Column – “Een vreemde, nieuwe schoonheid”.

Rede, uitgesproken bij de Dodenherdenking op de Stedelijke Begraafplaats Schoonselhof op 11 november 2010.

Dames en heren,

Bij een zijingang van deze militaire begraafplaats staat een onopvallende gedenksteen, gewijd aan “de vijf helden”, Belgische kanonniers die in 1914 sneuvelden aan de Groenenhoek – één van de Groenenhoeken in de Antwerpse agglomeratie. Het was de inslag van een Duitse obus die een einde maakte aan hun jonge leven.

Waar de vijf mannen stierven, plantte men na de Grote Oorlog een “boom der vijf helden”. Nadien werd die, op initiatief van het Franstalige liberale dagblad Le Matin, verplant naar hier. De vijf werden echter in Berchem ter aarde besteld. Om alles nog ingewikkelder te maken, is de boom verdwenen en nooit vervangen.

Vijftig meter verderop staan wij tussen de graven van jonge mannen met voornamen als Séraphin, Egide en Valère, die ons na bijna honderd jaar enigszins vreemd in de oren klinken. Sommigen van hen, verrassend velen zelfs, heten trouwens “onbekend” of “inconnu”. U moet er maar eens over nadenken hoe dat komt.

Waren onze vijf kanonniers helden? Het zou kunnen. Zij deden in ieder geval hun plicht – een concept waar wij het vandaag eerder moeilijk mee hebben. Wie in die heroïsche tijdens zijn plicht niet deed, werd natuurlijk wel gefusilleerd, ongeacht de omstandigheden. De dood van de vijf kwam snel. Laten we, al was het maar voor onze eigen gemoedsrust, aannemen dat ze pijnloos was. Een kort moment van verwondering en dan het niets.

De vijf ontsnapten in ieder geval aan de verschrikkingen – kou, water, slijk, ratten, het wachten en de onverdunde doodsangst – van de jarenlange loopgravenoorlog. Geen lange, uitzichtloze fysieke lijdensweg was hun deel, zoals dat van anderen die hier begraven liggen onder zerken met jaartallen als 1919, 1921, 1923.

De Eerste Wereldoorlog was het resultaat van opgezweept nationalisme, een jarenlange wapenwedloop, noodlottige internationale verdragen en een blind streven naar hegemonie. Dat alles overgoten met dezelfde saus van heldenmoed, vaderlandsliefde en geestdriftige optochten die wij nog kunnen zien op beverige, zwart-witte filmbeelden, zij het zonder de opzwepende marsmuziek die in de driedimensionale werkelijkheid van eertijds weerklonk.

De achttien- en twintigjarigen, hier rondom ons begraven “als zaden in ’t zand”, waren beslist verontwaardigd over de Duitse inval van 4 september. Misschien dachten ze dat ze hun ouders, hun lief of hun vrouw en kinderen moesten beschermen. Daarbij kwam, wie weet, gehechtheid aan hun dorp, hun steeg of hun plein om de hoek kijken. En natuurlijk kenden ze, voor even toch, het enthousiasme waarmee verandering, beweging en avontuur jonge mensen vervullen.

“Bloed en bodem,” schreeuwden de kranten, zelfs de bezadigde Matin die nadien zo goed voor “zijn” vijf helden zou zorgen. En ze kregen hun zin, de “dagbladschrijvers”: het bloed van miljoenen doordrenkte de bodem. Bloed en ingewanden en ledematen. De loopgraven van de Ijzer en zoveel andere fronten. Loop-graven, alsof de soldaten bij leven al in een graf woonden.

Drie weken nadat de eerste Duitsers de Belgische grens overstaken, was Antwerpen een belegerde stad. Vandaag is dat beleg van onze stad bijna vergeten. Maar toen was het wereldnieuws. Het inspireerde de Engelse auteur Ford Madox Ford tot het lange gedicht Antwerp: “Gloom! / An October like November / […] / And then was Antwerp… / In the name of God / How could they do it?”

“How could they do it?”

Ford staat versteld over de moed, jawel, van de Belgen – mijnwerkers, landarbeiders, imkers, nederige soldaten in lelijke uniformen en met lelijke mutsen, die net zo goed afzijdig hadden kunnen blijven.

“That is a strange new beauty”.

En dan schrijft hij over de menigte Belgische vluchtelingen, vrouwen en kinderen, bijeengepakt voor het station Charing Cross in Londen:

“This is Charing Cross; it is past one of the clock / There is very little light / There is so much pain.”

Het gros van het Belgische leger heeft zich eind september 1914 teruggetrokken achter de Antwerpse forten. De Duitse hoofdmacht rukt, volgens het plan Von Schlieffen, in zuid-oostelijke richting op naar Frankrijk en doet aanvankelijk weinig moeite om Oost- en West Vlaanderen te veroveren. Maar de Belgen ondernemen enkele relatief succesrijke uitvallen en in Berlijn fronst men de wenkbrauwen.

Generaal Von Beseler zet tussen de 125 en 200.000 soldaten in tegen de forten langs Rupel en Nete. De overlevenden van het garnizoen van het fort van Walem ontsnappen, één na één, via een ladder. De historische kern van “Schoon Lier” ligt voor driekwart in puin. Een Duits vliegtuig scheert over Antwerpen en strooit pamfletten uit: de belegerden kunnen zich maar best overgeven.

Op 3 oktober arriveert de Britse minister van de marine, Winston Churchill – dé Winston Churchill, jawel – in Antwerpen met 8.000 piepjonge, halfopgeleide en slecht uitgeruste soldaten. Drie dagen later steken de Duitsers de Nete over en nog een dag later neemt de Belgische regering veiligheidshalve de wijk naar Oostende.

Tienduizenden vluchtelingen uit de streek tussen Mechelen en Antwerpen zoeken hun heil in de Scheldestad. Generaal Deguise en burgemeester Devos roepen de bevolking op de stad te verlaten. Want als Antwerpen zich niet overgeeft, wordt het gebombardeerd, zegt Von Beseler.

“La situation est bonne,” aldus de kranten.

Vòòr de stad ligt een scheepsbrug over de stroom. Daarover begint het Belgisch leger zijn aftocht. Ruiters, carabiniers op de fiets en “auto-mitrailleuses”. De Duitse schepen die van vòòr de oorlog in de haven liggen, worden onklaar gemaakt; men steekt de petroleumopslagplaatsen op het Kiel in brand. Zwarte wolken maken van de middag middernacht. Rode vlammen likken aan hun donkere buik.

Tienduizenden verlaten de stad.

De avond van 7 oktober is Antwerpen verduisterd. Om zes uur houden de trams op met rijden. Enkele minuten voor middernacht begint het bombardement. Achteraf blijkt de schade beperkt, al zijn wel tientallen huizen verwoest.

’s Ochtend vluchten zo’n honderdduizend mensen met passagiers- en vrachtschepen, zeiljachten, lichters, mosselschuiten – met alles wat vaart kortom. Een kwart miljoen inwoners zet zich te voet in beweging, richting Nederland. Vrouwen en kleuters en bejaarden, met fietsen, stootkarren, kinderwagens. Jonge vrouwen bevallen onderweg; ouderlingen gaan dood.

Deze uittocht, schrijft de correspondent van The Times, “will probably live in history as one of the most pathetic incidents of all time.”

Dan vindt plaats wat ik maar de Antwerpse “staatsgreep” noem. De burgerlijke overheden krijgen geen contact meer met generaal Deguise die de Schelde is overgestoken. Op 9 oktober sturen het stadsbestuur, de provinciegouverneur en de Intercommunale Commissie een delegatie – gemeenteraadslid Louis Franck, senator Ryckmans en burgemeester Jan Devos – naar Kontich. Daar tekenen zij de overgave van de overblijvende forten. In de nacht van 9 op 10 oktober waarschuwen Franck en Devos de Belgische bevelhebbers en die staken het vuren.

De Eerste Wereldoorlog: een hecatombe met miljoenen doden. Tienduizenden sterven voor een paar meter grond. Ze vieren “feesten van angst en pijn”, om die àndere dichter te citeren.

De “grande Guerre” maakt een einde aan de autocratische regimes in Centraal-Europa en doet het parlementaire model zegevieren. Ons brengt ze het algemeen enkelvoudig stemrecht (voor mannen), de intrede van de sociaaldemocratie in de politiek, de geleidelijke democratisering van de samenleving die eindelijk lijkt ingezet. De moderniteit, zeg maar.

Maar de oorlog lost vooral veel nièt op. Op termijn levert hij Duitsland over aan de machten van het kwaad – een term die in deze historische context op zijn plaats is – en de westerse democratieën doet hij verzinken in zelfgenoegzaamheid die de roep om “daadkracht” doet aanzwellen – ook bij ons, laten we dat vooral niet vergeten. De voor tijdgenoten allicht onthutsende “massificatie” en de economische crisis van 1929 dragen daar het hunne toe bij.

Vandaag is een dag van medelijden, afschuw en goede voornemens. Maar vergeten wij vooral niet dat de omvang en de moorddadigheid van de Eerste Wereldoorlog – en van zijn gevolgen – slechts mogelijk was omdat hij gevoerd werd door en voor gezagsdragers en organisaties die zich niet hoefden te verantwoorden. Laten wij daarom voortaan iedereen “boven” onszelf tot verantwoordelijkheid dwingen. Dat is de beste manier om de Séraphins, Egides en Valères en de vijf helden van de Groenenhoek – ze hadden onze groot- of overgrootvaders kunnen zijn – te gedenken.

Literatuur / Kunstgeschiedenis – “Zie daer de trekken van een Nederlandsch penseel!” Jan Frans-Willems over de schilderkunst, 1815-1825

1. Quinten Metsys op de planken.

De avond van 4 december 1814 heerst in de zaal van de herberg Sint-Jorishof aan de Antwerpse Schuttershofstraat een feestelijke sfeer. Tot Nut en Vermaek, de toneelafdeling van het onderwijzersgenootschap Tot Nut der Jeugd, speelt de première van Quinten Metsys of Wat doet de liefde niet. Het gaat om het tweede toneelstuk dat de jonge, gelauwerde dichter Jan-Frans Willems voor de vereniging heeft geschreven. De auteur neemt zelf de titelrol voor zijn rekening.

Met de voorstelling draagt het genootschap bij tot de feestelijkheden n.a.v. de terugkeer uit Parijs van de schilderijen die de Fransen uit Antwerpse kerken en kloosters hebben geroofd (1). De kroniekschrijver Jan-Baptist van der Straelen (1761-1847) noteert: “De 4 December savonds ten 7 uren wird alhier met het geluij van alle de klokken en het grof geschut aangecondigt, de aenkoomste van onze hernomen schilderijen, welke morgen middag binnen deze stad zullen aangevoert worden.” (2)

“In de bizondere sfeer van nationale trots, die over de stad hangt,” schrijft Ger Schmook, “krijgt het […] toneelstuk een […] zeer bizondere betekenis, omdat het eveneens de eigenwaarde van den Vlaming op het voorplan brengt. Antwerpen krijgt zijn schilderstukken weer, op het ogenblik dat een Vlaming zich opwerpt tegen de invloed van een franciserend bevolkingsgedeelte.” (3).

Willems laat de gedrukte versie van zijn Quinten Matsys, opgedragen aan zijn mentor, “Mr. Bergmann, te Lier”, voorafgaan door een verantwoording (4). De schrijver van een historisch verhaal moet duidelijk maken “waerom hy, in het geval dat hy verhandeld [sic], zich niet steéds aen het Historische houd [sic].” (5)

Willems vat eerst de legende samen dat Metsijs ziek werd en daarom zijn oorspronkelijke vak van smid niet langer kon uitoefenen en houtsneden begon in te kleuren. Maar, voegt de schrijver hieraan toe, “men kan uyt veéle bewysstukken afleyden dat hy op de Dochter van eenen Antwerpschen Schilder verlievende, eenen anderen Schilder, die echter van dit Meysje min dan hy begunstigd wierd, tot Medevryer had; dat hy, zonder in het schilderen ervaeren te zyn […] zich vervolgens van die Kunst en eyndelyk van het Meysje, zou meester gemaekt hebben. (6)”

Voorts, zegt Willems, “wilt men hier ter Stede” dat de jonge vrouw op wie Quinten verliefd was, de dochter van Frans Floris, “ter bekoming van welke hy de Wesp, op Floris afval der Engelen, zou geschilderd hebben.” Hij beseft echter dat zulks onmogelijk is “dewyl het bekend is dat Quinten in 1529” stierf. Hij vermeldt de 17de-eeuwse biografie van Metsijs door “zekeren A. Van Fornenberg”, maar erkent dat hij het boek niet heeft gevonden en niet weet wat de auteur te melden heeft “van Frans Floris of wie Wesp”. Carel Van Mander, “den anders zo nauwkeurigen”, zegt er niets over (7).

Willems citeert vervolgens de Latijnse verzen die Lampsonius over Metsys schreef. Daarin wordt eveneens verteld dat Quinten verliefd werd op een meisje – dat echter niet nader genoemd wordt – en een tweede aanbidder had die schilder was. Omdat ze afschuw voelde voor Quintens ruwe stiel, besloot hij ook schilder te worden. Willems citeert tenslotte ook de Nederlandse vertaling van deze verzen door Van Mander (8).

De laatste auteur die hij vermeldt, is “den schrandere Roman-schryver d’Arnaud” die “van onzen Quinten ook het onderwerp eener schoone vertelling [heeft] gemaekt”. Het gaat om de 18de-eeuwse Franse veelschrijver François-Thomas Marie de Baculard d’Arnaud (1718-1805) (9). In het prozawerk Délassements de l’homme sensible, dat vanaf 1783 verschijnt en uiteindelijk 21 boekdelen beslaat, beschrijft deze “de genoegens van het sentiment”.

Het 10de deel van het 5de boekdeel, aldus Willems, bevat het verhaal Quintin Messis, ou ce que peut l’Amour honnête. Meteen weet de lezer waar hij de titel van zijn toneelstuk vandaan heeft. Willems citeert een lange passage uit het verhaal. Daarin heet het meisje Susanne. Haar vader houdt een wedstrijd om te bepalen welke schilder de hand van zijn dochter krijgt – “’t geen”, aldus Willems, “te verre boven het waerschynelyke gaet”.

Net wanneer de vader van Susanne op het punt staat te zeggen wie het beste tafereel heeft geborsteld, verschijnt een onbekende. Hij draagt een schilderij met “un amour, attachant, avec une guirlande de fleurs, le Portrait de Susanne au faite d’une pyramide; une truelle, qu’il avait à la ceinture, indiquait aisément que cet édifice était son ouvrage; au bas, on lisait ces mots: DE QUOI L’AMOUR NE VIENT-IL PAS À BOUT!” (10).

De vader roept uit dat de onbekende het mooiste schilderij heeft gemaakt en met Susanne mag trouwen; de andere schilders geven toe dat zulks inderdaad het geval is. De onbekende is natuurlijk “Quintin, ce grossier artisan qui avait été réjetté [sic] avec une sorte de mépris.”

Ziedaar, schrijft Willems, “al wat ik u over Quinten Matsys kon en moest mededeelen”. Hij voegt er nog aan toe dat hij zijn stuk eerder op de “meestbekende mondelyke verhaelen” dan wel op “de Historische” heeft gebaseerd (11).

In de slotparagraaf veinst Willems dat hij beseft dat in het stuk te veel “over het vlaemsch” wordt gesproken en dat zulks “der hoofdzaek afwykend” is. Dit, beweert hij, is toe te schrijven aan het feit “dat dit Toneelstuk doór een Genoótschap, ’t geen onze Tael weét te waerdeéren, gespeéld is en dat men eene reeds ingewortelde bastaerdgewoonte niet genoeg kan te keer gaen”.

Die “bastaerdgewoonte” bestaat erin “zonder de fransche tael magtig te zyn” te doen alsof men van geen Nederlands verstaat. Wanneer men dit alles overweegt, besluit de auteur, “zal men die redenkaveling niet te lang oórdelen.” (12).

2. “Dat is geen’ Vlaemsche school”.

In het eerste tafereel van Quinten Matsys, of wat doet de liefde niet! schrijft Emilia een brief aan Quinten, de man van wie ze houdt, zonder te weten waar hij is. Nadat haar vader, Floris, Quinten haar hand heeft geweigerd, is hij vertrokken. De knecht Philip vertelt Emilia dat hij Quinten in de stad heeft gezien en stelt voor hem te halen. Philip vertrekt; Emilia betwijfelt of Quinten wil komen.

Floris betrapt Philip en maakt hem Emilia’s brief afhandig; hij eist dat zijn dochter Quinten vergeet. Emilia herinnert Floris aan zijn liefde voor haar moeder. Floris is ontroerd, maar blijft erbij dat zijn dochter met een schilder, met name Wildert, moet trouwen: “Ja, déze godlyke Konst, daer ik sedert myne eerste jeugd my aen hegte, wil ik ook door myn Schoon-zoón zien uyt geoeffend worden.”

Emilia houdt niet van Wildert. Bovendien doet in de stad het gerucht de ronde dat die tijdens een verblijf in Italië de dochter van een koopman “te schande gemaekt [heeft]”. Wildert verschijnt zelf. Hij hoort Floris Emilia verzekeren dat de verleider van het Veronese meisje inderdaad een Antwerpenaar was, maar dat zijn identiteit niet vaststaat. Wildert is gerustgesteld.

Zijn franskiljonisme en lef blijken meteen: “Bon jour Papa! Hoe gaet het? – charmante Emilie! Wat ben ik gelukkig dat ik u hier met uw Papa vind, om u beyde myn respect te kunnen presenteéren.” Wanneer Emilia zegt dat zij Wilderts complimenten niet verdient, gaat hij voort: “Een’ Beauté die zoo veel délicieuse sentimenten inspiréert als gy, zou pourtant moeten sensible zyn voor de veneratie van imand als ik.”

Zoals Willems aangekondigde in zijn voorwoord, ontstaat een discussie over het Vlaams. Floris vindt dat aan die taal niets mankeert. Wildert repliceert:

“En ik zeg, zonder u te facheéren, dat zy alle défauts heeft. Men exprimeért ‘er zich nooyt just in. Ze is à peu près als een Muziek-instrument dat niet gesteld is, en daer men toch wilt op speélen. Alle efforts zyn à pure perte, het gaet altyd valsch en dissonant.”

Wildert voert aan dat de advocaten “het ook indespensable [hebben] gevonden van eenige woórden uyt het fransch te emprunteéren; om reden, zeggen ze, dat het vlaemsch in hunne actens en plaidoyers alleen, niet suffisant, niet Clair genoeg is.” De schilder voegt eraan toe dat zijn “systeém” – het is niet duidelijk of hij Frans spreken bedoelt, dan wel het gebruik van Franse termen – “universeélyk zal gepratiqueérd, […] en gejustificeérd worden.”

In het 6de toneel bekent Emilia aan Wildert dat zij de smid Quinten Metsys bemint. Wildert heeft gehoord dat die in Florence als schilder onderscheiden is, maar houdt dat achter zijn kiezen. Hij suggereert dat Quinten een Veronese koopmansdochter heeft zwanger heeft gemaakt.

Philip kondigt de komst van een bezoeker aan en maakt Emilia duidelijk dat het om Quinten gaat. Ze voelt zich niet in staat hem te ontvangen. Wildert ontfermt zich over de vreemdeling, zonder diens identiteit te beseffen. Hij denkt dat de man die Floris’ schilderijenkabinet wil zien, een Italiaan is. Maar Quinten maakt duidelijk dat hij uit Brabant komt.

WILDERT

Ha! eenen Brabander! Maar die Italien als het Vaderland der Beaux-Arts tot het zyne uytgekoozen heeft?

QUINTEN

Neen: die zyn Vaderland bemint, kent’er geen ander.

WILDERT

Gy hebt veel Patriotisme, Mynheer.

QUINTEN (met nadruk)

Dat voegt eenen Belg! – Verwondert gy u daer over?

WILDERT

Wel, à dire vrai, een weynigje; want zulke sentimenten zyn tegenwoórdig raer.

Identiteit, zo blijkt, heeft alles te maken met hoe men schildert; wie zijn identiteit verloochent, produceert slechte kunst. Wildert vestigt Quintens aandacht op een landschap.

WILDERT

Wat dunkt u van dit Landschap, Mynheer? Is het niet frappant?

QUINTEN

Dat is geen’ Vlaemsche School.

WILDERT

Neen, gy hebt gelyk; ‘k zie dat g’er u aen verstaet. ’T Is in de genre van d’Italiaenen door eenen jongman van deéze Stad gemaekt, die lang in die Landstreek geséjourneérd heeft. – Door eenen élève van Leonardi Davinci.

QUINTEN

’T is slegt geschilderd.

WILDERT

Wat zegt gy?

QUINTEN

[…] De Natuer is’er in overdreéven. – Het coloriet is te sterk.

WILDERT (in gramschap)

Neen, gy verstaet’er u niet aen, Mynheer! Die Schildery is ryk in coloriet; ze is niet geoutreérd. Zy is na de Natuer gecopieérd, ’t is een geächeveérd Stuk; enfin – ik heb het geschilderd!

Het enige wat Quinten goed vindt aan Wilderts schilderijtje, is de tekening.

Wildert laat Quinten alleen; hij moet Floris spreken. Quinten beseft dat Wildert met Emilia gaat trouwen. Hij ontdekt het portret dat Floris van zijn dochter aan het maken is, pakt een penseel en schildert “eene bie op haere honingzoete lippen.”

Philip vertelt Quinten dat Emilia hem niet wil zien. Philip zal aan Emilia meedelen dat Quinten daarom boos is weggelopen. Quinten moet zich in Philips kamertje verstoppen. Vandaar zal hij kunnen horen wat Emilia daarop zegt. Philip vertelt Quinten ook wie Wildert is. Quinten weet dat het om de avonturier gaat die in Verona “de Dochter van den koopman Goldini verleyd en schandig die Stad verlaeten heeft.” Hij blijkt daarover zelfs “papieren” op zak te hebben. Zo eindigt het eerste bedrijf.

Floris verbaast zich over het prompte vertrek van de bezoeker. Wildert beklaagt zich over diens kritiek op zijn schilderijtje. Floris zegt: “Hy had mischien geen ongelyk. Eenen Schilder moet altyd in aendagt neémen dat de Konst Natuer moet worden, maer de Natuer geen’ Konst […].”

Floris toont Wildert zijn portret van Emilia. Wildert is vol lof over de bij. Floris denkt dat het om een echt exemplaar gaat en wil de bij wegjagen. Wanneer hij inziet dat ze geschilderd is, staat hij verstomd. Uit de woorden van Philip blijkt dat de bezoeker de bij heeft geschilderd.

Uit een monoloog van Emilia blijkt haar liefde voor Quinten. Quinten komt uit het kamertje van Philip en verklaart Emilia zijn liefde. Wanneer zij hem afwijst omdat ze niet hetzelfde lot wil ondergaan als de dochter van Goldini, wijst Quinten Wildert aan als de schuldige. Emilia gelooft hem.

Quinten maakt zichzelf bekend aan Floris en vraagt hem opnieuw om Emilia’s hand. Floris windt zich op. Wanneer Wildert terugkeert, herkent hij de vreemdeling. Floris en Emilia vernemen dat Quinten de bij heeft geschilderd. Emilia is blij dat haar beminde niet langer een smid is; Floris schaamt zich voor zijn vroegere gedrag.

Quinten vertelt dat de liefde hem twee jaar geleden tot het besluit bracht naar Italië te reizen en daar schilder te worden – wat wonderwel gelukt is, alweer dankzij de liefde. Floris geeft Quinten en zijn dochter toestemming om te trouwen. Wildert wil nog gauw opnieuw het verhaal over de verleide koopmansdochter te berde brengen, maar Quinten bewijst dat Wildert zelf de boosdoener is. Wildert loopt weg.

Quinten Matsys, of wat doet de Liefde niet! is een eenvoudig burgerlijk blijspel. De auteur drijft de spot met de pretentieuze Wildert die pleit voor het Frans. Die “betekenislaag” speelt in op herkenning door het publiek, waardoor een komische effect ontstaat. Wildert is echter ook schilder, en meerbepaald een wiens werk – Quinten zegt het letterlijk – niet tot de “vlaemsche school” behoort.

Wildert beroemt er zich op dat hij een leerling is van “Leonardi Davinci”. Hij erkent dat hij buitenlandse voorbeelden navolgt. Quinten maakt duidelijk wat daar mis mee is: Wilderts werk is “slegt” geschilderd omdat het felle coloriet de “natuer” overdrijft, d.w.z. leidt tot een niet-getrouwe afbeelding van het onderwerp.

Floris bevestigt dat een schilder “in aendagt [moet] neémen dat de Konst Natuer moet worden, maer de Natuer geen’ Konst”, het realisme van de voorstelling primeert; de kunstenaar mag de natuur niet vervormen om te beantwoorden aan een ideaal.

Uiteraard gaat het hier om een anachronistische discussie – de opinies van de personages slaan op de kunst van Willems’ tijd, vlak na Waterloo, wanneer het classicisme nog oppermachtig lijkt. Een schilder moet trouw blijven aan zijn “eigen” school en in het geval van een “Belg” betekent dat: aan de natuur (een bepaald realisme), niet aan een artistieke theorie.

Willems is de eerste literaire auteur die deze mening in het Zuiden op schrift stelt; ze zal de hele 19de eeuw doorklinken in het werk van Belgische en Vlaamse kunsttheoretici.

3. “Op het wederkomen der Schilderstukken”.

Quinten Metsys kent zoveel bijval dat op 7 en 14 december nog twee voorstellingen plaatsvinden (13). Het Journal de la Province d’Anvers van courantier Jouan publiceert 7 artikels over het succes, geschreven door een zekere “F” (14). Het onderwerp van Willems’ stuk, zegt deze, is “vraiment national”.

Men wordt getroffen door het patriottisme en de bewondering voor grote schilders die eruit spreekt, al is de komedie soms een beetje “hardi”. Maar dat is een eigenschap “qui distingue […] les grands génies” (!). Bij de tweede opvoering is het publiek nog briljanter dan bij de eerste, en talrijker. “Tout ce qu’il ya de plus distingué parmi nos concitoyens, ornait la salle.” Onder de aanwezigen zijn de leden van de commissie die de kunstwerken uit Parijs haalde, de directeur van de Academie en de leiding van “Société d’encouragement”. In de zaal niet genoeg plaatsen en heren staan hun zitje af aan dames.

Wanneer het doek zakt, wordt Willems terug op de bühne geroepen. Het publiek wil zijn ode horen over de terugkeer van de schilderijen, “qui bien mieux que la défense de la langue des Belges, le flamand, qu’il a introduite dans sa pièce, nous fait voir de quelle beauté cette langue est susceptible, lorsqu’elle est maniée par une plume aussi habile que celle de Mr. J.F. Willems.” (15).

Het gedicht Aen Antwerpen, op het Wederkomen der Schilder-stukken telt 26 4-regelige strofen (16) en staat in de zopas op 400 exemplaren verschenen bundel Toejuyching der Leden van het Genootschap Tot Nut der Jeugd aen d’Antwerpsche Maetschappy der Schoone Konsten (17).

Triumph! ANTWERPEN! Juich! Uw’ scoone Schilder-stukken,

Die Vrankryks plonder-magt ,

Nu twingtig jaer geleên, durf van uw’ Altaers rukken, –

Zyn eyndlyk weêrgebragt.

Sinds twee-dry eeywen her had gy, in uwe mueren,

Dien onwaerdeérb’ren Schat,

Wiens Kunst-voortrefflykheyd den tyd-roest zal verdueren,

Zoo luysterlyk bevat!

Gy waert de baker-wieg der grootste Schilder-helden,

Waert Neêrlands Oeffen-school:

Uw’ naem klonk doór de faem van d’Hesperische velden

Tot aen den Noorder-poól!…

Willems beschrijft de roof van de kunstwerken door het “heir van roovers” dat “vlamt op buyt”, maar ook hoe God de hoogmoed van de Fransen strafte. Hij zwaait lof toe aan Wellington, Blucher, tsaar Alexander en “Koning Willems’ Zoón” die ervoor zorgden dat weer vrede heerst in Europa.

Ook gy, ANTWERPEN! Smaekt, als ’t loon van a uw lyden,

De vrugt der Zegeprael.

Geen wonder, want, wanneer de dapp”re BELGEN stryden,

Wie tart dan ooyt hun Stael?…

En zo is alles goedgekomen. De cyther, verzekert Willems de lezer, beeft “van verrukking” in zijn handen, nu “Onz’ Kunst-juweelen, die onschatb’re Glorie-panden” terug zijn.

4. De efemere Maetschappy der Kunstvrienden

Minder dan een jaar later, op 24 augustus 1816 – de verjaardag van Willem I – leest Willems in het Museum van de Academie het gedicht Over het Nut der Kunsten en Weétenschappen voor. Dat gebeurt bij de plechtige installatie van de Maetschappy der Kunstvrienden – Société des Amis des Arts, waarvan hij tweede secretaris is (18).

De vereniging is gesticht op initiatief van provinciegouverneur De Keverberg de Kessel. Ze wil de kunsten stimuleren en “zig ook bevlytigen om vreémde werkmiddelen, de gewoone leévenswyzen en de fabrieken toepasselyk, te kennen, en, tot aenwasch onzes volkvernufts, ten vaderlande in te voeren.” (19)

In zijn Franse toespraak stelt J.-B. Smits, de eerste secretaris, dat kunsten, wetenschappen en industrie bijdragen tot het geluk en de welvaart der volkeren. Tussen de beoefenaars ervan is daarom overleg nodig (20). De oude Antwerpse rederijkerskamers streefden dezelfde doelstellingen na (21).” Vier decennia na hun feitelijke verdwijning gebruikt Smits ze in zijn eigentijds, verlicht en vaderlandslievend discours.

Merkwaardig is de sociale noot in zijn rede: in Engeland leidt de ongebreidelde industrialisatie tot de verrijking van enkele fabriekseigenaars ten koste van een grote groep ambachtslui. Dit mag zich niet herhalen in het koninkrijk van Willem I (22).

Hoewel Frans de enig mogelijke wetenschappelijke taal is (!), verzekert Smits dat de “classe de Littérature et de Poësie” de taal “qu’on peut appeler nationale” [i.e. het Nederlands] wil zuiveren van “une infinité de termes populaires et mal sonnants qui sont peut-être la seule cause de la préférence qu’on donne à des idiomes étrangers (23).” Dat ligt duidelijke in de lijn van de schoolmeesterskring Tot Nut der Jeugd.

Tenslotte vraagt Smits de affiliatie van de Kunstvrienden aan “la société instituée à Amsterdam, sous la devise Tot nut van ’t algemeen (24).” Hij is dus gesteld op samenwerking met het Noorden in een progressieve geest.

