Blauwe duivels. Verhaal.

Antoine Wierts, "La liseuse de romans".

Bruxelles, le 9 juillet 1881

Henri Conscience

Conservateur des Musées Royaux des Beaux-Arts

p/a Musée Wiertz

rue Vautier

Bruxelles

Aan Mijnheer Georges Eekhoud
Letterkundige
Vooruitgangsstraat 85
Schaarbeek

Waarde Eekhoud,

Gij betreurt, zegt gij, dat gij het Vlaams onvoldoende machtig zijt om het te schrijven, maar van mij, ‘de grondlegger van de Vlaamse letterkunde’ zoals gij mij noemt (waarvoor mijn oprechte dank), wilt gij een Vlaamse brief. Ik kom met plezier aan uw wens tegemoet. Hedenochtend ontving ik het schrijven waarin gij informeert of gij mij vragen moogt komen stellen, die gij achteraf samen met de antwoorden wilt laten verschijnen in uw courant L’Etoile belge – een interview, zoals de Engelsen dat noemen.

Hendrik Conscience.

Ik beken dat het denkbeeld mij wat verontrust: het is de eerste keer dat men mij iets dergelijks voorstelt. Maar bij onze kennismaking zijt gij mij zeer bevallen en ik hoor niets dan goeds van u, al zijn er lieden die vragen: ‘Georges Eekhoud, is dat geen aanhanger van het Naturalismus?’ (zelf kon ik dat uit uw gedichten niet afleiden).

Ik houd Emile Zola voor een groot schrijver, doch gij weet hoe weinig mijn werk met het zijne of met dat van zijn aanhangers heeft uit te staan. Maar reven ons à nos moutons, om een uitdrukking te gebruiken die u blijkbaar na aan het hart ligt. Mijn antwoord op uw vraag is een volmondig ‘ja’. Ook de dag die gij voorstelt, woensdag 12 juli, schikt mij – een oude man heeft weinig om handen. Dat geldt zeker voor de conservator van het Musée Wiertz.

De jonge Georges Eekhoud.

Mijn oudste dochter is getrouwd met Gentil Antheunis, de componist; mijn andere kinderen zijn dood. Mijn vrouwen ik leiden een teruggetrokken leven. Iedere morgen opent de suppoost Job de deuren van het atelier, waar Wiertz’ krankzinnige doeken hangen. Engelsen, maar ook Hollanders komen er zich vergapen aan De homerische strijd, De menselijke macht kent geen grenzen en ander werk waarmee de schilder Michelangelo en Rubens naar de kroon dacht te steken – het staat letterlijk in zijn brieven.

Kent gij de schilderijen van Wiertz? Ik zal ze u laten zien. Ze hebben kwaliteiten, maar de Grootheidswaan van hun maker drukt mij terneer. Wiertz’ werk is ziek, als men dat van schilderijen zeggen kan.

Iedere dag word ik in de late namiddag door weemoed bezocht. Dat gebeurt sinds ik een kind was. Het gaat gepaard met een verhoogde ontvankelijkheid voor indrukken. Van zodra de stemming aanbreekt, blijf ik weg uit het museum – al reken ik het ook dán tot mijn plicht om voorname bezoekers zelf te woord te staan: ik doe het in mijn werkkamer of bij mooi weer in de tuin.

Het Wiertzmuseum. Woning van de schilder (en later van de conservator).

Wiertz had weinig geld, maar wilde monumentale doeken schilderen voor stations en andere openbare gebouwen, kwestie van zoveel mogelijk toeschouwers te stichten. Om de kosten te drukken, bedacht hij zijn zogeheten peinture mate, verf die hij zelf bereidde en waarmee hij niet op doek, maar op jute schilderde.

Het gevolg is dat sommige schilderijen, zestien jaar na zijn dood, volop aan het verbleken zijn. Contouren vervagen, gezichten worden vlekken – de trekken verdwijnen, als zat men in een boot en sloeg men vol afgrijzen gade hoe een vriend die in het water is gevallen, zonder dat men daadwerkelijke hulp kan bieden, verdrinkt en naar de bodem van de vijver zinkt. Zegt het fenomeen bovendien niet alles over roem, over wat ons werk te wachten staat – daarom niet vlak nadat wij ons hoofd te rus te hebben gelegd, maar hoe dan ook: ooit?

Wiertzmuseum.

Gij zijt jong, hoor ik u protesteren, gij moet nog schrijven en gij zult roem verwerven; wat ik zeg, blijft voor u een dode letter. Ik begrijp dat, en zal er u niet langer mee vervelen. Of toch? Gij wilt weten wat mij bezielt, en ik heb beloofd dat ik het u zou vertellen, niet?

Gezeten aan deze tafel, terwijl ik deze woorden schrijf, voel ik de behoefte om zaken uit te spreken die ik voordien niet wilde of kon zeggen. Speelt mijn zwakke gezondheid mij parten? Sinds maanden verhindert ze mij aan een boek te beginnen, als riep mijn lichaam mij toe: de honderd delen die gij geschreven hebt en waarvoor gij onlangs zijt gevierd, volstaan; thans moogt gij rusten! Maar ik word alleen rusteloosheid gewaar: angst dat ik, voor het doek valt, niet alles zal hebben geschreven wat er door mij te schrijven was – of dat hetgeen ik schreef, verbleekt.

Wij zijn meer dan zenuwen en spieren, meer dan de erfgenamen van de zonden onzer ouders. In tegenstelling tot Zola, die zonder terughoudendheid de dierlijke driften zijner boeren en werklieden schildert, voerde ik slechts nederige lieden ten tonele: de Vlamingen die ik in dorpen en steden van dit land leerde kennen. De meisjes in mijn verhalen zijn zediger, de jongemannen zachter dan in het ware leven; mijn historische figuren zijn nobeler of snoder dan Job die – zijn bijbelse naam ten spijt – iedere dag de deuren opent en ’s avonds, wanneer hij ze heeft gesloten, samen met mij een jenever drinkt.

