[Longread] Maria Malibran (1808-1836). Leven en dood van een romantische diva.

Maria_Malabran_by_Henri_Decaisne
Maria Malibran door Henri Decaisne (a).

‘Schoonheid, vernuft en liefde waren de namen / die glommen in haar ogen, gegrift stonden in haar hart en klonken in haar stem. / Driewerf behoorde deze ziel de hemel toe / Ween, o wereld! / En gij, hemelen, ontvang haar nu ook driemaal.’ Deze woorden van de Franse dichter Alphonse de Lamartine staan gebeiteld in de grafzerk van de mezzosopraan Maria Malibran, de eerste grote operadiva van de 19de eeuw.

Sinds 1836 rust de zangeres onder een indrukwekkend mausoleum op het kerkhof van Laken bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk waar de leden van het Belgisch koningshuis begraven worden. Haar hedendaagse evenknie, de Italiaanse Cecilia Bartoli, nam in 2007 bij wijze van eerbetoon een cd op met aria’s die deel uitmaakten van het repertoire van La Malibran, die trouwens ook als rolmodel voor Maria Callas fungeerde.

GrafMalibran
Het mausoleum van Maria Malibran op het kerkhof van Laken (a).

‘La Malibran’, zoals haar bewonderaars haar noemden, had een prachtige stem met een verbazend groot bereik. Ze kon zowel alt- als mezzo- en sopraanpartijen aan. Bovendien deed ze met haar rijzige, slanke verschijning heel wat mannenharten sneller slaan.

Maria de la Felicidad García wordt op 24 maart 1808 geboren – Napoleon zwaait dan als keizer de scepter over Frankrijk – in de Parijse Rue de Condé. Haar vader, de Spanjaard Manuel García, is als tenor verbonden aan het Théâtre des Italiens. Ook haar moeder is operazangeres. Manuel beleeft zijn grootste artistieke triomf bij de feestelijkheden ter gelegenheid van de geboorte van het zoontje van Napoleon, de koning van Rome.

De zanger geniet dan ook de gunst van het hof. Weldra krijgt hij een aanstelling tot kapelmeester van de koning van Napels. Dat is Joachim Murat, een gewezen Franse legermaarschalk die als een soort vazalkoning heerst over uitgestrekte territoria in het zuiden van Italië. Samen met zijn vrouw treedt Manuel ook geregeld op in de San Carlo-opera. In Napels sluit de zanger vriendschap met de jonge componist Giacomo Rossini (1792-1868). De kinderen García, Maria en Manuel Jr., krijgen muzieklessen van de pianist Héron en de toondichter Panseron.

Manuel%20Garcia
De Spaanse tenor en componist Manuel Garcia, vader van Maria Malibran (a).

In 1815 komt er een eind aan het Franse keizerrijk. Ook Murat verliest zijn troon. Kapelmeester García reist met zijn gezin naar Rome. Rossini vergezelt hen. De toondichter geeft zijn vriend er de rol van graaf Almaviva in de wereldcreatie van zijn Barbieri di Sevilla.

Ondanks dat éclatante succes keert García het jaar daarop met zijn gezin terug naar Parijs. Hij vestigt zich als zangpedagoog en vormt heel wat latere sterren. Tussen de bedrijven door vindt hij de tijd voor een verblijf in Londen. Maria gaat mee; voor enkele maanden wordt ze ondergebracht in een katholieke een kostschool in Hammersmith waar ze alvast de basis van het Engels oppikt.

Met de zanglessen die Manuel vanaf 1818 of 1819 aan zijn dochter geeft, wil het niet bijzonder vlotten. Maria’s stem ontwikkelt zich vrij onvoorspelbaar. Bovendien heeft de tiener heeft een even groot ego als haar pa. Dat belet Manuel echter niet om zijn nieuwe zangpedagogische inzichten op haar uit te proberen.

Ego

Manuel wil dat zangers rechtop staan met hun handen op hun rug om ‘de borst te ontwikkelen en hun stem goed voor zich uit te laten klinken’. Waarschijnlijk begint Maria’s opleiding met langzame mesa di voce-oefeningen, gevolgd door steeds zwaarder en ingewikkelder oefeningen met toonladders en arpeggio’s en tenslotte uitgebreide vocalises.

García leert zijn dochter ook improviseren en haar partijen versieren, essentieel is voor het belcanto.

rossini
Giacomo Rossini op gevorderde leeftijd (a).

Op een dag lopen de componist Ferdinando Paer en een vriend voorbij het appartement van de Garcia’s. Plots horen ze een luide gil. ‘Maak je geen zorgen,’ zegt Paer, ‘dat is García die zijn dochter slaat zodat ze een triller produceert.’

Papa Manuel is echter niet de enige talentrijke tenor in de Franse hoofdstad. Hij krijgt concurrentie van de Italianen Donzelli en Rubini. Wanneer men hem een engagement aanbiedt om in de Londense King’s Opera op te treden in werk van Rossini, maakt hij van de nood een deugd en vertrekt.