De voorzitter van de Maetschappy is burgemeester Floris van Ertborn (25), een der voornaamste kunstverzamelaars van zijn tijd. De betrokkenheid van de “eerste leeraer” van de Academie Van Brée is evident. Wellicht maakt ook academiedirecteur Willem Herreyns als ondervoorzitter deel uit van het bestuur

De Kunstvrienden zijn een vooruitstrevende club. De flamingante kunstgeschiedenis voert Herreyns in de 19de eeuw op als verdediger van de Vlaamse traditie tegen het classicisme, maar artistiek is de schilder helemaal niet zo “conservatief”. Hij werkt samen met het Franse bewind (26). Van Brée beleeft in Parijs de Franse revolutie; hij wordt er leerling van Vincent en geniet de gunst van Napoleon. Hij ziet er geen graten in om vanaf 1815 enthousiast het Hollandse bewind te propageren (27).

Tegelijk getroost hij zich, net als Herreyns, grote inspanningen voor het kunstonderwijs. Na zijn terugkeer in Antwerpen in 1804 geeft hij op eigen kosten gratis algemeen lager en artistiek onderricht aan arme kinderen. Eerste secretaris Smits (1792-1857) is een intellectueel die zijn opleiding geniet in de Franse tijd en zijn carrière uitbouwt onder het Hollandse en het Belgische regime. Hij stelt belang in bestuurlijke en economische problemen. Na 1830 wordt hij minister (28).

Willems’ eigen opvattingen blijken uit zijn gedicht (29). Het beoefenen van “de wetenschappen” leidt tot de “bestemming” van de mens, nl. “’t zelfverlichten en het weldoen”. De rede is de conditio sine qua non van de deugd. De “kundige”, i.e. de verlichte mens, ijvert voor zijn medemens en bespeurt in de natuur de werking van “de Almacht”.

De indruk kan ontstaan dat Willems de lof zingt van de Verlichting en de exacte wetenschappen, maar halverwege wordt duidelijk dat hij vooral over de kunsten handelt. “Geen tijd, geen wereldkring stelde ooit aan kunstvlijt perke,” zegt hij, “Haar hand beschaaft natuur, of helpt die in haar werken. / Waartoe die marmerklomp in ’s aardrijks ingewand, / Deed niet den kunstenaar, door zijn godenscheppend’ hand, / Een Venus, een Apol, daaruit geboren worden?…”

“De kunst,” vernemen we, “schikt alles tot welgevoelijke orden. Ten onrecht heeft Rousseau die hemeltelg gelaakt, / Of nimmer had hij ’t zoet haars invloeds recht gesmaakt” (30).

Zij schrijft der helden deugd op eeuwige eerpilaren,

Zij blijft de onsterflijkheid des ouden Belgs bewaren,

Want, was ons Caesars boek niet tot getuigenis,

Dat onder ’t Gallenvolk hij de allerdapperste is?

Maar de kunst doet nog meer:

De kunst is, als de deugd, een schat van zelfvermaak,

Een lust der zinnen; voor ’t verstand een kennisbaak;

Een levenskoesteres voor kranke lichaamsdelen;

Een schutsvrouw in den nood en troost in tegenheden.

Opeens vereenzelvigt de dichter opnieuw de kunsten en de wetenschappen, nadrukkelijk zelfs, in bewoordingen die zijn Antwerps gehoor allicht bevielen:

Door haar verdubbelt men des aardrijks vruchtbaarheid;

Het schip bruischt over zee door kunst alleen geleid;

’t Gesternte is dienstbaar aan den zeeman, op zijn reizen;

De kunst kan hem het spoor naar zijn bestemplaats wijzen;

Zij maakt van aarde en zee en vuur en lucht gebruik,

Opdat uit elke stoffe een nutte zaak ontluik’! –

De Kunstvrienden kenden een efemeer bestaan. Toch nemen ze nog minstens één initiatief. Op 10 november vindt in de tuin van de Academie de onthulling plaats van een borstbeeld van Rubens, gemaakt door Van Brée. Willems draagt een “ode aen den Oppermeester” met als titel Rubens of Rubens’ Borstbeeld (31). Hij richt zich, geheel en al in klassieke trant, tot zijn muze, die blijkbaar erg geëmotioneerd is – “Hoe bevend drukt uw hand de gulden cithersnaren!” – omdat zij het vaderland moet bezingen. Dit, aldus Willems, “wil voor geen volk op aard / In ijver, kunst en krijgsmoed wijken: / Zijn kroost is niet ontaard.” Pas in de vijfde strofe komt Rubens aan bod, zij het vooral als parel aan de “Nederlandse” kroon:

Antwerpen, eedle stad! Gij koesterde in uw muren,

Een kunstenaar, wiens naam den sleet des tijds verduren

En steeds met Neerlands naam in luister groeien zal!

’t Verderf moge op uw stadsvest gluren,

Een Rubens steunt uw wal.

Hierna volgen classicistische beschouwingen over “De hersendochter van den God der bliksemschichten / En hij, die met zijn koets deez’ aardbol komt verlichten” die “Rubens’ kruin [omstraalden] met al hun godengloor” enz. Willems stelt Rubens voor als een genie, een godenkind, in wie de “geest van ’t vaderland” ontlook. Zodra Willems ingaat op Rubens’ kunst, verandert de sfeer van zijn discours.

De schilder had een “vruchtbrer” brein en zijn werk getuigt, meer dan dat van anderen, van “leven, kracht en vier” en “ongewonen zwier”. Willems slaat een polemische toon aan – Rubens moet blijkbaar verdedigd worden:

Elk stipje toont natuur; ’t is of de beelden spraken!

Den nijd mag somtijds wel zijn losse teekning laken,

Maar ’t kunstvermogen wischt die vlekken lichtlijk uit.

Kan men ’t in Rubens altijd wraken

Dat niets zijn geestdrift stuit?

Natuurlijkheid en geestdrift – daar gaat het bij Rubens om, vindt Willems; zijn werk “spreekt” , m.a.w. appelleert rechtstreeks aan de emoties van de toeschouwer. Precies dat is het kenmerk van grote kunst. Willems soms vergelijkbare genieën op. Typisch genoeg zijn dat schrijvers, geen schilders en hoort ook Shakespeare (al) thuis in die rij.

Die losheid was de feil van vele groote mannen:

Bleef steeds Homerus’ lier al even stijf gespannen?

Had Shakspear, had Corneill’ steeds de eigen majesteit?

Neen! liever mag men ’t juiste bannen

Dan dat ons ’t schoone ontglijd’!

Schoonheid, die het resultaat is van natuurlijkheid, kracht, “vier”, “ongewonen zwier” en losheid – stuk voor stuk “romantische” eigenschappen, blijkt belangrijker dan juistheid, lees: de voorschriften van het classicisme. Dit laat zien dat Willems, zijn eigen poëtische benadering ten spijt, openstaat voor de nieuwe kijk op kunst die kennelijk in 1816 in Antwerpen opgeld maakt, misschien zonder dat men er zich helemaal van bewust is. De plaatselijke schilderkunst is nog niet romantisch; toch wordt Rubens reeds als wegwijzer naar een “nieuwe” manier van schilderen naar voor geschoven!

Rubens’ Borstbeeld verschijnt in de Antwerpsche Almanach van Tot Nut en Vermaek (32). Dat is de jaarlijkse publicatie waarmee Willems en Marten J. Van der Maesen zich bezighouden sinds de toneelvereniging haar activiteiten heeft gestaakt (33).

4. O treffelijk vertoog!

Van Brée legt zich intussen toe op onderwerpen uit de vaderlandse, i.e. Nederlandse, geschiedenis. De Zelfopoffering van burgemeester Van der Werff uit 1813 is zijn eerste proeve. Koning Willem I bestelt er in 1817 een grote versie van, thans in het Stedelijk Museum te Leiden (34). In de Almanach van 1818 verschijnt daarom het lange gedicht Op het voortreffelijk Schilderstuk van Mijnheer M. Van Brée, verbeeldende de standvastigheid van den burgemeester Van de Werff, gedurende het beleg van Leiden in 1574 door Jan-Frans Willems (35).

Wie voelt zijn hart niet door een eedle drift onsteken,

Wanneer hij van den roem zijns Vaderlands gaat spreken!

Wat Nederlander wordt geen wezentlijken held,

Wen hij der vaadren daân zich zelf voor ogen stelt?

Wie onzer dichtren wil Homeer niet overtreffen,

Wen hij van ’t voorgeslacht der Belgen aan gaat heffen?

Willems parafraseert in verzen de bekende geschiedenis van Pieter van der Werff (Leiden, 1529-1568-72), agent van Willem van Oranje en in 1573 een der vier burgemeesters van Leiden. Bij de belegering van de stad door de Spanjaarden in 1573-1574 ontpopt hij zich tot een bezield leider. Tijdens het tweede beleg heerst honger in de stad, maar de burgemeester weigert te capituleren. Op 15 september eist de bevolking brood of de overgave. Van der Werff spreekt de menigte toe:

“‘k Wil gaarne mij voor u en ’t land ten besten geven.

“Ik ken uw rampen, ‘k deel in d’algemeenen nood;

“‘k Geef willig wat ik heb; maar ‘k heb, helaas!, geen brood!

“Zoo, nochtans u mijn dood kan aan dien ramp ontrukken,

“Hier is mijn borst, stoot toe. Ja, snijdt dit lijf aan stukken!

“En deelt, zo ver gij kunt, mij aan mijn burgers rond.

“Ik ben den dood getroost, – ‘k sterf nog op vrijen grond.”

De dichter, hoe vooruitstrevend ook, is niet gesteld op opstandige burgers. De Leidenaars die de woorden van hun burgemeester horen, zijn zoals de “ongodist, steeds vreezend voor zijn leven” die zich “den moed ontglippen” voelt “op ’t hooren dezer taal.”

Dat Willems niet de inspirator van de schilder is geweest, blijkt intussen uit het feit dat een doek van Vincent, de Franse leermeester van Van Brée, als voorbeeld van de Zelfopoffering fungeerde. Het betreft De aanhouding van voorzitter Molé (1779), bewaard in de conferentiezaal van de Chambre des Députés in Parijs (36).

De anekdote die Vincent voorstelt, speelt in de tijd van de Fronde. Mathieu Molé (Parijs, 1586-1656) is voorzitter van het Parlement van Parijs. In november 1648 vraagt het parlement Mazarin en de regentes de vrijlating van enkele opstandige leiders. Wanneer de afvaardiging terugkeert, wordt ze in de straten van Parijs belaagd door burgers die haar van verraad verdenken. Ze bedreigen Molé met de dood. Een burger houdt de loop van een musket tegen zijn voorhoofd. Molé keert terug naar het Palais Royal en slaagt erin Anna van Oostenrijk tot de vrijlating van de gevangenen te overhalen.

Qua voorstelling zijn de gelijkenissen tussen de twee schilderijen te groot om op toeval te berusten. In beide gevallen beeldt de kunstenaar een gezaghebbende leidersfiguur af die op straat wordt aangeklampt door woedende burgers. Temperament en techniek van Van Brée zijn echter anders dan die van zijn meester. Het perspectief van de straat en de gesticulerende personages verlenen het doek van Vincent een uitgesproken dramatiek die teruggrijpt naar de barok. Van Brée’s schilderij is statisch; de personages bevinden zich in een brede straat met op de achtergrond een plein; van gedrang is – anders dan bij Vincent – geen sprake.

Wist Willems dat Van Brée Vincent navolgde? Waarschijnlijk niet – zelfs recente publicaties besteden geen aandacht aan het inhoudelijke aspect van De Zelfopoffering, waarmee Van Brée toch een nieuwe thematiek aansnijdt in de “Nederlandse” schilderkunst. De dichter geeft zijn vriend in ieder geval een plaats in de galerij der onsterfelijke meesters:

O treffelijk vertoog, ontstaan door deugdvermogen!

Wie stelt uw heerlijkheid ons, naar den eisch, voor oogen?

Neen! geene dichtpen schetst dit vaderlandsch tafereel,

Zulks is alleen bewaard voor ’t Antwerpsch kunstpenseel.

De verwen zijn daartoe op uw palet te vinden,

Van Brée! uw stoute geest durft slechts dit onderwinden.

Gij maalt ons Van de Werff in al zijn grootheid af.

Wij zien dien burgervoogd herrezen uit zijn graf;

Hij is op uw tafereel, men kan op ’t edel wezen

De vaderlandsche liefde in alle trekken lezen;

Diezelfde liefde heeft uw kunstpenseel geleid.

U wacht ook, met dien held, dezelfde onsterflijkheid.

5. Poëzy van den dichter en van den schilder

Willems trouwt in 1818 met zijn hospita, de bemiddelde weduwe Isabella Borrekens. “Nu komt de periode waarin hij slechts af en toe nog dicht, maar zich steeds meer als uitgesproken historicus en literair-historicus gaat profileren” (37). De vaderlandse kunst blijft hem echter nauw aan het hart liggen. Hij wordt voor of in 1820 bestuurslid van de Academie en niet in 1822, zoals Deprez stelt (38). Op 6 april 1823 houdt hij bij de openbare prijsuitreiking een rede over De poëzij van den dichter en van den schilder (39).

Hij kiest dit onderwerp omdat “Binnen weinige weken de vierjarige wedstrijd [zal] aanvangen, dien de weldadigste der koningen als eene andere Olympiade voor de kunsten heeft ingesteld.” Het gaat om de Prijs van Rome. Een Koninklijk Besluit van 13 april 1817 bepaalt dat de laureaat van de jaarlijkse wedstrijd – beurtelings in Amsterdam en Antwerpen – een beurs krijgt. De Prijs is op beide plaatsen afwisselend voor schilders en beeldhouwers.

De aanhef van Willems’ toespraak verraadt belangstelling voor de oorsprong en het wezen van de taal – een onderwerp dat in de 18de eeuw verscheidene filosofen bezighoudt. Maar wat volgt, is bijv. niet te herleiden tot de stellingen van de Duitser Johann Gottfried Herder (1744-1833) die hieraan een aparte verhandeling wijdt (40). Willems verbindt de taal met de Voorzienigheid, terwijl Herder juist met klem betoogt dat de taal een door de mens zelf ontwikkeld vermogen is (41).

Onder al de eigenschappen, die de mensch zich aanrekent, bestaat er vast geene, die hem meer boven andere schepselen verheft en bevoordeelt, dan dat alles beheerschend vermogen, waarmeê hij zijne gedachten en gewaarwordingen aan anderen mededeelt. De taal, het werktuig dier mededeeling, houdt hij met recht voor het onwaardeerbaarst geschenk, hem uit de volheid van Gods zegeningen toegevloeid.

De volzin “De taal behoort de ziel; zij is de tolk van dat eeuwige wezen, van dien anderen ik, dien wij in ons zelven gevoelen, en die, als vertegenwoordiger van eene hoogere wereld, slechts voor een korten tijd in aardsche lichamen zich laat ophouden” wijst misschien zelfs op (onrechtstreekse) invloed van de Zweedse occulte denker Emmanuel Swedenborg (42). Diens denkbeelden liggen kort voor 1848 nog mee aan de basis van de roman Ziel en Lichaem van Pieter-Frans Van Kerckhoven. Het blijft merkwaardig hoe Willems alleen in déze toespraak tot aspirant-kunstenaars over de taal spreekt, zonder de nationale identiteit ter sprake te brengen.

En gelijk de krachten der ziel paal noch perk kennen,” gaat hij voort, “zoo loopt ook de macht der taal, waarin en waardoor dezelve zich uitstort, tot in het oneindige. Wij bezitten het vermogen om elke gedachte, hoe nieuw ook, aan te duiden; het komt er maar op aan, dat men de kunst versta, zulk op de gevoeglijkste, zoo niet op de volkomenste wijze te doen; en hiertoe gebruiken wij zichtbare of hoorbare teekenen, klanken of gebaren. Vandaar die natuurlijke onderscheiding van beeldende en sprekende taal, van beeldende en redenende kunsten, welke alle daarheen strekken om gedachten voor te stellen.

Schrijven is, in dien zin, schilderen; het is klanken of zaken in den alphabetischen of hieroglyphischen vorm overbrengen; het is, gelijk wij het in onze schoone moedertaal zoo gepast weten uit te drukken, van een denkbeeld een zichtbaar evenbeeld vormen, – de ziel eene lichamelijke gedaante bijzetten.

De nadruk die spreker op de verbeelding legt, bewijst zijn affiniteit met de schrijvers en filosofen van de Duitse Aufklärung en zelfs met die van de Sturm und Drang. Opvallend is zijn gelijkstelling van de tekenaar met de geleerde en van de schilder met de dichter.

Wanneer nu een kunstenaar door deze uitdrukselen enkel het verstand aandoet, dan geeft hij blijken van wetenschap, en wordt redenaar of teekenaar genoemt. Roert en schokt hij daarentegen den geheelen mensch, verheft hij het hart, zet hij de verbeelding in vlam; dan kan men hem bezwaarlijk den eerenaam van dichter of schilder weigeren. Beide laatstgenoemden hebben […] hetzelfde doel, namelijk het mededelen van meer verhevene, met een woord, van poëtische aandoeningen, door zang of maat, of door kleuren en omtrekken.

De verbeelding definieert de “geheelen mensch” die via zijn poëtische aandoeningen in aanraking komt met het “verhevene”.

6. De les van Lessing.

Simonides noemde reeds in zijnen tijd de schilderkunst eene stomme dichtkunst, en deze eene sprekende schilderkunst. Dat zij wezenlijk daarvoor te houden zijn, hoewel eenige afwijkingen den oppervlakkigen beschouwer het punt van aanraking doen uit het oog verliezen, dit bevestigt de ondervinding van alle volken, van alle tijden.

Rob Roemans signaleert in 1927 als eerste de invloed van de Laokoon (1766) van Gotthold Ephraim Lessing op deze toespraak (43). Willems schrijft elders over zichzelf dat hij o.a. “Klopstock, wieland, kleist en / Gessner” heeft gelezen, zonder Lessing te vermelden (44). Maar zijn redevoering is tien jaar jonger.

De Duitse toneelschrijver en essayist Gotthold Ephraim Lessing (1729-1781) publiceert zijn Laokoön oder über die Grenzen der Malerei und Poesie in Berlijn in 1766 (45). Hij reageert op een uitspraak van zijn beroemde landgenoot Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), grondlegger van de kunstgeschiedenis en vereerder van de Griekse kunst en beschaving.

Winckelmann zegt in zijn boek Von der Nachahmung der griechischen Werke in der Malerei und Bildhauerkunst (1755) – een basistekst van het classicisme – dat de beroemde Laokoöngroep blijk geeft van “edle Einfalt und stille Grösse” (46). Voor Winckelmann zijn dat de bepalende eigenschappen van de Griekse kunst. Daar is Lessing het mee eens.

Maar Winckelmanns bewering dat ook de Griekse literatuur, bijv. het treurspel Filoktetes van Sofokles, erdoor wordt gekenmerkt, maakt hem “stutzig” (47). Dit vormt de aanleiding tot een uitgebreid essay waarin Lessing de verschillen tussen beeldende kunst en poëzie onderzoekt.

De beeldende kunst, zegt hij, mag geen sterke emoties weergeven. Die zijn in strijd met de eisen van de schoonheid.

“Ich wollte bloss festsetze, dass bei den Alten die Schönheit das höchste Gesetz der bildenden Künste gewesen sei. […] Wut und Verzweiflung schändete keines von ihren Werken.” (48)

Wanneer wij ons een emotie voorstellen, is het resultaat intenser dan wat wij gewaarworden wanneer de emotie ons getoond wordt. Maar in tegenstelling tot de beeldhouwer of schilder, die slechts een enkel ogenblik afbeelden, moet de dichter “sein Gemälde” helemaal niet “in einen einzigen Augenblick […] konzentrieren. Er nimmt jede seiner Handlungen, wenn er will, bei ihrem Ursprunge auf, und führet sie durch alle mögliche Abänderungen bus zu ihres Endschaft.” (49).

Indien hij daarbij ook beschrijft wat niet Schoon is, stoort dat niet. Het gaat slechts om een deel van zijn verhaal. De onaangename indruk die het nalaat wordt afgezwakt door wat voorafgaat en wat volgt. Dat geldt zeker voor de verhalende poëzie.

Lessing kent de dichter een grotere vrijheid toe dan de beeldende kunstenaar. De eerste kan naast het schone ook het lelijke, naast het moment ook het tijdsverloop, actie en emotie oproepen. De auteur komt zo tot een hiërarchie der kunsten, waarbinnen de poëzie de voornaamste plaats inneemt: zoals het leven het schilderij overtreft, zo overtreft de poëzie de schilderkunst. “Bei dem Artisten,” schrijft Lessing, “dünket uns die Ausführung schwerer, als die Erfindung; bei dem Dichter hingegen ist est umgekehrt, und Seine Ausführung dünket uns gegen die Erfindung das Leichtere (50).

Willems parafraseert Lessings betoog als volgt:

“Doch, al betrachten dichter en schilder hetzelfde doel, zij moeten, om het te bereiken, niet altijd de eigenste middelen aanwenden. Al komen beider pogingen op dezelfde gevolgen neer; de keus hunner voorwerpen, de stof hunner behandelingen, de aard hunner bestrevingen verwijderen hen vaak van elkander. Gelijk de tijd en de inwendige mensch meer bijzonder het gebied van den eene uitmaken, zoo behooren de ruimte en het uiterlijke der lichamen tot dat van den andere. Het zou den schilder evenmin voegen op één stuk de reeks van voorvallen af te malen, welke het heldendicht van Virgilius oplevert, als het den dichter weinig betamen zou de spieren op den arm van Achilles te beschrijven. In geheel de Ilias komt geene enkele plaats voor waar Homerus de aantrekkelijkheden van Helena hebbe opgeteld; en nochtans, welk een verheven denkbeeld geeft hij ons van hare schoonheid! In het beeld van den Apollo zien wij de gedaante van een mensch; en nochtans, wie gevoelt niet, dat de geest eens gods erin rondwaart? De volkomenheid in de kunst (want de aangehaalde voorbeelden zijn de volmaaktste modellen der oudheid) ligt derhalven in het vermogen om door het voorgestelde de verbeelding dermate aan te doen, dat men veel meer zegt dan men te zeggen schijnt, met een woord, dat men poëzij mededeelt, en door begoocheling vervoert.”

De ideeën van Winckelmann en die uit Lessings Laokoon zijn een verplicht nummer in de Europese kunstacademies. Voor de kunstenaars zelf is het nut ervan beperkt, “had it not been for the effect that they had on informed taste and educational practice (51),” maar Willems is overtuigd van hun relevantie:

Laat ons den dichter en den schilder voor een ogenblik nagaan op den weg, die zij inslaan, om tot zulk eene hoogte te komen. Kweekelingen dezer akademie! Geen beter voorwerp kan daartoe verkozen worden, dan dat goddelijk schoone beeld van den Laocoon, hetwelk, bij den wedstrijd van dit jaar, U, onder meer, ter navolging is voorgesteld.

Meteen leren we dat in de Antwerpse Academie een afgietsel van de Laokoongroep bij het onderwijs gebruikt wordt. Waarschijnlijk gaat het om het verkleinde afgietsel uit de nalatenschap van Pieter Gaspard Scheemaeckers.

Willems komt stilaan tot zijn besluit – een aansporing om gebruik te maken van kennis en verbeelding:

Terwijl de kunstenaar alles op één punt te zamen trekt en eensslags zijnen aanschouwer treft en schokt, is de poëzij bij den dichter een langzaam vlietende stroom, die wel door schoone dalen en vruchtbare landschappen henenvloeit, die wel bij elke voortgolving een nieuw voorwerp ontmoet, maar die toch de geheel streek moet hebben doorgeloopen, om ze te kunnen beschrijven.

Dit weinige, mijne toehoorders! Zal, zoo ik hoop, voldoende wezen om U het verband der beide kunsten, en hun onderscheidend karakter aan te toonen. […] gij, derhalve, dichters! Die het koor der Muzen zijt binnengetreden; hecht niet te veel prijs aan beschrijvende poëzij! […] En gij, schilders en beeldenaars! Gij, ijverige kweeklingen aan Antwerpens akademie! […] miskent uwe verhevene bestemming niet; weest geene droge navolgers en afschetsers van gemeene voorwerpen; tracht hooger vlucht in de slaan dan dezulken, wier prozastijl zich bij doode muren en alledaagsche gezichten laat vergenoegen! Zet uwe voortbrengselen dichterlijke kracht en sprekende denkbeelden bij!

Lessing heeft het al gezegd: “denn was wir in einem Kunstwerke schön finden, dass findet nicht unser Auge, sondern unsere Einbildungskraft, durch das Auge, schön” (52).

Maar Willems doet meer dan zijn Duitse maître à penser samenvatten. Hij constateert dat kunst een universeel verschijnsel is.

De natuur vormt den dichter en den beeldenaar. In de eerste eeuwen, in den ruwste natuurstaat ontmoet men dezelfde, bij de getatoueerde wilden in de wouden van Africa zoowel als bij de beschaafde natiën van het wellustig europa.

Kunstenaars vindt men overal waar “godsdienst, heldenmoed, liefde” geëerbiedigd worden. De oorsprong van dit fenomeen is “die natuurlijke, die onverzadelijke behoefte van den mensch, welke altijd en overal rondgrijpt, om het nieuwe, het groote, het schoone, het eeuwige te omhelzen.” De mens verlangt naar “naar hooger genot” en wil zich bij voorbaat “eenen denkbeeldigen hemel […] droomen.”

De alledaagse realiteit voldoet niet – “wij willen met Homerus, Ossiaan of Milton godentaal spreken; met Phidias, Raphaël of Rubens etherische wezens scheppen, wij willen hier op aarde reeds de lucht der onsterfelijkheid inademen.” Daarom is poëzie, door Willems gelijkgesteld met de verbeelding, en tevens conditio sine qua non voor geslaagde beeldende kunst, “benevens den alles overtreffenden godsdienst, de voorbode van ons toekomstig heil, de verkondigende engel onzer goddelijke bestemming!”

Een en ander komt, al dan niet via Duitse of zelfs Nederlandse “volgelingen” uit het Franse verlichtingsdenken (53). De schrijvers van “godentaal” die hij vermeldt, behoren tot de classicistische canon – met uitzondering van “Ossiaan”, de Keltische bard die is verzonnen door de Schotse mystificator James MacPherson (54).

Hij illustreert in Willems’ optiek hoe de epische, historische verbeelding van alle tijden is. Ook schilders laten zich inspireren door Ossian. Girodet-Trioson borstelt in 1802 voor de residentie van keizerin Joséphine L’Apothéose des héros français morts pour la Patrie pendant la Guerre de la Liberté. De schim van de bard verwelkomt de gevallen Fransen in het Walhalla (!). In 1812 schildert Ingres Le Songe d’Ossian voor het appartement van Napoleon in het Quirinaal te Rome.

7. Het karakter van den Nederlandschen schilder.

Op 13 maart 1820 wordt Willems “aenwezig” lid van de Koninklyke Maetschappy tot Aenmoediging der Schone Kunsten. Secretaris Verdussen – aangetrouwde familie door Willems’ huwelijk met Isabella Borrekens (55) – draagt hem voor op verzoek van Van Brée. Hij wordt zonder discussie “aengenoómen” (56). Het duurt geen jaar voor het bestuur de dichter tot “mede Secretaris” verkiest (57). Op 5 mei 1823 is Willems de enige secretaris en notuleert hij de voorlezing van een brief van de burgemeester over het nakende bezoek van Willem I waarbij hijzelf namens de Maetschappy “de aenspraek” zal doen (58).

De Koninklyke Maetschappy is een prestigieus genootschap. Het leunt nauw aan bij de Academie, houdt er zijn vergaderingen houdt en beschikt er weldra ook over de nieuwe expositieruimte. In het bestuur zetelen kunstenaars en vooraanstaande burgers met een uitgesproken belangstelling voor het artistiek gebeuren. De Maetschappy organiseert driejaarlijkse kunstsalons en koopt kunstwerken aan die als prijs in haar loterijen fungeren. Herreyns en Balthasar Paul Ommeganck, die ten tijde van Willems’ aantreden nog steeds van de partij zijn, behoren op het eind van het Ancien Régime tot de stichters van de vereniging (59).

Op 18 september 1825 houdt Willems bij de opening van het driejaarlijkse salon de bekende redevoering Over het karakter van den Nederlandschen schilder (60). Niet alleen het feit dat hulde wordt gebracht aan de Nederlandse kunst, maar ook de kwaliteit van het publiek nopen hem ertoe doormiddel van “myne tael” en “het onderwerp myner rede” uit te drukken wat de aanwezigen voelen. De taal die hij bezigt, laat hij verstaan, is even belangrijk als het onderwerp. En die taal is, zoals iedereen hoort, Nederlands.

Volgens Willem brengen zijn toehoorders de roem van de “oude Vlaemsche school” in verband met “den luister, dien gy van de Kunstbeoefening uwer tydgenooten op uw vaderland thans ziet afstralen.” Daarom, gaat hij voort, zal hij de aandacht vestigen “op de beschouwing van het karakter des Nederlandschen Schilders” en op de noodzaak om de goede eigenschappen hiervan “te bewaren en aen te kweeken.”

Overal ziet men dat de mens bij “de beoefening der kunsten” rekening houdt met “algemeene begrippen van schoonheid en voortreffelykheid, hem door de natuer ingegeven”, maar dat zijn kunst toch vooral het stempel draagt van “de omstandigheden waerin hy zich geplaetst vindt, de opleiding welke hem is te beurt gevallen, en het land dat hy bewoont.” Dit geldt voor individuen en bij uitbreiding voor “gansche natien”.

Hier geeft Willems duidelijk blijk van Herderiaanse invloed. In tegenstelling tot verlichtingsfilosofen zoals Hume en Voltaire – Hume schrijft “Mankind are so much the same in all times and places that history informs us of nothing new or strange” – poneert Herder dat de ideeën, overtuiging en zelfs perceptie van mensen verschilt naargelang de historische periode en de cultuur waarin ze leven. Hij zegt dat soortgelijke, minder dramatische verschillen zich ook voordien tussen mensen uit dezelfde tijd en cultuur (61).

De invloed van de kunst van Grieken en Romeinen, betoogt Willems, leidde in Italië tot het ontstaan van een “byzondere school”. De Romeinse, Florentijnse en Venetiaanse schilders uit de renaissance wekten “den klassischen vorm” en “den verhevenen styl” der ouden weer tot leven toen Europa uit “den nacht der middeleeuwen” ontwaakte. Het klimaat, de godsdienstzin der schilders, de steun die zij genoten van vorsten en gemeenten en “de overschoone natuer, in welker beschouwing zy dagelyks leefden” droegen daartoe bij.

