Putifar. Later wordt het schilderij geëxposeerd in Philadelphia in de Verenigde Staten. Daar verdwijnt het spoorloos. De kunstenaar is niet alleen zijn doek kwijt, maar ook het geld dat een koper ervoor heeft geboden.

Vinck2
Franz Vinck (foto Letterenhuis).

Franz Vinck.

Vinck reist met een collega naar Parijs om er in het Louvre oude meesters te kopiëren. Na zijn terugkeer in 1852 bereidt hij zich voor op deelname aan de Prijs van Rome. Hij komt door de preselectie, maar het is Florent Pauwels die de overwinning behaalt.

Dankzij de vrijgevigheid van zijn vaders werkgever kan Vinck de laureaat naar Italië vergezellen. Maar hij blijft hangen in de Franse hoofdstad. Daar maakt hij kennis met de ex-directeur van de Antwerpse Academie, Gustaf Wappers, die na zijn vrijwillige ontslag is uitgeweken.

Vinck blijft negen maand in Parijs. Pas dan zakt hij af naar Rome. Hij borstelt er De gevolgen van de zeven hoofdzonden voor het mensdom, dat hij naar Antwerpen stuurt. Het werk heeft succes en de regering kent de kunstenaar een subsidie toe.

In 1856 keert Vinck terug naar Antwerpen. De schilder Florent Mols-Brialmont (1811-1896) nodigt hem uit voor een reis naar het Midden-Oosten. Een jaar lang werkt de schilder in Egypte en Palestina. Na zijn huwelijk in 1859 vestigt Vinck zich in Brussel, maar dat wordt blijkbaar geen succes. Hij keert terug naar zijn vaderstad.

Burgemeester Leopold de Wael (foto Letterenhuis).

Daar wordt Vinck opgenomen in de kleine kring van leerlingen en medewerkers van Henri Leys (1815-1869). Die heeft na zijn bekroning op de wereldtentoonstelling van Prijs in 1855 het hoogtepunt van zijn roem bereikt.

De productieve Vinck borstelt historische taferelen die de invloed van Leys verraden, maar zijn coloriet is lichter; vaak schildert hij ook minder ernstige taferelen. Toch produceert hij voorstellingen van voorname momenten uit de vaderlandse geschiedenis, zoals De eedgenoten bij Margaretha van Parma (1872, Antwerpen, KMSK).

De plafondschilderingen van Vinck in de Raadzaal van het stadhuis – de derde en de laatste – verwijzen naar de bloei van de haven eind van de 19de eeuw. Het derde paneel laat zien hoede vier werelddelen die de Maagd van Antwerpen hun producten aanbieden, terwijl Scaldis zijn gebroken boeien toont. Op het zesde schilderij laat Vinck de Faam de Schone Kunsten kronen.

Ook Kruiswegen bestelt men bij Vinck. Hij schildert er voor de O.-L.-Vrouwekathedraal, de Saint-Nicholas in het Franse Boulogne-sur-Mer en de anglicaanse Saint Cuthbertkerk in Londen.

KruidwegVinck
Prent naar een statie van de Kruisweg door Franz Vinck (foto Letterenhuis).

Franz Vinck wordt aangesteld tot leraar antiek aan de Academie en behaalt onderscheidingen in tentoonstellingen in Brussel, Wenen, Londen, Lyon en Philadelphia. Hij overlijdt op 3 oktober 1903 in zijn woning in Berchem.

Kunsten en wetenschappen zijn voor geen enkele schilder een gemakkelijke thema. Vinck kiest voor een allegorische benadering. In totaal borstelt hij tien grote schilderijen – vijf voor de oostelijke en vijf voor de westelijke muur van de feestzaal. Elk ensemble krijgt zijn eigen thema.

Aan de westzijde verheerlijkt Vinck de Handel, meerbepaald de kolonisering van Congo die op dat ogenblik bezig is o.l.v. koning Leopold II, en de Wetenschap.

Men ziet “een schip varende onder Belgische vlag” dat België voorstelt. Aan boord is “het Koningschap, vergezeld door de Gerechtigheid, de Grondwet en de Vrede, en geleid door de Handel, onder de hoede van de Voorzichtigheid.” Het schip stevent naar “de oever van overzee” waar het “in het land van de slavernij zal aanleggen, om er de weldaden van de beschaving aan te voeren”. Uiteraard zijn het koningschap, de Gerechtigheid enz. verpersoonlijkt door vrouwenfiguren.

Naast de koloniale – of kolonialistische – tafereel prijkt een al even ingewikkelde, allegorische voorstelling die de verworvenheden van de wetenschap onder de aandacht brengt.

“Het schilderij in het midden en boven de beide zijpanelen,” schrijft G. Verboven in zijn boek over het Atheneum, “verbeeldt de Stad Antwerpen. De Maagd van Antwerpen staat in het midden […] en omhult in de brede plooien van haar mantel het Onderwijs dat ze aldus beschermt. Aan haar voeten zijn gegroepeerd, links de Kunst en de Handel, rechts, het Vernuft, in de gedaante van een schrander kind dat de Onwetendheid uit de duisternis verjaagt. Achter de Maagd van Antwerpen brengt een figuur aan de Antwerpse jeugd het licht van de wetenschap.”

Aan de overkant brengt Vinck schilderijen aan die hulde brengen aan de literatuur en de geschiedschrijving. Eens te meer spelen vrouwen en kinderen een belangrijke rol. Zij beelden diverse genres uit. We zien ook Lohengrin, de Zwaanridder uit de opera van Wagner – buitengewoon populair in het Antwerpen van die dagen – Romulus en Remus, de legendarische stichters van Rome, Mozes die uit het water van de Nijl gered wordt, de piramiden en het Parthenon. De dood van Felix de Mérode in Berchem bij de verovering van Antwerpen door de revolutionairen in 1830 brengt de recente Belgische geschiedenis in herinnering.

“In het midden van, en boven deze grootse allegorische kompositie,” vervolgt Verboven, “die niet minder dan 10 m. bij 4,50 m. meet, troont de Roem, een vrouwenfiguur die op de aardglobe staat en die de namen uitbazuint van de laureaten onzer instelling; terwijl rondom haar kinderen zweven, die lauwerkransen uitreiken.”

De Wael
Burgemeester Leopold de Wael (foto Letterenhuis).

De ensembles van Franz Vinck in de feestzaal van het Atheneum geven uiting aan het Antwerpse chauvinisme van het eind van de 19de eeuw. Hun combinatie van kolonialisme en oog voor de verscheidenheid van de wereld en van de geschiedenis illustreren de ambities die de Antwerpse burgerij omstreeks 1900 koestert voor haar kinderen. De taferelen verheerlijken ook de kennis en het onderwijs. Religieuze symbolen ontbreken – logisch, in een openbare school.

Jammer genoeg gaan alle schilderijen, op één na, verloren bij de brand van 2003. Het doek dat overleeft, is niet dat met de Maagd van Antwerpen, maar dat met de Roem of de Faam.

***

Franz Vinck en zijn tijdgenoten zijn ongetwijfeld trots op hun stad, haar commerciële succes, haar verleden en haar fraaie openbare gebouwen. Wij weten intussen dat het soort kunst dat zij met veel toewijding, technisch kunnen, eruditie en talent beoefenen, in de jaren 1880-1890 eigenlijk al volstrekt achterhaald is.

De Maagd van Antwerpen is een product van locale ijdelheid en van ijdele eruditie. Ze is geen kinds van de creatieve verbeelding. Populair wordt ze nooit. In de 20ste eeuw verdwijnt ze voorgoed.

***

Haar geringe bekendheid blijkt uit de (ongewilde) verwarring die de Leuvense schrijfster Brigitte Raskin in 1992 sticht. In opdracht van de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boekwezen, de voorloper van Boek.be schrijft Raskin een boekje met de titel De Maagd van Antwerpen. Daarin vertelt ze, negen decennia na de feiten, het waargebeurde verhaal van Maria ’s Heeren, die de avond van 15 augustus 1902 omkomt tijdens de Antwerpse Lichtstoet.

DeFaam
Franz Vinck, De Faam. Gerestaureerd schilderij in de Feestzaal van het Atheneum (a).

De Lichtstoet gaat sinds 1890 uit op Maria Hemelvaart en bestaat uit praalwagens de gefinancierd en gebouwd worden door Antwerpse “maatschappijen”. De stoet vormt een poging van het liberale stadsbestuur om de feestdag van Maria te “kapen” – schepen van Schone Kunsten Van Kuyck maakt omstreeks dezelfde tijd van 15 augustus de Antwerpse Moederdag.

De zeventienjarige Maria ’s Heeren troont als Koningin (anderen zeggen: godin) van de Winter op de wagen van de maatschappij Leopold, gevestigd in een café aan het Sint-Jansplein. Het thema van de wagen is de winter. De decoratie bestaat uit brandbaar materiaal; petroleum- en elektrische lampen en kaarsen zorgen voor de verlichting.

Aan het eind van de Sint-Katelijnevest vat de wagen plots vuur. De andere figuranten kunnen ontsnappen, maar Maria zit zes meter boven de grond vastgeriemd op haar troon (om te beletten dat ze zou vallen). Zij raakt gruwelijk verbrand en sterft enkele uren later in het Sint-Elisabethgasthuis.

Het vreselijke ongeval grijpt de Antwerpse bevolking sterk aan. Van de afgebrande praalwagen én van Maria’s doodprentje maakt men prentbriefkaarten. Duizenden wonen haar uitvaart bij. Een van de vier mannen die de hoeken van het rouwkleed dragen, is schepen Van Kuyck.

Maria ’s Heeren komt op een verschrikkelijke manier aan haar vroegtijdig einde. Het verhaal van haar dood maakt enkele generaties deel uit van het collectieve geheugen van de Antwerpenaren. Maar met de titel van haar boek creëert Brigitte Raskin een groot misverstand. Zoals uit het bovenstaande blijkt, stelt Maria ’s Heeren niet de Maagd van Antwerpen voor.

Bibliografie    

ACKER, VAN, J. Antwerpen van Romeins Veer tot Wereldhaven. Antwerpen, Mercurius, 1975.

Antwerpen in de XVIde Eeuw. Antwerpen, Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis; Mercurius, 1975.

BRANDEN, F. J. VAN DEN, Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool. Antwerpen, J.-E. Buschmann, 1888.

De Vlaamsche School. Tijdschrift voor  kunsten, letteren, wetenschappen, oudheidkunde en kunstnijverheid. Jg. 1877.

Het Koninklijk Atheneum te Antwerpen 175 jaar. De geschiedenis van een school en haar rol in de Vlaamse Beweging. Antwerpen, Vriendenkring van het Koninklijk Atheneum Antwerpen, 1982.

Kermisfeesten van Antwerpen 1864, Antwerpen, Buschmann, 1865.

LAMPO, J. Het Stadhuis van Antwerpen. Brussel, Gemeentekrediet van België; Gent, Ludion, 1993.

MERTENS, F.H. en TORFS, K.L. Geschiedenis van Antwerpen sedert de Stichting der Stad tot onze tyden uitgegeven door de Rederykkamer De Olyftak. 8 delen. (Anastatische herdruk.) Antwerpen, C. De Vries-Brouwers, 1975-1977.

PRIMS, F. Antverpiensia XIX, 1948, Antwerpen, 1949.

RASKIN, Brigitte. De Maagd van Antwerpen. Antwerpen, VBVB, 1992.

ROEDER-BAUMBACH, VON, I. Versieringen bij blijde inkomsten gebruikt in de Zuidelijke Nederlanden gedurende de 16e en 17e eeuw. Antwerpen, De Sikkel, 1943.

SCHEPMANS, Willem. Geschiedenis onzer Maatschappijen. Antwerpen, Flor Burton, 1925.

