Georges Eekhoud werd in 1854 in Antwerpen geboren. Zijn ouders spraken Frans. Na hun vroegtijdige dood woonde Eekhoud in bij zijn oom Henri Oedenkoven, de eigenaar van een kaarsenfabriek in Borgerhout, waar hij later ook burgemeester werd.
Eekhoud studeerde aan een Zwitserse kostschool en korte tijd aan de Koninklijke Militaire School. Nadat hij het fortuin van zijn grootmoeder had verbrast, werd hij journalist – eerst in zijn vaderstad, dan in Brussel.
Eekhouds eerste roman, Kees Doorik (1883), en de verhalen in Kermesses(1884), spelen in de Scheldepolders en in de Kempen. De schrijver bekeek het “volk” met de ogen van een burger – één die bovendien andere taal sprak. Maar hij zag dikwijls meer dan collega’s die vanuit flamingant en katholiek perspectief over de kleine man schreven. Arbeiders interesseerden Eekhoud minder dan dieven, matrozen en dagloners – voor hem een soort “edele wilden”, échter dan zijn eigen huichelachtige klasse.
De abdij van Hemiksem in Sanderus’ “Flandria Illustrata”.
La nouvelle Carthage (1888; uitgebreide versie 1893) is een deels autobiografische roman. De auteur borstelde een lyrisch fresco van Antwerpen in het laatste kwart van de 19de eeuw. In 1899 verscheen Escal-Vigor, een van de eerste romans over homoseksualiteit. Er kwam zelfs een proces van voor het Hof van Assisen in Brugge. Na zijn vrijspraak werkte Eekhoud mee aan Franse en Duitse publicaties die de emancipatie van homo’s nastreefden – in dit opzicht behoorde hij eveneens tot de avant-garde onder de Europese intellectuelen.
De schrijver, die ook in Frankrijk grote faam genoot, stierf in 1927. De interesse voor zijn werk nam af – tot de Parijse uitgever in 1982 een herdruk bracht van La nouvelle Catthage. In Vlaanderen kwam in 1991 bij Houtekiet de bundel Bloedige Kermis van de pers met verhalen uit Kermesses en Nouvelles Kermesses, vertaald door Jan H. Mysjkin.
(Foto Marc De Vos).
Laurent, het jonge hoofdpersonage van La nouvelle Carthage, is het alt er ego van de schrijver. Laurent groeit op in het gezin van zijn neef, kaarsenfabrikant Guillaume Dobouziez. Slecht wordt Laurent niet behandeld, maar de Dobouziez’ laten hem voelen dat hij niet echt op zijn plaats is in hun wereld van rijke burgers. Ze willen hem bovendien naar een kostschool in het buitenland sturen.
De Dobouziez’ maken kennis met de reder Freddy Béjart, die zal trouwen met hun dochter Gina. Zij nodigen hem uit op hun buitengoed in Hemiksem. Béjart vindt dat een uitstekend idee en stelt voor de reis te maken aan boord van zijn luxueuze stoomjacht.
Eekhoud beschrijft de reis in het zevende hoofdstuk, dat als titel Hémixem meekreeg. Hij zegt niet in welk jaar de excursie plaatsvindt, maar als men aanneemt dat hij een beroep deed op zijn eigen jeugdherinneringen, moet dat omstreeks het midden van de jaren 1860 zijn.
Sint-Bernards was op dat ogenblik niet langer een huis van bewaring, maar een kazerne. Eekhoud verwijst daarnaar op het einde van het hierna volgende fragment. De industrialisatie van de Schelde-oever in Hemiksem was volop bezig – Eekhoud vermeldt trouwens een steenbakkerij, en een gesprek van Dobouziez en diens vrienden over de inplanting van andere nijverheden.
Hemsdael, gravure van Gaspar Bouttats.
Maar het is het landelijke, arcadische Hemiksem met zijn kastelen en vele groen dat alle aandacht krijgt – de auteur wist bij het schrijven van zijn roman ongetwijfeld dat dit landschap toen niet meer bestond. Ook elders in La nouvelle Carthage beschreef hij met veel weemoed toestanden die ca. 1885 tot het verleden behoorden.
Eekhoud gebruikt de schoonheid en ongereptheid van “zijn” Hemiksem om de enggeestigheid en het materialisme van de Dobouziez’ en hun vrienden beter te doen uitkomen: na een uur hebben ze genoeg van “al dat groen” en picknicken doen ze volgens het boekje, zonder zich af te vragen of ze wel de beste plek hebben uitgekozen.
Het hoofdstuk Hémixemheeft ook een zeker cultuurhistorisch belang; het leert ons hoe dagjesmensen en zelfs bezitters van een buiten hun tijd doorbrachten. Het is even virtuoos en “barok” geschreven als de rest van de roman; ik hoop dat daar in de vertaling iets van overblijft.
De abdij van Hemiksem (foto Kartix Fotoblog).
“Hemixem” [fragmenten]
Laurent staat voor het eerst op het dek van een schip. Een menigte nieuwe indrukken verzacht zijn verdriet. Bevallig als een vogel, die zijn eigen kracht uitprobeert voor hij aan een steile klim begint, maakt het jacht enkele rondjes. Alsof het dan pas de juiste koers vindt, vaart het weg, gedreven door de hogere druk van de stoom in de machine – de grote, onzichtbare hand die het voortduwt.
Voor de ogen van Laurent ontvouwt zich het weidse redegezicht, dan pas vallen hem de gedurfde, ja grandioze verhoudingen van de monumenten op.
Het is alsof de stad zelf oprijst uit de grond. Achter het dichte gebladerte van de bomen op de kade verschijnen de daken van de huizen, en daarachter, hoger dan de hoogste woningen, verrijst het schip van de kerken, uitkijkend over de daken van de pakhuizen en over markten en oude hallen. En dan, hoger, altijd hoger, klimmen torens, donjons en campaniles alsof ze de hemel bestormen – tot ze zich, buiten adem, gewonnen geven, allemaal, behalve de glorierijke spits van de kathedraal.
[…]
De eerbiedige reiziger kijkt uit over het land: de lemige polders, steenbakkerijen die rode vlekken vormen tussen de groene dijken, witte villa’s, omgeven door ijle bomenrijen, van waar men langs uitgestrekte grasvelden uitkijkt over de stroom. Maar het is de Schelde zelf, die het meeste indruk maakt op de scholier.
Met de gretigheid van een banneling aan de vooravond van zijn vertrek, laat hij de beelden, de geuren en geluiden in zijn hart vloeien, om ze op te slaan voor de dromen en herinneringen die hij nodig heeft, de vele dagen die hem wachten in de vreemde.
[…]
Neef Guillaume overlegde met Béjard, Saint-Fardier en de eminente advocaat Vanderling. Als zij de Schelde af en toe een blik waardig keurden, was dat alleen omdat zij het hadden over de winsten die een naamloze venootschap kon maken dank zij een lucifersfabriek of een guano-opslagplaats op zijn oevers.
Regina droeg een jurk van roze mousseline; op haar krullenbol prijkte een strohoed à la Lamballe. Zij was het middelpunt en de bezielster van een groepje jonge meisjes die luisterden naar haar scherpe opmerkingen over de jongelui, aangevoerd door de broers Saint-Fardier. Die staken af en toe het dek over tot bij de lachende meisjes en debiteerden de een of andere bespottelijke galanterie.
Aanlegsteiger (Foto Heemkundige Kring Heymissen).
[…]
Het jacht meerde op onberispelijke wijze af aan de steiger van Hemiksem. Aan land verliep het programma vlekkeloos. Tijdens de wandeling vertelden de gelegenheidstoeristen elkaar de naam van de eigenaars van de villa’s en kastelen. De jongelui deden hun best om te schatten hoeveel paarden in de stallen stonden; de bakvissen slaakten verrukte kreetjes bij het zien van de prachtige witte zwanen, en ook van de rozen, die zo mooi roze waren.
Op een bepaald moment hield het groepje eerbiedig stil voor een verguld hek. Daarachter liep een heerlijke dreef. Tussen de bomen, aan de overkant van een gazon, stond een juweel van een paviljoen in renaissancestijl.
Kasteel Monnikenhof.
“Mooi, heel mooi,” zei Béjart. Hij en de onafscheidelijke Dupoissy hadden de anderen ingehaald. “De baron van Waerlant woont hier. Chic, zeker. Maar voor driekwart gehypothekeerd. De tent kost niet meer dan vijftig duizend ballen – bovenop de hypotheken. Die lopen op tot zo’n honderdduizend frank. Iemand geïnteresseerd?”
“Luie, libertijnse aristocraten verdienen niet beter,” zei de neusstem van Dupoissy. Hij klonk als de voorzanger in een uitvaartmis.
Béjarts cijfers temperden de geestdrift van het welopgevoede gezelschap, waarvan niemand door de gedachte aan schulden werd geplaagd. De wandelaars stapten snel voort. Ze staken hun neus in de lucht en probeerden niet meer te denken aan de bewondering die ze daarnet hadden gevoeld voor het onroerend goed van de baron. Het was alsof ze vreesden dat de in het nauw gedreven eigenaar plots van tussen de bomen op hen toe zou stappen en hun om een lening vragen.
Een uur lang liepen ze onder het blauwe zwerk vol zingende leeuweriken, tussen weiden met geurende hooischelven. Zonder dat ze het toegaven, hadden ze schoon genoeg van al dat groen en blauw, boerderijen waar niets verroerde en buitenplaatsen wier bewoners ze niet kenden.
Tenslotte kwamen ze bij een sparrenbos – het enige in de buurt. Het ging om een onaanzienlijk, aangeplant bosje dat het eigendom was van de eerste commies van de Dobouziez’. De man verstond de geneugten van het land en van een déjeuner sur l’herbe Want daar waren alle deelnemers aan de uitstap het over eens: voor een picknick had men een bos nodig.
Hemiksemhof.
Ze waren hierheen gekomen door majestueuze dreven met beuken of eiken, waar koelte tot verpozing noodde. Maar ze wilden een bos, ook al zag het er miserabel en schraal uit, en wierpen de coniferen zo weinig schaduw af dat de dames er hun parasol nodig hadden.
Men haalde de mondvoorraad te voorschijn. Het eten was koud. En omdat het ingenieuze apparaat dat de champagne koel moest houden, dienst weigerde, dronk men hem warm. Zo gaat het meestal met wonderen van de techniek! Toch verliep de maaltijd in een opperbeste stemming: de hitte en de vervloekte machine zorgden voor voldoende gespreksstof.
Angèle en Cora Vanderling hadden Gaston en Athanase Saint-Fardier met hun kokette maniertjes bekoord; de twee waren niet bij hen weg te slaan. Rupsen en kevers die op de borden en in de halsuitnijding van de jongedames vielen, boden hen de kans om aan de meisjes te plukken, zogezegd om hen van het ongedierte te verlossen.
Een troepje boerenkinderen haastte zich na de hoogmis terug naar hun gehucht. Toen ze de mensen uit de stad in de gaten kregen, hielden ze halt. Na opgewonden gefluister overwonnen ze hun achterdocht en hun schrik kwamen dichterbij. Met rode gezichten duwden ze elkaar voort.
Callebeekveer – de aanlegplaats.
Ze kregen wat restte van vleespasteien en belegde broodjes, half opgegeten stukken vlees en het karkas van het gevogelte. De meisjes stopten het eten in hun schort; de jongens laadden het in de zakken van hun kiel. Toen de kinderen weer op weg gingen, riepen de wandelaars hen nog eens terug en schoven de amper aangebroken flessen onder hun armen.
Dit intermezzo hield hen bezig tot het tijd werd om naar het buitengoed van de Dobouziez’ te gaan. Neef Guillaume, zelf een geoefend wandelaar, stelde voor om langs een omweg terug te keren naar de plaats van vertrek. Maar zijn gasten wilden eerst weten of dat traject meer schaduw bood, en of er iets anders te zien viel dan velden en bomen.
Na lang peinzen schoten M. Dobouziez geen andere bezienswaardigheden te binnen dan een verlaten jeneverstokerij en de Sint-Bernardskazerne. Daarom koos de meerderheid voor de kortste weg, ook al hield die het risico in dat men de armlastige baron op het lijf liep.
In afwachting van het diner gingen de dames naar boven om het stof van hun kleren te slaan en om zich te verfrissen; de heren brachten een bezoek aan de ‘eigendom’.
Georges Eekhoud.
Het eten liet niets te wensen over – vooral niet aan deze lieden, die zo weinig voelden voor de landelijke keuken. Toch zongen zij unaniem de lof van hun maaltijd in open lucht, en zij die daarstraks nauwelijks gegeten hadden, veinsden dat hun grote eetlust hen verbaasde. Het was de wandeling, zeiden ze, de wandeling en de frisse lucht…
De koffie werd op terras voor het huis geserveerd. Béjard bracht Gina naar de piano en vroeg haar te zingen. De mooie avond, de bries van over de Schelde, de avondlijke geur van de bomen en de stilte, doorbroken door het gesjirp van de krekels, lokten Laurent in de tuin. In de schemer sloeg hij de snelle, hoekige vlucht van de vleermuizen gade die waren opgeschrikt door de uitzonderlijke aanwezigheid van de meesters van het verwaarloosde buitengoed.
Tot helemaal achteraan in de Engelse tuin hoorde hij de heldere, parelende stem van Gina. Ze zong op goddelijke wijze de wals uit Romeo en Julia van Gounod – de uitvoering overtrof de muziek.
Verschenen in BODDAERT, F., LAMPO, J., LOMBAERDE, P., MEEWIS, W. EN REETH, I. VAN, 750 jaar Sint-Bernardusabdij, Deurne, Continental Publishing; Hemiksem, Gemeentebestuur, 1996.
Liedje van de straatjeugd uit het Schipperskwartier, omstreeks 1900
Kraaiwijk (1000-1300)
De populaire TV-serie Lili en Marleen speelt in een café aan de Koolkaai. Dat is de naam die men in 1885 geeft aan het pleintje dat ontstaat na de overwelving van de Koolvliet. Die vormt al vòòr 1200 het laatste stuk van de watersingel om Antwerpen en fungeert tegelijk als een binnenhaven. Geen wonder dus, dat er scheepsvolk woont: reders-kapiteins die de zee bevaren en hun matrozen, maar ook lieden die hun kost verdienden op de Schelde en haar bijrivieren.
Het Schipperskwartier vandaag – de Vingerlingstraat.
Gehard en roerig volk, welbespraakt en met een bijtend gevoel voor humor, dat zich afzijdig houdt van de handwerkers en de boeren uit de omgeving. De Scheldemonding heeft voor de schippers geen geheimen. In de 12de en de 13de eeuw steken ze al het Kanaal over, tot in Engeland.
De buurtschap waar deze mensen wonen, krijgt de naam Kraaiwijk. Wat die naam precies betekent, weten we vandaag niet meer. Maar “wijk” wijst in ieder geval op een haventje, een plek waar handel wordt gedreven. Vandaag resten ons nog de straatnamen Grote en Kleine Kraaiwijk.
Aan de overkant van de Koolvliet, van aan de Schelde tot aan de weg naar het noorden (Lange Koepoortstraat, Klapdorp, Paardenmarkt) vinden we een drassig weidegebied, de Dries. Hier laten de Antwerpenaars hun vee grazen. Dat doen ook de bewoners van het gehucht Klapdorp. Het ligt aan weerszijden van de weg waaraan het op de duur zijn naam geeft.
De cast van “Lilly en Marleen”.
Tot in 1249 verandert het uitzicht van de buurtschap weinig. Maar dan krijgen de predikheren of dominicanen van kanunnik Hugo Nose (Nosestraat) een
stuk van de Dries om er een klooster te bouwen. Weldra beslaat dat zowat het hele gebied tussen de huidige Dries, Keistraat en Zwartzusterstraat. Bij de Tweede Stadsuitbreiding zal Antwerpen het klooster en een stuk van het oude weidegebied inlijven.
De Sint-Pietersvliet wordt de noordgrens van de stad. Wallen of poorten zijn er niet. Alleen grachten houden de vijand (of veedieven) buiten dit deel van de stad.
Falco en zijn plein (1350)
De Italianen zijn al vroeg bekwame geldwisselaars en bankiers. In de eerste helft van de 14de eeuw slaat Falco de Lampage uit Florence munt in opdracht van hertog Jan III van Brabant. Falco is een rijk man. Van zijn werkgever koopt hij een stuk van de Dries ten noordwesten van Klapdorp. Hij maakt het droog en sticht er op zijn beurt een klooster.
De nonnetjes die er wonen, noemt men naar Falco de falcontinnen en de open plaats voor het klooster heet Falconplein. Lang duurt de falcontinnen alle ruimte tussen Falconplein, Falconrui, Oudeleeuwenrui en Generaal Belliardstraat in handen hebben. Ze beschikken over een kerk en een gastenverblijf en bouwen zelfs huizen die ze verhuren aan particulieren.
Het Falconplein vandaag.
Het gaat Antwerpen voor de wind. Stilaan groeit het uit tot de voornaamste handelsplaats van Brabant. Ook de schippers boeren goed. Ze zwermen uit over de nieuwe buurtschap ten noorden van Kraaiwijk. Aan de Sint-Pietersvliet vestigen zich scheepsbouwers.
Waar nu de Sint-Paulusplaats is, vindt twee keer per jaar de huidenmarkt plaats. Ze duurt twee of drie dagen en men verkoopt er huiden en leder uit de Nederlanden en van daar buiten.
Het Vingerlinc en het ontstaan van het Schipperskwartier (1400-1548)
Bij de Vierde Stadsuitbreiding (14de- begin 15de eeuw) schuift de noordgrens van Antwerpen weer eens op – ditkeer tot aan de Brouwersvliet. Daarover komen twee bruggen die naar heuse stadspoorten leiden.
De vierde stadsuitbreiding (naar Prims).
In de “hoek” tussen de Sint-Pietersvliet en de Brouwersvliet komt omstreeks 1410 een heuse versterking. Zij krijgt de naam Het Vingerlinc – vandaar de naam van de Vingerlingstraat. Bij de bouw van het Vingerlinc ontstaat de Schippersstraat. Eerst heet ze Bredestraat of Klappeistraat. Pas in 1856 krijgt ze haar huidige naam, om verwarring met de Klappeistraat bij de Sint-Willibrorduskerk te vermijden.
De hebben geleerd dat ze er voordeel bij hebben hun gemeenschappelijke belangen samen te verdedigen. Omdat hun activiteit zo belangrijk is voor het economisch leven, legt het stadsbestuur hen allerlei reglementen op. In 1421 verenigen de schippers zich dan ook officieel in een ambacht. Zo’n een organisatie houdt het midden tussen een vakbond en middenstandsvereniging.
Het schippersambacht groeit uit tot een rijke en machtige organisatie. Ze drukt mee haar stempel op de Antwerpse politiek. Bij de huidige Korte en Lange Schipperskapelstraat bouwt het ambacht ca. 1406 een godshuis voor bejaarde schippers. In 1443 krijgt dat een (nieuwe) kapel die de beide straten hun naam geeft.
“Les Demi-Grues” door Carel De Poorter.
In 1477 spelen de schippers een voorname rol in de opstand tegen de jonge hertogin Maria van Bourgondië. Deze kleine revolutie gaat de geschiedenis in als de Quaeye Werelt. Eén van de grootste oproerkraaiers is Peter Biggen, die in de volksmond de heer van Kraaiwijk heet.
Een paar jaar later, in 1480, breekt de stad het Vingerlinc af. In de buurt worden straten geopend: de Vingerlingstraat (die in het begin ook de Oudemansstraat omvat) en de Broekstraat. Die laatste gaat later de Blauwbroekstraat heten, naar een verwerij. Aan de noordkant van de Blauwbroekstraat bevinden zich verscheidene gangen met kleine huisjes. De Oudemansstraat ontleent haar naam aan een godshuis voor oude mannen dat omstreeks 1470 is gesticht.
Zo groeit het Schipperskwartier uit tot een levendige, drukke wijk met woon- en werkhuizen, kroegen en opslagplaatsen, kloosters en kapellen. Het deelt het lief en leed van Antwerpen.
Gilbert van Schoonbeke en daarna (16de-18de eeuw)
Iets voor het midden van de 16de eeuw bouwt Antwerpen nieuwe stadsmuren, de zg. “Spaanse” wallen. Een groot gebied ten noorden van de Brouwersvliet wordt ingelijfd bij de stad. In 1548 sluit bouwpromotor Gilbert van Schoonbeke een contract met de schepenen. Hij zal de Nieuwstad, zoals het daar is gaan heten, verkavelen, er straten trekken en twee nieuwe vlieten graven.
Gilbert van Schoonbeke.
Net zoals de Brouwersvliet staan de Middenvliet en de Timmervliet in verbinding met de Schelde. De Middenvliet kan schepen tot 200 ton ontvangen, de andere twee schepen tot 80 ton. Nabij zijn vlieten trekt Van Schoonbeke straten en bouwt hij huizen. De werken duren tot in 1552. Twaalf jaar later legt men in de Nieuwstad de eerste steen van het Hansa- of Oosters Huis. Dat fungeert als hotel en opslagplaats voor de kooplieden uit de steden van de Duitse Hanze.
Om de waren op te slaan die met platte wagens uit andere plaatsen in Duitsland naar Antwerpen komen, begint men nog datzelfde jaar aan het Hessenhuis.
Het eigenlijke Schipperskwartier is niet langer de noordelijkste buurt van Antwerpen.
Jozef II, de “keizer-koster”.
De Oostenrijkse keizer Jozef II schaft op het einde van de 18de eeuw de “nutteloze” kloosterorden af. Zo ook de falcontinnen. Zij verlaten hun klooster in 1784. De Fransen gebruiken de gebouwen nadien als militair hospitaal. Omstreeks 1810 maakt het klooster plaats voor een kazerne, die blijft staan tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog.
Alleen de Falconpoort, die toegang verleende tot het klooster, overleeft. Er komt in de 19de eeuw een gang met twintig huisjes achter. Die verdwijnen pas wanneer men 1955 op het terrein van de Falconkazerne het Internationaal Zeemanshuis bouwt.
Napoleons dokken en de Kapel onder de Sint-Paulusplaats
In 1803 besluit de Franse keizer Napoleon om van Antwerpen een militaire haven te maken. Hij beveelt de aanleg van getijdenvrije dokken. Daarvoor maakt men gebruik van de vlieten van Gilbert van Schoonbeke. In 1807 gaan de graafwerken aan het Petit Bassin of Bonapartedok van start. Zes jaar later volgt het Grand Bassin, later Willemdok genoemd omdat de koning der Nederlanden het overdraagt aan de stad Antwerpen.
Napoleon door Ingres.
Anno 1855 overwelft men de Sint-Pietersvliet. Dwars over de gronden van het oude dominicanenklooster trekt men de Sint-Paulusstraat. Aan weerszijden komen voorname burgershuizen.
In één van die huizen wordt in de Franstalige dichter Max Elskamp geboren. Hij verhuist naar de Belgiëlei, maar vereeuwigt “zijn” straat in het gedicht La Chanson de la rue Saint Paul (Het Lied van de Sint-Paulusstraat).
Men legt ook de Sint-Paulusplaats aan. Die krijgt op termijn haar eigen politiebureau. En vlakbij verrijst verrijst het Tolhuis.
De ruien.
Onder de Sint-Paulusplaats vinden we de zg. Kapel, een onderdeel van Antwerpens legendarische ruien. De kapel heeft een oppervlakte van bijna 250 vierkante meter. Ze bestaat uit twee beuken van zo’n vijf meter breed en vier meter hoog, die door twee machtige zuilen van elkaar worden gescheiden.
De Kapel vormt de verbinding van de Minderbroedersrui met de Koolvliet en de Sint-Pietersvliet. De legende wil dat een dertigtal Engelse ingenieurs met hun echtgenote hier in 1890 op bootjes een banket hielden. Eten en champagne zouden daarbij via mangaten van op straat zijn neergelaten.
De leerjaren van een kapitein (ca. 1860)
Omstreeks deze tijd schrijft Domien Sleeckx (1818-1901) de roman In ’t Schipperskwartier (1861). In dit populaire boek, dat tot halverwege de 20ste eeuw geregeld herdrukt wordt, vertelt Sleeckx het leven van de straatjongen Jan Savoir uit het Schipperskwartier. Dankzij zijn grote verstand en doorzettingsvermogen brengt hij het tot scheepskapitein en trouwt met Rozeke, de dochter uit een florissante kaaswinkel aan de Keistraat.
Sleeckx blijft niet blind voor de armoede en de ellende in de gangen en op de zolderkamers van de wijk, maar zijn Schipperskwartier is toch burgerlijker en vooral “braver” dan het echt moet zijn geweest.
De Sint-Pauluskerk.
“Waar ik geboren werd, en wie eigenlijk mijn ouders waren,” vertelt Jan Savoir, “zou ik, om de waarheid te zeggen, niet met juistheid kunnen opgeven. Zooveel is zeker, dat ik een jongen ben van het zoogenaamde Schipperskwartier, dat is, van de wijk, nabij de haven en de dokken gelegen, waar sinds eeuwen dat gedeelte der Antwerpsche bevolking huist, dat in de scheepvaart zijn bestaan vindt. Zoover mij heugt, heb ik nooit andere bloedverwanten gehad, dan een oud vrouwtje, dat ik moeitje noemde, en dat, op de Citernebrug, rechtover de Oude-Leeuwenrui, met een kraampje kersen en krieken, appel en peren zat, of met andere lekkernij, al naar ’t seizoen het meebracht.”
“Wij woonden op een zoldertje, in een gang der Oudemanstraat, waar het ’s zomers zeer heet en ’s winters fel koud was. Eten kreeg ik in nogal tamelijke maat, want moeitje had veel vertier, en genoot zekere befaamdheid bij de snoepzieke jeugd van het Schipperskwartier, zoowel voor haar caramellen en babbelaren, als voor haar smoutebollen, die zij, volgens het oordeel zelfs van meer bejaarde personen, zeer smakelijk wist te bakken, en zonder dat zij noodig had Spaansche zeep te gebruiken, om het beslag te doen rijzen.”
Domien Sleeckx.
Sleeckx heeft het verder over de “veldtochten” die de jeugd van het Schipperskwartier in andere wijken onderneemt: “’t Gebeurde in dien tijd meermalen, dat de jongens van het Schipperskwartier, niet tevreden met onder elkaar te vechten en te borstelen, noodig oordeelden, waarschijnlijk om zich beter in den krijg te oefenen, een grooten, algemeenen veldtocht te ondernemen tegen de knapen van een andere wijk der stad, ik zal maar eens zeggen tegen die van het St. Jacobskwartier (…). Onder het zingen van
“Wij zijn hier, wij zijn hier,
jongens van het Schipperskwartier”
en andere krijgszuchtige liederen, togen dan een paar honderd of meer snaken van onzen kant tegen den vijand uit, werden slaags met dezen, na de onvermijdelijke voorloopige schermutselingen, klopten of werden geklopt, zoodanig, dat er soms zwaar gewonden op het slagveld achterbleven.”
De beschrijving van het huis van Jan Savoirs toekomstige schoonvader leert ons hoe het er uitzag bij de kleine burgerij, niet alleen in het Schipperskwartier, maar in heel Anterpen:
“Overal heerschte een smaak en een pracht, waaraan ik natuurlijk niet gewend was. Zij (de kamer) bevatte vooreerst een kostelijke commode van mahoniehout, waarop een porceleinen servies stond met gouden bloemen. Voor den schoorsteen hing een grooten spiegel, waarin men zich bijkans van het hoofd tot de voeten kon zien, en verder aan de muren schilderijtjes met de historie van Genoveva in print, met vergulde lijsten.”
Huis aan de Sint-Paulusstraat.
“In het midden van de kamer bevond zich een groote ovale tafel, met een rood zwartgebloemd kleed, en de vensters waren behangen met rolgordijnen van wit percal met franjes. Op een hoekkastje prijkten een paar kinkhoren, van de schoonste die ik nog had te zien gekregen, en van de zoldering daalde boven de tafel een nette kleine driemast, voorzien van al zijn takelage en staande want, met volle zeilen. Het was verrukkelijk, zonder te rekenen dat de stoelen en verdere meubels, zorgvuldig geboend, blonken als zoovele zonnen, en dat het gansche vertrek door een zindelijkheid en een rijkdom schitterden, die mij met eerbied vervulden voor de gelukkige bezitters van al die kostbaarheden.”
Verhuizen naar het Schipperskwartier (1885)
De rechttrekking van de Scheldekaaien in 1880-1885 veegt een groot deel van het oudste Antwerpen van de kaart. Duizenden mensen moeten verhuizen. Van Burchtplein en Mattenstraat, Steenstraat en Palingbrug, Visberg en Burchtgracht gaat het naar het meer noordelijk gelegen Schipperskwartier.
Het zijn niet alleen zeelui en arbeiders die verhuizen. Ook een groot deel van de Antwerpse prostituées volgt hen. Zo krijgt een aantal straten in het Schipperskwartier weldra het karakter van rosse buurt.
Jan Denucé.
Tot de vele “landverhuizers” van die dagen behoort de familie van de latere stadsarchivaris Jan Denucé. Eind jaren 1920 schrijft hij zijn herinneringen neer aan het Schipperskwartier anno 1890:
“Het eigenlijke Schipperskwartier, van de (…) sint-Paulusplaats tot aan de Falconplein, kende toen zijn bloeiendste dagen, denk ik. Het was een zuiverder zeeliedencentrum dan de Jordaanskaai; er waren geen groote kantoren noch magazijnen. In de hoofdstraat, Oude-Man, Vingerling- en Schippersstraten waren bijna zonder uitzondering huizen met verlokkende Engelsche en Scandinaafsche uithangborden, veel logementen of ‘slaapsteeën’ waar het zeevolk zoo niet geplunderd dan toch van zijn meeste geld heel snel verlicht werd, vóór het tot standkomen van de officieele zeemanshuizen. Even gemengde bevolking als aan de Werf, maar de Engelschen niet meer zo domineerend; veel Zweden, Denen en Noren, meer en meer Duitschers, Russo-Finnen, Indiërs, minder graag geziene Italianen, weinig Franschen.”
Aan de Schelde…
“Een atmosfeer van Beiersche en Engelsche bieren was niet van de straat; ’s avonds (…) groepen twistzieke dronken matrozen, gillende meiden, gevechten waarin toch steeds de een of andere Antwerpsche vechtbaas, in allerijl geroepen, de nationale eer moest redden. Voor de jeugd was het een erbarmelijk midden; op straat gejaagd omdat de meeste huizen tuin noch binnenplaats hadden, speelden grooten en kleine op het Boelvarke (Oude Leeuwenrui), deden aan grof atletensport met gewichten, krachtmetingen aan natiewagens, ondernamen rooftochten (…), trokken op expeditie naar St-Anneken of naar het Noordkasteel, om fakkels te plukken – en om te gaan zwemmen. (…) Zoo leefde (…) men (…) in het Schipperskwartier, van de rest van de stad afgescheiden en ontkend – behalve de Vastenavonddagen, wanneer een deel van het
De Sint-Paulusplaats.
Antwerpen het Schipperskwartier kwam ontdekken, tuk op exotisme. Toen was het in de smalle straten een gedrang, een waanzinnig gejoel van verkleede groepen, van de gemeenste voddejoën en brooiken-bijt tot de gepruikte markiezinnetjes. De dwaze tocht begon aan de Van Schoonbeke- en Falconpleinen, trok door de Schippersstraat, waar natuurlijk de schitterendste danszaal van de stad, ‘Lucifer’, later ‘Zwarte Kat’ bezocht werd. Dan ging het gewoel door de Vingerling- en Mannekensstraten of Verwersrui, waar bij talrijke ‘Norske Mamas’ even in- en uitgeloopen werd, tot aan de Kalkbrug.”
Vechtersbazen van de Dries (ca. 1900)
Een ander talentrijk kind van het Schipperskwartier is de dichter Armand Willem Grauls (1889-1968). Hij groeit op aan de Dries en zet daarover dertig jaar later zijn herinneringen op papier.
“Inderdaad,” schrijft Grauls, “de mannen van den Dries (…) kónden vechten. In de week waren het gewoonlijk de kolendragers, die den slag aangingen. Er waren in de straat twee naties, de Koolnatie en de Rijnnatie. Van ’s morgens zes uren kwamen de arbeidslustigen naar werk uitzien. In afwachting dat de sjouwersbaas hen kwam uitpikken, stelden zij zich langs de muren der huizen, zaten zij in groepjes gehurkt tegen de deuren, riepen een galant kompliment naar de voorbijkomende zakkennaaisters, sakkerden en vloekten al de engelen uit de hemel (…), trokken uit verveling een kaartspel of liepen in en uit ‘Den gevonden Heiligen’ herberg-afspanning, waar de genever geschonken werd in groote kappers met weinig water en bijna geen peper tegen zeer matigen prijs.”