In de Nederlanden speelde “de uitvinding van Jan Van Eyck”, m.a.w. de olieverf, een even belangrijke rol als de klassieke erfenis in Italië. De “meesterlyke behandeling” van dit medium, aldus Willems, ligt aan de basis van de roem “onzer vaderlandsche school.” Wat de Italianen “in vorm en omtrek, in […] schoonheid der voorstelling” zochten, vonden de Nederlandse schilders “in kracht van uitdrukking, in gepaste verdeeling van licht en bruin, in waerheid van toon en kleur.”

De Italiaanse kunst, betoogt de schrijver, is idealistisch en poëtisch, de Nederlandse realistisch. “Het hooge Ideael, de dichterlyke wereld behoorde misschien meer aen de bewooners der lachende boorden van den Tyber en den Arno, dan aen ons die met de gewoone natuer, ja met de Nederlandsche natuer veelal te vreden waren.”

Er waren weliswaar Nederlandse schilders met “dichterlyk talent”, zoals “Rubens of Rembrant [sic]” en Italianen zoals “een Caravaggio” en anderen die “in de keus der modellen min of meer naer de Nederlanders overhelden”. Maar het blijft een feit “dat Verbeelding aen gene zyde der Alpen, en Afbeelding by ons, het voorname doel waren, naer hetwelk de kunstenaers van beide natien op verschillige wyzen streefden.”

De Nederlanders schilderden dan wel met olieverf, andere factoren droegen eveneens bij om hun “een’ onderscheiden rang” te geven en “het eigenaerdige van hun penseel” te bepalen. Willems somt op: “De toestand van ons land in de dagen van den grootsten bloey onzer schilders; de zeden en huislyke gebruiken onzer vaderen; de middelen en wyzen van aenmoediging uit die zeden en gebruiken voortvloeyende; het uitsluitend bestudéren van levende modellen, uit hoofde van onze mindere bekendheid met de standbeelden der ouden […] en […] het voorbeeld en de grootheid van Rubens […].”

Willems is zich bewust van de verschillen tussen de “Hollandsche en Vlaemsche voortbrengselen onzer Vaderlandsche School”, maar de eigenschappen van de Nederlandse kunst is ondanks “deze schynbare verdeeldheid” niet teloorgegaan.

De Hollanders hebben “door het verwerpen van zinnelyke voorstellingen in het Godsdienstige” een van de “edelste betrachtingen” der kunst verwaarloosd – zozeer zelfs, dat de beeldhouwkunst in het Noorden zo goed als verdwenen is. De Zuid-Nederlanders hebben hun “kunstiever” voort ten dienste gesteld van de “verheerlyking van den openbaren Godsdienst” en zijn op die manier beter trouw gebleven aan een fundamentele opdracht van de kunst.

Maar, zegt Willems, “beider bestrevingen […] kwamen altyd op één punt te samen, in de keurige toepassing namelyk van het koloriet, en de getrouwe nabootsing der natuer.” Ondanks de verschillen tussen Noord en Zuid bleef de kunst daar “in den grond altyd nationael, en volkomen berekend naer den aerd, zoowel als naer de behoefte van het Nederlandsche volk.”

Spreker zegt dat hij dit kan staven met “de gewrochten onzer letterkunde”, vooral dan “zinnebeeldige” gedichten van Cats en zijn Zuid-Nederlandsche navolgers, die hun inspiratie putten “uit de voortbrengselen van onzen grond […]” en uit “zoo vele stroom- en hofgedichten, visscherszangen en herdersliederen […].” Spreker wil zich echter niet verliezen in “aestetische beschouwing” of een opsomming van de “verdienstelyke mannen […] waerop wy roem dragen.”

Waar het voor hem op aankomt, is bewijzen “dat onze schilderschool altyd heeft uitgemunt door de meest mogelyke getrouwe navolging van de natuer, by middel van het krachtigste en rykste koloriet; ofschoon dan ook de behandelde voorwerpen veelal gekozen waren in de tooneelen van het dagelyksche of gewoone leven.”

“Het karakter van den Nederlandschen schilder,” vervolgt Willems, “is derhalve gelegen in de betrachting van waerheid en natuerlykheid, en afgeleid uit de rondborstigheid en den ongeveinsden aerd der Nederlandsche natie.” Daarom is het geen goed idee om de eigen traditie te verwerpen “om in de doode kleuren van sommige naburen […] glorie te gaen zoeken.” Nederlandse schilders mogen “onze losse en natuerlyke behandeling” niet verloochenen om de “gemaekte en theatrale houding” van “vele uitheemsche voorstellingen op het Nederlandsche doek over te brengen”.

“Wy mogen,” zegt de schrijver, “by de vreemden schoonheid van vorm, bevalligheid van styl, zachtheid van toon […] navolgen; wy mogen in onze kunstgewrochten meer de dichterlyke dan de prosaïsche wezendlykheid zoeken te betrachten; onze oude deftigheid en eenvoudigheid moeten daer by niet verloren gaen.”

8. “Dat gy Nederlanders zyn zult!”

Het is kunstenaars echter gepermitteerd open te staan voor buitenlandse invloeden. Die kunnen de Nederlandse schilderkunst zelfs op een hoger peil brengen.

“Nemen wy van anderen over wat by ons nog ontbreekt, laten wy zelfs […] eene betere keuze doen in de schoone natuer, meer verhevenheid ten toon spreiden, grootere historische kennissen aen den dag leggen, en, zoo veel in ons is, de volmaektheid naderen.”

Toch mogen “wy” niet uit het oog verliezen “dat wy Nederlanders zyn; dat wy onze eigene en goede hoedanigheden bezitten, die alle achting verdienen, en dat onze schilders geene levenlooze beelden, maer bezielde wezens moeten vertoonen, ten einde de vreemdeling en het nageslacht, by het beschouwen hunner werken, mogen zeggen: zie daer de trekken van een Nederlandsch penseel!”

Willems roept de kunstenaars en de “jongelingen die in Antwerpens Akademie” worden opgeleid de “plegtige belofte” af te leggen “dat gy Nederlanders zyn zult!” en belooft hun de steun van “de beste der koningen, de burgerlievende overheid dezer Provincie en Stad […] en deze Maetschappy.”

Terloops bewijst hij eer aan de directeur van de Academie, Herreyns, “dien eerbiedwaerdigen gryzaerd, op wiens palet het echte Nederlandsche koloriet, nog te vinden is; – […] die, in zyne hooge jaren, als erfgenaem en vertegenwoordiger der oude vlaemsche school, thans reeds zyne nakomelingschap beleeft!”

VOETNOTEN

(1) VAN DEN NIEUWENHUYZEN, J. VAN DE, “Antwerpse schilderijen te Parijs (1794-1815)” in Antwerpen. Tijdschrift der Stad Antwerpen, deel VIII (1962), pp. 66-83; VLIEGHE, H. “De voorgeschiedenis tot 1816” in JONG, L. DE (RED.) Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen. Een Geschiedenis 1810-2007, s.l.n.d. (Stichting Kunstboek, 2007), pp. 13-27.

(2) VAN DER STRAELEN, J.F. en J.B., De Kronijk van Antwerpen, deel VIII, 1803-1817, Antwerpen, Bureel voor de Bijdragen tot de Geschiedenis, 1936, p. 227.

(3) SCHMOOK, G. Hoe Teun den Eyerboer in 1815 sprak tot de Burgers van Antwerpen of het Aandeel van de Rubens-Viering in de wording van het Vlaamse Bewustzijn, Antwerpen, De Sikkel, 1942, pp. 137-138.

(4) WILLEMS, J.F. Quinten Matsys, of Wat doet de Liefde niet! Toneelspel in 2 bedryven. Antwerpen, J.S. Schoesetters, 1816.

(5) WILLEMS, Quinten Matsys, p. iv.

(6) WILLEMS, Quinten Matsys, p. v.

(7) WILLEMS, Quinten Matsys, pp. v-vi

(8) WILLEMS, Quinten Matsys, p. vii.

(9) LAFFONT-BOMPIANI, Dictionnaire biographique des Auteurs, deel I, A-J, Paris, Société d’Edition des Dictionnaires et Encyclopédies, 2e uitg., s.d., (1964), p. 68.

(10) Arnauds beschrijving is anachronistisch; een Amor die een portret met een bloemenguirlande vastmaakt aan een piramide hoort thuis in de beeldtaal van de 18de, niet die van de vroege 16de eeuw. Het truweel dat Metsijs in het verhaal aan zijn ceintuur draagt, kan een maçonnieke verwijzing zijn. Arnaud was vrijmetselaar (GAUDART DE SOULAGES, M. en LAMANT, H., Dictionnaire des Francs-Maçons, s.d. (Paris), J.C. Lattès, 1995, p. 99).

(11) WILLEMS, Quinten Matsys, p. x.

(12) WILLEMS, Quinten Matsys, p. x.

(13) WILLEMS, Quinten Matsys, p. 138.

(14) SCHMOOK, Teun den Eyerboer, p. 150.

(15) SCHMOOK, Teun den Eyerboer, p. 150.

(16) SCHMOOK, Teun den Eyerboer, p. 149.

(17) Toejuyching / der Leden van het Genootschap ; / Tot Nut der Jeugd : / Aen / d’Antwerpsche Maetschappy / Der / Schoone Konsten: / By gelegenheyd van de wederkomst der, aen haer / ontroofde, / SCHILDER-STUKKEN : Van de vermaerdtste Meesters / Der Nederlandsche School, Antwerpen, J.S. Schoesetters, s.d. (1815).

(18) Procès-verbal de l’Installation de la Société des Amis der Arts à Anvers, s.l.n.d., (Anvers, Entheaume Van der Vaeren, 1817), p. 1.; BRANDEN, F. JOS VAN DEN, Geschiedenis der Antwerpsche Schilderschool, Antwerpen, 1883, p. 1377.

(19) Grond-Wetten / van de Maetschappy der / Kunstvrienden / te Antwerpen – Statuts de la Société / des Amis des Arts, / à Anvers, s.l.n.d. (Antwerpen, 1816), p. 3.

(20) Procès-Verbal, p. 6

(21) Procès-verbal, p. 9.

(25) Floris van Ertborn wordt geboren te Antwerpen in 1784. Van 1817 tot 1828 is hij burgemeester. Hij brengt een fabelachtige kunstverzameling bijeen. In 1828 benoemt Willem I hem tot gouverneur van Utrecht. Na 1830 willen de Antwerpenaars hem terug als burgemeester, maar dat weigert hij uit trouw aan de koning. In 1832 stelt hij te Karlsruhe een beschikking op waardoor hij zijn verzameling nalaat aan het museum van de Antwerpse Academie.

(26) COECKELBERGHS, D. en LOZE, P. (o.l.v.), 1770-1830. Om en rond het neo-classicisme in België, Brussel, Gemeentekrediet van België, 1985, p. 95.

(27) BOGAERTS, F., Mathieu Van Brée. Notice lue à la Séance publique de la Société libre d’Emulation de Liège, le 19 juillet 1842, Anvers, L.J. De Cort, 1842 en GERRITS, L. Levensbeschryving van M.I. Van Brée, Antwerpen, J.E. Buschmann, 1852.

(28) DONNET, F., Smits (Jean-Baptiste), in Biographie Nationale, deel XXII Schott-Smyters, Bruxelles, Émile Bruylant, 1914-1920, kol. 854-864.

(29) Procès-verbal, pp. 11-14.

(30) ROUSSEAU, J.-J., Discours sur les Lettres et les Arts

(31) Antwerpschen Almanach van Nut en Vermaek voor het Jaer 1817, pp. 66-69; geciteerd door SCHMOOK, G., Hoe Teun den Eyerboer, p. 187. Ook in DUYSE, P. VAN (ED.), Nalatenschap van J.F. Willems. Dicht- en tooneelstukken met inleiding, bydragen en handtekeningen, Gent, Gebroeders De Busscher, 1856; ROOSES, M. (ED.), Keus uit de dicht- en prozawerken van Jan Frans Willems. Eerste deel. 1812-1830. Gent, Willem Rogghé, 1873, p. 13-16.

(32) Antwerpschen Almanach, deel IV, Antwerpen, 1818, pp. 58-60. ROOSES, M. (ED.), Keus uit de Dicht-en Prozawerken van Jan Frans Willems. Eerste deel 1812-1830, pp. 30-32.

(33) Zie hierover vooral DEPREZ, A. en DE CLERCQ, A., Bibliografie van de Vlaamse Tijdschriften in de negentiende Eeuw. De Tijdschiften van 1815 tot 1833, Gent, Cultureel Documentatiecentrum, 1996, pp. 18-28.

(34) COECKELBERGHS, D. en LOZE, P. (o.l.v.), op. cit., p. 152. De vertaler heeft het, verkeerdelijk, over de “eedaflegging” van Van der Werff.

(35) Antwerpschen Almanach van Tot Nut en Vermaek, deel IV, Antwerpen, 1818, pp. 58-60; ROOSES, M. (ED.), Keus uit de Dicht-en Prozawerken van Jan Frans Willems. Eerste deel 1812-1830, Gent, Willem Rogghé, 1873, pp. 30-32.

(36) François André Vincent (Parijs, 1746-1816) is, zoals David, een leerling van Vien. Hij borstelt classicistische doeken – met zijn Belisaire uit 1776 zelfs vroeger dan David! – maar kent niet diens succes. Daarnaast schildert Vincent onderwerpen uit de moderne Franse geschiedenis. Zo effent hij het pad voor de romantische kunstenaars van de 19de eeuw.

(37) Zij behoort tot de afstammelingen van de koopman in lijnwaad Laureys Borrekens (1502-1582). Familieleden maken carrière in de handel, als jurist en in de kerk. Zie hierover de bijlagen op cd-rom bij DEGRYSE, K. De Antwerpse fortuinen: kapitaalsaccumulatie, – investering en –rendement te Antwerpen in de 18de eeuw, s.l.n.d. (Antwerpen, Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis; Universiteit Antwerpen – Centrum voor Stadsgeschiedenis, 2005). Enkele familieleden zoeken hun weg in de kunst. In 1791 treedt graveur Jan Peter Borrekens toe tot de Konstmaetschappy (BRANDEN, F. JOS. VAN DEN, Schilderschool, p. 1252). In de 17de eeuw is de schoonbroer van David Teniers de Jonge, stichter van de Academie, de schilder Jan-Baptist Borrekens (ID., op. cit., pp. 993-994).

(38) DEPREZ, A., Jan Frans Willems, Antwerpen, Kredietbank, s.d. (1993), pp. 20-21.

(39) WILLEMS, J.F., Redevoering gehouden by de openbare prysuitdeeling der Koninglyke Academie van Beeldende Kunsten, te Antwerpen, den 6den april 1823. Over de poëzy van den dichter en van den schilder. Antwerpen, Schoesetters, 1823.

(40) HERDER, J. G. Herders Werken in funf Bänden, deel V, Berlin; Weimar, Aufbau-Verlag, Bibliothek deutscher Klassiker, 1969. Ik consulteerde de Engelse vertaling in: MORAN, J.H. en GODE, A. On the Origin of Laguage. Jean-Jacques Rousseau, Essay on the Origin of Languages, Johann Gottfried Herder, Essay on the Origin of Language, Chicago, London, The University of Chicago Press, s.d; (1966).

(41) “On the Origin is primarily concerned with the question whether the origin of language can be explained in purely natural, human terms or (as Süssmilch had recently argued) only in terms of a divine source. Herder argues in support of the former position and against the latter. (FORSTER, M., Johann Gottfried von Herder in Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2007).

(42) Ik opper dit met de nodige reserve. Men raadplege o.m. SWEDENBORG, E., Over de Gemeenschap tusschen de Ziel en het Lichaam welke men onderstelt plaats te hebben of door natuurlijken invloed, of door geestelijken invloed of door vooraf-vastgestelde overeenstemming, Voorburg, Swedenborg Genootschap voor Holland en België, 1911.

(43) ROEMANS, R. Jan-Frans Willems’ Kunstopvattingen, in Album opgedragen aan prof. Dr. J. Vercoullie door Ambtgenooten, Oud-leerlingen en Vereerders, ter Gelegenheid van zijn zeventigsten Verjaardag en van zijn Emeritaat, 2de deel, Brussel, Paginae, 1927, p. 232.

(44) DEPREZ, A., Jan Frans Willems, p. 14.

(45) LESSING, G. E., Laokoon oder über die Grenzen der Malerei und Poesie in Werke, deel VI, Kunsttheoretische und kunsthistorische Schriften, München, Carl Hanser Verlag, s.d. (1974), pp. 7-187.

(46) Over de belangrijke rol van de Laokoongroep in het denken over kunst in de Duitse Verlichting en romantiek: HOWARD, H. G., Laokoon. Lessing, Herder, Goethe. Selections edited with an Introduction and a Commentary, New York, Henry Holt and Company, s.d. (1910).

(47) LESSING, G. E., Laokoon, p. 13.

(48) ID., op. cit., p. 20.

(49) ID., op. cit., p. 29

(50) ID., op. cit., p.

(51) VAUGHAN, W. Romantic Art, s.l.n.d. (London, Thames and Hudson, 1978), p. 13.

(52) Lessing, Laokoon, p. 52.

(53) Uit de talrijke publicaties van prof. Jos Smeyers blijkt dat men in de Zuidelijke Nederlanden vanaf ca. 1750 wel degelijk op de hoogte was van wat in Europa op intellectueel vlak speelde. Smeyers gewaagt zelfs van een “Vlaamse Verlichting”. Voor Antwerpen is er de studie van SCHAMPHELEIRE, H. DE, Verlichte lectuur te Antwerpen en Parijs in de 18e Eeuw. Een comparatief quantitatief leesonderzoek naar Voltaire, Rousseau en de Encyclopedie, in MORTIER, R. en HASQUIN, H., Études sur le XVIIIième Siècle. Deel VI, Bruxelles, Editions de l’Université de Bruxelles, 1979.

(54) Willems’ correspondent Bilderdijk vertaalt Ossian in 1805 in het Nederlands.

(55) Frans [François] Verdussen (1783-1850) stamt uit de bekende drukkersfamilie. Hij is getrouwd met Joanna Borrekens (1804-1876). Verdussen is lid van de gemeenteraad en van de Provinciale Staten. In 1811 wordt hij werkend lid van de Société d’Encouragement des Beaux-Arts. Daarnaast zetelt hij in de Administratieve Commissie van de Academie. Verdussen zal in 1830 het Belgische kamp kiezen. Hij blijft politiek actief. (HEYLEN, S., Frans Verdussen (1783-1850), in ODIS – Database Intermediary Structures Flanders, record no. 12, http://www.odis.be.

(56) AMVC-Letterenhuis, M 1371, Proces-verbaalboek 1818-1829, H 6, nr. 34.

(57) ID., nr. 42, vergadering van 27 februari 1821.

(58) ID., nr. 61, vergadering van 5 mei 1823.

(59). BRANDEN, F. JOS. VAN DEN, Geschiedenis der Antwerpsche Schilderschool, pp. 1243-125, 1307-1308, 1311-1313 en 1336-1342; PERSOONS, G. m.m.v. BUYCK, J., Schone Kunsten in Antwerpen, de Koninklijke Vereniging tot Aanmoediging der Schone Kunsten te Antwerpen, sinds 1788, Antwerpen, Nationaal Hoger Instituut en Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, 1976.

(60) WILLEMS, J. F., Redevoering over het karakter van den Nederlandschen schilder, gehouden in het Koninglyk Museum van Antwerpen, ter gelegenheid van de plechtige prysuitdeeling der Koninglyke Maetschappy tot Aenmoediging der Schoone Kunsten, van Antwerpen, den 18 september 1825, s.l.n.d. (Antwerpen, Vander Hey, 1825).

(61) FORSTER, M., Johann Gottfried von Herder, in Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2007, http://plato.stanford.edu/entries/herder.

Geschiedenis – Kroniek van Antwerpen tot 1500.

150 vòòr Christus

Halverwege twee bochten in de stroom, vestigen de eerste mensen zich op drie heuvels aan de Schelde. Het is er droog en vruchtbaar en men ziet er een vijand van ver aankomen. De noordelijkste heuvel, zes meter hoog, biedt genoeg ruimte om vee te weiden en graan te zaaien. Uiteraard doen de bewoners ook aan visvangst.

Het Antwerps reliëf: stuifzandruggen langs de Schelde (naar Prims).

57 voor Christus

In Antwerpen wonen Kelten, waarschijnlijk Nerviërs. Zij en andere “Belgische” stammen worden verslagen door de Romeinse veldheer Julius Caesar. Antwerpen behoort weldra tot de Civitas Nerviorum, een deel van de provincie Gallia Belgica die België en Noord-Frankrijk omvat.

Ambiorix, prent van Jean-Léon Huenens naar het romantische standbeeld in Tongeren.

Illustration de Jean-Léon Huens, extraite de ‘Nos Gloires’ – Historia – Héritiers de Jean-Léon Huens & Musée Royal de Mariemont” .

 

Onder Claudius (keizer vanaf 41 na Christus)…

De Romeinse beschaving dringt door tot in de uithoeken van Gallië. Galliërs dienen in de legioenen; de handel ontwikkelt zich. De Romeinse weg van Bavai (Noord-Frankrijk) via Asse naar Utrecht loopt niet ver van Antwerpen. Andere wegen lopen eveneens noordwaarts door Taxandrië (de Kempen) naar de limes of versterkte grens aan de Rijn in Nederland.

Gallië.

…en zijn opvolgers

Op de noordelijkste heuvel aan de Schelde houdt men grote koeien die melk en vlees leveren, paarden en varkens. Om aan zoet water te komen, graven de bewoners waterputten. Hun afval dumpen ze in afvalputten. Ze wonen in grote, rechthoekige houten huizen. Behalve landbouwers telt de gemeenschap handwerkslieden: een smid, een pottenbakker en een leerbewerker.

Volgens sommigen is de plaatsnaam Wilrijk een verbastering van Villariacum. Dit kan erop wijzen dat het dorp een onderdeel vormt van een Romeinse villa in Kontich (?).

Ook op het grondgebied van Ekeren, Mortsel, Oelegem en Wijnegem wonen mensen. In het zandige, minder vruchtbare noorden van de Civitas Tungrorum ligt Grobbendonk.

Galloromeinse tempel op de Steenberg in Grobbendonk (reconstructie).

Kontich en Grobbendonk zijn grote nederzettingen met één of meerdere tempels, gebouwd in steen. Het Land van Waas kent eveneens een relatief dichte bewoning langs de Schelde en de Durme.

Vici in de wijde omgeving zijn Turnacum of Doornik in het land van de Menapiërs, Cortoriacum of Kortrijk, Ganda of Gent, Brugge, Viroviacum of Wervik, Oudenburg en Aardenburg. In de Civitas Nerviorium liggen de plaatsen Fontaine-Valmont en Blicquy (nu in Henegouwen) en Velzeke, Hofstade bij Aalst, Asse en Elewijt.

172-174 na Christus

Zeerovers plunderen de kust. In Oudenburg bouwen de Romeinen een fort. Wellicht komt er een vlootbasis in Rumst en krijgt ook Antwerpen een versterking. Toch hebben archeologen daar nog geen sporen van gevonden.

Galloromeins aardewerk uit Grobbendonk, 2de-3de eeuw.

256-260

De Franken maken van de burgeroorlogen in het rijk gebruik. In 256 steken zij bij Keulen de Rijn over. In 258 en 260 volgen nog raids. De grootste vindt plaats in 275-276. Hoewel Antwerpen niet wordt verwoest, slaan de inwoners op de vlucht.

4de-5de eeuw

De Franken, een federatie van diverse stammen, vestigen zich als boeren in het gebied aan de grote rivieren. Wanneer de opstandeling Magnentius de Romeinse troepen uit onze streken weghaalt voor zijn veldocht tegen de keizer, nemen ze het praktisch onbewoonde Toxandrië in.

De Germaanse koninkrijken in de “Dark Ages”.

406

Op Oudejaarsavond trekken Vandalen, Alanen, Boergonden en Sueven over de Rijn. Dit betekent het einde van het Romeinse gezag in onze streken.

450-481

De Franken zetten hun vreedzame kolonisatie voort in zuidelijke richting. De streek van Doornik en Kamerijk wordt de kern van hun woongebied. In 481 sterft hun koning Childerik in Doornik en wordt er begraven.

Het Frankische koninkrijk onder Clovis.

6de eeuw

De heuvels aan de Schelde liggen in Frankisch gebied, dichtbij het land van de Friezen. Beide volkeren komen geregeld met elkaar in conflict. Of de Franken de drie hoogten zélf bewonen, blijft de vraag. Maar in de wijde omgeving zijn ze wel degelijk gevestigd: Merksem, Berchem, Hoboken, Hemiksem, Mortsel enz. zijn Frankische namen.

Clovis.

Illustration de Jean-Léon Huens, extraite de ‘Nos Gloires’ – Historia – Héritiers de Jean-Léon Huens & Musée Royal de Mariemont” .

 

Omstreeks 600

De Franken maken zich meester van de zuidelijkste heuvel aan de Schelde, die later “Chanelaus” gaat heten, en de eventuele resten van een Romeinse versterking aldaar. Deze laatste benutten zij opnieuw. Hieraan dankt Antwerpen zijn naam. Het Germaanse “andawerp” betekent “land dat door mensen tegen iets of iemand is opgeworpen”. Die iemand kunnen de Friezen zijn.

Dood van Clovis

Naar Germaans gebruik verdelen zijn kinderen zijn enorme rijk. Zo ontstaan diverse, elkaar beoorlogende Frankische rijken. Clovis’ nazaten geven weinig blijk van gezag of staatsmanschap. Zo komt het dat ze steeds meer aan macht inboeten ten gunste van hun hofmeier – hun eerste minister, zeg maar.

Eligius.

7de eeuw

Tussen 641 en 650 krijgt Antwerpen het bezoek van de missionarissen Eligius en Amandus. Amandus zet voet aan land op een ,,eiland naast de Schelde’’, Chanelaus genaamd. Na zijn terugkeer naar Frankrijk zendt hij medewerkers die in het Antwerpse “castrum” een kerkje bouwen, gewijd aan Sint-Pieter en Sint-Paulus. De kans bestaat dat ze in Deurne een kleine gemeenschap van monniken stichten, die de kerk aan de Schelde bedient.

Amandus.

719

Radbod, aanvoerder der Friezen, sterft. Hofmeier Karel Martel verovert het zuiden van Nederland, zodat de Friezen niet langer een bedreiging vormen.

715-725

Volgens een legende predikt Willibrordus in het Antwerpse, sticht een kerk in Berchem en doet er een miraculeuze bron ontspringen. Enkele jaren later, wil een ander verhaal, keert hij terug om op de plaats Oude God een heidens beeld omver te werpen.

Willibrodus, de “apostel der Friezen (Sint-Agneskerk, Amsterdam).

726

Rauchingus, een edelman, en zijn vrouw Bebelina schenken Willibrordus de “door onze heilige vader Amandus gestichte” kerk in het Antwerpse castrum. Jammer genoeg is de oorkonde, waarin dit te lezen staat, misschien een vervalsing.

768

Karel de Grote (Domkerk, Aken).

Karel, weldra bijgenaamd “de Grote”, zoon van Pepijn de Korte, wordt koning van alle Franken. Hij regeert ook over onze gewesten, maar die vormen slechts een uithoek van zijn rijk.

Het rijk van Karel de Grote.

800

De paus kroont Karel de Grote in Rome tot keizer.

814

Dood van Karel de Grote.

836

De snekken van de Noormannen verschijnen op de Schelde. De bemanning gaat aan land en legt Antwerpen in de as. Kort daarop verwoesten de Noormannen Deurne en zetten koers naar naar Lier en Mechelen.

Vikingschip.

837-889

De Noormannen bouwen Antwerpen uit tot een pleisterplaats vanwaar ze raids ondernemen, maar waar ze ook handel drijven. De Antwerpse nederzetting verplaatst zich naar de noordelijkste heuvel, die sinds de derde eeuw niet meer bewoond is.

891

De latere keizer Arnulf van Karinthië verslaat de Noormannen nabij Leuven. Zij ontruimen onze streken.

843

De opvolgers van Karel de Grote verdelen zijn rijk in drie: West-Francië, het latere Frankrijk, Oost-Francië, het latere Duitsland, en het “middenrijk” Lotharingen. De Schelde vormt de grens tussen West-Francië en Lotharingen. Antwerpen behoort tot dat laatste.

Verdeling van het grondgebied na het Verdrag van Verdun. De Schelde wordt een grens.

900

Vanaf nu behoort Antwerpen tot Oost-Francië .

900-958

Op Caloes staat de herbouwde kerk, thans aan Sint-Michiel gewijd. Het is een grote kerk, een zg. “munster”. Vlakbij wonen vissers en schippers. Duizend meter naar het noorden, op de uitsprong in de Schelde, de “Werf” leven handelaars en ambachtslui. Zij worden beschermd door lage aarden wal. Friese kooplui brengen producten uit Engeland en Scandinavië.

958-964

Antwerpen wordt een markgraafschap. Keizer Otto I beveelt de westelijke grens van het Duitse rijk te versterken. Men is bang voor de toenemende macht van het graafschap Vlaanderen. Aan de Schelde komen drie “marken” of grensgraafschappen: Valenciennes, Ename bij Oudenaarde en Antwerpen.

Het Antwerpse burchtgebied naar een plattegrond uit de 19de eeuw.

De markgraaf van Antwerpen behoort tot de hoge adel. Hij laat zich vertegenwoordigen door een “villicus”, die Antwerpen beheert alsof het zijn eigen domein was. Hij heft tol en int belastingen, handhaaft de openbare orde en is militair bevelhebber. Weldra gaat het ambt over van vader op zoon.

Omstreeks 980

Keizer Otto II beveelt de aarden wal om de nederzetting bij de Werf te versterken en te verhogen.

Otto II.

11de eeuw

De bewoners van de omwalde nederzetting leven langs twee straten (later heten ze Mattenstraat en Zakstraat) die loodrecht op elkaar staan. De huizen zijn van hout, met wanden van gevlochten takken en rieten daken. De haard bevindt zich in de voorkamer. De rook ontsnapt door een gat in het (rieten) dak. De vloer is van hout. De straten hebben eveneens houten, bestrating.

1025-1050

De Antwerpenaars bouwen dijken om de drassige gronden ten noorden van hun woonplaats droog te leggen, zodat er vee kan grazen. Ten zuiden van de Burcht ontstaat een vismarkt. Vlakbij komen zich nieuwe bewoners vestigen.