SCHMOOK, G. Hoe Teun den Eyerboer in 1815 sprak tot de Burgers van Antwerpen of het Aandeel van de Rubens-Viering in de wording van het Vlaamse Bewustzijn, Antwerpen, De Sikkel, 1942.

THYS, A. Historiek der Straten en Openbare Plaatsen van Antwerpen. (Anastatische herdruk.) Antwerpen, C. De Vries-Brouwers, 1973.

VERBOVEN, G. Historische Schets van het Koninklijk Atheneum voor Jongens te Antwerpen. Antwerpen, VOLBA, 1949.

VOET, L. De gouden Eeuw van Antwerpen. Bloei en Uitstraling van de Metropool in de zestiende Eeuw. Antwerpen, Mercatorfonds

Verschenen in Boekje

[Geschiedenis] Joseph Lies reist naar het Eeuwige Oosten. De eerste burgerlijke begrafenis in Antwerpen (1865).

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Jaak De Braekeleer, grafmonument van Jozef Lies (foto Jan Lampo).

Omstreeks het midden van de 19de eeuw blijven steeds meer Belgen weg uit de kerk. Boeken en tijdschriften verspreiden wetenschappelijke inzichten die het katholieke wereldbeeld op de helling zetten. Progressieve liberalen willen de politieke macht van de kerk aan banden leggen. De prille arbeidersbeweging is zich bewust van de onzalige band tussen kerk en kapitaal.

Naarmate hun zelfvertrouwen groeit, proberen de vrijdenkers hun opvattingen zichtbaar maken, ook na hun dood. Ze kiezen voor een burgerlijke uitvaart.

Daarbij krijgen ze de steun van talrijke vrijdenkersverenigingen en loges. Maar de kerk, die de facto de baas is op de begraafplaatsen, gaat in het verweer. Zelfs in het katholieke Vlaanderen komt het in de staden tot een felle pennenstrijd en af en toe zelfs fysieke incidenten.

In mei 1866 overlijdt in zijn huis op de hoek van de Kammenstraat en de Steenhouwersvest in Antwerpen de 41-jarige boekhandelaar en uitgever Herleyn.

Herleyn staat bekend als uitgever van herdrukken van oude volksboeken. Maar onder de titel Traité scientifique et philosophique de la doctrine spirite heeft hij in 1864 ook een lijvig werk uitgebracht over het spiritisme. Sinds dat eind jaren 1840 is komen overwaaien uit de Verenigde Staten, zijn seances over in Europa aan de orde van de dag.

Vrije gedachte

In Antwerpen bestaan verschillende spiritistische groepen. Toneelschrijver (en later adjunct-stadsarchivaris) F. Jos Van den Branden steekt in 1864 de draak met het verschijnsel in zijn komische eenakter ‘met zang’ Spiritisme, die wordt opgevoerd door het Nationaal Tooneel.

Herleyn is lid van de vrijdenkersvereniging La libre Pensée. Op zijn sterfbed weigert hij de priester te ontvangen die hem de laatste sacramenten komt brengen. Hij eist een burgerlijke begrafenis, daarin gesteund door zijn weduwe en familie.

In de ogen van de pastoor van de Sint-Andrieskerk en van de diepgelovige bevolking is het hek van de dam. Herleyn is immers al de tweede Antwerpenaar die een uitvaart zonder kerkdienst vraagt.

Twee dagen lang komt het gepeupel – in die tijd gebruikt men de schilderachtige term ‘gepuffel’ – het sterfhuis met modder en stenen bekogelen. Tijdens de uitvaart zelf moeten politie en rijkswacht de lijkkist met bajonet en getrokken sabel tegen de tierende menigte beschermen.

Weg naar de hel

JosephLies
Joseph Lies (foto Letterenhuis).

Herleyns voorganger op weg naar de hel is niemand minder dan de bekende kunstschilder Joseph Lies, die een jaar tevoren is gestorven. Wat Herleyn precies denkt over politiek en godsdienst zal altijd een raadsel blijven, maar van Lies weten we dat hij vrijmetselaar is en zijn radicale keuze grondig heeft overdacht.

Joseph Lies wordt in 1821 in Antwerpen geboren als zoon van een hoefsmid en handelaar in ijzerwaren. Na diens vroegtijdige dood heeft zijn weduwe het moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. Toch geeft ze haar kinderen een goede opvoeding. Lies houdt aan zijn schooltijd een uitstekende kennis van het Frans over. Zoals veel mensen uit de (lagere) middenklasse in het Vlaanderen van die tijd zal hij die taal

Vanaf 1834 studeert Joseph aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Die wordt geleid door de classicistische schilder Mathieu Ignace van Brée (1773-1839). Maar veel leerlingen dwepen met de romantisch ingestelde “eerste leraar” Gustaf Wappers (1803-1874).

Wappers, die eigenlijk op zijn Frans “Gustave” heet, geniet de steun van de Belgische regering en van koning Leopold I. Hij heeft zopas in opdracht van de staat zijn Tafereel van de Septemberdagen van 1830 op de Grote Markt te Brussel geschilderd.

Wappers beschouwt zichzelf als de coming man van de schilderkunst in het jonge koninkrijk en wil Van Brée opvolgen zodra die het loodje legt. Hij doet daarom alles om een zo breed mogelijke machtsbasis uit te bouwen, o.m. door de veelbelovende jonge schrijver Hendrik Conscience (1812-1883) onder zijn vleugels te nemen.

 Weggestuurd

Wappers’ enige artistieke rivaal, de talentrijke Niçaise De Keyser (1813-1887), doceert eveneens aan de Academie. Net als Wappers huurt hij een atelier in het 16de-eeuwse Vleeshuis. Daar borstelt De Keyser De Slag der Gulden Sporen. Het grote doek inspireert Conscience mee tot zijn historische roman De Leeuw van Vlaanderen (1838). Van openlijke vijandschap tussen Wappers en De Keyser is echter geen sprake.

De Dritte im Bunde van de romantische schilderkunst in Antwerpen is Henri Leys (1815-1869). Hij verblijft voorlopig  nog in Parijs. Hoewel de bekende genreschilder en academieleraar Ferdinand De Braekeleer (1792-1883) zijn oom is, heeft Van Brée Leys weggestuurd van de Academie.

Ambtswoning 004
Mathieu-Ignace Van Brée (foto Jan Lampo).

De overlevering wil dat de leerling-kunstenaar tijdens een uiteenzetting van Van Brée over de drapage van toga en peplum bij klassieke personages een grap maakt over de ouderwetse kniebroek van de directeur.

Van Brée kan daar niet mee lachen, maar het jonge heethoofd weigert zich te verontschuldigen. Daarop zet de directeur hem aan de deur. Leys zal nooit naar de Academie terugkeren, ook niet als leraar.

Na zijn studies aan de Academie moet Lies deelnemen aan de loting die bepaalt wie wel en wie niet legerdienst moet verrichten. Hij trekt een slecht nummer. Geld om een vervanger in te huren heeft hij niet.

De jonge schilder wordt gekazerneerd in Luik. Daar ontdekken zijn superieuren zijn talent. Een kolonel laat hem teken- en schilderles aan zijn dochter geven – een wending die doet denken aan een roman van Conscience.

Lies correspondeert druk met zijn vrienden, de leden van de Franstalige kunstenaarskring La Fleur de Lys (De Lelie) die vergadert in een lokaal aan de Kammenstraat.

De brieven van de schilder bewijzen dat de jonge Vlaamsgezinden uit de kring van Wappers en Conscience niet de enige romantici in Antwerpen zijn.

‘Veelzijdig ontwikkelden geest’

‘Lies,’ schrijft de criticus Max Rooses (1839-1914) na de dood van de kunstenaar, ‘bezat eenen helderen, veelzijdig ontwikkelden geest, een edel karakter; studie over het algemeen, en wijsbegeerte in het bijzonder trokken hem aan; hij schreef daarbij eenen gelouterden sierlijken stijl en was immer bereid zich ten dienste te stellen van wien het verlangde, wanneer het een openbaar belang gold.’

F.JosVandenBranden
Toneelschrijver, archivaris en kunsthistoricus F. Jos Van den Branden (foto Letterenhuis).

Na zijn terugkeer in Antwerpen bouwt de kunstenaar een succesvolle carière uit. In een gelikte en bevallige stijl borstelt hij genretafereeltjes die erg in trek komen bij de verzamelaars. Voor het “grote” historische genre dat opgeld maakt in de Belgische schilderkunst koestert hij weinig belangstelling.

Lies beweegt zich in de kring van Henri Leys, die zich na zijn terugkeer uit Parijs ontworstelt aan de invloed van Delacroix en op zoek gaat naar een alternatief voor de bombast van Wappers en Co. Net zoals de Engelse prerafaëlieten negeert Leys de invloed van het maniërisme en de barok. Hij pakt zijn tamelijk alledaagse onderwerpen uit de geschiedenis aan in een stijl die schatplichtig is aan de meesters van de 16de eeuw – en ten dele aan het realisme dat vanuit Parijs aarzelend doordringt in België. Ook de fotografie beïnvloedt hem.

Op termijn oefent Leys meer invloed uit op de volgende generatie schilders dan Wappers of De Keyser. Tot de jongeren die zijn atelier frequenteren, behoren naast mindere goden sterke artistieke persoonlijkheden zoals de Fries Laurens Alma-Tadema (1836-1912) en Leys’ eigen neef Henri De Braekeleer (1840-1888). Beiden verwerken de lessen van de meester op hun eigen, hoogst originele manier.

Ondanks hun vertrouwelijke omgang – Lies schildert een portret van Leys’ dochtertje en vestigt zich in dezelfde straat als de meester – wordt hij geen navolger; hij blijft zijn eigen werkwijze trouw. Maar het is wel zo dat hij onder invloed van Leys vaker historische onderwerpen gaat schilderen.

Loge

In 1842 wordt Lies ingewijd bij de loge La Persévérance (De Volharding). Hij is een van de vele kunstenaars die rond deze tijd lid vrijmetselaar worden. In de tempel aan de Kipdorpvest ontmoet hij o.a. de graveur Henry Brown (1816-1870), de drukker en fotografiepionier Joseph Ernest Buschmann (1814-1853) en de schilders Ernest Slingeneyer (1820-1894) en Emmanuel Noterman (1808-1863).

Buschmann door Hamman
Dichter, drukker en fotograaf:Joseph Ernest Buschmann. Schilderij van Haman (foto Letterenhuis).

Vijf jaar later, in 1847, treedt de vooruitstrevende radicaal Emile Grisar (1821-1882) aan als achtbare meester van La Persévérance. Hij pleit voor sociale hervormingen en maakt geen geheim van zijn republikeinse sympathieën. Hij prijst de revolutie die in juli 1848 in Parijs een eind maakt aan de regering van koning Louis-Philippe.

Emile Grisar stamt uit een voorname koopliedenfamilie van Duitse afkomst. Toch is zijn beroemdste verwant de operacomponist Albert Grisar (1808-1869) die een succesrijke carrière uitbouwt in Parijs. De politieke opvattingen van Emile Grisar jagen nogal wat behoudsgezinde broeders op de kast. Zij lopen over naar de concurrerende loge Les Amis du Commerce. Hierdoor komt La Persévérance in financiële moeilijkheden.

Dat het Antwerpse maçonnieke milieu niet rijp is voor zijn radicale ideeën draagt allicht bij tot Grisars beslissing om uit te wijken naar Chili, waar hij in Valparaiso de leiding van de firma De Broom, Grisar & Vigneaux op zich neemt. Nog later vestigt hij zich als scheepsmakelaar in San Francisco in de Verenigde Staten.