“Het gebeurde zeer dikwijls dat reeds tegen acht uren het kantje in rep en roer stond om twee boksende kolenlossers te zien beslechten wie het meeste recht had om het eerst aangeworven te worden bij de kolenvoorziening van de aankomende Congoboot. In de venster verschenen ongewasschen vrouwen, trossen kinderen met slechts hun hemdeken aan, werklooze of werkschuwe venten, die met kennis van zaken den strijd volgden en tegelijkertijd toeschouwer en scheidsrechter waren.”
Het is met minder nostalgie dat Grauls terugdenkt “aan de muffe gangetjes en de volgepropte woonhuizen, waar gezinnen met twaalf kinderen geen uitzondering waren, waar de huisvrouwen drie, vier dagen rink-aan-een aan de waschtob stonden, en als hoogste en eenigste weelde met Carnaval en Halfvasten er evenveel dagen en nachten op loszwierden.”
De auteur beschrijft “typen als Den Scheele, een metserdiender, die elken Zaterdag op de lappen ging en eerst ’s Maandags nachts terugkeerde om zijn kamerdeur in te stampen en zijn wijf af te troeven; en Rik de Rat, die zich uitgaf als buildrager, maar nooit werkte, den heelen dag in de kroeg zat en u van alles en nog wat kon aan de hand doen tegen een civiel prijsken”. Voorts herinnert Mie de Rets, een klein moedig huismoederken, met negen kinderen, dat zich letterlijk doodwroette om haar kroost uit de armoede te houden en toch vooral deftig groot te krijgen. Haar oudste jongen geraakte in ’t prison en een van haar dochters belandde als ontuchtvrouw in een bordeel der Spuistraat…”
De Sint-Pietersvliet.
En Grauls besluit: “De ruwe, armoedige doch zoo levensblijde bevolking van havenwerkers en straatjesvolk, de zonnekloppers, de rabauwen, de nachtridders, het rumoerig bedrijf der naties (…), de winkelier- en herbergierkens met hun zeden en gewoonten van Deezekens tijd zijn niet meer te vinden in de thans gemoderniseerde, kleinburgerlijke straat.”
De smaak van opium (1933)
In 1931 publiceert de journalist Carel De Poorter in het Franstalige, liberale dagblad Le Matin een reeks reportages over de onderwereld in het Schipperskwartier. Hij beschrijft expedities die hij zelf in de buurt heeft ondernomen. Twee jaar later verschijnt een ongecensureerde versie van de artikelenreeks in een boek over de prostitutie in de Scheldestad.
Met Ouala, een zwarte ex-bokser en gigolo, bezoekt de reporter een kelder waar Afrikanen hennep komen roken. De Egyptische drugshandelaar Ghyssa neemt De Poorter mee naar een Chinees restaurant aan de Verversrui (waar er toen vele waren) en clandestiene goktent boven, waar Chinezen spelen voor grof geld.
Via een deurtje binnen naast een café komen de twee in een donkere gang. Aan het eind gaan ze een trap op en bereiken een tweede deur. Die geeft toegang tot een elegant gemeubeld appartement. Een Chinees brengt de gasten door een deur achter een gordijn naar een zolder, ingericht in “oosterse stijl”.
Er brandt een kacheltje. Op een tafel staat een elektrische lamp met een rode lampenkap, versierd met paradijsvogels. Twee Chinezen en een blanke matroos liggen op sofa’s, onderhevig aan een opiumroes.
“Ghyssa strekte zich uit op een smalle sofa en schikte de kussens onder zijn hoofd. Ik deed hetzelfde. De Chinees zette een tafeltje bij ons (…). Hij haalde twee pijpen tevoorschijn. Ze hadden een lange steel en een kop, maar half zo groot als een vingerhoed. Met een lange naald viste hij uit een pot op een driepoot twee bruine bolletjes. Hij hield ze bij de vlam van een alcohollamp naast de pot. Vervolgens stopte hij de knisperende bolletjes in de pijpenkopjes en gaf ons elk ons rookinstrument. Ghyssa sloot zijn ogen en bracht de steel naar de mond. Ik volgde zijn voorbeeld.”
Opium…
De rook bezorgt De Poorter een geweldige hoestbui en hij is allesbehalve opgetogen over de vieze smaak van de opium die geen enkel onmiddellijk effect sorteert. De misselijke reporter en zijn Egyptische vriend verlaten de opiumkit.
Een groot café in een straat bij het Falconplein fungeert meer als plaats waar louche deals worden gesloten, dan als drankgelegenheid. De Poorter en Ghyssa ontmoeten er de Duitse cocaïnedealer Fred. Die laatste betrekt zijn waar in Brussel en brengt ze van daar naar Antwerpen, verstopt in de koplampen van zijn auto. Maar een cocaïne waagt De Poorter zich niet.
Naar de hoeren
In een volgend hoofdstuk bezoekt de journalist één van de logementhuizen aan de Schippersstraat. Daar worden zeelui systematisch uitschud en dronken gevoerd, zodat ze minstens één nacht moeten blijven. Terwijl ze hun roes uitslapen, doorzoekt men hun zakken om de naam van hun schip te vinden. Iemand van het logement gaat dan naar de kapitein om bij wijze van voorschot op het loon van de matroos (!) het geld te innen dat hij verschuldigd is voor zijn logies en verbruik…
(foto Het Laatste Nieuws).
Geen wonder dat het logement waar De Poorter neerstrijkt, ook als bordeel fungeert. De uitbaatster heeft een nichtje van zeventien, dat voor driehonderd frank naar boven gaat met ietwat kapitaalkrachtiger klanten. De journalist gaat naar bed met het meisje. Overnachten doet hij in een andere kamer. Hij wordt er opgeschrikt door een Engelsman die zijn bed moet delen en die onbeschaamd op de vloer watert.
In een volgend hoofdstuk vermeldt de journalist terloops de oude, tandenloze (!) hoeren die in de buurt van Steen en Vleeshuis hun klanten oraal bevredigen.
Hij heeft het uiteraard ook over de raamprostitutie. “In de havenbuurt vindt men zowat overal vrouwen die achter een raam op klanten zitten te wachten,” noteert hij. “Ze bewonen een kamer op het gelijkvloers. ’s Avonds steken ze het licht aan, schuiven het gordijn open en stallen zichzelf uit achter hem venster. Bij mooi weer doen ze dat zelfs open, opdat niemand hen over het hoofd zou zien.”
“Vooral aan de Burchtgracht tiert deze soort prostitutie welig. Achter alle ramen aan deze straat zitten vrouwen; de woningen zien er overal min of meer hetzelfde uit. Achterin staat een tweepersoonsbed waarvan de witte gestikte deken uitnodigend is teruggeslagen. In het midden staat een kacheltje met daarop een pot warm water. Voorts ziet men een tafel, twee of drie stoelen en een min of meer aantrekkelijk meisje, wachtend op een logé voor één uur. Ik ken zo’n meisje, dat in haar eentje de economische crisis heeft opgelost: ze is erin gelukt al haar leveranciers, tot zelfs haar huisbaas, in natura te betalen.”
De Burchtgracht, richting Vleeshuis.
Het volk van het Schipperskwartier interesseert Carel De Poorter slechts matig. Toch biedt hij ons even een kijk op het amusement van de buurtbewoners. Dat doet hij in een passage over de “N…-Palace”, een danszaal aan de Schippersstraat, “onbegrijpelijkerwijze getooid met de pompeuze naam van ‘paleis’.”
“Een man met een pet en een wijde trui ontvangt er u aan de deur. Zo beleefd mogelijk, dat wil zeggen zonder u te beledigen, brengt hij u naar een soort kassa, waar u twee frank entree betaalt. De danszaal bereikt men langs een dubbele. Het is een grote, vierhoekige zaal, badend in schel licht en een doordringende stank van mensen. Aan weerszijden loopt een strook van drie meter breed over de hele lengte van de zaal. Hier staan tafels en stoelen; langs de wand zijn banken gemonteerd. Naast de ingang, in een grote nis, staat een verbazend grote tapkast. Vijf of zes mensen zijn erachter in de weer. Dat moet ook, want de clientèle van het paleis houdt evenveel van drinken als van dans, misschien zelfs meer.”
“Tegenover de ingang neemt een enorm wit orchestrion de hele muur in beslag. Het is formidabel groot, gedecoreerd met vergulde cupido’s en met Venussen die zich schijnen af te vragen hoe ze daar terecht zijn gekomen. Er zijn ook nog engelen, wier trompetten een Laatste Oordeel aankondigen waarvan de aanwezigen volstrekt niet wakker liggen.
(foto Gazet van Antwerpen).
“Links achteraan is een podium. Daar zit een jazzkwartet: piano, sax, banjo en drums. De muzikanten, zelfs de dikke banjospeelster, dragen een pet en een trui. Live ensemble en orchestrion wisselen elkaar af. (…)”.
“De clientèle van het havenpaleis is niet afkerig van plezier. Ze bestaat uit aangeschoten matrozen en arbeiders uit de buurt met hun vrouw of vriendin. Jongelui met slechte bedoelingen zitten zonder ophouden achter de meisjes aan. Hun gebaren maken overduidelijk wat ze denken. Het vrouwelijk schoon maakt zich daar overigens niet druk over – integendeel zelfs.”
Een dichter in het Schipperskwartier (ca. 1960)
Van het Schipperskwartier tussen 1957 en 1960 krijgen we een idee dankzij de roman Een hondsdolle tijd (1978) van de vooral als dichter bekende Paul Snoek (Edmond Schietekat, 1933-1981). Hij beschrijft hoe hij van de bushalte bij de kerk voor Noorse zeelui aan de Imalsotunnel door de buurt:
Paul Snoek.
“Om kwart voor acht stopte de bus aan de Norske Sjomanskirke en mijn (…) dasje in een mooie knoop strikkend liep ik de Grote Tunnelplaats over richting Falconplein en wandelde naar Blacky’s bar (…), want alles moest nog beginnen.”
“Het was een prachtige septemberavond. Voor hun huizen op het trottoir zaten dokwerkers en schippers in gestreepte onderhemden van pluizig flanel, tot halverwege de borst trokken brede zware bretellen hun broeken op, zodat hun dikke bierbuiken uitpuilden tussen de gespreide benen. Tot aan de ellebogen waren hun armen gebruind, maar de bovenarmen waren wit en dikwijls versierd met een door onderhuids vet vervormde tatouage uit betere dagen.”
“De dokwerkers droegen kaki petjes van katoenen stof afkomstig uit een Amerikaanse legerstock, de schippers donkerblauwe zeemanskepis. Tussen hun lippen stak een uitgedoofde peuk van een zelfgerolde sigaret en als ze hun mond opendeden om iets te zeggen of om te geeuwen, bleef de peuk aan hun onderlip hangen. Vrouwen leunden tegen de lijst in het deurgat en droegen strak spannende, zwarte satijnen jurken, waaronder men de baleinen van zware korsetten zag uitpuilen. Hun hoofden zaten vol krulspelden, de armen hielden ze boven de zware borsten gekruist en een netwerk van gezwollen donkerblauwe spataders stak fel af tegen de witte, misvormde kuiten. Hier en daar stond een jonge kerel zijn nieuwe scooter op te poetsen onder het bekijks van kinderen in pyjama.”
De Noorse zeemanskerk.
“De geur van opdrogend zeepsop kon de stank uit de riolen niet verdrijven en de muziek die uit de deuren klonk was bijna in elk huis dezelfde en niemand scheen ze te horen.”
“De cafés liepen vol met jonge kerels en hun haar blonk van de brillantine, meisjes, die nog maar pas voor goed de schoolbanken hadden verlaten, stonden in groepjes van drie onvast op hun veel te hoge hakken in hun pettycoats te draaien op het trottoir voor de ingang van de dancings. De zeelui waren nog niet bedronken en drentelden door de smalle straten voorbij de vitrines waarachter oude hoeren zich zaten te schminken of vlug nog een stukje aan het breien waren in het laatste avondlicht dat hun smalle hokje binnensijpelde.”
Bronnen:
FRANCK, L. (ED.). Weerspiegeld Antwerpen. Hoe ’t vroeger was: onze schrijvers over hun stad. Antwerpen, De Sikkel, 1929.
LAMPO, J. Tussen Kaai en Schip, Leuven, Davidsfonds, 2002.
LAMPO, J. Vermaerde Coopstadt. Antwerpen in de Middeleeuwen. Leuven, Davidsfonds, 2000.
LAMPO, J. Zwarte gids voor Antwerpen, Antwerpen, De Dageraad, 1989.
POORTER, Carel de, Les Demi-Grues. La Vie nocture à Anvers. Dans les bas-fonds du port. Reportage vécu. Anvers, Delko, s.d. (1933).
PRIMS, F., Geschiedenis van Antwerpen. Nieuwe uitgave van de oorspronkelijke tekst van 1927-1948, deel IV, Brussel, 1980.
SLEECKX, D. In ’t Schipperskwartier, Brussel, Steenlandt, 1943.
SNOEK, P., Een hondsdolle tijd, Antwerpen; Amsterdam, Manteau, 1978.
THIJS, A. Historiek der Straten en openbare Plaatsen van Antwerpen, anastatische herdruk, Antwerpen, De Vries-Brouwers, 1973.
VANDE WEGHE, R., Geschiedenis der Antwerpse Straatnamen, Antwerpen, Mercurius, 1977.
De Weerdts gedichten staan op zichzelf, in die zin dat men ze ook gewoon kan lezen – ze verschijnen zonder muziek inkranten en weekbladen en worden zelfs zo gebundeld (10 deeltjes). Toch zijn ze (vooral) bedoeld om te zingen. De Weerdt schrijft teksten op bestaande melodieën; andere worden door onder meer Alfons Janssens (1836-1915) van eenoriginele partituur voorzien.
Zijn enorme productiviteit ten spijt, komt Dré De Weerdt niet voor in de literatuurgeschiedenis. Daarvoor is zijn werk te volks en te zeer aan de actualiteit gebonden. Dit belet echter niet dat de protestzanger – politiek is één van zijn passies – meesterlijk overweg kan methet Antwerps van zijn tijd, en met rijm en ritme.
De dichter wordt op 6 december 1828 geboren in de slecht befaamde Lepelstraat, vlakbij de Citadel. Daar zijn sinds de 17deeeuw talrijke van bordelen (cfr. Trijntje Cornelis van Constantijn Huygens). In het Ancien Régime verzorgen nonnen er zieken en vestigt men er een ziekenhuis en een begraafplaats voor protestanten. Als we Edward Poffé’s kroniek Vader Vertelt mogen geloven, wonen in de Lepelstraat in het begin van de 19de eeuw veel joden. Dat zij letterlijk aan de rand van de stad zijn neergestreken, heeft uiteraard alles met discriminatie te maken.
Vader De Weerdt is zeilmaker. Dré’s ouders vrouwen pas wanneer hij drie is. Van zijn achtste tot zijn dertiende bezoekt de toekomstige dichter een stadsschool. Na de dood van zijn vader in 1840 gaat hij aan de slag, eerst in de zeilmakerij, vervolgens als leidekker.
Op zijn zestiende monstert De Weerdt aan als matroos op het douaneschip dat in de Antwerpse haven kruist. Hij leert Frans, de taal waarin hij naar eigen zeggen zijn eerste liedtekst zal schrijven. Onder invloed van “Van Ryswyck Theodoor / de kloeke Vlaming en Sinjoor” publiceert De Weerdt vanaf 1849 echter alleen nog in het Nederlands.
Het Willemdok.
Zijn Vlaamse “debuut” draagt de titel Californie en illustreert de grote weerklank van de eerste goudvondst (1848) aldaar. De dichter refereert tegelijk aan de ellende in Vlaanderen, waar een schrijnende economische crisis heerst. De vlasindrustrie legt het af tegen de buitenlandse concurrentie. Vooral in 1846-47 heerst hongersnood, mede door de aardappelziekte. Een en ander resulteert in de emigratie van nogal wat Vlamingen naar het verre “Goudland”.
In tegenstelling tot Conscience, wiens populaire roman Het Goudland (1862) juist rechtstreeks en expliciet tégen de emigratie pleit, raadt De Weerdt de Vlaming zogezegd wél aan om naar Californië te gaan. Hij doet dat echter op ironische wijze, om zijn anklacht tegen materiële en culturele ellende in het eigen land te versterken.
De dichter is eerst liberaal, maar neigt in de loop der jaren steeds meer naar wat hij zelf de “jap” (Antwerpse term voor de katholieken) noemt. Tenslotte sympathiseert hij met de antimilitaristische, Vlaamsgezinde Meetingpartij. Flamingant blijft hij voor het leven. Franskiljonisme en het franskiljonse stadsbestuur zijn bijgevolg zijn bêtes noires en leveren hem het onderwerp voor tientallen scherpe teksten.
Goudkoorts in Calfornië.
De Weerdt brengt die soms zelf, maar de meeste schrijft hij voor zijn vriend Karel Goedemé, bijgenaamd De Scheve (1843-1928), die een café-chantant heeft aan de Visberg, bij de Werf. Ook andere “kluchtzangers” nemen De Weerdts werk op in hun repertoire. Het kan niet anders, of de thans vergeten volksdichter draagt op die manier veel bij tot de verspreiding van de Vlaamse gedachte.
De kleinburger De Weerdt bekritiseert niet alleen het bestuur van zijn vaderstad. Hij steekt ook de draak met de mode, de prostitutie, koffiekletsende huisvrouwen, het spiritisme, de veranderingen in het stadsbeeld, het drankmisbruik, de Franse keizer Napoleon III en zelfs met diens felle tegenstander Victor Hugo.
Het feit dat men in de Wereldtentoonstelling van 1885 moet betalen om naar het toilet te gaan, brengt hem buiten zichzelf van verontwaardiging. In De grootste strooperij der wereld (15 juli 1885) beschrijft de dichter een bezoek dat hij met zijn vrouw en dochters aan de expo brengt. De lezer verneemt:
“Daar kreeg mijn vrouw in eens de kuur, / (…) Om ook de reis eens t’ ondernemen / (…) in ’t kabinet / Dat is gezet pour la toilette / (…) Ik liet heur doen wat zij begeerde / (…) En ‘k wachtte maar op mijn Paulien / Daar aan de deur / En par bonheur / Mijn dochters ook, die bleven veur / Het poortje staan, / Als z’ hadt gedaan / Mijn vrouw riep gauw: Niet binnen gaan! / Een kwaartje frank moest ik daar geven / Is dat nu toch niet scandaleus!”
“Roept dat geen wraak! Als g’ hebt gedronken / Een pintje melk of twee of dry / En als het dan wat is gezonken, / Dat ge dan nog betaald daarby / Zooveel verdost (1) / als ’t heeft gekost / Op dat ge’r weer zijt van verlost.”
De Weerdt geeft blijk van een typisch stedelijke humor. Hij is zeer kritisch en staat sceptisch tegenover de heersende vooruitgangsideologie. Naarmate hij ouder wordt, krijgen zijn verzuchtingen een ronduit conservatief karakter. Toch blijft hij een even aandachtig chroniqueur van het stadsleven. De sloop van de Spaanse wallen, de rectificatie van de Scheldekaaien en de aanleg van de Nationalestraat inspireren hem tot tientallen strofen.
Wie zijn verouderd Nederlands voor lief neemt en een beetje op de hoogte is van Antwerpse toestanden in de 19de eeuw, beleeft aan de liederen van De Weerdt even veel plezier als aan een album vol sepiakleurige foto’s uit dezelfde tijd. Andreas De Weerdt sterft in 1893 in zijn huis aan de Sint-Jobstraat in de Vijfde Wijk. De man die in de inleiding tot zijn eerste bundel Vlaemsche liedjes (1857) heeft geschreven “Wilt het my, och Heer! Vergeven, / Zoo er soms een enkel lied / Naer uw goesting slecht uitziet, / Wees zoo goed, verwyt my niet / Dat ik ook wil dichter heeten”, wordt onder massale belangstelling ter aarde besteld op de begraafplaats van Deurne.
Nader onderzoek is nog nodig, maar een aanzienlijk deel van De Weerdts handschriften in het Letterenhuis is destijds niet in druk verschenen – althans niet in boekvorm.
(De burggraaf van Valmont aan de markiezin van Merteuil)
Antwerpen, 19 mei 1777
Chère Marquise,
Ik las met belangstelling uw brief over de symfonie van de Oostenrijker Mozart waarmee men op Corpus Christi-dag het Concert Spirituel opende in de Tuilerieën. Uw voornemen klavierles bij hem te nemen, stemt mij wat wrevelig. (Soms is mijn eigenliefde groter dan mijn zekerheid dat u niet een van de vrouwen bent die zich afgeven met het personeel.)
Wist u dat ik de fameuze sieur Mozart ooit zelf aan het werk zag, en wel uitgerekend hier in Antwerpen? U denkt vast dat men goede redenen moet hebben om de Zuidelijke Nederlanden te bereizen. Welnu, mijn oudoom, generaal de Rosemonde, nam in 1745 deel aan de veldtocht van koning Lodewijk XV tegen de Oostenrijkers. Zijn regiment werd in Antwerpen gelegerd.
Monsieur de Rosemonde was weduwnaar en ontstak in liefde voor de dochter van een recentelijk geadeld financier. Monsieur de Rosemonde was niet rijk, maar een Jehan de Rosemonde streed met Godfried van Bouillon in het Heilig Land; dat gaf voor de familie van zijn bien-aimée de doorslag.
Het huwelijk van Monsieur de Rosemonde te was van korte duur. Drie maanden na de inzegening – een detail dat niemand ontging – beviel zijn vrouw van een dochter en stierf. Omstreeks dezelfde tijd overleden ook haar beide ouders aan wat men hier de ‘zwetende ziekte’ noemt. Het gevolg was een bijzonder ingewikkelde betwisting tussen Monsieur de Rosemonde en de broers en zusters van zijn vrouw zaliger over de erfenis.
Weldra sloot men de vrede van Aken; mijn oudoom keerde naar Frankrijk terug. Hij hertrouwde met de Madame de Rosemonde die u kent. Toen hij enkele jaren later van zijn paard viel, was het proces met de familie Du B. nog steeds hangende. Omdat het over aanzienlijke bezittingen ging – dertien Brabantse dorpen waar de Du B.’s het recht hadden hun eigen boeren op te hangen – reisde mijn oudtante in 1765 met mij, haar pupil, naar Antwerpen. Ik was twaalf, maar zag er iets ouder uit.
Wij trokken naar Gent, waar Madame de Rosemonde een ver familielid bezocht, en dan naar Antwerpen. Toen we op 6 september het Vlaams Hoofd bereikten, waar het veer over de Schelde aanlegt, stond daar één ander rijtuig. Mijn tante gaf de koetsier opdracht ernaast te stoppen.
In de koets zaten twee kinderen – een jongen van tien en een meisje van dertien of veertien – en een zorgelijke heer die er uitzag als hun huisleraar. De kinderen wezen elkaar de torens van de stad aan.
Achteraf vernam ik dat ze Duits spraken, maar aanvankelijk klonk het mij niet anders in de oren dan het patois van de Vlamingen. Ik vreesde dat ik, zelfs indien ik het durfde, nooit met het meisje zou kunnen praten.De heer stelde zich aan ons voor als Monsieur Mozart uit Salzburg. Hij hield ons voor Antwerpenaars en informeerde naar de logiesmogelijkheden in de stad. Madame de Rosemonde deed hem zijn vergissing inzien, maar voegde eraan toe dat men haar de herberg De Beer had aanbevolen.
Ook de kinderen waren uit de reis wagen geklommen. Het mollige jongetje hield zich op de achtergrond; het meisje maakte voor Madame de Rosemonde – en mij! – haar mooiste revérence.
Tijdens de overtocht onderhield de heer Mozart ons over zijn ervaringen in de herbergen van dit land: ‘Men zit er op zijn Hollands in strozetels rond de haard, waarboven een ketel hangt aan een lange ketting. In die ketel koken vlees, rapen en allerhande andere ingrediënten. Aan een tafeltje krijgt men uit die vervaarlijke ketel soep en vlees. De deuren van het etablissement staan open, zodat men de eer geniet varkens op bezoek te krijgen die om de tafel lopen te knorren. Maar het ergste is nog dat de plaatselijke bevolking het zich niet anders kan voorstellen. Alsof het om een Hollands stilleven ging!’
Monsieur Mozart voegde eraan toe dat hij en zijn kinderen uit Londen kwamen en op doorreis waren naar Den Haag. Hoe jong ook, ik begreep dat de uitleg maar één doel had: mijn tante de vraag ontlokken wat het doel van de onderneming was. Monsieur Mozart had zich de moeite kunnen besparen, want mijnanders vergeetachtige tante – zelfs toen was ze niet jong meer – vroeg of de kleine Wolfgang niet het wonderkind was dat twee jaar geleden in Versailles had opgetreden en over wie toen veel te doen was in de Parijse salons.
Het jongetje kromp in elkaar; de welbespraaktheid van zijn vader verdubbelde. Ik verheugde mij intussen in een knipoog van de lieflijke Marie-Anne, die door Monsieur Mozart met Nannerl werd aangesproken.
De Beer bevindt zich bij de Beurs. Daar deden de Antwerpse kooplui taken vóór Farnese in 1585 de stad heroverde. Sindsdien ligt de binnenplaats er verlaten bij. De Beer is een grote herberg die als postrelais fungeert.
Madame de Rosemonde betrok met veel gedruis een vertrek op de ‘eerste verdieping. De ramen keken uit over de Place de Meir, eerder een brede straat dan een plein. Zodra ze geïnstalleerd was, liet ze een knecht van de herberg haar advocaten een briefje bezorgen. Ik kreeg het kleine vertrek naast het hare. De Mozarts logeerden achteraan.
Die avond raakte ik moeilijk in slaap. Wat ik voelde, was ongetwijfeld liefde, een onbestemde, maar hevige vorm van désir die mij – omdat het verlangen genoeg had aan zichzelf – volmaakt gelukkig stemde. Ik verlangde er hevig naar Nannerl te zien. Toch construeerde ik dromen waarin we elkaar goed kenden, maar ruziemaakten, zodat zij in tranen van mij wegliep; de imaginaire smart die ik daarbij voelde, liet me intenser genieten van het gemis dat haar afwezigheid bij mij veroorzaakte.
Meer kan ik hier niet over zeggen: op de duur blijft van onze herinneringen weinig méér over dan de woorden die wij bij onszelf of tegen anderen herhalen – hoewel mijn bankier, de jood Isaac Proust, beweert dat de smaak van een koekje bij hem ooit talrijke en bovendien haarscherpe herinneringen opwekte aan zijn prilste jeugd.
De volgende ochtend liet Madame de Rosemonde mij vroeg wekken. We ontbeten samen en wachtten op de advocaten. Monsieur Mozart verscheen. Ik voelde teleurstelling én opluchting, toen ik merkte dat noch Wolfgang noch Nannerl achter hem de trap afkwamen. Hij informeerde bij Gevers, de herbergier, naar de bezienswaardigheden van de stad. Dat bracht mijn oudtante op het idee te vragen of de Mozarts mij niet wilden meenemen, zodat ze zich zélf niet om mij hoefde te bekreunen. Monsieur Mozart stemde volgaarne toe.
Eerst richtten wij onze schreden naar de sombere Onze-Lieve-Vrouwekerk, naar verluidt de grootste van de Nederlanden. Monsieur Mozart kwam er zeer onder de indruk van Rubens’ Kruisafneming. Hij stak een lang betoog over het schilderij af, dat Nannerl zichtbaar verveelde (enkele dagen geleden zag ik het opnieuw, en constateerde dat het inderdaad een meesterwerk is, superieur aan de grandes machines die de schilder voor koningin Marie de Médicis konterfeitte). Haar broer had alleen oog voor het orgel.
We kregen het gezelschap van Monsieur van den Bosch, de organist. Ik vermoed dat Monsieur Mozart een knecht vooruitgestuurd had om hem op de hoogte te brengen van onze komst. De twee mannen onderhielden elkaar over muziek.
Monsieur van den Bosch had de mond vol over de Hollander De Fesch, die zangmeester van de kerk was geweest, maar opstapte na een ruzie met het kapittel. Zijn opvolger was ene Joseph Hector Fiocco, die men in Antwerpen roemt als de componist van een mooie Sinte-Ceciliamis.
Monsieur van den Bosch was een pompeus, breedsprakerig heerschap, en als zodanig een typische Antwerpenaar. De meeste bewoners van deze stad spreken Vlaams; enkel adel en hoge burgerij beheersen het Frans, hoewel ze het blijkbaar zelden bezigen. Hun uitspraak laat veel te wensen over en ze raken de nasale klank van hun eigen taalt je niet kwijt.
(Hun fysiek is meestal in overeenstemming met de volksaard: dikke buiken en dito derrières domineren het straatbeeld. Rubens hoefde de modellen voor zijn peervormige nimfen met hun plompe onderlijven en kleine boezems niet ver te zoeken.)
Toen de naam Fiocco viel, begon Nannerl onbedaarlijk te giechelen. Zelfs u, chère Marquise, had daar ooit last van, stel ik mij voor. Opdat haar vader niets zou merken, hield ze haar hand voor haar mond.
Monsieur van den Bosch beschreef de drie koren van de kathedraal’ die elk hun eigen orkest hadden. “Men kan de muzikale omlijsting van de erediensten enige grandeur niet ontzeggen,” merkte hij tevreden op. “Sommige musici verdelen hun tijd over verscheidene kerken; andere verkiezen naast hun gewone taak een profaan ensemble.”
De kleine Mozart had genoeg van de conversatie. Op een toon die geen tegenspraak duldde, zei hij: “Met uw goedvinden, speel ik nu op uw orgel.”
Zijn vader probeerde hem met een boze blik het zwijgen op te leggen, maar het j och liep al naar de deur die toegang gaf tot de trap naar het doksaal. Van den Bosch volgde op een sukkeldrafje.
Toen wij op onze beurt bovenkwamen, zat Wolfgang al op de plaats van de organist. Die bediende de pedalen die de blaasbalgen in beweging brachten. Wolfgang wreef in zijn dikke handjes en begon.
Hij speelde met uitzonderlijk gemak, al besefte ik op dat ogen- blik niet hoe verrassend dat was voor een kind van zijn leeftijd. Jaren-nadien herkende ik in uw salon, chère Marquise, de melodie. De kleine organist speelde variaties op de aria Amants, c’ est être téméraire de ne l’être pas assez uit de cantate Diane et Actéon van Monsieur Bodin de Boismortier. Daarna speelde hij van het blad een partituur die Monsieur van den Bosch – letterlijk – uit zijn mouw had getoverd.
Terwijl we luisterden, deed Nannerl- of was ik het zelf? – een stap opzij. De ruggen van onze handen raakten elkaar; ik durfde niet te bewegen. Toen strengelde ze haar vingers door de mijne.
Ze wierp een angstige blik naar haar vader, maar die stond met zijn rug naar ons toe. Even duizelde ik van geluk, maar toen werd ik bevangen door hevige paniek. Want wat gebeurde er nu?
Heel eenvoudig: Nannerls broer beëindigde het stuk en wij applaudisseerden. Stilletjes, want we waren tenslotte in een kerk. Wolfgang had zijn succesje behaald; hij werd weer een voorbeeldig jongetje en week niet meer van onze zijde.
Van de kathedraal liepen we terug richting De Beer, maar in plaats van er binnen te gaan, zetten we koers naar de Beurs. Op de eerste verdieping, aan de kant van de Place de Meir, bevindt zich de bescheiden concertzaal van het gilde der speellieden, dat al sedert 1718 een eigen concertvereniging heeft. Sinds mijn bezoek met de Mozarts nam men nog een tweede vertrek – oorspronkelijk van de Oost- en West-Indische Compagnie – als concertruimte in gebruik.
Monsieur Mozart informeerde bij de deken van het gilde welke voorwaarden de speellieden stelden om Nannerl en haar broer te begeleiden. Wolfgang kreeg het klavecimbel in de gaten en probeerde een paar toetsen. Meteen kon hij op de onverdeelde aandacht van zijn vader en van de deken rekenen.
“Parfois, je le hais,” siste Nannerl in mijn oor, zonder te preciseren of ze Monsieur Mozart dan wel Wolfgang bedoelde. “Et la musique aussi.”