1055

Graaf Boudewijn V van Vlaanderen valt Antwerpen aan en brandt de huizen buiten de aarden omwalling plat. Vanaf hier noemen we dit oorspronkelijk omwalde gebied de Burcht.

De “ruienstad” – Antwerpen vòòr 1200 (naar Prims).

1069-1076

Omheen de Burcht bakent men een gebied af van 20 ha. Dit beschermt men met een watersingel, gevoed door zijriviertjes van de Schijn. De “ruien” dienen vooral om veedieven buiten te houden. Ze volgen het tracé van Suikerrui, Kaasrui, Jezuïetenrui, Minderbroedersrui en St.-Paulusstraat.

Burchtgebied met Werf en Sint-Walburgiskerk in 1565 (Museum Plantin-Moretus)

Godfried I “met de Baard”, graaf van Leuven, wordt markgraaf van Antwerpen. Hij is de stamvader van de hertogen van Brabant. Vanaf zijn regering zal het markgraafschap deel blijven uitmaken van Brabant.

Vòòr 1115

De ketter Tanchelm

1115

Dood van Tanchelm.

Tot dan toe mogen de kanunniken van Sint-Michiels particuliere eigendom bezitten en wonen waar ze willen. Het zijn een stel geprivilegiëerden die weinig nuttigs uitvoeren. Zo hebben zij geen dam kunnen opwerpen tegen de ketterij van Tanchelm (+ 1115?), een volksmenner, die actief is in de jaren voor 1115. Acht van de twaalf kanunniken voelen echter niets voor de geplande hervorming. Daarom beveelt de bisschop hen te verhuizen naar de Onze-Lieve-Vrouwekapel ten zuiden van de ruienstad. Ze vestigen er een nieuw, seculier kapittel.

Norbertus.

Omdat hun vier achtergebleven collega’s niet volstaan om bij de Sint-Michielskerk een klooster op te richten, doen bisschop en hertog een beroep op de boeteprediker Norbert van Gennep (1080/85-1134). Norbert begeleidt persoonlijk acht van zijn medestanders naar Antwerpen. Samen met de vier vormen ze een regulier kapittel. Zo ontstaat de Sint-Michielsabdij, die spoedig een hoge vlucht neemt en enorme rijkdommen verwerft.

Norbertus vertrappelt Tanchelm. Neogotisch beeld in het portaal van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal.

Norbertus zelf sticht enkele jaren later in Prémontré bij het Noordfranse Lâon een klooster. Het wordt de bakermat van de orde der norbertijnen of premonstratenzers, waartoe de Sint-Michielsabdij gaat behoren. Zes jaar later wordt Norbert aartsbisschop van Maagdenburg in Duitsland.

Omstreeks 1100

Antwerpse schippers brengen kaas, schapenhuiden en rijnwijn naar Engeland. Later volgen ook edele metalen uit Duitsland. Hun retourvracht bestaat uit lood, tin, graan en wol.

Omstreeks 1135

Zeven “scabinini” of “schepenen” helpen de villicus bij het bestuur en spreken recht volgens de “costuymen”, het mondeling overgeleverde gewoontenrecht. De schepen zijn verwanten van de villicus en plooien zich gewillig naar diens wensen.

Graftombe van hertog Hendrik I in de Sint-Pieterskerk in Leuven.

1146

De Michielsabdij bezit vier grote boerderijen. De norbertijnen spannen zich op hun beurt in om ten noorden van Antwerpen land in te polderen.

1164

Aanstelling van de eerste “schout”. De hertog wil de macht van de villicus beknotten en geeft de schout een deel van diens functies. De hertog kan de schout te allen tijde ontslaan. De schout spoort o.m. misdadigers op, sommeert de schepenen om recht te spreken en voert nadien het vonnis uit.

Een gebied van nog eens zo’n 20 hectare om de Ruienstad wordt voorzien van aarden wallen met stenen poorten en daarbuiten een gracht. Sint-Jansvliet, Steenhouwersvest en Lombardenvest vormen de zuidelijke grens. De Burcht krijgt een stenen muur.

1194

Antwerpen beschikt over een eigen zegel, en heeft dus rechtspersoonlijkheid.

De eerste stadsuitbreiding, ca. 1200.

1221

Hertog Hendrik II verleent Antwerpen zijn eerste vrijheden. Dit bevestigt het belang van de plaats als markt voor de producten van het omliggende platteland. Er treden nieuwe schepenen aan, gekozen onder de kooplieden.

1212-1213

Vermelding in Engelse documenten van de schippers Willem en Hendrik van Antwerpen, Folkerik Niger (,,De Zwarte’’) en Folkerik De Witte. Deze kapiteins zijn ook koopman. Ze varen niet in hun eentje, maar hebben stuurlui, matrozen en scheepsjongens.

Kogge.

1224

Vermelding in Engelse documenten van de cogae of koggen van Willem Snacken, die van Godfried en Jan, die van Tibald en die van Folcericus, “kooplieden uit het land van de hertog van Leuven”. De kogge heeft één mast; de voorsteven valt naar buiten. Op het eind van de eeuw krijgt de kogge een achterkasteel met kantelen. Het roer staat achteraan. Ze heeft een laadvermogen van maximum 200 ton.

1225

Paus honorius vaardigt een bulle uit om Antwerpse zeelui toe te laten sneller te trouwen. Zij zijn vaak zo lang van huis, dat ze hun huwelijk niet lang genoeg op voorhand kunnen laten aankondigen in de kerk. Velen trouwen daarom niet, wat leidt tot “ontucht en overspel”.

1242

Kooplui uit Leuven, Brussel en Vilvoorde komen in Antwerpen wol kopen. Voorlopig gaat het om wol van Kempense schapen.

Midden 13de eeuw

Hadewych, een vrouw (!), die vanaf haar tiende levensjaar vizioenen heeft, schrijft in het Nederlands (!) over haar mystieke ervaringen. Vermoedelijk behoort zij tot een groep vrouwen die hun leven aan God wijden zonder in het klooster te gaan. Hieruit ontstaan de begijnen.

Hadewych – handschrift van de strofische gedichten.

1240

Eén van de kapelaans van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, meester Guillielmus Cornelis, is een ketter. Wie arm is, beweert hij, kan niet zondigen. Een arme hoer heeft in Guillielmus’ ogen meer verdienste dan een deugdzame vrouw die rijk is.

1243

Dominicanen uit Leuven vestigen zich ten zuiden van de stad (hieraan herinnert de Prekersstraat).

1245

Dood van Guillielmus Cornelis. De bisschop van Kamerijk, Guiardus van Lâon, stelt een onderzoek in.

1247

Eerste vermelding van het begijnhof Syon ten zuid-oosten van Antwerpen. Hieraan herinneren de straatnamen Begijnenvest en Begijnenstraat.

1248

Bisschop Guiardus de Laôn komt in 1148 naar Antwerpen, maar sterft onderweg. Zijn opvolger Nicholas des Fontaines voelt de medestanders van Guillielmus Cornelius aan de tand. Hij laat het lijk van de ketter opgraven en verbranden.

1249

Grondbezitter en schepen Hugo Nose schenkt de dominicanen een stuk van de Dries. Ze bouwen er een klooster.

Na 1249

De Dries wordt geïncorporeerd in de stad en omgeven met een gracht. De Sint-Pietersvliet vormt voortaan de noordelijke grens van Antwerpen.

1261

Dood van hertog Hendrik III. Zijn weduwe, Aleidis, regentes.

1268

Jan I volgt zijn onbekwame oudere broer Hendrik IV op.

1263

Eerste vermelding van een kraan op de Werf. De arbeiders die ze bedienen, zijn met zijn vieren. Ze heten kraankinders, een naam die ze zullen dragen tot op het einde van de 18de eeuw.

De kraan aan de Werf (Antwerpen Miniatuurstad).

1288

Slag van Woeringen. Jan I verovert Limburg. Verscheidene Antwerpse ridders nemen deel aan de strijd. Kooplui die van Brugge naar Keulen reizen, doen dat voortaan over “Brabantse” wegen.

Jan I wint de slag bij Woeringen. Prent van Jean-Léon Huenens.

Illustration de Jean-Léon Huens, extraite de ‘Nos Gloires’ – Historia – Héritiers de Jean-Léon Huens & Musée Royal de Mariemont” .

Vanaf 1290

Jan I doet alles om vreemde kooplui naar Brabant te halen.

1291

Antwerpen mag de vroegere gemeenschapsgronden verkopen. De schepenen benoemen vanaf nu zelf alle stadsambtenaren.

De stad krijgt een lakenhuis, waar de kooplieden-ondernemers hun laken te koop aanbieden aan particulieren en collega’s. Het gaat om een houten constructie op de markt.

1294

Dood van Jan I. Zijn zoon, Jan II, volgt hem op.

1295

Jan II maant de Antwerpenaren aan om een nieuwe stadsmuur te bouwen. De Nederlandse vorstendommen dreigen door allerlei bondgenootschappen meegesleurd te worden in grote conflicten.

Hertog Jan II van Brabant.

Aan de landzijde zal de omwalling het tracé van Lepelstraat, Sint-Rochusstraat, Schermersstraat, Bourlastraat en Blauwtorenplein volgen.

Naar het noorden toe bouwt men geen muur, maar houdt men het bij een nieuwe watersingel. Deze volgt de huidige Oude Vaartplaats, Wapper, Lange Klarenstraat, Sint-Jacobsstraat, Prinsesstraat, Grote en Kleine Kauwenberg, Stijfselrui, Falconrui, Verversrui, Oudemanstraat en Sint-Pietersvliet. Bovendien zal de stad ook aan de kant van de stroom versterkt worden.

1295-1297

Antwerpen moet zijn nieuwe stadsmuur zelf betalen. De stad haalt haar inkomsten uit de accijnzen of indirecte belasting op wijn, bier en mede. Ook de kraan aan de Werf brengt geld op. En dan zijn er de lijfrenten: burgers betalen het stadsbestuur een som en ontvangen in ruil daarvoor een levenslange rente. Maar dat volstaat niet. Daarom volgt in…

1298

…de invoering van het poortersgeld dat elke nieuwe Antwerpenaar moet betalen.

1298-1299

Omdat zelfs dit niet volstaat, eist men van alle poorters een speciale belasting, de “maeltote”. Aan zo’n heffing – ze wordt vijf jaar geheven – zijn de Antwerpenaars tot nu toe ontsnapt; hun onvrede is groot.

1298-1300

De werken aan de nieuwe stadsmuur beginnen bij de Sint-Michielsabdij. De muur doorsnijdt tarwevelden, die binnen de stad komen te liggen. Daarom weigeren de eigenaars nog tienden te betalen aan het kapittel van O.-L.-Vrouw.

De derde stadsvergroting, vanaf 1295.

De slabakkende export van laken naar het Rijnland, Engeland en Italië veroorzaakt onrust bij de slecht betaalde wevers en volders. Zij hebben ambachten opgericht om zich te verdedigen tegen de “patroons” van het lakengilde. Andere handwerkers zien eveneens de voordelen in van solidariteit.

1300

Jan II komt in het bezit van Mechelen. Hij laat de Mechelaars hun eigen kleine stapels van vis, zout en haver houden. De Antwerpaars voelen zich bedreigd.

1302

In de vroege zomer breken in Antwerpen rellen uit, maar voor 17 juni keert de rust weer. De hertog verschijnt in eigen persoon. Hij legt Antwerpen, zijn eigen aanhang incluis, een zware boete op.

Opstand van het Mechelse “gemeen” tegen de patriciërs. Jan II krijgt hulp van de Antwerpenaars bij de belegering van de opstandige stad.

De Brusselsepoort in Mechelen.

Eind mei, begin juni

Schepen van de hertog krijgen voor Rupelmonde hulp van de Antwerpenaars tegen een kleine Mechelse vloot. De Mechelaars worden verslagen. Mechelen verzoent zich met Jan II, maar behoudt eens te meer zijn zout-, vis- en haverstapel.

1306

Jan II geeft Antwerpen een nieuwe “vrijheidsbrief”. Het stadsbestuur krijgt toezicht op de ambachten. Die mogen zonder toestemming geen geld ophalen bij hun leden. Staken is verboden.

Kort na 1300

Jan van Boendale wordt “eerste schepenklerk” of stadssecretaris van Antwerpen. Als zodanig treedt hij op als “ambassadeur” van de stad bij de hertog en bij andere steden.

De vierde stadsuitbreiding, vanaf 1314.

1308

Het lakengilde krijgt een officieel statuut. Het lakengilde is geen “vakbond” van kleine wevers, maar een belangenvereniging van de kooplieden-ondernemers.

1309

Keizer Hendrik VII geeft Antwerpen zijn drie stapels terug.

1312

Hertog Jan II vaardigt het Charter van Kortenberg uit, dat de steden medezeggenschap verleent in het bestuur van het hertogdom. De hertog sterft; zijn 13-jarige zoon Jan III volgt hem op.

1316

Jan van Boendale begint aan de “Brabantsche Yeesten”, een kroniek van het hertogdom. Hij zal eraan werken tot 1350.

1325

Galei.

De eerste twee Venetiaanse galeien verschijnen voor de stad.

1326

Vijf Venetiaanse galeien doen Antwerpen aan.

1327

Acht Venetiaanse galeien doen Antwerpen aan.

1336

Antwerpen ontvangt enorme hoeveelheden Engelse wol. De Engelse koning Edward III maakt aanspraak op de Franse troon en probeert Frankrijk te verzwakken. Daarom zet hij de uitvoer van Engelse wol naar Vlaanderen stop.

24 mei 1337

Lakenhandelaars uit Antwerpen, Leuven en Brussel krijgen van de Engelse koning het recht overal in Engeland handel te drijven.

22 juli 1338

Edward III, die steun zoekt bij de hertog van Brabant en de Duitse keizer, komt naar Antwerpen. Samen met zijn gevolg neemt hij zijn intrek in de Sint-Michielsabdij. Edward onderhandelt met de hertog.

Graf van Edward III in Westminster Abbey.

Maart 1339

Uit Londen, Yarmouth, King Lynn, Boston, Kingston en Newcastle komen meer dan 1.400 zakken wol in Antwerpen aan. De voornaamste afnemers zijn Duitsers en Italianen.

20 september 1338

Edward III keert terug van een ontmoeting met de keizer in Koblenz.

Omstreeks 15 juli 1339

Het Engelse leger trekt naar Frankrijk, maar het komt niet tot een veldslag. De Engelsen keren terug naar Antwerpen, waar hun koningin op 2 oktober in de Sint-Michielsabdij is bevallen van een zoon.

December 1339

Verdrag tussen Edward III en Vlaanderen. Edward vertrekt naar Gent, waar Artevelde hem tot koning van Frankrijk laat uitroepen.

1340

Antwerpen telt zo’n 10.000 inwoners.

De Franse koning stuurt een enorme vloot van 200 schepen om de verbindingen tussen Vlaanderen en Engeland te verbreken. In Antwerpen vreest men dat ze vloot de Schelde zal opvaren. Men voert wapens aan en begint aan de bouw van de Visverkoperstoren bij de Vismarkt.

24 juni 1340

De Engelse vloot o.l.v. Edward zelf verslaat met Vlaamse hulp de Franse vloot bij Sluis. Toch is Edward niet in staat de oorlog meteen voort te zetten. Hij stemt in met een wapenstilstand.

De slag bij Sluis.

1341

Het bedrag van de accijnzen die de stad Antwerpen int, is sinds 1225 verdubbeld.

1344

Na een korte inzinking stijgt het bedrag de accijnzen weer.

1345

De Duitse koopman Hendrik Suderman sticht een tehuis voor hulpbehoevende oude vrouwen. De beggaarden en de H. Geestmeesters zullen het samen besturen.

1348

De pest breekt uit. Brabant en Vlaanderen hebben er minder van te lijden dan de meeste andere streken. Maar de ontelbare slachtoffers doen de afzetmarkt voor het Vlaamse en het Brabantse laken veel kleiner worden.

Laken weven.

Omstreeks 1350

De lakenkooplui “delocaliseren” de productie naar Lier, Turnhout, Herentals, Duffel enz., waar de arbeiders niet georganiseerd zijn. Een groot deel van de “nieuwe draperie” wordt wel tijdens de Antwerpse jaarmarkten aan de man gebracht.

De Antwerpse lakenindustrie verliest haar belang, zodat vele ambachtslui zich op termijn toeleggen op het bleken en de afwerking van Engels laken; ook het haringkaken neemt een hoge vlucht. Anderen vervaardigen luxeproducten zoals linnen, lederwaren, vilten hoeden, handschoenen enz.

1352

Begin van de bouw van de nieuwe, gotische Onze-Lieve-Vrouwekerk. Het noordoostelijke deel van Antwerpen wordt definitief ommuurd. De nieuwe muur volgt ongeveer het tracé van de Tabakvest en verderop naar de Kipdorppoort en de Rodepoort.

1355

Dood van hertog Jan III. Johanna, zijn oudste dochter en haar man, Wenceslas van Luxemburg, erven Brabant. Johanna’s zus Margareta, sinds 1347 vrouw van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male, krijgt 120.000 schilden.

1356

Johanna en Wenceslas verlenen hun onderdanen de Blijde Inkomst. Dat charter garandeert de Brabanders inspraak in het bestuur en de financiën van het hertogdom en bevestigt o.m. de rechten van de steden.

Het grootzegel van Johanna en Wenceslas.

Februari 1356

Johanna en Wenceslas doen hun intrede in Antwerpen. Wenceslas vult de schepenen aan met zes raadslieden uit de oudste geslachten van de stad. Stedelijke ambten mogen alleen worden uitgeoefend door poorters die geen schepen zijn.

Juni 1356

Johanna en Wenceslas kunnen het erfdeel van de gravin van Vlaanderen niet uitbetalen. Haar man, Lodewijk van Male, verklaart hen de oorlog en valt Brabant binnen. Wenceslas en staat Mechelen af, maar Lodewijk wil ook Antwerpen.

Augustus 1356

Een Vlaamse vloot o.l.v. Jacob Buuc vaart de Schelde op en bestookt Antwerpen met zwaar geschut. De verdedigers hebben geen kanonnen om het vijandelijke vuur te beantwoorden.

Lodewijk van Male. Prent van Jean-Léon Huenens.

Illustration de Jean-Léon Huens, extraite de ‘Nos Gloires’ – Historia – Héritiers de Jean-Léon Huens & Musée Royal de Mariemont” .

 

Inmiddels trekt Lodewijk zegevierend door Brabant. Jacob Buuc komt in Antwerpen aan land. Hij neemt een aantal poorters gevangen als gijzelaars. De stad erkent de graaf van Vlaanderen als haar heer. Die benoemt een nieuwe schout en amman.

Oktober 1356

Lodewijk van Male vertrekt naar Parijs. Diverse Brabantse steden scharen zich opnieuw achter Wenceslas en Johanna. Ook Antwerpen verjaagt de Vlamingen. Jacob Buuc verschijnt opnieuw op de Schelde. Wenceslas beseft dat hij de oorlog niet kan winnen.

Juni 1357

Vrede van Ath. De gravin van Vlaanderen krijgt Antwerpen in leen.

2 Juli 1357

Intocht van Lodewijk van Male en zijn vrouw Margareta in de Scheldestad.

Juli 1357-januari 1358

Lodewijk van Male stuurt voortdurend soldaten naar Antwerpen.

Johanna van Brabant.

28 februari 1358

Zesenvijftig poorters moeten zich als gijzelaars gevangen geven in het kasteel van Dendermonde.

Maart 1358

Klaes Zwyns en Cool van Zantvoorde onthoofd. Wellicht gaat het om figuren uit de ambachtswereld. Dat ook daar wat roert, blijkt uit het feit dat de onrust in de stad nog niet voorbij is. Lodewijk laat immers nog gijzelaars oppakken. Hij eist alle privileges op die over de stapels handelen.

September 1358

Lodewijk van Male geeft de drie stapels aan Mechelen.

1360

Lodewijk van Male benoemt de Vlaming Wouter van Zeebroek tot schout. Dat is in strijd met de Antwerpse privileges. Van Zeebroek ontpopt zich tot een dwingeland.

Een menigte bestormt het Steen en laat alle gevangenen vrij. De nieuwe schout sneuvelt. Andere “Vlaamsgezinden” verschuilen zich in kerken, maar worden toch in de pan gehakt.

Charter, bekend als de “Blijde Inkomst”.

De Antwerpenaren vrezen de wraak van Lodewijk, maar de graaf reageert gematigd. Het volstaat dat de Antwerpenaars zich publiekelijk aan hem onderwerpen en een hoge boete betalen.

1361

Verzoening tussen Lodewijk en Antwerpen. De graaf erkent het bestaan van de ambachten, maar brengt ze onder controle van het stadsbestuur. Dat komt de Antwerpse elite goed uit.

1360-1380

Brugse kooplui gebruiken de Antwerpse jaarmarkten om contacten te leggen met Hollanders, Engelsen en Zuid-Duitsers die zich zelden tot in Brugge wagen.

De Antwerpse stadsfinanciën verkeren in crisis. De stad betaalt hoge renten op de schulden die ze heeft gemaakt om de oorlogsinspanning van Johanna en Wenceslas te betalen. Omstreeks 1370 willen de burgers daarom van geen lijfrenten meer weten. Lodewijk van Male legt de stad bezuinigingen op.

1379

Lodewijk verleent Antwerpen de toestemming om twaalf jaar lang nieuwe accijnzen te heffen – op voorwaarde dat de stad hem per jaar 2.000 pond betaalt.

1380

Zowat alle Vlaamse steden staan op tegen Lodewijk van Male. Antwerpen blijft hem trouw.

1382

De stadsfinanciën staan er opnieuw goed voor. Antwerpen leent Lodewijk van Male geld.

De graaf verslaat de milities van de Vlaamse steden in Westrozebeke.

De slag bij Westrozebeke.

De Vlaamse opstand maakt een eind aan de handel tussen Vlaanderen en Antwerpen. De jaarmarkten gaan door. De Engelsen profiteren van de ondergang der Vlaamse lakenindustrie om de markt te overspoelen met hun eigen, goedkope laken.

1384

Dood van Lodewijk van Male. Zijn dochter Margareta volgt hem op. Zij is getrouwd met een zoon van de Franse koning, hertog Filips van Bourgondië, bijgenaamd “de stoute”.

Margareta van Male en Filips de Soute. Prent van Jean-Léon Huenens.

Illustration de Jean-Léon Huens, extraite de ‘Nos Gloires’ – Historia – Héritiers de Jean-Léon Huens & Musée Royal de Mariemont” .

 

Vanaf 1385

Antwerpen verkoopt weer op grote schaal lijfrenten.

1374

Aan weerszijden van de Meir – op dat ogenblik nog een waterloop – legt men plavuizen.

1375-1376

Zware stormen en springvloeden die van de ondiepe Honte of Westerschelde een goed bevaarbare waterweg maken.

1386

De leden van de 19 Antwerpse ambachten moeten bij officiële plechtigheden een bepaalde livrei dragen.

De Antwerpse voetboogschutters worden opgesplitst in een gilde van de “oude” voetboog en één van de “jonge” voetboog.

1391

Het hoogkoor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk is overwelfd.

1394

Filips de Stoute.

Filips de Stoute laat de Burcht opnieuw in staat van verdediging brengen. De poorten zijn herbouwd en de Burchtgracht is uitgediept. De Steenpoort gaat opnieuw iedere avond dicht. Dit alles bemoeilijkt de toegang tot de Werf.

1398

Op een “stagie” van wijnvaten, bedekt met planken, op de Grote Markt, voeren “ghesellen” een Legende van Sente Barberen op. Het gaat om stedelingen die tijdens de processie bijbelse taferelen uitbeeldden.

1399

Antwerpen heeft vier stadsklerken. Hun kantoor heet de scryfcamere. Andere ambtenaren zijn de erfscheider, de poortsluiters, stadwachters, spuiknapen en sluismeesters.

Begin van de 15de eeuw

Zowat alle Brugse kooplui bezoeken de Antwerpse jaarmarkten.

De Antwerpse rede strekt zich uit van Holenvliet (thans Koolvliet) tot Sint-Jansvliet – zo’n 800 meter. De meeste schepen die aan de Werf aanleggen, hebben een tonnenmaat van zo’n 150 ton; soms zijn er kolossen van 220 ton bij.

De havenwerkers zijn gegroepeerd in diverse “gezelschappen” met minder status dan de ambachten. Uit deze groepen zelfstandigen groeien veel later de “naties”. Het zijn kraankinders, buideldragers, turfdragers, kordewagenkruiers (kruiwagenvoerders).

De diverse ambachten krijgen van de schepenen elk hun eigen reglement.

1401

De tachtigjarige hertogin-weduwe Johanna maakt bekend dat zij Brabant nalaat aan haar nicht Margareta, de vrouw van Filips de Stoute.

De Bourgondische Nederlanden.

Opvoering van een Spel van Onser Vrouwen op de Grote Markt.

1404

Zware stormen en springvloeden maken de Westerschelde nòg beter bevaarbaar. Schepen bereiken Antwerpen hierlangs sneller dan over de Oosterschelde. In Zeeland zal men meer en betere dijken bouwen, waardoor de stuwkracht van de stroom richting Antwerpen verder toeneemt.

De Antwerpse schuttersgilden nemen in Mechelen deel aan een schuttersprijskamp. Hun delegatie telt 360 leden.

1405

Er zijn in Antwerpen 29 erkende ambachten.

Deken Jan van der Bruggen klaagt over de wanordelijke zang in de O.-L.-Vrouwekerk. Enkele jaren later komt meer geld vrij om geoefende zangers in dienst te nemen.

1406

Dood van Hertogin-weduwe Johanna. Antoon, de tweede zoon van Filips de Stoute, volgt haar op en verklaart dat Antwerpen voortaan weer Brabants is.

Na 1406

Begin van de bouw van een nieuw Schepenhuis waar zich nu het plantsoen bevindt met De buildrager van Constantin Meunier (zuidkant huidig Stadhuis).

Het stadhuis (links) en de lakenhalle (schilderij van Gillis Mostaert, ca. 1560, Antwerpen, KMSK)

1408

Zonder toelating te vragen aan hertog Antoon bevelen de schepenen de bouw van een nieuwe Steenbrug. Zij zullen twee “burgimagistri” of burchtmeesters aanstellen om de sleutels van de Burcht te bewaren.

1415

De Veemarkt geplaveid.

1416

“Vrouwkens van stade”, d.w.z. hoeren, mogen niet meer opereren bij het leeshuis en het klooster van de predikheren. Alleen op de Guldenberg mogen ze hun beroep uitoefenen.

1418

Jan IV verklaart zichzelf meerderjarig en trouwt met zijn nicht Jacoba van

Beieren, erfgename van Holland, Zeeland en Henegouwen.

Jan van Beieren, ook familie van Jacoba, stelt dat alleen een mannelijke verwant – hijzelf – de landen van Jacoba’s vader kan erven. Maar de steden van de drie graafschappen kiezen voor Jacoba.

Brabantse adel en steden komen bijeen in Antwerpen en besluiten daar dat ze Jan en Jacoba ook buiten de grenzen zullen helpen tegen hun oom.

De Brabanders belegeren Dordrecht. Antwerpen staat borg voor de lening die Jan IV heeft afgesloten bij Pieter Pot om de oorlog te financieren. De expeditie mislukt.

Jan IV gooit het tegen zijn vrouw en de steden in op een akkoordje gooit met de vijand en stelt Jan van Beieren aan tot gouverneur van Holland, Zeeland en Henegouwen. De steden en edelen van Brabant benoemen Jans broer, Filips van Sint-Pol, tot ruwaard van Brabant – een feitelijke staatsgreep.

Peter Pot, een koopman uit Dordrecht die fortuin heeft gemaakt in het Midden-Oosten, koopt het goed De Swane aan de Hoogstraat.

1420

Fundering van de noordertoren van de Onze-L.-Vrouwekerk.

1421

Jan IV hervat in Holland de strijd tegen Jan van Beieren. Jacoba vlucht uit Henegouwen naar Engeland, waar ze wil trouwen met de hertog van Gloucester. Ze zegt dat ze daarvoor dispensatie heeft van de paus.

1422

Het Schippersambacht (waartoe ook de scheepstimmerlui behoren) krijgt een eigen reglement.

Het kapittel koopt een huis voor de leden van het koor van de O.-L.-Vrouwekerk. De meerstemmige muziek heeft vanuit Frankrijk haar intrede gedaan.

1425

Filips van Sint-Pol voert het Brabantse leger aan dat Gloucester en Jacoba in Henegouwen beoorloogt. Bemiddeling door Filips de Goede, die zijn vader Jan zonder Vrees is opgevolgd als hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen.

Dubbele groot van Filips van Saint-Pol.

12 april 1427

Dood van Jan IV. Filips van Saint-Pol volgt hem op.

Vanaf 1430

De Zuid-Duitsers komen zelf naar de Antwerpse jaarmarkten en schakelen de Keulse tussenhandel uit. Ze kopen Engelse laken dat door een devaluatie van het pond goedkoop is, en specerijen. Die laatste worden naar de Scheldestad gebracht door Brugse kooplui.

Weldra importeren de Zuid-Duitsers zelf specerijen uit Italië, maar dan over land. Brugge blijft daarbij buiten spel. Dank zij de verbetering van de mijnbouwtechniek in hun streek, beschikken de Zuid-Duitsers over veel zilver en koper.

Omstreeks 1430

Fundering van de zuidertoren van de O.-L.-Vrouwekerk.

4 augustus 1430

Dood van Filips van Saint Pol. Filips de Goede eist als dichtste verwant het hertogdom Brabant op.

10 oktober 1430

Blijde Intrede van Filips de Goede. Zoals zijn voorgangers heerst hij ook over Franse vorstendommen en is verwikkeld in de Frans-Engelse oorlog.

1431

Het koor dat links staat opgesteld in de O.-L.-Vrouwkerk telt 27 zangers; het rechterkoor 21.

1433

In zijn huis De Swane aan de Hoogstraat sticht Peter Pot een klooster.

Wapen van het Sint-Lucasgilde (17de eeuw).

1434-1435

Stichting van het Sint-Lucasgilde dat schilders en beeldhouwers groepeert. De bloei van Antwerpen trekt steeds meer kunstenaars aan. De houtsnijders maken op grote schaal retabels, die door de schilders gepolychromeerd worden.

1437

De Hanzeaten verlaten Brugge en vestigen zich voor een jaar in Antwerpen. De politieke toestand in de Reienstad is nadelig voor hun handel.

1441

Brand verwoest een deel van het predikherenklooster. De paters maken van de wederopbouw gebruik om een “pand” op te richten waar ze tijdens de jaarmarkten winkels verhuren aan zilversmeden.