Zijn succes op de planken (en in de salons van de Londense aristocratie) biedt meteen ook de kans om Maria’s carrière te lanceren. In 1824 debuteert ze tijdens een concert met haar vader en enkele gevestigde zangeressen. Ze voeren een cantate uit die speciaal gecomponeerd is n.a.v. de dood van de bekende en beruchte dichter Lord Byron in Griekenland. Geen spectaculair debuut, maar de toehoorders zijn wel erg te spreken over de stem en de schoonheid van de jonge Maria.

DaPonte
Lorenzo da Ponte (a).

Toch duurt het nog bijna een jaar voor ze echt doorbreekt. Directeur John Ebers van het King’s Theatre heeft de laatste grote Italiaanse castraatzanger, Giambattista Velluti, geëngageerd voor een concert. Velluti staat bekend voor zijn fraaie, hoge stem en briljante zangstijl.

Helaas heeft Ebers ook een sopraan nodig om samen met hem een duet te zingen, maar blijkt geen enkele zangeres de confrontatie met de Italiaanse vedette aan te durven. Tot Manuel dochter Maria naar voor schuift – zij is van niets of niemand bang, verzekert hij. En hij kan het weten..

De grote avond breekt aan. Het publiek luistert ademloos wanneer Velluti uitpakt met zijn canto fiorito – nuances, modulaties, vocalises en andere effecten waarmee hij de partituur van de zangstukken versiert.

Maria houdt intussen het hoofd koel en wanneer ze met de castraat het duet uit Romeo en Julia van Zingarelli inzet, doet ze dat met nog meer effecten dan hij. De Italiaan is woedend, maar de toehoorders gaan uit hun bol.

Pasta

Ebers biedt Maria stante pede een contract aan om Rosina in de Barbier van Rossini te zingen. Volgens een andere versie van het verhaal is Maria lid van het koor en krijgt ze de kans om te schitteren pas wanneer sopraan Giuditta Pasta (!) ziek wordt en vader Manuel van de gelegenheid gebruikt om haar als invalster naar voor te schuiven.

GrafDaPonte
Het graf van Lorenzo da Ponte in New York (a).

De opera trekt in ieder geval zes weken lang volle zalen. Elke opvoering maakt Maria populairder. Ook wanneer ze met het eigen gezelschap van haar vader voorstellingen geeft van Il Crociato en Egitto van Giacomo Meyerbeer in Londen, Manchester en Liverpool, scheert ze hoge toppen.

In Liverpool schepen de García’s en hun troep in voor New York. Ze zijn uitgenodigd door de directeur van het Park Theater. Dat wordt gefinancierd door de steenrijke operaliefhebber en wijnhandelaar Dominick Lynch.

Hij wil de Italiaanse opera in Amerika introduceren. Tot zijn kring behoort trouwens de librettist van enkele grote Mozartopera’s, Lorenzo de Ponte. Da Ponte.  Da Ponte woont al sinds 1805 in de Verenigde Staten.

Barbier

Een eerste opvoering van Il Barbiere de Sevilla brengt drieduizend dollar op – voor die tijd een enorm bedrag. Weldra volgen nog andere opera’s van Rossini, Zingarella, twee van Maria’s vader en tot slot Mozarts Don Giovanni – wat tekstschrijver Da Ponte veel plezier doet.

Intussen blijven er spanningen tussen Maria en haar tirannieke vader, die nu natuurlijk ook haar werkgever is. Volgens sommige bronnen is dat de reden waarom ze in 1826 instemt met een huwelijk met de veel oudere bankier Eugène Malibran (1781-1836). Malibran is een Fransman, maar woont en werkt in New York. Naar verluidt, belooft hij Maria’s vader 100.000 frank hebben in ruil voor diens instemming met het huwelijk.

Pauline Viardot depicted in an 1844 painting by Karl Bryullov.
Pauline Viardot door Karl Bryullov, 1844 (a).

Of de relatie tussen Eugène en Maria gelukkig is, valt te betwijfelen, maar Malibran leert zijn jonge bruid in ieder geval zwemmen en paardrijden. Vooral dat laatste wordt, naast zingen, haar grote passie. Vader Manuel en zijn operagezelschap zijn intussen naar Veracruz in Mexico vertrokken voor een nieuwe tournee. Maria blijft nog een seizoen in New York.

Dat is maar goed ook, want plots blijken de zaken van Eugène slecht gaan en vraagt hij het faillissement aan. Zijn vrouw wordt zo de enige kostwinner.

Gelukkig blijft het New Yorkse publiek Maria trouw. Haar populariteit wordt in de hand gewerkt door het feit dat ze Engels kent en niet te beroerd is om ook in die taal te zingen.

Ze stelt inderhaast een eigen gezelschap samen waarmee ze het Bowery Theatre bespeelt. ’s Zondags luistert ze ook nog eens kerkdiensten op – voor haar natuurlijk een koud kunstje.