Wiertzmuseum, de tuin.

Is dat niet onze schrijversplicht: de lezer voorbeelden voor ogen houden, een houvast geven? (Wat men er echter ook van zegt, de Vlaming is volgzaam en vroom, en ooit, toen de wereld vijf of zes eeuwen jonger was, heldhaftig.) En vertelt de schrijver minder de wereld dan de strevingen van zijn eigen hart? Kortom, mij dunkt, ik was altijd eerlijk.

Toch bekruipt mij, bij het herlezen van mijn werk, de indruk dat ik heb gefaald, dat ik niet genoeg naar het wezen van de mens heb gepeild – een pogen dat men Zola, zijn krachtpatserijen en zijn somber geloof in de nachtzijde van het bestaan, niet kan ontzeggen. Of is dit wartaal van een grijsaard, ontredderd omdat hij een nieuwe generatie aan het werk ziet die nog niet heeft verleerd de hemel te bestormen?

Dingen die ik niet kon of wilde zeggen, schreef ik zo-even – maar welke, wist ik niet. Dat is de paradox van ons ambacht: al schrijvend achterhalen wij wat wij bedoelen. Plots heb ik een vermoeden van de oorzaak van mijn gebrekkige greep op ’s mensen natuur – een zwakheid die de meeste Vlaamse schrijvers overigens met mij delen.

Gij hebt, meen ik, aan den lijve ondervonden hoe moeilijk het is om in dit land iets te bereiken. Talent, ideeën – ze zijn niets, minder dan niets – tenzij degene die ze heeft, op de bescherming van invloedrijke personen kan rekenen. Ik had het grote geluk dat de jonge schilders met wie ik omging, mij voorstelden aan Gustave Wappers. Hij gaf sinds enkele jaren les aan de Antwerpse Academie.

Gustaf Wappers.

Wappers’ vader, een handelaar, was failliet gegaan, maar zijn zoon hield aan de verzwonden rijkdom van de familie vrienden over die hem steunden. Zelf bezat hij de omgangsvormen en de denkwijze die het voor iemand uit de burgerij, ook als hij geen geld heeft, gemakkelijker maken om vooruit te komen dan voor een man uit het volk. Bovendien wás Wappers een bekwaam schilder: zijn werk bewijst dat. Hij kreeg opdrachten van Leopold I en omdat beiden vrijmetselaar waren, gingen zij, naar verluidt, op zeer vertrouwelijke voet met elkaar om.

Wappers vatte dadelijk vriendschap voor mij op; ook hij wilde de Vlamingen uit hun lange geestesslaap wekken. Hij zorgde ervoor dat de koning mij in zijn paleis te Brussel ontving en mij eerst een hulpgeld gaf, en vervolgens de opdracht tot het schrijven van een Geschiedenis van België. Toen Wappers directeur van de Academie werd, werd ik griffier of secretaris van de school. Het was de eerste betrekking die mij toeliet om in mijn vrije uren te schrijven. Mijn korte roman Hoe men schilder wordt was een dankbetuiging aan mijn beschermer.

De Antwerpse Academie.

Dat alles maakte van mij echter geen rijk man. Van mijn eerste boek, In ’t Wonderjaer, en van De Leeuw van Vlaenderen waren een paar honderd exemplaren verkocht. De vele reacties die ik van overal in Vlaanderen kreeg, beschouwde ik als mijn voornaamste beloning.

Daar komt bij dat ik pas getrouwd was – tot dan toe had mijn schoonvader mij de hand van zijn dochter geweigerd omdat ik geen vast werk had – en dat mijn vrouw, daarin hartelijk gesteund door haar familie, neigde naar een levenswijze die wij ons in feite niet konden veroorloven. Zij beklaagde zich over de sobere inrichting van mijn kamers aan de Ossenmarkt, de versleten klederen die ik droeg, de hoeveelheden drank die mijn vrienden verzetten en hun weinig kiese taal, alsook over het feit dat wij geen meid hadden. Kortom, zij maakte het mij lastig en het kwam voor dat ik met spijt terugdacht aan de tijd vóór mijn huwelijk.

Intussen bleef Wappers mij de hand boven het hoofd houden. Hij maakte kennis met een zekere De Sorlus, een edelman met een hoge functie bij Binnenlandse Zaken (misschien ook een logegebroeder – Wappers was op dat punt altijd zeer discreet). De Sorlus vatte op instigatie van mijn vriend het plan op om van mijn boeken een groot aantal exemplaren aan te kopen voor de bibliotheken van ’s lands -lach niet! – gevangenissen. Voor het eerst vernam ik dat ook die Instellingen bibliotheken hebben.

Het ging om een transactie die mij betrekkelijk veel geld zou opleveren, en ik was bijzonder opgetogen. Weldra ontving ik een brief van het ministerie dat een en ander bevestigde. Ik vroeg Mijn drukker De Cort papier te kopen voor driehonderd exemplaren van elk boek – met dien verstande dat ik mij daarvoor borg stelde; ik was nog geen schrijver voor wie een uitgever risico’s neemt.

Affiche voor "De Leeuw van Vlaanderen" met een tekening van Wappers.

Twee weken later liet Wappers mij in de Academie bij zich roepen. ‘Ik heb slecht nieuws,’ zei hij, ‘kanunnik Van Hemel ligt dwars.’ Van Hemel was superior van het Mechelse kleinseminarie. Hij dankte zijn reputatie aan het feit dat hij de schooluitgave van Reinaert de Vos door Jan Frans Willems had gesaboteerd, tot Willems bereid was de inhoud aan te passen aan de eisen van de christelijke moraal en de goede zeden. Maar ik begreep niet wat Van Hemel met mij te maken had – tot Wappers mij in enkele woorden duidelijk maakte dat het ging om de aankoop van In ’t Wonderjaer en De Leeuw.