Omstreeks 1450

Ten noorden van de Holenvliet, de losplaats van vis, graaft men een nieuwe binnenhaven, de Sint-Pietersvliet.

De Sint-Pietersvliet op het einde van de 19de eeuw.

Na 1450

Het stadsbestuur vertrouwt de armenzorg toe aan vier leken, de “aalmoezeniers”, gekozen onder de rijkste burgers.

1453

Oprichting van de rederijkerskamer De Violieren door de gezellen die vanaf het begin van de eeuw bij allerlei gelegenheden toneel spelen.

1455

Het stadsbestuur heft een buitengewone belasting op de tarwe om de bouw van de O.-L.-Vrouwekerk te subsidiëren. Men werkt aan de zijbeuken en aan het schip van de kerk.

Omstreeks 1465

Een lid van De Violieren schrijft het toneelstuk Marieken van Nieumeghen. Daarin is sprake van de herberg Den Boom aan de Grote Markt.

Karel de Stoute.

1465

Filips de Goede draagt de macht over aan zijn zoon Karel de Stoute. Karels eerste vrouw, Isabella van Bourbon, sterft in de Sint-Michielsabdij en wordt er begraven.

1467

Filips de Goede sterft in Brugge. Op 5 september haalt Antwerpen zijn nieuwe hertog in.

De Cluyse aan de Oude Koornmarkt.

1468

De stad geeft de hanzeaten het huis De Cluyse aan de Koornmarkt om er hun kantoor te vestigen.

1474

De Engelse “natie” krijgt een huis in de Bullincstraat (Oude Beurs).

1475

Voorlopig einde van de werken aan de toren van de O.-L.-Vrouwekerk. Afbraak van de Romaanse toren die tot dan toe heeft dienstgedaan als klokkentoren en uitkijkpost.

5 januari 1477

Karel de Stoute sneuvelt voor Nancy.

Graftombe van Karel de Stoute in Dijon.

Na 5 januari 1477

In de Nederlanden ziet de stedelijke middenklasse de kans schoon om tot meer inspraak en minder belastingen te eisen. Ze is bang voor de oorlog en verwijt de raadslieden van de hertogin dat ze zich te soepel opstellen tegen Frankrijk.

16 maart 1477

De ambachten betogen op de Grote Markt.

Maria van Bourgondië.

17 maart 1477

Begin van de “Quaeye Werelt”. Binnenburgemeester Hendrik van de Werve, rentmeesters Willem van Riethoven en Peter van de Voort en vijf schepenen worden opgesloten.

De ambachten stellen een nieuw stadsbestuur aan. De afgezette overheidspersonen worden beschuldigd van corruptie en fraude.

Mariken van Nieumeghen en de duivel Moenen.

Vanaf 9 april 1477

Nog meer vooraanstaanden gevangen. Ambachten en poorters bepalen dat zij het voortaan samen voor het zeggen hebben.

5 mei 1477

De gebroeders Van der Voort op de Grote Markt terechtgesteld.

Mei-juni 1477

De ambachten trekken overal aan het langste eind, maar vrezen de Fransen, die de ene overwinning na de andere behalen. Zo ontstaat een toestand waarin Maria haar blijde intrede kan houden in de Brabantse steden.

Maximiliaan van Oostenrijk.

14 tot 25 juni 1477

Maria in Antwerpen; zij belooft de straffen die de nieuwe machthebbers hebben uitgesproken, te respecteren. Zodra dat op papier staat, stuurt de stad haar schutterij naar het front.

Zomer 1477

Maria’s raadslieden hertogin bereiden haar huwelijk voor met Maximiliaan van Oostenrijk, de zoon van de keizer. De “democratische” stadsbesturen zijn daar niet gelukkig mee.

Anoniem Antwerps meester, “De Zeven Sacramenten en Zeven Werken van Barmhartigheid”, ca. 1490.

Toch sturen die uit Brabant afvaardigingen om de aartshertog in te halen. Vanuit Antwerpen vertrekt de buitenburgemeester met een groep kooplieden naar Aken. Ze begeleiden Maximiliaan tot in Leuven.

19 augustus 1477

Huwelijk van Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk in Gent.

30 november 1477

Commissarissen van de hertogin stellen een nieuw schepencollege aan. Ze nemen geen vertegenwoordigers van de ambachten in op, maar houden toch rekening met de middenklasse.

Model van een karveel (MAS).

14 januari 1478

Plechtige intrede van Maximiliaan en Maria te Antwerpen.

April 1478

Verzoening tussen de verwanten van de slachtoffers van de Quaeye Werelt met de dekens der ambachten en hoofdmannen van de poorterij.

Maart 1479

Maximiliaan heeft geld nodig voor de oorlog en roept de staten van zijn vorstendommen bij elkaar in het Antwerpse predikherenklooster.

1480

De Violieren worden voortaan expliciet als “rederijkerskamer” omschreven. De kamer wordt deel van het Sint-Lucasgilde.

Boek, gedrukt door Mathias van der Goes.

1481

De stad koopt de Burchtgracht en zal aan weerszijden kaaien bouwen ten gerieve van “de koopman”. Toch zijn die in 1500 nog niet af.

Mathias van der Goes brengt het Boexken vander officien ofte dienst der missen op de markt, het eerste boek dat in Antwerpen wordt gedrukt.

Wijding van het hoogaltaar van de O.-L.-Vrouwekerk.

1482

Maria van Bourgondië valt van haar paard en sterft. Maximiliaans erkend als regent in de plaats van zijn zoontje Filips de Schone – op voorwaarde dat hij vrede sluit met Frankrijk.

Graftombe van Maria van Bourgondië in de Onze-Lieve-Vrouwkerk in Brugge.

Opstand van Vlaanderen tegen Maximiliaan. Antwerpen en Mechelen blijven hem trouw.

Jan van Ranst leidt een Antwerpse expeditie tegen een Vlaams legerkamp bij Kallo dat is uitgerust met 60 kanonnen, en verovert dit.

21 juni 1486

Capitulatie van Brugge.

3 juli 1486

Terugkeer van Maximiliaan uit Duitsland, waar hij is gekroond tot Rooms Koning.

5 juli 1486

Capitulatie van Gent.

Zomer 1486

Maximiliaan stelt de Antwerpenaars voor zes jaar vrij van alle tollen in de Nederlanden.

Alle schepenen zijn voortaan weer poorters. Ambachtslui, zegt Maximiliaan, kunnen geen commerciële geschillen beslechten.

1488

Maximiliaan roept de Duitse, Portugese en Italiaanse kooplui uit Brugge naar Antwerpen en verleent hun daar dezelfde privilegies.

Omstreeks 1490

Jan Casyonszone Wenckaert facteur (dichter) van de Violieren. Hij is van zijn vak boekverluchter en schilder.

Meester van het Morrisondrieluik, “Aanbidding der Koningen” met Antwerpen op de achtergrond.

Vele schilders borstelen panelen met religieuze onderwerpen. Eén van hen is Hendrik van Woluwe, alias de Meester van Frankfort, die zichzelf in gezelschap van zijn vrouw afbeeldt als deken van het Sint-Lucasgilde.

Hendrik van Woluwe als deken van het Sint-Lucasgilde met zijn vrouw (Antwerpen, KMSK).

1490

Het aantal schepenen van twaalf op zestien gebracht.

1491

Herman de Waghemakere begint aan de bouw van de Sint-Jacobskerk.

Nieuwe oorlog met Frankrijk. Brugge en Gent weigeren Maximiliaan te helpen. Maximiliaan roept de staten van zijn Nederlandse gewesten, bijeen in Brugge, maar wordt er zelf gevangen genomen. Vlaanderen doet Maximiliaan en de overige gewesten instemmen met een akkoord.

De Sint-Jacobskerk, pas voltooid in de 17de eeuw.

Antwerpen weigert aan de besprekingen deel te nemen. Maximiliaan komt vrij, verbreekt het akkoord en voegt zich bij zijn vader, keizer Frederik, die aan het hoofd van een Duits leger in Leuven aankomt.

18 juni 1491

Antwerpen krijgt van Maximiliaan de aluinstapel. Aluin is van groot belang voor de lakennijverheid.

1492

Einde van de Vlaamse oorlog. Ook Frankrijk sluit weldra vrede met Maximiliaan.

Vijf Antwerpse schepen krijgen het op de Schelde aan de stok met de vloot Filips van Kleef. Deze edelman blijft ook na de vrede tegen Maximiliaan vechten. De Antwerpenaars krijgen hulp van Portugese koopvaarders en kapen de boten van de opstandelingen.

Jacob Obrecht.

De franciscanen beginnen aan de bouw van hun kloosterkerk aan de Mutsaertstraat.

Jacob Obrecht uit Bergen-op-Zoom wordt zangmeester van de O.-L.-Vrouwekerk. Hij ontpopt zich tot één der grootste toondichters van zijn tijd.

1494

Filips de Schone meerderjarig.

Quinten Metsys komt vanuit Leuven naar Antwerpen en wordt vrijmeester van het Sint-Lucasgilde. Vòòr 1497 schildert hij voor de kapel van het ambacht van kuipers en schrijnwerkers een Kruisafneming.

Quinten Metsys.

Oktober 1494

Filips de Schone doet zijn Blijde Intrede in Antwerpen.

1496

De Antwerpse rederijkers organiseren een toneelwedstrijd. 28 kamers uit Brabant, Vlaanderen, Henegouwen, Zeeland en Holland nemen deel.

Johanna van Castilië, de dochter van de “katholieke” koningen Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië, komt naar Antwerpen om te trouwen met Filips de Schone.

Filips de Schone.

Schout Jan van Immerseel laar daarvoor de kapel van zijn woning aan de Lange Nieuwstraat in gereedheid brengen. Uiteindelijk trouwen Johanna en Filips in Lier.

Filips de Schone en de Engelse koning Hendrik VII sluiten de “Magnus intercursus”, een handelsverdrag dat voor Antwerpen vele voordelen inhoudt.

1499

Begin van de bouw van een nieuwe, grotere Sint-Walburgiskerk. De Vierschaar verhuist naar de hoek van de Mattenstraat.

Maquette van de Sint-Walburgiskerk (Antwerpen Miniatuurstad).

1500

Geboorte van prins Karel, de latere keizer Karel V, te Gent.

Jacob Obrecht trekt zich terug als zangmeester van de O.-L.-Vrouwekerk.

Geschiedenis – Kroniek van het Schipperskwartier

Gade weg, gade weg, gade weg:

wij zijn hier, wij zijn hier.

Wij zijn de mannen van het Schipperskwartier.

En zie ze maar eens gaan,

en ze maar een staan,

zoude nu niet zeggen

daar kan geen een ploeg aan.

Liedje van de straatjeugd uit het Schipperskwartier, omstreeks 1900

Kraaiwijk (1000-1300)

De populaire TV-serie Lili en Marleen speelt in een café aan de Koolkaai. Dat is de naam die men in 1885 geeft aan het pleintje dat ontstaat na de overwelving van de Koolvliet. Die vormt al vòòr 1200 het laatste stuk van de watersingel om Antwerpen en fungeert tegelijk als een binnenhaven. Geen wonder dus, dat er scheepsvolk woont: reders-kapiteins die de zee bevaren en hun matrozen, maar ook lieden die hun kost verdienden op de Schelde en haar bijrivieren.

Het Schipperskwartier vandaag – de Vingerlingstraat.

Gehard en roerig volk, welbespraakt en met een bijtend gevoel voor humor, dat zich afzijdig houdt van de handwerkers en de boeren uit de omgeving. De Scheldemonding heeft voor de schippers geen geheimen. In de 12de en de 13de eeuw steken ze al het Kanaal over, tot in Engeland.

De buurtschap waar deze mensen wonen, krijgt de naam Kraaiwijk. Wat die naam precies betekent, weten we vandaag niet meer. Maar “wijk” wijst in ieder geval op een haventje, een plek waar handel wordt gedreven. Vandaag resten ons nog de straatnamen Grote en Kleine Kraaiwijk.

Aan de overkant van de Koolvliet, van aan de Schelde tot aan de weg naar het noorden (Lange Koepoortstraat, Klapdorp, Paardenmarkt) vinden we een drassig weidegebied, de Dries. Hier laten de Antwerpenaars hun vee grazen. Dat doen ook de bewoners van het gehucht Klapdorp. Het ligt aan weerszijden van de weg waaraan het op de duur zijn naam geeft.

De cast van “Lilly en Marleen”.

Tot in 1249 verandert het uitzicht van de buurtschap weinig. Maar dan krijgen de predikheren of dominicanen van kanunnik Hugo Nose (Nosestraat) een

stuk van de Dries om er een klooster te bouwen. Weldra beslaat dat zowat het hele gebied tussen de huidige Dries, Keistraat en Zwartzusterstraat. Bij de Tweede Stadsuitbreiding zal Antwerpen het klooster en een stuk van het oude weidegebied inlijven.

De Sint-Pietersvliet wordt de noordgrens van de stad. Wallen of poorten zijn er niet. Alleen grachten houden de vijand (of veedieven) buiten dit deel van de stad.

Falco en zijn plein (1350)

De Italianen zijn al vroeg bekwame geldwisselaars en bankiers. In de eerste helft van de 14de eeuw slaat Falco de Lampage uit Florence munt in opdracht van hertog Jan III van Brabant. Falco is een rijk man. Van zijn werkgever koopt hij een stuk van de Dries ten noordwesten van Klapdorp. Hij maakt het droog en sticht er op zijn beurt een klooster.

De nonnetjes die er wonen, noemt men naar Falco de falcontinnen en de open plaats voor het klooster heet Falconplein. Lang duurt de falcontinnen alle ruimte tussen Falconplein, Falconrui, Oudeleeuwenrui en Generaal Belliardstraat in handen hebben. Ze beschikken over een kerk en een gastenverblijf en bouwen zelfs huizen die ze verhuren aan particulieren.

Het Falconplein vandaag.

Het gaat Antwerpen voor de wind. Stilaan groeit het uit tot de voornaamste handelsplaats van Brabant. Ook de schippers boeren goed. Ze zwermen uit over de nieuwe buurtschap ten noorden van Kraaiwijk. Aan de Sint-Pietersvliet vestigen zich scheepsbouwers.

Waar nu de Sint-Paulusplaats is, vindt twee keer per jaar de huidenmarkt plaats. Ze duurt twee of drie dagen en men verkoopt er huiden en leder uit de Nederlanden en van daar buiten.

Het Vingerlinc en het ontstaan van het Schipperskwartier (1400-1548)

Bij de Vierde Stadsuitbreiding (14de- begin 15de eeuw) schuift de noordgrens van Antwerpen weer eens op – ditkeer tot aan de Brouwersvliet. Daarover komen twee bruggen die naar heuse stadspoorten leiden.

De vierde stadsuitbreiding (naar Prims).

In de “hoek” tussen de Sint-Pietersvliet en de Brouwersvliet komt omstreeks 1410 een heuse versterking. Zij krijgt de naam Het Vingerlinc – vandaar de naam van de Vingerlingstraat. Bij de bouw van het Vingerlinc ontstaat de Schippersstraat. Eerst heet ze Bredestraat of Klappeistraat. Pas in 1856 krijgt ze haar huidige naam, om verwarring met de Klappeistraat bij de Sint-Willibrorduskerk te vermijden.

De hebben geleerd dat ze er voordeel bij hebben hun gemeenschappelijke belangen samen te verdedigen. Omdat hun activiteit zo belangrijk is voor het economisch leven, legt het stadsbestuur hen allerlei reglementen op. In 1421 verenigen de schippers zich dan ook officieel in een ambacht. Zo’n een organisatie houdt het midden tussen een vakbond en middenstandsvereniging.

Het schippersambacht groeit uit tot een rijke en machtige organisatie. Ze drukt mee haar stempel op de Antwerpse politiek. Bij de huidige Korte en Lange Schipperskapelstraat bouwt het ambacht ca. 1406 een godshuis voor bejaarde schippers. In 1443 krijgt dat een (nieuwe) kapel die de beide straten hun naam geeft.

“Les Demi-Grues” door Carel De Poorter.

In 1477 spelen de schippers een voorname rol in de opstand tegen de jonge hertogin Maria van Bourgondië. Deze kleine revolutie gaat de geschiedenis in als de Quaeye Werelt. Eén van de grootste oproerkraaiers is Peter Biggen, die in de volksmond de heer van Kraaiwijk heet.

Een paar jaar later, in 1480, breekt de stad het Vingerlinc af. In de buurt worden straten geopend: de Vingerlingstraat (die in het begin ook de Oudemansstraat omvat) en de Broekstraat. Die laatste gaat later de Blauwbroekstraat heten, naar een verwerij. Aan de noordkant van de Blauwbroekstraat bevinden zich verscheidene gangen met kleine huisjes. De Oudemansstraat ontleent haar naam aan een godshuis voor oude mannen dat omstreeks 1470 is gesticht.

Zo groeit het Schipperskwartier uit tot een levendige, drukke wijk met woon- en werkhuizen, kroegen en opslagplaatsen, kloosters en kapellen. Het deelt het lief en leed van Antwerpen.

Gilbert van Schoonbeke en daarna (16de-18de eeuw)

Iets voor het midden van de 16de eeuw bouwt Antwerpen nieuwe stadsmuren, de zg. “Spaanse” wallen. Een groot gebied ten noorden van de Brouwersvliet wordt ingelijfd bij de stad. In 1548 sluit bouwpromotor Gilbert van Schoonbeke een contract met de schepenen. Hij zal de Nieuwstad, zoals het daar is gaan heten, verkavelen, er straten trekken en twee nieuwe vlieten graven.

Gilbert van Schoonbeke.

Net zoals de Brouwersvliet staan de Middenvliet en de Timmervliet in verbinding met de Schelde. De Middenvliet kan schepen tot 200 ton ontvangen, de andere twee schepen tot 80 ton. Nabij zijn vlieten trekt Van Schoonbeke straten en bouwt hij huizen. De werken duren tot in 1552. Twaalf jaar later legt men in de Nieuwstad de eerste steen van het Hansa- of Oosters Huis. Dat fungeert als hotel en opslagplaats voor de kooplieden uit de steden van de Duitse Hanze.

Om de waren op te slaan die met platte wagens uit andere plaatsen in Duitsland naar Antwerpen komen, begint men nog datzelfde jaar aan het Hessenhuis.

Het eigenlijke Schipperskwartier is niet langer de noordelijkste buurt van Antwerpen.

Jozef II, de “keizer-koster”.

De Oostenrijkse keizer Jozef II schaft op het einde van de 18de eeuw de “nutteloze” kloosterorden af. Zo ook de falcontinnen. Zij verlaten hun klooster in 1784. De Fransen gebruiken de gebouwen nadien als militair hospitaal. Omstreeks 1810 maakt het klooster plaats voor een kazerne, die blijft staan tot vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

Alleen de Falconpoort, die toegang verleende tot het klooster, overleeft. Er komt in de 19de eeuw een gang met twintig huisjes achter. Die verdwijnen pas wanneer men 1955 op het terrein van de Falconkazerne het Internationaal Zeemanshuis bouwt.

Napoleons dokken en de Kapel onder de Sint-Paulusplaats

In 1803 besluit de Franse keizer Napoleon om van Antwerpen een militaire haven te maken. Hij beveelt de aanleg van getijdenvrije dokken. Daarvoor maakt men gebruik van de vlieten van Gilbert van Schoonbeke. In 1807 gaan de graafwerken aan het Petit Bassin of Bonapartedok van start. Zes jaar later volgt het Grand Bassin, later Willemdok genoemd omdat de koning der Nederlanden het overdraagt aan de stad Antwerpen.

Napoleon door Ingres.

Anno 1855 overwelft men de Sint-Pietersvliet. Dwars over de gronden van het oude dominicanenklooster trekt men de Sint-Paulusstraat. Aan weerszijden komen voorname burgershuizen.

In één van die huizen wordt in de Franstalige dichter Max Elskamp geboren. Hij verhuist naar de Belgiëlei, maar vereeuwigt “zijn” straat in het gedicht La Chanson de la rue Saint Paul (Het Lied van de Sint-Paulusstraat).

Men legt ook de Sint-Paulusplaats aan. Die krijgt op termijn haar eigen politiebureau. En vlakbij verrijst verrijst het Tolhuis.

De ruien.

Onder de Sint-Paulusplaats vinden we de zg. Kapel, een onderdeel van Antwerpens legendarische ruien. De kapel heeft een oppervlakte van bijna 250 vierkante meter. Ze bestaat uit twee beuken van zo’n vijf meter breed en vier meter hoog, die door twee machtige zuilen van elkaar worden gescheiden.

De Kapel vormt de verbinding van de Minderbroedersrui met de Koolvliet en de Sint-Pietersvliet. De legende wil dat een dertigtal Engelse ingenieurs met hun echtgenote hier in 1890 op bootjes een banket hielden. Eten en champagne zouden daarbij via mangaten van op straat zijn neergelaten.

De leerjaren van een kapitein (ca. 1860)

Omstreeks deze tijd schrijft Domien Sleeckx (1818-1901) de roman In ’t Schipperskwartier (1861). In dit populaire boek, dat tot halverwege de 20ste eeuw geregeld herdrukt wordt, vertelt Sleeckx het leven van de straatjongen Jan Savoir uit het Schipperskwartier. Dankzij zijn grote verstand en doorzettingsvermogen brengt hij het tot scheepskapitein en trouwt met Rozeke, de dochter uit een florissante kaaswinkel aan de Keistraat.

Sleeckx blijft niet blind voor de armoede en de ellende in de gangen en op de zolderkamers van de wijk, maar zijn Schipperskwartier is toch burgerlijker en vooral “braver” dan het echt moet zijn geweest.

De Sint-Pauluskerk.

“Waar ik geboren werd, en wie eigenlijk mijn ouders waren,” vertelt Jan Savoir, “zou ik, om de waarheid te zeggen, niet met juistheid kunnen opgeven. Zooveel is zeker, dat ik een jongen ben van het zoogenaamde Schipperskwartier, dat is, van de wijk, nabij de haven en de dokken gelegen, waar sinds eeuwen dat gedeelte der Antwerpsche bevolking huist, dat in de scheepvaart zijn bestaan vindt. Zoover mij heugt, heb ik nooit andere bloedverwanten gehad, dan een oud vrouwtje, dat ik moeitje noemde, en dat, op de Citernebrug, rechtover de Oude-Leeuwenrui, met een kraampje kersen en krieken, appel en peren zat, of met andere lekkernij, al naar ’t seizoen het meebracht.”

“Wij woonden op een zoldertje, in een gang der Oudemanstraat, waar het ’s zomers zeer heet en ’s winters fel koud was. Eten kreeg ik in nogal tamelijke maat, want moeitje had veel vertier, en genoot zekere befaamdheid bij de snoepzieke jeugd van het Schipperskwartier, zoowel voor haar caramellen en babbelaren, als voor haar smoutebollen, die zij, volgens het oordeel zelfs van meer bejaarde personen, zeer smakelijk wist te bakken, en zonder dat zij noodig had Spaansche zeep te gebruiken, om het beslag te doen rijzen.”

Domien Sleeckx.

Sleeckx heeft het verder over de “veldtochten” die de jeugd van het Schipperskwartier in andere wijken onderneemt: “’t Gebeurde in dien tijd meermalen, dat de jongens van het Schipperskwartier, niet tevreden met onder elkaar te vechten en te borstelen, noodig oordeelden, waarschijnlijk om zich beter in den krijg te oefenen, een grooten, algemeenen veldtocht te ondernemen tegen de knapen van een andere wijk der stad, ik zal maar eens zeggen tegen die van het St. Jacobskwartier (…). Onder het zingen van

“Wij zijn hier, wij zijn hier,

jongens van het Schipperskwartier”

en andere krijgszuchtige liederen, togen dan een paar honderd of meer snaken van onzen kant tegen den vijand uit, werden slaags met dezen, na de onvermijdelijke voorloopige schermutselingen, klopten of werden geklopt, zoodanig, dat er soms zwaar gewonden op het slagveld achterbleven.”

De beschrijving van het huis van Jan Savoirs toekomstige schoonvader leert ons hoe het er uitzag bij de kleine burgerij, niet alleen in het Schipperskwartier, maar in heel Anterpen:

“Overal heerschte een smaak en een pracht, waaraan ik natuurlijk niet gewend was. Zij (de kamer) bevatte vooreerst een kostelijke commode van mahoniehout, waarop een porceleinen servies stond met gouden bloemen. Voor den schoorsteen hing een grooten spiegel, waarin men zich bijkans van het hoofd tot de voeten kon zien, en verder aan de muren schilderijtjes met de historie van Genoveva in print, met vergulde lijsten.”

Huis aan de Sint-Paulusstraat.

“In het midden van de kamer bevond zich een groote ovale tafel, met een rood zwartgebloemd kleed, en de vensters waren behangen met rolgordijnen van wit percal met franjes. Op een hoekkastje prijkten een paar kinkhoren, van de schoonste die ik nog had te zien gekregen, en van de zoldering daalde boven de tafel een nette kleine driemast, voorzien van al zijn takelage en staande want, met volle zeilen. Het was verrukkelijk, zonder te rekenen dat de stoelen en verdere meubels, zorgvuldig geboend, blonken als zoovele zonnen, en dat het gansche vertrek door een zindelijkheid en een rijkdom schitterden, die mij met eerbied vervulden voor de gelukkige bezitters van al die kostbaarheden.”

Verhuizen naar het Schipperskwartier (1885)

De rechttrekking van de Scheldekaaien in 1880-1885 veegt een groot deel van het oudste Antwerpen van de kaart. Duizenden mensen moeten verhuizen. Van Burchtplein en Mattenstraat, Steenstraat en Palingbrug, Visberg en Burchtgracht gaat het naar het meer noordelijk gelegen Schipperskwartier.

Het zijn niet alleen zeelui en arbeiders die verhuizen. Ook een groot deel van de Antwerpse prostituées volgt hen. Zo krijgt een aantal straten in het Schipperskwartier weldra het karakter van rosse buurt.

Jan Denucé.

Tot de vele “landverhuizers” van die dagen behoort de familie van de latere stadsarchivaris Jan Denucé. Eind jaren 1920 schrijft hij zijn herinneringen neer aan het Schipperskwartier anno 1890:

“Het eigenlijke Schipperskwartier, van de (…) sint-Paulusplaats tot aan de Falconplein, kende toen zijn bloeiendste dagen, denk ik. Het was een zuiverder zeeliedencentrum dan de Jordaanskaai; er waren geen groote kantoren noch magazijnen. In de hoofdstraat, Oude-Man, Vingerling- en Schippersstraten waren bijna zonder uitzondering huizen met verlokkende Engelsche en Scandinaafsche uithangborden, veel logementen of ‘slaapsteeën’ waar het zeevolk zoo niet geplunderd dan toch van zijn meeste geld heel snel verlicht werd, vóór het tot standkomen van de officieele zeemanshuizen. Even gemengde bevolking als aan de Werf, maar de Engelschen niet meer zo domineerend; veel Zweden, Denen en Noren, meer en meer Duitschers, Russo-Finnen, Indiërs, minder graag geziene Italianen, weinig Franschen.”

Aan de Schelde…

“Een atmosfeer van Beiersche en Engelsche bieren was niet van de straat; ’s avonds (…) groepen twistzieke dronken matrozen, gillende meiden, gevechten waarin toch steeds de een of andere Antwerpsche vechtbaas, in allerijl geroepen, de nationale eer moest redden. Voor de jeugd was het een erbarmelijk midden; op straat gejaagd omdat de meeste huizen tuin noch binnenplaats hadden, speelden grooten en kleine op het Boelvarke (Oude Leeuwenrui), deden aan grof atletensport met gewichten, krachtmetingen aan natiewagens, ondernamen rooftochten (…), trokken op expeditie naar St-Anneken of naar het Noordkasteel, om fakkels te plukken – en om te gaan zwemmen. (…) Zoo leefde (…) men (…) in het Schipperskwartier, van de rest van de stad afgescheiden en ontkend – behalve de Vastenavonddagen, wanneer een deel van het

De Sint-Paulusplaats.

Antwerpen het Schipperskwartier kwam ontdekken, tuk op exotisme. Toen was het in de smalle straten een gedrang, een waanzinnig gejoel van verkleede groepen, van de gemeenste voddejoën en brooiken-bijt tot de gepruikte markiezinnetjes. De dwaze tocht begon aan de Van Schoonbeke- en Falconpleinen, trok door de Schippersstraat, waar natuurlijk de schitterendste danszaal van de stad, ‘Lucifer’, later ‘Zwarte Kat’ bezocht werd. Dan ging het gewoel door de Vingerling- en Mannekensstraten of Verwersrui, waar bij talrijke ‘Norske Mamas’ even in- en uitgeloopen werd, tot aan de Kalkbrug.”

Vechtersbazen van de Dries (ca. 1900)

Een ander talentrijk kind van het Schipperskwartier is de dichter Armand Willem Grauls (1889-1968). Hij groeit op aan de Dries en zet daarover dertig jaar later zijn herinneringen op papier.

“Inderdaad,” schrijft Grauls, “de mannen van den Dries (…) kónden vechten. In de week waren het gewoonlijk de kolendragers, die den slag aangingen. Er waren in de straat twee naties, de Koolnatie en de Rijnnatie. Van ’s morgens zes uren kwamen de arbeidslustigen naar werk uitzien. In afwachting dat de sjouwersbaas hen kwam uitpikken, stelden zij zich langs de muren der huizen, zaten zij in groepjes gehurkt tegen de deuren, riepen een galant kompliment naar de voorbijkomende zakkennaaisters, sakkerden en vloekten al de engelen uit de hemel (…), trokken uit verveling een kaartspel of liepen in en uit ‘Den gevonden Heiligen’ herberg-afspanning, waar de genever geschonken werd in groote kappers met weinig water en bijna geen peper tegen zeer matigen prijs.”

“Het gebeurde zeer dikwijls dat reeds tegen acht uren het kantje in rep en roer stond om twee boksende kolenlossers te zien beslechten wie het meeste recht had om het eerst aangeworven te worden bij de kolenvoorziening van de aankomende Congoboot. In de venster verschenen ongewasschen vrouwen, trossen kinderen met slechts hun hemdeken aan, werklooze of werkschuwe venten, die met kennis van zaken den strijd volgden en tegelijkertijd toeschouwer en scheidsrechter waren.”

Het is met minder nostalgie dat Grauls terugdenkt “aan de muffe gangetjes en de volgepropte woonhuizen, waar gezinnen met twaalf kinderen geen uitzondering waren, waar de huisvrouwen drie, vier dagen rink-aan-een aan de waschtob stonden, en als hoogste en eenigste weelde met Carnaval en Halfvasten er evenveel dagen en nachten op loszwierden.”