Het was de eerste keer dat ze zich rechtstreeks tot mij richtte; ik was te verbouwereerd om te antwoorden. Hoewel ik vurig het tegendeel wenste, maakten Monsieur Mozart en de deken geen afspraak. Nannerls vader bleef bij zijn besluit om door te reizen naar de Republiek. Daarna pas traden de kinderen misschien in Antwerpen op. Ik hoef u niet te vertellen hoezeer mij dat verdroot. Gelukkig pakte Nannerl opnieuw mijn hand.
We namen een kijkje in het vertrek dat als schouwburg dienstdeed. Hoewel men het sindsdien verfraaide, kan het de vergelijking met onze theaters niet doorstaan. De deken vertelde dat er vooral amateurs uit de burgerij optraden. De belangrijkste voorstellingen vonden – en vinden – plaats in het Grand Théatre op het einde van de Huidevettersstraat.
Ik weet niet waarom Monsieur Mozart daar achteraf niet naartoe ging, want het is een voortreffelijk ingerichte schouwburg, al belooft de buitenkant weinig goeds. Omdat het oorspronkelijk door de tapijtverkopers werd gebruikt, noemt men het gebouw het Tapissierspand. De zaal is de grootste van de Oostenrijkse Nederlanden en biedt plaats aan vijfhonderd zestig toeschouwers. Een winkelhuis naast de ingang fungeert als Café du Spectacle.
De schouwburg wordt bestuurd door de aalmoezeniers, die men kiest onder de rijkste inwoners van de stad. Ze staan in voor de stedelijke armenzorg, die ze gedeeltelijk financieren met de opbrengst van de voorstellingen. Buitenlandse gezelschappen brengen hier opera’s van de onsterfelijke Lully, van Pergolesi en van Monsieur Grétry, die – zoals u weet – uit Luik afkomstig is. Men spreekt thans zelfs van de Orphée et Eurydice van de nieuwlichter Gluck.
Daarnaast houdt men er sedert een goede vijftig jaar openbare concerten met instrumentale muziek en natuurlijk ook bals. De schouwburg heeft zijn eigen orkest, maar de meeste dirigenten en solisten die er optreden, zijn Italianen of Fransen. Wat het theater betreft, Marivaux, Molière noch Voltaire zijn hier onbekend.
Tenslotte troonde de deken van de speellieden ons mee naar de academie van de schilders, eveneens in de Beurs. Daarna keerden we terug naar De Beer. Mijn tante ontfermde zich over mij; Nannerl verdween in het voetspoor van de mannelijke Mozarts.
De volgende morgen – het beloofde een warme dag te worden – maakte Nannerl zich van bij ons vertrerk meester van mijn hand. Zelf had ik nooit het initiatief durven nemen. We wandelden naar de kerk van de dominicanen. Vandaar begaven we ons naar de Sint-jacob, de rijkste parochiekerk van de stad, om het graf van Rubens te zien. Monsieur Mozart besteedde een halfuur aan het altaarstuk en de familieportretten, geschilderd door de meester zelf.
De Antwerpse kerken hebben weelderige interieurs met altaren in de Italiaanse stijl van de vorige eeuw. De altaarstukken en andere schilderijen zijn meestal van uitmuntende schilders. Ook de zijkapellen puilen uit van de kunstwerken. Kortom, zij weerspiegelen de rijkdom en de devotie der parochianen.
Monsieur Mozart was over dat alles verrukt; aan mijn herinneringen te oordelen, besteedden wij, kinderen, er niet veel aandacht aan. Achteraf erken ik dat men van vele Brabantse kunstenaars het meesterschap dient te erkennen; maar de weinig oordeelkundige manier waarop men hun werken in kerken én in particuliere woningen op elkaar stapelt, getuigt meer van pronkzucht dan van goede smaak. Dat stemt mij bijwijlen somber, net als de kritiekloze devotie van het volk. De clerus is hier oppermachtig; bovendien ontbreekt het de plaatselijke abbés aan iedere vorm van esprit.
U kent mijn hebbelijkheid die erin bestaat om tussen het ogenblik dat men mij een vertrek binnenleidt, en het verschijnen van de gastheer, een blik in zijn boekenkast te werpen. Dat leerde mij de voorbije weken dat Antwerpen niet veel verlichte geesten telt. Natuurlijk hebben nogal wat edelen en rijke burgers Montesquieu, Rousseau en Voltaire in hun bibliotheek; sommigen bezitten de Encyclopédie. Naar verluidt bestelt zelfs bisschop De Nélis geregeld werk van onze vriend uit Ferney. Maar ik vermoed dat hij het enkel doet om diens stellingen met meer gezag te ontzenuwen.
De Antwerpenaar houdt vooral van nuttige lectuur; voor romans voelt hij weinig. De enige die ze kennen, is de Emile van Rousseau, meer opvoedkundig traktaat dan roman (wat een geluk dat wij, adorable Amie, beter weten dan wat de brave man neerschreef over ’s mensen ingeboren goedheid!). De honderd drukkers en boekhandelaars in deze stad doen goede zaken. Maar de interessante titels in hun aanbod zijn ingevoerd. Hun eigen productie beperkt zich tot religieuze werkjes en gelegenheidsdrukken. De belangrijkste firma is die van Monsieur Moretus, de opvolger van de grote Plantin. Tot voor kort bezat zijn familie het monopolie van de export van liturgische boeken naar Spanje en zijn kolonies.
De kerk die mij reeds bij mijn eerste bezoek aan de stad het meest beviel, is die van de jezuïeten, thans gewijd aan de Heilige Carolus Borromeus. Men bouwde ze in onvervalst Italiaanse stijl; zij heeft grote ramen die het interieur doen baden in helder licht.
Bij de karmelieten aan de Place de Meir bewonderden wij een Drievuldigheid van Rubens en een zilveren beeld van Onze-Lieve-Vrouw. Nannerl had vooral belangstelling voor een reeks marmeren bas-reliëfs die de rede, de toren van de kathedraal, die van de jezuïetenkerk, het stadhuis en een veldslag voorstellen. Ik vermoed dat ik haar geestdrift deelde. Tot ze volkomen onverwacht mijn hand losliet en de hare uitvoerig afveegde aan haar rok.
“Vous avez les mains bien moites,” zei ze. Vervolgens draaide ze zich om en liep vóór mij de kerk uit. Mijn hoofd was leeg, ik wachtte. Dan kwam het over me, onontkoombaar, massief enonbepaald. Vernedering, woede of teleurstelling? Later leerde ik dat het al die woorden samen was, en dat een mens het zich maar twee keer hoeft te laten welgevallen om er voortaan tegen gewapend te zijn.
Ik zag Nannerl niet terug. ’s Anderendaags vertrokken de Mo- zarts naar de Republiek. Hun eigen reiswagen bleef in De Beer; ze namen de postkoets naar Moerdijk. Madame de Rosemonde en ikzelf waren getuige van hun vertrek. Nannerl riep Wolfgang een laatste keer tot de orde, en liet hem eerst in de koets stappen. Vervolgens gaf ze hem een rieten mand met eten; dan zette ze op haar beurt een voet op de treeplank.
Toen ze verdween, kneep Monsieur Mozart – hij had zich het voorbije kwartier tegen Madame de Rosemonde uitgeput in beleefdheden – in mijn wang en volgde haar voorbeeld. Tenslotte reed de koets de Place de Meir op, sloeg linksaf en verdween uit de werkelijkheid.
Zo, divine Marquise, eindigde mijn eerste liaison. De potsierlijke confrontaties van Madame de Rosemonde met de plaatselijke rechtspraak onthoud ik u. Het moge volstaan dat de dossiers eens te meer onderaan de stapel kwamen te liggen – in dit land is men daar naar het schijnt erg goed in – en dat wij onverrichter zake moesten afreizen. Het is nog steeds dezelfde zaak die mij nu, meer dan tien jaar later, en dit keer als procuratiehouder van mijn hoogbejaarde tante, weer naar Antwerpen brengt.
Gelukkig belooft dit verblijf lonend te worden. Onze advocaten zijn optimistisch over een aanstaande uitspraak, en in de salons van Madame de Proli – haar man is de belangrijkste bankier van de stad – ontmoette ik de allercharmantste Mademoiselle van Ertborn, die momenteel het leeuwendeel van mijn aandacht opeist.
Enkele dagen geleden was ik met haar en andere personen te gast bij de chevalier Schilders in zijn kasteel in Hemiksem, enkele mijlen ten zuiden van de stad. In de loop van de dag moest onze gastheer de schepenen van het dorp zien; Mademoiselle van Ertborn ging met de andere aanwezige spelevaren op de vijver.
Omdat ik hevig verkouden was, besloot ik binnen te blijven. Uit verveling doorbladerde ik de ingebonden jaargangen van de Gazette van Antwerpen in de bibliotheek. Alsof uw brief over het concert van Mozart, die ik dezelfde avond vond, zich hierdoor liet aankondigen, viel mijn oog op de volgende advertentie.
Zij verscheen een half jaar na Nannerls vertrek naar Holland.
“Mr. Mozart aura l’honneur de donner Mercredi 30 Avril à la salle du Concert de la Bourse grand Concert, dans lequel son Fils agé de 9 ans & sa Fille àgée de quatorze, joueront les différentes pièces sur le Clavecin. Toutes les Symphonies seront de la Composition de ce petit Compositeur qui a fait l’admiration de la Cour de Vienne, de Versailles, de Londres & de la Haye; ils joueront ensemble sur deux Clavecins et aussi sur un Clavecin à quatre mains. Le Prix est de quatre Eschelins; on commencera à six heures.”
Bij het middagmaal ondervroeg ik de overige gasten; verscheidene aanwezigen hadden een levendige belangstelling voor muziek, waren oud genoeg om het concert te hebben bijgewoond en wisten dat Mozart de naam is van een gerenommeerd klaviervirtuoos. Maar niemand herinnerde zich dat de beroemdheid in Antwerpen optrad. Ik leid daaruit af dat het concert niet plaatsvond; naar het waarom kan ik slechts gissen.
Even, Marquise, scheen het mij toe dat verlies een intenser ervaring is dan bezit – al was het maar omdat zij ruimte geeft aan de verbeelding. Maar als dat zo is, geldt het natuurlijk ook voor het verlangen dat aan bezit voorafgaat. En dan is het ons lot om voortdurend achter een teleurstelling aan te lopen. Is het dát wat ons onderscheidt van de Mozarts dezer wereld, voor wie er geen verschil bestaat tussen datgene waarnaar zij verlangen – de ordening van de klanken in hun hoofden hun begeerte?
Intussen, belle Amie, valt de avond. Het is de hoogste tijd voor mijn toilet. Vanavond ontvangt Madame Geelhand in haar hotel naast het huis waarvan men zegt dat Rubens er woonde. Mademoiselle van Ertborn vroeg mij haar te begeleiden. Men verwacht uit Brussel de jonge advocaat Verlooy, een volgeling van Monsieur Voltaire, die naar men zegt interessante ideeën heeft over de Vlaamse taal. Alles is goed om in Antwerpen de verveling te verdrijven. Breng mij spoedig op de hoogte van uw vorderingen op het klavier.
Valmont
Dit verhaal verscheen in De Standaard van 19 februari 1991. Nadien werd het herdrukt in de bundels Vereerde Meester (DNB/Pelckmans, Kapellen, 1991) en Blauwe Duivels en enige andere verhalen (Leuven, Davidsfonds, 2000)
Aan Mijnheer Georges Eekhoud
Letterkundige
Vooruitgangsstraat 85
Schaarbeek
Waarde Eekhoud,
Gij betreurt, zegt gij, dat gij het Vlaams onvoldoende machtig zijt om het te schrijven, maar van mij, ‘de grondlegger van de Vlaamse letterkunde’ zoals gij mij noemt (waarvoor mijn oprechte dank), wilt gij een Vlaamse brief. Ik kom met plezier aan uw wens tegemoet. Hedenochtend ontving ik het schrijven waarin gij informeert of gij mij vragen moogt komen stellen, die gij achteraf samen met de antwoorden wilt laten verschijnen in uw courant L’Etoile belge – een interview, zoals de Engelsen dat noemen.
Hendrik Conscience.
Ik beken dat het denkbeeld mij wat verontrust: het is de eerste keer dat men mij iets dergelijks voorstelt. Maar bij onze kennismaking zijt gij mij zeer bevallen en ik hoor niets dan goeds van u, al zijn er lieden die vragen: ‘Georges Eekhoud, is dat geen aanhanger van het Naturalismus?’ (zelf kon ik dat uit uw gedichten niet afleiden).
Ik houd Emile Zola voor een groot schrijver, doch gij weet hoe weinig mijn werk met het zijne of met dat van zijn aanhangers heeft uit te staan. Maar reven ons à nos moutons, om een uitdrukking te gebruiken die u blijkbaar na aan het hart ligt. Mijn antwoord op uw vraag is een volmondig ‘ja’. Ook de dag die gij voorstelt, woensdag 12 juli, schikt mij – een oude man heeft weinig om handen. Dat geldt zeker voor de conservator van het Musée Wiertz.
De jonge Georges Eekhoud.
Mijn oudste dochter is getrouwd met Gentil Antheunis, de componist; mijn andere kinderen zijn dood. Mijn vrouwen ik leiden een teruggetrokken leven. Iedere morgen opent de suppoost Job de deuren van het atelier, waar Wiertz’ krankzinnige doeken hangen. Engelsen, maar ook Hollanders komen er zich vergapen aan De homerische strijd, De menselijke macht kent geen grenzen en ander werk waarmee de schilder Michelangelo en Rubens naar de kroon dacht te steken – het staat letterlijk in zijn brieven.
Kent gij de schilderijen van Wiertz? Ik zal ze u laten zien. Ze hebben kwaliteiten, maar de Grootheidswaan van hun maker drukt mij terneer. Wiertz’ werk is ziek, als men dat van schilderijen zeggen kan.
Iedere dag word ik in de late namiddag door weemoed bezocht. Dat gebeurt sinds ik een kind was. Het gaat gepaard met een verhoogde ontvankelijkheid voor indrukken. Van zodra de stemming aanbreekt, blijf ik weg uit het museum – al reken ik het ook dán tot mijn plicht om voorname bezoekers zelf te woord te staan: ik doe het in mijn werkkamer of bij mooi weer in de tuin.
Het Wiertzmuseum. Woning van de schilder (en later van de conservator).
Wiertz had weinig geld, maar wilde monumentale doeken schilderen voor stations en andere openbare gebouwen, kwestie van zoveel mogelijk toeschouwers te stichten. Om de kosten te drukken, bedacht hij zijn zogeheten peinture mate, verf die hij zelf bereidde en waarmee hij niet op doek, maar op jute schilderde.
Het gevolg is dat sommige schilderijen, zestien jaar na zijn dood, volop aan het verbleken zijn. Contouren vervagen, gezichten worden vlekken – de trekken verdwijnen, als zat men in een boot en sloeg men vol afgrijzen gade hoe een vriend die in het water is gevallen, zonder dat men daadwerkelijke hulp kan bieden, verdrinkt en naar de bodem van de vijver zinkt. Zegt het fenomeen bovendien niet alles over roem, over wat ons werk te wachten staat – daarom niet vlak nadat wij ons hoofd te rus te hebben gelegd, maar hoe dan ook: ooit?
Wiertzmuseum.
Gij zijt jong, hoor ik u protesteren, gij moet nog schrijven en gij zult roem verwerven; wat ik zeg, blijft voor u een dode letter. Ik begrijp dat, en zal er u niet langer mee vervelen. Of toch? Gij wilt weten wat mij bezielt, en ik heb beloofd dat ik het u zou vertellen, niet?
Gezeten aan deze tafel, terwijl ik deze woorden schrijf, voel ik de behoefte om zaken uit te spreken die ik voordien niet wilde of kon zeggen. Speelt mijn zwakke gezondheid mij parten? Sinds maanden verhindert ze mij aan een boek te beginnen, als riep mijn lichaam mij toe: de honderd delen die gij geschreven hebt en waarvoor gij onlangs zijt gevierd, volstaan; thans moogt gij rusten! Maar ik word alleen rusteloosheid gewaar: angst dat ik, voor het doek valt, niet alles zal hebben geschreven wat er door mij te schrijven was – of dat hetgeen ik schreef, verbleekt.
Wij zijn meer dan zenuwen en spieren, meer dan de erfgenamen van de zonden onzer ouders. In tegenstelling tot Zola, die zonder terughoudendheid de dierlijke driften zijner boeren en werklieden schildert, voerde ik slechts nederige lieden ten tonele: de Vlamingen die ik in dorpen en steden van dit land leerde kennen. De meisjes in mijn verhalen zijn zediger, de jongemannen zachter dan in het ware leven; mijn historische figuren zijn nobeler of snoder dan Job die – zijn bijbelse naam ten spijt – iedere dag de deuren opent en ’s avonds, wanneer hij ze heeft gesloten, samen met mij een jenever drinkt.
Wiertzmuseum, de tuin.
Is dat niet onze schrijversplicht: de lezer voorbeelden voor ogen houden, een houvast geven? (Wat men er echter ook van zegt, de Vlaming is volgzaam en vroom, en ooit, toen de wereld vijf of zes eeuwen jonger was, heldhaftig.) En vertelt de schrijver minder de wereld dan de strevingen van zijn eigen hart? Kortom, mij dunkt, ik was altijd eerlijk.
Toch bekruipt mij, bij het herlezen van mijn werk, de indruk dat ik heb gefaald, dat ik niet genoeg naar het wezen van de mens heb gepeild – een pogen dat men Zola, zijn krachtpatserijen en zijn somber geloof in de nachtzijde van het bestaan, niet kan ontzeggen. Of is dit wartaal van een grijsaard, ontredderd omdat hij een nieuwe generatie aan het werk ziet die nog niet heeft verleerd de hemel te bestormen?
Dingen die ik niet kon of wilde zeggen, schreef ik zo-even – maar welke, wist ik niet. Dat is de paradox van ons ambacht: al schrijvend achterhalen wij wat wij bedoelen. Plots heb ik een vermoeden van de oorzaak van mijn gebrekkige greep op ’s mensen natuur – een zwakheid die de meeste Vlaamse schrijvers overigens met mij delen.
Gij hebt, meen ik, aan den lijve ondervonden hoe moeilijk het is om in dit land iets te bereiken. Talent, ideeën – ze zijn niets, minder dan niets – tenzij degene die ze heeft, op de bescherming van invloedrijke personen kan rekenen. Ik had het grote geluk dat de jonge schilders met wie ik omging, mij voorstelden aan Gustave Wappers. Hij gaf sinds enkele jaren les aan de Antwerpse Academie.
Gustaf Wappers.
Wappers’ vader, een handelaar, was failliet gegaan, maar zijn zoon hield aan de verzwonden rijkdom van de familie vrienden over die hem steunden. Zelf bezat hij de omgangsvormen en de denkwijze die het voor iemand uit de burgerij, ook als hij geen geld heeft, gemakkelijker maken om vooruit te komen dan voor een man uit het volk. Bovendien wás Wappers een bekwaam schilder: zijn werk bewijst dat. Hij kreeg opdrachten van Leopold I en omdat beiden vrijmetselaar waren, gingen zij, naar verluidt, op zeer vertrouwelijke voet met elkaar om.
Wappers vatte dadelijk vriendschap voor mij op; ook hij wilde de Vlamingen uit hun lange geestesslaap wekken. Hij zorgde ervoor dat de koning mij in zijn paleis te Brussel ontving en mij eerst een hulpgeld gaf, en vervolgens de opdracht tot het schrijven van een Geschiedenis van België. Toen Wappers directeur van de Academie werd, werd ik griffier of secretaris van de school. Het was de eerste betrekking die mij toeliet om in mijn vrije uren te schrijven. Mijn korte roman Hoe men schilder wordt was een dankbetuiging aan mijn beschermer.
De Antwerpse Academie.
Dat alles maakte van mij echter geen rijk man. Van mijn eerste boek, In ’t Wonderjaer, en van De Leeuw van Vlaenderen waren een paar honderd exemplaren verkocht. De vele reacties die ik van overal in Vlaanderen kreeg, beschouwde ik als mijn voornaamste beloning.
Daar komt bij dat ik pas getrouwd was – tot dan toe had mijn schoonvader mij de hand van zijn dochter geweigerd omdat ik geen vast werk had – en dat mijn vrouw, daarin hartelijk gesteund door haar familie, neigde naar een levenswijze die wij ons in feite niet konden veroorloven. Zij beklaagde zich over de sobere inrichting van mijn kamers aan de Ossenmarkt, de versleten klederen die ik droeg, de hoeveelheden drank die mijn vrienden verzetten en hun weinig kiese taal, alsook over het feit dat wij geen meid hadden. Kortom, zij maakte het mij lastig en het kwam voor dat ik met spijt terugdacht aan de tijd vóór mijn huwelijk.
Intussen bleef Wappers mij de hand boven het hoofd houden. Hij maakte kennis met een zekere De Sorlus, een edelman met een hoge functie bij Binnenlandse Zaken (misschien ook een logegebroeder – Wappers was op dat punt altijd zeer discreet). De Sorlus vatte op instigatie van mijn vriend het plan op om van mijn boeken een groot aantal exemplaren aan te kopen voor de bibliotheken van ’s lands -lach niet! – gevangenissen. Voor het eerst vernam ik dat ook die Instellingen bibliotheken hebben.
Het ging om een transactie die mij betrekkelijk veel geld zou opleveren, en ik was bijzonder opgetogen. Weldra ontving ik een brief van het ministerie dat een en ander bevestigde. Ik vroeg Mijn drukker De Cort papier te kopen voor driehonderd exemplaren van elk boek – met dien verstande dat ik mij daarvoor borg stelde; ik was nog geen schrijver voor wie een uitgever risico’s neemt.
Affiche voor "De Leeuw van Vlaanderen" met een tekening van Wappers.
Twee weken later liet Wappers mij in de Academie bij zich roepen. ‘Ik heb slecht nieuws,’ zei hij, ‘kanunnik Van Hemel ligt dwars.’ Van Hemel was superior van het Mechelse kleinseminarie. Hij dankte zijn reputatie aan het feit dat hij de schooluitgave van Reinaert de Vos door Jan Frans Willems had gesaboteerd, tot Willems bereid was de inhoud aan te passen aan de eisen van de christelijke moraal en de goede zeden. Maar ik begreep niet wat Van Hemel met mij te maken had – tot Wappers mij in enkele woorden duidelijk maakte dat het ging om de aankoop van In ’t Wonderjaer en De Leeuw.
‘Van Hemel is koleirig omdat gij in ’t Wonderjaer van de geuzen de goeden hebt gemaakt en van de Spanjaarden de slechten. Hij heeft naar de minister geschreven; nu wil die de aankoop pas goedkeuren als gij een serie schriftelijke verklaringen voorlegt van mensen die zeggen dat uw boeken katholiek genoeg zijn. En omdat Van Hemel niet de eerste de beste is, moet hij ook akkoord gaan. Het schijnt d’ ailleurs dat hij daar met u wil komen over klappen – Van Hemel, niet de minister, dat ziet ge van hier.’
Ikwas met stomheid geslagen.
‘Ge verstaat toch wat ik wil zeggen?’ vroeg Wappers, die mijn verbijstering voor onbegrip hield.
‘Dat ik mijn boeken moet herwerken,’ zei ik.
‘Juist,’ antwoordde Wappers, ‘maar dat zult gij niet doen.’
‘Natuurlijk niet!’ antwoordde ik.
Het verbaast u misschien, waarde Eekhoud, dat Wappers zo zeker van mij was. Maar gij moet weten dat hij een overtuigd liberaal was, en van mij hetzelfde dacht. Was niet ons hele, jarenlange streven naar de wedergeboorte van Vlaanderen geïnspireerd door de mening dat het volk de natie is, en dat de staat, de veruitwendiging van die natie, nooit de helft van het volk zijn taal en zijn aard mag ontzeggen? Wij allen – mijn vriend Johan Alfried de Laet, maar ook Domien Sleeckx, Pieter Frans van Kerckhoven en Door van Rijswijck – dachten zo.
Pieter-Frans Van Kerckhoven.
Niet alleen hierom wantrouwde de Kerk ons, maar ook (vooral?) omdat wij romans schreven. De meeste priesters, die voor de Vlaamse kwestie als zodanig geen belangstelling hadden, en misschien niet eens wisten waar wij politiek voor stonden, koesterden een hevige afkeer van romans: die waren, meenden zij, uit Frankrijk komen overwaaien en verwekten daarom bij de lezer zedenbederf en onvrede met zijn lot. (Die vrees gold, nu ik eraan denk, alle boeken – en ze wisten er hem in de loop der eeuwen met vrucht bij het volk in te hameren: ooit vertelde een Kempens boertje mij dat wie de bijbel las, geplaagd werd door blauwe duivels die hem niet met rust lieten eer hij al het gelezene achterstevoren had opgezegd.)
Dit leidde ertoe dat de clerus, op nu en dan een oprisping in een dagblad na, deed alsof wij niet bestonden (zwijgen, heb ik geleerd, is een van de geduchtste wapens van de katholieken). Daarom leek het zo ongerijmd dat een priester zich plots de moeite getroostte zich met het werk van één van ons te bemoeien. Ongerijmd en onbegrijpelijk (wij beschouwden het incident-Willems ten onrechte als een buitenissigheid – het is bekend dat men het teken aan de wand over het hoofd ziet). Ikmerk echter dat ik vooruitloop op wat ik u wilde vertellen over ‘mijn’ liberalisme.
De vrijheid was en is mij lief – diende ik om harentwil niet vanaf de Omwenteling van 1830 (ik was achttien) tot 1836 in het Belgisch leger? En bezong ik ze niet in het Wonderjaer en de Leeuw? Alleen, de partij zucht van sommigen – vooral Van Kerckhoven, Sleeckx en Wappers zelf – was mij vreemd: ik wilde schrijven. En ook – waarom zijn wij altijd beschaamd wanneer ons stoffelijk streven ter sprake komt? – in de maatschappij de plaats verwerven waarvan ik vond dat ze mij toekwam.
"De leeuw van Vlaanderen verschijnt ten tonele", illustratie door Edward Dujardin.
De ergernis die mijn vrienden telkens weer in discussies over de greep van de Kerk op het volk tentoonspreidden, viel mij moeilijk; ik hield ze nooit lang vol. Vergeet bovendien niet dat het atheïsmus dat velen vandaag belijden toen – ik spreek van 1842 – nauwelijks bestond. Ook Wappers en Van Kerckhoven gingen naar de kerk, waren er getrouwd en zouden er begraven worden (zij het dan dat dit laatste Wappers in het wufte Parijs overkwam).
‘Gij moet met die mens gaan spreken,’ von mijn vrouw Maria toen ik haar over de kanunnik vertelde.
‘Ik val nog liever dood,’ zei ik, en zij barstte in tranen uit.
‘Van Hemel, dat is het vleesgeworden obscurantismus,’ zei Van Kerckhoven die avond in de herberg Het Zwart Paard. ‘Hem ontmoeten is onze Zaak verraden!’
Thuis vond ik de slaapkamer op slot.
‘Zoek het maar in uw eentje uit,’ riep Maria.
Ik ging terug naar Het Zwart Paard. In de vroege uren probeerde ik te slapen in de stoel aan mijn schrijftafel; tegen zevenen begaf ik mij naar de Academie. ‘s
Avonds vroeg Maria mij of ik al bij drukker De Cort was geweest.
‘Ge durft niet, hé?’ vroeg ze.
Ik haalde mijn schouders op.
‘Ik wel,’ zei ze, ‘uw papier is geleverd. Hij wacht op zijn geld.’
Zo sloeg ze mijn laatste hoop de bodem in. Van Hemel schreef mij. Ik antwoordde per kerende.
"In 't Wonderjaer".
De kanunnik ging zitten en legde twee boeken op mijn bureau. Vervolgens veegde hij met de rug van zijn linkerhand zijn mond af, als iemand die heeft gegeten en geen servet heeft. Hij had een diepe, welluidende stem – een stem die u overtuigt voor ge goed gehoord hebt wat ze zegt. Het was, deelde de stem mede, voor haar bezitter een grote eer de werkkamer van de schrijver van De Leeuw van Vlaenderen te betreden. Ik dacht wellicht het omgekeerde, maar de man die voor mij zat, was een bewonderaar. Toch meende Van Hemel dat ik het, mijn verdiende succes ten spijt, niet gemakkelijk had – op financieel vlak. Opnieuw veegde hij zijn mond af. Ditmaal duurde het iets langer. ‘Of vergis ik mij?’
‘Hoe weet gij dat, eerwaarde?’ vroeg ik.
‘Wij hebben zo onze kanalen, mijn zoon, onze kanalen. Ik heb het in feite over dat papier – de zoveel riemen papier waar gij naar het schijnt mee zit.’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Daar vinden w’e wel iets op, eerwaarde. Er is een kans dat de leverancier ze terugneemt.’ Dat was bluf, en Van Hemel wist het.
‘Daar zou ik niet op rekenen, als ik u was,’ zei hij. ‘Ge moogt niet vergeten: de papiermarchand waar uw drukker zich bevoorraadt, is een goede katholiek.’
Daar wist ik niets op te zeggen.
‘Voilà, ge verstaat mij,’ vervolgde Van Hemel. ‘Maar er is niks verloren. Als gij van goede wil zijt, zou het zelfs kunnen dat ge binnenkort papier tekort komt. Tot hier toe is er altijd gesproken van een aankoop van uw boeken voor de gevangenissen. Dat zijn veel boeken. Maar er zijn nog andere instituten waar men leest. Mijn eigen school heeft vijfhonderd studenten. En ik ken directeurs van andere scholen…’
Het zalvende gebrom begon mij op de zenuwen te werken. ‘Goed dat mijn vrouw u niet hoort, eerwaarde,’ zei ik. ‘Die denkt aan niets anders dan aan geld. Maar bij mij pakt dat niet.’
Domien Sleeckx.
‘Mijn zoon, het is schoon dat gij niet geeft om het slijk der aarde. Maar daar gaat het niet over. Wij weten ook dat gij werk hebt en uw kost verdient, al is ’t niet fameus, als wij madame mogen geloven.’
‘Heeft mijn vrouw dan met u gesproken?’
‘Niet met ons, mijn zoon, maar met haar biechtvader, dat verstaat ge.’ Hij pauzeerde en veegde zijn mond af, zodat zijn woorden de tijd hadden om tot mij door te dringen. ‘Wij bedoelen,’ ging hij voort, ‘dat gij te goed zijt om uw eigen het publiek te ontzeggen waar gij door uw talent en uw hard werken recht op hebt. Het is plezant een groot schrijver te zijn en honderd boeken te verkopen. Maar het is nog veel plezanter een groot schrijver te zijn en er duizend te verkopen. Wilt gij uw boodschap niet naar de mensen brengen – onze eigen Vlaamse en christelijke mensen, die op u zitten te wachten? Waarom zijt Gij als zoon van een Fransman anders in ’t Vlaams gaan schrijven?’
De kanunnik stak zijn hand op om mij het spreken te beletten.
‘Ja, ja,’ zei hij, ‘gij zat in 1836 onder een appelboom een oude kroniek te lezen over de Beeldenstorm en ge dacht: daar ga ik een boek over schrijven – in ’t Frans, want dat is mijn moederspraak. Maar ’t ging niet en gij werdt kwaad, tot dat het ineens, tot uw eigen verbazing, lukte. En ge zaagt dat dat kwam doordat gij, zonder dat ge het zelf wist, in ’t Vlaams aan ’t schrijven waart. Dat vertelselke kent iedereen.’
Verried mijn gezicht mijn verbijstering? Ge moet weten dat ik hierover nog geen letter had gepubliceerd!
‘Onze kanalen,’ zei Van Hemel flauwtjes, als verklapte hij mij een onschuldig geheimpje. Hij veegde zijn mond af. Wat hij toen zei, klonk anders. ‘Conscience, gij zijt in ’t Vlaams beginnen schrijven omdat er meer mensen zijn die Vlaams verstaan dan Frans.’
Maria Peinen, de vrouw van Hendrik Conscience, door Henri Leys.
Ik was zo onthutst dat ik zei: ‘Daar is iets van.’
‘Een schrijver wil gelezen worden. En gij wilt de Vlamingen hun taal en hun trots teruggeven. Dat is schoon. Maar wat zijn ze met uw Leeuw als gij hun niet laat zien hoe zij vandaag moeten leven?’