‘Van Hemel is koleirig omdat gij in ’t Wonderjaer van de geuzen de goeden hebt gemaakt en van de Spanjaarden de slechten. Hij heeft naar de minister geschreven; nu wil die de aankoop pas goedkeuren als gij een serie schriftelijke verklaringen voorlegt van mensen die zeggen dat uw boeken katholiek genoeg zijn. En omdat Van Hemel niet de eerste de beste is, moet hij ook akkoord gaan. Het schijnt d’ ailleurs dat hij daar met u wil komen over klappen – Van Hemel, niet de minister, dat ziet ge van hier.’

Ik was met stomheid geslagen.

‘Ge verstaat toch wat ik wil zeggen?’ vroeg Wappers, die mijn verbijstering voor onbegrip hield.

‘Dat ik mijn boeken moet herwerken,’ zei ik.

‘Juist,’ antwoordde Wappers, ‘maar dat zult gij niet doen.’

‘Natuurlijk niet!’ antwoordde ik.

Het verbaast u misschien, waarde Eekhoud, dat Wappers zo zeker van mij was. Maar gij moet weten dat hij een overtuigd liberaal was, en van mij hetzelfde dacht. Was niet ons hele, jarenlange streven naar de wedergeboorte van Vlaanderen geïnspireerd door de mening dat het volk de natie is, en dat de staat, de veruitwendiging van die natie, nooit de helft van het volk zijn taal en zijn aard mag ontzeggen? Wij allen – mijn vriend Johan Alfried de Laet, maar ook Domien Sleeckx, Pieter Frans van Kerckhoven en Door van Rijswijck – dachten zo.

Pieter-Frans Van Kerckhoven.

Niet alleen hierom wantrouwde de Kerk ons, maar ook (vooral?) omdat wij romans schreven. De meeste priesters, die voor de Vlaamse kwestie als zodanig geen belangstelling hadden, en misschien niet eens wisten waar wij politiek voor stonden, koesterden een hevige afkeer van romans: die waren, meenden zij, uit Frankrijk komen overwaaien en verwekten daarom bij de lezer zedenbederf en onvrede met zijn lot. (Die vrees gold, nu ik eraan denk, alle boeken – en ze wisten er hem in de loop der eeuwen met vrucht bij het volk in te hameren: ooit vertelde een Kempens boertje mij dat wie de bijbel las, geplaagd werd door blauwe duivels die hem niet met rust lieten eer hij al het gelezene achterstevoren had opgezegd.)

Dit leidde ertoe dat de clerus, op nu en dan een oprisping in een dagblad na, deed alsof wij niet bestonden (zwijgen, heb ik geleerd, is een van de geduchtste wapens van de katholieken). Daarom leek het zo ongerijmd dat een priester zich plots de moeite getroostte zich met het werk van één van ons te bemoeien. Ongerijmd en onbegrijpelijk (wij beschouwden het incident-Willems ten onrechte als een buitenissigheid – het is bekend dat men het teken aan de wand over het hoofd ziet). Ik merk echter dat ik vooruitloop op wat ik u wilde vertellen over ‘mijn’ liberalisme.

De vrijheid was en is mij lief – diende ik om harentwil niet vanaf de Omwenteling van 1830 (ik was achttien) tot 1836 in het Belgisch leger? En bezong ik ze niet in het Wonderjaer en de Leeuw? Alleen, de partij zucht van sommigen – vooral Van Kerckhoven, Sleeckx en Wappers zelf – was mij vreemd: ik wilde schrijven. En ook – waarom zijn wij altijd beschaamd wanneer ons stoffelijk streven ter sprake komt? – in de maatschappij de plaats verwerven waarvan ik vond dat ze mij toekwam.

"De leeuw van Vlaanderen verschijnt ten tonele", illustratie door Edward Dujardin.

De ergernis die mijn vrienden telkens weer in discussies over de greep van de Kerk op het volk tentoonspreidden, viel mij moeilijk; ik hield ze nooit lang vol. Vergeet bovendien niet dat het atheïsmus dat velen vandaag belijden toen – ik spreek van 1842 – nauwelijks bestond. Ook Wappers en Van Kerckhoven gingen naar de kerk, waren er getrouwd en zouden er begraven worden (zij het dan dat dit laatste Wappers in het wufte Parijs overkwam).

‘Gij moet met die mens gaan spreken,’ von mijn vrouw Maria toen ik haar over de kanunnik vertelde.

‘Ik val nog liever dood,’ zei ik, en zij barstte in tranen uit.

‘Van Hemel, dat is het vleesgeworden obscurantismus,’ zei Van Kerckhoven die avond in de herberg Het Zwart Paard. ‘Hem ontmoeten is onze Zaak verraden!’

Thuis vond ik de slaapkamer op slot.

‘Zoek het maar in uw eentje uit,’ riep Maria.

Ik ging terug naar Het Zwart Paard. In de vroege uren probeerde ik te slapen in de stoel aan mijn schrijftafel; tegen zevenen begaf ik mij naar de Academie. ‘s

Avonds vroeg Maria mij of ik al bij drukker De Cort was geweest.

‘Ge durft niet, hé?’ vroeg ze.

Ik haalde mijn schouders op.

‘Ik wel,’ zei ze, ‘uw papier is geleverd. Hij wacht op zijn geld.’

Zo sloeg ze mijn laatste hoop de bodem in. Van Hemel schreef mij. Ik antwoordde per kerende.

"In 't Wonderjaer".

De kanunnik ging zitten en legde twee boeken op mijn bureau. Vervolgens veegde hij met de rug van zijn linkerhand zijn mond af, als iemand die heeft gegeten en geen servet heeft. Hij had een diepe, welluidende stem – een stem die u overtuigt voor ge goed gehoord hebt wat ze zegt. Het was, deelde de stem mede, voor haar bezitter een grote eer de werkkamer van de schrijver van De Leeuw van Vlaenderen te betreden. Ik dacht wellicht het omgekeerde, maar de man die voor mij zat, was een bewonderaar. Toch meende Van Hemel dat ik het, mijn verdiende succes ten spijt, niet gemakkelijk had – op financieel vlak. Opnieuw veegde hij zijn mond af. Ditmaal duurde het iets langer. ‘Of vergis ik mij?’