Discussie

Zijn vertrek breekt het ‘linkse’ elan van La Persévérance. Hoewel academieleraar Louis De Taeye nog de gelegenheid krijgt om in een ‘bouwstuk’ te zeggen dat de vrijmetselarij gestalte moet geven aan ‘het socialisme in zijn vredelievende en beschavende vorm’ – een voor die tijd bijzonder gedurfde uitspraak! – gooit het logebestuur het roer om. Het komt zelfs tot een fusie met Les Amis du Commerce.

Het samengaan van beide loges is een verstandshuwelijk, geen verbintenis uit liefde, maar het zorgt voor een hergroepering van de gematigde progressieve krachten in de stad. Via broeders- politici zal de nieuwe loge de komende decennia bijdragen tot de uitbouw van stedelijke sociale- en onderwijsvoorzieningen.

DeKeyser
Niçaise De Keyser (foto Letterenhuis).

Als vriend van Henri Leys raakt Lies betrokken bij de felle discussie over de hervorming van de Academie. Zij verdeelt de Antwerpse kunstwereld na het ontslag van directeur Gustaf Wappers. Wappers heeft ruzie met zijn Franskiljonse liberale vrienden omdat hij in 1851 steun verleent aan Conscience wanneer die als Vlaamsgezind kandidaat opkomt bij de gemeenteraadsverkiezingen.

Bovendien verzet hij zich tegen de plannen van zijn beschermheer, de liberale minister Charles Rogier, om de Prijs van Rome van Antwerpen naar Brussel over te brengen. De Prijs van Rome is een belangrijke wedstrijd waaraan sinds 1817 beurtelings de talentrijkste jonge schilders, beeldhouwers en graveurs deelnemen. De winnaar krijgt een studiebeurs om naar Italië te reizen. 

Wappers’ tegenstanders ontketenen een perscampagne. Ze verwijten de directeur administratief wanbeleid en benadrukken dat het onderwijs aan de Academie eigenlijk niet volstaat om volleerde kunstenaars af te leveren. Uiteindelijk gooit Wappers in 1852 de handdoek in de ring en wijkt uit naar Parijs.

In het jaar van Wappers’ ontslag is een aantal schilders – onder hen Leys en Lies – lid geworden van de nieuwe Cercle Artistique, Litéraire et Scientifique d’Anvers, een overwegend Franstalig gezelschap van intellectuelen en kunstenaars onder voorzitterschap van de populaire liberale burgemeester Loos.

De Cercle bepleit een diepgaande hervorming van de Academie. Hij wil het herstel van het magistrale onderricht en de afschaffing van het directeurschap voor het leven. Het zakelijk en het artistiek bestuur van de school moeten gescheiden worden.

Volgens sommigen is niemand anders dan Joseph Lies de auteur van het voorstel van de Cercle. Leys, die sinds enige tijd in de gemeenteraad zetelt, verdedigt het met vuur bij zijn collega’s. Maar de overheid heeft er geen oren naar.

Weldra wordt Niçaise De Keyser de nieuwe directeur van de Academie. De Keyser is al lang geen flamboyante romanticus meer, maar een gematigde figuur van veeleer katholieke signatuur; hij koestert weinig of geen sympathie voor de Vlaamse Beweging. Een ‘betrouwbare’ directeur, kortom. Onder zijn bewind wordt de Academie een stuk ‘Franstaliger’, maar leerstof en wijze van doceren blijven nagenoeg dezelfde als onder Wappers.

Tuberculose

In 1859 doen zich bij Lies de eerste symptomen van tuberculose voor. Zijn dokter raadt hem een reis naar Italië aan. Zo’n tocht biedt ook interessante artistieke perspectieven. De kunstenaar vertrekt. Aan zijn moeder en zijn familie stuurt hij brieven – de meeste in het Frans, maar sommige in onvervalst Antwerps. Dat laatste schrijft hij bijna fonetisch, wat duidelijk laat zien dat Lies nooit “beschaafd” Nederlands heeft geleerd. Aan zijn moeder meldt hij vol optimisme:

Kunstverbond
De feestzaal van de Cercle Artistique (foto Letterenhuis).

‘En zoo zal diën tyd al stillekens omgaen, eerweerdig mensch [Lies’ ironische aanspreektitel voor zijn moeder] zonder dat wy het zelf zullen weten en dan zullen we alweer koken eten spelen gelyk van veuren. T’ is t’hopen dat myn wielen en blaespypen dan weer heelegans goed zullen gesmeerd zijn en dan zulle we ons winkeltje weer openen en werken voor de kalanten. Ik moet regt uyt zeggen daerby, dat, als ik me wel examineer, dat mynnen blaesbalk [zijn longen] al veul gewonnen heeft. Als ik thuys zal komen zullen er agterlappen, halfzolen en huyfkens op staan, en zal weer zoo goed zyn als nief.’

Lies verblijft in Florence en in Venetië waar hij zich vergaapt aan het werk van de Italiaanse meesters. Met zijn gezondheid schijnt het in het warme en droge klimaat inderdaad heel wat beter te gaan. Eind juni 1860 is hij terug in Antwerpen. Hij gaat weer volop aan het werk. Maar echt genezen is hij niet.

Intussen raakt zijn vaderstad steeds meer in de greep van de ‘Antwerpse kwestie’. De regering wil de stad versterken met een gordel van forten zodat ze bij een Franse invasie – en in afwachting van Engelse hulp – kan dienen als toevluchtsoord voor de koning, de ministers en het leger.

De Antwerpenaars zijn daar volstrekt niet voor te vinden. Ze vrezen niet alleen de verwoesting hun stad door het oorlogsgeweld. De bouw van de forten dreigt de uitbreiding van de haven te verhinderen. Grond- en huiseigenaars uit de voorsteden zijn dan weer niet te spreken over het feit dat ze voortaan alleen houten gebouwen mogen optrekken. Ze vrezen ook de vele onteigeningen die eraan dreigen te komen.

Meeting

Er komt een brede protestbeweging op gang die meetings organiseert waar duizenden boze Antwerpenaars lucht geven aan hun ergernis. Hieruit ontstaat de Meeting- of Antwerpse partij, een coalitie van radicale links-liberalen, flaminganten.

Henri-Leys--1815---1869
Henri Leys (foto Letterenhuis).

De regering houdt het been stijf en de werken beginnen in de lente van 1860. Dertienduizend arbeiders verdienen hun boterham bij de bouw van de verdedigingsgordel. Maar de Antwerpenaars halen hun gram, want de Meetingpartij wint in 1862 de gemeenteraadsverkiezingen en maakt een eind aan decennia van liberaal bewind. De ooit zo populaire burgemeester Loos heeft hun belangen niet hard genoeg verdedigd, vinden de stedelingen. De katholiek Joseph Cornelis Van Put (1811-) volgt hem op.

Is het toeval dat Joseph Lies in 1859 De rampen van de oorlog borstelt? Het mag dan wel om een middeleeuws tafereel gaan, de afschuw van de schilder voor het oorlogsgeweld is duidelijk.

Rond deze tijd ontstaan nog meer ernstige doeken met een onderliggende actuele boodschap. Albrecht Dürer de Rijn afvarend is een verheerlijking van de grote Duitse meester uit de 16de eeuw die in Antwerpen op bezoek komt. Maar Dürer hing de leer van Maarten Luther aan. En de Antwerpse liberalen vereenzelvigen zichzelf maar al te graag met de Hervorming.

Taferelen als Erasmus die de Lof der Zotheid schrijft en Erasmus en Holbein getuigen eveneens van sympathie voor de critici van de kerk. Het schilderij Een contrast van omstreeks 1862 oogt lieflijk, maar stelt een verveeld rijk liefdespaar tegenover een oprecht verliefd volks koppeltje.

Anno 1864, een jaar vòòr de dood van de schilder, stichten de Antwerpse vrijdenkers uit de burgerij hun eigen afdeling van La libre Pensée (De vrije Gedachte), een organisatie die is ontstaan in Brussel. Gangmaker in de Scheldestad is koopman Victor Lynen, de nieuwe achtbare meester van Les Amis du Commerce et la Persévérance réunis.

Het genootschap wil ‘het geweten van de mensen bevrijden doormiddel van onderwijs en burgerlijke begrafenissen’. La libre Pensée telt aanvakelijk zestig leden en betrekt een lokaal aan de Twaalfmaandenstraat.

In de stad bestaat trouwens al van in 1857 een afdeling van Les Solidaires of De Solidairen, een linkse arbeidersvereniging die eveneens de burgerlijke begrafenis voorstaat. Ook zij is de locale afdeling van een Brusselse vereniging, die zich op haar beurt heeft afgescheurd van de in 1854 opgerichte L’Affranchissement (‘Bevrijding’).

Tuberculose – ‘tering’, zegt het volk – is in veel sentimentele romans uit de 19de eeuw de doodsoorzaak van de heldin. Maar het is ook een verschrikkelijke realiteit, en niet alleen voor vrouwen. Joseph Lies verzwakt, ’s avonds voelt hij zich koortsig, hij hoest en weldra geeft hij bloed op. Werken wordt onmogelijk. Maar de schilder heeft wel de tijd om zijn familie en vrienden op het hart te drukken dat hij geen ‘zwartrok’ aan zijn sterfbed wil en ook geen uitvaartmis.

Hondenhoek

Joseph Lies overlijdt op 3 januari 1865. Tal van mensen komen zijn opgebaarde lichaam groeten. ‘Onze stadgenoten, die Lies kenden van kindsbeen, waren, als een stroom die stil-ruischend zeewaarts spoedt, ten sterfhuize getogen,’ schrijft Edward Poffé in zijn Plezante Mannen in een plezante Stad, een destijds erg populaire kroniek van het leven in Antwerpen tussen 1830 en 1880. Maar burgemeester Van Put en de schepenen laten zich niet in het sterfhuis zien. Een notoir vrijmetselaar die bovendien een burgerlijke uitvaart wil, dat is voor hen een brug te ver.

EmileGrisar
Emile Grisar, de radicale achtbare meester van Les Amis du Commerce (a).

Lies’ vrienden stellen intussen alles in het werk om de uitvaartplechtigheid luister bij te zetten. Poffé noemt het een ‘wonder schouwspel, daar zoowel oude mannen als jonge vrouwen te zien weenen, toen de lijkkist werd buitengebracht, waarover een witzijden laken was gelegd, versierd met een lauwerkrans en het eereteeken van de Koningorde’. De schilders Leys, Joseph Van Lerius (1823-1876), Ignatius Van Regemorter (1785-1873) en François Lamorinière dragen een tip van het baarkleed. Van hen is alleen Lamorinière sinds 1863 lid van Les Amis du Commerce et la Persévérance réunis.

Hoewel de begraafplaatsen in België eigendom zijn van de gemeenten, zwaait de clerus er de plak. Ze zijn in hun geheel gewijd en de kerkfabrieken beschikken over de sleutels van de toegangspoort; ze beheren tevens het materiaal dat nodig is om graven te delven. Bisschoppen en pastoors vinden dat vrijdenkers onder geen beding in gewijde grond morgen worden begraven.

Daarom belanden ze in de ‘hondenhoek’ buiten de eigenlijke begraafplaats. Die vernedering valt, alle liberaal protest, ook Joseph Lies ten deel op het kerkhof Stuivenberg (vandaag Stuivenbergplein) in de 5de wijk, een voorstad buiten de stadswallen.

Gemeenteraadslid en dichter Jan Van Rijswijck (vader van de latere burgemeester en zelf lid van de Meeting) interpelleert het stadsbestuur.

De bevoegde schepen verschuilt zich echter achter een wet uit de Franse tijd – al bepaalt die slechts dat op een begraafplaats muurtjes, hagen of grachten de zones moeten scheiden waar mensen van een verschillend geloof worden begraven.