‘Maar dat laat ik hun zien, eerwaarde. Ik heb Wat eene moeder lijden kan .geschreven en ik werk aan de Geschiedenis van België.’
‘Dat kan zijn. Maar. .. ,’ hij pakte een van de boeken en doorbladerde het, ‘wat verwacht gij dat ze hiervan vinden?’ Hij las voor: ‘Bijwijlen bracht Jan Breydel zijn vlammend oog van de vijanden op de bijl, die in zijn mannenvuist flikkerde en hij streelde het moordstaal met meer liefde dan of hij zich op de zachte boezem zijner bruid had verlustigd!’
Van Hemel veegde zijn mond af, maar ditmaal zette hij een gezicht alsof het was om zijn lippen schoon te maken na wat ze hadden gezegd. ‘En hier,’ zei hij, ‘in uw Wonderjaer: “Zacht wijkt de kuise Geertrui voor het vuur van haar minnaars hart dat door haar kleed heen begint te gloeien” – gij durft nogal! Dat is gewoon … por-no-gra-fie.’
De Beeldenstorm, 16de-eeuwse prent.
‘Wat is dat, eerwaarde?’ Ik wist het werkelijk niet.
‘Vuilschrijverij. Van het Grieks pornos, vuil, en grafein, schrijven. Maar gij – gij kunt dat veranderen. Ge laat dien boezem weg en ook dat van dat vuur, dat door die kleren… euh, te zien is. En andere dingen van dien aard. Als ge wilt, kan ik u daar een lijst van maken.’
‘Ende geuzen dan? Ik bedoel, ze hebben mij gezegd dat gij vooral gebeten waart op de geuzen in ’t Wonderjaer.’
‘Aha, uw geweten is blijkbaar niet gerust – terecht! In uw Wonderjaer is ’t van de geuzen hier en de geuzen daar, alsof dat onschuldige bloeikens waren, en van de Spanjaarden spreekt ge niks dan kwaad.’
‘Eerwaarde,’ vroeg ik, ‘weet gij hoeveel boeken ik over die tijd gelezen heb?’
‘Zeker, mijn zoon, ik heb die ook gelezen. Dat de Kerk en de Spanjaard wreed waren voor de protestanten, en dat de Spanjaard onze onafhankelijkheid heeft afgepakt – dat is juist. Maar moet ge dat vandaag, nu het liberalismus en de franc-maçonnerie hoogtij vieren, aan de mensen vertellen?’
‘Eerwaarde, gij zijt het die betaald wordt om de mensen vroom te houden. Ik heb daar niks mee te maken.’
‘Mijn zoon, gij hebt groot ongelijk. Het is uw plicht – tegenover onze Moeder de Heilige Kerk, waar gij nog altijd deel van uitmaakt, en tegenover de Vlaamse mensen die niet beter vragen dan door een schoon boek gesticht te worden. Gesticht – hoort ge?’ Van Hemel veegde zijn mond af, en toverde uit zijn soutane een bundeltje opgerolde papieren tevoorschijn.
‘Trouwens, wat zoudt ge hiervan zeggen – als dit aan de oren van uw familie kwam, van uw schoonfamilie, om van uw vrouw nog maar te zwijgen?’ Hij las: ‘Satan conuerti, ou plus d’enfer, zangspel van Henri Conscience, waarin Satan zegt: “J’ai fait l’amour à des nonnettes / Fraiches comme les fleurs des champs, / Elles disaient: Beau diable, faites, / Mais ne nous faites pas d’enfants.'”
Mijn verbazing was zo groot als een huis. Mijn keel zat dicht.
‘Ik weet het,’ vervolgde de kanunnik, ‘gij waart soldaat en het was allemaal niet serieus bedoeld. Gij en uw kameraden wilden u ontspannen, plezier maken, door zoiets op te voeren.’
‘Hoe komt ge daaraan? Het is nooit gedrukt,’ stamelde ik, alsof dat voor Van Hemel een probleem was.
‘Verba volant, scripta manent,’ zei hij, met een zwaar Frans accent. ‘Woorden vliegen weg op de wind, maar wat is geschreven, blijft bestaan. En wordt overgeschreven. En nog eens. Tot het op ons bureau ligt. Een priester moet veel weten, juist gelijk een schrijver.’
Ik moet u bekennen, Eekhoud, ik ben geen moedig mens. Alleen al de aanwezigheid van iemand die alles wat ik geschreven had en wat ik was (zo voelde dat toen), zo radicaal afwees, joeg mij angst aan – al mijn grootspraak ten spijt. Het was of mijn vader, die mij destijds verbood om schrijver te worden, tegenover mij had plaatsgenomen. Maar hém, zijn huis, was ik ontvlucht. Thans kon ik niet weg. Was dat de reden?
Henri De Pondt, "Hendrik Conscience", ca. 1870.
Er kwam een woede over mij die niet groter was dan ik tot dan toe had gekend, maar veel gerichter – alsof ik Jan Breydels bijl in mijn hand hield. Ik zei: ‘Eerwaarde, het zou voor mij gemakkelijk zijn te zeggen: ’t is goed, ge hebt gewonnen. Maar als gij geen gebroken armen en benen wilt oplopen, kunt ge nu het best vertrekken.’ Ik riep: ‘Maria! Maria!’ tot mijn vrouw haar hoofd door de deuropening stak. ‘Mariake, kanunnik Van Hemel, die zijn naam niet gestolen heeft, moet zijn trein halen. Wilt gij hem het gat van den timmerman wij zen?’ En tegen hem: ‘Gij zijt nog niet weg, of ik zie u al niet meer.’ Het was, dacht ik, de laatste keer dat ik hem zijn mond zag afvegen.
Maria bleef mij de toegang tot de slaapkamer ontzeggen. De Cort bracht mij in eigen persoon de factuur van het papier. Ik kon hem niet betalen en vroeg om uitstel. Van Kerckhoven hield iedere dag een liberale preek. Maar Wappers zei na een week:
‘Henri, ik heb nog eens nagedacht over uw zaak. Misschien zijn Vlaamse boeken tout court in de huidige omstandigheden belangrijker dan Vlaamse liberale boeken. Misschien moeten wij allengs te werk gaan – allengs gelijk de spin.’
Drie dagen later bracht een jonge kapelaan mij op de Academie een pakje. Kanunnik Van Hemel stuurde hem; de kanunnik was op bezoek bij zijn goede vriend de pastoor van de Sint-Carolus-Borromeuskerk, twee straten verder, maar hij verwachtte geen antwoord. Zo gauw de kapelaan vertrokken was, scheurde ik het bruine papier los en zag het eerste deel van De Leeuw. Hier en daar was met rode inkt een regel doorgehaald; ik telde er hooguit veertig, op een paar honderd bladzijden.
Ik liep naar huis. Daar zat mijn schoonmoeder, vrouw Peinen, op mij te wachten – zoals steeds breder dan ze hoog was. ‘Henri,’ fluisterde ze, ‘de dokter is bij Maria geweest – ze slaapt nu.’ Angst sloeg mij om het hart. ‘Ze had deze morgen een flauwte. Hij denkt dat zij in verwachting is.’
Maria Conscience-Antheunis, de dochter van Hendrik Conscience, in 1912.
Bij valavond liep ik uren tussen de evenwijdige bomenrijen op de stadswallen – de Spaanse wallen die ook gij, Eekhoud, als kind moet hebben gekend, en die sindsdien zijn afgebroken. Ik werd vader – ziedaar alles waaraan ik kon denken. De zon was ondergegaan boven de andere oever van de stroom; boven de hemelstrook die oranje nagloeide, was het zwerk bijna groen. Ik nam mij voor dat mijn zoon, mijn dochter, het gemakkelijker zou hebben dan ik. Wappers, die zelf een groot kunstenaar was, had gelijk.
Om middernacht was mijn brief aan Van Hemel klaar. Toen ik twee weken later de doeken met rode bloedvlekken zag die de meid bij het wasgoed deed, was hij, na diverse bezoeken en brieven, bijna een vriend geworden. Onze zoon Hildevert, zaliger gedachtenis, werd pas veertien maanden later geboren. Had Maria gelogen op aanraden van haar biechtvader? Ik wilde het niet weten.
Ik werkte weer aan mijn eerste twee boeken – ik kreeg de kans om ook vele fouten te verbeteren – en weldra aan de volgende. Samen werden het honderd delen. Ik bewaak schilderijen met kleuren die binnen tien of twintig jaar onzichtbaar zullen zijn.
Soms denk ik dat onze letterkunde – de Vlaamse – er zonder de bemoeienissen van kanunnik Van Hemel en de zijnen ánders had uitgezien. Maar zij bestaat, en dat was in 1842 nog-geheel onzeker. Toch vraag ik mij af of ik niet liever boeken had geschreven die mij thans niet met twijfel vervulden.
Er zijn, mij dunkt, twee redenen waarom wij, ouderlingen, ons zo machteloos voelen: wij zijn wat wij hebben gedaan, niet wat wij wilden doen, en wij zijn gedoemd om het geheim dat wij geleerd hebben mee in het graf te nemen, zonder de volle betekenis ervan te kunnen doorgeven aan hen die na ons komen. Gij, van uw kant, zijt dan weer gedoemd om alles eerst zelf te ondervinden.)
Hoe dan ook: welkom, vriend – wist gij dat gij mij doet denken aan Van Kerckhoven, die mij nooit meer heeft willen groeten? Ik zal uw vragen naar best vermogen beantwoorden, in de hoop dat gij ten minste dit onthouden zult, het enige wat voor een schrijver van wezenlijk belang is: hij weze zichzelf; hij zwichte voor geen enkele druk.
Standbeeld van Hendrik Conscience op het naar hem genoemde plein in Antwerpen.
In de 19de eeuw jagen de haven en de wereld waartoe zij toegang verleent de Antwerpse burgerman angst aan. Af en toe hoort hij een horrorstory, zoals die over het koopvaardijschip Constant. De geschiedenis dringt niet door tot de “echte” literatuur, maar krijgt toch een plaats in een “klassieker” over Antwerpen, nl. Plezante Mannen in een Plezante Stad van Edward Poffé. Het goed gedocumenteerde boek verschijnt in 1913, maar vertelt over “Antwerpen tusschen 1830 & ‘80”.
Edward Poffé.
De Constant vaart in september 1857 af naar Australië. De Antwerpse bemanning staat o.l.v. de bekende kapitein Jan Lodewijk Uyttenhoven. De reis verloopt voorspoedig. Drie matrozen blijven in Melbourne achter; om hen te vervangen huurt de gezagvoerder in Sidney drie zwarte zeelui in. Maar op de terugweg lijdt de Constant schipbreuk. De bemanning neemt plaats in twee reddingsboten. Na vijfenveertig (!) dagen raken de sloepen van elkaar gescheiden. De eerste, met vijf matrozen aan boord, strandt op een eiland. Daar pikt een Amerikaanse walvisvaarder de mannen na nog eens éénenvijftig dagen op. Zij bereiken Antwerpen op 10 september 1859, zonder nieuws van de andere dertien bemanningsleden. Het lot van de dertien, onder wie de kapitein en de drie zwarten, die in de tweede reddingsboot zitten, wordt pas duidelijk wanneer Uyttenhoven zelf een maand later in de Scheldestad terugkeert.
Kannibalisme
“Uit zijn verhaal bleek weldra,” vertelt Poffé, “dat de lotgevallen, welke hij en zijne twaalf gezellen hadden doorstaan, schier zoo ijselijk waren geweest, als die van de Medusa ten jare 1816, weshalve het niemand zal verwonderen (…) dat over heel de stad een kreet van afgrijzen opging toen men vernam wat de dertien schipbreukelingen hadden geleden: hoe zij, door den honger gepraamd, gedeeltelijk hunne kleederen verslonden, eindelijk twee van de aangeworven negers hadden opgeëten, hun bloed gedronken, en ten slotte, na nog een half jaar in Nieuw-Guinea, te midden van de wilde Paoea’s, te hebben vertoefd, gelukkiglijk aan boord van een Hollandsch schip geraakten, dat hen veilig overbracht.”
André De Weerdt.
In deze jaren schrijft en zingt alleen protestzanger avant la lettre Dré (Andreas) De Weerdt (1825-1893) over alles wat reilt en zeilt in de Scheldestad, haven inbegrepen – getuige dit enthousiaste Scheldelied: “O dat is toch een pleizier, / Wat gewoel! Wat getier! / Is er hier, aan ’t rivier, / Ziet die schepen varen; / Ziet dat kruisen weg en weer, / Trekken weg, keeren weer, / Op de zachte baren, / Wat pleizier, wat pleizier! / Is er toch alhier.” En nog: “Schoon en rijke Scheldestad, / ‘k Loop zoo geeren langs uw kaaien / Waar ik tusschen dit en dat, / Zie de schepen binnenwaaien; / Waar dat ik de schreeuwen hoor, / Het gezang, de vreemde talen, / Van den blanke en van den moor, / Die verheugd de dok in halen.”
Maar ook De Weerdt behoort tot de “subliteratuur”; zijn publiek bestaat uit het “volk” dat rondhangt in café chantants en op straat. Dat is de reden waarom hij, als productiefste Antwerpse dichter van zijn tijd, in geen enkele literatuurgeschiedenis voorkomt.
Domien Sleeckx
In dezelfde periode schrijft Domien Sleeckx (1818-1901) de roman In ’t Schipperskwartier (1861). In dit populaire boek, dat tot halverwege de 20ste eeuw geregeld herdrukt wordt, vertelt Sleeckx het leven van de straatjongen Jan Savoir uit het Schipperskwartier.
Dankzij zijn grote verstand en doorzettingsvermogen brengt hij het tot scheepskapitein en trouwt met Rozeke, de dochter uit een florissante kaaswinkel aan de Keistraat. Sleeckx blijft niet blind voor de armoede en de ellende in de gangen en op de zolderkamers van de wijk, maar zijn Schipperskwartier is toch burgerlijker en vooral “braver” dan het echt moet zijn geweest.
Domien Sleeckx.
“Waar ik geboren werd, en wie eigenlijk mijn ouders waren,” vertelt Jan Savoir, “zou ik, om de waarheid te zeggen, niet met juistheid kunnen opgeven. Zooveel is zeker, dat ik een jongen ben van het zoogenaamde Schipperskwartier, dat is, van de wijk, nabij de haven en de dokken gelegen, waar sinds eeuwen dat gedeelte der Antwerpsche bevolking huist, dat in de scheepvaart zijn bestaan vindt. Zoover mij heugt, heb ik nooit andere bloedverwanten gehad, dan een oud vrouwtje, dat ik moeitje noemde, en dat, op de Citernebrug, rechtover de Oude-Leeuwenrui, met een kraampje kersen en krieken, appel en peren zat, of met andere lekkernij, al naar ’t seizoen het meebracht.”
“Wij woonden op een zoldertje, in een gang der Oudemanstraat, waar het ’s zomers zeer heet en ’s winters fel koud was. Eten kreeg ik in nogal tamelijke maat, want moeitje had veel vertier, en genoot zekere befaamdheid bij de snoepzieke jeugd van het Schipperskwartier, zoowel voor haar caramellen en babbelaren, als voor haar smoutebollen, die zij, volgens het oordeel zelfs van meer bejaarde personen, zeer smakelijk wist te bakken, en zonder dat zij noodig had Spaansche zeep te gebruiken, om het beslag te doen rijzen.”
Landverhuizers.
Het nieuwe Carthago
De beschrijving van het huis van Jan Savoirs toekomstige schoonvader leert ons hoe het er uitzag bij de kleine burgerij, niet alleen in het Schipperskwartier, maar allicht in heel de stad:
“Overal heerschte een smaak en een pracht, waaraan ik natuurlijk niet gewend was. Zij (de kamer) bevatte vooreerst een kostelijke commode van mahoniehout, waarop een porceleinen servies stond met gouden bloemen. Voor den schoorsteen hing een grooten spiegel, waarin men zich bijkans van het hoofd tot de voeten kon zien, en verder aan de muren schilderijtjes met de historie van Genoveva in print, met vergulde lijsten. In het midden van de kamer bevond zich een groote ovale tafel, met een rood zwartgebloemd kleed, en de vensters waren behangen met rolgordijnen van wit percal met franjes. Op een hoekkastje prijkten een paar kinkhoren, van de schoonste die ik nog had te zien gekregen, en van de zoldering daalde boven de tafel een nette kleine driemast, voorzien van al zijn takelage en staande want, met volle zeilen. Het was verrukkelijk, zonder te rekenen dat de stoelen en verdere meubels, zorgvuldig geboend, blonken als zoovele zonnen, en dat het gansche vertrek door een zindelijkheid en een rijkdom schitterden, die mij met eerbied vervulden voor de gelukkige bezitters van al die kostbaarheden.”
Georges Eekhoud
Het duurt nog bijna dertig jaar vooraal een belangrijke schrijver de haven in beeld brengt. In La nouvelle Carthage van de Fransschrijvende Georges Eekhoud exploiteert de malafide reder Freddy Béjard, de boze genius van de roman, de ellende van arbeiders en emigranten. Getuige deze passage over het vertrek van Kempense landverhuizers naar Brazilië (ik vertaal):
“Minstens dertig gezinnen uit Willeghem, een gehucht in het uiterste noorden van het land, hadden afgesproken samen hun schrale streek te verlaten. Zij zaten niet op de vrachtwagens, maar verschenen een poos na het gros der Vlaamse landverhuizers. Ze traden ordelijk aan, als in de stoet ter gelegenheid van een of ander feest. Zo hoopten zij een goed figuur te slaan en zich te onderscheiden van de massa, opdat men na de afvaart zou zeggen: ‘die van Willeghem waren toch de flinksten.’”
“Eerst kwamen de jonge mannen, gevolgd door de vrouwen, samen met de kinderen; jonge meisjes en ouden van dagen sloten de rij. Enkele moeders gaven hun jongste de borst. Oude vrouwen die op krukken steunden, schenen te geloven in een nieuw begin, een raadselachtige terugkeer van hun jeugd. Hoevelen zouden onderweg niet bezwijken en in een met zand verzwaarde zak overboord worden gezet om de vissen tot voedsel te dienen? Volwassen mannen, uitgedost in het dikke ribfluwelen plunje van grondwerkers, droegen houweel en hak over hun schouder; aan hun zij hingen boterhammendoos en veldfles. Dakwerkers en steenbakkers maakten aanstalten om te vertrekken naar landen waar men lei- noch baksteen kende.”
Passagier in de eerste klasse op een Red Star Line-schip.
Pastoor
“Een simpel jong meisje, stralend van ondeugd, droeg een kooi met een sijsje bij zich.” “Voorop, achter haar ontrolde vaandel, marcheerde de fanfare van het dorp. Zij emigreerde mee. De muzikanten hoefden hun instrumenten en kenteken niet achter te laten; in Willeghem bleef niemand over om er iets mee te beginnen.”
“Naast de vaandrig zag Laurent een priester met witte haren lopen – de pastoor van het vlek. Zijn hoge leeftijd ten spijt, stond de herder erop zijn kudde aan boord te brengen, zoals hij ze tot dan toe elk jaar vergezeld had op bedevaart naar Scherpenheuvel. (…)”
“Sommige Willegemse emigranten droegen op hun pet een twijgje heide; anderen hadden aan het uiteinde van hun stok of het handvat van hun werktuigen een armvol van dit symbolisch kruid bevestigd. Roerend was de aanhankelijkheid der allergevoeligsten: bij wijze van schapulier namen ze een handvol geboortegrond mee, verstopt in een doos of in een zakje genaaid.”
La nouvelle Carthage.
“Niet uit protest tegen de zelfzucht van een land dat hen weigerde te voeden, maar als laatste, kinderlijk eerbewijs, droegen deze landlieden hun karakteristieke klederdracht. De mannen hadden hoge, poffende petten van zijde op; boven hun katoenen broek hadden zij de typische donkerblauwe kiel aangetrokken. De kleur ervan neigt naar het leigrijs van de Kempenhemel en vergemakkelijkt het onderscheid tussen de boeren van het noorden en die uit het zuiden. De vrouwen droegen kanten mutsen met brede vleugels, aan hun haarwrong vastgemaakt met door ranken versierde linten: een hoofddracht die nergens ter wereld haar gelijke kent. (…)”
“Toen ze de loods bereikte, hield de fanfare halt. Inplaats van zich op de loopplank van het schip te begeven – de ketels werden al warm gestookt voor de afvaart – hielden de jongens halt. Zij draaiden zich om naar de toren van Antwerpen en zetten hun kopers aan de mond. Zij speelden met geheven vaandel; de verkeerde noten en het valse getoeter klonken alsof ook hun instrumenten ingehouden snikten. Zij speelden de Belgische hymne bij uitstek: het zachte, melodieuze Waar kan men beter zijn van de Luikenaar Grétry dat met zijn nobele accent Vlamingen en Walen, zonen toch van eenzelfde land, verenigt – hun verschillende, maar daarom niet vijandige temperamenten ten spijt (wat politici hierover ook denken). Daarom kwamen de mijnwerkers uit de Borinage die al aan dek waren de Flamins met uitgestoken had tegemoet.”
“Zo verloopt de verzoening van twee wezen die elkaar bij het sterfbed van hun moeder omhelzen. (…)”
Krioelend van ongedierte
“De Gina had meer dan zeshonderd blankhouten veldbedden aan boord, of beter: karkassen van nauwelijks geschaafde planken met een lap stof ertussen, per twaalf ze naast en boven elkaar op de tussendekken geplaatst. Het beddengoed bestond uit een stinkende strozak, krioelend van het ongedierte, waarvoor zelfs een varken bedankt had.”
Albert Wéry, Stoomboot op de Schelde.
“Hoewel de gangen geruime tijd waren gelucht, hing er een moeilijk thuis te brengen geur, die deed denken aan een slecht onderhouden ziekenhuis (…). Hoe zou het later niet zijn, wanneer zoveel ongelukkigen hier opeengehoopt zaten, met lompen en lijven die evenveel reuk afgaven als een kudde wilde dieren – zeker bij zwaar weer, wanneer de scheepsluiken dichtgaan?”
“Het reglement schreef voor dat mannen en vrouwen aan boord gescheiden moesten leven en dat men de volwassenen zover mogelijk bij de kleine kinderen vandaan hield. Maar Béjard en consorten waren er de lieden niet naar om hier rekening mee te houden. Zij respecteerden de voorschriften slechts zolang het schip in het zicht van de haven bleef.”
“Nog voor de Gina zee koos, kwam alles op losse schroeven te staan. Niemand riep de ontucht een halt toe. Bovendien nam men clandestien overtallige passagiers aan boord, die verdachte bootjes ‘s nachts van de oever oppikten. Runners en mensensmokkelaars konden zich geen betere klanten voorstellen dan de heren Béjard en Compagnie.”
Hardnekkige stank
“Volgens de prospectussen waren de kombuizen rijkelijk voorzien van spek, gerookt vlees, zeemansbeschuit, bier, koffie en thee, ‘meer dan genoeg voor een overtocht die dubbel zo lang was’. Deze mooie woorden waren uit de pen van de charlatan Dupoissy gevloeid, de onbetwiste meester van het allerschandelijkst bedrog. In werkelijkheid was het de vraag of het zoet water aan boord zou volstaan! De ongelukkige reizigers stonden op rantsoen als de soldaten van een belegerd garnizoen. Elk van hen kreeg een kleine gamel in wit metaal, die verdraaid goed leek op die van het leger. Twee keer per dag gaf men hen te eten. Het voedsel was tot op de gram na afgewogen; de drank schonk men per boujaron, de speciale inhoudsmaat, wat kleiner dan een liter, die de zeelui bezigen. Uiteraard heerste op de tussendekken een bijtende kou; de wind had er vrij spel en veroorzaakt verkoudheden, zonder de hardnekkige stank te verdrijven. (…)”
Migranten op weg naar Amerika.
“Het dek leek op een vluchtelingenkamp of een verzamelplaats van zigeuners. In hun kleurige plunjes voerden de paria’s die hier verbleven geuren uit de vier windstreken mee. Toen hij in hun nabijheid kwam, merkte Laurent dat ze slechts licht gekleed waren; nu al waren er veel die klappertandden en rilden van de koorts. Eén van Béjards agenten baande zich een weg van groep tot groep. Om de mensen gerust te stellen, beweerde hij dat de kou slechts enkele dagen zou aanhouden. Eens voorbij de Golf van Gasconje begon een eindeloze zomer. Wat hij er niet bij vertelde, was dat het tussen Afrika en Brazilië zo heet was dat de emigranten onmogelijk aan dek konden blijven en dat de tropenkolder ook onder hen, die hun huidige moeraskoorts overleefden, slachtoffers zou maken. Het waren echter niet alleen de verschrikkingen van de overtocht die hij achter zijn kiezen hield; hij verzweeg ook de willekeur, de brutaliteit die de landverhuizers bij hun ontscheping wachtte, en de talloze ontberingen in hun vijandig land van bestemming.”
“Waar kan men beter zijn?”
(…) “Zodra de trossen van de meerpalen waren losgemaakt, haalden de matrozen ze in en rolden de touwen op; de schroef deed het water opstuiven. Van op de brug schreeuwde de kapitein bevelen; zeelui op voor- en achtersteven herhaalden zijn woorden en een scheepsjongen gaf ze met een roephoorn door aan de stokers. De stuurman liet het schip langzaam van de kade wegzwenken; als bij toverslag omgaven talloze schuimgekopte golfjes de flanken van de Gina. (…)” “De vaandrig van Willeghem bewoog zijn fluwelen standaard met de gouden galons en het zware borduursel heen en weer; nogmaals zette de fanfare Waar kan men beter zijn in. De mannen uit de Borinage die zich bij de Kempenzonen hadden gevoegd, zongen in koor de tekst. (…)”
“Aan boord van de Gina zwollen heilwensen en hoerageroep aan tot een geraas, eenstemmenstorm die de fanfare overstemde. De samengepakte menigte op de kade beantwoordde het geschreeuw van harte, en uit volle borst. Schip en rede dienden elkaar van repliek, wedijverden in verve, branie en onverschrokkenheid. Petten vlogen in de lucht; kleurige zakdoeken wapperden als de bonte vlaggen bij een scheepsparade.”
Schip van de Red Star Line.
“Vrouwen die tegelijk leken te lachen en te huilen, tilden hun kinderen met gestrekte armen boven hun hoofd. Hoe verder het schip zich verwijderde, hoe heftiger de gebaren. Het was alsof toeschouwers en opvarenden wanhopig probeerden elkaar alsnog te omhelzen, over de golven heen.”
“Door zijn enorme diepgang vorderde het overvolle vaartuig traag, zodat het pas na lange tijd uit het gezicht van de kijklustigen verdween.”
Red Star Line
Deze passage uit La nouvelle Carthage speelt circa 1880 – de rectificatie van de kade is al begonnen. Het verschepen van landverhuizers vanuit Antwerpen was toen big business. De emigratie via de Scheldestad begon omstreeks het midden van de 19de eeuw; in 1885 legden al twaalf rederijen zich erop toe. De schepen van de beroemde Red Star Line vertrokken aan de Rijnkaai, waar in vierentwintig huizen vijfentwintig kroegen waren gevestigd.
Red Star Line was niet de naam van de rederij, maar een handelsmerk. De boten waren het eigendom van de Société Anonyme de Navigation Belgo-Américaine, een Belgische dochter van de International Navigation Company uit Philadelphia. Het Amerikaanse bedrijf werd opgericht in 1871 om aardolie van de pas ontdekte velden in Pennsylvania naar Antwerpen te brengen. Dat was toen immers op weg om de belangrijkste petroleumhaven van Europa te worden.
Als retourvracht, dacht men, konden dezelfde (!) schepen immigranten uit de Oude Wereld naar Amerika brengen. Maar dat vond de Amerikaanse overheid toch te gortig: ze verbood reizigers te vervoeren met olieschepen, ook als die leeg waren. Daarom gooide de maatschappij het definitief over een andere boeg.
Na een korte inzinking was Antwerpen vanaf 1871 opnieuw erg in trek bij landverhuizers. Ze kwamen vooral uit Midden-Europa. Dank zij de goede spoorverbinding konden ze gemakkelijk in de Scheldestad komen. In haar topjaar 1912 vervoerde de Red Star Line 121.000 reizigers.
Oost-Europese emigranten
De immigratiewetten die in 1921 in de Verenigde Staten van kracht werden, dwongen de lijn echter een nieuw publiek aan te trekken: toeristen. In 1923 liep de Belgenland II, een pakketboot van bijna dertigduizend ton met drie schoorstenen (waarvan één just for show), van stapel. Het schip kon meer dan 2.500 passagiers aan boord nemen en had 530 bemanningsleden. Maar het mocht niet baten – in 1935 kwam er een eind aan de activiteit van de rederij.
Een “buildrager”.
De Antwerpse schilder en schrijver Edmond Van Offel (1871-1959) noteerde in zijn Antwerpen 1900 de indruk die de Oost-Europese landverhuizers maakten in de stad: “sommige dagen trokken langs de Meir, over de Groenplaats, de miseriestoeten van landverhuizers voorbij, gedreven naar de bijzondere logementshuizen; daar ergens bij de Werf. In hun uitheemse klederdracht, de mannen met mantels van schaapsvel en vreemdsoortige hoofddeksels, de vrouwen met rood en geel gebloemde hoofddoeken, lederen keursjes met bont en laarzen aan de struise benen, de kinderen, kinderen met de macht natuurlijk, als voddebalen meegetrokken en gedragen tussen de armzalige bundels reisgoed; met hun scherp getekende trekken, meestal een Aziatische afkomst verradend – veel van die lieden kwamen van Polen of ergens uit de Balkanstreken, of van Hongarije – al die wezens bijeengetrommeld en als een kudde verder gejaagde dompelaars, zij maakte een schouwspel uit, schilderachtig genoeg, maar deerlijk niet minder.”
Karel Van den Oever.
Een Poolse emigrante inspireert Karel Van den Oever (1879-1926) in zijn expressionistische periode tot het vaak gebloemleesde gedicht Dinska Bronska. Maar ook dichter bij ons blijft Antwerpens rol als vertrekhaven naar Amerika schrijvers inspireren.
Moordpoging
“Toen mijn grootvader achttien jaar was schoot hij op de minnares van zijn vader,” zo luidt de eerste zin van de roman Het Uitzicht op de Wereld (1984) van Alstein (Marc van Alstein, 1947). “Het schot viel niet helemaal onverwacht in de (…) voorkamer van het herenhuis aan de Frankrijklei,” vernemen we, “wat vroeg of laat moest gebeuren was nu inderdaad gebeurd; net goed voor de minnares, net goed voor de oude heer van Alstein, (…) burger en hoofdingenieur van de Antwerpse haven. Want (…) merkwaardig was het dat de oude heer niet in de daarvoor bestemde huizen had toegegeven aan zijn démon de midi, dat hij zijn jonge minnares niet keurig had geïnstalleerd op een flatje met uitzicht op het stadspark, nee, hij had goed en wel in zijn eigen huis de eigen dienstmeid op haar rug gelegd.”
“Hij scheepte in aan boord van de ss Lapland,” schrijft zijn kleinzoon. “Het ticket voor de overtocht had hij, zoals hij steeds trots vermeldde, zonder medeweten van zijn moeder op de kantoren van de Red Star Line gekocht. Voor de afvaart zocht hij op de Scheldekade te midden van de bolhoeden, de strohoeden en de dameskapsels naar de norse blik van zijn vader, naar de indrukwekkende snor die, zoals zijn moeder nooit naliet te preciseren, vooral op diegenen indruk maakte die nog niet wisten wie ingenieur van Alstein werkelijk was.”
Voor de afvaart.
“Het werd een avontuurlijke overtocht. Grootvader haalde ze niet boven, de zo bekende foto’s van naar Amerika reizende Balkanemigranten, opeengepakt op de voorplecht en op de tussendekken, van babies, weggedoken in de wollen sjaals van hoopvol kijkende boerinnen. Hij had het slechts heel terloops over de weemoedige zangen ’s avonds aan dek, over het ’s nachts tegen een onbekende aankruipen op zoek naar dat beetje warmte op een winderige, altijd te grote oceaan. En ook over het urenlange wachten in de grote hal van Ellis Island (…) ook over die spanning kon hij niet echt praten.”
Intussen verging het Gustave Van Alstein niet zo slecht als het gros van de emigranten.