Maar omdat het publiek van het Bowery Theatre vooral het lichtere repertoire wil horen – in 1827 treedt Maria op in Love in a Village van de nog altijd erg populaire Engelse componist Thomas Arne (1710-1788) – voelt ze zich artistiek niet voldoende uitgedaagd.

Ondanks het protest van haar man besluit Maria naar Europa terug te keren.

Maria Malibran als Desdemona door François Bouchot (Louvre).

Onderweg heeft de zangeres last van zeeziekte en tijdens een hevige storm breekt een mast van het schip. Maar ze bereikt heelhuids Le Havre.

In Parijs trekt ze in bij haar twee schoonzussen met wie ze goed bevriend raakt. Maar in een brief aan haar man beklaagt Maria zich wel over het feit dat ze haar in zijn opdracht bespioneren.

Dankzij een oude vriend van Manuel treedt ze op tijdens benefietconcerten – goed voor haar reputatie.

Ze geeft ook recitals bij een vriendin die in haar salon Rossini en schrijvers als Balzac, George Sand en Prosper Mérimée ontvangt. Zo raakt de mezzosopraan bekend in de toonaangevende artistieke middens van de hoofdstad.

Op 14 januari 1828 debuteert Maria in de Opéra tijdens een benefietconcert ten voordele van de bas Galli. Ze zingt de titelrol in een fragment uit Sémiramide van Rossini en een bedrijf uit Romeo en Julia, samen met de alt Benedetta Pisarini en de Duitse sopraan Henriette Sontag.

In het begin is de zangeres nerveus en presteert slecht. Het publiek blijft onverschillig. Maar naarmate haar zelfvertrouwen terugkeert, worden Maria’s uitzonderlijke kwaliteiten als zangeres duidelijk.

Charles-Auguste de Bériot door Charles Baugniet (a).

De Franstalige Belgische muziekhistoricus en componist François-Joseph Fétis zit in de zaal en legt nadien zijn indrukken vast: ‘Het publiek raakte in haar ban en kille afwijzing maakte plaats voor ongebreidelde geestdrift’.

Een contract met de Opéra wijst Maria af, maar tegen de 75.000 frank die het Théâtre des Italiens biedt, zegt ze geen nee, ook al omdat haar broer Manuel daar in dienst komt.

Behalve in Sémiramide treedt ze er op in de Othello van Rossini en in zijn nog steeds erg populaire La Cenerentola (Assepoester).

‘La Malibran’, zoals ze voortaan genoemd wordt, groeit uit tot een ster van de eerste orde. Intussen is haar relatie met haar echtgenoot sterk bekoeld. Maria onderneemt pogingen om te scheiden en doet daarvoor zelfs een beroep op haar goede vriend, de militair en politicus  markies De La Fayette, een oudgediende van de Amerikaanse vrijheidsstrijd.

In 1829 onderneemt Maria een tournee die haar naar Londen en naar Brussel brengt. Op de terugweg stapt ze af in Chimay in Henegouwen. Daar treedt ze op in het prachtige privétheater in het kasteel van de prinsen.

Bériot

Ze ontmoet er de befaamde Charles de Bériot (1802-1870) die zich sinds enige tijd eerste violist van de koning der Nederlanden mag noemen. Die koning is Willem I, sinds Waterloo heerser over het huidige België en Nederland.

De Bériot, in 1802 geboren in Leuven, begint zijn loopbaan als wonderkind. Op zijn negende speelt hij in een concertzaal een van de moeilijkse solo’s van de Italiaanse componist Giovanni-Baptista Viotti (1755-1824).

Hij krijgt les van de Leuvense vioolleraar Tibi en studeert vanaf zijn twaalfde in Parijs. Nadien keert hij terug naar Leuven, maar als 21-jarige vertrekt hij opnieuw naar de Franse hoofdstad waar hij zich laat horen in de salons van de aristocratie. In 1822 geeft hij zijn eerste publieke concert.

John MacVicar Anderson
Gezicht op de Theems in Londen door John MacVicar Anderson (a).

Weldra bouwt De Bériot een repertoire uit met bewerkingen van aria’s van Rossini, zeer tot tevredenheid van de componist. Vanaf 1824 is hij actief in Londen, waar hij een prominente rol speelt in het concertleven.

Tussen de zangeres en de violist is het liefde op het eerste gezicht. Als volbloed romantici worden ze heel gauw minnaars.

Alternatief relaas

Allicht is dat de reden waarom Fétis enkele decennia later in zijn officiële levensbeschrijving van De Bériot in de Biographie Nationale van de Belgische Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten een ander verhaal opdist over hun eerste ontmoeting.

266px-Francois_joseph_fetis
De Belgische muziekhistoricus François-Joseph Fétis (a).

Volgens Fétis leren Charles-Auguste de Bériot en Maria Malibran elkaar door zijn toedoen kennen in Londen. Tijdens een studiereis naar Engeland verbleef Fétis in hetzelfde hotel als de violist. En die wilde, aldus de muziekhistoricus, samen met een beroemde zangeres een concert geven. Hij dacht meerbepaald aan Maria en omdat die een bekende van Fétis was, vroeg hij die om te bemiddelen.