De manier waarop de kerk die wet interpreteert, betoogt Van Rijswijck, is in strijd met de Belgische Grondwet. Maar de schepen geeft geen krimp. Alsof dat niet erg genoeg was, treden oudere, meer behoudsgezinde liberalen het stadsbestuur bij.

Gemeenteraadslid D’Haene-Steenhuyse, nochtans zelf ook lid van de loge, vindt dat men er beter aan doet de Antwerpse belangen (i.v.m. de fortenbouw) te verdedigen dan ‘tweedracht te zaaien onder de bevolking’.

Lamorinière
Maçonniek overlijdensbericht van François Lamorinière (a).

Van Rijswijck laat het er niet bij. Hij organiseert een petitie die de afschaffing van de ‘hondenhoek’ vraagt en slaagt erin 124 handtekeningen van vooraanstaande Antwerpenaren te verzamelen. Het gemeentebestuur verklaart zichzelf echter onbevoegd om maatregelen te nemen.

Van alle ondertekenaars is de Friese schilder Laurens Alma-Tadema vandaag zeker het bekendst. Hij heeft aan de Antwerpse Academie bij logebroeder Louis De Taeye gestudeerd en werkt nadien samen met Leys. Tadema verhuist weldra naar Brussel en dan naar Londen. In de Britse hoofdstad bouwt hij een grote carrière uit als schilder van taferelen uit de klassieke oudheid.

De uitvaart van Lies is het begin van een hevige ‘begrafenisstrijd’ tussen katholieken en vrijzinnigen. De katholieke pers, Het Handelsblad voorop, bewerkt de gelovige bevolking. De vrijzinnigen zien het ledenaantal van La libre Pensée stijgen tot 124 en enkele maanden later zelfs tot 304.

Aan de Mattenstraat bij de Werf, in het oudste stuk van Antwerpen dat bij de rectificatie van de kaaien in 1880-1885 verdwijnt, sterft de bejaarde weduwe Adriaenssens. Zij krijgt op 4 mei 1866 een burgerlijke begrafenis die geregeld (en allicht ook bekostigd) wordt door La libre Pensée.

‘Daar, in het hartje van het Schipperskwartier,’ schrijft Edward Poffé, ‘namen de menschen tegenover het lijk en de nabestaanden der overledene eene schandige houding aan, waartegen geen enkel ooggetuige en ook geen enkel politie-man zich verzette. Nauwelijks was de familie in de rijtuigen gezeten, welke haar ter begraafplaats zouden voeren, of vrouwen en mannen uit den omtrek kwamen geloopen, spuwden in de koetsen […]’.

‘De schandaligste boeken’

Kort daarop volgt de uitvaart van Herleyn. Zoals gezegd, treedt de politie deze keer wel op – ze moet of de zaak loopt compleet uit de hand. Wanneer de oppositie burgemeester Van Put in de gemeenteraad op het matje roept over de schade die buren aan het huis van Herleyn hebben toegebracht, wijt hij alles aan de vervallen toestand van de woning.

Het Handelsblad voegt daaraan toe dat de menigte die de orde verstoorde minder verontwaardigd was over de burgerlijke uitvaart dan over het feit dat Herleyn bij leven ‘de schandaligste boeken verkocht, die er te vinden waren’.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Jaak De Braekeleer, grafmonument van Joseph Lies (foto Jan Lampo).

Intussen beslissen de leden van Les Amis du Commerce et la Persévérance hun overleden broeder Lies te eren met een indrukwekkende grafzerk. Om die te bekostigen, openen ze een publieke inschrijving. Eens te meer weigert het stadsbestuur zijn medewerking.

Toch slagen de broeders erin om voldoende fondsen bij elkaar te brengen. Het beeld voor Lies’ graf wordt gemaakt door broeder Jaak De Braekeleer, neef van schilders Ferdinand en Henri.

Artistiek is het monument niet bijzonder geslaagd, maar het is wel typisch voor zijn tijd.

Een halfnaakt meisje met in haar linkerhand een lauwerkrans treurt bij het borstbeeld van de schilder. Achter hem staat een vrouwenfiguur die de schilderkunst voorstelt (zij heeft penselen in haar hand) en met gestrekte arm ‘de weg’ wijst.

De inhuldiging van de zerk vindt plaats op 3 december 1866.

Victor Lynen zegt bij die gelegenheid: ‘Dit beeld is niet alleen opgericht ter herinnering aan een kunstenaar, maar ook aan een dappere die zijn overtuiging trouw wist te blijven tot in de dood.’

Ontgraving

Zoals te verwachten en te voorzien was, beschouwen ook de opposanten van de burgerlijke uitvaart het monument als een symbool. Het wordt herhaaldelijk het voorwerp van vandalenstreken. De Braekeleer ziet zich genoodzaakt zijn beeld te versterken met ijzeren staven. De loge richt een ad hoc commissie op om het graf te onderhouden en, zo nodig, te herstellen.

De Meetingpartij verliest de gemeenteraadsverkiezingen van 1872. Er komt opnieuw een liberaal stadsbestuur. Burgemeester Leopold de Wael vaardigt een gemeentelijk reglement uit dat een einde maakt aan de discriminatie van niet-kerkelijk begraven overledenen.

In heel België neemt het aantal burgerlijke uitvaarten toe. Na de begrafenis van een ongelovige in gewijde grond in Ukkel bij Brussel in 1869 wil de pastoor de kist weer laten opdelven. Dat leidt tot felle debatten in de Kamer.OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Toch duurt het nog tot 1891 vooraleer de aartsbisschop van Mechelen het principe aanvaardt dat voortaan elk graf afzonderlijk gewijd wordt – of niet.

Bij de ruiming van de begraafplaats Stuivenberg brengt men de stoffelijke resten van Joseph Lies in 1883 over naar het Kielkerkhof (thans Kielpark). Ook zijn zerk wordt verplaatst.

Bij de plechtigheid n.a.v. de dertigste verjaardag van Lies’ overlijden spreekt zijn collega en logebroeder François Lamorinière een rede uit. Na de Eerste Wereldoorlog tenslotte, brengt men de graven van Lies en andere prominenten over naar de nieuwe stedelijke begraafplaats Schoonselhof (perk Z 1, rij D).

Bibliografie

Poffé, Edward. Plezante Mannen in een plezante Stad. (Antwerpen tussen 1830 & ’80). Antwerpen, J-E. Buschmann, 1913.

Todts, H. ‘Een superromanticus: Joseph Lies,’ in Zaal 7, Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, jaargang 1 (2013), nr. 4, pp. 14-17.

Thys, K. Hiram aan de Schelde. 250 jaar Vrijmetselarij in Antwerpen. Antwerpen; Rotterdam, C. De Vries-Brouwers, 2006.

Zuttere, René De, Histoire de la Loge ‘Les Amis du Commerce et la Persévérance réunis’ au sein de la vie anversoise du XIXième siècle. Antwerpen, 2006.

[Geschiedenis] Trekschuiten op de Willebroekse vaart. Het oudste kanaal van Noord-Europa.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Klein-Willeberoek en het kanaal gezien vanop de noordelijke oever van de Rupel (foto Jan Lampo).

Het Zeekanaal Brussel-Schelde werd gegraven in de 16de eeuw en is een van de oudste van ons land. Dubbele sluizen, de eerste die men bouwde ten noorden van de Alpen, overwonnen een aanzienlijk hoogteverschil. De oprichting van een dienst die reizigers op geregelde tijdstippen per trekschuit van Brussel naar Klein-Willebroek bracht, was een wereldprimeur. Sindsdien speelde de vaart een grote rol in de economische ontwikkeling van het land. In de 18de eeuw leidde de trafiek op de vaart mee tot de aanleg van de eerste steenwegen; vanaf het midden van de 19de eeuw vestigden vele industrieën zich in de regio. Daarom is in feite het hele kanaal een belangrijk monument.

Even voorbij Mechelen, aan het Zennegat, stort de Zenne zich in de Dijle, die op haar beurt bij Rumst samenvloeit met de Nete. Zo ontstaat de Rupel. Twaalf kilometer verderop, tegenover Rupelmonde, mondt de Rupel uit in de Schelde. In de middeleeuwen voeren alle schepen die vanuit Brussel, Leuven of Zoutleeuw – verderop waren de Brabantse waterlopen niet bevaarbaar – naar de Schelde wilden, hier voorbij.

Zenne, Dijle, Nete en bijrivieren zoals de Demer en de Gete, waren gedeeltelijk aan de getijden onderhavig; ze waren bovendien ondiep. Ook hun talrijke meanders hinderden de scheepvaart. Zelfs in de beste omstandigheden had een boot enkele dagen nodig om vanuit Brussel de Rupel te bereiken.

Klein-Willebroek, gezien vanaf de sluis.
Klein-Willebroek (foto Jan Lampo).

Al in het begin van de 15de eeuw dachten vooruitziende lieden aan een kanaal dat de hoofdstad met de rivier verbond; de trafiek van en naar Antwerpen dat een steeds voornamere economische rol speelde, groeide. Niet alleen de stedelijk overheid van Brussel, maar ook de centrale overheid zag het niet daarvan in.

In 1477 gaf Maria van Boergondië aan Brussel de toelating voor de werken en in 1531 bevestigde keizer Karel V die nog eens; toch duurde het nog eens bijna twintig jaar voor de eerste spadesteek werd gegeven.

Het kanaal moest niet alleen 28 kilometer lang worden, men diende ook een hoogteverschil van 14 meter te overwinnen. Dat vroeg om de bouw van dubbele sluizen waarin schepen konden versassen. Zulke sluizen waren op punt gesteld in Italië.

Op 16 juni 1550 trok de magistraat van Brussel in vol ornaat naar Willebroek om er het startsein te geven. Drie maand later begon men in de hoofdstad zelf te graven. Het was een van de Brusselse burgemeesters, Jan van Locquenghien, heer van Koekelberg, die de werken leidde. Er kwam heel wat bij kijken, want behalve sluizen moest men ook dijken en bruggen bouwen.

Het kanaal in Klein Willebroek; gezien vanuit het noorden.
Klein-Willebroek, de oostelijke oever van het kanaal in de richting van Willebroek (foto Jan Lampo).

De onderneming kostte zo’n 800.000 gulden. Brussel sloot leningen af en hief nieuwe belastingen om de interest te betalen. Het werk verliep niet zonder problemen. In Klein-Willebroek, waar de vaart de Rupel bereikte, voorzag men aanvankelijk geen sluis. Twee hoge dijken moesten beletten dat het water dat vanuit de Rupel in het kanaal liep buiten zijn overs trad. De sluis van Tisselt, enkele kilometer verderop, zou het debiet regelen.

Maar toen men in 1554 de Rupeldijk in Klein-Willebroek doorstak, bleek de dijk langs het kanaal ter hoogte van datzelfde Tisselt niet sterk genoeg; hij brak en het dorp werd grotendeels vernield. De sluis was zo zwaar beschadigd dat men besloot er meteen een nieuwe te bouwen, deze keer met grondvesten op vaste bodem inplaats van op houten peilers.

Bruggen bouwde men in Laken en Vilvoorde, bij Verbrande Brug (Grimbergen) en in Humbeek, Kapelle-op-den-Bos en Willebroek. In Brussel rustte men de oevers van het kanaal uit met stenen kaaien voor het lossen en laden van schepen.

Klein-Willebroek, de brug en het Veerhuis.
Klein-Willebroek, de ophaalbrug (foto Jan Lampo).

De vaart was klaar in 1561. In de hoofdstad hild met schitterende feesten. Van koning Filips II mocht Brussel “ten gerieve van den gemeynen cooplieden ende andere ingesetenen onser landen van herweerts overe” en met “sekere menighte van schuyten ende schepen” geregeld passagiersvervoer organiseren – een wereldprimeur.