‘Hoe weet gij dat, eerwaarde?’ vroeg ik.

‘Wij hebben zo onze kanalen, mijn zoon, onze kanalen. Ik heb het in feite over dat papier – de zoveel riemen papier waar gij naar het schijnt mee zit.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Daar vinden w’e wel iets op, eerwaarde. Er is een kans dat de leverancier ze terugneemt.’ Dat was bluf, en Van Hemel wist het.

‘Daar zou ik niet op rekenen, als ik u was,’ zei hij. ‘Ge moogt niet vergeten: de papiermarchand waar uw drukker zich bevoorraadt, is een goede katholiek.’

Daar wist ik niets op te zeggen.

‘Voilà, ge verstaat mij,’ vervolgde Van Hemel. ‘Maar er is niks verloren. Als gij van goede wil zijt, zou het zelfs kunnen dat ge binnenkort papier tekort komt. Tot hier toe is er altijd gesproken van een aankoop van uw boeken voor de gevangenissen. Dat zijn veel boeken. Maar er zijn nog andere instituten waar men leest. Mijn eigen school heeft vijfhonderd studenten. En ik ken directeurs van andere scholen…’

Het zalvende gebrom begon mij op de zenuwen te werken. ‘Goed dat mijn vrouw u niet hoort, eerwaarde,’ zei ik. ‘Die denkt aan niets anders dan aan geld. Maar bij mij pakt dat niet.’

Domien Sleeckx.

‘Mijn zoon, het is schoon dat gij niet geeft om het slijk der aarde. Maar daar gaat het niet over. Wij weten ook dat gij werk hebt en uw kost verdient, al is ’t niet fameus, als wij madame mogen geloven.’

‘Heeft mijn vrouw dan met u gesproken?’

‘Niet met ons, mijn zoon, maar met haar biechtvader, dat verstaat ge.’ Hij pauzeerde en veegde zijn mond af, zodat zijn woorden de tijd hadden om tot mij door te dringen. ‘Wij bedoelen,’ ging hij voort, ‘dat gij te goed zijt om uw eigen het publiek te ontzeggen waar gij door uw talent en uw hard werken recht op hebt. Het is plezant een groot schrijver te zijn en honderd boeken te verkopen. Maar het is nog veel plezanter een groot schrijver te zijn en er duizend te verkopen. Wilt gij uw boodschap niet naar de mensen brengen – onze eigen Vlaamse en christelijke mensen, die op u zitten te wachten? Waarom zijt Gij als zoon van een Fransman anders in ’t Vlaams gaan schrijven?’

De kanunnik stak zijn hand op om mij het spreken te beletten.

‘Ja, ja,’ zei hij, ‘gij zat in 1836 onder een appelboom een oude kroniek te lezen over de Beeldenstorm en ge dacht: daar ga ik een boek over schrijven – in ’t Frans, want dat is mijn moederspraak. Maar ’t ging niet en gij werdt kwaad, tot dat het ineens, tot uw eigen verbazing, lukte. En ge zaagt dat dat kwam doordat gij, zonder dat ge het zelf wist, in ’t Vlaams aan ’t schrijven waart. Dat vertelselke kent iedereen.’

Verried mijn gezicht mijn verbijstering? Ge moet weten dat ik hierover nog geen letter had gepubliceerd!

‘Onze kanalen,’ zei Van Hemel flauwtjes, als verklapte hij mij een onschuldig geheimpje. Hij veegde zijn mond af. Wat hij toen zei, klonk anders. ‘Conscience, gij zijt in ’t Vlaams beginnen schrijven omdat er meer mensen zijn die Vlaams verstaan dan Frans.’

Maria Peinen, de vrouw van Hendrik Conscience, door Henri Leys.

Ik was zo onthutst dat ik zei: ‘Daar is iets van.’

‘Een schrijver wil gelezen worden. En gij wilt de Vlamingen hun taal en hun trots teruggeven. Dat is schoon. Maar wat zijn ze met uw Leeuw als gij hun niet laat zien hoe zij vandaag moeten leven?’

‘Maar dat laat ik hun zien, eerwaarde. Ik heb Wat eene moeder lijden kan .geschreven en ik werk aan de Geschiedenis van België.’

‘Dat kan zijn. Maar. .. ,’ hij pakte een van de boeken en doorbladerde het, ‘wat verwacht gij dat ze hiervan vinden?’ Hij las voor: ‘Bijwijlen bracht Jan Breydel zijn vlammend oog van de vijanden op de bijl, die in zijn mannenvuist flikkerde en hij streelde het moordstaal met meer liefde dan of hij zich op de zachte boezem zijner bruid had verlustigd!’

Van Hemel veegde zijn mond af, maar ditmaal zette hij een gezicht alsof het was om zijn lippen schoon te maken na wat ze hadden gezegd. ‘En hier,’ zei hij, ‘in uw Wonderjaer: “Zacht wijkt de kuise Geertrui voor het vuur van haar minnaars hart dat door haar kleed heen begint te gloeien” – gij durft nogal! Dat is gewoon … por-no-gra-fie.’

De Beeldenstorm, 16de-eeuwse prent.

‘Wat is dat, eerwaarde?’ Ik wist het werkelijk niet.

‘Vuilschrijverij. Van het Grieks pornos, vuil, en grafein, schrijven. Maar gij – gij kunt dat veranderen. Ge laat dien boezem weg en ook dat van dat vuur, dat door die kleren… euh, te zien is. En andere dingen van dien aard. Als ge wilt, kan ik u daar een lijst van maken.’