‘Als vriend van haar vader had ik haar zien geboren worden,’ schrijft Fétis, ‘en hij [De Bériot] vroeg me om van haar de belofte te krijgen dat ze aan het concert zou deelnemen. […] Tijdens dat concert ontstond bij beide musici en wederzijdse affectie, die later bevestigd werd door een huwelijk waaraan de dood – helaas! – te vroeg een einde maakte.’

Een elegante manier om een affaire, een buitenechtelijk kind en een echtscheiding voor het preutse Belgische publiek te verzwijgen!

Tussen een tournee in Italië en een reis naar Londen bevalt Maria van een zoon, Charles-Wilfrid de Bériot die later een uitstekend pianist wordt en lesgeeft aan de componisten Granados en Ravel.

fayette
De Franse generaal en staatsman markies De la Fayette in zijn glorietijd (a).

Een rem op haar carrière zet het moederschap alvast niet: in 1834 en het jaar daarop is La Malibran alweer in Italië waar ze in de grootste operahuizen optreedt. In Napels hoort ze dat een Parijse rechtbank eindelijk haar echtscheiding heeft uitgesproken.

Enkele maanden later trouwt ze in de Franse hoofdstad met De Bériot. Felix Mendelsshohn componeert speciaal voor de gelegenheid een aria voor sopraan met vioolbegeleiding.

Intussen is Manuel García overleden. De laatste jaren van zijn leven heeft hij zich toegelegd op zanglessen aan Maria’s zestien jaar jongere zusje Pauline (1821-1910).

Het echtpaar De Bériot – Maria blijft de naam Malibran gebruiken – vestigt zich in Sint-Gillis in de nog landelijke omgeving van Brussel en wat later in Elsene waar De Bériot door architect Charles Vanderstraeten een landhuis laat bouwen (thans gemeentehuis aan het Fernand Cocqplein).

La Milibran is zo beroemd, dat haar verhuizing naar de ietwat provinciale hoofdstad van het jonge koninkrijk België haar carrière evenmin schaadt. Maar ze moet natuurlijk wel veel op reis.

Enkele maanden na haar huwelijk is ze alweer in Londen.

HuisBériot
Het landhuis van De Bériot en Maria Malibran in Elsene (a).

Op 5 juli 1836 maakt Maria met vrienden een rijtochtje in Regent’s Park. Haar paard slaat op hol. Maria schreeuwt om hulp. Een politieman die toevallig voorbijkomt, ziet wat er aan de hand is en slaagt erin de teugel te grijpen zodat het paard stopt.

Maar de zangeres wordt eraf geslingerd en komt tegen een houten paal terecht. Ondanks haar verwondingen en de pijn die ze lijdt, weigert ze haar engagementen in het bekende theater aan Drury Lane af te zeggen. Ze treedt er nog vijf avonden op, toegejuicht door een publiek dat nu zich nu ook door haar moed en toewijding laat charmeren.

Dood in Manchester

Twee maand later is Maria Malibran in Manchester voor een festival. Hoewel ze zich nog altijd beroerd voelt, geeft ze op 13 en 14 september een concert. Sommigen beweren zelfs dat ze krukken nodig heeft om overeind te blijven.

louis-haghe-1850-lg-folio-antique-print.-town-hall-brussels-belgium-[2]-92889-p
De Grote Markt van Brussel door Louis Haghe (a).

Maar ze blijft zich gedragen als de primadonna die ze is. De avond van 14 september zingt ze samen met haar collega Maria Caradori-Allan (1800-1865) een duet uit Andronico van Mercadante. De twee zangeressen gaan tot het uiterste om elkaar te overtroeven en, zoals verwacht, eisen de enthousiaste toehoorders een encore.

Aan dirigent Sir George Smart zegt Maria: ‘Als ik nu nog zing, ben ik dood’. ‘Doe het dan niet,’ antwoordt de ongeruste orkestleider. ‘Ik denk er niet aan, ik zing haar van de scène,’ repliceert de diva.

De volgende morgen laat Maria zich naar de kerk brengen waar ze een recital moet geven, maar daar geraakt ze niet. Haar entourage brengt haar terug naar haar hotel. Daar raakt ze in een coma en overlijdt om 23 u. 35 op 23 september 1836, vermoedelijk ten gevolge van een bloedklonter in de hersenen.

Pauline_Viardot_by_Timoleon_von_Neff
Pauline Viardot, geportretteerd door Timoleon von Neff (a).

De Bériot trekt zich enkele jaren uit het muziekleven terug, maar onderneemt dan een lange tournee door Duitsland en Oostenrijk. In 1840 hertrouwt hij met de Oostenrijkse Maria Hueber.