Dagelijks trokken paarden de grote, platte schuiten naar Willebroek en terug. In Klein-Willebroek staten de passagiers over op grote zeilschepen of heuden die over Rupel en Schelde naar Antwerpen voeren. In 1575 vaardigde de overheid een ordonnantie uit die bepaalde dat het traject Brussel-Willebroek maar vijf uur mocht duren.

In Brussel vertrokken de schuiten ’s winters om 7 uur en in de zomer om 6 uur. De pachter van de lijn moest zijn schepen zó uitrusten dat ook hooggeplaatste lieden comfortabel konden reizen. In 1573 gebruikte men voor het eerst een met ijzer belagen schuit die door vele paarden werd getrokken om het ijs op de vaart te breken.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Klein-Willebroek, het Sashuis (foto Jan Lampo).

Naast de trekschuiten voor passagiers – de reizigers mochten maar een beperkte hoeveelheid bagage meenemen – voeren op het kanaal natuurlijk ook vrachtschepen. Ze vervoerden onder meer baksteen uit de Rupelstreek. De vaart stimuleerde immers de baksteenindustrie die al van in de middeleeuwen bloeide in Hemiksekm, Niel, Boom en Rumst.

In 1570 kwam er dan toch een sluis in Klein-Willebroek. Op deze plek, waar de reizigers vaak lang moesten wachten, was een nieuw dorp ontstaan met tientallen herbergen. Ze hadden welluidende namen zoals De Koning van Spanje, De Zwaan, De Ster, De Walvis, De Papegaai en Het Bourgondisch Kruis.

Kroatische huurlingen in Spaanse dienst bouwen er in 1576 een shcans en in 1608 richtte de Maatschappij der Schipvaart, de Brusselse instelling die het kanaal exploiteerde, bij het sas het Sashuis op. Dat is sinds 1945 als monument beschermd; in 1989 richtte de gemeente Willebroek het in als museum.

trekschuit
Trekschuit. Hollands tegeltableau (a).

In het Sashuis wachtten voorname reizigers op de heude; ze aten in de mooie Rentmeesterskamer op de verdieping. De zoldering is nog altijd versierd met een medaillon in stucwerk. Het stelt Sint-Michiel voor, de patroon van Brussel, omgeven door de spreuk “Wel Vaeren Wordt Benyt”.

Bij de Brusselse haven, tussen de Lakense- en de Vlaanderenstraat, was intussen een nieuwe wijk met stapelhuizen en de riante woningen van kooplui ontstaan.

De sluiting van de Schelde in 1585 zette een punt achter de “gouden” eeuw van Antwerpen, maar de scheepvaart op het kanaal bleef zo druk dat en in 1614 de Brusselse Houtkaai vergrootte en in 1639 twee dokken groef. De oostelijke dijk lngs de vaart verbreedde men in 1704 tot Laken; zo ontstond de beroemde Groendreef waar voorname Brusselaars tot in de 19de eeuw graag rondjes reden met hun koets.

trekschuit2
Trekschuit bij een landhuis aan de Vecht. Nederlandse prent, 18de eeuw (a).

Het toenemende verkeer noopt de overheid weldra tot de aanleg van steenwegen die de hoofdstad met Gent en Leuven verbonden. Ook tussen Antwerpen en Mechelen kwam er, op initiatief van de Staten van Brabant, een steenweg. In 1698 legden de Mechelaars een volgens stuk aan, dat van Zemst naar de vaart ter hoogte van Vilvoorde leidde.

De heudetocht van Klein-Willebroek naar Antwerpen was niet zonder risico. Op enkele plaatsen was de stroming in de Rupel sterk en de felle wind vergrootte nog het gevaar. “Den 2 december is de heugde van Brussel op Antwerpen comende van Kleyn Willebroeck door het groot onweder omgevallen ontrent Wintam,” lezen we in een document van 1740. Het was niet de eerste en ook niet de laatste keer.

Geheel in overeenstemming met de tijdsgeest, besloot de stad Brussel de heuden uit de vaart te nemen. Een veer kon de reizigers naar Boom brengen. Vandaar zou men een steenweg naar Antwerpen aanleggen. Koetsen, die plaats boden aan 14 passagiers en bespannen waren met drie paarden, verzekerden de dienst. Voor et gemak van de reizigers bouwde men in 1765 aan de straat van de Veerdam naar de Bovenstraat (thans Leopoldstraat) in Boom de afspanning De Scheepvaart.

De Duitse natuurkundige Heinrich Sander (1754-1782) maakte in 1776 per trekschuit de reis van Brussel naar Klein-Willebroek en per koets van Boom naar Antwerpen. Hij schreef in zijn dagboek:

“Tijdens deze tocht leerde ik voor het eerst de trekschuiten of barken, die door paarden getrokken worden, kennen. Men rekent de reis van Brussel slechts op 8 uren, maar ik kwam toch pas om 5 uur ’s avonds in Antwerpen aan.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
De brug van Willebroek, door Wannes Van de Velde bezongen als “brug der zuchten” (foto Jan Lampo).

“Iedere dag vertrekt de schuit in Brussel om 8 uur. De trap en het kantoor waar men betaalt, gaan om half acht open. Men betaalt voor zichzelf en een koffer maar 29 sous tot in Antwerpen, en ontvangt een getekend stukje lood.”

“De schuiten zijn groot, hoog en mooi. Achteraan is een deel van het dek overdekt en e zijn ook enkele rijen zitplaatsen met kussens. Vooraan en in het midden zet men de koffers. De kleine pakjes legt men in gevlochten korven waarop men gaat zitteen. Beneden zijn kleine, aardige kamers, een keuken met een over, thee, koffiegerei en dergelijke.”

“Wie onder dak en op een kussen wil zitten, betaalt per uur 6 liards extra en ook voor de plaatsen in de kamers beneden moet men bijbetalen. Men spant de paarden aan een lang touw dat van bovenaan de mat neerdaalt. Soms treken twee paarden, soms drie de schuit. Vaak zit er een man op een van de paarden; anders loopt hij ernaast. Men verandert onderweg vier keer van paarden en bark.”

“Gewoonlijk vindt het verschepen plaats bij een klein dorp, waar de lieden reeds gebak, gebraad, worsten en dergelijke klaar hebbe. Iedere reiziger draagt zijn bagage mee; de koffers worden door de schipper op een slede uit de schuit van het ene schip in ’t andere gebracht. Iedereen haast zich om weer een goede plaats te hebben.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Willebroek, fabriek Denaeyer (foto Jan Lampo).

“Als men weer vertrekt, blaast men op de horen om de reizigers uit de huizen samen te roepen. De paarden trekken de schuit uur aan uur […]. Het kanaal is breed genoeg voor twee schuiten en loopt vijf uur rechtdoor. In het begin ziet men langs beide kanten de mooiste wandelingen van Brussel, dan weiden, velden, landhuizen, kleine dorpen en een weinig bos. Bij elke wisseling der schuiten is een dok, daarin machines die het water doen stijgen en weer in het volgend kanaal brengen.”

Sander, die de Rupel verkeerdelijk voor de Schelde houdt, is niet te spreken over de koetsen tussen Boom en Antwerpen.

Swedenborg1
Emmanuel Swedenborg (a).

“Pas is men overgestoken met het eerste schip [vanuit Klein-Willebroek] of men vecht om een plaats in de rijtuigen. Ik kroop langs het venster naar binnen. Er zaten vijftien personen in de koets. Men zit er heel gedrongen.”

Maar, “de weg naar Antwerpen is een tweeëneenhalf uur lange, rechte en zeer aangename baan. Men ziet de torens van de stad wel anderhalf uur van tevoren.”

Komend uit Holland maakte de Zweedse mysticus Emmanuel Swedenborg (1688-1772) dezelfde reis in omgekeerde richting. Hij schreef:

“Daarna nam ik plaats in een grote trekschuit, veertig ellen lang en zes ellen breed, voorzien van mooie vertrekken: cabines, keukens en andere plaatsen, en vooraan een tent waar men kon neerzitten. […] Het was een aangename en plezierige reis. Langs beide zijden van het kanaal stonden mooie bomen. De mensen waren heel vriendelijk: hun beleefdheid stak voordelig af tegen de grofheid en de onbeschaafdheid der Hollanders.”

In de Hollandse (1815-1830) tijd groef men een kanaal van Brussel naar Charleroi. Het raakte pas voltooid na de Belgische onafhankelijkheid, in 1832. Men verbond het met de Willebroekse vaart, die men omstreeks 1830 dieper maakte. De sluis van Klein-Willebroek werd verplaatst.

De schepen op het kanaal werden nog altijd door paarden getrokken, maar de trekschuit voor reizigers moest het tenslotte afleggen tegen de trein. In 1868 kreeg een zekere ingenieur Lambert een vergunning om de vrachtschepen te slepen met stoomsleepboten.

Zijn slepers hadden opzij een groot kamwiel dat paste in een ketting die onder water van sluis tot sluis liep. In 1898 verschenen “gewone” sleepboten, die op hun beurt verdwenen toen de binnenschepen zelf met een stoommachine werden uitgerust.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Willebroek, oostelijke kanaaloever met fabriek Denaeyer (foto Jan Lampo).

Industriëlen vestigden hun fabrieken langs de vaart, waarvan het economische belang toch al sterk was toegenomen door de nieuwe bloei van de Antwerpse haven. In 1881 ontstond in Brussel de Cercle des Installations maritimes de Bruxelles, een propagandavereniging die de Brusselse havenbelangen behartigde en met het oog daarop de modernisering van de vaart bepleitte.

Een wet van 1896 maakte dit mogelijk. Diverse overheden hadden inmiddels de naamloze vennootschap Zeekanaal en Haveninrichtingen van Brussel opgericht. De ingenieurs haalden een oud plan uit de Hollandse tijd boven. De vaart kreeg een zijarm, van even ten noorden van Willebroek naar een nieuwe sluis langs de Rupel in Wintam.

Vanaf 1922 konden zeeschepen tot 6.000 bruto laadvermogen het kanaal opvaren. Twee jaar later paste men de sluis van Klein-Willebroek aan voor de moderne binnenscheepvaart. Na de Tweede Wereldoorlog noodzaakten de groeiende trafiek en de steeds grotere tonnenmaat van de schepen de NV Zeekanaal tot nieuwe werken.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Boom, gezien vanop de Rupeldijk in Klein-Willebroek (foto Jan Lampo).

In 1968 begon men met de verbreding van de vaart. Men verminderde het aantal sluizen en bouwde nieuwe bruggen. Naast de aftakking vanaf Willebroek groef men een nieuwe vaargeul die via de zeesluis van Hingene toegang moest verlenen tot de Schelde. Eind jaren 1990 kwam daar de sluis van Wintam bij. Sindsdien zijn er nog maar twee sluizen op het traject Brussel-Rupel.

Ook binnenschepen laten Klein-Willebroek vandaag links liggen. Waar ooit de passagiers van de trekschuit wachtten op de heude naar Antwerpen of het veer naar Boom, genieten dagjesmensen van een onwaarschijnlijke rust en besteden de eigenaars van plezierboten menig uur aan het onderhoud van hun trotse bezit.

Intussen is NV Zeekanaal geregionaliseerd. Haar Brussels vermogen is overgedragen aan de publiekrechtelijke rechtspersoon Haven van Brussel; het Vlaamse stuk kwam bij het agentschap Waterwege en Zeekanaal terecht.

Drie romans van Hubert Lampo als e-book bij Meulenhoff

De komst van Joachim Stiller

De komst van Joachim Stiller verscheen voor het eerst in 1960, en is sindsdien uitgegroeid tot een van de grote klassiekers van de Nederlandse literatuur. Het is de indrukwekkende en raadselachtige geschiedenis van journalist Freek Groeneveld en zijn geliefde Simone Marijnissen, die voorspellende boodschappen ontvangen van Stiller, de mysterieuze hoofdpersoon. Zijn zij het slachtoffer van een practical joke? Van een geestelijk gestoorde?