‘Ende geuzen dan? Ik bedoel, ze hebben mij gezegd dat gij vooral gebeten waart op de geuzen in ’t Wonderjaer.’

‘Aha, uw geweten is blijkbaar niet gerust – terecht! In uw Wonderjaer is ’t van de geuzen hier en de geuzen daar, alsof dat onschuldige bloeikens waren, en van de Spanjaarden spreekt ge niks dan kwaad.’

‘Eerwaarde,’ vroeg ik, ‘weet gij hoeveel boeken ik over die tijd gelezen heb?’

‘Zeker, mijn zoon, ik heb die ook gelezen. Dat de Kerk en de Spanjaard wreed waren voor de protestanten, en dat de Spanjaard onze onafhankelijkheid heeft afgepakt – dat is juist. Maar moet ge dat vandaag, nu het liberalismus en de franc-maçonnerie hoogtij vieren, aan de mensen vertellen?’

‘Eerwaarde, gij zijt het die betaald wordt om de mensen vroom te houden. Ik heb daar niks mee te maken.’

‘Mijn zoon, gij hebt groot ongelijk. Het is uw plicht – tegenover onze Moeder de Heilige Kerk, waar gij nog altijd deel van uitmaakt, en tegenover de Vlaamse mensen die niet beter vragen dan door een schoon boek gesticht te worden. Gesticht – hoort ge?’ Van Hemel veegde zijn mond af, en toverde uit zijn soutane een bundeltje opgerolde papieren tevoorschijn.

‘Trouwens, wat zoudt ge hiervan zeggen – als dit aan de oren van uw familie kwam, van uw schoonfamilie, om van uw vrouw nog maar te zwijgen?’ Hij las: ‘Satan conuerti, ou plus d’enfer, zangspel van Henri Conscience, waarin Satan zegt: “J’ai fait l’amour à des nonnettes / Fraiches comme les fleurs des champs, / Elles disaient: Beau diable, faites, / Mais ne nous faites pas d’enfants.'”

Mijn verbazing was zo groot als een huis. Mijn keel zat dicht.

‘Ik weet het,’ vervolgde de kanunnik, ‘gij waart soldaat en het was allemaal niet serieus bedoeld. Gij en uw kameraden wilden u ontspannen, plezier maken, door zoiets op te voeren.’

‘Hoe komt ge daaraan? Het is nooit gedrukt,’ stamelde ik, alsof dat voor Van Hemel een probleem was.

‘Verba volant, scripta manent,’ zei hij, met een zwaar Frans accent. ‘Woorden vliegen weg op de wind, maar wat is geschreven, blijft bestaan. En wordt overgeschreven. En nog eens. Tot het op ons bureau ligt. Een priester moet veel weten, juist gelijk een schrijver.’

Ik moet u bekennen, Eekhoud, ik ben geen moedig mens. Alleen al de aanwezigheid van iemand die alles wat ik geschreven had en wat ik was (zo voelde dat toen), zo radicaal afwees, joeg mij angst aan – al mijn grootspraak ten spijt. Het was of mijn vader, die mij destijds verbood om schrijver te worden, tegenover mij had plaatsgenomen. Maar hém, zijn huis, was ik ontvlucht. Thans kon ik niet weg. Was dat de reden?

Henri De Pondt, "Hendrik Conscience", ca. 1870.

Er kwam een woede over mij die niet groter was dan ik tot dan toe had gekend, maar veel gerichter – alsof ik Jan Breydels bijl in mijn hand hield. Ik zei: ‘Eerwaarde, het zou voor mij gemakkelijk zijn te zeggen: ’t is goed, ge hebt gewonnen. Maar als gij geen gebroken armen en benen wilt oplopen, kunt ge nu het best vertrekken.’ Ik riep: ‘Maria! Maria!’ tot mijn vrouw haar hoofd door de deuropening stak. ‘Mariake, kanunnik Van Hemel, die zijn naam niet gestolen heeft, moet zijn trein halen. Wilt gij hem het gat van den timmerman wij zen?’ En tegen hem: ‘Gij zijt nog niet weg, of ik zie u al niet meer.’ Het was, dacht ik, de laatste keer dat ik hem zijn mond zag afvegen.

Maria bleef mij de toegang tot de slaapkamer ontzeggen. De Cort bracht mij in eigen persoon de factuur van het papier. Ik kon hem niet betalen en vroeg om uitstel. Van Kerckhoven hield iedere dag een liberale preek. Maar Wappers zei na een week:

‘Henri, ik heb nog eens nagedacht over uw zaak. Misschien zijn Vlaamse boeken tout court in de huidige omstandigheden belangrijker dan Vlaamse liberale boeken. Misschien moeten wij allengs te werk gaan – allengs gelijk de spin.’

Drie dagen later bracht een jonge kapelaan mij op de Academie een pakje. Kanunnik Van Hemel stuurde hem; de kanunnik was op bezoek bij zijn goede vriend de pastoor van de Sint-Carolus-Borromeuskerk, twee straten verder, maar hij verwachtte geen antwoord. Zo gauw de kapelaan vertrokken was, scheurde ik het bruine papier los en zag het eerste deel van De Leeuw. Hier en daar was met rode inkt een regel doorgehaald; ik telde er hooguit veertig, op een paar honderd bladzijden.

Ik liep naar huis. Daar zat mijn schoonmoeder, vrouw Peinen, op mij te wachten – zoals steeds breder dan ze hoog was. ‘Henri,’ fluisterde ze, ‘de dokter is bij Maria geweest – ze slaapt nu.’ Angst sloeg mij om het hart. ‘Ze had deze morgen een flauwte. Hij denkt dat zij in verwachting is.’

Maria Conscience-Antheunis, de dochter van Hendrik Conscience, in 1912.