Drie jaar later krijgt hij een aanstelling tot hoofddocent viool aan het Conservatorium van Brussel. Hij legt er de basis voor wat de geschiedenis ingaat als de ‘Frans-Belgische’ vioolschool.

Hij schrijft een tiental vioolconcerti en een heleboel ‘kleiner’ werk. Vanaf 1858 gaan zijn ogen sterk achteruit en in 1858 wordt hij volledig blind. Maar dat belet hem niet om voort te componeren. Hij overlijdt in 1870 op achtenzestigjarige leeftijd in zijn geboortestad Leuven en wordt in Laken naast Maria begraven.

Maria’s zus Pauline die lange tijd gedroomd heeft van een carrière als pianiste debuteert als zangeres met een concert in Brussel. Het jaar daarop staat ze voor het eerst op de planken in Londen.

Pauline Viardot raakt bevriend met de schrijfster George Sand en beleeft een decennialange passionele aanuit relatie met de Russische romancier Ivan Toergenjew. In tegenstelling tot Maria wordt ze stokoud worden en beleeft de dageraad van de 20ste eeuw.

[Muziekgeschiedenis / Long read ] Grétry en Gossec – een Franse carrière voor “Belgische” componisten

Naast Londen en vooral Wenen is Parijs op het eind van de 18de eeuw de muzikale hoofdstad van Europa. De allerrijksten houden er privéorkesten op na. Edellieden huren een loge in de Académie royale de Musique – de opera – of in het Théâtre des Italiens waar men lichtvoetige zangspelen op de planken brengt. Wie zelf met zijn talent wil uitpakken, speelt als amateur bij een concertvereniging. Twee van de voornaamste componisten in het Parijse muzikale pantheon, vòòr, tijdens en zelfs na de Franse Revolutie, zijn ‘Belgen’ – François-Joseph Gossec uit Henegouwen en André Ernest Modeste Grétry uit Luik.

François-Joseph Gossec wordt in 1735 als boerenzoon geboren in het plaatsje Vergnies, dat op dat ogenblik deel uitmaakt van het Franse grondgebied. Volgens de legende geeft de kleine Gossec al vroeg blijk van grote muzikale begaafdheid en zou hij als kleuter van een van zijn klompen een heuse viool hebben gemaakt. Se non è vero… Zijn eerste muzikale vorming als koorknaapje krijgt hij in de Sint-Adelgondiskerk in het nabije Maubeuge. De pastoor van Vergnies zorgt er echter voor dat mag verkassen naar de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal waar zes kinderen een gratis opleiding in de muziek kunnen krijgen.

gossec
François-Joseph Gossec.

Gossecs leraar in de Scheldestad is kapelmeester André-Joseph Blavier, zelf afkomstig uit Luik en in 1737 door de Antwerpse kanunniken aangesteld. Blavier leert Gossec (nog) beter zingen en brengt hem het viool- en klavecimbelspel en de beginselen van het componeren bij. Hij is zo tevreden over de vorderingen van zijn pupil dat hij hem aanbeveelt bij de Franse componist Jean-Philippe Rameau (1683-1764).

Rameau is op zijn vijftigste (!) beroemd geworden met de opera Hippolyte et Aricie (1733) en ontpopt zich de komende jaren tot grote vernieuwer van het genre. ‘U weet nauwelijks wie ik ben,’ schrijft de bescheiden Blavier aan zijn beroemde confrater, ‘maar alleen een meester als u is goed genoeg voor een leerling als hij [Gossec]’.

Het antwoord van Rameau blijkt positief, want de jonge Henegouwer – hij is zeventien – vertrekt naar Parijs. François-Joseph kan er als violist aan de slag in het door Rameau geleide privéorkest van de financier Alexandre Le Riche de la Pouplinière, een van de beste en belangrijkste ensembles van de Franse hoofdstad.

Wanneer Rameau in 1754 opstapt, volgt de Duitser Johann Anton Stamitz (1754-ca. 1809) hem op. Stamitz is lid van een componistenfamilie die vooral actief is in Mannheim. Ook Stamitz oefent een grote invloed uit op Gossec en leert hem alles over de nieuwe symfonische muziek die men sinds kort in Duitsland beoefent.

Symfonieën

Stamitz blijft maar twee jaar; in 1756 wordt Gossec zelf dirigent. Hij blijft het tot aan de dood van zijn werkgever in 1762. In 1756 publiceert François-Joseph zijn eerste zes eigen symfonieën, al duurt het even voor het publiek went aan die energieke ‘hedendaagse’ muziek. Het Franse repertoire is laatbarok en ouderwets – tenminste, dat vinden alle niet-Franse specialisten. Weldra laat Gossec ook strijkkwartetten verschijnen. Intussen is hij getrouwd met een zangeres en krijgt hij een zoon.

CA 247
Jean-Philippe Rameau.