Uitgave: Gebonden met stofomslag Prijs: € 17,95
Ook verschenen als:

Delen

Share on twitter                          Share on hyves                          Share on facebook 

Terugkeer naar Atlantis

Na het overlijden van zijn moeder komt de Vlaamse arts Christiaan Dewandelaer erachter dat zijn vader niet is overleden, zoals hij altijd heeft gedacht, maar met de noorderzon vertrokken. Als hij gaat graven in het verleden ontdekt hij steeds meer over de geheimzinnige verdwijning van zijn vader en diens grenzeloze belangstelling voor het verdwenen eiland Atlantis. Maar terwijl hij door zijn jeugd grasduint komen er ook herinneringen naar boven aan Eveline, zijn eerste vriendinnetje. Hij realiseert zich dat zij het enige meisje is waarvan hij ooit heeft gehouden en besluit haar op te zoeken.

Bestel deze titel

Uitgave: e-book met social drm Prijs: € 9,99

Delen

Share on twitter                          Share on hyves                          Share on facebook 

Een geur van sandelhout

Hubert Lampo

Met twee vrienden uit de film- en televisiewereld keert een schrijver ’s nachts terug uit Parijs. Als hij afscheid van hen heeft genomen wordt hij plots gegrepen door een ander bestaan. Zo beleeft hij gedurende enkele uren een leven dat hij, als de omstandigheden anders waren geweest, geleid zou kunnen hebben.

Een geur van sandelhout is een verrassende roman over de gevolgen van verschillende werkelijkheden die door elkaar heen lopen.

Hubert Lampo (1920-2006) debuteerde op tweeëntwintigjarige leeftijd en brak door met met De komst van Joachim Stiller (1960). Zijn werk is vertaald in het Engels, Hongaars, Zweeds, Pools, Spaans, Tsjechisch, Russisch, Italiaans en Portugees.

Bestel deze titel

Uitgave: e-book met social drm Prijs: € 9,99

Delen

Share on twitter                          Share on hyves                          Share on facebook 

In het Spoor van de Academie – persbericht

Sporen222

Het MAS huldigt 350 jaar Academie met het boek:  In het spoor van de Academie. Kunsten in Antwerpen.

In het spoor van de Academie. Kunsten in Antwerpen. vertelt over 350 jaar bewogen geschiedenis van leerlingen en leraren aan de Antwerpse Academie. Het is een Antwerps verhaal van grote en minder grote kunstenaars die talrijke sporen nalieten in het stadsbeeld en in de vele erfgoedcollecties. Samen met de catalogus vormt deze MASbooks uitgave de ideale gids bij de tentoonstelling Happy Birthday Dear Academie, van 8 september 2013 tot 26 januari in het MAS.

In het spoor van de Academie

In 1663 sticht David Teniers in Antwerpen een Academie waar jonge kunstenaars leren tekenen en boetseren. De op twee na oudste kunstschool in Europa bestaat nog altijd. 350 jaar later neemt historicus en schrijver Jan Lampo de lezer mee doorheen de geschiedenis van de Academie: naar de stichting van de school, de drukke klassen van de Academie en de vergaderzaal van het schildersgilde in de Beurs. Tijdens het woelige tijdperk van de revoluties verhuist de Academie naar het franciscanenklooster in de Mutsaardstraat. Later passeren er romantische schilders als Wappers, De Keyser en Leys de revue. Op het einde van de 19de en het begin van de 20ste heerst het conservatisme op de Academie. Maar de leerlingen ondergaan toch de invloed van de buitenlandse avant-garde. Na de Tweede Wereldoorlog breekt dan, geleidelijk, de tijd van de ‘hedendaagse’ kunst aan.
Korte uitwijdingen over ‘Vrouwen in  de Academie’, ‘Kunstenaars in de kerk’ of’ Op het kerkhof’ en bondige portretten van grote namen als Niçaise De Keyser, Mathieu Van Brée , Charles Verlat en Florent van Ertborn kleuren het geheel.

Aan de hand van het historische verhaal van de Academie volgt de lezer het spoor van de Academie. Het is een spoor bezaaid met een weelde aan artistiek en ander erfgoed. Het MAS, de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, het Letterenhuis en de Collectie Antwerpen maakten uit de talloze Academiesporen een gevarieerde selectie: iconische maar ook bescheiden schilderijen, beeldhouwwerken, bouwwerken, tekeningen en documenten. Ze bepalen (het aangezicht van) de stad, zowel in de publieke ruimte als binnenskamers in kerken en musea.

Twee publicaties: één groot verhaal

In het spoor van de Academie biedt de context voor de tentoonstellingscatalogus Kunst | Antwerpen | Academie |350, de catalogus bij de tentoonstelling Happy Birthday Dear Academie in het MAS. Beide publicaties vormen de perfecte combinatie voor wie de Antwerpse Academie in al haar facetten wil ontdekken.

 

Praktisch

Jan Lampo, In het spoor van de Academie, BAI MASbooks uitgave, 12 x 16,7 cm;  176 p.;  geïllustreerd, kleur; 14, 50 Euro

In pakket met  de tentoonstellingscatalogus  Kunst | Antwerpen | Academie | 350: 39, 50 Euro

Verkrijgbaar: MASshop, Academie voor Schone Kunsten Antwerpen (Bar ‘Ac), Stadswinkel, de betere (Antwerpse) boekhandel.

                       

[Verhaal] Jeanneke (doet niet aan politiek) (1993)

”Dag, meneer. Wat zegt gij? Voor de gazet? Amai, dat is ook den eerste keer dat die aan mij iet komt vragen. Ah, dié gazet. Mijne man zaliger las altijd de Volksgazet, en later de Nief Gazet. Maar allez, daar kunt gij ook nie aan doen. Komt binnen.’

”k Heb tijd – als ne mens ne keer gepensioneerd is, dan weet hij met zijnen tijd genen blijf. Daar zijn er wel die zeggen dat zij daar gene last van hebben. Maar eerst zien en dan geloven, hé. Allez, manneke, blijft daar nie staan, ge gaat kou krijgen. Maar valt nie over de paraplubak.’

‘Whisky, is ’t nu gedaan met blaffen!? Koest, meneer is van de gazet. Past op, of ik zal u eens! Daar, in uw mand. En kop toe! ’t Is toch wreed hé, meneer, dat heeft schrik van zijn eigen schaduwen dat maakt van zijne neus of dat het nen tiger uit de zoologie is.’

‘Zet u, meneer, hier, bij de stoof. ’t Is nie warm buiten, hé? Een taske thee of hebt ge liever koffie? Ja, ik ook. Troost noemde mijne man zaliger dat. Daar is ’t leven mee te houden, zei ‘m, de Frans. Maar nu is ‘m toch ook dood. Al van in vijfentachtig.’

‘Longkanker, wat wilt ge – heel zijn leven twee pakskes blauwen Bastos per dag. Wij hadden nie voor niet ne sigarettenwinkeL Wacht, ik gaan eens direct het machien opzetten.’

‘Voilà. Als ‘m te straf is, moet ge ’t maar zeggen, dan doen ik er wat warm water bij. Het gaat over Borgerhout, zegt ge? Daar is tegenwoordig nogal iet over te doen, hé? Zelfs op den televisie. Dat is natuurlijk met al die … euh … gastarbeiders.’

‘Ah, gij smoort ook? Doe maar, daar staat ne cendrier. Trouwens, als ‘m nie gesmoord had, dan stak de Frans er nu toch ook al onder. Van puur hartvreterij. ’t Was ne moeilijke mens, mijne Frans. Nooit content. Altijd zagen, over de belastingen, den btw en den onnozele klap van de mensen. Maar wat wilt ge, als winkelier .. .’

‘Zijt gerust, ik gaan daar nie over zitten zagen gelijk een oud mens. Jawel, meneer, negenenzeventig in oktober. De migranten, just, dat is waar dat gij voor gekomen zijt. Gelijk ge wilt. Maar ik verwittig u: ik ga mijn gedacht zeggen en als dat uw gazet nie aanstaat, dan moet gij uw bandopnemerke maar afzetten.’

‘Ze zeggen op den televisie dat wij hier allemaal racisten zijn. Maar dat is geen waar. Ik ben absoluut gene racist. Alleen is ’t in Borgerhout nie meer wat dat het geweest is. En daar zitten de Belgen voor heel weinig tussen, voor heel weinig. Er zijn hier d’ailleurs bijkans geen Belgen nie meer. Ja, ja, schrijft dat maar bijkans geen Belgen.’

‘Met de vreemdelingen, daar hebben wij vroeger nooit gene last mee gehad. Hier, aan deze kant van Borgerhout, tussen de Kroonstraat en de Plantin en Moretuslei, awel, hier zit het vol joden. Gewone, en ook van die met zo nen langen baard en krolle kens. Daar is heel chic volk bij.’

‘En proper – niet te geloven! Trouwens, het schijnt dat ze veel slimmer zijn dan wij! Hoe kunt ge daar nu iets tegen hebben? Ze zeggen swijlen op den televisie dat die mannen van het Vlaams Blok met die tjoektjoeken van nu hetzelfste willen doen als den Duits met de joden in den oorlog.’

‘Maar dat is dikke zever. Ik heb de joden hier nog weten oppakken. En bij madam Smekens in de edenkovenstraat – die haar vader kwam vroeger bij ons op de winkel, nen hele brave mens awel, daar hebben er gans den oorlog op zolder gezeten, zonder dat de Moeffen het wisten.’

‘Annemans en diejen anderen van het Vlaams Blok, hoe noemt ‘m weeral? – die hebben wel een groot bakkes, maar die willen die bruin mannen alleen maar terug naar de Sahara sturen. Dat is de gasoven nie, hé, al is ’t er ook heel warm.’

‘D’ailleurs, zolang dat den Bob Cools met zijn witte moustache het hier voor ’t zeggen heeft, zal dat ook nie gebeuren. Ik denk dat ‘m nog altijd denkt dat de Marokkanen voor hem gaan kiezen – allez, zo gauw dat ze mogen.’

‘Neeje, ik zijn nie van het Vlaams Blok. Ik doen nie aan politiek. Niemand doet dat hier. Mijne zoon ook nie, den Johnny. De Frans zaliger zei altijd tegen den Johnny: Johnny, jong, politiek dat is ne vuilen boel. En dat heeft den Johnny goed in zijn oren geknoopt. Zelf was de Frans pertang nen hevige socialist toen dat hij jonk was. Altijd in ’t Volkshuis en den eerste mei zo zat als honderdduizend man.’

‘Of dat wij hier last hebben van die bruin? Dat hangt er maar van af wat dat gij last noemt, hé? Die van hiernaast, die slachten geen varkens op hun koerke, als het dat is wat dat ge bedoelt. En hier is ook nog nooit nie ingebroken – ze weten dat ge hier toch niks kunt rapen. Ik zijn trouwens nie zo zot dat ik met twintigduizend frang in mijn sacoche over de Turnhoutsebaan ga defileren.’

‘Voor de moment hebben we ten andere ook nog geen moskee, al weet ge natuurlijk nooit wanneer dat die mannen met hun lang kleed zoiet in hunne kop krijgen. Maar dat belet nie dat de mensen heel goed weten voor wat dat ze dat hier Borgerokko noemen.’

‘Als ge hier in de geburen rondloopt, amai, dan weet ge direct wat dat ze willen bedoelen. Dat wemelt hier gewoon van die bruin mannen. En maar joeng maken, ge kunt het nie volgen. Die van hierover, nevens madam Peeters, die hebben er acht of negen, ik ben den tel kwijt. En ge kunt ze nie uiteenhouden, hé. Dat trekt allemaal gelijk twee druppelen water opeen.’