Bij valavond liep ik uren tussen de evenwijdige bomenrijen op de stadswallen – de Spaanse wallen die ook gij, Eekhoud, als kind moet hebben gekend, en die sindsdien zijn afgebroken. Ik werd vader – ziedaar alles waaraan ik kon denken. De zon was ondergegaan boven de andere oever van de stroom; boven de hemelstrook die oranje nagloeide, was het zwerk bijna groen. Ik nam mij voor dat mijn zoon, mijn dochter, het gemakkelijker zou hebben dan ik. Wappers, die zelf een groot kunstenaar was, had gelijk.

Om middernacht was mijn brief aan Van Hemel klaar. Toen ik twee weken later de doeken met rode bloedvlekken zag die de meid bij het wasgoed deed, was hij, na diverse bezoeken en brieven, bijna een vriend geworden. Onze zoon Hildevert, zaliger gedachtenis, werd pas veertien maanden later geboren. Had Maria gelogen op aanraden van haar biechtvader? Ik wilde het niet weten.

Ik werkte weer aan mijn eerste twee boeken – ik kreeg de kans om ook vele fouten te verbeteren – en weldra aan de volgende. Samen werden het honderd delen. Ik bewaak schilderijen met kleuren die binnen tien of twintig jaar onzichtbaar zullen zijn.

Soms denk ik dat onze letterkunde – de Vlaamse – er zonder de bemoeienissen van kanunnik Van Hemel en de zijnen ánders had uitgezien. Maar zij bestaat, en dat was in 1842 nog-geheel onzeker. Toch vraag ik mij af of ik niet liever boeken had geschreven die mij thans niet met twijfel vervulden.

Er zijn, mij dunkt, twee redenen waarom wij, ouderlingen, ons zo machteloos voelen: wij zijn wat wij hebben gedaan, niet wat wij wilden doen, en wij zijn gedoemd om het geheim dat wij geleerd hebben mee in het graf te nemen, zonder de volle betekenis ervan te kunnen doorgeven aan hen die na ons komen. Gij, van uw kant, zijt dan weer gedoemd om alles eerst zelf te ondervinden.)

Hoe dan ook: welkom, vriend – wist gij dat gij mij doet denken aan Van Kerckhoven, die mij nooit meer heeft willen groeten? Ik zal uw vragen naar best vermogen beantwoorden, in de hoop dat gij ten minste dit onthouden zult, het enige wat voor een schrijver van wezenlijk belang is: hij weze zichzelf; hij zwichte voor geen enkele druk.

Standbeeld van Hendrik Conscience op het naar hem genoemde plein in Antwerpen.

Uw toegenegen
Hendrik Conscience

Geschiedenis – Brabo

In het midden van de Antwerpse Grote Markt, vóór het Stadhuis, prijkt de Brabofontein van beeldhouwer Jef Lambeaux. De basis bestaat uit blokken basalt. Aan de zuidkant kruipt een monsterachtige hagedis naar boven; onderweg krijgt ze het gezelschap van een zeeleeuw. Aan de noordzijde ligt het onthoofde lijk van de reus Antigoon. Vlakbij zit een schildpad.

De Brabofontein op de Grote Markt

Hoger dragen drie zeemeerminnen twee boten – of zo lijkt het toch, want in werkelijkheid torsen de sirenen drie stevens, waarvan men er echter altijd maar twee ziet. Op de boten rust een model van de Antwerpse burcht, zoals ze staat afgebeeld op het stadswapen (maar in plaats van drie- is ze hier vierhoekig). Het bovenlijf van de meerminnen is naakt. Hoewel hun geschubde staart bij hun middel begint, wordt hun liesstreek nog eens extra zedig bedekt door de staart van een vis.

Bovenop de burcht prijkt Brabo, een forse jongeman, klaar om de afgehakte hand van de reus weg te slingeren. Hij houdt de vingers nog net vast met zijn rechterhand; zijn linkerarm houdt hij gebogen ter hoogte van zijn schouders. Lambeaux beeldde Brabo af alsof hij kwam aangerend: zijn rechtervoet rust op de burcht, maar zijn linker heeft de grond nog niet bereikt. Het afgehakte reuzenhoofd bungelt naast de burcht; bij nader toezien blijkt Brabo’s rechtervoet op Antigoons lange haar te staan, zodat het hoofd niet naar beneden rolt.

Brabofontein, détail

Ooit kende iedere Antwerpenaar het dramatische verhaal dat Lambeaux in brons heeft uitgebeeld. In het Steen woonde de vervaarlijke reus Druoon Antigoon. Van iedere schipper die over de Schelde voorbijvoer, eiste hij tol. Wanneer een schipper niet kon of wilde betalen, nam de reus hem gevangen en hakte zijn rechterhand af, die hij vervolgens in de stroom wierp. Toen verscheen de dappere Romein Salvius Brabo. Hij trad met Antigoon in het strijdperk en overwon hem. Op zijn beurt hakte Brabo de hand van de reus af en mikte ze in de Schelde. Hieraan dankt Antwerpen zijn naam (van “hand-werpen”) en daarom prijken in het wapenschild van de stad twee handen.

In de late middeleeuwen koesterden de hertogen van Brabant grote territoriale ambities. Aan hun hof ontstonden verhalen die de hoge afkomst van het hertogelijke huis moesten illustreren. De schrijvers ervan lieten de hertogen via de (legendarische) stamvader van de Merovingers afstammen van de Trojaanse koning Priamos en van Julius Caesar. Een episode uit een van deze geschiedenissen gaat over de zwaanridder Helias en Elsa van Brabant.

Elsa, dochter van de onlangs overleden hertog, woont in de burcht van Antwerpen. Zij wordt bedreigd door de ridder Telramund, die haar wilde huwen om zelf hertog te worden. Om de zaak te beslechten, organiseerde men een tornooi.