“Ik mocht alleen nooit vergeten, dat mijn grootvader de angst had gekend voor mogelijke mislukking in Amerika, dat hij een naamloos deel was geweest van een dek vol verschoppelingen; en toen toonde hij uiteindelijk toch maar een foto van de ss Lapland, dat dierbare schip dat ik aandachtig moest bekijken. (…) Het was slechts veel later, toen Gustave al lang gestorven was, dat mijn vader ook dit verhaal van zijn vader wat aan de werkelijkheid aanpaste: Gustave was eigenlijk heel comfortabel de oceaan overgestoken. Tweede klas, een ruime hut (door zijn vader betaald), elke avond een verzorgde tafel, in keurig wit gestoken kelners die opdienden; na het eten een sigaar in de stijlvolle rookkamer; en tegen de eiken panelen van dat rooksalon hing boven de gemakkelijke fluwelen banken zelfs geen foto van een Balkanemigrant.”
Wrakken
Het werk aan de dokken zelf werd zelden beschreven. Toch geven twee boeken ons er een idee van. Het eerste is Wrakken van Emmanuel De Bom.
Emmanuel De Bom, ca. 1893.
“Met verroesten kiel en beschadigden boeg was de Valdemar de haven binnengelopen, en lag nu sedert drie dagen vastgemeerd in het Groote Dok om zijn lading te lossen. Terwijl manschappen hamerden en klopten op de voorplecht, en twee matrozen op een plank, die zij tegen de verschansing aan boven het water gehangen hadden, den rossen ontverfden wand brandden en afkrabden, om er dan met meterlange borstels een nieuw laag donker groen op te strijken, lag aan ’t ander eind van het schip het groote luik open; als een groote geopende buik gaapte de donkere schipholte, waar koopwaren in gele met blik beslagen kisten ordelijk gerangschikt lagen.”
“De windassen raasden, een sissende dampstraal proestte de lucht in; een ketting bengelde kronkelend omhoog, verdween in het ruim en vischte er ijzeren staven op; struisch geschofte paarden, met breeden, gekromden nek en goedige ogen, sjorden ze dan in heele bundels kletterend voort, terwijl twee dampstralen uit hun wijde neusgaten spoten. Krengen en scheppers vol balen en kisten, werden voortgestouwd, de koopwaren aangehaakt, opgelaten of neergehaald. Het schip lag daar als een willig beest (…).”
Een klipper, ca. 1855.
“De schemering was reeds gedaald en over de ploeg werklieden viel de roode gloedschijn der smokende wieklampen, waartegen de masten helgeel opflakkerden. De omliggende schepen, met hun talrijke masten en hun want als een spinnewebbe begonnen in de violette avondlucht in vage schaduwen weg te kwijnen. In het water spiegelden de gaslantaarns. Eén voor éen blonken in de masten de avondlampjes op. De stapelhuizen, groote massieve donkere brokken, die achter de schepen der overzijde machtig oprezen en het gezicht afsneden, deinsden in den donkere langs om meer weg.”
De doolaar en de weidse stad
Een soort “vervolg” op deze openingsscène vormt de volgende passage uit de korte, sociaal bewonen roman De Doolaar en de weidse Stad (1904) van Lode Baekelmans. De auteur vertelt de lotgevallen van Lieven, die zopas van zijn dorp naar de stad is verhuisd en aan de slag gaat als dokwerker.
“Aan de kaai stonden reeds, in groepjes, de wachtende werkers, verder zaten er op kisten en balen onder het afdak. Terwijl het stoomschip, log aandrijvend, de borstwering hoog boven de wal (…) stillekes bijdraaide, liepen forelieden, de meestergasten, van groep tot groep, aanwijzend de verdeling der dagtaak. Stouwersbazen, – dikke heren met gouden kettingen over het wit geribde gilet (…) -, – riepen in een Engels bargoens tot de loods en het scheepsvolk, daarbij geweldig vloekend.” (…)
“De Waesland lag thans met zware touwtrossen aan de meerpalen vast. – Vlug werden nu bruggen gelegd, gangen, zei het volk; de luiken open gelegd, en hele scharen daalden in de gapende openingen van het duistere scheepsruim.” (…)µ
“Wagens met manslange spiekwielen, rolden af en aan, de stoom siste, sloeg wolkend en klam hem in het gezicht, de kranen haalden de goederen op, en de ketting zakte snel neer. Men herbegon terwijl de man aan het luik en de kraanvoerder krakeelden.” (…)
Lode Baekelmans.
“Zijn aders zwollen”
“Tolbeambten wandelden fluitend en lui, of sloegen een praatje met de politie; natiebazen deden bedrijvig; markeerders schreven de aangevoerde waren op, wogen na en onderzochten de merktekens. Forelieden waakten alom, en de werkers sjouwden in koortsige haast kisten en vaten, balen, zakken en passagiersgepak.” (…)
“Rustig zat een vrouw zakken te verstellen, bestoven met pluisjes; een geneverleurster ging van ploeg tot ploeg en een manke knaap keerde vuilnis en stof tussen de onregelmatige kasseien uit. De atmosfeer was bezwangerd met teer en waterdamp, en de mengelreuk ener stapelplaats onder open lucht.”
“Lieven deed zijn best (…) wrocht uit alle kracht. (…) hij wou de vermoeienis niet voelen die hem in de benen sarde, bleef taai in het geweld van de vreemde arbeid, de rug gebroken, de armen als ontwricht, duizelig door de wemeling. (…) Werktuigelijk, keer op keer, hernieuwde hij de krachtinspanning… Zijn lenden kraakten, het zweet parelde van zijn lijf. Zijn aders zwollen en de slapen klopten opgewonden.”
De Waesland.
De Antwerpenaar begrijpt zijn haven niet al te best, maar gaat graag “naar de boten zien”. Vóór de rectificatie van de kaaien kuierde hij over het Burchtplein en onder de platanen op de Jordaenskaai. Na 1885 kon hij terecht op de nieuwe wandelterrassen boven de loodsen langs de kade.
In Antwerpen 1900 noteerde Van Offel:
“De terrassen hadden hun getrouwe bezoekers. De bedaagde liefhebbers die reeds gedurende vele jaren, schier dag voor dag, de lucht boven hun stroom kwamen opsnuiven, tegen de balustrade aangeleund, met de natuurlijke verrekijkers van hun eigen ogen, nagaande het leven op ’t water, en verkennend de transatlantieker alreeds als die, heel ver, boven de polder van de linkeroever, in de Schelde te voorschijn komt. Zij wisten al de voorname schepen te noemen en onder welke vlag zij voeren. Er waren oude zeelieden onder hen, schipperkens, maar ook gewone burgerkens die de liefde tot al dat zeewezen hier aantrok. Dan de slenteraars (…) tuk op het nooit versmade genot van anderen te zien werken, nagaande ’t bedrijf van lossen en laden, van de dokkers klimmende en dalende, met de zak op de schoft, op en af de planken voerende van de kade aan boord; van de wijzen van vaten en balen of zakken te verporren, in ’t rumoer van motoren, kranen en kettingen, en ’t hees geschreeuw van de foremen, en zo meer.”
Maurice Gilliams
Sinds de jaren 1970 valt er vanop de wandelterrassen maar weinig havenactiviteit meer te bespeuren. Maar de promenade blijft populair, zeker nu in het toeristisch seizoen cruiseschepen aanleggen ter hoogte van het Zuiderterras.
Maurice Gilliams.
Totaal anders van tonaliteit dan het “rode” proza van Baekelmans, zijn de herinneringen van Maurice Gilliams in De Man voor het Venster – een titel die hij ontleende aan het beroemde schilderij van Henri De Braekeleer:
“Als kleine jongen zat ik ’s zomers met mijn vader aan het Loodshuis uit te rusten van onze lange wandeling aan de havenkant; we hadden tot de Kattendijksluis of het Oud Palinghuis gelopen, en verder nog langs de groene Scheldedijk tot aan het dorpje Oosterweel. Lijk fiere monsters uit de voortijd kwamen de stomers de rivier opgevaren. Wij gingen in het gras zitten en tuurden naar het verre Antwerpen, dat op dit uur gedroomd scheen, met een karmijnen schittering van de ondergaande zon in de vensterruiten van de huizen langs de kade. (…)”
De Liège van de rederij Deppe, ca. 1955.
“Meer dan eens werden we door het vallend avonddonker verrast. Van tussen de kruimig riekende houtstapels, uit een doolhof van nauwe gangetjes waar de vaderlandlozen liefst een schuilplaats zochten voor de komende nacht, verscheen de politie met grote hijgende honden. Als op een vergeten zeemansgraf lagen er jaren achtereen, op hetzelfde plekje met onkruid, opgehoopte kettingtrossen en ouderwetse ankers uit de tijd der zeilschepen. Onzichtbare wagons botsten tegen elkaar. Er was ergens de plotse ontsteltenis van een plons in het water. Stilaan begon alles meer en meer te vergrauwen; de stapelhuizen zagen er uit als zwartgebrande resten na een onweer. Het gefluit van een trein trok een pijnlijke draad door de lucht. En zo kwamen we dan over de bruggen, in de Nassaustraat, op het Van Schoonbekeplein, waar de winkelramen reeds waren verlicht. Oliegoed en laarzen voor zeelieden hingen buiten, bewegend in de wind, als reuzezware cadavers van naamloos weergekeerden over gedroomde oceanen.”
Paul Van Ostaijen
Het is niet één van de dingen waarvoor hij bekendheid geniet, maar ook de poëzie van de modernist Paul Van Ostaijen (1896-1928) weerspiegelt aspecten van het Antwerpse stadsbeeld. In het minder bekende, maar fraaie gedicht Nieuwe Liefde uit de bundel Het sienjaal (1918) roept hij, intenser dan wie ook, de sfeer op van de buurt bij Bonaparte-, Willem- en Kattendijkdok – Het Eilandje, zeg maar – met haar brede, naar exotische oorden genoemde straten en immense pakhuizen:
“Daar gaat mijn nieuwe liefde waar noordwaarts der stad / de straten saamlopen op dokken, stroom, kanalen en stapelhuizen / en zich weer in eindeloze dokken splitsen en verbreden, ’t land in. / Alles is nieuw nu, door deze zomer; de onbekende straten dragen namen van rivieren en van landen, ook van steden; / alles is zo tastbaar wezenlik, spijts het vaag suggestieve van die namerij. / rijpt nu zang om het geluk dat lacht uit stapelhuizen, / speelt over de blinkende rails van de spoorweg, de ijzeren bruggen en de elevators. Mijn nieuwe geluk brandt”
Een minder bekende Antwerpse expressionist is Victor J. Brunclair (1899-1944). Brunclair schreef gedichten à la Van Ostaijen én proza. In Weerspiegeld Antwerpenis een beschrijving opgenomen van Het Eilandje – één van de volledigste die ooit zijn geschreven, compleet met de afvaart van een Red Star-schip.
Victor J. Brunclair.
“De Montevideostraat, zij suggereert zo volheerlik de landen van de tweede kans – is een cloacum, waar alles doorelkaar wriemelt dat zijn laatste kans heeft gemist. Schorre sjouwerlui, half gekraakt en schier hoorndul door een onmatig gebruik van ersatzporto zingen er dronkemansliedjes voor hun gemelik kroost. Morsige boefjes azen er op kattekwaad, spijts het scheldend vermaan der katijven. (…) Zo belanden wij dan, het is scheepsvertrek, en de flanken van de transatlantieker sidderen van ongeduld naar de kozing van het ruime sop, op de Rijnkaai, die a giorno tintelt in de malve avond. Havenlichtjes knipogen. De janmaten maken goede sier. En versufte landratten proeven een rondeken mee. Dat is namelik een recept, om zonder ongemak de zilte plas over te steken. Een deugdelike dozis zatheid traint je voldoende om het rollen van ’t schip triomfantelik te doorstaan. Bombaymannetjes trippelen voorbij en Orientvizioenen doortinten hun gitogen.”
De SS Lapland.
“Gelegenheidsliefjes staan te wenen om het afscheid, en de bootsgezellen beloven plechtig te zullen schrijven. De waardinnen achter de schenkbank zijn duchtig in de weer en houden hun boekhouding met dubbel krijt. Dan begint de buikspraak van de zeekolos. En de orchestrions moeten het afleggen tegen zijn basgeluid. De laatste koopwaar en de laatste manschappen worden aan boord gehesen. Katrollen krijsen voor het laatst. Aan wal begint het gekrijs over heel de lijn. Als de gangway wordt gelicht vlinderen zakdoekjes. Een geïmproviseerd quatuor op het dek heft een vaarwelzang aan zwaar van weemoed en nostalgie. Op het donkere tussendek groezelen Polakken. Korte kommando’s knallen, en adieu, daar gaat ie. De wimpel in top spant zich strak. De schroef waaiert waterparelen. Het schip vaart als een gratievolle reus sierlikschoon de nacht tegemoet.”
B i b l i o g r a f i e
ALSTEIN. Het Uitzicht op de Wereld. Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 1984.
BAEKELMANS, L. De Doolaar en de weidse Stad. Zele, DAP Reinaert Uitgaven, s.d. (1978), 6de.
BOM, DE, E. Wrakken. Manteau, Antwerpen, 1988 (4de).
Bouwstoffen voor de Geschiedenis van Antwerpen in de XIXde eeuw. Instellingen. Economie. Cultuur. Antwerpen, Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis en Lloyd Anversois, 1954.
DEPREZ, A., GOBBERS, W. en WAUTERS, K. (RED.) Hoofdstukken uit de Geschiedenis van de Vlaamse Letterkunde in de negentiende eeuw. Deel 1 en deel 3. Gent, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal-en Letterkunde, 1999 en 2003.
EEKHOUD, G. La nouvelle Carthage. (Anastatische herdruk van de Parijse editie van 1914). (Collection Ressources nr. 135). Parijs; Genève, Slatkine, s.d. (1982).
GILLIAMS, F. De man voor het venster, 1932-1940. (Vlaamse Bibliotheek nr. 8) Antwerpen, Houtekiet, 2000.
Histoire de la Littérature belge francophone 1830-2000. S.l.n.d. (Parijs, Librairie Arthème Fayard, 2003).
LAMPO, J. Tussen kaai en schip. De Antwerpse havenbuurt voor 1885, Leuven, Davidsfonds, 2002.
LAMPO, J. Verzonnen Stad. Antwerpen in de literatuur – literatuur in Antwerpen, Antwerpen; Amsterdam, Manteau, 1994.
LUCIEN, M. Eekhoud le rauque. S.l.n.d. (Rijsel, Presses universitaires du Septentrion, 1999.
OFFEL, VAN, E. Antwerpen 1900. Antwerpen, De Sikkel, 1950.
OFFEL, E. VAN. Vader vertelt. Antwerpen, De Dageraad, 1982.
OSTAIJEN, VAN, P. Verzameld Werk. Poëzie. 2 delen. Amsterdam, Bert Bakker, 1979.
POFFÉ, E. Plezante Mannen in een plezante Stad. (Antwerpen tusschen 1830 & ’80). Antwerpen, J.-E. Buschmann, 1913.
SLEECKX, D., In ’t Schipperskwartier. Brussel, Uitgeverij Steenlandt, 1943.
Weerspiegeld Antwerpen. Hoe ’t vroeger was: onze Schrijvers over hun Stad. Antwerpen, De Sikkel, 1929.
WILMARS, D., ‘Arm Vlaanderen’ zingt of Het Geluk der Onbewusten, Antwerpen, De Dageraad, s.d. (1975).
“De vakantie verliep zoals de vorige. Het enige verschil was dat Laurent in het grote, opnieuw bemeubelde huis meer nog dan voordien aan zijn lot werd overgelaten,” schrijft de Franstalige Antwerpse romancier Georges Eekhoud (1854-1927) in zijn roman La Nouvelle Carthage (1888, definitieve versie 1893).
Georges Eekhoud en zijn vader, ca. 1860.
Eekhoud was atheïst, homoseksueel en anarchist. Hij toonde sympathie voor de Vlaamse Beweging. Geen wonder dus, dat België het moeilijk met hem had. Maar Eekhoud had invloedrijke medestanders in Brusselse literaire middens. Dat leverde hem op het eind van zijn leven toch nog de nog de nodige eerbewijzen op.
De hoofdpersoon van La nouvelle Carthage is Laurent Paridael, een wees die opgroeit in het huis van zijn oom, de rijke kaarsenfabrikant Dobouziez.
“Hij benijdde de afgedankte meubels die op de halfdonkere, stoffige zolder van een welverdiende rust genoten. Ze vielen niet meer in de smaak, maar de vernederende confrontatie met hun opvolgers bleef ze tenminste bespaard. Terwijl hij, die de familie nooit had bevallen, nog altijd het gevoel had dat zijn aanwezigheid een valse noot was tussen de overdadige snuisterijen en de schrale planten.”
Eekhoud verwerkte feiten uit zijn eigen jeugd. Net als zijn protagonist was hij de zoon van respectabele, maar arme ouders (1). Zoals kleinburgers betaamde, spraken de Eekhouds Frans (de schrijver betreurde later dat hij niet genoeg Nederlands kende om in die taal te schrijven). Eekhouds moeder, Guillemine Oedenkoven, was van Hollands-Duitse afkomst. Zij was een gecultiveerde vrouw die haar zoon liefde voor literatuur en muziek bijbracht. Na haar dood woonde Eekhoud een tijd bij zijn grootmoeder Oedenkoven. Toen in 1865 ook zijn vader stierf – Eekhoud noemde hem, met veel overdrijving “patricien de grande race avec des goûts d’ouvrier et de paysan” – werd de elfjarige aan de zorgen van zijn oom Henri Oedenkoven toevertrouwd. Oedenkoven was mede-eigenaar van de bekende kaarsenfabriek De Roubaix-Oedenkoven in Borgerhout, waar hij later burgemeester werd.
Toch vatte Georges Eekhoud, die zich zou ontpoppen tot een groot bewonderaar van Emile Zola, La Nouvelle Carthage minder op als een autobiografie, dan als de beschrijving van een milieu: Antwerpen. Omdat de roman, de slappe intrige ten spijt, in eerste instantie een portret van de stad is, waarvan ook de zelfkant uitgebreid aan bod komt, kreeg het boek een mythisch statuut: velen hebben ervan gehoord, maar weinigen lazen het. Het feit dat het Franse origineel niet beschikbaar is in de boekhandel (in 1984 verscheen bij de Parijse Editions Slatkine in de Collection Ressources een anastatische herdruk) en dat de enige vertaling al uit de jaren 1920 dateert (de citaten in dit artikel vertaalde ik zelf), is daar niet vreemd aan.
Antwerpen in 1880.
Het Antwerpen in La Nouvelle Carthage is dat van de jaren 1870-1880: een stad in volle ontwikkeling, die op het ogenblik van de publicatie van de roman bijna onherkenbaar was geworden. Het boek is dus ook, maar niet op een naïeve manier, de neerslag van een groot heimwee naar een wereld die in de vergeetput van de geschiedenis viel.
In 1843 was de Ijzeren Rijn, de spoorweg tussen Antwerpen en zijn Duitse hinterland, voltooid. Twee decennia later kocht de staat de tol af die Nederland sinds de afscheuring van België op de Schelde hief. De toenemende trafiek noopte tot de uitbreiding van de haven in het noorden. De afbraak van de 16de-eeuwse omwalling ontsloot de dorpen om de stad, die hun agrarisch karakter verloren. Omdat de steeds grotere zeeschepen dreigden vast te lopen in de modder van de schuin oplopende Schelde-oever voor Antwerpen, besloot men in 1877 hem recht te trekken en nieuwe kaaimuren te bouwen.
Bij die gigantische onderneming werd het oude stadsdeel op en om de Werf afgebroken. De landtong zelf werd volledig weggegraven. Daarbij verdwenen de romantische promenade met platanen langs de stroom, en de schilderachtige, maar ongezonde ruien of stadskanalen. Ook de Riedijk – Eekhoud schreef “Riet-Dijk” – de beruchte rosse buurt, werd van de kaart geveegd.
Het bedrijf van Eekhouds oom Oedenkoven stond aan de ’s Herenstraat, ten noorden van de Herentalse Vaart en de Plantin-en Moretuslei. Die laatste was toen nog een landweg; enkele jaren na de publicatie van de roman bouwde men aan de overkant de wijk Zurenborg. Aan de fabriek, die tot in de jaren vijftig bleef bestaan, wijdde Eekhoud enkele van de scherpste bladzijden in La Nouvelle Carthage:
“De geur van de fabriek bleef in Laurents neus hangen. Vooral de stank van de gracht die langs het immense fabrieksterrein liep. Daar werden de vette bezinksels en giftige zuren geloosd die bij de raffinage van het kaarsvet vrijkwamen. De smerige uitwasemingen vermengden zich tot een vette, zalfachtige geur, die Laurent tot in de gangen van het pensionaat achtervolgde, opdringerig als een vulgair deuntje dat hij niet uit zijn hoofd kon zetten. (…) De dag van Laurents afreis was de bedorven gracht ook de laatste om hem uitgeleide te doen. Ze volgde hem als een verloren, schurftige teef, die een armoedige voorbijganger naloopt.”
Georges Eekhoud omstreeks 1866.
“(…) De mensen die in de nabijheid van de gracht woonden, waren arme stumpers, volkomen afhankelijk van de machtige fabriek. Onder elkaar morden ze wel, maar luidop hun beklag doen, durfden ze niet. Hun gelatenheid sterkte de patroons in het voornemen de hoge kosten die de overwelving van het riool zou meebrengen, uit te stellen. In de loop van die augustusmaand brak echter een cholera-epidemie uit die hen aan het denken zette.”
“Aangelokt en versterkt door de uitwasemingen van de gracht, hield de plaag in de omgeving van de fabriek heviger huis dan in eender welke andere wijk van de stad. De inwoners van het voorgeborchte stierven als vliegen. Hoewel de overlevenden vreesden dat openlijk protest hongersnood over hen zou brengen, meenden de Dobouziez’ dat ze de bevolking die zich in stilte tegen hen keerde, moesten paaien.”
De jonge Eekhoud was ook getuige van society-aangelegenheden als een boottocht met een jacht naar Hemiksem of een bal, opgeluisterd door de aanwezigheid van de hele haut commerce van de stad. Ze kwamen allemaal in zijn boek terecht. Maar zo ver was het nog niet.
Om Eekhoud voor te bereiden op het zakenleven, stuurde zijn oom hem in 1866 naar een chique kostschool in Zwitserland. Naar eigen zeggen werd Eekhoud er verteerd door heimwee. Hij las de klassieken van de wereldliteratuur én Conscience, die hij ook als volwassene bleef bewonderen. Later, in 1881, zou Eekhoud hem zelfs het enige interview afnemen, dat hij in boekvorm liet verschijnen.
Hendrik Conscience.
In 1882 werd Eekhoud leerling aan de Koninklijke Militaire School in Brussel. Hij kreeg er Franse literatuur van Charles de Coster (1827-1879), de schrijver van La Légende d’Ulenspiegel. Eekhouds literaire ambities – zijn eerste gedichten stammen uit zijn Zwitserse tijd – namen stilaan vaste vorm aan, maar zijn prestaties als student lieten te wensen over. Ten slotte werd hij van de school verwijderd na een duel met zijn medeleerling Camille Coquilhat, de latere medewerker van Stanley en vice-gouverneur-generaal van de Congo Vrijstaat.
Oedenkoven wist geen raad meer met zijn pupil en liet hem meerderjarig verklaren, zodat Eekhoud de kleine erfenis van zijn vader kreeg. Inplaats van een betrekking te zoeken, zwierf de jongeman door Antwerpen en door de Kempen. Uit geldnood werd hij ten slotte corrector en later journalist bij het dagblad Le Précurseur. Op kosten van zijn grootmoeder, die ook zijn dichtbundels Myrtes et Cyprès, Zigzags Poétiques (1877) en Les Pittoresques (1879) financierde, bezocht hij in Parijs Zola.
Georges Eekhoud als jongeman.
In 1879 stierf oma Oedenkoven en erfde Eekhoud van haar. Hij betrok haar huis aan de Antwerpsesteenweg in Kapellen. Later beweerde hij dat drinkgelagen, jachtpartijen en ontvangsten elkaar daar in zo’n tempo opvolgden, dat ze de hem in een mum van tijd ruïneerden. Maar daar is niets van aan: zo bemiddeld was Eekhouds grootmoeder niet. Na twee jaar vertrok de schrijver met stille trom naar Brussel.
Eekhoud werkte er voor de krant L’Etoile belge. Hij produceerde ook Eugène Sue-achtige volksromans, onder meer onder de nom de plume Grabriel d’Estranges. Als zodanig schreef hij Le petit Mendiant ou le Chanteur des Rues bruxellois, gebaseerd op het succesvolle volksstuk De Brusselse Straatzanger van Julius Hoste sr. De Nederlandse versie van de roman vermeldde als auteurs D’Estrange en Hoste.
In 1883 verscheen Kees Doorik, Eekhouds eerste roman. De hoofdpersoon is een door afkomst en milieu gedetermineerde “primitief” uit de Antwerpse polders. Eekhoud bediende zich van een geraffineerde stijl met vele adjectieven, neologismen en archaïsmen. De synesthesie was een van zijn geliefkoosde stijlfiguren. Ondanks zijn grote gehechtheid aan de stad en de streek van zijn jeugd, ademde zijn oeuvre van in het begin een totaal andere sfeer dan de Vlaamse streekliteratuur van die tijd. Dat blijkt duidelijk uit de naturalistische novellen in Kermesses (1884) en Nouvelles Kermesses (1887).
Eekhoud raakte bevriend met Georges Rodenbach, Emile Verhaeren en Camille Lemonnier. Hij werd redacteur van het tijdschrift La Jeune Belgique, dat in de jaren tachtig een belangrijke rol speelde in de vernieuwing van de “Belgische” literatuur. Uit 1886 dateert Eekhouds contact met het socialisme. Zes jaar later werd hij medewerker aan de Entretiens littéraires et politiques, de latere Mercure de France, een anarchistisch blad dat het symbolisme propageerde. Vooral Rémy de Gourmond droeg ertoe bij dat hij met zijn verhalenbundels Cycle patibulaire en Mes Communions in Frankrijk doorbrak. Zodra La nouvelle Carthage begon te verschijnen, werd hij er beschouwd als de voornaamste Belgische schrijver.
Laurent Paridael wordt verliefd op zijn nicht Gina, dochter van de kaarsenfabrikant. Dat is de rode draad van een breed opgezet fresco van het sociale, culturele en politieke leven in Antwerpen. Kleurrijke, soms pathetische tonelen stellen de ellende van arbeiders en landverhuizers tegenover het zwarte egoïsme en de corruptie van een hooghartige burgerij.
Gina trouwt met de gewetenloze reder Béjard, ook al houdt ze van de jonge, links-liberale politicus Bergmans. Wanneer oom Dobouziez Laurent aan de deur zet, vindt deze in de stad een onderkomen bij Tilbak, een ontslagen arbeider van de fabriek. Laurent gaat werken bij een “natie” of veembedrijf. Hij komt onder de indruk van Bergmans. Na een felle campagne tegen de partij van Béjard en andere magnaten, lijdt diens partij bij de gemeenteraadsverkiezingen een nederlaag. Eekhoud gaat er niet diep op in, maar verwerkte hier herinneringen aan de strijd tussen de liberalen, die bijna de hele 19de eeuw in de stad aan de macht waren, en de Meetingpartij.
De Meetingpartij ontstond in de jaren zestig uit protest tegen de plannen van de regering voor een nieuwe fortengordel om Antwerpen. Reders en handelaren vonden dat funest voor de havenuitbreiding; de man in de straat vreesde dat zijn stad in geval van oorlog het doelwit van de vijand werd. Velen herinnerden zich het bombardement door Chassé. Ook het lot van Sebastopol tijdens de Krimoorlog lag nog vers in het geheugen.
De Meetingpartij verenigde katholieken, linkse liberalen en flaminganten. In 1862 won zij de gemeenteraadsverkiezingen. Het duurde tien jaar voor de liberalen het opnieuw in het stadhuis voor het zeggen kregen. De Meetinpgartij stootte ook door naar het parlement, waar haar afgevaardigden aan de basis lagen van de eerste taalwetten.
Via Bergmans maakt Laurent kennis met de componist Rombout De Vyvéloy – naar verluidt een portret van Peter Benoit – en de schilder Marbol. Béjard stort zich intussen in het zeer winstgevende transport van arme emigranten naar Zuid-Amerika. Agenten ronselen hen op het platteland en hij verscheept ze op nauwelijks zeewaardige boten. Eén van de aangrijpendste hoofdstukken van La Nouvelle Carthage is dat waarin een heel dorp, fanfare op kop, scheep gaat naar onbekende verten – ik citeer het in een van de volgende hoofdstukken.
Eekhoud wijdde ook uitstekende bladzijden aan het marginale volkje van de havenkant, zoals de runners die binnenvarende schepen tegemoet roeiden om hun waar aan de man te brengen en de matrozen mee te tronen naar een bordeel. Uit zijn werk en zijn vele contacten met socialisten en anarchisten blijkt dat Eekhoud een sociaalvoelend man was. Maar zijn voorliefde voor de bas fonds van de samenleving was toch vooral van esthetisch-persoonlijke aard. De beschrijving van het subproletariaat liet hem toe zijn eigen fantasmen en obsessies uit te schrijven.
Uiteraard kwam de roemruchte Riedijk uitgebreid aan bod.
“Tot de buurten die op het punt stonden te verdwijnen,” schreef Eekhoud, “behoorde de Riet-Dijk, een steegje dat achter de huizen aan de kade kronkelde. Aan de ene kant kwam het uit bij een kanaal, gebruikt als dok voor binnenschepen en kerkhof voor oude boten en aan de andere kant bij de langere en ook bredere Burchtgacht.”
“Hier klonterden de bordelen aaneen. Samen vormden Riet-Dijk en Burchtgracht de Blijden Hoek uit oude kronieken. In de steeg stonden de panden waar de liefde veel geld kostte; in de brede straat vond men de gelegenheden waar de prijs binnen het bereik van bescheiden en onzekere fortuinen lag. Rijken, marineofficieren, matrozen, soldaten – iedere klasse, iedere categorie van vaste klant vond hier de geschikte hoerenkast.”
Ger Schmook ontdekte in 1971 dat de naam Riedijk voor het steegje én voor de Burchtgracht werd gebruikt, en dus eerder op de rosse buurt in haar geheel sloeg, dan op één straat. Het steegje dat Eekhoud Riet-Dijk noemt, was de Haringvliet. Het kwam uit aan de Koolvliet – daaraan herinnert de naam van wat nu een pleintje is – en vormde het verlengde van de verdwenen Mattenstraat. Van de Burchtgracht staat nog een deel overeind.
Emile Zola, een van Eekhouds grote literaire voorbeelden.
“De gesloten huizen aan de Riet-Dijk paarden modern comfort en elegantie aan de luxe van de oude stoven en badhuizen. Men bedreef er ontucht op ingewikkelde, geraffineerde en langdurige wijze. In de goedkope tenten om de hoek kwamen de bezoekers eerder voor opluchting dan voor genot. Sterke soldaten of matrozen – hun bloed kookte na lange nachten van onthouding, doorgebracht in een slaapzaal of benedendeks – kwamen er hun moeizaam opgespaarde soldij over de balk gooien.”
“Zij hadden geen boodschap aan de amoureuze liflafjes en het gekir van de bewoonsters dat in de chique huizen aan de feiten vooraf ging. Ze behoefden geen sprankelende wijn, geen afrodiscia. De roes die zij verlangden, was die van de dronkaard die staande aan de tapkast van de slijterij zijn glas vitriool achterover slaat. De clientèle van de Riet-Dijk daarentegen, gedroeg zich als de epicuristen die in keurige cafés eindeloos van geparfumeerde likeurtjes lebberen.”
“La nouvelle Carthage”, anastatische herdruk, Parijs, Slatkine, 1982.
“’s Avonds jammerden en reutelden harpen, accordeons en violen er om het hardst. Hun gejank was van op grote afstand te horen; straten ver maakte het de voorbijgangers en reizigers nieuwsgierig naar dit begijnhof der liefde. Snelle melodieën, vulgaire ritmes, verknoopt met het geschetter van kopers en het gegil van fluiten – er viel niet aan te ontsnappen.”
“Op straat, aan de verlichte vensters, temidden van de kermisdrukte, probeerden geile wandelaars met geveinsde onverschilligheid hun hete interesse te verbergen.”