De auteur beschrijft “typen als Den Scheele, een metserdiender, die elken Zaterdag op de lappen ging en eerst ’s Maandags nachts terugkeerde om zijn kamerdeur in te stampen en zijn wijf af te troeven; en Rik de Rat, die zich uitgaf als buildrager, maar nooit werkte, den heelen dag in de kroeg zat en u van alles en nog wat kon aan de hand doen tegen een civiel prijsken”. Voorts herinnert Mie de Rets, een klein moedig huismoederken, met negen kinderen, dat zich letterlijk doodwroette om haar kroost uit de armoede te houden en toch vooral deftig groot te krijgen. Haar oudste jongen geraakte in ’t prison en een van haar dochters belandde als ontuchtvrouw in een bordeel der Spuistraat…”

De Sint-Pietersvliet.

En Grauls besluit: “De ruwe, armoedige doch zoo levensblijde bevolking van havenwerkers en straatjesvolk, de zonnekloppers, de rabauwen, de nachtridders, het rumoerig bedrijf der naties (…), de winkelier- en herbergierkens met hun zeden en gewoonten van Deezekens tijd zijn niet meer te vinden in de thans gemoderniseerde, kleinburgerlijke straat.”

De smaak van opium (1933)

In 1931 publiceert de journalist Carel De Poorter in het Franstalige, liberale dagblad Le Matin een reeks reportages over de onderwereld in het Schipperskwartier. Hij beschrijft expedities die hij zelf in de buurt heeft ondernomen. Twee jaar later verschijnt een ongecensureerde versie van de artikelenreeks in een boek over de prostitutie in de Scheldestad.

Met Ouala, een zwarte ex-bokser en gigolo, bezoekt de reporter een kelder waar Afrikanen hennep komen roken. De Egyptische drugshandelaar Ghyssa neemt De Poorter mee naar een Chinees restaurant aan de Verversrui (waar er toen vele waren) en clandestiene goktent boven, waar Chinezen spelen voor grof geld.

Via een deurtje binnen naast een café komen de twee in een donkere gang. Aan het eind gaan ze een trap op en bereiken een tweede deur. Die geeft toegang tot een elegant gemeubeld appartement. Een Chinees brengt de gasten door een deur achter een gordijn naar een zolder, ingericht in “oosterse stijl”.

Er brandt een kacheltje. Op een tafel staat een elektrische lamp met een rode lampenkap, versierd met paradijsvogels. Twee Chinezen en een blanke matroos liggen op sofa’s, onderhevig aan een opiumroes.

“Ghyssa strekte zich uit op een smalle sofa en schikte de kussens onder zijn hoofd. Ik deed hetzelfde. De Chinees zette een tafeltje bij ons (…). Hij haalde twee pijpen tevoorschijn. Ze hadden een lange steel en een kop, maar half zo groot als een vingerhoed. Met een lange naald viste hij uit een pot op een driepoot twee bruine bolletjes. Hij hield ze bij de vlam van een alcohollamp naast de pot. Vervolgens stopte hij de knisperende bolletjes in de pijpenkopjes en gaf ons elk ons rookinstrument. Ghyssa sloot zijn ogen en bracht de steel naar de mond. Ik volgde zijn voorbeeld.”

Opium…

De rook bezorgt De Poorter een geweldige hoestbui en hij is allesbehalve opgetogen over de vieze smaak van de opium die geen enkel onmiddellijk effect sorteert. De misselijke reporter en zijn Egyptische vriend verlaten de opiumkit.

Een groot café in een straat bij het Falconplein fungeert meer als plaats waar louche deals worden gesloten, dan als drankgelegenheid. De Poorter en Ghyssa ontmoeten er de Duitse cocaïnedealer Fred. Die laatste betrekt zijn waar in Brussel en brengt ze van daar naar Antwerpen, verstopt in de koplampen van zijn auto. Maar een cocaïne waagt De Poorter zich niet.

Naar de hoeren

In een volgend hoofdstuk bezoekt de journalist één van de logementhuizen aan de Schippersstraat. Daar worden zeelui systematisch uitschud en dronken gevoerd, zodat ze minstens één nacht moeten blijven. Terwijl ze hun roes uitslapen, doorzoekt men hun zakken om de naam van hun schip te vinden. Iemand van het logement gaat dan naar de kapitein om bij wijze van voorschot op het loon van de matroos (!) het geld te innen dat hij verschuldigd is voor zijn logies en verbruik…

(foto Het Laatste Nieuws).

Geen wonder dat het logement waar De Poorter neerstrijkt, ook als bordeel fungeert. De uitbaatster heeft een nichtje van zeventien, dat voor driehonderd frank naar boven gaat met ietwat kapitaalkrachtiger klanten. De journalist gaat naar bed met het meisje. Overnachten doet hij in een andere kamer. Hij wordt er opgeschrikt door een Engelsman die zijn bed moet delen en die onbeschaamd op de vloer watert.

In een volgend hoofdstuk vermeldt de journalist terloops de oude, tandenloze (!) hoeren die in de buurt van Steen en Vleeshuis hun klanten oraal bevredigen.

Hij heeft het uiteraard ook over de raamprostitutie. “In de havenbuurt vindt men zowat overal vrouwen die achter een raam op klanten zitten te wachten,” noteert hij. “Ze bewonen een kamer op het gelijkvloers. ’s Avonds steken ze het licht aan, schuiven het gordijn open en stallen zichzelf uit achter hem venster. Bij mooi weer doen ze dat zelfs open, opdat niemand hen over het hoofd zou zien.”

“Vooral aan de Burchtgracht tiert deze soort prostitutie welig. Achter alle ramen aan deze straat zitten vrouwen; de woningen zien er overal min of meer hetzelfde uit. Achterin staat een tweepersoonsbed waarvan de witte gestikte deken uitnodigend is teruggeslagen. In het midden staat een kacheltje met daarop een pot warm water. Voorts ziet men een tafel, twee of drie stoelen en een min of meer aantrekkelijk meisje, wachtend op een logé voor één uur. Ik ken zo’n meisje, dat in haar eentje de economische crisis heeft opgelost: ze is erin gelukt al haar leveranciers, tot zelfs haar huisbaas, in natura te betalen.”

De Burchtgracht, richting Vleeshuis.

Het volk van het Schipperskwartier interesseert Carel De Poorter slechts matig. Toch biedt hij ons even een kijk op het amusement van de buurtbewoners. Dat doet hij in een passage over de “N…-Palace”, een danszaal aan de Schippersstraat, “onbegrijpelijkerwijze getooid met de pompeuze naam van ‘paleis’.”

“Een man met een pet en een wijde trui ontvangt er u aan de deur. Zo beleefd mogelijk, dat wil zeggen zonder u te beledigen, brengt hij u naar een soort kassa, waar u twee frank entree betaalt. De danszaal bereikt men langs een dubbele. Het is een grote, vierhoekige zaal, badend in schel licht en een doordringende stank van mensen. Aan weerszijden loopt een strook van drie meter breed over de hele lengte van de zaal. Hier staan tafels en stoelen; langs de wand zijn banken gemonteerd. Naast de ingang, in een grote nis, staat een verbazend grote tapkast. Vijf of zes mensen zijn erachter in de weer. Dat moet ook, want de clientèle van het paleis houdt evenveel van drinken als van dans, misschien zelfs meer.”

“Tegenover de ingang neemt een enorm wit orchestrion de hele muur in beslag. Het is formidabel groot, gedecoreerd met vergulde cupido’s en met Venussen die zich schijnen af te vragen hoe ze daar terecht zijn gekomen. Er zijn ook nog engelen, wier trompetten een Laatste Oordeel aankondigen waarvan de aanwezigen volstrekt niet wakker liggen.

(foto Gazet van Antwerpen).

“Links achteraan is een podium. Daar zit een jazzkwartet: piano, sax, banjo en drums. De muzikanten, zelfs de dikke banjospeelster, dragen een pet en een trui. Live ensemble en orchestrion wisselen elkaar af. (…)”.

“De clientèle van het havenpaleis is niet afkerig van plezier. Ze bestaat uit aangeschoten matrozen en arbeiders uit de buurt met hun vrouw of vriendin. Jongelui met slechte bedoelingen zitten zonder ophouden achter de meisjes aan. Hun gebaren maken overduidelijk wat ze denken. Het vrouwelijk schoon maakt zich daar overigens niet druk over – integendeel zelfs.”

Een dichter in het Schipperskwartier (ca. 1960)

Van het Schipperskwartier tussen 1957 en 1960 krijgen we een idee dankzij de roman Een hondsdolle tijd (1978) van de vooral als dichter bekende Paul Snoek (Edmond Schietekat, 1933-1981). Hij beschrijft hoe hij van de bushalte bij de kerk voor Noorse zeelui aan de Imalsotunnel door de buurt:

Paul Snoek.

“Om kwart voor acht stopte de bus aan de Norske Sjomanskirke en mijn (…) dasje in een mooie knoop strikkend liep ik de Grote Tunnelplaats over richting Falconplein en wandelde naar Blacky’s bar (…), want alles moest nog beginnen.”

“Het was een prachtige septemberavond. Voor hun huizen op het trottoir zaten dokwerkers en schippers in gestreepte onderhemden van pluizig flanel, tot halverwege de borst trokken brede zware bretellen hun broeken op, zodat hun dikke bierbuiken uitpuilden tussen de gespreide benen. Tot aan de ellebogen waren hun armen gebruind, maar de bovenarmen waren wit en dikwijls versierd met een door onderhuids vet vervormde tatouage uit betere dagen.”

“De dokwerkers droegen kaki petjes van katoenen stof afkomstig uit een Amerikaanse legerstock, de schippers donkerblauwe zeemanskepis. Tussen hun lippen stak een uitgedoofde peuk van een zelfgerolde sigaret en als ze hun mond opendeden om iets te zeggen of om te geeuwen, bleef de peuk aan hun onderlip hangen. Vrouwen leunden tegen de lijst in het deurgat en droegen strak spannende, zwarte satijnen jurken, waaronder men de baleinen van zware korsetten zag uitpuilen. Hun hoofden zaten vol krulspelden, de armen hielden ze boven de zware borsten gekruist en een netwerk van gezwollen donkerblauwe spataders stak fel af tegen de witte, misvormde kuiten. Hier en daar stond een jonge kerel zijn nieuwe scooter op te poetsen onder het bekijks van kinderen in pyjama.”

De Noorse zeemanskerk.

“De geur van opdrogend zeepsop kon de stank uit de riolen niet verdrijven en de muziek die uit de deuren klonk was bijna in elk huis dezelfde en niemand scheen ze te horen.”

“De cafés liepen vol met jonge kerels en hun haar blonk van de brillantine, meisjes, die nog maar pas voor goed de schoolbanken hadden verlaten, stonden in groepjes van drie onvast op hun veel te hoge hakken in hun pettycoats te draaien op het trottoir voor de ingang van de dancings. De zeelui waren nog niet bedronken en drentelden door de smalle straten voorbij de vitrines waarachter oude hoeren zich zaten te schminken of vlug nog een stukje aan het breien waren in het laatste avondlicht dat hun smalle hokje binnensijpelde.”

Bronnen:

FRANCK, L. (ED.). Weerspiegeld Antwerpen. Hoe ’t vroeger was: onze schrijvers over hun stad. Antwerpen, De Sikkel, 1929.

LAMPO, J. Tussen Kaai en Schip, Leuven, Davidsfonds, 2002.

LAMPO, J. Vermaerde Coopstadt. Antwerpen in de Middeleeuwen. Leuven, Davidsfonds, 2000.

LAMPO, J. Zwarte gids voor Antwerpen, Antwerpen, De Dageraad, 1989.

POORTER, Carel de, Les Demi-Grues. La Vie nocture à Anvers. Dans les bas-fonds du port. Reportage vécu. Anvers, Delko, s.d. (1933).

PRIMS, F., Geschiedenis van Antwerpen. Nieuwe uitgave van de oorspronkelijke tekst van 1927-1948, deel IV, Brussel, 1980.

SLEECKX, D. In ’t Schipperskwartier, Brussel, Steenlandt, 1943.

SNOEK, P., Een hondsdolle tijd, Antwerpen; Amsterdam, Manteau, 1978.

THIJS, A. Historiek der Straten en openbare Plaatsen van Antwerpen, anastatische herdruk, Antwerpen, De Vries-Brouwers, 1973.

VANDE WEGHE, R., Geschiedenis der Antwerpse Straatnamen, Antwerpen, Mercurius, 1977.

Literatuur – André De Weerdt, Antwerps volksdichter (1828-1893)

André De Weerdt.

De Weerdts gedichten staan op zichzelf, in die zin dat men ze ook gewoon kan lezen – ze verschijnen zonder muziek inkranten en weekbladen en worden zelfs zo gebundeld (10 deeltjes). Toch zijn ze (vooral) bedoeld om te zingen. De Weerdt schrijft teksten op bestaande melodieën; andere worden door onder meer Alfons Janssens (1836-1915) van eenoriginele partituur voorzien.

Zijn enorme productiviteit ten spijt, komt Dré De Weerdt niet voor in de literatuurgeschiedenis. Daarvoor is zijn werk te volks en te zeer aan de actualiteit gebonden. Dit belet echter niet dat de protestzanger – politiek is één van zijn passies – meesterlijk overweg kan methet Antwerps van zijn tijd, en met rijm en ritme.

De dichter wordt op 6 december 1828 geboren in de slecht befaamde Lepelstraat, vlakbij de Citadel. Daar zijn sinds de 17deeeuw talrijke van bordelen (cfr. Trijntje Cornelis van Constantijn Huygens). In het Ancien Régime verzorgen nonnen er zieken en vestigt men er een ziekenhuis en een begraafplaats voor protestanten. Als we Edward Poffé’s kroniek Vader Vertelt mogen geloven, wonen in de Lepelstraat in het begin van de 19de eeuw veel joden. Dat zij letterlijk aan de rand van de stad zijn neergestreken, heeft uiteraard alles met discriminatie te maken.

Vader De Weerdt is zeilmaker. Dré’s ouders vrouwen pas wanneer hij drie is. Van zijn achtste tot zijn dertiende bezoekt de toekomstige dichter een stadsschool. Na de dood van zijn vader in 1840 gaat hij aan de slag, eerst in de zeilmakerij, vervolgens als leidekker.

Op zijn zestiende monstert De Weerdt aan als matroos op het douaneschip dat in de Antwerpse haven kruist. Hij leert Frans, de taal waarin hij naar eigen zeggen zijn eerste liedtekst zal schrijven. Onder invloed van “Van Ryswyck Theodoor / de kloeke Vlaming en Sinjoor” publiceert De Weerdt vanaf 1849 echter alleen nog in het Nederlands.

Het Willemdok.

Zijn Vlaamse “debuut” draagt de titel Californie en illustreert de grote weerklank van de eerste goudvondst (1848) aldaar. De dichter refereert tegelijk aan de ellende in Vlaanderen, waar een schrijnende economische crisis heerst. De vlasindrustrie legt het af tegen de buitenlandse concurrentie. Vooral in 1846-47 heerst hongersnood, mede door de aardappelziekte. Een en ander resulteert in de emigratie van nogal wat Vlamingen naar het verre “Goudland”.

In tegenstelling tot Conscience, wiens populaire roman Het Goudland (1862) juist rechtstreeks en expliciet tégen de emigratie pleit, raadt De Weerdt de Vlaming zogezegd wél aan om naar Californië te gaan. Hij doet dat echter op ironische wijze, om zijn anklacht tegen materiële en culturele ellende in het eigen land te versterken.

De dichter is eerst liberaal, maar neigt in de loop der jaren steeds meer naar wat hij zelf de “jap” (Antwerpse term voor de katholieken) noemt. Tenslotte sympathiseert hij met de antimilitaristische, Vlaamsgezinde Meetingpartij. Flamingant blijft hij voor het leven. Franskiljonisme en het franskiljonse stadsbestuur zijn bijgevolg zijn bêtes noires en leveren hem het onderwerp voor tientallen scherpe teksten.

Goudkoorts in Calfornië.

De Weerdt brengt die soms zelf, maar de meeste schrijft hij voor zijn vriend Karel Goedemé, bijgenaamd De Scheve (1843-1928), die een café-chantant heeft aan de Visberg, bij de Werf. Ook andere “kluchtzangers” nemen De Weerdts werk op in hun repertoire. Het kan niet anders, of de thans vergeten volksdichter draagt op die manier veel bij tot de verspreiding van de Vlaamse gedachte.

De kleinburger De Weerdt bekritiseert niet alleen het bestuur van zijn vaderstad. Hij steekt ook de draak met de mode, de prostitutie, koffiekletsende huisvrouwen, het spiritisme, de veranderingen in het stadsbeeld, het drankmisbruik, de Franse keizer Napoleon III en zelfs met  diens felle tegenstander Victor Hugo.

Het feit dat men in de Wereldtentoonstelling van 1885 moet betalen om naar het toilet te gaan, brengt hem buiten zichzelf van verontwaardiging. In De grootste strooperij der wereld (15 juli 1885) beschrijft de dichter een bezoek dat hij met zijn vrouw en dochters aan de expo brengt. De lezer verneemt:

“Daar kreeg mijn vrouw in eens de kuur, / (…) Om ook de reis eens t’ ondernemen / (…) in ’t kabinet / Dat is gezet pour la toilette / (…) Ik liet heur doen wat zij begeerde / (…) En ‘k wachtte maar op mijn Paulien / Daar aan de deur / En par bonheur / Mijn dochters ook, die bleven veur /  Het poortje staan, / Als z’ hadt gedaan / Mijn vrouw riep gauw: Niet binnen gaan! / Een kwaartje frank moest ik daar geven / Is dat nu toch niet scandaleus!”

“Roept dat geen wraak! Als g’ hebt gedronken / Een pintje melk of twee of dry / En als het dan wat is gezonken, / Dat ge dan nog betaald daarby / Zooveel verdost (1) / als ’t heeft gekost / Op dat ge’r weer zijt van verlost.”

De Weerdt geeft blijk van een typisch stedelijke humor. Hij is zeer kritisch en staat sceptisch tegenover de heersende vooruitgangsideologie. Naarmate hij ouder wordt, krijgen zijn verzuchtingen een ronduit conservatief karakter. Toch blijft hij een even aandachtig chroniqueur van het stadsleven. De sloop van de Spaanse wallen, de rectificatie van de Scheldekaaien en de aanleg van de Nationalestraat inspireren hem tot tientallen strofen.

Wie zijn verouderd Nederlands voor lief neemt en een beetje op de hoogte is van Antwerpse toestanden in de 19de eeuw, beleeft aan de liederen van De Weerdt even veel plezier als aan een album vol sepiakleurige foto’s uit dezelfde tijd.   Andreas De Weerdt sterft in 1893 in zijn huis aan de Sint-Jobstraat in de Vijfde Wijk. De man die in de inleiding tot zijn eerste bundel Vlaemsche liedjes (1857) heeft geschreven “Wilt het my, och Heer! Vergeven, / Zoo er soms een enkel lied / Naer uw goesting slecht uitziet, / Wees zoo goed, verwyt my niet / Dat ik ook wil dichter heeten”, wordt onder massale belangstelling ter aarde besteld op de begraafplaats van Deurne.

Nader onderzoek is nog nodig, maar een aanzienlijk deel van De Weerdts handschriften in het Letterenhuis is destijds niet in druk verschenen – althans niet in boekvorm.

(1) Verdost:
verdorie, verdomme

Verschenen in Zuurvrij nr. 7 van december 2004

Klamme handen. Verhaal.

(De burggraaf van Valmont aan de markiezin van Merteuil)

Antwerpen, 19 mei 1777

Chère Marquise,

Ik las met belangstelling uw brief over de symfonie van de Oostenrijker Mozart waarmee men op Corpus Christi-dag het Concert Spirituel opende in de Tuilerieën. Uw voornemen klavierles bij hem te nemen, stemt mij wat wrevelig. (Soms is mijn eigenliefde groter dan mijn zekerheid dat u niet een van de vrouwen bent die zich afgeven met het personeel.)

Wist u dat ik de fameuze sieur Mozart ooit zelf aan het werk zag, en wel uitgerekend hier in Antwerpen? U denkt vast dat men goede redenen moet hebben om de Zuidelijke Nederlanden te bereizen. Welnu, mijn oudoom, generaal de Rosemonde, nam in 1745 deel aan de veldtocht van koning Lodewijk XV tegen de Oostenrijkers. Zijn regiment werd in Antwerpen gelegerd.

Monsieur de Rosemonde was weduwnaar en ontstak in liefde voor de dochter van een recentelijk geadeld financier. Monsieur de Rosemonde was niet rijk, maar een Jehan de Rosemonde streed met Godfried van Bouillon in het Heilig Land; dat gaf voor de familie van zijn bien-aimée de doorslag.

Het huwelijk van Monsieur de Rosemonde te was van korte duur. Drie maanden na de inzegening – een detail dat niemand ontging – beviel zijn vrouw van een dochter en stierf. Omstreeks dezelfde tijd overleden ook haar beide ouders aan wat men hier de ‘zwetende ziekte’ noemt. Het gevolg was een bijzonder ingewikkelde betwisting tussen Monsieur de Rosemonde en de broers en zusters van zijn vrouw zaliger over de erfenis.

Weldra sloot men de vrede van Aken; mijn oudoom keerde naar Frankrijk terug. Hij hertrouwde met de Madame de Rosemonde die u kent. Toen hij enkele jaren later van zijn paard viel, was het proces met de familie Du B. nog steeds hangende. Omdat het over aanzienlijke bezittingen ging – dertien Brabantse dorpen waar de Du B.’s het recht hadden hun eigen boeren op te hangen – reisde mijn oudtante in 1765 met mij, haar pupil, naar Antwerpen. Ik was twaalf, maar zag er iets ouder uit.

Wij trokken naar Gent, waar Madame de Rosemonde een ver familielid bezocht, en dan naar Antwerpen. Toen we op 6 september het Vlaams Hoofd bereikten, waar het veer over de Schelde aanlegt, stond daar één ander rijtuig. Mijn tante gaf de koetsier opdracht ernaast te stoppen.

In de koets zaten twee kinderen – een jongen van tien en een meisje van dertien of veertien – en een zorgelijke heer die er uitzag als hun huisleraar. De kinderen wezen elkaar de torens van de stad aan.

Achteraf vernam ik dat ze Duits spraken, maar aanvankelijk klonk het mij niet anders in de oren dan het patois van de Vlamingen. Ik vreesde dat ik, zelfs indien ik het durfde, nooit met het meisje zou kunnen praten.De heer stelde zich aan ons voor als Monsieur Mozart uit Salzburg. Hij hield ons voor Antwerpenaars en informeerde naar de logiesmogelijkheden in de stad. Madame de Rosemonde deed hem zijn vergissing inzien, maar voegde eraan toe dat men haar de herberg De Beer had aanbevolen.

Ook de kinderen waren uit de reis wagen geklommen. Het mollige jongetje hield zich op de achtergrond; het meisje maakte voor Madame de Rosemonde – en mij! – haar mooiste revérence.

Tijdens de overtocht onderhield de heer Mozart ons over zijn ervaringen in de herbergen van dit land: ‘Men zit er op zijn Hollands in strozetels rond de haard, waarboven een ketel hangt aan een lange ketting. In die ketel koken vlees, rapen en allerhande andere ingrediënten. Aan een tafeltje krijgt men uit die vervaarlijke ketel soep en vlees. De deuren van het etablissement staan open, zodat men de eer geniet varkens op bezoek te krijgen die om de tafel lopen te knorren. Maar het ergste is nog dat de plaatselijke bevolking het zich niet anders kan voorstellen. Alsof het om een Hollands stilleven ging!’

Monsieur Mozart voegde eraan toe dat hij en zijn kinderen uit Londen kwamen en op doorreis waren naar Den Haag. Hoe jong ook, ik begreep dat de uitleg maar één doel had: mijn tante de vraag ontlokken wat het doel van de onderneming was. Monsieur Mozart had zich de moeite kunnen besparen, want mijnanders vergeetachtige tante – zelfs toen was ze niet jong meer – vroeg of de kleine Wolfgang niet het wonderkind was dat twee jaar geleden in Versailles had opgetreden en over wie toen veel te doen was in de Parijse salons.

Het jongetje kromp in elkaar; de welbespraaktheid van zijn vader verdubbelde. Ik verheugde mij intussen in een knipoog van de lieflijke Marie-Anne, die door Monsieur Mozart met Nannerl werd aangesproken.

De Beer bevindt zich bij de Beurs. Daar deden de Antwerpse kooplui taken vóór Farnese in 1585 de stad heroverde. Sindsdien ligt de binnenplaats er verlaten bij. De Beer is een grote herberg die als postrelais fungeert.

Madame de Rosemonde betrok met veel gedruis een vertrek op de ‘eerste verdieping. De ramen keken uit over de Place de Meir, eerder een brede straat dan een plein. Zodra ze geïnstalleerd was, liet ze een knecht van de herberg haar advocaten een briefje bezorgen. Ik kreeg het kleine vertrek naast het hare. De Mozarts logeerden achteraan.

Die avond raakte ik moeilijk in slaap. Wat ik voelde, was ongetwijfeld liefde, een onbestemde, maar hevige vorm van désir die mij – omdat het verlangen genoeg had aan zichzelf – volmaakt gelukkig stemde. Ik verlangde er hevig naar Nannerl te zien. Toch construeerde ik dromen waarin we elkaar goed kenden, maar ruziemaakten, zodat zij in tranen van mij wegliep; de imaginaire smart die ik daarbij voelde, liet me intenser genieten van het gemis dat haar afwezigheid bij mij veroorzaakte.

Meer kan ik hier niet over zeggen: op de duur blijft van onze herinneringen weinig méér over dan de woorden die wij bij onszelf of tegen anderen herhalen – hoewel mijn bankier, de jood Isaac Proust, beweert dat de smaak van een koekje bij hem ooit talrijke en bovendien haarscherpe herinneringen opwekte aan zijn prilste jeugd.

De volgende ochtend liet Madame de Rosemonde mij vroeg wekken. We ontbeten samen en wachtten op de advocaten. Monsieur Mozart verscheen. Ik voelde teleurstelling én opluchting, toen ik merkte dat noch Wolfgang noch Nannerl achter hem de trap afkwamen. Hij informeerde bij Gevers, de herbergier, naar de bezienswaardigheden van de stad. Dat bracht mijn oudtante op het idee te vragen of de Mozarts mij niet wilden meenemen, zodat ze zich zélf niet om mij hoefde te bekreunen. Monsieur Mozart stemde volgaarne toe.

Eerst richtten wij onze schreden naar de sombere Onze-Lieve-Vrouwekerk, naar verluidt de grootste van de Nederlanden. Monsieur Mozart kwam er zeer onder de indruk van Rubens’ Kruisafneming. Hij stak een lang betoog over het schilderij af, dat Nannerl zichtbaar verveelde (enkele dagen geleden zag ik het opnieuw, en constateerde dat het inderdaad een meesterwerk is, superieur aan de grandes machines die de schilder voor koningin Marie de Médicis konterfeitte). Haar broer had alleen oog voor het orgel.

We kregen het gezelschap van Monsieur van den Bosch, de organist. Ik vermoed dat Monsieur Mozart een knecht vooruitgestuurd had om hem op de hoogte te brengen van onze komst. De twee mannen onderhielden elkaar over muziek.

Monsieur van den Bosch had de mond vol over de Hollander De Fesch, die zangmeester van de kerk was geweest, maar opstapte na een ruzie met het kapittel. Zijn opvolger was ene Joseph Hector Fiocco, die men in Antwerpen roemt als de componist van een mooie Sinte-Ceciliamis.

Monsieur van den Bosch was een pompeus, breedsprakerig heerschap, en als zodanig een typische Antwerpenaar. De meeste bewoners van deze stad spreken Vlaams; enkel adel en hoge burgerij beheersen het Frans, hoewel ze het blijkbaar zelden bezigen. Hun uitspraak laat veel te wensen over en ze raken de nasale klank van hun eigen taalt je niet kwijt.

(Hun fysiek is meestal in overeenstemming met de volksaard: dikke buiken en dito derrières domineren het straatbeeld. Rubens hoefde de modellen voor zijn peervormige nimfen met hun plompe onderlijven en kleine boezems niet ver te zoeken.)

Toen de naam Fiocco viel, begon Nannerl onbedaarlijk te giechelen. Zelfs u, chère Marquise, had daar ooit last van, stel ik mij voor. Opdat haar vader niets zou merken, hield ze haar hand voor haar mond.

Monsieur van den Bosch beschreef de drie koren van de kathedraal’ die elk hun eigen orkest hadden. “Men kan de muzikale omlijsting van de erediensten enige grandeur niet ontzeggen,” merkte hij tevreden op. “Sommige musici verdelen hun tijd over verscheidene kerken; andere verkiezen naast hun gewone taak een profaan ensemble.”

De kleine Mozart had genoeg van de conversatie. Op een toon die geen tegenspraak duldde, zei hij: “Met uw goedvinden, speel ik nu op uw orgel.”

Zijn vader probeerde hem met een boze blik het zwijgen op te leggen, maar het j och liep al naar de deur die toegang gaf tot de trap naar het doksaal. Van den Bosch volgde op een sukkeldrafje.

Toen wij op onze beurt bovenkwamen, zat Wolfgang al op de plaats van de organist. Die bediende de pedalen die de blaasbalgen in beweging brachten. Wolfgang wreef in zijn dikke handjes en begon.

Hij speelde met uitzonderlijk gemak, al besefte ik op dat ogen- blik niet hoe verrassend dat was voor een kind van zijn leeftijd. Jaren-nadien herkende ik in uw salon, chère Marquise, de melodie. De kleine organist speelde variaties op de aria Amants, c’ est être téméraire de ne l’être pas assez uit de cantate Diane et Actéon van Monsieur Bodin de Boismortier. Daarna speelde hij van het blad een partituur die Monsieur van den Bosch – letterlijk – uit zijn mouw had getoverd.

Terwijl we luisterden, deed Nannerl- of was ik het zelf? – een stap opzij. De ruggen van onze handen raakten elkaar; ik durfde niet te bewegen. Toen strengelde ze haar vingers door de mijne.

Ze wierp een angstige blik naar haar vader, maar die stond met zijn rug naar ons toe. Even duizelde ik van geluk, maar toen werd ik bevangen door hevige paniek. Want wat gebeurde er nu?

Heel eenvoudig: Nannerls broer beëindigde het stuk en wij applaudisseerden. Stilletjes, want we waren tenslotte in een kerk. Wolfgang had zijn succesje behaald; hij werd weer een voorbeeldig jongetje en week niet meer van onze zijde.