Roem verwerft François-Joseph in 1760 wanneer zijn indrukwekkende Requiem of Missa pro defunctis (‘Mis voor de overledenen’) in de dominicanenkerk aan de Rue Saint Jacques (bekend als de Église des Jacobins) wordt uitgevoerd. Het werk duurt anderhalf uur. Het succes ervan is vooral te danken aan het onheilspellende begin van het deeltje Tuba mirum. De componist heeft de blazers die het Laatste Oordeel aankondigen niet opgesteld bij de rest van het orkest, maar op het doksaal van de kerk.

Bijna een kwarteeuw herinnert hij zich in het muziektijdschrift Revue musicale: ‘Het sombere, verschrikkelijke effect van drie trombones, drie klarinetten, vier trompetten, vier hoorns en acht fagotten die aan het oog onttrokken waren in een hoger deel van de kerk om het Laatste Oordeel aan te kondigen, boezemde vrees in, die op zijn beurt hoorbaar werd gemaakt door het gedempte trillen van de snaren van de strijkers in het orkest.”

Zijn collega François-André Philidor (1726-1795) noemt de dodenmis zonder enige aarzeling een ‘meesterwerk’. Philidor blinkt uit in het genre van de opéra comique of opéra bouffe – lichtvoetige opera waarin de aria’s afwisselen met gesproken dialoog. Het genre is omstreeks 1750 komen overwaaien uit Napels en kent sindsdien groot succes, zowel bij de Parijse componisten als bij hun publiek. Geen wonder dus, dat Philidor de theatrale aanpak van Gossecs Tuba mirum bewondert. Hij is trouwens niet de enige: de komende jaren wordt het een geliefd concertstuk met talrijke uitvoeringen buiten de kerkmuren.

François-Joseph wil intussen zelf ook de operascène veroveren. Hij schrijft een paar komische opera’s en een bloedserieuze tragédie lyrique. Maar hij heeft pech – de concurrentie is te groot en heeft te veel talent in huis.

Opéra comique

Niet alleen Fransen als Philidor en Pierre Alexandre Monsigny (1729-1817) beoefenen met veel succes de opéra comique. Ook Luikenaar André Ernest Modeste Grétry ontpopt zich tot een meester in het genre.

haydn-1
Joseph Haydn.

Grétry is in 1741 geboren als zoon van de violist François Pascal van wie hij ook zijn eerste muziekonderricht. Later wordt hij koorknaap in de Saint-Denisker en studeert zang en viool. Later schrijft hij in zijn Mémoires dat hij er zijn tijd verliest. ‘Als ik in de muziek enige vooruitgang boekte, was dat niet dankzij, maar ondanks mijn leraar.’

Wanneer zijn stem breekt, wordt André Ernest uit het kerkkoor gezet. Bij Nicholas Rennekin, organist van de Saint-Pierre, vervolmaakt hij zich in harmonie en compositie, al krijgt hij de technische finesses van het vak nooit helemaal onder de knie.

In 1759 schrijft de jonge Grétry een mis en krijgt prompt een beurs die hem toelaat aan het Luiks College in Rome te studeren. Hij reist in het gezelschap van een chirurgijn. Hun gids is een oude smokkelaar die ieder jaar de Alpen oversteekt om in Italië Vlaamse kant te slijten.

Franse opera

In Rome volgt Grétry les bij de kapelmeester van de Sint-Jan in Lateranen, maar hij komt vooral onder de indruk van de opera’s van Pergolesi en Piccini.

Een vrijgekomen baantje als kapelmeester in een Luikse kerk volstaat alvast niet om de jonge componist te doen terugkeren. Hij droomt van Parijs en vertrekt alvast naar Bologna. Daar bereidt Padre Martini hem voor op het examen aan de Academie dei Filarmonici.

In 1766 strandt Grétry in Genève waar hij muziekles geeft om het vervolg van zijn tocht te betalen. Hij maakt er kennis met de Franse opera. Zijn eigen Isabelle et Gertrude kent zo’n grote bijval, dat hij besluit te vertrekken.

Onderweg brengt hij in het grensplaatsje Ferney een bezoek aan de beroemde filosoof Voltaire. Die vat sympathie op voor de toondichter en stuurt hem twee libretti achterna. In Parijs komt Grétry in contact met de graaf van Creutz, de zaakgelastigde van Zweden. Creutz biedt hem zijn bescherming aan. De Luikenaar maakt ook kennis met de bekende schrijver Jean-François Marmontel die libretto’s voor zal dichten. Het eerste is een bewerking van een verhaal van Voltaire.

Grétry2
André Ernest Modeste Grétry.

Le Huron gaat in 1768 in première in het Théâtre des Italiens en kent meteen succes. Baron Grimm spreekt van een ‘meesterwerk’ en verklaart Grétry een ‘eersterangs componist’. De gevreesde criticus La Harpe prijst André Ernest omdat hij bewezen heeft dat het Frans geschikt is ‘om er goede muziek bij te schrijven’.

En dat klopt. De toondichter weet de stijl van de opera buffa aan te passen aan de Franse uitspraak en geeft hij het tot dan toe wat stroeve genre op die manier een levendig en expressief karakter.