“Binnen scheen een concert of bal aan de gang te zijn; tussen de rode gordijnen zag men op het matglas het silhouet van mannen en vrouwen. Op de meeste drempels stond een vrouw in het wit op de loer. Zij speurde in beide richtingen de straat af en noodde potentiële klanten met aandrang binnen. Groepjes aangeschoten matrozen of soldaten zwierven gearmd rond en hielden bij wijlen stil om te overleggen of hun geld bijeen te leggen. Gaan ze naar binnen? Ze tasten hun zakken af, op zoek naar geld, tot de grollen van de leurster in liefde enkelen zo opwinden dat ze naar binnen stappen. De een na de ander volgt. De dapperen duwen de bangeriken vooruit.”
“Het zijn rekruten van de laatste lichting, pas verloofde groentjes die zich nog levendig de waarschuwingen van meneer pastoor tegen de wulpse sirenen van de grote stad herinneren. Ze lopen gebogen, lachen te hard en blozen tot achter hun oren. Hun dapperder kameraden, oudgedienden die zichzelf verkopen om in de plaats van een ander naar het leger te gaan, zetten een grote bek op – stoppen sommige nachtschonen hun geen geld toe, inplaats van omgekeerd? – en stoten resoluut de deur open. Het gropeje wordt opgeslokt door een helverlichte salon, waar men kussen, oorvegen en boze woorden hoort en rauwe stemmen volksliedjes en soldatenrefreinen ten beste geven.”
Antwerpse prostituée, door Félicien Rops.
“Anderen, die geen geld hebben, maar wel een broek vol verlangen, blijven rondslenteren. Om hun pech te compenseren, maken ze grappen met de loksters en doen hun obscene voorstellen.”
Eekhoud was niet de enige 19de-eeuwse schrijver die de Rietdijk bezocht. Voor hem waren Gérard de Nerval en Charles Baudelaire er geweest. Baudelaire bracht Félicien Rops mee en die trommelde de zoon van Victor Hugo op.
Volgens Schmook publiceerde ene Oscar Uzanne in 1900 in Parijs een boek waarin hij herinneringen ophaalde aan de Riedijk. Hij had het over het atelier van “la maman Van der Mijn” waar men sprekende (!) poppen in gummi maakte, “die de eenzaamheid van de varende gezellen hielpen dragen” en bekend stonden als mannequins d’Anvers.
Bij Eekhoud staat daar niets over te lezen. “Bij de hoek van de Riet-Dijk,” schreef hij, “is het zo druk dat men er slechts met moeite vooruitkomt. De groepen schuinsmarcheerders en nachtrabauwen vermenigvuldigen zich. Meisjes van plezier, zwaar opgemaakt maar in maagdelijk wit, heupwiegen voorbij aan de arm van de heer en meester die het toeval hun vanavond toewees.”
“De bordelen aan weerszijden worden groter en luxueuzer – kathedralen in plaats van kapellen. Ook de clientèle stijgt in rang. Aan de Riet-Dijk ziet men geen zeelui meer; de wijze Odysseus van de handel laat er zich samen met de vroegrijpe Telemachus bedienen door sirenen en Calypso’s die wel degelijk te troosten zijn. Dat gebeurt in gereputeerde huizen, bekend over de hele wereld, met namen en reputaties die sindsdien legendarisch werden.”
“Bij Madame Jamar ging men prat op de Grot, het weinig orthodoxe meesterwerk van een aannemer, gespecialiseerd in Lourdes-grotten. De klanten van Madame Schmidt apprecieerden vooral de discretie, gewaarborgd door de aparte ingangen tot haar kleine salons, ingericht als de triclinia van Romeinse woningen. Madame Charles gaf hoog op van haar werkneemsters uit de vier windstreken en hun onberispelijke dienstverlening. Bovendien liet zij haar bezoekers de rekening vereffenen hoe en wanneer het hun uitkwam.”
“Alleen in het Palais de Cristal vond men beminnelijke en kersverse Engelse dames, terwijl het Palais de Fleurs zijn naam alle eer aandeed met vurige zuidersen, ja zelfs tempeldanseressen uit het Verre Oosten, wulpse Kreoolsen, vulkanische mulatinnen, betoverende quadronen en wispelturige negerinnen.”
Men zou de laatste paragraaf met enige slechte wil racistisch kunnen noemen, maar Eekhoud deed niets meer dan de vooroordelen van zijn tijd herhalen.
19de-eeuws bordeeltafereel uit de film ‘L’Apollonide. Souvenirs de la maison close” van Bertrand Bonello.
“Bordelen met kazernehoge gevels bestookten elkaar met het licht dat uit hun ramen naar buiten scheen. Vestibules zoals die in Pompei, met mozaïekvloeren, klaterende fonteinen en standbeelden, gaven een idee van wat binnen te verwachten viel. Achter spiegelglas, gedecoreerd met symbolen en emblemen, tussen veelkleurige muurbekledingen als die in een Byzantijnse huiskapel, in kamers waar vlakken vermiljoen, sinopel of goud schetterden in het schitterende schijnsel van kandelaars, vermoedde men alle stadia van de ontucht – van hete kussen en opwindende handtastelijkheden op roodfluwelen sofa’s tot het allerintiemst bezit, bedreven in bovenkamertjes met getraliede ramen als die van cellen in een slotklooster.”
“De lucht in de wijk was vervuld van nauwelijks definieerbare geuren. Doorheen de havenstank van wier, watervogels en teer werd men muskus en het parfum van schoonheidszalven gewaar. Doorheen de tralies voor de open ramen der alkoven baande de zware, bedwelmende reuk van bronst zich een weg.”
“Naarmate de nacht verliep, gedroegen de vrouwen zich vrijpostiger. Het scheelde niet veel of ze sleurden de weerbarstigen en de talmers met geweld mee. Gejoel overstemde bijwijlen het geroezemoes van de menigte. Maar nog altijd klonk boven alles uit het gehark van mishandelde gitaren, het prikkelende pizzicato van de mandolines en de vette, vierkante dansmuziek uit de musico’s, af en toe afgewisseld door het klinken van glazen, schor gelach en het knallen van champagnekurken.”
Eekhouds vriend en minnaar, de schrijver en criticus Sander Pierron, door Frans Van Holder
“Tot elf uur mochten de bewoonsters volgens een ploegensysteem rondhangen in de buurt en zelfs gaan dansen in de Waux-Hall en de Frascati, twee danszalen aan de Burchtgracht. Na elven heerste voor hen echter een uitgaansverbod. Zodra deze bedrieglijke rust intrad, zag men op straat nog slechts ernstige habitués. Maar ook achter hen gingen weldra de deuren van de ontuchthuizen dicht. Zelfs het gejammer van de muziek verstomde Weldra hoorde was nog enkel de klaagzang van de bij hoog tij gezwollen stroom te horen, en de golven die tegen de palen van de aanlegplaatsen sloegen. Bij tussenpozen werden ze overstemd door de jammerklacht van de stoom in een ketel, waarvan de stoker de druk opvoerde met het oog op de afvaart in alle vroegte.”
“Dan brak het uur aan van de heimelijke feesten, de clandestiene priapeeën en het beschamend samentreffen. Met hoog opgezette kraag en de hoed diep over de ogen slopen nachtelijke wandelaars langs de gevels van de bordelen en roffelden maçonnieke signalen op geheime deuren in donkere steegjes. Iedere bijeenkomst eindigde met een bedevaart naar de Riet-Dijk. Vreemdelingen, die in de loop van de dag de woonst van het drukkersgeslacht Plantin-Moretus bezochten en naar de Rubens’en in de kathedraal gingen kijken, lieten er zich naartoe brengen. Wie zopas nog het woord had gevoerd op een banket, bracht er zijn laatste toast uit.”
“Goede en slechte tijden vielen in deze bijzondere wijk samen met de fluctuaties van de handel in de metropool. De Frans-Duitse oorlog luidde een ongekende bloei in Nooit tevoren waren zoveel fortuinen bijeengegaard en verschenen zoveel parvenus ten tonele, die gehaast waren om te genieten.”
Editie van de brieven van Georges Eekhoud en Sander Pierron door Mirande Lucien
“Nog voor de legende ze onsterfelijk maakte, herhaalden de tijdgenoten tegen elkaar het relaas van de lupercaliën die geniepige nabobs met een respectabel uiterlijk in deze tempels van de lust organiseerden.”
“Bij sommige gelegenheden riepen de vaste klanten – speculanten als zij waren, hielden zij er de gewoonte op na alle voorraden op de markt ineens op te kopen – alle hens aan dek en legden beslag op het voltallige personeel. Zij hielden van veelsoortige opwindende taferelen, tableaux vivants, sadistische toneelstukjes en uiterst scabreuze mimevoorstellingen; ook vergaapten zij zich aan lesbisch minnespel en schepten genoegen in het gedoe van de olifantdikke Pâquerette en de spichtige teringlijdster Lucie.”
La Nouvelle Carthage is een roman vol beschrijvingen. Zelfs de geforceerde ontknoping, waarbij Laurent en Béjard om het leven komen, vindt plaats tegen de achtergrond van een reële gebeurtenis: de ontploffing van de buskruitfabriek Corvilain, in de roman eigendom van de reder (Eekhoud wekte Laurent Pariadel later opnieuw tot leven in Voyous de Velours, dat in de Brusselse Marollen speelt).
Georges Eekhoud in 1922.
Toch gaat het niet om een louter descriptief boek, zoals de volgelingen van Zola produceerden. Onder invloed van het symbolisme gaf Eekhoud banale elementen uit de realiteit een centrale rol als symbool of metafoor. Hun wisselwerking verleent de roman zijn dynamiek; soms lijken ze zelfs aan de controle van de auteur te ontsnappen om, ingebed in het relaas over de stad, een eigen leven te leiden. Zij compenseren de geringe geloofwaardigheid van Laurents kuise liefde voor de onbereikbare Gina als psychologische “motor” van het verhaal.
Dit blijkt o.m. uit het hoofdstuk Le Fossé, opgebouwd rond één centrale metafoor, de gracht waarin het afval van de fabriek wordt geloosd. Zij symboliseert de smerige rijkdom van de fabrikant, de ellende van zijn arbeiders, blootgesteld aan de giftige uitwasemingen, en staat voor de exploitatie en vernietiging van de natuur. Tenslotte is ze – voor Laurent met zijn kinderlijke gevoelens voor de Madonna-achtige Gina, een symbool van een als dreiging ervaren (vrouwelijke) seksualiteit.
Wanneer onder de arbeiders weer eens een besmettelijke ziekte uitbreekt, is Laurent er in een hallucinante passage getuige van hoe de vrouwen bidden voor een O.-L.-Vrouwbeeldje; het schijnt hem toe dat het de trekken van zijn nicht heeft. Bijwoorden en adjectieven maken van het zien en ruiken van de gracht een intens-lichamelijke ervaring. Laurents walging en verlangen – gevoelens die verband houden met ontwakende, maar meteen vedrongen sexualiteit – vloeien in elkaar over.
De homseksueel Eekhoud vereenzelvigde zich sterk met Laurent Paridael. Misschien is de gracht daarom ook een door angst geïnspireerde metafoor van zijn geaardheid – in de toenmalige samenleving onaanvaardbaar en onbespreekbaar. Dat hij daar niet expliciet over kon schrijven (later deed hij het wel) verklaart misschien de wat krampachtige gevoelens van Laurent en het alomtegenwoordige gemis waarvan de roman is doortrokken, zonder dat de oorzaak duidelijk wordt.
Frontispies van “Escal-Vigor”.
In 1900 zou Eekhouds Escal-Vigor, een van de eerste romans die openlijk het onderwerp homoseksualiteit behandelden, voor een groot schandaal zorgen. Samen met Camille Lemonnier, vervolgd voor L’Homme en Amour, moest de schrijver zich “verantwoorden” voor het Hof van Assisen. De linkse Brusselse advocaat en auteur Edmond Picard – hij ontpopte zich later tot rabiaat antisemiet en schreef een anti-joods pamflet waarvan de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog dankbaar gebruik maakten! – verkreeg hun vrijspraak. Escal-Vigor kende succes; Colette verwijst ernaar in haar Claudine à Paris en Jacques Brenner herinnert zich in zijn inleiding tot de herdruk van 1982 hoe hij in 1930 een exemplaar van de elfde druk op de kop tikte.
Eekhouds grote eruditie blijkt uit Les Libertins d’Anvers (1912) dat het midden houdt tussen een roman en een historische studie. Het boek draait om Eligius Pruystinck, de Antwerpse ketter en sekteleider uit de 16de eeuw. Daarin legde Eekhoud – ten onrechte – een verband tussen Tanchelm, Guillielmus Cornelis en zijn protagonist.
Het ging Eekhoud voor de wind. In 1893 was La nouvelle Carthage bekroond met de Vijfjaarlijkse Staatsprijs voor Franse literatuur. Het jaar daarop werd de schrijver docent aan de Université Nouvelle, een anarchistische afsplitsing van de Université libre de Bruxelles. Hij was ook leraar aan de Brusselse normaalschool. Maar dat bleef niet duren: zijn begrip voor het activisme kostten hem na de wapenstilstand in 1918 al zijn functies.
In 1919 kwam een steuncomité tot stand om hem te helpen. Daartoe behoorden o.a. August Van Cauwelaert, James Ensor, Henri Barbusse, Henry Van de Velde, Emile Vandervelde en Romain Rolland. En in 1920 benoemde Albert I Eekhoud op voorstel van de Waalse politicus Jules Destrée tot lid van de pas opgerichte Académie Royale de Langue et de Littérature françaises.
Georges Eekhoud stierf op 29 mei 1927 – hij was volop bezig met de correctie van zijn laatste roman Magrice en Flandre – aan zijn schrijftafel in zijn huis in Schaarbeek.
Na de Tweede Wereldoorlog raakte zijn werk in de vergeethoek. Hoewel sinds enkele jaren ook in Vlaanderen een hernieuwde belangstelling bestaat voor de Frans-Belgische letteren (en voor de Vlaamse auteurs die daartoe bijdroegen) kwam er nog maar één Eekhoud-vertaling op de markt, nl. Bloedige Kermis met verhalen uit Kermesses, Nouvelle Kermesses en Le Cycle Patibulaire door Jan H. Mysjkin (1992).
En dat is jammer, want zoals Mysjkin in zijn nawoord Een Vlaamse Gorki schrijft: “Wanneer men het in Nederland over de Tachtigers heeft, dan denkt men aan schrijvers als Willem Kloos, Lodewijk van Deyssel of Herman Gorter. Wanneer men het in Vlaanderen over de beweging van Tachtig wil hebben, doet men er beter aan namen als Georges Eekhoud, Maurice Maeterlinck, Georges Rodenbach en Emile Verhaeren in herinnering te brengen, dan illustere ongelezenen als Prosper van Langendonck of Pol de Mont.”
Het Georgers Eekhoud-kabinet in de Antwerpse Stadsbibliotheek, ca. 1950.
Voetnoten
(1) De eerste volwaardige biografie van Eekhoud vindt men in de studie van Mirande Lucien, Eekhoud le rauque, die in 1999 verscheen bij de Presses universitaires du Septentrion in rijsel. Ze is essentieel omdat vroegere biografen zich lieten misleiden door foutieve informatie die Eekhoud zelf over zijn leven verschafte.
Op 5 oktober 1943 verscheen in het dagblad De Gazet het artikel Het Herfstprogramma van ‘A. Manteau N.V.’ te Brussel. Het is niet vreemd dat het dagblad Angèle Manteau ten tonele voerde. De uitgeverij Manteau gaf weliswaar “linkse” auteurs uit, maar ook schrijvers als Valère Depauw en de “opportunisten” Walschap en Roelants. Bovendien bracht het bedrijf af en toe een herdruk van bijv. Filip de Pillecyn.
Wie over boeken wilde berichten, kon niet om Angèle Manteau heen. Dank zij de ontmanteling van het uitgeverswezen in Nederland had zij de rechten verkregen op titels uit het fonds van Nijgh en Van Ditmar, waaronder boeken van Walschap. Daar komt bij dat de leeshonger tijdens de bezettingsjaren groot was. De oplagen van populaire schrijvers als Walschap, Maurice Roelants en Valère Depauw namen sterk toe. Herdrukken gingen bliksemsnel de deur uit. Dit alles verplichtte de uitgeefster zelfs tot de aankoop van papier op de zwarte markt. Pogingen van de Duitse Propaganda Abteilung om de oplagen te bepalen en zo invloed uit te oefenen op de literaire markt mislukten – deels omdat Manteau ze omzeilde, deels omdat de bezetter niet erg hard probeerde. Hierdoor groeide 1942 voor de firma uit tot een recordjaar.
De uitgeverij kon veelbelovende debuten brengen, zoals in 1943 De voorstad groeit, het debuut van Louis-Paul Boon, en de novelle Don Juan en de laatste Nimf van Hubert Lampo. In het interview met De Gazet vermeldde Angèle Manteau beide boeken en kondigde meteen de verschijning aan van Lampo’s essay De Jeugd als Inspiratiebron in de Basisreeks van haar uitgeverij.
Anders dan in Nederland
Dat schrijvers die niets met de Nieuwe Orde te maken hadden in bezet België ongehinderd werk konden laten verschijnen, was te danken aan het feit dat de Duitsers voor boeken geen preventieve censuur instelden; ze legden auteurs ook geen speciale voorwaarden op om te mogen publiceren. Wat de bezetter vooral interesseerde, was de centralisatie van de culturele instellingen en de uitbreiding van zijn contacten met Duitsland. Daar komt bij dat de Militärverwaltung de Duitse bemoeienissen discreet wilde houden; ze rekende op collaborateurs om alles in goede banen te leiden.
(Anders dan Nederland, kende België geen Cultuurkamer. De Duitsers zagen in dat hun politiek in Nederland niet vlot van stapel liep. Bovendien wilden zij rekening houden met bepaalde gevoeligheden in Wallonië.)
Angèle Manteau
De Vlaamse Cultuurraad, die al voor de oorlog bestond, moest voortaan het culturele leven coördineren en de culturele betrekkingen met het Derde Rijk bevorderen. Bij zijn aanstelling in 1940 – tot de leden behoorden o.a. De Pillecyn en de historicus Van Roosbroeck – liet de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen bij monde van Maurice Roelants instemmende geluiden horen, maar uiteindelijk profileerde de Vereniging zich niet als pro-Duits.
Omdat nationale vergaderingen onmogelijk waren, splitste de VVL zichzelf op in gewestelijke Kamers. In Antwerpen waren er tot 1942 geregeld vergaderingen. Daarna vielen de werkzaamheden zo goed als stil. De VVL bleef ook losstaan van de Kamer voor Letterkundigen van het Kunstenaarsgilde. Dat laatste werd eveneens opgericht in 1940. Vele kunstenaars maakten er deel van uit, hoewel van bij het begin duidelijk was dat joden en vrijmetselaars niet mochten toetreden. Eén der actiefste bestuursleden was, alweer, De Pillecyn. De kamer voor letterkundigen werd voorgezeten door Walschap.
Het gilde leunde aan bij de Nieuwe Orde, maar niemand werd verplicht om er lid van te zijn. Veel politieke invloed oefende het niet uit. In de praktijk fungeerde het vooral als een beroepsvereniging die materiële steun verleende aan hulpbehoevende leden. Vanaf 1943 namen invloed en ledenaantal van het gilde trouwens sterk af.
Kris Humbeeck
De studie van het literaire gebeuren tijdens de bezetting staat nog in haar kinderschoenen. Maar daar komt stilaan verandering in, o.m. door werken als Het cultureel leven tijdens de bezetting van Herman Van de Vijver, dat verscheen als achtste deel in de reeks België in de Tweede Wereldoorlog bij de gelijknamige reeks BRT-televisiedocumentaires.
Belangrijker nog lijkt mij de bundel essays Leurs Occupations. L’impact de la Seconde Guerre mondiale dur la littérature en Belgique. Het gaat om de neerslag van de werkzaamheden van de afdeling Literatuur van het Colloquium Société, culture et mentalités. L’impact de la Seconde Guerre mondiale en Belgique. Dit colloquium werd in 1995 georganiseerd door het Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. De bundel bevat essentiële teksten, zoals die van Kris Humbeeck over de receptie van het vroege werk van Louis-Paul Boon, een opstel van Ernst Bruinsma over Jeanne De Bruyn, één van Elke Brems over de literaire kritiek in Volk en Staat, enz.
Kris Humbeeck
De huidige stand van het onderzoek wekt de indruk dat vooral critici de Duitsers en het nazisme een warm hart toedroegen. Karel Vertommen, Ferdinand Vercnocke, Karel Horemans en Jan Demets constateerden immers bitter dat zelfs auteurs die bereid waren lippendienst te bewijzen aan de bezetter in de ban bleven van een “liberalistisch estheticisme” en de betekenis van hun tijd niet bevroedden. De jongeren, schreef Jan Demets in DeVlag, “…draaien vrijwel zonder uitzondering rond het kleine ik, van hersencel en geslachtsklier, welke laatste zij dan meestal hart noemen”.
Don Juan en de laatste nimf
De oudste recensie van Don Juan en de laatste nimf die ik aantrof, dateert van 4 juli 1943. Ze verscheen in Vooruit. Onderaan prijken de initialen “B.E.”. (1)
Het Gentse socialistische dagblad Vooruit was na de Duitse inval opgehouden met verschijnen, maar werd door de bezetter “gestolen”. Vanaf eind januari 1941 verscheen het opnieuw onder leiding van een Duitse Verwalter.
Het artikeltje van B.E. is een overwegend lovende kritiek, waarin sprake is van “merkwaardig suggestief proza (…) dat bovendien zuiver mag worden genoemd”. De grootste verdienste van de novelle bestaat er volgens B.E. in “dat de auteur voor het eerst misschien in onze Vlaamsche letterkunde er in gelukken mocht de Don Juan-figuur smartelijk en echt te doen leven.” Ideologische overwegingen komen in de tekst niet voor.
De tweede bespreking van de novelle staat te lezen in het nummer van 9 juli 1943 van het Franstalige culturele tijdschrift Comoedia. Ze is van de hand van J.-Henry Dannis (over wie ik verder geen informatie vond). Dannis is het eens met de B.E. van Vooruit in die zin dat het Don Juan-thema “a été repris souvent déjà, mais Lampo est parvenu à se l’assimiler, à en faire quelque chose de personnel.” Verder zegt hij: “Curieuse est l’atmosphère presque platonicienne de laquelle Lampo entoure son héros. (…) D’un bout à l’autre de ce livre, nous retrouvons cette atmosphère curieuse, mais qui donne à ce récit un cachet tellement aristocratique, que nous ne pouvons qu’en être émerveillés.”
Drie dagen later, op 12 juli 1943, publiceerde Herman Oosterwijk in de krant Het Vlaamsche Land een bespreking van drie debuten, waaronder Don Juan. Het gaat, wat die novelle betreft, om een bitterzoete recensie die oog heeft voor de stilistische kwaliteiten, maar ook voor een afkeurenswaardige inhoud.
Het Vlaamsche Land werd opgericht door de Politische Abteilung ter vervanging van Gazet van Antwerpen. Het ging om een populaire, katholieke krant, die zich vooral tot niet-collaborateurs richtte. Vanaf 1941 was de nieuweling Herman Oosterwijk (1902-1960) – hij maakte vooraf geen deel uit van de redactie van Gazet van Antwerpen – hoofdredacteur.
De Nederlander Oosterwijk was voordien o.m. directeur van de Nederlandsche Boekhandel te Antwerpen. Daarna stichtte hij het boekbedrijf Het Getij, dat o.m. de uitgaven van Nijgh en Van Ditmar in België verspreidde. Na de oorlog werkte hij vanuit Nederland onder het pseudoniem J. Roeland Vermeer als recensent voor De Standaard.
Oosterwijk maakte bezwaar tegen de “min of meer zwoele verbeelding” van de auteur van Don Juan, in zijn ogen een “moderne heiden” die “para-philosophische verzuchtingen” in zijn verhaal verwerkte en geneigd was “meer krediet te geven aan de Grieksche levensgenieters dan aan de ontwerpers eener zelfs geniale theodicee.”
Alsof dat allemaal niet erg genoeg was, is er de passage waarin de kasteelvrouw zich overgeeft aan Don Juan. Hier, zegt Oosterwijk, ontaardt het verhaal in “het puerielste simplisme”. Of nog: “Tot nu toe was het (…) nogal geloofwaardig, hier echter komt ons gezond verstand in opstand: neen, dit heeft de gravin niet gezegd!” En: “Ik vraag mij of of al het voorgaande een vernuftige vervalsching is, dat Lampo zijn ‘nymf’ als zulks een jammerlijke deerne, die slechts banaliteiten stamelt, durft voorstellen.”
Ideologische bezwaren
Met Herman Oosterwijk belanden wij dus wel degelijk bij een recensent met ideologische bezwaren. Hij is tegen zwoelheid, “parafilosofie”, “libertinisme” – ook dat woord valt – en kasteelvrouwen die zich als “deernen” gedragen (al is dat laatste natuurlijk zijn interpretatie van de betreffende passus). Met andere woorden: de recensent stelt impliciet dat wie een boek schrijft dat niet strookt met zijn zedelijke opvattingen, automatisch een slecht, “niet-geslaagd” boek schrijft. (Ik signaleer dit omdat recensenten nog altijd de denkfout maken die erin bestaat dat hun ergernis over de inhoud van een tekst meteen het bewijs vormt van het gebrek aan intrinsieke literaire kwaliteit van die tekst.)
Is Oosterwijks kritiek geïnspireerd door Nieuwe Orde-denkbeelden? Zij hoort thuis in een behoudsgezind en intolerant katholiek discours dat zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog gevoerd werd – zoveel is duidelijk. Ik denk dat men hiervan mag stellen dat het zich tijdens de bezetting probleemloos inpaste in dat van de nazi’s.
Urbain Van de Voorde
Dat het kritische discours in de oorlogsjaren niet altijd “nieuw” was, blijkt ook uit het lange artikel dat “U.v.d.V.” – het gaat zonder enige twijfel om Urbain van de Voorde (1893-1966) – op 4 september 1943 liet verschijnen in Laagland.
Laagland was een cultureel tijdschrift dat vooral op zijn frontapagina “radicale” artikels publiceerde, schrijft Herman Van de Vijver. Tot de medewerkers behoorden o.a. Herman Van Puymbrouck, Bert Ranke, Van de Voorde, Paul de Vree en Willy Vaerewijck. Laagland was de opvolger van het in 1939 door Rob Van Roosbroeck gestichte De Week en leunde aan bij de DeVlag.
Urbain Van de Voorde – Jeanne de Bruyn
Urbain Van de Voorde (1893-1966) had een activistisch verleden. Hij was dichter en werkte voor de oorlog als criticus mee aan o.m. De Nieuwe Rotterdamsche Courant. Tijdens de bezetting was hij vast medewerker aan Westland en publiceerde ook geregeld in DeVlag. Na de Bevrijding kreeg hij de bons als ambtenaar bij het Ministerie van Kunsten en Wetenschappen. Van 1947 tot 1952 was hij rubriekleider Kunsten en Letteren bij De Standaard. Hij bleef tot aan zijn dood meewerken aan die krant.
Van de Voorde was zonder meer opgetogen over Don Juan en de laatste nimf – meer dan opgetogen. Zijn lof sloeg vooral de vorm van de novelle. “In Lampo’s taal is er een rhytme, bewogenheid, beeldrijke evocatiekracht, geest en leven. (…) Lampo richt zich hier dadelijk op als een prozaïst van formaat, te meer daar alle opzettelijkheid of gewilde mooidoenerij in zijn stijl afwezig is.” Gaandeweg wordt duidelijk dat Van de Voorde ook tevreden is over Lampo “als verteller” en over de inhoud van het verhaal. Wat vooral opvalt, is dat hij het volstrekt eens is met de manier waarop de auteur de tragiek van zijn Don Juan-figuur heeft uitgewerkt.
Van de Voorde spreekt van de “subtiel geestelijke doordringing van het onderwerp” en van “verfijnde gevoelsnuanceeringen”. Voorts lezen we: “Zóó heeft Lampo de feitelijke tragiek der Don Juan-figuur scherp gevoeld en ook voortreffelijk uitgebeeld, en aldus onze letteren met een uitmuntende novelle verrijkt.”
Filip de Pillecyn
“Had de Pillecijn niet geschreven, Hubert Lampo zou zijn Don Juan en de laatste Nymf (…) wellicht niet, en heel zeker niet zóó geschreven hebben. Het boek druipt letterlijk van de Pillecijnsche reminiscenties.” Dat schreef Jeanne De Bruyn op 5 september 1943 in Volk en Staat. (Meteen kennen we de oorsprong van het taaie denkbeeld als was de jonge schrijver beïnvloed door de stijl van De Pillecyn – decennia later dook het nog op.)
Volk en Staat was een uitgesproken Vlaams-nationalistische en weldra Duitsgezinde krant, in 1936 opgericht als voortzetting van De Schelde. Het dagblad groeide uit tot partijorgaan van het VNV en ontving subsidies van het Duitse Propagandiministerium. Na een korte onderbreking in het begin van de oorlog verscheen Volk en Staat opnieuw vanaf 12 juni 1940. De krant werd voortaan gedrukt op de in beslag genomen persen van Volksgazet. Ze stond o.l.v. Jan Brans en nadien van het duo Antoon Mermans en Jan Brans. Volk en Staat bleef een VNV-koers varen, tegen DeVlag in. Toen Brans in 1944 naar Spanje vluchtte, nam Jeanne De Bruyn zijn plaats in.
Voor een profiel van Jeanne De Bruyn (1902-1975) verwijs ik naar het opstel van Ernst Bruinsma in Leurs Occupations. Reeds voor de oorlog stond De Bruyns literatuuropvatting in het teken van katholicisme en nationalisme. Tijdens de bezetting beschuldigde ze jonge Vlaamse schrijvers vaak van epigonisme omdat ze werkten in een traditie die geen aansluiting vond bij het “volk”. Later zette ze zich af tegen “steedse” en “decadente” literatuur en ongeremd “individualisme”. De Bruyn bepaalde mee het culturele klimaat in Vlaanderen voor en tijdens de bezetting en ontpopte zich tot een echte Nieuwe Orde-figuur. Bruinsma wijst op haar fanatieke persoonlijkheid, haar intolerantie en de “hysterische” toon van haar journalistiek werk.
Voorpagina van “Volk en Staat”
Twee van De Bruyns artikels bleven berucht. In het laatste nummer van Volk en Staat (3-4 september 1944 – Antwerpen werd op 4 september bevrijd) verscheen onder de titel Dietschland hou-zee! een editoriaal. Daarin maakte De Bruyn zich bij voorbaat druk over de repressie. En dan is er haar beruchte recensie van Louis-Paul Boons roman Abel Gholaerts. Daarin zegt De Bruyn dat auteurs als Boon best een poosje in een strafkamp konden verblijven.
Het zal niemand verbazen dat Jeanne De Bruyn weinig opgetogen was over Don Juan. Wat mij wél verwondert, is dat ze maar enkele ideologische argumenten gebruikt om haar afkeuring te staven. het levensgevoel van de hoofdpersoon en wat de vertellende instantie daarover loslaat “imponeert mij niet erg”, schreef De Bruyn “(…) omdat ze mij (…) tamelijk afgezaagd lijkt (welke moderne Franschman heeft niet (…) het thema van de erotiek en haar metafysische achtergronden behandeld?)”. Voorts meende ze dat Don Juan bij Lampo, “zooals in elke moderne bewerking, dekadente trekken gekregen”.
Het is zeker dat Jeanne De Bruyn, net zoals een aantal van haar collega’s, heel goed aanvoelde dat het personage Don Juan en zijn innerlijke beleving mijlenver af stonden van het mensbeeld dat zij propageerde. Vreemd genoeg geeft De Bruyn vooral gestalte aan haar ergernis door de debutant Lampo uit te spelen als epigoon van de gearriveerde, katholieke en bovendien ideologisch in haar vaarwater passende De Pillecijn. Dat is, voorzover De Pillecyn een ervaren en “gevestigde” schrijver was, intellectueel bedenkelijk, maar effectief. Het gebeurt nog dat recensenten auteurs op die manier “vergelijken”.
De vraag blijft alleen – en ik beken meteen dat ik er geen antwoord op heb – waarom De Bruyn niet uitpakte met andere, meer ideologische of, zo men wil, politieke argumenten.
Schizofreen
Op 2 september 1943, enkele dagen voordien, was in Het Laatste Nieuws een recensie van Don Juan verschenen, ondertekend door “Joh. S.”. Joh. S., zo vertelden mij Johan Van Hecke van het AMVC-Letterenhuis en Gaston Durnez, was Johan Sacré, echtgenoot van de dichteres Blanka Gijselen.