Op dat ogenblik verschijnt, in een bootje dat wordt getrokken door een zwaan, de ridder Helias (de zwaan is in feite zijn betoverde broer). Helias neemt het op voor Elsa en verslaat Telramund. Hij trouwt met haar op voorwaarde dat ze hem nooit naar zijn naam en afkomst zal vragen. De twee krijgen een dochter, Ida, die de moeder van Godfried van Bouillon zal worden. Alles gaat goed, tot Elsa toch naar Helias’ ware identiteit vraagt. Prompt verschijnt de zwaan met het bootje en Helias vertrekt.

Op het einde van de 13de eeuw verwerkte de Duitse dichter Wolfram von Eschenbach het verhaal in zijn graalroman Parzival. Hier is het Parzivals zoon, Lohengrin, die met een bootje, getrokken door een zwaan, naar Antwerpen komt om Elsa te redden. De tragische afloop blijft identiek.

Dankzij Wagners opera Lohengrin kreeg de episode vanaf de 19de eeuw grote bekendheid. Het feit dat het hele werk in Antwerpen speelt, droeg bij tot de plaatselijke Wagnercultus. Nadat men in de Scheldestad al verscheidene aria’s had kunnen horen tijdens concerten, ging de opera in 1889 in première in het Théâtre Royal (beter bekend als de Bourlaschouwburg), waar de Franse opera was gevestigd. Het Nederlandsch Lyrisch Tooneel bracht Lohengrin op zijn beurt in 1896. Wagner zelf, die Antwerpen in 1860 bezocht, was teleurgesteld toen hij de povere resten van de burcht te zien kreeg.

“Tafelmodel”-Brabo

Vanaf de 13de eeuw trokken dichters zoals de Vlaming Jacob van Maerlant fantastische verhalen als dat van de Zwaanridder in twijfel. Na 1300 sprak ook de Antwerpse schepenklerk Jan van Boendale in niet mis te verstane termen zijn ongeloof uit: “Maar zijt des zeker en gewis, / Wat men van den zwane zeggende is, / Is al loghene gheveinsde”.

Auteurs die voortaan een boom wilden opzetten over de hoge afkomst van de Brabantse hertogen, waren gedwongen om een redelijker verhaal op te dissen. Toch putten ze daarbij nog altijd uit bekende stof, zoals de belegering van Troje door de Grieken of de Arthurromans.

De personages Breboen en Druoen duiken voor het eerst samen op in de kroniek van Hennen van Merchtem, die van 1414 dateert. Breboen is een ridder uit het gevolg van Octaviaan, de zoon van de keizer van Griekenland (!). Octaviaan komt naar de Nederlanden om zijn zuster Swane te zoeken, die is geschaakt door Karel van Nijmegen. Breboen ontdekt langs de Schelde een vallei waar zwanen leven – een “Val aux Cygnes”, vanwaar de plaatsnaam Valenciennes. Hij achtervolgt één van de zwanen tot in Nijmegen. Daar vindt hij Swane. Zij geeft Breboen een kistje dat hij aan Octaviaan moet geven.

Op de terugweg verdwaalt Breboen en belandt bij de reus Druoen. Die eist van iedere voorbijganger paard, wapens en één hand als tol. Breboen verslaat de reus en hakt zijn hoofd af. Later zal hij bovendien met Swanes dochter trouwen en zijn naam aan het land Brabant schenken. Hennen van Merchtem haalde de naam van zijn held uit een 13de eeuwse Roman van Caesar waarin Brabo een koning van Tongeren en een verwant van de Romeinse veldheer is.

De Nijmeegse kanunnik Willem van Berchem verhaalde omstreeks 1470 in een kroniek hoe de held Silvius de hand van de reus Antigoon afhakt en weggooit, wat aanleiding geeft tot het toponiem “Hand-Werpen”. De naam “Antigoon” lijkt een uiting van de toegenomen belangstelling voor de klassieke Oudheid. Van een Silvius Braboen die op veldtocht ging met Julius Caesar is echter al sprake in een genealogie van Godfried met de Baard uit 1356.

Jef Lambeaux, “De Kus”, Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten

In 1510 vond men tijdens graafwerken bij het Steen fossielen van een walvis. Men nam aan dat het om het schouderblad en de ribben van Antigoon ging. Daarom staat bij de afbeelding van het zgn. Reuzenhuis op de beroemde houtsnede van de rede van Antwerpen uit 1518 ook te lezen “dit es de borch waer de reus te wonen plach”. De beenderen hing men op in de schepenkamer van het oude schepenhuis. In 1521 toonde men ze aan Albrecht Dürer, die toen in de stad op bezoek was. Hij maakte er een aantekening over in zijn reisdagboek.

In 1512 nam Jean Lemaire de Belges (1473 – ca. 1524) het relaas van Willem van Berchem over in zijn Illustrations de Gaule et singularitez de Troye. Lemaire was een kroniekschrijver die enkele jaren aan het Mechelse hof van landvoogdes Margaretha van Oostenrijk verbonden was.

Marcus van Vaernewijck schreef het verhaal van Jean Lemaire de Belges over in zijn Spieghel der Nederlandscher Oudtheyt van 1568. Hij voegde er aan toe dat Brabo de hand van de reus tot in het midden van de Schelde wierp. Julius Caesar, aldus Van Vaernewijck, benoemde Brabo daarop tot markgraaf, gaf de plaats van Brabo’s overwinning de naam “Antwerpen” en stichtte er een burcht. De auteur noteert dat sommigen van zijn meer sceptische tijdgenoten Antigoon niet voor een reus hielden, maar voor een machtig gezagsdrager, die het vòòr de komst van de Romeinen aan de Schelde voor het zeggen had. Omdat Antigoon van Russische afkomst was, ging men hem later als een reus beschouwen.