‘Ge vraagt uw eigen somtijds echt af of dat die niks anders te doen hebben dan … allez, ge weet wat dat ik wil zeggen, hé – ’t is daar gelijk bij de konijnen, precies of dat ze ’s avonds genen televisie kunnen zien, gelijk wij.’

‘Ze hebben er pertang allemaal ene, en distributie ook. Al die hopen kindergeld dat ze krijgen, dat zal daar wel voor iet tussen zitten, zeker. Allah is groot en ziekenkas is groter, gelijk in het lieke van de Strangers.’

‘Die klein mannen, dat is vantijd om zot te worden. Zeker in de zomer. Dan zitten die allemaal van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op straat katteke te spelen. En maar lawijt maken! Ge kunt geen venster openzetten. Ik verstaan d’ailleurs nie dat ze nie veel méér ruiten kapotsjotten met hunnen bal. Of met de stenen waar dat ze den helen tijd mee smijten.’

‘Vaneigens dat wij vroeger ook op ’t straat speelden. Maar wij, wij maakten zo geen ambras. Wij zouden dat nie gedurfd hebben, want ons ma en onze pa, die hielden ons in de mot – die zaten zelf ook op hunnen dorpel, of op ne stoel voor de deur.’

‘Nee, nee, wij moesten nie proberen om zo de beest uit te hangen. En wij gingen rap op den trottoir als er nen otto kwam. Niet dat daar toen al zo veel otto’s waren. Maar toch. Ge verstaat nie dat die ouders hun jong nie wijsmaken dat ze uit hun ogen moeten zien.’

‘Den Johnny zegt altijd dat ‘m hier nooit rapper durft rijden dan twintig, zo ne schrik dat ‘m ne kleine Marokkaan overrijdt. Ik KRUIP hier, ma. Rosa, de dochter van madam Tersago van hiernevens, die vindt dat ook. Jeanneke, zegt ze, voor dat ge ’t weet, liggen ze eronder. En die is pertang wreed voorzichtig, Rosa.’

‘Die is dat trouwens nie gewoon: ze woont ieverans over de Ring en daar zijn geen Marokkanen. Die zitten liever hier, bij hun eigen soort. Zij mogen dat. Dat is d’ailleurs nog zoiet dat ne mens nie verstaat: dat die allemaal op nen hoop willen zitten.’

‘Dat heeft centen voor ne Mercedes, maar dat woont toch in Oud-Borgerhout. Knoopt dat nu aaneen. Enfin, daar was natuur lijk plaats toen dat ze kwamen. Na den oorlog zijn hier heel veel jonge mensen weggetrokken, ge kent dat – ze woonden liever in nen blok dan in een van die ouw’ koten die dat ge nie kunt verwarmen, en die dat toen ook al op invallen stonden.’

‘Ge kunt ze geen ongelijk geven. Ik had ook geiren in Deurne gaan wonen, of in Ekeren. Maar die van mij, de Frans zaliger, die wou nie. Zie-de mij al in zo’n kruipkot op het vijftiende gaan wonen? zei ‘m, met een balkonneke van ne voorschoot groot?

‘Nee, dat was niks voor de Frans. Hij kost nie zonder zijn duiven kot en zonder zijnen hof. En hij wou de winkel nie alleen laten. Als de Frans ene keer iet in zijne kop had gestoken, dan kreegt ge dat daar nie meer uit. Op ne keer .. .’

‘Maar daar zijt ge nie voor gekomen. Nog een taske koffie? Waar was ik gebleven … ? Als ne mens oud wordt. Ha ja, dat wij hier zijn blijven wonen. In het begin ging dat nog. We hebben toens zelfs chauffage laten steken en een nief dak.’

‘Van de oorlogsschade. Er is hier achter den hoek een V-bom gevallen, patáát, midden in de nacht, op een stuk vage grond. Hij was eraan voor zijn moeite, den Duits. Maar al ons ruiten lagen eruit en ’t dak van ’t kot in den hof was eraf.’

‘Feitelijk was het hier in dien tijd nog gezellig. De mensen klapten tegeneen. In de winkel van de Marcel, dat was den beenhouwer op ’t hoekske, daar stonden de vrouwen uit de geburen heelder uren te laméren. Niet dat ik dat ook deed, hé, ik had daar genen tijd voor, met de kleine en met de affaire.’

‘Bij ons op de winkel wierd ten andere ook heel wat afgezeverd. Vantijd had ik echt goesting om die zagemannen met hun klikken en hun klakken buiten te zwieren. Maar allez, ge verstaat wat dat ik wil bedoelen. De mensen kuisten hun straat, ze schilderden op tijd en stond hun corniche en als er iet kapot was, dan wierd dat gerepareerd.’

‘Alleen: schoon liekens duren nie lank. Voor dat ge ’t wist, begosten ze met den tunnèl te graven – dat moet in de jaren zestig geweest zijn – en ineens zat ’t spel op de wagen. Overál Spanjaarden en Italianen en Marokkanen en Algerijnen. Overál, ge kondt dat nie geloven.’

‘Eerst kropen ze met zijn allemalen bijeen in een paar huizen – dicht bijeen is ’t warm, zegden de mensen – maar toen kwamen hun vrouwen en hun klein mannen en de bomma en den bompa en toens stak het hier vol.’

‘Gezinshereniging noemen ze dat op den televisie. Gezinshereniging, mijn botten! Toen dat de Frans doodging en den Johnny op een ander ging wonen met zijn lief, toen was er voor Bibi ook geen gezinshereniging!’

‘Ze mogen zeggen dat er tegenwoordig veel racisme is, hé, maar toen hingen er voor de vensters van de cafés ook al kaartjes met Défendu aux Nord-Africains. Ikke met mijn eigen ogen gezien, in zevenenzestig!’

“t Ergste van al, vind ik, is dat ge die gasten nie verstaat. En zij u ook nie, natuurlijk. Dat staat hier den helen vrijdagavond voor de deur te klappen, maar ge hebt er geen gedacht van wat dat ze zeggen. Ze kunnen u omzeggens verkopen terwijl dat ge erbij staat. En ne simpele goeiendag kan er ook al nie af – ’t is alsof dat ze dwars door u door zien.’

‘Maar dat is nog niks – vergeleken met de vrouwen. Dié zijn pas ambetant! Als die ’s middags hun klein mannen gaan halen aan de Fröbelschool, dan blokkeren ze met hun dik achterste heel den trottoir en dan moet ge begot door de goot om voorbij te kunnen!’

‘En swenst staan die madams het maar uit te leggen. Ge zoudt dat moeten zien! Allemaal met zo’n vod op hunne kop. Ze zeggen dat die allemaal hunnen boterham verdienen als werkvrouw, maar werken heb ik ze toch nog nie dikwijls zien doen – als ge ’t maar weet.’

‘De straat kuisen, dat is voor de jonge maskes. Die worden getraind tegen dat ze moeten trouwen met zo ene van ginderachter met zand tussen zijn tenen, dan kan dien ook naar hier komen. Hoe zoudt ge zelf zijn? Dop, ziekenkas, en warm en koud water op ieder verdiep. Dat hebben ze daar nie, bij den ayatollah.’   ‘Die jonge maskes, dat vind ik pertang wel triestig. Het schijnt dat er daar bij zijn die heel goed leren in ’t school, maar ze moeten toch thuisblijven, om op de klein pagadders te passen en om te trouwen.’

‘En ze mogen nog geeneens nie kiezen met wie, hé. Dat hadden ze eens met mij moeten proberen! Toen dat ik naar huis kwam met de Frans toens zat het er ook tegen – maar onze pa heeft er zijne kop kunnen neven leggen. Ik trouw met de Frans, of ik gaan in ‘t klooster, zei ik.’

‘Ze wisten dat Mère Marie-Madeleine van Sint-Agnès (waar dat ik naar ’t school ging) vond dat ik een heel schoon nonneke zou zijn. Dat was natuurlijk maar voor te zwanzen, want er was geen haar op mijne kop dat goesting had om nonneke te worden. Daar zag ik de jongens veel te geiren voor – vooral de Frans.
Maar onze pa dacht serieus dat ik het meende. Nu dat ik erop peins, dan had ik óók een kappeke op mijne kop gehad .. .’

‘Maar waar dat ik echt bang van heb, dat zijn die jonge gasten. Die staan altijd met heel der hopen op ’t pleintje ginder achter sigaretjes te paffen en onder de maskes hun rokken te loeren – die van de Belgische maskes, want die van hun dragen rokken tot op de grond.’

“t Zijn doppers, of anders fatsen ze van ’t school. Er zijn er bij met een brommerke die er uitzien of dat ze nog geen achttien jaar zijn, en ander die al met nen otto rijden. Den oudste van over de deur hier, dien is er ook altijd bij en dien heeft begot nen BMW’

‘Mijnen Johnny zegt dat die in occasie nog een half miljoen kosten. Hij heeft er zelf ene willen kopen, maar dat kost den bruine nie trekken, zegt ‘m. Zoiet, dat kan toch gene zuivere koffie zijn, hé?’ ‘Die met die brommerkes, dat is het soort dat de mensen hun sacoche rat op ’t straat. Dat gaat zo: ze zitten daar met hun getweeën op en ze komen heel rap aangereden, zo van ééééé. Die van vanachter, die geeft u ne stamp en terwijl sleurt ‘m uw sacoche van uw lijf.’

‘En de poliest zult ge zeggen. Die zetten hun klak zo wat meer naar achter en die krabben ne keer op hunne kop en ze zeggen: Madammeke, wij hebben al genoeg rond ons oren en er zijn nog vijftien wachtenden voor u. En dan zien ze eens op hun uurwerk.’

‘Nee, nee, zelfs heb ik dat nog nie meegemaakt. Maar madam Van Overmeieren van het fritkot hier achter den hoek, die wel. Die heeft wél altijd veel eens in haar sacoche. Den Johnny zegt: Dat is omdat ze de mensen in hunne nek zien met hun fritten een groot pak, daar zitten er maar drie méér in dan in een kleintje, maar ’t is wel twintig [rang duurder, hé. En hun cervelas, dat is puur zagemeel!‘Hij kan ’t weten, want hij gaat daar dikwijls fritten halen als ‘m hier is. Ik mag geen fritten eten van den doktoor. ’t Schijnt dat de Marokkanen ook geen fritten mogen eten omdat die gebakken zijn in peerdenvet en ze mogen van geen peerden eten. Maar ik geloof daar niks van. Ze mogen ook genen alcool drinken en die gasten op ’t pleintje, die hebben altijd buskes bier bij. Maar wat dat ik wou zeggen: als ge daar zo als oud menske voorbij moet, helemaal op uwen alleen voorbij zo’n bank vol maka … migranten – dan doet ge ze bijeen van de grote schrik, willen of nie.

‘Er moet er zo maar éne op het gedacht komen van u nen trek te geven en voor dat ge ’t weet, ligt ge in ’t gasthuis. Over tijd hebben ze hier nog een meneerke van zevenentachtig jaar uit de Kroonstraat bijkanst dood geklopt. Ge zoudt dat moeten weten, ’t heeft in alle gazetten gestaan.’

‘Die van hiernaast? Nee, daar heb ik geen klagen van. Door den band zijn dat schappelijke mensen. De vent heeft nog in Hoboken gewerkt, op de Zilver. Waar dat die koeien van dood vielen in de wei. Hij mag nu ook nie meer gaan werken. Ik weet nie wat dat ‘m just mankeert, maar voor zo nen bruinen ziet hij heel
bleek.’

‘Enfin, swenst zitten die van ons zonder job. Den Johnny heeft ook twee jaar kunnen gaan doppen als ‘m van ’t school kwam. Op dat punt hebben die van het Vlaams Blok zeker gelijk. En dat de koning hier ne keer geweest is, dat zal daar niks aan veranderen.’