De liberale krant Het Laatste Nieuws bleef in de oorlog verschijnen onder Duitse censuur. De eigenaar en de hoofdredacteur verbleven in het buitenland. De samenstelling van de redactie bleef zo goed als ongewijzigd.
Johan Sacré behandelt in zijn recensie het “spel” Don Juan van Herwig Hensen en de novelle Don Juan en de laatste nimf. Deze laatste, zo verzekert hij ons, bevat “een défilé van naakte vrouwen”. Toch komen er “ontegenzeglijk zeer goede bladzijden” in voor. Alleen, de “plastischen, beeldrijken” stijl van de schrijver “steekt (…) zoo vol geraffineerde truks, dat hij werkelijk dekadent aandoet.” Een en ander noopt de recensent tot de conclusie: “Dit is een boek als een Sirene: men laat er zich eerst door vangen. De ontnuchtering komt bij nadere kennismaking.”
Herwig Hensen
Zulke schizofrene berichtgeving was niet uniek. Emile Buysse vertelde de luisteraars van Zender Brussel op 10 september 1943 tot besluit van zijn bespreking:
“Er blijft een wonder lied in ons nazingen (…) wanneer wij dit sterk zinnelijk-gekleurde verhaal neerleggen. Het is zoo sterk en suggestief, en daarbij zoo sober en goed geschreven, dat wij het een superieur stuk werk zouden willen noemen, ware het niet…” – en nu komt het – “…dat wij, bij het herlezen van enkele passages beseften, dat dit proza, ondanks de kwaliteiten, zich toch op den rand van de decadentie beweegt, een gecamoufleerde decadentie, die spoedig een ontnuchtering brengt na het aanvankelijk gevangen-zijn in de weelderige zinnelijkheid der stof. Dat neemt niet weg, dat het een stuk werk is van waarde, met prachtige fragmenten, die ongetwijfeld behooren tot het beste dat in den laatsten tijd verscheen in Vlaanderen.”
De anonieme recensent van het tijdschrift Volk en Kultuur (16 oktober 1943) wond er geen doekjes om.
Volk en Kultuur was het orgaan van de “werkgemeenschap” Volk en Kunst, die door de Vlaamse Cultuurraad was erkend als overkoepelend organisme voor de cultuurspreiding in Vlaanderen. Tot de redactie behoorden o.a. De Pillecyn, Jef Van de Wiele en de historicus Theo Luyckx. In de bijdrage van Marnix Beyen in de Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging lezen we:
“In wezen was de romantisch-flamingantische traditie nog sterk (…). Ook een traditioneel katholiek discours kwam, zij het in minder mate, aan bod. Toch bleef het blad niet vrij van collaborationistische tendenzen. De frequente beklemtoning van de mogelijkheden die de nieuwe situatie bood en het uitgesproken anti-modernisme (dat zich soms in een anticommunistischre of antisemitische gedaante manifesteerde) maakten het vatbaar voor Nieuwe-Orde-invloeden.”
Geen doekjes, dus.
“Semi-Aziatische apathie”
Het artikel begint met de volgende constatering: “Even vreemd aan ons wezen als de semi-Aziatische apathie der figuren uit ‘De voorstad groeit’ is de Zuidersche, geraffineerde zinnelijkheid, welke de novelle van Hubert Lampo: ‘Don Juan en de laatste Nymf’ doorsijpelt. Voor licht ontvlambare gemoederen is deze novelle evenals de lijvige roman van Paul-Louis Boon (sic) geen aanbevelenswaardige lectuur.”
De recensie van Jan Demets verscheen in De Gazet van 4 november 1943. Demets, die we daarstraks hoorden klagen over het gebrek aan enthousiasme voor de Nieuwe Orde van de Vlaamse schrijvers, was – ik citeer de Franse versie van het artikel van Kris Humbeeck over Boon – “un des critiques les plus engagés sous l’Occupation” en een “antisémite rabique” die “dans les organes du DeVlag, se faisaitt le défenseur d’un art vraiment révolutionnaire”.
“Laten wij terloops, doch daarom niet minder nadrukkelijk,” schrijft Demets, “het gebrek aan volksch bewustzijn onderstrepen, waarmee Lampo zijn Vlaamsche Vrouwe in de armen van den Spaanschen ridder drijft, om daarna even nadrukkelijk te wijzen op den zacht-droomenden toon, den fijn-geciseleerden vorm van dit wél-geschreven verhaal. (…) Daarom, al moeten we Lampo’s boek afwijzen, aan hemzelf hoeven we wellicht nog niet te twijfelen (…)”.
Affiche van de DeVlag, een organisatie die nauw aanleunde bij de SS
In DeVlag, eveneens in november 1943, herformuleerde Demets zijn oordeel in iets scherper bewoordingen. Hij herhaalt dat Lampo “het meesterschap over taal en stijl niet mag worden betwist”, maar stelt dat de “geraffineerde erotiek” van de schrijver en “een zoo volkomen volksch tekort (…) nopen dit (…) stijlvolle werk, om zijn inhoud en de uitzichtlooze oplossing van zijn probleemstelling, als volkomen wezensvreemd af te wijzen.”
Nieuw Vlaanderen nu. Dit katholieke, flamingante weekblad, opgericht in 1934, vertolkte de standpunten van intellectuelen die radicaler waren dan de leiding Katholieke Partij, maar de overstap naar het VNV nog niet wilden of durfden maken. Later stond Nieuw Vlaanderen positief tegenover het accoord tussen het VNV en Rex. Toen het blad vanaf oktober 1940 opnieuw verscheen, stond het in het teken van de Nieuwe Orde. Vanaf 1941 verdwenen de politieke bijdragen.
R(emi) Van de Moortel betoogt op 9 oktober 1943 in Nieuw Vlaanderen dat Hubert Lampo zich vergiste “nopens den inhoud van zijn boek”. Gelukkig verklaart hij die enigmatische uitspraak ook nader. Don Juan en de laatste nimf, meent Van de Moortel, geeft een “nieuwen kijk (…) op den traditioneel Don Juan”. De schrijver doet dat “op een wijze die, vanuit litterair standpunt gezien, allen lof verdient.” Hij kan schrijven en een boek structureren, “hoedanigheden die een toekomst waarborgen”.
“Toch,” gaat de recensent verder, “moet ik dit boek onvoorwaardelijk afwijzen wegens een inhoud, die het erotische te zeer op den voorgrond plaatst en vaak overbodig détailleert. Niet alleen de katholieke levensbeschouwing, maar ook een goed begrepen volksverbondenheid, verplichten er ons toe het ‘litteraire’ overal te weren, waar het de zedelijke gaafheid van ons volk dreigt te ondermijnen. (…) Vergif blijft vergif; de aantrekkelijke verpakking maakt den aanslag alleen misdadiger. Deze waarheid geldt voor iedereen, ook voor den debutant Hubert Lampo. Geheel zijn werk is nuttelooze ‘Spielerei’, die voor den schrijver een welkome gelegenheid moet geweest zijn om ons, onder mom van kultuur, het leven van een sexueel perverteerde te schetsen.”
Maurice Bilcke
“Geen spek voor jonge bekken” – dat gold volgens “R”, die een overzicht van recente literaire publicaties bracht in het nummer van 24 oktober 1943 van VOS, zowel voor de Don Juan van Hensen, als voor Don Juan en de laatste nimf.
VOS was het orgaan van het Verbond der Vlaamse Oud-Strijders. Deze organisatie had van de bezetter het monopolie gekregen van de oudstrijderswerking in Vlaanderen en schakelde zich in in de collaboratie. Ze richtte op verzoek van de Duitsers de Vlaamsche Wacht op.
“Literair gezien, is dit verhaal alleszins een succes. Lampo biedt hier gaaf proza”, luidt het, al kan men “den invloed van De Pillecyn en andere ciseleurs” ontwaren. Toch behoort het, aldus de criticus, “tot het beste van wat onze jonge schrijvers ons in den loop der jongste jaren hebben gebracht.”
De jeugd als inspiratiebron
Eveneens in de loop van 1943 publiceerde Hubert Lampo het essay De Jeugd als Inspiratiebron. De Jeugd, haar wezen en problemen in de jongste Vlaamsche letteren. Daarin schetste hij hoe Vlaamse schrijvers in hun werk uit het Interbellum de jeugd, d.w.z. adolescenten, voorstelden. Het hoeft ons niet te verwonderen dat dit boekje felle reacties uitlokte. In een essay verwoordt een schrijver expliciet zijn opvattingen – in dit geval over een onderwerp dat (ook) bij de aanhangers van de Nieuwe Orde in het middelpunt van de belangstelling stond. We lezen deze constatering, uitvoeriger verwoord, in de bespreking door Bert Ranke van 5 februari 1944 in Het Laatste Nieuws:
“Maar een essay moet men niet enkel vormelijk beschouwen; het heeft ook een inhoud. En deze inhoud is niet de objectieve substantie van het betoog, maar de subjectieve beleving dezer substantie door den auteur. De schrijver legt de resultaten van zijn onderzoek neer in zijn werk en neemt reeds bij het neerschrijven er van, zelfs onopzettelijk een standpunt in; dit, krachtens den geldingsdrang van zijn persoonlijkheid. De taak van de critiek zal dus niet beperkt blijven tot loven of laken van vormelijke eigenschappen, noch tot het krampachtig objectief rapporteeren van den inhoud (…), maar ze zal zich gesteld zien voor de opgave, in onverschrokken en eerlijke subjectiviteit, deze van den schrijver tegemoet te treden en er zich mee te meten. Dit beginsel geldt dubbel, waar een auteur als besluit van zijn betoog uitdrukkelijk stelling neemt, zoals Lampo aan het slot van zijn essay.”
Op deze beginselverklaring is niets aan te merken. Maar men kan zich de vraag stellen of de “onverschrokken en eerlijke subjectiviteit” waarover Ranke het had, wel als zodanig konden bestaan bij een recensent die in een bezet land met de bezetter heulde. Ik kom daar straks op terug.
Louis Sourie vond in Het Nieuws van den Dag van 25 november 1943 dat De Jeugd als Inspiratiebron een “tamelijk geslaagd” essay mocht heten. Hij voegde er echter aan toe dat de studie een “libertijnsch geurtje” verspreidde dat tot “streng voorbehoud” maande. (In de eerste paragaaf van Sourie’s recensie verneemt de lezer trouwens al dat de criticus de “lezing” van Don Juan, “vanuit zuiver literair standpunt (…) een belovend debuut”, “niemand kan aanbevelen”.)
Het Nieuws van den Dag was een katholieke krant die in Brussel verscheen van 1885 tot 1965. Tijdens de bezetting behoorde ze tot de zg. “niet-gebonden” publicaties, die trachtten een min of meer neutrale rol te spelen; zulks leidde tot incidenten met de Duitsers en de opheffing van het dagblad op 17 mei 1944. Louis Sourie (1910-1962), een literaire autodidact, was eerst kantoorbediende, later rijkswachter. Na de oorlog stichtte hij mee het Christelijk Vlaams Kunstenaarsverbond en behoorde tot de oprichters van het tijdschrift West-Vlaanderen (thans Vlaanderen). Hij publiceerde een aantal verdienstelijke essays over o.a. Prosper Van Langendonck.
Louis Paul Boon
Jan Demets – we kennen hem al – besprak De Jeugd als Inspiratiebron op 28 november 1943 in Balming. Dit pas in april 1943 opgerichte weekblad moest het “lijfblad” worden van de leden van de DeVlag. Tot de medewerkers behoorden o.a. Blanka Gijselen, Robert Verbelen en de musicoloog Walter Weyler. Balming bracht op een duidelijke en sloganmatige wijze de standpunten van de DeVlag weer.
De lengte van zijn artikel bewijst de aandacht die Demets aan De Jeugd als Inspiratiebron meende te moeten besteden. Veelzeggend is ook de Engelse (!) titel Say it with an… Essay!
Wie De Jeugd als Inspiratiebron leest, betoogt Demets, constateert dat de schrijver van Don Juan – “zoo’n charmant-erotischen, maar toch erotischen roman” – de jeugd beschouwt “van den gezichtshoek uit, die bepaald wordt door het ‘intense rijpingsproces der geslachtsklieren’”. Lampo behandelt auteurs die “zoals toen de mode was, psychologisch georiënteerd” zijn, en “het is bekend dat men, om een psychologische roman te schrijven, meestal niet uit de normale gemiddelde menschenstof het prototype voor zijn helden haalt.”
Jeanne De Bruyn in 1958.
Erger nog, de schrijver stoort zich niet aan de jonge personages in de boeken die hij bespreekt. Hij signaleert dat hun lotgevallen ongeveer dezelfde zijn als die van hun generatiegenoten in de buitenlandse literatuur – wat niet wil zeggen dat de Vlaamse letterkunde daarom op hetzelfde peil staat.
“Neen, Lampo wijst niet naar het Oosten”
“Maar de goedwillende lezer,” aldus Demets, “vergist zich, zoo hij denkt dat Lampo ons naar dien” – nl. de Duitse – “kant van de grenzen wil leiden. Daartoe zou overigens van zijn standpunt uit ook geen grond bestaan: daar, waar men een jeugd opkweekt, tot volheid en evenwichtigheid, daar is de kans gering, dat zekere tot het leven behoorende functies als bij voorbeeld de sexualiteit bij die jeugd tot hét leven zullen worden en buiten verhouding tot de overige groeiende, dat tekort aan zin voor verhoudingen zullen scheppen, dat tot wanorde, stoornissen en die psychologische ziekteverschijnselen leidt, die de stof vormen tot de romans van ‘universeele’ geesten; waar problemen opgelost worden, vervalt ook de mogelijkheid, ze litterair te ‘interpreteeren’, ‘uit te diepen.’”.
“Neen, Lampo wijst ons niet naar het Oosten; de litteratuur van een gezonde, een frissche, een mannelijke jeugd heeft voor hem geen charme (…)”.
De jongeren in “Westersche” romans weerspiegelen een reële jeugd die of “biologisch en geestelijk verjoodscht” is, of “verproletariseerd”. De eerste, aldus Demets, huldigt “alle variaties der erotiek als een levensvulling en een levenskunst”; de tweede vlucht “in de sexualiteit uit de ellende der realiteit (…)”. Dat alles levert “stof te over tot het ‘uitdiepen’ van allerlei abnormale, perverse en àlmenschelijke – of ónmenschelijke konflikten.”
Demets noemt Lampo’s conclusies over de jeugd dan ook een “prachtig staaltje van ‘humanistische’ dialectiek”, waarin “natuurlijk geen plaats (is) voor zoo simplictische (sic), maar tevens zo hééle dingen als trouw, eer, houding, karakter en nog een paar andere, die wij zelfs aan onze jeugd van gisteren meenen te mogen verbinden, maar die wij integraal hopen tot de karakteriseering te zullen zien behoren van onze jeugd van morgen.”
Trouw, eer, houding, karakter enz.
Dezelfde redeneringen stortte Demets, goddank in iets korter bewoordingen, nogmaals uit in De Gazet van 9 december 1943. Ik zou die recensie niet vermelden, ware er niet de eindparagraaf, die explicieter is dan die van het artikel in Balming:
“Wij hopen en vertrouwen, dat onze jeugd er eene zal zijn, wier puberteit niet uitsluitend door het ‘rijpingsproces der geslachtsklieren’ zal zijn gekenmerkt; dat onze jeugd er eene zal worden van ganschheid, van trouw en kameraadschap, van arbeid en volkschen strijd, strijd niet tegen spookgestalten uit de mechanodoos die schedel heet, maar tegen vleeschelijke vijanden en werkelijke machten, een jeugd voor wie de geslachtelijkheid en liefde de vanzelsprekendheid zullen hebben van een opengaande bloem, een jeugd van heroïek ten slotte, met aan het eind de stralende overwinning, of de glorieuze ondergang. En dat zoo haar roman zal zijn.”
In De Week van 11 december 1943 verscheen een korte recensie door Maurits Bilcke. Het is een welwillend stukje in die zin dat het louter informatief is; of Bilcke De Jeugd als Inspiratiebron daadwerkelijk gelezen had, blijkt niet.
Het katholieke, Vlaamsgezinde De Week verscheen van augustus 1939 tot eind oktober 1944. Hoofdredacteur was Emiel Van Mierlo. Maurits Bilcke (1913-1993) genoot enig aanzien als dichter. Hij werkte op het Turnhoutse arrondissementscommissariaat; vanaf 1944 was hij in dienst bij het NIR te Brussel. Redactie en medewerkers werd achteraf geen collaboratie verweten.
“B.E.” schreef op 28 december 1943 in Vooruit dat het essay een “illustratie werd van den zielkundigen en lichamelijken ondergang die onze moderne jeugd (belichaamd in enkele romanfiguren) te gemoet is geloopen. Als dusdanig dient Lampo’s onderzoek als waardevol te worden bestempeld.”
“Het is echter te hopen dat eerlang een auteur er in gelukken mag de zielkundige basis vast te leggen waarop een nieuwe, gezonde en meer bewustlevende jeugd haar wezen heeft gebouwd.”
“Laten wij hopen dat ook dit zal kunnen gebeuren aan de hand van enkele hoogstaande literaire werken die even knap – maar met een meer kordaat levensinzicht – zullen zijn geschreven als sommige van deze waarin Lampo zijn typische en representatieve ondergangsfiguren gevonden heeft.”
Paul Hardy
In het decembernummer van Weetlust – een publicatie waarover ik geen nadere informatie vond – verscheen een korte bespreking met gelijkluidende opvattingen van een recensent, die de denkbeelden van de essayist en die van de door hem besproken auteurs door elkaar haalt.
“Waarlijk wij hebben niet geweten dat het met onze jeugd zoo erbarmelijk gesteld was. Onze schrijvers hebben overwegend erotische elementen uit het leven der jeugd behandeld en men krijgt dan wel den indruk alsof er bij onze jonge menschen nooit iets anders zou hebben bestaan. Geen woord hebben wij gevonden in het heel boekje over het schoone idealisme dat de jeugd kan bezielen, over den strijdlust voor een ideaal, over problemen der wereldbeschouwing en der wetenschap.”
Paul Hardy
In het januarinummer 1944 van het tijdschrift Streven verscheen een bespreking van de hand van Em. Janssen. De jezuïet Emiel Janssens (1897-1984) werkte als recensent mee aan verscheidene katholieke publicaties. Hij schreef over Gezelle, Streuvels en Van Baelen; daarnaast liet hij meditatieve poëzie verschijnen.
Voor mijn onderwerp is Janssens recensie op het eerste gezicht van weinig belang. Hoewel de pater niet te spreken is over De Jeugd als Inspiratiebron, heeft zijn afwijzing, althans aan de oppervlakte, geen uitstaans met Nieuwe Orde-opvattingen. Het is als katholiek dat de recensent het oneens is met de keuze van besproken auteurs en met de ideeën van de man die hun werk analyseert. Een en ander doet denken aan de hoger geciteerde recensie van Herman Oosterwijk; ik ben zo vrij mijn bedenkingen daarbij in herinnering te brengen.
Al dit soort bezwaren bleef intussen geheel en al achterwege bij de Franstalige criticus J.E. Dhanis, die op 7 januari 1944 in Comoedia schreef: “C’est une étude extrêmement touffue, qui démontre certainement les grandes qualités de psychologue de Lampo, et la pureté de sa langue. Mais, pour ma part, je préfère le Lampo romancier au Lampo essayiste: le premier étant plus léger et plus souple, le second un peu trop intellectuel (défaut de jeunesse, défaut qu’il retrouwe lui-même dans les romans des autres). Néanmoins l’ouvrage ne perd rien pour cela de sa valeur scientifique.”
Over de criticus Paul Hardy (1908-1977) lezen we in het Lexicon van de Nederlandse Letterkunde dat hij in 1944 redacteur werd bij de bibliografische dienst van het Algemeen Secretariaat voor Katholieke Boekerijen. Wat hij daarvoor uitvoerde, laat het naslagwerk ons in het ongewisse. Na de oorlog recenseerde hij in Gazet van Antwerpen.
Op 15 januari 1944 publiceerde Hardy in Volk en Kultuur een lange recensie van De Jeugd als Inspiratiebron. Het stuk is overwegend lovend; de enkele reserves hebben geen politieke ondertoon. Maar het venijn zit ook hier in de staart. Ik citeer:
“Niet zonder een zeker welgevallen spreidt Hubert Lampo zijn uitheemsche belezenheid ten toon (…). Het is mij daarbij andermaal opgevallen dat onze jonge intellectueelen, wat hun buitenlandsche bagage betreft zeer eenzijdig naar Frankrijk en Engeland georiënteerd zijn; een gevolg wellicht van het feit dat beide landen vóór dezen oorlog hun buitenlandsche cultuurpropaganda beter verzorgden dan zulks met de Duitschers het geval was.”
De bezwaren die Urbain van de Voorde op 28 januari 1944 formuleerde tijdens een uitzending van Zender Brussel, herhaalde hij op 5 februari 1944 in Laagland. Ze zijn van een andere aard. Van de Voorde betreurt vooral dat de auteur van De Jeugd als Inspiratiebron uitsluitend prozaschrijvers, en geen dichters behandelt. Voorts gaat hij niet akkoord met de keuze van boeken en auteurs. Ik vermoed dat Van de Voordes katholieke overtuiging daartoe leidde. Hij bleef echter genuanceerd, want hij concludeerde dat het boekje toch wel van belang was, zij het eerder als “een reeks van afzonderlijke critieken over menschen en boeken, dan als een synthese der na-oorlogsche jeugdpsyche en haar problemen”.
Bert Ranke
Keren we thans terug naar Bert Ranke, wiens credo over het recenseren van een essay ik daarstraks citeerde. Bert Ranke was het pseudoniem van Frans van der Auwera (Borgerhout, 1914) die voor de oorlog literaire beschouwingen schreef in Hooger Leven en Nieuw Vlaanderen. Tijdens de bezetting verzorgde hij de prozakroniek in Het Laatste Nieuws en was hij redactiesecretaris van Westland. Bovendien vervulde hij de functie van secretaris van de Vlaamse Cultuurraad. Rankes essays, lezen we in het Lexicon van de Nederlandse Letterkunde, “getuigen van een scherp analytisch en synthetisch vermogen”. Moet hier nog aan toegevoegd worden dat Ranke na de oorlog in o.m. De Standaard der Letteren publiceerde?
Bert Ranke in 1968
“Men kijke slechts naar de positief opvoedende kracht van de Hitlerjeugd in Duitschland,” aldus Bert Ranke, “…en hier beperkt de critiek zich niet meer tot den tijd die een dergelijk beeld van de jeugd heeft mogelijk gemaakt, maar breidt ze zich uit tot den auteur die dit beeld ophangt en er niet alleen vrede mee neemt, maar zelf de levensbeschouwing voorstaat die er de oorzaak van is – van een vaag humanistische levensaanvaarding die exponent is van een zuiver individualistische levensbeschouwing, die de wereldrevolutie van thans niet zal overleven.”
De schrijver, aldus de recensent, is een conservatief die slechts terugblikt op het verleden en blijk geeft van een “uitsluitend Fransch en Angelsaksich gerichte belezenheid, met angstvallige vermijding van alles wat maar eenigszins den schijn zou kunnen hebben, een invloed uit het Oosten te zijn (…)”. De slotbladzijde van De Jeugd als Inspiratiebron, is “een typische uiting van hyper-individualistisch humanisme” die bewijst dat “de zin van dezen tijd” de auteur “is ontgaan”. Het kan dan ook niet anders of de toekomstige jeugd, die Lampo zich voorstelt, is een “richtinglooze, stuurloze, heen en weer geslingerde” jeugd. Hieruit blijkt, zo concludeert de recensent, dat de grondbeginselen “eerbied, trouw en offervaardigheid” de schrijver “volkomen onbekend schijnen te zijn (…)”.
Nog op 5 februari verscheen in Nieuw Vlaanderen een artikel ondertekend door “R.v.d.M” – wellicht Remi Van de Moortel, die we al tegenkwamen onder de recensenten van Don Juan en de laatste Nimf. Het stuk draagt – het verbaast ons niet meer – de titel Een gevaarlijk-eenzijdige kijk. R.v.d.M. citeert uitvoering Lampo’s uitgangspunten, maar weldra krijgen we te horen dat de auteur geen rekening houdt met “de treurige werkelijkheid van een romanproductie, welke bijna volslagen negatief is en van een verregaande decadentie blijk geeft.”
“Van de veertien besproken boeken (…) zijn er ten minste zeven die ik aan elk weldenkend mensch volstrekt moet afraden; ik beklaag vooral de jongeren die de gecondenseerde gorigheid van al deze korte inhouden te verteren krijgen.” Ditkeer krijgt Lampo ook te horen dat hij niets begrepen heeft van de “dynamiek van de christelijke levensbeschouwing”.
Remi Van de Moortel leest voor op de Vlaamse Poëziedagen in Merendree, 1947
Dat de recensies in het dagblad Volk en Staat niet altijd bol stonden van nazipropaganda blijkt uit een verrassend positieve kritiek, verschenen op 23 februari 1944 in de rubriek Het Boek van den Dag. Ze is ondertekend met de initialen “K.H.”. Hoewel het een kort signalement betreft, dat Lampo’s uitgangspunten en doelstellingen herhaalt, luidt de slotparagraaf:
“Wij wijzen er met voldoening op dat Hubert Lampo proefondervindelijk bewijs levert van een VERTEERDE veelzijdige belezenheid; zulks kan men herhaaldelijk in zijn studie vaststellen, o.a. waar hij zeer terecht Marcel Proust in verband brengt met Het Experiment van Paul Lebeau. Hubert Lampo schrijft bovendien een zeer goed Nederlandsch, wat voor een debuteerend essayist een lof te meer is.”
In tegenstelling tot de schrijvers, publiceerden alle recensenten tijdens de bezetting ondervermijdelijk in publicaties die verschenen met de zegen van de Duitsers en hun medestanders. Dit betekent echter niet dat ze allemaal even overtuigd waren van de nazi-ideologie. Er waren critici die er blijkbaar in slaagden bepaalde boeken te beoordelen zonder zich daardoor te laten leiden.
Enkelen hanteerden criteria die zij reeds voor de oorlog op punt hadden gesteld, maar verdedigden zodoende standpunten die in ieder geval niet in tegenspraak waren met het Nieuwe Orde-gedachtengoed.
Individualisme
Tenslotte waren er de ideologische die hards zoals Demets. Beide laatste categorieën maakten er een punt van om niet alleen op de bal, maar ook op de man te spelen – een onaardige gewoonte die critici er nog op nahouden, en die trouwens al van in de 19de eeuw dateert.
Wat men Lampo verweet? Ongeloof, interesse voor het erotische, individualisme, gebrek aan volksverbondenheid, humanisme, “decadentie” en zijn oriëntatie op de Franse en de Engelse literatuur. Wanneer men daar de “typische” collaborateursverwijten van aftrekt, blijven over: ongeloof, gebrek aan instemming met een allesoverheersende ideologie en individualisme. Een en ander verklaart, ironisch genoeg, de aversie die zowel katholieke als communistische recensenten in de jaren vijftig voor het werk van Lampo opvatten.
(1) Wegens tijdsgebrek baseerde ik mij voor dit opstel op knipsels in het archief van mijn vader. Het is mogelijk dat er meer recensies van zijn eerste twee boeken verschenen. Die zijn allicht te vinden in het AMVC-Letterenhuis te Antwerpen. Omdat ik telkens publicatie, datum en auteur vermeld, leek het mij overbodig gebruik te maken van voetnoten.
Verschenen in het eerste Jaarboekvan het Hubert Lampo Genootschap, 2007.
Dan zet hij de radio aan. Na allerlei gekrijs en spots vindt hij de stem van het jaar 1984, Michael Jackson, die volhoudt dat hij niet met Billy Jean naar bed is geweest en dat haar kind niet zijn zoon is. Met de handen in de zakken van zijn katoenen broek slentert Alex tot bij het middelste van de drie ramen. Hij vergeet zijn bedoeling – het gietertje vullen om de planten water te geven en blijft staan.
De wolk die komt aandrijven door de heldere lucht van de vroege namiddag lijkt op een continent. De bergmassieven in het midden zijn grijs, maar de plateaus die afdalen naar de kust, hebben de kleur van solfer. Zoals de werelddelen van deze planeet miljoenen jaren geleden hebben gedaan, drijft het vooruit door de oceaan die het omspoelt.
Dan verschijnt, onaangekondigd, de mens. Of beter: het vliegtuigje. Een eenmotorig sportmodel. Van waar Alex staat, kun je niet eens zeker zijn dat het door een mens wordt bestuurd. Misschien is het op eigen kracht, uit pure baldadigheid, opgestegen.
Het trekt een grote gele rechthoek met een opschrift in rode letters. Wanneer het tussen de stranden van het verre Atlantis en Alex’ uitkijkpost schuift, wordt het geel van de rechthoek een herhaling van de kleur erachter, als met opzet tentoongesteld tussen de vier lijnen die het begrenzen.
Alex herinnert zich dat hij Aagjes brief vanmorgen ongeopend op de vensterbank heeft laten liggen. Hij scheurt de envelop langs de zijkant open. Dat doet hij altijd: zo kan hij de brief in de omslag bewaren. Hij heeft twee schoenendozen vol. In de loop van vijf jaar is haar handschrift nauwelijks veranderd, en waarover ze schrijft is hem al even vertrouwd. De ijskoude winter in de Mid West, de Nederlandse les die ze aan undergraduates geeft, haar doctoraat – over de receptie van Longfellows poëzie in het Nederlandse taalgebied. Hoe hij het maakte? En, by the way, in augustus kwam ze naar België.
Het glas drukt een koele kus op zijn voorhoofd. Hij zal zijn flat niet verlaten om naar Iowa City te reizen en haar met zijn deelname aan het International Writer’s Program te verbijsteren.
Op 12 december 1975 stond hij in de deuropening van haar flat. Aarzelend – hoe anders? – en met een mapje vol notities over het cogito van Descartes onder zijn arm. Aagje had een lange, nauwsluitende huisjurk aan, roze en lichtblauw gestreept. Hij herinnert zich hoe de dunne stof voelde, niet onder zijn vingertoppen, maar tegen zijn handpalmen.
Ze zei: ‘Kom erin.’ Wat hij, afgaande op het vervolg, ook had gedaan. Ze zaten onwennig op de sofa, met als geluidsdecor de hits op de zender American Forces Network en af en toe een auto in de straat. Aagje rookte een sigaret; hij waarschijnlijk ook.
‘Hoe vind je mijn flat?’ vroeg ze. ‘Ik heb alle meubels deze zomer op veilingen gekocht. Ik ben hier komen wonen in juli toen ik van school was. Mijn moeder woont al twee jaar samen met een Hollander. Ik hield het niet bij ze uit.’
Wat een trut, dacht Alex, maar hij zei: ‘Nee?’
‘Nee. Ik vind het tof dat jij er bent. Ik heb in geen maanden bezoek gehad. Behalve van mijn moeder. En van Alain. Dat is mijn vriend. Enfin, wás. Hij heeft een Alfa Romeo. En hij is reiziger in jeans. Van hem heb ik de meeste van mijn kleren gekregen. Neem je me in de kerstvakantie mee uit?’
Aagje klonk als een damesblad – op de grond lag een hele stapel: Omdat het fijn is om jezelf te zijn.
‘Natuurlijk,’ zei hij.
‘Zie je, ik word graag gerustgesteld. Ik heb aandacht nodig. Als kind heb ik niet genoeg liefde gekregen. Daarom heb ik ook met zoveel mannen iets gehad. Nog koffie? Ben jij al ooit lang met iemand samen geweest?’
Hij schudde van nee. Twee weken, genoeg om in te zien dat hij met het meisje nooit zijn maagdelijkheid zou verliezen. Zijn liefdesleven bestond uit de kleffe zoenen van bakvissen die hij, toen hij nog op het atheneum zat, zonder veel omhaal opscharrelde op fuiven in zalen achter cafés in de voorstad: een troep zweterige adolescenten met, naargelang het individu, seks voor ogen, of liefde, zoals in de recentste single van Barry White of The Rubettes. De meisjes roken naar hetzelfde parfum uit de supermarkt en als je niet uitkeek, schreven ze je naam met ballpoint op hun tennisschoenen.
‘Ik ook niet,’ zei Aagje, ‘je kunt niet op andere mensen bouwen. Deze zomer was ik een tijdje met een Tunesiër. Enfin, met Alain én met een Tunesiër. Hij liep Tolkenschool. Daar botste hij op een meisje dat met hem wou trouwen. Het was de eerste keer dat iemand mij de bons gaf.’