Van de kathedraal liepen we terug richting De Beer, maar in plaats van er binnen te gaan, zetten we koers naar de Beurs. Op de eerste verdieping, aan de kant van de Place de Meir, bevindt zich de bescheiden concertzaal van het gilde der speellieden, dat al sedert 1718 een eigen concertvereniging heeft. Sinds mijn bezoek met de Mozarts nam men nog een tweede vertrek – oorspronkelijk van de Oost- en West-Indische Compagnie – als concertruimte in gebruik.

Monsieur Mozart informeerde bij de deken van het gilde welke voorwaarden de speellieden stelden om Nannerl en haar broer te begeleiden. Wolfgang kreeg het klavecimbel in de gaten en probeerde een paar toetsen. Meteen kon hij op de onverdeelde aandacht van zijn vader en van de deken rekenen.

“Parfois, je le hais,” siste Nannerl in mijn oor, zonder te preciseren of ze Monsieur Mozart dan wel Wolfgang bedoelde. “Et la musique aussi.”

Het was de eerste keer dat ze zich rechtstreeks tot mij richtte; ik was te verbouwereerd om te antwoorden. Hoewel ik vurig het tegendeel wenste, maakten Monsieur Mozart en de deken geen afspraak. Nannerls vader bleef bij zijn besluit om door te reizen naar de Republiek. Daarna pas traden de kinderen misschien in Antwerpen op. Ik hoef u niet te vertellen hoezeer mij dat verdroot. Gelukkig pakte Nannerl opnieuw mijn hand.

We namen een kijkje in het vertrek dat als schouwburg dienstdeed. Hoewel men het sindsdien verfraaide, kan het de vergelijking met onze theaters niet doorstaan. De deken vertelde dat er vooral amateurs uit de burgerij optraden. De belangrijkste voorstellingen vonden – en vinden – plaats in het Grand Théatre op het einde van de Huidevettersstraat.

Ik weet niet waarom Monsieur Mozart daar achteraf niet naartoe ging, want het is een voortreffelijk ingerichte schouwburg, al belooft de buitenkant weinig goeds. Omdat het oorspronkelijk door de tapijtverkopers werd gebruikt, noemt men het gebouw het Tapissierspand. De zaal is de grootste van de Oostenrijkse Nederlanden en biedt plaats aan vijfhonderd zestig toeschouwers. Een winkelhuis naast de ingang fungeert als Café du Spectacle.

De schouwburg wordt bestuurd door de aalmoezeniers, die men kiest onder de rijkste inwoners van de stad. Ze staan in voor de stedelijke armenzorg, die ze gedeeltelijk financieren met de opbrengst van de voorstellingen. Buitenlandse gezelschappen brengen hier opera’s van de onsterfelijke Lully, van Pergolesi en van Monsieur Grétry, die – zoals u weet – uit Luik afkomstig is. Men spreekt thans zelfs van de Orphée et Eurydice van de nieuwlichter Gluck.

Daarnaast houdt men er sedert een goede vijftig jaar openbare concerten met instrumentale muziek en natuurlijk ook bals. De schouwburg heeft zijn eigen orkest, maar de meeste dirigenten en solisten die er optreden, zijn Italianen of Fransen. Wat het theater betreft, Marivaux, Molière noch Voltaire zijn hier onbekend.

Tenslotte troonde de deken van de speellieden ons mee naar de academie van de schilders, eveneens in de Beurs. Daarna keerden we terug naar De Beer. Mijn tante ontfermde zich over mij; Nannerl verdween in het voetspoor van de mannelijke Mozarts.

De volgende morgen – het beloofde een warme dag te worden – maakte Nannerl zich van bij ons vertrerk meester van mijn hand. Zelf had ik nooit het initiatief durven nemen. We wandelden naar de kerk van de dominicanen. Vandaar begaven we ons naar de Sint-jacob, de rijkste parochiekerk van de stad, om het graf van Rubens te zien. Monsieur Mozart besteedde een halfuur aan het altaarstuk en de familieportretten, geschilderd door de meester zelf.

De Antwerpse kerken hebben weelderige interieurs met altaren in de Italiaanse stijl van de vorige eeuw. De altaarstukken en andere schilderijen zijn meestal van uitmuntende schilders. Ook de zijkapellen puilen uit van de kunstwerken. Kortom, zij weerspiegelen de rijkdom en de devotie der parochianen.

Monsieur Mozart was over dat alles verrukt; aan mijn herinneringen te oordelen, besteedden wij, kinderen, er niet veel aandacht aan. Achteraf erken ik dat men van vele Brabantse kunstenaars het meesterschap dient te erkennen; maar de weinig oordeelkundige manier waarop men hun werken in kerken én in particuliere woningen op elkaar stapelt, getuigt meer van pronkzucht dan van goede smaak. Dat stemt mij bijwijlen somber, net als de kritiekloze devotie van het volk. De clerus is hier oppermachtig; bovendien ontbreekt het de plaatselijke abbés aan iedere vorm van esprit.

U kent mijn hebbelijkheid die erin bestaat om tussen het ogenblik dat men mij een vertrek binnenleidt, en het verschijnen van de gastheer, een blik in zijn boekenkast te werpen. Dat leerde mij de voorbije weken dat Antwerpen niet veel verlichte geesten telt. Natuurlijk hebben nogal wat edelen en rijke burgers Montesquieu, Rousseau en Voltaire in hun bibliotheek; sommigen bezitten de Encyclopédie. Naar verluidt bestelt zelfs bisschop De Nélis geregeld werk van onze vriend uit Ferney. Maar ik vermoed dat hij het enkel doet om diens stellingen met meer gezag te ontzenuwen.

De Antwerpenaar houdt vooral van nuttige lectuur; voor romans voelt hij weinig. De enige die ze kennen, is de Emile van Rousseau, meer opvoedkundig traktaat dan roman (wat een geluk dat wij, adorable Amie, beter weten dan wat de brave man neerschreef over ’s mensen ingeboren goedheid!). De honderd drukkers en boekhandelaars in deze stad doen goede zaken. Maar de interessante titels in hun aanbod zijn ingevoerd. Hun eigen productie beperkt zich tot religieuze werkjes en gelegenheidsdrukken. De belangrijkste firma is die van Monsieur Moretus, de opvolger van de grote Plantin. Tot voor kort bezat zijn familie het monopolie van de export van liturgische boeken naar Spanje en zijn kolonies.

De kerk die mij reeds bij mijn eerste bezoek aan de stad het meest beviel, is die van de jezuïeten, thans gewijd aan de Heilige Carolus Borromeus. Men bouwde ze in onvervalst Italiaanse stijl; zij heeft grote ramen die het interieur doen baden in helder licht.

Bij de karmelieten aan de Place de Meir bewonderden wij een Drievuldigheid van Rubens en een zilveren beeld van Onze-Lieve-Vrouw. Nannerl had vooral belangstelling voor een reeks marmeren bas-reliëfs die de rede, de toren van de kathedraal, die van de jezuïetenkerk, het stadhuis en een veldslag voorstellen. Ik vermoed dat ik haar geestdrift deelde. Tot ze volkomen onverwacht mijn hand losliet en de hare uitvoerig afveegde aan haar rok.

“Vous avez les mains bien moites,” zei ze. Vervolgens draaide ze zich om en liep vóór mij de kerk uit. Mijn hoofd was leeg, ik wachtte. Dan kwam het over me, onontkoombaar, massief enonbepaald. Vernedering, woede of teleurstelling? Later leerde ik dat het al die woorden samen was, en dat een mens het zich maar twee keer hoeft te laten welgevallen om er voortaan tegen gewapend te zijn.

Ik zag Nannerl niet terug. ’s Anderendaags vertrokken de Mo- zarts naar de Republiek. Hun eigen reiswagen bleef in De Beer; ze namen de postkoets naar Moerdijk. Madame de Rosemonde en ikzelf waren getuige van hun vertrek. Nannerl riep Wolfgang een laatste keer tot de orde, en liet hem eerst in de koets stappen. Vervolgens gaf ze hem een rieten mand met eten; dan zette ze op haar beurt een voet op de treeplank.

Toen ze verdween, kneep Monsieur Mozart – hij had zich het voorbije kwartier tegen Madame de Rosemonde uitgeput in beleefdheden – in mijn wang en volgde haar voorbeeld. Tenslotte reed de koets de Place de Meir op, sloeg linksaf en verdween uit de werkelijkheid.

Zo, divine Marquise, eindigde mijn eerste liaison. De potsierlijke confrontaties van Madame de Rosemonde met de plaatselijke rechtspraak onthoud ik u. Het moge volstaan dat de dossiers eens te meer onderaan de stapel kwamen te liggen – in dit land is men daar naar het schijnt erg goed in – en dat wij onverrichter zake moesten afreizen. Het is nog steeds dezelfde zaak die mij nu, meer dan tien jaar later, en dit keer als procuratiehouder van mijn hoogbejaarde tante, weer naar Antwerpen brengt.

Gelukkig belooft dit verblijf lonend te worden. Onze advocaten zijn optimistisch over een aanstaande uitspraak, en in de salons van Madame de Proli – haar man is de belangrijkste bankier van de stad – ontmoette ik de allercharmantste Mademoiselle van Ertborn, die momenteel het leeuwendeel van mijn aandacht opeist.

Enkele dagen geleden was ik met haar en andere personen te gast bij de chevalier Schilders in zijn kasteel in Hemiksem, enkele mijlen ten zuiden van de stad. In de loop van de dag moest onze gastheer de schepenen van het dorp zien; Mademoiselle van Ertborn ging met de andere aanwezige spelevaren op de vijver.

Omdat ik hevig verkouden was, besloot ik binnen te blijven. Uit verveling doorbladerde ik de ingebonden jaargangen van de Gazette van Antwerpen in de bibliotheek. Alsof uw brief over het concert van Mozart, die ik dezelfde avond vond, zich hierdoor liet aankondigen, viel mijn oog op de volgende advertentie.
Zij verscheen een half jaar na Nannerls vertrek naar Holland.

“Mr. Mozart aura l’honneur de donner Mercredi 30 Avril à la salle du Concert de la Bourse grand Concert, dans lequel son Fils agé de 9 ans & sa Fille àgée de quatorze, joueront les différentes pièces sur le Clavecin. Toutes les Symphonies seront de la Composition de ce petit Compositeur qui a fait l’admiration de la Cour de Vienne, de Versailles, de Londres & de la Haye; ils joueront ensemble sur deux Clavecins et aussi sur un Clavecin à quatre mains. Le Prix est de quatre Eschelins; on commencera à six heures.”

Bij het middagmaal ondervroeg ik de overige gasten; verscheidene aanwezigen hadden een levendige belangstelling voor muziek, waren oud genoeg om het concert te hebben bijgewoond en wisten dat Mozart de naam is van een gerenommeerd klaviervirtuoos. Maar niemand herinnerde zich dat de beroemdheid in Antwerpen optrad. Ik leid daaruit af dat het concert niet plaatsvond; naar het waarom kan ik slechts gissen.

Even, Marquise, scheen het mij toe dat verlies een intenser ervaring is dan bezit – al was het maar omdat zij ruimte geeft aan de verbeelding. Maar als dat zo is, geldt het natuurlijk ook voor het verlangen dat aan bezit voorafgaat. En dan is het ons lot om voortdurend achter een teleurstelling aan te lopen. Is het dát wat ons onderscheidt van de Mozarts dezer wereld, voor wie er geen verschil bestaat tussen datgene waarnaar zij verlangen – de ordening van de klanken in hun hoofden hun begeerte?

Intussen, belle Amie, valt de avond. Het is de hoogste tijd voor mijn toilet. Vanavond ontvangt Madame Geelhand in haar hotel naast het huis waarvan men zegt dat Rubens er woonde. Mademoiselle van Ertborn vroeg mij haar te begeleiden. Men verwacht uit Brussel de jonge advocaat Verlooy, een volgeling van Monsieur Voltaire, die naar men zegt interessante ideeën heeft over de Vlaamse taal. Alles is goed om in Antwerpen de verveling te verdrijven. Breng mij spoedig op de hoogte van uw vorderingen op het klavier.

Valmont

Dit verhaal verscheen in De Standaard van 19 februari 1991. Nadien werd het herdrukt in de bundels Vereerde Meester (DNB/Pelckmans, Kapellen, 1991) en Blauwe Duivels en enige andere verhalen (Leuven, Davidsfonds, 2000)

Literatuur – Stroomafwaarts. Een kleine geschiedenis van de Lampo’s.

De gemeente Kluisbergen, waarvan Berchem deel uitmaakt. Hier komen mijn oudst bekende voorvaders vandaan.

Wanneer ik als student in het archief of de Stadsbibliotheek kom, kan ik niet nalaten in het register van naslag- of genealogische werken te grasduinen, op zoek naar voorouders/naamgenoten. Wetenschappelijk is het niet relevant, een historicus heeft andere katten te geselen. Maar toch…

Zo ontdek ik in de inventaris van het Rijksarchief in Ronse dat men daar papieren bewaart van een notaris Lampo uit Berchem bijOudenaarde die leeft in het begin van de 19de eeuw. (1) De Dictionnaire généalogique et héraldique des Families nobles du royaume de Be/gique blijkt een N. Lampo te vermelden, die in 1848 overleed in Sint-Joost-ten-Node.(2) Bovendien weet ik dat Karin Boliau, de vriendin van mijn vriend Wim Neetens – hij zal in 1996 sterven – op de een of andere manier familie van mij is.

Kwaremont en Berchem in de Albums de Croÿ.

Later zie ik op de televisie een dokter Lampo van de VUB, waar ik nota bene zelf gestudeerd heb. Zij wordt geïnterviewd over kindermishandeling. In de badplaats Knokke ontdek ik een fietsenmaker Lampo en iemand weet mij te vertellen dat ook in Gent Lampo’s wonen.

In 1990 sterft mijn oom Theofiel “Tix” Lampo, de tien jaar oudere broer van mijn vader. Omdat wij, Lampo’s. niet bepaald familieziek zijn, kom ik dan pas opnieuw in contact met mijn nicht Francine en haar man Marcel. Francine vertelt dat haar neef (mijn achterneef), René Lampo, over een stamboom van de familie beschikt. Pas na twee jaar vraag ik de achterneef in kwestie om een copie van het document. Geen echte stamboom, maar een kwartierstaat met onze rechtstreekse voorvaderen. René’s schoonbroer heeft hem na de nodige opzoekingen in o.m. het archief te Ronse opgesteld (3).

Ik neem kennis van het stuk maar doe er niets mee tot ik voor de verfoeilijke rubriek Courant van het dagblad De Standaard, waar ik dan nog werk, een cursiefje moet plegen en geen inspiratie heb. Ik schrijf neer wat ik mij van mijn kwartierstaat herinner.(4)

Prompt ontvang ik een stapel brieven van boze genealogen. Gelukkig zijn enkele schrijvers niet te beroerd informatie mee te delen over Lampo’s die ze bij hun opzoekingen op het spoor zijn gekomen.

Ik denk aan wijlen Valère Arickx, de oud-productieleider van Radio 2 Omroep West-Vlaanderen, toen ter tijd voorzitter van de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde. Hij blijkt al mijn voorouders uit Berchem bij Oudenaarde – want daar komen de Lampo’s dus vandaan – te kennen.

Valère Arickx (+ 2001).

Dr. Hubert Bovens uit Zutendaal raadpleegt zijn collectie genealogische tijdschriften. Hij wijst mij op de familieband tussen notaris Martinus Lampo en de vrouw van de historicus Henri Pirenne. Voorts signaleert hij mij een stuk of vijf andere Lampo’s van wie documenten her en der gewag maken.

Prof. Walter Prevenier, bij wie ik in de licenties geschiedenis paleografie en diplomatiek volgde, zet mij op het goeie spoor wat betreft de Raad van Vlaanderen en het beroep van procurator, uitgeoefend door een van mijn voorouders.

Ik berg dit alles op in het geheugen van mijn computer. Vandaag, alweer bijna tien jaar en twee computers later, liggen kwartierstaat, brieven en fotocopies aan weerszijden van mijn klavier. Tijd dus voor een schepen, twee secretarissen en een notaris, een procurator bij de Raad van Vlaanderen en vier generaties steenhouwers (operatieve, wel te verstaan).

Prof. Walter Prevenier.

Lampo is een patroniem zoals Janssens dat” Janszoon” betekent. De naam is afgeleid van een verkleinvorm van “Lambrecht”. Lampo zou dus betekenen: “zoon, afstammeling van Lambrechtje” (5). Lampo is ook een Italiaans woord dat “bliksemstraal” en “ritssluiting” betekent (6) en een Italiaanse familienaam. Voor de Tweede Wereldoorlog heet in het laarsvormige land een benzinemerk Lampo. Maar wat zou een Italiaan komen doen in Berchem bij Oudenaarde?

Berchem maakt sinds 1970 deel uit van de fusiegemeente Kluisbergen. Aan de Schelde, dat wel – mijn voorgeslacht zal de vallei van de stroom nooit verlaten (aardrijkskunde speelt een grote rol in het leven, zeker in het Ancien Régime). Berchem ligt in de buurt van de Kwaremont die de Romeinen Mons Quadratus of “Vierkante Berg” noemen. De heirbaan van Bavai over Blicquy naar de Noordzee loopt nabij het dorp.

Het Paddenbroek in Berchem (Kluisbergen).

Het toponiem Berchem is Frankisch. Volgens de recentste dorpsgeschiedenis betekent de naam zoals elders “woonplaats op de berg”. Anderen menen dat er geen sprake is van een berg maar van “birnu” dat “beer” Cl) of “modder” betekent (7). De vraag is natuurlijk of zelfs de Franken zo stom waren om in de modder te gaan wonen. Wat er van zij, de oudst bekende vormen van de plaatsnaam luiden in het Latijn (nou ja) “Bernis” (1119) en in het Frans “Bernes” (1154).

In het Ancien Régime is Berchem een leen van het Land tussen Marke en Ronne. De heerlijkheid ressorteert onder de kassei rij van het Land van Aalst. De eigenaars van Berchem zijn leden van vooraanstaande Vlaamse geslachten zoals de heren van Gavere en later die van Gruuthuse. Begin van de 18de eeuw komt het dorp in handen van de recent geadelde Gentse koopman Theodoor Ignatius vander Meersche. Diens kleinzoon Joannes Baptista Desideratus van Pottelsberghe de la Potterie is de laatste heer.

Berchem, dus, in Zuid-Vlaanderen. Berchem, waar behalve de landbouw vanaf de late middeleeuwen ook de wolnijverheid werk en brood verschaft. Nog later komt de linnennijverheid, die het uithoudt tot het midden van de 19de eeuw. Anno 1834 telt de gemeente 18 circhoreifabriekjes en 25 cichoreimolens, 1 stokerij en 1 touwslagerij. In 1835 bouwt men een brug over de Schelde, naar Kerkhove.

Het gewezen gemeentehuis van Berchem (Kluisbergen).

Dragen huisnijverheid en prille industrialisatie bij tot de welvaart van mijn voorvaderen? Ik weet het niet, maar ik vermoed van wel.

De Lampo’s verschijnen in de tweede helft van de 17de eeuw. Adriaen Lampo is tussen 1687 en 1694 schepen van Berchem (8). Een notabele die in zijn gemeenschap aanzien geniet. Treedt hij niet mee op als rechter, helpt hij geen testamenten opstellen en verkopingen van onroerende goed acteren?

Adriaens zoon (of kleinzoon) heet Jacobus. Hij wordt op 10 november 1752 in Berchem ten grave gedragen. Jacobus’ weduwe, Maria De Smedt, overleeft hem tot in 1757. Naar alle waarschijnlijkheid is Philippus Antonius, geboren omstreeks 1714, hun zoon. Philippus wordt geen schepen, maar griffier – van Berchem, Kwaremont en Zulzeke.

Berchem (Kluisbergen), oude prentbriefkaart.

Op 16 februari 1749 trouwt hij met Maria Theresia De Graeve. Philippus wordt 75 en sterft op 2 december van het wonderjaar 1789. De Fransen zetten in de loop van dat jaar een punt achter vijftienhonderd jaar koningschap en meer dan tien eeuwen feodaliteit. Heeft Philippus dat nog geweten?

Met zijn zessen zijn ze, de kinderen van Philippus en Maria Theresia: vier zonen en twee dochters. Van de oudste, Alexius, neem ik aan dat hij de “A.” Lampo is, die op zijn beurt “greffier” van Kwaremont, Zulzeke en Ruien wordt (hij blijft het tot 1783) en van wie documenten zeggen dat hij ook “practezijn” is (9).

Die laatste term wijst op een activiteit in de juridische sfeer. Het Middelnederlandsch Handwoordenboek van Verwijs en Verdam zegt: “Practike (. .. ) – Praktijk; de wijze om zaken, ook: rechtszaken, te behandelen”. De Boe’s Algemeen Vlaamsch Idioticon vermeldt praktijk enkel in de afgeleide betekenis van “listen, looze trekken (. .. ), bedrog”.

Alexius verwerkt vier kinderen. Zijn derde zoon, Joannes Franciscus, geboren op 13 juni 1751, wordt de eerste Lampo die het voorvaderlijke Berchem verlaat. Hij komt aan de kost als procureur of procurator bij de Raad van Vlaanderen en verhuist naar Gent. In 1780 huwt hij daar in de Sint-Niklaaskerk Maria Joanna Hertschap. Ik kom straks op hen terug.

Interieur van de kerk van Berchem (Kwaremont).

Alexius’ vierde zoon, Martinus (°4 juli 1758), weet ook alles van (gewoonte)recht en wat daarmee verband houdt. Hij vestigt zich als notaris. Het Rijksarchief in Ronse bewaart zijn papieren van het Jaar VII van de Franse Republiek tot 1828. Maar Martinus drijft ook handel in steenkool. Hij trouwt met Anne Thérèse Van der Donck.

Hun dochter, Martine-Régine-Charlotte, ziet omstreeks 1795 het levenslicht in Doornik. Heeft het verblijf van haar ouders daar iets te maken met de tweede Franse bezetting die in 1794 begint of met Martinus’ beroepsactiviteiten? Martine zal het grootste deel van de 19de eeuw meemaken en als 85-jarige sterven op 22 oktober 1880.

Als man van middelbare leeftijd ontpopt notaris en kolenhandelaar Martinus zich tot steunpilaar van de Berchemse harmonie Sint-Cecilia. Die is op 7 december 1810 gesticht onder de naam Musique Militaire Sainte Cécile de Berchem. In 1816 neemt ze deel aan een “concours van de toonkunde tot Audenaerde”. Daar, lezen we, komen “de societeyten der harmonien van Gend, met hun musicq al gekleed in het wit, die van Cortryck in het rood, die van Ronsse in het bleekblauw, en die van Geeraerdsberge waren in geenen uniform, en gelyck er prysen te winnen waeren voor de prochien alwaer er musicqgenootschappen waren, kwamen aldaer de gene van Worteghem, Berchem en Avelgem.”

De Kortrijkse harmonie is het beste stedelijke ensemble. Maar “voor de prochien den eersten prijs wierd gewonnen door Berchem.” Het doet Martinus groot plezier, stel ik mij voor. Het enige dat hij betreurt, is dat de uitvoeringen niet plaatsvinden op het speciaal gebouwde “theater”, maar in de lakenhalle, en wel omdat het “seer sterk regende”. Gelukkig is er ondanks alles “een grote toeloop van volk” (10).

Hendrik Conscience.

Terug naar Martinus’ dochter. Zij is intussen getrouwd met Jean-Baptiste Vander Haeghen uit het (latere) Streuvelsdorp Avelgem. Martine en haar man zitten er warmpjes bij. Hun zoon, Edouard-François (1830- 1910) studeert rechten, vermoedelijk in Gent. Hij wordt procureur des konings in Kortrijk. Daar ontmoet hij ongetwijfeld Hendrik Conscience, die er arrondissementscommissaris is. Overheidspersonen als zij kunnen elkaar niet ontlopen. Vervolgens brengt Edouard-François het tot eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Gent. De hoge magistraat en zijn vrouw krijgen op 9 maart 1868 – ze verblijven dan in Dendermonde – een dochter, die ze Jenny-Laure noemen. Voornamen waarin enig snobisme doorklinkt, dunkt mij.

Jenny-Laure, die natuurlijk niet Lampo maar Vander Haeghen heet, zal in de echt treden met de historicus Henri Pirenne (Verviers, 1862 – Ukkel, 1935), de auteur van o.m. de monumentale Histoire de Belgique. Zij overleeft haar beroemde man tot in 1948. Jenny-Laure is de moeder van Jacques, graaf Pirenne (Gent, 1891 – Hierges, 1972) die zich na de deportatie van zijn vader door de Duitsers tot een fel Belgisch nationalist ontpopt. Hij speelt later een rol in het rechtsnationalistische Comité de Politique nationale van Pierrre Nothomb.

Henri Pirenne.

Jacques, jurist en meer dan overtuigd Belg, voelt niets voor een tweetalig Vlaanderen (“Imaginez-vous!”) en bestrijdt de vernederlandsing van de Rijksuniversiteit te Gent – een vorm van intellectuele constipatie waar ik moeite mee heb.

Eind jaren 1930 vinden we hem in de omgeving van Leopold 111. Na de Bevrijding neemt die hem in dienst als secretaris. Lampo-genen in Argenteuil- je kunt het zo gek niet bedenken. Volgens de Nieuwe Encylopedie van de Vlaamse Beweging speelt Jacques Pirenne een “omstreden” rol bij de afloop van de Koningskwestie. Hij blijft Leopolds secretaris tot 1950.

De “Mémoires et Notes politiques” van Jacques Pirenne.

Terug nu naar mijn rechtstreekse voorvader, Joannes Franciscus, procurator bij de Raad van Vlaanderen, en zijn kinderen. De eerste Lampo die zijn geboortestreek verlaat, begint aan de Grote Trek naar het Noorden die de familie tenslotte in Antwerpen brengt – maar dat weet hij niet.

De Raad van Vlaanderen is sinds de middeleeuwen het hoogste rechtscollege van het graafschap. Maar Joannes laat er zijn stem niet horen. Een procurator is een pleitbezorger – een man die juridische argumenten verzamelt in opdracht van een advocaat (zoals in Engeland een barrister of pleiter de zaak van zijn cliënt laat voorbereiden door een sollicitor). Zelf hoeft een procurator geen jurist te zijn; zijn voornaamste troef is een grondige kennis van het gewoonterecht. En die heeft Joannes, als telg uit een familie van dorpsschepenen en -secretarissen.

Hij lijkt de succesrijkste Lampo tot dan toe. Jammer genoeg bezetten de legers van het revolutionaire Frankrijk in 1794 opnieuw, en voor lange tijd, de Oostenrijkse Nederlanden. De Fransen schaffen alle bestuurlijke en gerechtelijke instellingen van het Ancien Régime af, waaronder de Raad van Vlaanderen. Joannes raakt zijn broodwinning kwijt. Voor hem en zijn gezin wordt de ingrijpendste regimewissel van de Europese geschiedenis een persoonlijk drama.

De magere gegevens waarover ik beschik, zijn niet eenduidig. Joannes en Maria hebben twee zoons: Carolus Fidelis en Armand Jean-Marie. De eerste, mijn rechtstreekse voorvader, komt een paar sporten lager op de sociale ladder. Zijn broer, Armand Jean-Marie – is het toeval dat hij naar Franse voornamen luistert? – daarentegen, zal een adellijk huwelijk sluiten.

De kerk van Nederbrakel.

Tussendoor vermeld ik priester Constantinus Ignatius Lampo, geboren te Berchem in 1753 – een generatiegenoot (broer, neef?) van Joannes. Mijnheer pastoor heeft, paradoxaal genoeg, geen probleem met het nieuwe bewind. Hij is in 1777 tot priester gewijd, wordt in 1791 pastoor van Heldergem en in 1802 van Nederbrakel. Op 31 mei van dat jaar richt hij een brief aan de Franse overheid waarin hij zich bereid verklaart de eed af te leggen aan de Senatus Consuite (11). De verleiding is groot om daar een uiting in te zien van het protoliberalisme dat in de tweede helft van de 18de eeuw wortel in Oost-Vlaanderen.

Carolus Fidelis (°Gent, 10 oktober 1794) is gedoopt in de Sint-Baafskathedraal. Hij volgt een opleiding tot “meester-marmerhouwer” en is de eerste bij naam bekende Lampo die zijn brood verdient met het werk van zijn handen. Ik weet niet of ik een meester marmerhouwer mag beschouwen als een beeldhouwer, of als een “gewone”, goed geschoolde ambachtsman, die misschien aan het hoofd staat van een atelier. Bij nader inzien heb ik er ook het raden naar of het echt de Franse overheersing is die Carolus voor de steenhouwerij doet kiezen. Misschien is hij een vroege romanticus die gehoor geeft aan een diep verlangen om met hamer en beitel iets in steen gestalte te geven.

Wat er van zij, Carolus verlaat Gent, allicht om economische redenen, en vestigt zich in Dendermonde. Daar trouwt hij op 5 mei 1821 met de acht jaar jongere Maria Elisabeth Francisca Piron. Na een jaar schenkt zij het leven aan een zoon, Ludovicus Carolus.

De geboortedatum van Armand Jean-Marie ken ik niet. Ik heb ook geen idee waarmee hij zijn brood verdient. Renteniert hij? Duidelijk is alleen dat hij naar Brussel verhuist. Hij zal in de Finisterrekerk aan de Nieuwstraat in de echt worden verbonden met Marie-Philippine-Thérèse van der Stegen de Putte (°Brussel, 21 november 1788), tweede dochter van Joseph-François-Philippe van der Stegen, baron van Putte (Brussel, 1754-1799) en Marie-Françoise de Cannart d’Hamale (Rupelmonde, 1757-Brussel, 1810). Haar eerste man, Charles-Joseph Panqaert (°1778) is gestorven op 15 september 1816 (12).

Wapen van de familie Van der Stegen de Schrieck.

Een roturier die een douairière trouwt – het gebeurt niet alle dagen. Maar de weduwe is niet gefortuneerd: haar vader heeft zijn loopbaan beëindigd als leraar.

De familie Van der Stegen, meldt de Annuaire de la Noblesse beIge, komt uit ’s Hertogenbosch. Nicholaas van der Stegen, burgemeester van die stad, vlucht tijdens de troebelen van de 16de eeuw naar Brussel. Hij wordt er lid van de Raad van Brabant en stamvader van een succesrijke familie van juristen en officieren. Zijn kleinzoon, Jean-Adolphe, brengt het tot drossaard van Brabant. In 1698 verheft Filips IV van Spanje hem tot graaf. Uit zijn tweede huwelijk met Marie-Françoise van der Meeren is o.a. Charles-Louis geboren, de stamvader der baronnen van Putte.