Vele aria’s van Grétry worden hits, die men tot diep in de 19de eeuw zal blijven zingen. Denk maar aan Où peut-on être mieux (‘Waar kan men beter zijn?) uit Lucile, dat zelfs na de Eerste Wereldoorlog nog behoort tot het repertoire van iedere Belgische fanfare die zichzelf respecteert.

André Ernest treedt niet in dienst bij een mecenas. Hij bouwt een carrière uit als zelfstandig kunstenaar – een relatief nieuw verschijnsel in de tweede helft van de 18de eeuw. Gossec slaat trouwens dezelfde weg in.

Joseph Haydn

Na de dood van Le Riche de La Pouplinière werkt de Henegouwer een poos voor de prins van Conti, lid van de koninklijke familie, en ook voor de prins van Condé, eveneens een Bourbon. Condé resideert in het fraaie kasteel van Chantilly. Maar vanaf 1769 ontpopt François-Joseph zich tot concertorganisator. Hij sticht het Concert des Amateurs, waar professionele muzikanten en goede amateurs uit de hogere kringen samen optreden. Twee edellieden treden op als geldschieters en Gossec neemt de directie waar.

Het Concert des Amateurs groeit uit tot het grootste orkest van Frankrijk en geeft opdrachten aan componisten. Zijn functie biedt Gossec de kans om geregeld eigen composities uit te voeren, maar ook om als eerste op Franse bodem een symfonie van de Oostenrijker Joseph Haydn te programmeren.

ZémireetAzor
Scène uit “Zémire et Azor”, 1775.

Enkele jaren later wordt François-Joseph codirecteur van het Concert Spirituel dat in opdracht van het stadsbestuur van Parijs concerten geeft in de Tuilerieën. Intussen behoort hij tot de vrijmetselarij die vele musici in haar rangen telt. Nogal wat van hen zijn verbonden aan het Concert Spirituel.

Inmiddels timmert André Ernest Grétry verder aan de weg. Een van zijn grootste successen, de opera of ‘comédie-ballet’ Zémire et Azor, vertelt het populaire verhaal van de Schone (Zémire) en het Beest (Azor). La Belle et la Bête is geen volksverhaal, maar een kunstsprookje voor kinderen dat omstreeks 1750 is geschreven door de prinses van Beaumont.

Eens te meer verwerkt Marmontel vooruitstrevende denkbeelden in zijn libretto. Sander, Zémires vader, wil zijn dochter niet aan het monster Azor uitleveren en besluit zich in haar plaats op te offeren. Hij vraagt zijn drie andere dochters, voor wie hij dit voornemen geheim houdt, genoegen te nemen met hun liefde voor elkaar en een ‘vie obscure, honnête et sage’.

De liefde die Zémire opvat voor Azor vindt haar oorsprong niet in seksuele aantrekkingskracht, maar in medelijden en achting voor Azors nobele karakter. Kortom, iemand inborst is belangrijk, niet hoe hij eruitziet.

Zémire et Azor

De creatie van Zémire et Azor vindt op 9 november 1771 plaats aan het hof in Fontainebleau. De dag daarop loopt kroonprinses Marie-Antoinette Grétry en Marmontel in de galerij van het kasteel op het lijf. Aan de componist vertrouwt ze toe dat ze die nacht heeft liggen denken ‘aan het betoverende trio van de vader en de drie zusters van Zémire’. Naar verluidt, omhelst Grétry daarop zijn librettist en verzucht dat de woorden de prinses enkel tot nog meer mooie muziek kunnen inspireren. ‘En tot slechte tekst,’ mompelt de jaloerse Marmontel, tegen wie Marie-Antoinette niets heeft gezegd.

Filosoof en coredacteur van de Encyclopédie Denis Diderot schrijft in zijn recensie dat Grétry voor Frankrijk een ‘Godsgeschenk’ is. De Engelse musicoloog en organist Charles Burney noteert in zijn Reisjournaal:

Marmontel
Jean-François Marmontel.

‘De muziek van deze opera is […] bewonderenswaardig. De ouverture is levendig en effectvol; de symfonische tussenspelen lopen over van nieuwe ideeën en bevatten mooie beelden. De begeleiding is rijk, ingenieus en transparant, wanneer men deze laatste uitdrukking gebruiken mag om te zeggen dat zij de aria’s niet dooddrukt, maar ze integendeel meer reliëf geeft.’

In 1778 krijgt François-Joseph Gossec de leiding van het koor van de Académie royale de Musique, de Parijse opera, en twee jaar later wordt hij zelfs adjunct-directeur. Hij staat mee in voor de uitvoeringen van opera’s van Grétry, Christoph Willibald Gluck en Piccini.

Toch moet hij nog tot 1782 wachten op de productie van zijn eigen (tweede) opera seria, Thésée. Gelukkig is het publiek enthousiast genoeg om het werk een poos op de affiche te houden. In 1784 komt Gossec aan het hoofd van de École royale de Chant, een voorloper van het conservatorium. Enkele jaren eerder heeft hij bij de zwangerschap van koningin Marie-Antoinette een fraai Te Deum geschreven.