Alex was Swann niet; hij wist heel goed dat Aagje niet zijn genre was. Maar haar uiterlijk en haar ervaring maakten indruk – ook al ging hij ervan uit dat ze daarom geen belangstelling voor hem kon hebben. Met zijn klompschoenen, halflange haar en gelapte spijkerbroek was hij geen partij voor haar.
‘We spraken Frans. Af en toe schrijft hij me nog. In het Nederlands, om te oefenen. Brieven vol fouten. Echt grappig. Wil je ze zien?’
Aagje ging de kamer uit en kwam terug met een lichtgroene schoenendoos onder haar arm.
‘Heb jij op televisie ooit dat interview met Jacques Brel gezien, waarin-ie zegt dat mannen in feite nomaden zijn en daarom van de ene vrouw naar de andere lopen?’ vroeg ze zonder overgang. ‘Ik ben er ook één, denk ik. Een nomade.’
Alex overliep de regels onbeholpen handschrift van jongens en getrouwde mannen. Een paar van de ergste taalfouten las hij voor. Aagje lachte mee.
‘En toch ben ik bereid een man zijn pantoffels en zijn krant te brengen. Als hij maar aardig voor me is. Meer wil ik niet.’
Een hint? Aagje?
Hij zat op haar sofa, in zijn ene hand een billet doux vol fout gespelde schunnigheden, zijn beker die ze weer had volgeschonken in de andere.
‘En jij? Heb jij het al gedaan?’
Hij loog ja, vertelde in het vage over vriendinnetjes. Aagje dwong hem steeds verder af te wijken van de waarheid. Zijn horloge leerde Alex dat het kwart over middernacht was. Geen tram meer. En dit gesprek bracht hem toch geen stap verder.
‘Ik moet naar huis,’ zei hij.
Aagje knikte. Ze zette de asbak op de grond. ‘Wil je me niet eerst even vastpakken?’ vroeg ze. ‘Ik heb het zo koud!’
Ze schoof zijn kant op. Voor zover de verlamming die bezit nam van zijn spieren dat toeliet, nam hij haar in zijn armen. Doordacht (besefte hij) nestelde ze zich tegen hem aan.
‘Wil je niet met me op bed gaan liggen?’
Alex laat de deur achter zich in het slot vallen. Over het gedempte dok blaast een felle wind, zodat hij de kap van zijn duffel opzet. Naast hem loopt de schim van Aagje. Ze draagt de vormeloze lichtblauwe anorak van op de foto die ze hem ooit uit Chicago heeft gestuurd. Hij probeert haar te negeren.
De grote hal van de luchthaven, haarscherp, met de glimmende hardheid van vloertegels en het vluchtend perspectief van de voegen. Hoogte en afstand: de dode grootsheid van de grafkapel van de Medici in San Lorenzo. Ook het licht was Florentijns, want weldra brak september aan boven Brabant.
Hun stappen klonken gehaast. Alex stelt zich voor dat hun voeten voor een glad, pastel blauw paneel tot stilstand kwamen. Hun benen: haar kuiten, slank maar gespierd, in nylons met een naad achteraan en de smalle rok van haar donkergrijze mantelpak; de gerafelde pijpen van zijn jeans. Het was vijf jaar later.
Ze keken elkaar aan, zich nauwelijks bewust van de vele achtergrondgeluiden. Vakantiegangers, zakenlui, mogelijke slachtoffers van een toekomstige kaping. Een optocht van mannen, vrouwen en kinderen met koffers die voorbijtrok zonder acht op hen te slaan. Haar ogen stonden dof.
Ze kon zich amper concentreren op wat hij zei. Met een onbewust (?) gebaar streek ze een haarlok weg. Ze droeg haar haar dit keer niet in een paardenstaart, maar los. Ze luisterde niet naar de stem van de luidspreker. Hij was het die de boodschap hoorde en knikte.
‘Dan ga ik,’ zei ze.
‘Ja, het is tijd,’ antwoordde hij opgelucht.
Haar blik was leeg. En hij. Ze waren niet meer dan hun lijf, in een vacuüm waar verleden en toekomst waren opgehouden. Ze drukte een verstrooide zoen op zijn mond en begon de immense ruimte over te steken.
Zoals afgesproken, bleef hij staan – met in zijn hoofd het tikken van haar hakken en haar rechte, uitdagende gestalte tussen de vreemden, steeds verderaf. De muziek die hierbij hoorde was dixieland, snel als haar zelfverzekerde stappen.
Hij sloot zijn ogen en luisterde naar het aanzwellend geloei van jetmotoren – ongetwijfeld de meest geslaagde vondst van de regisseur die Alex’ geheugen is. Het overstemt Benny Goodmans klarinet en beukt tegen de trommelvliezen van de toeschouwer.
De volgende sequens begint met een close-up van zijn profiel, in tegenlicht bij de glazen wand van de luchthavencafetaria. Hield hij zijn handen echt met gespreide vingers tegen het glas? Dat zal wel niet. Maar zijn hart klopte traag, duidelijk voelbaar. Samen met de andere passagiers bereikte Aagje het vliegtuigje dat City Hopper heette en haar zo dadelijk naar Schiphol bracht. Daar vertrok de rechtstreekse vlucht naar Chicago. Daarna ging het opnieuw met een klein vliegtuig naar Des Moines, Iowa.
Ze wist niet dat hij haar kon zien, dat hij toekeek. Ze praatte niet met haar medereizigers. Ze wachtte tussen hen in op een signaal waarvan alleen zij het geheim kende. Alles lag achter haar. Dit vertrek was de meest radicale stap die je in je leven kon zetten. Zij had ervoor gekozen, zij alleen was verantwoordelijk.
Hoewel hij zich zelden méér met haar verbonden had gevoeld, begreep hij dat ook hij, die bleef en niets had hoeven te durven, reddeloos alleen was. Door haar afwezigheid, die even nog toekomstig was, maar ook door dit afscheid, dat hij nooit met iemand zou kunnen delen.
Ondanks de wind grijpt de eindejaarsdrukte om zich heen. Voorbijgangers, beladen met aankopen, verdringen elkaar in de Hoogstraat. Tussen de gevels aan weerszijden hangen snoeren met brandende lampen en uit luidsprekers schallen kerstliederen. Vele winkeliers hebben links en rechts van hun deur kerstbomen neergepoot. Afgezien van de sneeuw, die uitblijft, lijkt het allemaal op een complot om de stad er te doen uitzien als een prent van Anton Pieck. Om niet de indruk te wekken dat hij er bij hoort zet Alex een grimmig gezicht.
Voor de winkel houdt hij stil. Het is een grote zaak met twee etalages vol kleren uit de jaren zestig en new wave-attributen: satijnen strikdassen, plastic zonnebrillen, fosforescerende oorhangers.
Bij de open deur staat een rek met winterjassen in tweed. Precies wanneer hij er naartoe stapt, begint Bing Crosby Dreaming of a white Christmas te zingen.
Alex laat zijn hand over de stof van de jassen glijden. Sommige exemplaren zijn behoorlijk versleten, andere lijken nauwelijks gedragen. Toch moeten ze stuk voor stuk zo’n twee decennia oud zijn. Sedert enkele jaren vind je ze over de schouders van zijn intellectuele tijdgenoten.
De aanschaf van een overjas, ook al kost hij maar vijftienhon derd frank, is een complexe aangelegenheid, die een maximale concentratie vereist. Om rustig te kunnen kiezen, onttrekt Alex zich aan de onbescheiden blikken van de voorbijgangers door post te vatten aan de andere kant van het rek. Daar wordt hij in de rug gedekt door de kerstbomen, die voor de volgende winkel een soort erf afbakenen. Ze zijn in grote bakken met aarde geplant, en hij ontdekt dat hij er bij de inspectie van de jassen tegen leunen kan, als vormden ze de rug van een sofa.
Wanneer hij straks de winkel verlaat, zal zijn overjas hem onherroepelijk identificeren als lid van een bepaalde groep. Precies zoals de kaki parka’s en de Afghaanse jassen van gekeerde schapenvacht uit zijn adolescentie, of de duffels die hij toen droeg. De jas zal zeggen: mijn eigenaar is een angry young man, opgeleid voor een baan in de zachte sector die door de crisis aan zijn neus voorbijgaat. Maar zal Alex de winkel ook daadwerkelijk binnenstappen? Een prangende vraag die hem bezighoudt, wanneer het hem invalt dat het hem meer moeite zal kosten dan voorzien om zich van tussen de takken van twee kerstbomen te verwijderen.
De overjas zit als gegoten. Zijn versleten blouson laat hij achter bij de winkelierster die beweert dat ze er nog een goede prijs voor kan maken. Bijna is Alex onderweg naar de dichtstbijzijnde boekhandel, als hij zich zijn afspraak met Meyer herinnert.
Hij maakt rechtsomkeert en zet koers naar het adres dat die hem aan de telefoon heeft gedicteerd.
Het eerste wat Alex in de winkel opvalt, is het tikken, de veelstemmigheid ervan – een gordijn dat hij moet opzij schuiven om zichzelf toegang te verschaffen. Meyer laat hem rondkijken, zonder zijn eerste indruk door commentaar te verknoeien. Op eentafel staan twee romantische pendules met een wijzerplaat geflankeerd door vergulde figuurtjes: hier een zoetsappige ridder en een langoureuze edeldame, daar een indiaan met een lenden doek en een matroos die zijn linkerhand – waarin een gat is uitgespaard – naar zijn gezicht brengt. Door het gat heeft een pijp gezeten, zegt Meyer, maar die is zoek.
Alex ritst zijn schoudertas open en haalt zijn bandopnemer tevoorschijn.
Meyer is Nederlander, iets ouder dan hij; hij heeft het vak van uurwerkrestaurateur in Utrecht geleerd, een paar jaar voor een zaak hier in de stad gewerkt en is voor zichzelf begonnen. Enkele maanden geleden gaf de kerkfabriek hem opdracht het torenuurwerk van de Sint-jacob te herstellen.
‘Het dateert van 1492,’ zegt Meyer, ‘toen Amerika werd ontdekt. Daarom is het zo zeldzaam. Gotische torenuurwerken werden overal zo snel mogelijk door modernere horloges vervangen. Logisch, want ze sloegen alleen het uur. En ze hadden geen wijzerplaat, zodat je niet kon zién hoe laat het was.’ Het duurt even voor Alex alle implicaties van die mededeling op een rijtje heeft. ‘Bovendien is deze klok buitengewoon groot. Van dit formaat zijn er in de hele wereld maar een stuk of drie.’
Na het interview roept Meyer zijn vrouw, die de zaak de rest van de namiddag zal openhouden. Ze vertrekken naar de kerk.
‘Erg spectaculair is het niet, wat ik u kan laten zien,’ zegt Meyer bij hun aankomst. ‘We hebben het mechanisme moeten demonteren om het uit de toren te halen.’
Binnen gaat Meyer op zoek naar de koster om de sleutel van de toren te vragen. Alex blijft achter in het schip en leest de inscripties op de arduinen zerken in de vloer: Hier leet begraven Joannes van Mortzele, oudt schepen deser stadt, stirf den 5 8bris anno 1723, en Maria van Hee, syn huysvrou, stirf 2 martii 1735. Bidt voor de sielen.
De geluiden van de stad dringen tot hem door, maar van ver,van elkaar onderscheiden als de kleuren waarin licht zich ontbindt dat door een prisma valt. Alex slentert tot in een zijkapel. Lichtere vlakken op het pleisterwerk verraden waar de schilderijen hingen die zijn weggenomen voor restauratie. Alleen het altaardoek – de foltering van een martelaar, door een minor master uit de onvermijdelijke school van Rubens – en een klein paneel aan de andere kant zijn blijven hangen. Hij stapt dichterbij.
Het is het portret van een echtpaar. Man en vrouw zijn afgebeeld vanaf hun middel. Ze dragen zwart fluweel. Hun kleren en de donkere achtergrond benadrukken de bleke handen, het wit van de kanten kragen en de strenge gezichten die zonder virtuositeit, maar tot in de kleinste details zijn afgebeeld. De twee staan naar elkaar toegewend en kijken de toeschouwer aan. Ouwelijk, ondanks de leeftijd die boven hun hoofd zweeft: Aetas sua 35 bij de man en Aetas sua 28 bij zijn vrouw. Hij houdt brieven in zijn hand, gevouwen tot smalle strookjes papier, die Alex zich herinnert van zijn burgerdienst in het archief, waar hij stukken inventariseerde.
Wanneer hij zulke brieven openvouwde – handelscorrespondentie, nooit iets boeiends – viel het zand waarmee de schrijver zijn inkt had gedroogd en dat de oorspronkelijke bestemmeling, twee- of driehonderd jaar geleden, blijkbaar nooit allemaal verwijderde, ritselend op zijn bureau. Op de buitenste brief staat, duidelijk leesbaar in gotisch cursiefschrift: Aen mijn heere Schelfhout, coopman tot Antwerpen, teghens Minderbruers clooster.
Alex denkt: tijd is onherroepelijk, maar afstand ook. Aagje iseven ver van mij, haar bekommernissen zijn mij even vreemd als die van Schelfhout. In dit geval haalt tijd de afstand in: elke dag dat ze langer wegblijft, verwijdert haar nog meer van mij.
Bovenaan de lijst om het paneel prijkt een wapen met de spreuk: Post noctem spero lucem.
Licht is er in overvloed, alsof hem een blinddoek wordt afgerukt. Alex heeft zich achter Meyer door de nauwe opening in de meters dikke muur gewurmd die van de trapkoker naar het platformpje ter hoogte van de klokkenkamer leidt. De hemel is een duizelingwekkende diepte. Met beide handen klemt Alex zich vast aan de borstwering, zijn rug tegen de muur. Langzaam vermindert zijn paniek. Maar naar de bodem van de afgrond, zestig meter lager, durft hij niet te kijken. Wind huilt in de galmgaten boven hun hoofd.
‘Kijk,’ zegt Meyer, ‘de stroom.’
Naast de kathedraal – een berg, zoals in het chanson van Brel – ziet Alex tussen de ordeloze opeenvolging van vlakken en volumes een kwikkleurige vlek. En wat verder nog een en nog een: een naar het midden toe doorbuigend snoer tussen de gebouwen. Hij denkt: als ik een film maakte, gebruikte ik dit uitzicht als openingsbeeld. Bij valavond, met een van slechte smaak druipende zonsondergang boven de torenflats op de andere oever. Maar ik maak geen films. Ik moet een boek schrijven.
Toch is het niet de evidente grootsheid van het uitzicht die hem sprakeloos maakt, maar de innerlijke samenhang – alsof de daken en straten waarover hij uitkijkt een coherent geheel vormden, dat beantwoordt aan de wetten van een eigen logica. Zoals de landschappen – nee, landschappen ziet hij nooit, het zijn altijd stadsgezichten – in de zeldzame dromen die hij zich herinnert.
Op de tweede etage van de toren toont Meyer hem de eiken stellage waarop het uurwerk heeft gerust. Beneden bereiken ze via de sacristie een kamer waar de gedemonteerde stukken op reiniging en restauratie wachten. Tandwielen met een doormeter van twee en een halve meter, drijfstangen zo dik als Alex’ pols liggen naast elkaar op de grond, met tussenin kleine, onherkenbare onderdelen.
Alex knielt en wrijft met zijn vingertoppen over het verweerde metaal. Meyer staat achter hem en legt uit waar alles voor dient. Maar Alex ziet de overblijfselen van een bizarre machine, door de held van een Victoriaanse toekomstroman aangetroffen in de ruïnes van een antieke stad. Of is de wereld stilgevallen door een defect aan het mechanisme dat voor hem ligt en dat de tijd sedert de schepping heeft aangedreven?
De schim van Aagje is beducht voor het neonlicht in Benny’s Eethuis en Alex stapt alleen naar binnen. Hij gaat op een kruk zitten en bestelt Griekse sla. In afwachting pakt hij een nummer van De Eerste, dat binnen handbereik rondslingert. Hij herleest een van zijn eigen recensies, maar hij beleeft geen genoegen aan zijn argumenten. Ze zijn correct geformuleerd en staan in de goeie volgorde. Toch is er iets – hij kan niet zeggen wát – dat hem irriteert, als een muggenbeet die je pas door achteloos krabben lokaliseert.
Een vluchtige controle leert dat hij zijn portefeuille, aansteker en sigaretten bij zich heeft. Nee, het heeft iets met Aagje te maken, met zijn herinnering. Het is moeilijk de feiten te onderscheiden van de fictie die hij er in de loop der jaren omheen heeft geweven.
Hun afscheid op de luchthaven is een van de weinige dingen waarover hij al heeft geschreven. Dat, denkt hij, leidt tot het vergeten van details die je al schrijvend niet in aanmerking neemt, omdat je ze op dat moment onbelangrijk vindt. Nu hij eraan terugdenkt, bekruipt hem het gevoel dat hij iets – iets belangrijks – is vergeten.
Alex kijkt naar buiten. Aagjes schim loopt op het trottoir voor Benny’s Eethuis te ijsberen.
‘Stel je voor,’ zegt hij (in zijn hoofd), ‘we kenden elkaar nauwelijks.’ Er komt geen antwoord. ‘Voor ik je notities leende, hadden we elkaar op de unief twee of drie keer gesproken. Je vond me interessant, zei je, en dat vleide me. Maar ik dacht niet dat je je ook tot me aangetrokken voelde. Toen ik bang naar je lag te kijken, wist ik niet dat we samen zouden blijven of dat je ooit naar Amerika zou gaan. Nieuwsgierig, ja, dat was ik wel. Vóór jou had ik maar een paar meisjes bloot gezien. En dat had iedere keer veel voorbereidend werk en overtuigingskracht gekost. Jij trok je jurk uit of het niks was, en ik zag je magere lijf in het licht van de kaars die je – hoe kon het ook anders, in 1975 – had aangestoken. Je kwam op de rand van de matras zitten. In die tijd sliep iedereen op een matras die op de grond lang. Je deed je sokken uit. Dikke wollen sokken waren het, voor huiselijk gebruik. Je grootmoeder had ze gebreid, zei je. Ik liet mijn vingertoppen over je rug glijden.
“Wacht,” fluisterde je, en ik vroeg me af waarom je niet gewoon sprak, “ik haal de radio.” Even later kroop je bij me tussen de lakens. Het was of iemand anders je streelde. Ik had nieteens een stijve. Toen nog niet. Mijn handen sloten zich even als een helm om je kleine schedel en ik voelde de oneffenheden onder je haar. En dan de gespannen zachtheid van je huid, met het bewegen van je spieren bij ieder gebaar dat je maakte. Je borsten waren minder klein dan ik had gedacht, met grote tepels die knopjes van rubber werden als ik ze streelde. Je liet je tong tot achterin mijn mond glijden. Zo kussen gold in die tijd en op onze leeftijd als een blijk van passie. Maar prettig heb ik het nooit gevonden.
Plots schoof je met de lenigheid van jonge katten bij me vandaan. Je steunde op een elleboog, zodat je haar als een franje voor je gezicht viel. “Eén ding moet je beloven,” zei je. “Word niet verliefd op mij.” Verlangen was een mes op mijn keel. Ik knikte, en ik vergat hoe banaal ik je vraag vond.
Daarna deden we het en dat was lekker, maar niet adembenemend en niet half zo goed als het later zou worden. Je merkte in ieder geval niet dat het mijn eerste keer was, dacht ik, maar toch vroeg ik of je het fijn had gevonden.
“Hé, verknoei het nou niet door dat te vragen,” zei je. “Waarom doen jullie dat altijd?” Dat deden wij dus altijd – al begreep ik niet wat je bedoelde.
Jij zei: “Ik wil een sigaret. Heb je ze meegebracht?” Of ik ze dan wou halen. We rookten. Telkens wanneer je een trek nam, lichtte je gezicht op. Toen onze sigaretten op waren, deden we het nogeens. “Blijf je slapen?” vroeg je. Ik zei: “Nee, mijn moeder. Ze krijgt een hartinfarct.”
Uit een doos naast de matras pakte je Kleenex-tissues. Het duurde even voor ik door had wat ik ermee aan moest.’
Hij kan niet zien hoe Aagjes schim reageert op zijn versie van de feiten. Het interieur van het eethuis wordt door de ramen weerspiegeld, zodat hij haar minder goed kan onderscheiden dan Benny’s spiegelbeeld, dat halverwege de overkant van de straat schijfjes snijdt van een levensgrote spiegelsalami.
‘We maakten geen afspraak, de volgende dag zagen we elkaar toch. Voorzichtig, om de andere bewoners van het huis niet te wekken, trok ik de voordeur dicht.
Ik bleef op de drempel staan om een nieuwe sigaret op te steken. Dan liep ik de kant van de Grote Steenweg uit. De lantaarns, opgehangen aan kabels over de straat, werden gewiegd door de wind en produceerden een luguber gesteun. Het asfalt glom in hun verglijdende schijnsel, als op de cover van een goedkoop uitgegeven detectiveroman.
Het is gebeurd, dacht ik, bijna opgelucht, als had ik altijd geweten dat het me buiten mijn wil om zou overkomen, zoals het omslaan van mijn stem toen ik twaalf werd.
De Grote Steenweg was volkomen verlaten. Het waaide er dubbel zo hard en ik trok de kap van mijn duffel over mijn hoofd.’ ‘Waarom waait het altijd zo wanneer jij over straat loopt?’ vraagt Aagjes schim.
Hoewel het felle schijnsel van de neonlampen haar nog transparanter maakt, heeft ze haar angst overwonnen en is dwars door de gesloten deur Benny’s Eethuis binnengestapt. Ze zakt even door haar knieën en maakt een sprongetje, zodat ze als een ballon omhoog zweeft en op de kruk naast hem terechtkomt.
‘Ik ben een schrijver,’ zegt Alex, ‘ik heb verbeelding. Houdbare Illusies. Daar kun je naar verluidt alles over lezen in het boek van Carel Peeters. En op de vlakten van Iowa waait het even hard, als ik jou geloven mag.’
In zijn versie van het verleden – er is er geen andere – trok hij dus de kap van zijn duffel over zijn hoofd. Rondom hielden de nacht en de eeuwigheid huis. Maar er waren geen sterren. Het begon zelfs te motregenen.
‘Voor het effect zou ik er kunnen aan toevoegen dat ik aan Julien Sorel dacht. Uit Le Rouge et Ze Noir. Dat hadden we net moeten lezen van de ouwe Lissens. Wanneer Julien Mathilde de la Mole heeft verleid, vraagt hij zich af of de liefde niet meer is dan dat, maar dat was niet zo. Ik dacht niets; het was te onverwachts gebeurd om er al over te kunnen denken. Ik voelde zelfs geen trots .. .’
‘Typisch voor jou om dan aan Stendhal te denken,’ gnuift de schim van Aagje.
‘Wees blij dat ik niet beweer dat ik me eindelijk een mán voelde,’ zegt Alex wrevelig. ‘Ik heb me trouwens jaren afgevraagd hoé ik me voelde, toen ik die nacht naar huis liep. Ik heb het je nooit precies kunnen vertellen, weet je nog? Ik heb me altijd de donkere huizen en de regen herinnerd (die nattigheid is geen verzinsel). En dat ik kalm was. Maar er was meer dan de kalmte. Dat heb ik de hele tijd geweten. Zonder te kunnen zeggen wát. Het was een witte vlek in mijn geheugen, zoals wanneer je terugdenkt aan een film en ontdekt dat je de muziek bent vergeten. Maar nu weet ik het. Ik was alleen. Helemaal alleen, voor de eerste keer. En ik was me daar volkomen van bewust. Zonder in paniek te raken.’
‘En ben je daar pas nu achtergekomen?’
‘Ja.’
Maar Alex ziet in dat het niet zo is. En weet meteen wat hij over het hoofd heeft gezien toen hij over het vliegveld en hun afscheid schreef. Terwijl Aagje de trap naar de deur van de City Hopper beklom, ving hij zoiets op als een echo van wat hij zich vanavond voor het eerst expliciet herinnert. De lucide radeloosheid van het ogenblik dat de deur van het vliegtuig werd gesloten, was niet nieuw, maar de herhaling van een eerder gevoel.
‘Wat ben je van plan, nu je dit weet?’
‘Een boek over je schrijven,’ antwoordt Alex, ‘maar dat wou ik toch al. En op je blijven wachten, zoals in het liedje. Er zal wel een liedje zijn. Iedereen wacht immers altijd op het verleden. Maar eerst bedrink ik me.’
Natuurlijk zal hij straks pas, na zijn Griekse sla, naar de Rijzende Zon trekken, de artiestenkroeg met haar clientèle die voor een flink stuk uit verwelkte, naarmate de avond vordert, begeerlijker vrouwen bestaat. Hij kijkt op zijn horloge en merkt dat het is blijven stilstaan. Hij bestelt een halve fles retsina. Nog een geluk dat hij daarnet vergeten is Benny om Apollinaris te vragen.
Antwerpen, 1923. Jazz, cocaïne en dada? De moderniteit weegt niet op tegen wat in de stad herinnert aan de Belle Époque. Toch maakt de pers zich zorgen. Op 7 april schrijft de Franstalige liberale krant Le Matin: “Antwerpen is houdster van een sinister record: dat van de criminaliteit. Geen dag gaat voorbij of wij zijn verplicht over een misdaad te berichten. Onlangs meldden wij de weerzinwekkende aanslag waarvan een vrouw in Hoboken het slachtoffer werd; dan was er de huiveringwekkende misdaad in de Blauwbroekstraat, gevolgd door de dood van een vrouw van lichte zeden in de Jezusstraat; enkele dagen later vond in de Lange Nieuwstraat een dubbele misdaad plaats.”
Het jongste criminele feit dat de journalist aanzet tot deze sombere overwegingen is dan ook van aard om zijn burgerlijk lezerspubliek de stuipen op het lijf te jagen. De 41-jarige drukker en uitgever G. Jos Buschmann, jongste telg uit een gerespecteerde familie, is in zijn eigen werkplaats met een hamer bewerkt door een jonge arbeider.
Het kleurrijkste relaas verschijnt in De Schelde (4 april): “Zooals de lezer reeds weet, werd de heer Buschmann, bij zijn thuiskomst, in den gang der drukkerij, die uitgeeft op de Rijnpoortvest, door een zijner werklieden aangevallen. Dat gebeurde in de volgende omstandigheden. Rond 7 u. 15 bevonden zich de heer vader Buschman en zijn zoon in het bureel. De zoon ging naar de brievenbus zien of er nog brieven waren toegekomen. Toen hij in de werkhuizen kwam, draaide hij eene elektrische lamp aan. Bijna op hetzelfde oogenblik werd hij in den rug aangerand. De aanvaller sprong op den rug van zijn slachtoffer. Hij hield met de linkerhand de twee armen van den heer Buschmann in bedwang, terwijl hij hem met de rechterhand een vijftal slagen met een hamer op het hoofd toegebracht. De heer Jos. Buschmann, die zijn tegenwoordigheid van geest nog bezat, riep ‘Papa, on m’assomme’.”
G. Jos. Buschmann
“Papa” is de op dat ogenblik 75-jarige Gustave Buschmann die de leiding van het familiebedrijf onlangs heeft overgedragen aan zonen G. Jos en Ernest-Henri. De laatste neemt de zakelijke kant voor zijn rekening. G. Jos, die wij vandaag een talentrijk layouter zouden noemen, verzorgt het artistieke aspect van de Buschmannproducten.
De krasse grijsaard snelt ter hulp. “Zijn zoon en de laffe aanrander lagen worstelend ten gronde. De schurk […] sloeg aanhoudend op het hoofd van zijn slachtoffer. De heer Buschmann sprong toe, sleurde den kerel van zijn zoon weg.” De dader laat zich overmeesteren en “bleef staan kijken, net of heel de zaak hem niet aanging. De zoon Buschmann stond op en zette zich in een leunstoel. De vader verliet de plaats der misdaad, ging een revolver halen om Smet in bedwang te houden.”
Vervolgens geeft Gustave zijn wapen aan G. Jos, die zijn aanvaller onder schot houdt, terwijl hijzelf de politie gaat verwittigen. Een bizar tafereeltje. Het Volk (8 april) bevestigt dat de “laffe aanrander kalmpjes [bleef] wachten en niet de minste poging [deed] om te ontsnappen.”
De politie komt ter plaatse in de gedaante van een adjunct-commissaris en een agent. Weldra maakt ook een arts zijn opwachting. De dader wordt ondervraagd. Het gaat om de 17-jarige letterzetter Alphonse Smet, sinds drie jaar bij de Buschmanns in dienst. “Men vermoedt,” aldus De Schelde, “dat de dader zich in de werkhuizen heeft laten insluiten om des avonds of des nachts medeplichtigen binnen te laten, en samen, met hen, een partij stadsloten te robberen. Smet heeft dit echter ontkend. De loten, die te stelen waren in de drukkerij, waren waardeloos, vermits ze geen handtekeeningen van de overheid droegen.”
Armdrukpers van de firma J.-E. Buschmann
De waardepapieren zijn inderdaad niét het motief; Smet heeft geen handlangers. Hij heeft van de grootmoeder van een werkmakker die in de Korte Vlierstraat woont 298 frank geleend om een fiets te kopen. Dat bedrag betaalt hij terug a rato van 7,50 frank per week. Maar daardoor houdt hij niet genoeg over om naar de kroeg te gaan. Wanneer hij nog 20 frank moet terugbetalen, besluit Smet het geld te halen waar het zit: bij zijn baas. In plaats van naar huis te gaan, verstopt hij zich onder een tafel en wacht tot G. Jos. zijn avondlijke ronde zal doen. Hij wil zijn patroon bewusteloos slaan om zijn portefeuille te stelen.
“Nadat Smet deze verklaring had afgelegd,” schrijft De Schelde, “werd hij naar het policiebureel [sic] der Venusstraat overgebracht, waar hij in de Verzekeringskamer werd opgesloten. Toen men hem opleidde, zegde de dader: ‘Zeg, agent, ik zal toch wel een sigaret krijgen, hé!’ Smet schijnt zich geen rekenschap te geven van zijn laffe daad.”
G. Jos ligt intussen in het ziekenhuis. Hij heeft verscheidene hoofdwonden; de Brusselse socialistische krant Le Peuple preciseert dat grootste 33 millimeter lang en 13 millimeter breed is. Buschmanns voorhoofdsbeen is verbrijzeld en “men kan zijn hersens zien”. De artsen zeggen dat ze zich pas na enkele dagen kunnen uitspreken over zijn overlevingskansen. Een andere hoofdstedelijke krant verwart G. Jos. met zijn oom Paul Jr. (1877-1924), kunsthistoricus en conservator in het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten.
Van de dader vernemen we dat hij met zijn moeder en zeven andere kinderen in een “kwartier” aan de Verlatstraat nr. 2 op het Zuid woont. De weduwe Smet is volgens Le Matin “une brave femme”. Haar zoon vertoont symptomen van “aliénation mentale”. Maar de ware schuldige is de tijdsgeest: “Uit het onderzoek blijkt dat de jonge boef een slachtoffer is van de bioscoop waar hij een geregeld naartoe gaat en dat zijn kijk op de wereld werd vervormd door de lectuur van politieromans, waarvan de onderzoekers er […] een hele stapel aantroffen.”
G. Jos Buschmann herstelt wonderwel en ontwerpt nog vele fraaie drukwerken; zijn vader leeft tot 1935. De familie verzamelt alle krantenknipsels over “l’attentat”. Ook de verontruste brieven en telegrammen van vooraanstaande vrienden – minister Franck, Emmanuel De Bom, burgemeester Van Cauwelaert, academiedirecteur Juliaan De Vriendt, Maurits Sabbe en anderen – krijgen een plaats in de doos die een boekbinder van de firma speciaal daartoe vervaardigt. Ze bevat ook enkele brieven van aalmoezenier Thomas van de Antwerpse gevangenis waar Smet is opgesloten en van de Buschmanns.
De aalmoezenier vraagt Gustave in 1924 zijn steun te verlenen aan een verzoek om vervroegde vrijlating van Smet. Het is G. Jos die antwoordt: “Zeer Eerw. Heer Almoezenier, Moeder De Smet heeft mij Uw schrijven overhandigd, en van ganschen harte wil ik u mijnen steun toeleenen. Seder [sic] lang heb ik geheel en al vergeven de ongelukkige daad waarvan ik het slachtoffer was.”