‘Versta mij nie verkeerd, hé, ik heb ook naar zijn begrafenis gezien op de VTM. Maar zo ne koning – als dat hier geweest is, dan stapt dat terug in zijn voiture en dat rijdt naar zijn paleis in Brussel en gedaan. Enfin, ’t is erg genoeg voor Fabiola – ik weet wat dat het is om zo ineens alleen komen te staan.’

‘Wat zegt ge? Ja, daar is nen tijd van komen en nen tijd van gaan. Dat is waar. Wanneer verschijnt uwen artikel? Ah, da’s goed, dan koop ik mij een gazet. Wacht, ik doen de deur open. Past op voor de paraplubak, hé!’

‘Maar wat is dat nu? Whisky, áf Af, zeg ik u, áf, en laat meneer gerust. Raar hé, meneer? Zo’n lief beestje, en dat kan geen vreemde mensen uitstaan – allez, vooruit, in uw mand! En dat ik u nie meer hoor!’

Schilder in Pompeï. Het archief van Mathieu Ignace van Brée in het Letterenhuis.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het Letterenhuis (foto Jan Lampo).

Dit jaar viert de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen haar 350ste verjaardag. Het Letterenhuis bezit veel materiaal met betrekking tot de school en de kunstenaars die er werkten. Daartoe behoren enkele tientallen brieven en handschriften van de neoclassicistische schilder Mathieu Ignace van Brée (1773-1839). Van Brée was tot aan zijn dood in 1839 directeur van de Academie.

Vandaag is de kunstenaar zo goed als vergeten, maar in zijn tijd geniet hij de gunst van Napoleon en van koning Willem I. Door de publicatie van een monumentale Cours de Dessin verwerft hij bovendien veel invloed als tekenpedagoog.

De methode-Van Brée weegt zeker tot het derde kwart van 19de eeuw op het kunstonderwijs. Haar praktische toepassing beschrijft Hendrik Conscience in zijn roman Hoe men schilder wordt (1843). Van Brée is in Antwerpen ook de eerste om een historiserend schilderij met een tafereel uit de vaderlandse geschiedenis te borstelen.

Van Brée studeert van 1783 tot 1794 aan de Antwerpse academie. Dan vertrekt hij naar Parijs. In 1795 eindigt hij tweede in de wedstrijd voor de Prix de Rome, die opnieuw is ingesteld door Eerste Consul Bonaparte. Dan keert hij terug naar Antwerpen om in 1798 “professeur-adjoint de la classe de dessin” te worden. In 1804 krijgt hij een aanstelling tot voltijds leraar.

Tijdens het bezoek van Bonaparte aan Antwerpen in 1803, bestelt deze laatste bij de kunstenaar De Intrede van de Eerste Consul te Antwerpen. Van Brée heeft vier jaar nodig om het werk te voltooien.

Reportagestukken

In de Hollandse tijd blijft Van Brée dit soort “reportagestukken” maken, maar dan voor de Oranjes. Hij ontpopt zich tot een groot voorstander van het nieuwe regime. De schilder raakt bevriend met dichter en literatuurhistoricus Jan-Frans Willems, omstreeks deze tijd actief als bestuurslid van de Société royale pour l’Encouragement des Beaux-Arts en weldra ook van de Academie.

In 1818 publiceert Willems het lange gedicht Op het voortreffelijk Schilderstuk van Mijnheer M. Van Brée, verbeeldende de standvastigheid van den burgemeester Van de Werff. Ook de Nederlander Bilderdijk wijdt verzen aan Van Brée.

Na 1830 revolteren de jonge romantische schilders tegen Van Brée, van op veilige afstand aangestuurd door leraar Gustaf Wappers. Die laatste droomt ervan de directeur op te volgen. Hendrik Leys wordt van de academie weggestuurd na een opmerking over de ouderwetse kniebroek van Van Brée. Toch geniet de schilder ook sympathie. Hij blijft in het Nederlands doceren en dat is naar de zin van de eerste flaminganten.

De directeur waagt zich in zijn vrije uren aan de literatuur. Van zijn hand is het blijspel Brouwer’s gevangenis op het kasteel van Antwerpen over de 17de-eeuwse schilder Adriaan Brouwer. De vrijzinnige toneelschrijver Emmanuel Rosseels publiceert de tekst in 1849, tien jaar na Van Brée’s dood. Of gaat het om een alsnog onopgeloste mystificatie?

 Aca5

 Mathieu Ignace Van Brée door Jan-Baptist De Cuyper, standbeeld in wit marmer. Deze foto is enigszins verouderd, want sinds juni heeft Van Brée dank zij de afdeling Conservatie en Restauratie zijn verloren handen terug (foto Jan Lampo).

Postuum blijft Van Brée tot de verbeelding van schrijvers spreken. Zijn uitvaart vindt plaats op het Sint-Willibroduskerkhof. Na de officiële Franse redevoeringen stapt de jonge Conscience naar voren en spreekt namens de romantici een gloedvolle redevoering uit. Dat betekent meteen zijn terugkeer naar het publieke leven na de depressie die hem overmand heeft als gevolg van het geringe succes van De Leeuw van Vlaanderen.

In 1852 onthult men in de aanwezigheid van minister Charles Rogier in de vestibule van het Museum van de academie een marmeren standbeeld van Van Brée van de hand van de pas overleden Jan-Baptist de Cuyper. Schrijver en journalist Lodewijk Gerrits publiceert “op last der Commissie van het Standbeeld” een Levensbeschrijving van M.I. Van Brée.

Niet iedereen is het eens met Gerrits’ lofzang. Eugeen Zetternam (1826-1855) laat nog hetzelfde jaar het essay Bedenkingen op de Nederlandsche Schilderschool verschijnen. Daarin rekent hij af met Van Brée’s postume reputatie. Zetternam verwijt de schilder het on-Vlaamse karakter van zijn kunst, fulmineert tegen zijn restauratie van oude meesters en ontkent zelfs zijn verdiensten als leraar.

Dagboek

Hoe de papieren van Van Brée in het Letterenhuis terechtkwamen, is niet duidelijk. Het staat vast dat directeur Ger Schmook veel belangstelling koesterde voor de vroege 19de eeuw. Met Hoe Teun den Eyerboer in 1815 sprak tot de burgers van Antwerpen (1942) schreef hij een erudiet boek over het begin van de Rubenscultus en het Vlaamse kunstleven omstreeks 1815. Van Brée komt uitgebreid aan bod. Schmooks interesse verklaart alvast de aanwezigheid van fotografische reproducties van brieven die Van Brée schreef aan o.a. Johann Wolfgang von Goethe.

Het archief-Van Brée omvat ook notities en een dagboekje. Men vindt enkele korte teksten over het tekenen van de menselijke gelaatsuitdrukkingen, waaronder een velletje Over het laggen [lachen]:

“Zoo haest als men lagt is ’t voor zeker dat den mond grooter wort en genegen is om te openen en het agtersten deel zig naer boven keert, de kaek verheft haer tot tegen de oog waer door de ogen klijnder worden” (spelling was niet Van Brée’s sterkste kant). Maar de tekenaar moet oppassen, zegt hij, want als iemand lacht om wat hij ziet blijven zijn ogen groter dan wanneer hij lacht om iets wat hij hoort…

“Dat gij voortaan mo[o]gt gelukkiger zijn als deze beklagens Waardige kunstenaars,” zo besluit de schilder een oproep richt tot de leerlingen van de academie om geld te geven voor armlastige oud-studenten, “deze ongelukkige kunstenaars, die ook eens op deze Akademie Leerling hebben geweest”.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Handschrift van M.-I. Van Brée (foto Jan Lampo).

Al zet Schmook hem in zijn Teun den Eyerboer weg als een politieke opportunist, Van Brée is een sociaal bewogen man en bezeten door (kunst)onderwijs. In de Franse tijd runt hij in zijn huis een schooltje waar hij kansarme kinderen gratis lager onderwijs geeft en hen voorbereidt op studies aan de academie.

Andere documenten bevatten overwegingen van Van Brée bij pogingen om de academie te hervormen. Zo vindt hij het van kapitaal belang dat de directeur van de school een (historie)schilder is. Van een bureaucraat aan het hoofd wil hij niets weten.

Ferdinand De Braekeleer

Wanneer in 1817 de prinses van Oranje in Brussel bevalt van een zoon, is de “premier professeur” er als de kippen bij om de leerlingen bijeen te roepen en hun het heuglijke nieuws te melden. “Un évènement qui consolide le bonheur des habitans [sic] du royaume,” noemt hij het. Van Brée is uiteraard tweetalig. Zelfs aan Jan-Frans Willems schrijft hij in 1822 een Franse gelukwens bij zijn aanstelling tot ontvanger van de registratie in Antwerpen.

Het is van in de 16de eeuw gebruikelijk dat kunstenaars naar Italië reizen, bij voorkeur vlak na hun opleiding. Van Brée is 47 eer hij de kans krijgt. Hij reist in het gezelschap van zijn oud-leerling Ferdinand de Braekeleer.

  De schilder voelt zich gelukkiger en creatiever dan ooit tevoren. Dat blijkt uit de brieven aan zijn vrouw Thérèse. Naast enkele autografen zijn er twee copies van omstreeks 1900. Van Brée, die Thérèse met “vous” aanspreekt, schrijft nuchter maar liefdevol (ik vertaal): “Het mag waar zijn dat de liefde met de jaren vermindert, maar de vriendschap veroudert niet. Het is als vriend dat ik tot u spreek en uw vriendschap is het die ik wil bewaren.”

Een andere brief herinnert Thérèse aan het carnaval het jaar voor hun huwelijk “toen wij samen rondliepen als kinderen of naar het gemaskerd bal gingen in de Conijnepijp [een herberg]”.  Van Brée voegt eraan toe – opeens zegt hij “toi” – “voor mij zijn die tijden voorbij en zonder jou werkt dit soort luidruchtig amusement op mijn zenuwen; het vergroot mijn verlangen om mijn atelier weer te zien.”

Hij heeft hij ook over “notre Jules”, hun zoon, die best stage zou lopen “aux bureaux de M. Willems”. Vermoedelijk betreft het ook hier de Vader van de Vlaamse Beweging.

Vesuvius

Ondanks vreugde om de nakende terugkeer, noteert de schilder: “Nooit heb ik met meer plezier en meer moed gewerkt” en over zijn recente tekeningen en schilderijen zegt hij: “ik had ze nooit gemaakt als ik in Antwerpen was gebleven. ”

Aan burgemeester Floris van Ertborn, die bekendheid verwerft als een van de eerste verzamelaars van Vlaamse primitieven, meldt de kunstenaar: “Ik ben al enkele dagen in de omgeving van de Vesuvius. Sta mij daarom toe dat ik u vanuit Pompeï schrijf, terwijl ik de muren zie blootleggen van een nieuw plein dat men heeft ontdekt. U kunt zich voorstellen hoe ik geniet in deze gewesten, waar ik niets anders zie dan wonderen van de kunst en de natuur.”

Het reisdagboek van Van Brée biedt jammer genoeg niet veel persoonlijks. De kunstenaar noteert vooral welke schilderijen hij ziet. Zijn slordige handschrift maakt de lectuur van het schriftje – oorspronkelijk moeten er meer zijn geweest – allesbehalve gemakkelijk. Toch vormt het Van Brée-archief in het Letterenhuis een onmisbare bron voor leven en werk van een schilder-pedagoog die een vooraanstaande rol speelde in het artistieke leven ten tijde van de ontluikende de romantiek.

Verschenen in “Zuurvrij” nr. 24 van juni 2013.

[Geschiedenis] Burchten en kastelen – symbolen van rijkdom en macht

Lees verder “[Geschiedenis] Burchten en kastelen – symbolen van rijkdom en macht”