Zowel Gossec als Grétry danken hun carrière en hun roem grotendeels aan de Parijse aristocratie. Na het uitbreken van de revolutie in 1789 beleven ze dan ook bange dagen. Lichtvoetige opera’s zijn niet langer aan de orde; de Republiek wil ernstige, krijgshaftige en vaderlandslievende muziek. En dat zal iedereen geweten hebben.

Revolutie

Gossec gooit het roer om. Hij begint aan een nieuwe fase in zijn loopbaan en schrijft instrumentale muziek en koorwerken die tijdens krijgshaftige bijeenkomsten en massaspektakels in de open lucht worden uitgevoerd. Soms integreert hij klokgelui en heuse kanonschoten. Binnen de kortste keren wordt Francçois-Joseph hiermee de ‘officiële’ componist van de revolutie, zoals David haar schilder is.

Bij de dood van de beroemde Mirabeau in 1790 pakt hij uit met een Marche lugubre die dadelijk een paradestuk wordt van het revolutionaire repertoire. Roem en populariteit wachten ook de Hymne à l’Être suprême (het Opperwezen dat de revolutionairen verzinnen om de oude, katholieke God te vervangen) en de muziek voor de apotheose van Voltaire.

GradGossec
Het graf van Gossec op de Parijse begraafplaats Père Lachaise.

De ‘ene en ondeelbare’ Republiek dienen, is niet zonder risico: de muziek die Gossec dirigeert voor een feestelijke herdenking van de executie van Lodewijk XVI klinkt volgens sommigen te melancholisch, alsof de componist de dood van de koning betreurt. Maar het incident heeft, als bij wonder, geen kwalijke gevolgen voor de bejaarde musicus.

Ook Grétry probeert vanaf de jaren 1790 serieuzer werk te componeren, maar echt vlotten wil dat niet. ‘Er komt een leeftijd dat onze hersens alleen nog maar voortborduren op ideeën die wij vroeger hebben opgedaan,’ noteert hij in zijn Mémoires. Toch componeert hij nog heel wat opera’s. Bepaalde aria’s daaruit, zoals Mourons pour la Patrie, kennen succes bij de soldaten van de revolutionaire legers.

ermitage
De Ermitage van J.-J. Rousseau.

De componist is een vermogend man. In Monmorency, even buiten Parijs, koopt hij de Ermitage waar de beroemde filosoof Jean-Jacques Rousseau zijn laatste levensjaren heeft doorgebracht. Grétry, die inmiddels meer dan veertig opera’s op zijn actief heeft, wijdt er zich voortaan uitsluitend aan de schone letteren. Hij stelt zijn leven te boek, schrijft over muziek en waagt zich zelfs aan enkele filosofische werkjes.

De revolutie maakt komaf met de instellingen van het Ancien Régime en stelt nieuwe in de plaats. Voortaan organiseert de staat het onderwijs, ook dat in de kunsten. In 1795 ontstaat het Conservatoire de Musique. Gossec en Grétry worden aangesteld tot inspecteurs, die de kwaliteit van de opleiding moeten bewaken. Hun collega’s zijn Méhul en Luigi Cherubini die de volgende generatie componisten vertegenwoordigen.

Persoonlijke relatie

Over de persoonlijke relatie tussen de ‘Belgen’ Gossec en Grétry is weinig bekend. Ze waren ongetwijfeld elkaars concurrent, maar soms werkten ze samen. En omdat beiden bekend stonden als zeer charmant en beminnelijk is de kans dat ze ook met elkaar opschoten niet denkbeeldig.

Grétry overlijdt in 1813 in Montmorency en wordt begraven op het Parijse kerkhof Père Lachaise. Bij zijn uitvaart voert men het Requiem van Gossec uit. Gossec overleeft Grétry hem tot in 1829. Hij wordt vijfennegentig – voor die tijd een uitzonderlijk hoge ouderdom – en blijft jonge componisten aanmoedigen.

GrétryBiljet
Portret van Grétry op het Belgische 1000 frankbiljet.

‘Juist, jongeman, dàt is het,’ zegt hij hen bij het lezen van hun partituren, waar hij dan meteen aan toevoegt ‘of toch niet helemaal.’ Zo wil het alvast de legende. Wat er ook van zij, het lange leven van François-Joseph slaat de brug tussen de laat barokke Jean-Philippe Rameau en de romantische Giacomo Rossini – op zichzelf een merkwaardig gegeven.

Het jaar dat Gossec sterft, wordt het hart van Grétry (of wat ervan overblijft) naar Luik gebracht, waar men het in 1842 bijzet in de sokkel van zijn gloednieuwe standbeeld bij de opera. Het staat er nog altijd. Aan Gossec herinnert in zijn Henegouwse geboortedorp sinds 1877 een fontein met een bronzen portretbuste.