De humanistische 16de eeuw met haar belangstelling voor de Oudheid adopteerde de middeleeuwse Brabo. Hij groeide uit tot het symbool van de stedelijke vrijheden van Antwerpen en van de politieke modus vivendi die de Brabanders in de loop der eeuwen met hun hertogen hadden bereikt. Zeker toen de spanningen met de Spaanse koning Filips II hoog opliepen, riep men de held maar al te graag te hulp. Daarom prijkte aan de voorgevel van het nieuwe Stadhuis, voltooid in 1564, een Brabobeeld – dat men na de val van Antwerpen in 1585 op initiatief van de jezuïeten wegens te “heidens” verving door een madonna! Het verhuisde naar het Reuzenhuis in de Burcht.

Maar Brabo kwam terug, al moest hij bijna driehonderd jaar wachten.

Van het Antwerpse stadswapen weten we inmiddels dat het ontstond uit het stadszegel. Het oudste zegel dateert van het einde van de 12de eeuw. We zien een burchttoren of donjon, met daarnaast een arm die een vaandel draagt. Vanaf 1239 gebruikte men een nieuw zegel, met een burcht. Op de burcht prijken vaantjes met de afbeelding van een handschoen, niet van een hand. Pas in de 17de eeuw plaatste men op het stadszegel twee handen boven de burcht (al gebruikte men handjes reeds in de 15de eeuw als keurmerk op de producten van de Antwerpse kunstambachtslui). Deze handschoenen hebben niets te maken met Brabo en Antigoon, maar symboliseren de macht van de vorst, hetzij de Duitse keizer, hetzij de hertog van Brabant.

In de 19de eeuw groeide Antwerpen opnieuw uit tot een belangrijke haven. Nadat de Belgische staat in 1863 de Scheldetol afkocht van Nederland, leek er geen rem meer op de groei te staan. Die heuglijke omstandigheid maakte bij het liberale stadsbestuur de herinnering wakker aan de Romeinse held en de vervaarlijke reus. Ook al omdat het verhaal geen enkel “katholiek” element bevatte, en via de verdwenen Brabo van het Stadhuis verwees naar het protestantse stadsbestuur uit de periode 1578-1585.

Kortom, de notoir vrijzinnige beeldhouwer Jef Lambeaux, vrijmetselaar en van geen schandaaltje vervaard, mocht een Brabofontein bedenken. In 1883 stelde hij “eene groep” voor, “die hij zou wenschen uit te voeren om geplaatst te worden op eene openbare fontein en die de legende van den reus Druon Antigoon voorstelt.”

Lambeaux was zelf aan de Grote Markt geboren, in het huis De Witte Ketel (nr. 41). Zijn vader was koperslager. Lambeaux studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Zijn leermeester daar was Jozef Geefs.

In 1877 maakte Lambeaux het monument voor de protestant Jacob Jordaens in Putte, vlak over de Nederlandse grens. Vier jaar later exposeerde hij in het Salon van Brussel het gipsen model van De Kus, die hij weldra in brons goot en aan het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten verkocht.

De “Appelmansgroep” aan de voet van de O.-L.-Vrouwekathedraal

Van zijn hand prijken in het stadsbeeld de bronzen beelden aan de gevel van het Hansahuis (hoek Suikerrui-Jordaenskaai) en de Appelmansgroep aan de voet van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Die laatste stelde men na Lambeaux’ dood samen met beelden die men aantrof in zijn atelier.

Zijn “slechte” reputatie dankt de beeldhouwer echter vooral aan het bas reliëf De menselijke Driften dat men, om de gevoelens van het publiek te sparen, onderbracht in een gesloten paviljoen bij het Brusselse Jubelpark.

Na enig getouwtrek besloot het College van Burgemeester en Schepenen dat Lambeaux’ Brabo op de plek moest komen waar van 1832, na de Belgische opstand, tot in 1882 een vrijheidsboom had gestaan. Men raamde de kosten voor de fontein op 72.000 frank, waarvan Lambeaux er 20.000 kreeg als honorarium. De Maatschappij der Waterwerken nam de helft van het totale bedrag voor haar rekening. De stad betaalde de rest met geld uit het legaat dat de zakenman Abraham Nottebohm had nagelaten voor de verfraaiing van het stadsbeeld.

Op het salon van 1885 kregen de Antwerpenaars het gipsmodel te zien van wat toen nog de Antigonusgroep heette. De katholieke pers was verontwaardigd over zoveel naaktheid en probeerde stokken in de wielen te steken, maar zonder succes. In 1886 kreeg een Brusselse bronsgieterij opdracht de stukken van de fontein te gieten. Aanvankelijk wilde het stadsbestuur het monument opstellen in de Wereldtentoonstelling te Parijs in 1889, maar daar kwam niets van in huis. Brabo werd op 21 augustus 1887 plechtig onthuld.

Lambeaux schrok niet terug voor seks

In 1901 schreef de Franstalige romancier en journalist Georges Eekhoud in het tijdschrift Mercure de France: “Lambeaux, de beeldhouwer, die haast eer stelt in zijn gebrek aan ontwikkeling en opvoeding, heeft in dit opzicht een erg nadelige invloed uitgeoefend, zowel op jonge schilders als op tal van beeldhouwers. Om authentiek Vlaams te doen, laat hij ons zoveel mogelijk vlees zien – vlees dat hij ons per gewicht onder de neus schuift, zoals in een slagerij.” En na de dood van Lambeaux in 1909 verweet Herman Teirlinck hem dat hij “al te oneerbiedig de ledige virtuositeit” najoeg.

Eekhoud en Teirlinck, geen van beiden katholiek of conservatief, schreven hun bedenkingen neer op een ogenblik dat de kunst van Lambeaux, zowel naar inhoud als naar vorm, voorbijgestreefd was door het symbolisme en de art nouveau. Toch is hun oordeel, achteraf bekeken, niet helemaal rechtvaardig: alle potsierlijke details ten spijt, getuigt de Brabo op de Grote Markt van dynamiek en van een groot ruimtelijk gevoel die de nieuwe kunst reeds aankondigen. Ook daarom is de fontein uitgegroeid tot een icoon van de stad.