Marie-Philippines vader, Joseph-François-Philippe, zetelt van 1783 tot 1793 als schepen van Brussel (13). Wanneer burgemeester De Loquenghien bij de tweede Franse inval in 1794 naar Antwerpen vlucht, volgt de baron hem op. De Fransen handhaven hem tot de oud-Vonckist Jan-Baptist Verlooy in 1795 maire wordt.

Joseph François Philippe van der Stegen de Putte.

Joseph-François-Philippe van der Stegen de Putte liefhebbert in de natuurwetenschappen. Hij zit de Société d’Histoire naturelle voor; na zijn burgemeesterschap doceert hij aan de door de Fransen opgerichte École Centrale. Onder zijn auspiciën legt men de eerste botanische tuin van de stad aan.

Marie-Philippine van der Stegen en Armand kiezen een nog landelijk, of half-landelijk, Sint-Joost-ten-Node tot woonplaats. Her place or bis?

Ik stel mij hen voor op middelbare leeftijd, in de tuin van een vrijstaande woningmet sobere, vlakke gevels – overvloedig stucwerk is nog geen mode. De tuin is verwilderd. Armand gaat gekleed in een donker pak, zoals het hoort, met een wit hemd en een ingewikkelde das. Zijn vrouw draagt een op dat ogenblik al gedemodeerde empirejurk met een hoge taille en een hoedje met linten. Minstens één avond per week speelt Armand met vrienden een niet al te moeilijk strijkkwartet van Grétry, terwijl de dames nieuws uitwisselen uit de mondaine en minder mondaine Brusselse middens.

Armands broer, Carolus, leeft in het verre, provinciale Dendermonde. Uit zijn huwelijk met Maria Piron wordt op 20 februari 1822 Ludovicus geboren. Hij wordt steenhouwer en verhuist als twintiger naar Lokeren. Daar treedt hij op 28 mei 1845 in het huwelijk met Maria Theresia Clement (Wetteren, 2 oktober 1823 – Lokeren, 6 juni 1879). Twee jaar later, op 1 juni 1847, ziet mijn overgrootvader, Theophilus Leonardus Aloysius, het levenslicht.

Grafbeeld op de begraafplaats van Lokeren. (Annemie.havermans.be).

Laten we hem Theofiel noemen. Hij is steenhouwer, zoals zijn vader. En gedraagt zich niet zoals het neefje van een freule betaamt. In 1879 bevalt zijn lief, Leontina Barbara Boliau, van een dochter, die ze Pélagie Philomena noemen. Mijn vader zal haar in Hermione betrapt opvoeren als tante Kristien en een stuk van haar biografie vertellen (14)

Pas twee jaar later – waarschijnlijk een teken van armoede – gaan Theofiel en Leontine naar het stadhuis en de kerk. Hij is vierendertig. Kort daarop nemen ze de belangrijkste beslissing van hun leven: ze zullen naar Antwerpen verhuizen, waar meer werk is. Andere Boliau’s volgen in hun voetspoor.

Mijn vader schrijft over mijn overgrootmoeder: “Zij is gestorven in 1945 in het volledige bezit van al haar geestelijke vermogens, doch uitgeput door de ouderdom. Ik weet over haar, dat zij noch lezen, noch schrijven kon, want als kind van vijf jaar (…) was zij naar één van de kantscholen bij de nonnekens gezonden, die men toenmaals in Vlaanderen oprichtte in de ijdele hoop in de vervanging van de kwijnende huisnijverheid te voorzien.” (15)

Anno 1882 zijn Theofiel en Leontine gevestigd “op” het Kiel, zoals wij zeggen. Geen dorp – een voorstedelijk overgangsgebied ten zuiden van de stad, langs de Sint- Bernardsesteenweg. Een logische keuze: aan die almaar drukkere weg ligt sinds de tijd van keizer Jozef 11 het Kielkerkhof, één van de twee grote Antwerpse begraafplaatsen.

Tegenover het kerkhof staat sinds de jaren 1860 een neogotische bakstenen kerk met een sierlijke toren – de Sint-Catharinakerk. In de omgeving wonen talrijke tuinders. Zij produceren voor de nabije stad. Henri de Braekeleer zal hun doeningen schilderen zoals alleen hij dat kan. Op de kruispunten van nauwelijks verharde straten staan geïsoleerde herbergen te wachten tot men er andere huizen tegenaan bouwt.

De Sint-Catharinakerk aan de Sint-Bernardsesteenweg.

Bouwen mag op veel plaatsen alleen in hout, om weer snel te kunnen afbreken. De fortengordel van generaal Brialmont scheidt het Kiel van Antwerpen, het “Sebastopol van het Noorden”. Wanneer vijandelijke troepen naderen, mogen er voor hen geen schuilplaatsen zijn.

Aan de ingang van het Kielkerkhof heerst overdag enige drukte. Wanneer een beroemde Antwerpenaar ten grave wordt gedragen, zoals Conscience in 1883, komt uit de stad een optocht van duizenden rouwenden met een muziekkapel en een lijkwagen, hoog opgetast met rouwkransen en getrokken door paarden met zwarte veren op hun kop.

Toch ontwikkelt de kern van Het Kiel zich enkele honderden meter verderop, langs de Abdijstraat. Vanaf 1874 trekt men straten op de gronden van het Prelaatshof, eertijds het buitenverblijf van de abten van de Sint-Michielsabdij. Wat ervan overblijft, ligt weldra verstopt achter de gevels van een school.

Mijn overgrootvader werkt in één van de ateliers bij het kerkhof waar men zerken vervaardigt. Als de nabestaanden van de overledene geld genoeg hebben, groeien de zerken uit tot pompeuze monumenten met overvloedig beeldhouwwerk – dat laatste is meer dan een gewone broodwinning; er valt eer aan te behalen.

Theofiel en Leontine zullen nog zes kinderen krijgen, van wie er twee – Florent en Maria – heel jong sterven. Mijn grootvader, die ik “Vava” noem, komt in maart 1884 ter wereld als Arthur Franciscus. Hij is de tweede zoon van het gezin, na Joannes-Baptista (januari 1882), “nonkel Jan”, die ik niet meer heb gekend.

Henri de Braekeleer, “Groentekwekerij op het Kiel”. (Antwerpen, KMSKA).

Nadat het Kielkerkhof in 1911 is opgeheven, begraaft men de Antwerpse doden op de begraafplaats Schoonselhof bij de grens van Hoboken en Wilrijk. Schoonselhof ligt een paar kilometer verderop, maar ook aan de Sint-Bernardsesteenweg. Iets minder ver, aan dezelfde straat, bevindt zich het kerkhof van Hoboken.

Nonkel Jan, steenhouwer in de vierde generatie, bekwaamt zich als leerling van de avondleergangen aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Hij zal café houden aan de Hobokense Krugerstraat nr. 159, waar hij in 1912 gaat wonen.

Eer het zover is, trekt hij een laag nummer en moet naar het leger – van algemene dienstplicht is nog geen sprake. Op 24 juni 1902, vertelt zijn Livret de Mobilisation – Mobilisatiezakboekje, wordt Nonkel Jan ingelijfd bij het Deuxième régiment d’Artillerie. Hij meldt zich in het militair depot in de oude Sint-Bernardsabdij in Hemiksem. Van daar gaat het naar o.m. Tienen. Iets meer dan een jaar later, op 1 oktober 1903, krijgt mijn oudoom een bevordering tot brigadier.

Het bewuste mobilisatieboekje bevat twee bruin geworden paspoortfotootjes. Het tweede is half over het eerste geplakt. Nonkel Jan bij het begin en bij het einde van zijn dienst, vermoedelijk. Op het recentste(?) ziet men een nog jonge man met een rond gezicht en een hoog voorhoofd (in feite is hij half kaal). Zijn ogen kijken – zie ik dat echt? – ironisch, wat afstandelijk, alsof hij het intussen allemaal wel bekeken heeft, zo van “laat me gerust met jullie flauwekul”.

Een signalement-persoonsbeschrijving op de bladzijde ernaast vertelt dat deze Lampo 1 meter 67 groot was en bruine ogen en kastanjekleurige (“chatains”) haren en wenkbrauwen had. Blijkens het Tableau indiquant les mesures de l’homme pour les effets d’habillement et des bottines heeft Nonkel Jan een schedelomstrek van 59 cm. (een familietrek – mijn kop is nog drie maten dikker).

31 maart 1905 is de dag waarop “Lampo Jean-Baptiste” terug naar huis mag. De legerarts heeft “geene blijkbare kiem van besmettelijke ziekte” bij hem geconstateerd. De milicien vertrekt naar de Limburgstraat nummer 146 op het Kiel, zijn het ouderlijk huis.

Ze laten Nonkel Jan natuurlijk niet met rust. Er zijn de revues anuelles of jaarlijksche heerschouwingen, waaraan hij moet deelnemen. En dan, in 1914, jawel: pats-boem, de Grote Oorlog. Mijn oudoom vertrekt naar het front.

Van “zijn” Eerste Wereldoorlog resten ons drie brieven aan zijn neef Raoul, zoon van tante Pélagie. Ze zijn in het Frans. Hoe uitzonderlijk is dat? Is het een uiting van snobisme of van de “indoctrinatie” van de Vlamingen in het toenmalige België?

Ze bewijzen alvast dat mijn oudoom voor iemand van zijn generatie vrij lang naar school is gegaan, hoe fonetisch en zelfs fantaisistisch, zijn Franse spelling (“sependant”) soms ook is. Uit zijn brieven spreekt een vaderlijke bezorgdheid, die mij doet vermoeden dat Raoul een stuk jonger is. Hij is in ieder geval niet bij het leger. Voorts blijkt dat Nonkel Jan in de stellige overtuiging verkeert over veel levenswijsheid te beschikken.

Ik, die zijn woorden een mensenleven later lees, vraag mij af: hoor ik de man zelf of het personage dat hij denkt te moeten neerzetten omdat men zulks anno 1918 van een volwassene, tevens onderofficier, verwacht?

In de eerste brief, gedateerd “Front 31 Mars 1918” vernemen we dat het leven van een artilleriesoldaat druk is, maar oorlogsgruwelen worden ons onthouden. Meer nog, alles gaat eigenlijk heel goed. “Mon cher Raoul / Plus que probable que ça te semble dröle de ne plus avoir reçu de mes nouveIles depuis quelques jours. Je suis encor dans un état déplorable à force de travailler, car les déménagements m’ont empeché de t’écrire plus tôt.”

Mijn grootmoeder, Mamy.

“Cert mon service est très dure. Quand on le prend par cceur, rien ne peut clencher quoi qu’il arrive et par le fait même, il faut qu’à chaque moment je suis sur le qui vive, nuit et jour. Enfin je ne m’n fais pas, car tout marche pour le mieux et avec un courrage sans bornes.”

Op 27 mei volgt een preek in regel. De vader van Raoul is bij Nonkel Jan op bezoek geweest en de twee hebben het over Raouls toekomst gehad. Mijn oudoom waarschuwt Raoul tegen een baantje als arbeider (blijkbaar had hij dat aangenomen), en tegen de vrouwen:

“Gare à toi Raoul ton avenir s’annonce bien. Tu as des parents qui t’aideront de toutes leurs forces, et bien que tes études sont interrompus il y d’autres à faire à ton âge et c’est le commerce. Tu te lance dans un métier qui permettra de gagner la vie mais ne te laisse pas bercer dans ses idées. Un ouvrier quoi-que bon n’est toujours qu’un ouvrier et il y a mieux que sa. Ne te prive pas d’amusements car tu es jeu ne et faut de la distraction mais tiens toujours l’oeil sur ce qui se passe et les occasions se presenteront sans s’en apercevoir pour te lancer dans telle ou telle chose. Je te parle d’amusements Raoul mais bi en sans exagerations car on appel parfois amusements des choses absurdes, stupides qui ne font que du tort à la santé de I’homme. Je parle d’un pastemps serieuse et honnête et surtout ne ’t amuse pas trop avec les femmes car il est condamné pour la vie celui qui s’y méprend. Encor une fois ouvre l’oeil.”

Sic, sic, sic, denk ik.

Nonkel Jan, kleinburger in wording. Ik zal hem nooit ontmoeten, de man die niet verder komt dan het café in de lange, voorstedelijke straat. Hij zet – bij mijn weten althans – nooit een voet in de neogotische kerk een paar honderd meter verderop. Het zijn de klokken in die toren waar ik graag naar luister wanneer ik vijftig jaar later op de lagere school zit, in datzelfde Hoboken. Heeft Nonkel Jan het gebeier bij tijd en wijle op prijs gesteld?

De jongere broer van Nonkel Jan, mijn grootvader Arthur Franciscus, alias Vava, wordt geboren in maart 1884. Ook hij heeft iets in zich van de burgerman; hij zal het tot “chef de bureau” bij de PTT in het verre Brussel brengen.

Arthur Franciscus Lampo, alias Vava.

Vava, zo herinnert mijn nicht Francine zich, is zoveel als de “burgemeester” van zijn straat – in casu de Beerschotstraat (die, net zoals de sinds 1900 in de nabijheid gevestigde voetbalploeg, haar naam dankt aan een middeleeuws toponiem).

Naar verluidt bestaat Vava het, wanneer hij gepensioneerd is, zich te mengen in het gesprek van vrouwen die op straat staan te kletsen. Hij wil weten of ze niet naar huis moeten om soep te koken voor hun man. Legendarisch is Vava’s zijn uitspraak dat hij decennialang iedere dag de trein van en naar Brussel heeft genomen, zonder ooit de weg naar de “staminé” te vinden. Allicht is hij de ambtenaren indachtig die zelfs nog wanneer ik in Brussel studeer na kantoor pils hijsen aan de stalletjes in het hoofdstedelijk Centraal Station.

Een principieel man dus, Vava, net als zijn oudere broer. Een functionaris voor wie de Kielenaars ontzag koesteren. Een weduwnaar die zijn huis deelt met zijn schoonzuster – over haar zo dadelijk meer – en dagelijks in de late namiddag bij zijn dichtst bij wonende zoon op bezoek gaat. Een grootvader die tijd steekt in zijn wurm van een kleinzoon, uw dienaar.

Wij maken lange wandelingen. De drie- of vierjarige die ik ben, ervaart ze als epische tochten. Naar het Nachtegalenpark, bijvoorbeeld, is een eind verder dan ik gewend ben te stappen. Ik herinner mij dat Vava – die om mijnentwille tenslotte tóch de weg naar de staminee vindt – cola voor mij bestelt op het piepkleine terras van een kroegje aan de drukke Sint-Bernardsesteenweg. Het café behoort tot de sinds enkele jaren gesloopte rij lage huisjes aan de oostkant van de weg, tussen de Abdijstraat en de De Bosschaertstraat, tegenover de oude schietbaan van de Burgerwacht, nog altijd bekend als “Tir”. De markies die het terras van het café tegen regen en al te felle zonneschijn beschermt, is donkerblauw.

Tochten per tram vinden plaats “naar de boten” aan het Noorder- of het Zuiderterras. En er is één, lang op voorhand aangekondigde, expeditie naar Petroleum Zuid: de oudste olieinstallaties van de Antwerpse haven. Wij zien die vanuit het raam op onze twaalfde verdieping, maar blijkbaar heb ik de wens geuit ze van nabij te gaan bekijken (ik heb nog steeds een zwak voor industriële landschappen; de Rupelstreek doet mij meer dan de Kalmthoutse Hei). Het bezinksel dat de onderneming in mijn geheugen afzet, kleurt een hoofdstuk van mijn debuut In altijd Lege Kamers (16).

Geboortehuis van Hubert Lampo aan de Beerschotstraat.

Vava, die sterft wanneer ik zeven ben en die ik nooit heb gekend zoals volwassenen, hoe groot ook het leeftijdsverschil, elkaar kennen, is natuurlijk vaker en sterker aanwezig in de romans van mijn vader. Toch vindt men daar van hem geen portret “naar het leven”, geen anecdotes, geen literaire lichtdrukmalen. De herinnering aan hem klinkt door, niet meer maar ook niet minder, in de bedaarde, sterke en bijwijlen heldhaftige vaders in Hermione betrapt, Zeg maar Judith en De Elfenkoningin. Soms is die vaderfiguur een raadsel – omdat de vader afwezig is (Terugkeer naar Atlantis) of het voorwerp uitmaakt van een mysterie (Zeg maar Judith, De Elfenkoningin). Met Paul Van Aken meen ik alvast dat “wie wil weten wat Lampo’s vader voor de jongen betekende” de bladzijden over zijn dood in Zeg maar Judith moet lezen (17).

Vava’s vrouw, mijn grootmoeder Françoise Van de Velde, wordt “Mamy” genoemd, met een korte” a” en de nadruk op de “y”. Geen Frans dus, maar wel uitgesproken zoals wij, Antwerpenaars, Franse woorden uitspreken. Zij sterft vóór mijn eerste erjaardag. Mijn vader schrijft weinig over haar. Er zijn emoties die een oeuvre vullen of waarover, een oeuvre ten spijt, niet veel gezegd wordt. De weinige foto’s van Mamy tonen een vrouw met een breed gezicht en een dichte, wat wilde haardos. Over haar achtergrond noteert Lampo senior het volgende:

“Mijn grootouders langs moederzijde (…) komen tegemoet aan die eigenaardige trek uit mijn psychologische ordonnantie door een vlijtig bestaan op de Muzikanten familie… limiet van arbeidende stand en kleine burgerij, van fantasieloze loonslavernij en artistieke droom met al de hieraan verbonden risico’s.”

“Mijn grootvader, Hubert Vandevelde, Antwerpen, 1855, stamde uit een muzikantenfamilie. Zijn vader, violist, fungeerde als dirigent in het Antwerpse Théâtre des Variétés aan de huidige Maarschalk Gérardstraat achter Sint-Joriskerk, dat ten tijde van Victor Driessens een rol vervuld heeft in de wordingsgeschiedenis van de Nederlandsche Schouwburg, zo ik mij niet vergis, terwijl zijn moeder harpiste was. Hij zelf speelde bas- en altviool. (…) Van deze grootvader, wiens voornaam ik erfde, alsook een zekere timiditeit (…) weet ik weinig af: hij overleed in 1918, na zijn drie kinderen in leven een behoorlijke opvoeding gegeven te hebben.”

Overgrootvader Hubert Vande Velde (achteraan rechts, met contrabas).

“Zijn oudste dochter, die mijn moeder werd, stuurde hij naar de Rijksnormaalschool te Brugge, waar zich onder de leerlingen ook een jonge Gentse bevond, – magisch- realistische coïncidentie? – , wier zoon later in de literatuur … Johan Daisne zou heten.” (18)

Mamy zal les geven aan de stedelijke lagere school voor meisjes aan de Pierenbergstraat, een zijstraat van de Abdijstraat. In een beschrijving van Het Kiel, waar hij een stuk van zijn jeugd doorbrengt, schrijft de romancier Lode Zielens in 1929 (hij is dan nog enigszins schatplichtig aan het expressionistische proza):

“De scholen zijn als alle scholen van de stad: koer en klassen en een weerbarstige schooljeugd. De Kielsche scholen echter hebben een patriotiek verleden. Toen de oorloog losbarstte over deze gewesten werden zij het verzamelpunt van ten vijand trekkende regimenten: Engelsche en Belgische. Met schallende klaroenen, neuriënde doedelzakken gingen zij er op af. (…) In den nevel van het middernachtelijk uur echter moesten de Entente-manschappen haastig en zwijgend den aftocht komen verbergen op het stroo in de klassen, om bij ’t blozen van den herfstochtend over de grijze Schelde de Vlaandersche vlakten te bestappen – naar den Ijzer en Holland toe. In 1917 zouden deze scholen hun poorten openen voor de opgejaagde vrouwen en kinderen van St. Quentin en aanpalende dorpen. (…) In 1920 boden zij dan weer Olympische gastvrijheid. Noorsche, Zweedsche en Egyptische athleten sloegen binnen deze muren hun tentje op … ” (19)

Lode Zielens, schrijver van o.m. “Moeder, waarom leven wij?”.

Zijn de muzikale Van de Veldes, eerder dan de al met al prozaïsche Lampo’s. onrechtstreeks voor ons geschrijf verantwoordelijk? Ik durf me daar niet over uit te spreken. (Het weze intussen gezegd dat mijn vader in zijn jeugd over een mooie bariton beschikt en zangles krijgt van zijn tante,Constance Van de Velde, zuster van mijn grootmoeder.)

‘Tatane”, zoals zij in de familie heet (de tweede “a” is kort) maakt een voortijdig einde aan haar operacarrière. Zij doet dat door de directeur van de Koninklijke Vlaamse

Opera, die zich vrijpostigheden met haar meent te kunnen permitteren, op zijn gezicht te slaan. Sommigen nemen zelfs vandaag een vrouw zulke dingen nog kwalijk. Een poging om alsnog als sopraan aan de bak te komen in de opera van het verre, Zuid-Franse Orange, mislukt. Het desbetreffende operahuis brandt tot op de grond af.

"Tatane" op de Bühne.

Ik vraag mij af waarom Tatane elders niet opnieuw probeert. Ze doet dat niet, al houdt iedere zichzelf respecterende provinciestad er in die dagen een operatheater op na. Misschien is zij één van de mensen die zich verlustigen in eigen tegenslag omdat ze nu eenmaal niet over het vermogen beschikken zich er overheen te zetten. Het trekje is mij niet onbekend – al kan het in mijn geval ook van elders komen.

Mijn grootouders behoren tot de lagere middenklasse, de petite bourgeoisie, en bijgevolg tot de “beter gesitueerden” van het Kiel. Ze wonen in hun eigen huis, dat zich halverwege de Abdijstraat en het Beerschotstadion bevindt.

Zielens karakteriseert de buurt van arbeiders en kleinburgers als volgt:

“De Abdijstraat is de Kielsche De Keyserlei. Ieder komt er minstens tweemaal daags. Bij de vrouwen heet het inkoopen doen. Zij gonst, deze straat. Er is de schooljeugd, er zijn de tramstappende mannen en meisjes, er zijn de winkelende dames en ’s zondags de loopende supporters. ’s Avonds ontpluiken de etalages hun lichten en tokkelen de elektrische piano’s. Er is een fanfare die repeteert: boum-boum-sjing! De dirigent in hemdsmouwen en pijp heeft breede gebaren, – wijl de trombonist naar boven sluipt in de kamer der waardin, – welke echter van zijn liefde niet weten wil. Midden in den nacht zal hij onder haar venster amoureus het Sterrenlied uit Tannhäuser aanheffen, solo voor trombon.”

Affiche voor de Olympische spelen van 1920.

“Ondanks haar bedrijvigheid is de Abdijstraat bij avond rustig en intiem. Ge zijt er als thuis … Aan haren boezem eindigen of beginnen vele straten hun tocht. Daar huist het brave, goedlachse, ietwat gaarne kwaadsprekend volk. Dat daarnij de gave heeft van den spot, – of van de ondankbaarheid! Een zoon zal zich hier geïnspireerd voelen een blijspel te schrijven op zijn persoonlijken vader en het publiekelijk te vertoonen met hemzelf in de hoofdrol … En in de nog kleinere straten hokt dat kloeke proletariërs ras, dat veel zwoegt en hier zoo ver is van alle werkgelegenheid. Als overal zijn de arbeiders hier duivenmelkers. Hun kwaadste konkurrenten zijn de mannen van Borgerhout…” (20)

Een zeldzame passage over Het Kiel komt voor in mijn vaders roman De Komst van Joachim Stiller.

“Het was een rustige, naar het provinciale zwemende avond met weinig verkeer, maar veel mensen op de stoepen in de volksbuurten, zoals de avonden uit mijn kindertijd zijn geweest, mysterieus en weemoedig, met gezang van spelende meisjes, in de schaduw van de deuropening de gedempte stemmen van de volwassenen of soms in de verte het geschetter van een uitrukkende fanfare.” (21)

Mijn oom Tix, die postuum aan het begin van dit verhaal staat, wordt nog vóór de Eerste Wereldoorlog geboren. Vava en Mamy zullen hem naar het Atheneum laten gaan, maar hogere studies zitten er uiteindelijk niet in. Een loopbaan als marconist aan boord van een vrachtschip eindigt sneller dan ze begonnen is (naar verluidt steekt Vava in eigen persoon de grote plas over om zijn zoon, die de kluts kwijt is van heimwee, terug te halen uit New Vork). Hoe dan ook, het feit dat mijn vader naar de Normaalschool wordt gestuurd, is van dit alles het gevolg.

De Stedelijke Normaalschool is dichtbij en bijgevolg “zichtbaarder” dan universiteiten die op dat moment alleen in andere steden bestaan. Daarom is ze in de ogen van vele Antwerpenaren ook prestigieuzer. En vooral: ze is veiliger – wie er afstudeert, krijgt een diploma dat naar een vaste en behoorlijk betaalde betrekking in het Stedelijk Onderwijs leidt. Maar ik loop op de feiten vooruit.

Zielens: “Februari 1919. De Wereldoorlog is nauwelijks drie maanden voorbij. De jeugd van Europa (…) wordt door het Olympisch Comité aangespoord om nu op sportief vlak de krachten te meten.”

De Olympische spelen van 1920.

De jeugd van de overwinnaars alléén evenwel, want de verslagen continentalen worden geweerd. Dit comité, in vergadering te Lausanne, aanvaardt de kandidatuur van Antwerpen als organisator van de 7e Olympische Spelen. Voorwaarde: zij moeten één jaar na de keuze plaatsvinden! Antwerpen volbrengt dit huzarenstuk (…) en organiseert in augustus en september van 1920 (…) de spelen. Kunst- en vliegwerk natuurlijk, maar op sportief gebied een onbetwistbaar succes. Vlijtige Antwerpse dames borduren de reusachtige vijfringenvlag, die nog steeds bij alle Olympische openingsplechtigheden ontvouwd wordt.”

“Het toneel: het voor de gelegenheid Olympisch opgesmukte Beerschotstadion waar onze eigen atleten alleen in de discipline voetbal succes zullen boeken.” (22)

Mijn vader in 1921.

De ironie van het lot wil dat mijn vader die zich tot van alles zal ontpoppen, behalve tot sportliefhebber (laat staan tot -beoefenaar) geboren kort voordat het huis davert door het gejuich van de menigte in het Beerschotstadion. We schrijven 1 september 1920. Daarmee betreden we echter het domein van de biografie en daaraan wil ik mij op een beknopte bijdrage na, elders in dit boek – niet wagen. De biografie moet zo wetenschappelijk, en dus zo objectief mogelijk zijn. Ik heb al genoeg gezondigd door mij zo lang en zo ver op het pad van de familiegeschiedenis te wagen.

Voetnoten

(1) Rijksarchief te Ronse. Overzicht van de Fondsen en Verzamelingen, Brussel, 1974, p. 320.

(2) GOETHALS, F.V. Dictionnaire généalogique et héraldique des Families nobles du royaume de Belgique. Deel IV. Bruxelles, 1852, blz. 432.

(3) De verdienste van de genealogische opzoekingen aan de basis van deze bijdrage komt derhalve toe aan de heer G. Sehmke.

(4) De Standaard van vrijdag 24, zaterdag 25 en zondag 26 december 1993, blz. 22.

(5) DE BRABANDERE, Verklarend Woordenboek van de Familienamen in België en Noord-Frankrijk. L-Z., s.l.n.d. (Brussel, Gemeentekrediet van België, 199?, blz. 830).

(6) Die uitleg is te vinden in elk willekeurig Italiaanse woordenboek.

(7) KEYZER, DE, B, De lange weg naar Kluisbergen. Bijdrage tot de historie van Kluisbergen: Berchem, Ruien, Kwaremont, Zulzeke, s.d. (Kluisbergen), deel I, 1978, blz. 25.

(8) ld., op. cit., blz. 169.

(9) ld., op. cit., blz. 219.

(10) ld., De lange weg naar Kluisbergen, deel II, blz. 713.

(11) ld., op. cit., blz. 534.

(12) Goethals, F.V., Dictionnaire généalogique et héraldique des Families nobles du Royaume de Belgique, deel IV, Brussel, 1852, blz. 430-432.

(13) ld., op. cit., blz. 432

(14) LAMPO, H., Hermione Betrapt, Amsterdam, Meulenhoff, lOde druk, 1977, blz. 31-33.

(15) LAMPO, H., Genealogie voor Leentje, in Familiealbum. Vlaamse auteurs schrijven over hun voorouders, Antwerpen, Uitgeverij Ontwikkeling, 1955, blz. 54.

(16) LAMPO, J., In Altijd Lege Kamers, Leuven, Kritak, 1985, herwerkte versie in Blauwe Duivels en enige andere Verhalen, Leuven, Davidsfonds, 2000.

(17) AKEN, P. VAN, Hubert Lampo. 10 Facetten, Antwerpen, Humanistisch Vrijzinnig Centrum voor Lectuurbegeleiding, 1994.

(18) LAMPO, H. Genealogie voor Leentje, in Familiealbum. Vlaamse auteurs schrijven over hun voorouders, Antwerpen, Uitgeverij Ontwikkeling, 1955, blz. 55.

(19) ZIELENS, L., T Kiel in Weerspiegeld Antwerpen. Hoe ’t vroeger was: onze schrijvers over hun stad. Antwerpen, De Sikkel, 1929, blz. 321-322.

(20) ID., op. cit., blz. 322.

(21) LAMPO, H., De Komst van Joachim Stiller, Amsterdam, Meulenhoff, 32ste druk, 1985, blz. 43.

(22) VAN CAUWENBERGH, G., Gids voor Antwerpen. Tussen Leien en Singel, Antwerpen, Hadewych, s.d. (1988), blz. 221.

Verschenen in Jaarboek 2006 van het Hubert Lampo Genootschap, 2007

Literatuur – “Dan begint de buikspraak van de zeekolos”. De Antwerpse haven in de literatuur.

De ss Belgenland II.

In de 19de eeuw jagen de haven en de wereld waartoe zij toegang verleent de Antwerpse burgerman angst aan. Af en toe hoort hij een horrorstory, zoals die over het koopvaardijschip Constant. De geschiedenis dringt niet door tot de “echte” literatuur, maar krijgt toch een plaats in een “klassieker” over Antwerpen, nl. Plezante Mannen in een Plezante Stad van Edward Poffé. Het goed gedocumenteerde boek verschijnt in 1913, maar vertelt over “Antwerpen tusschen 1830 & ‘80”.

Edward Poffé.

De Constant vaart in september 1857 af naar Australië. De Antwerpse bemanning staat o.l.v. de bekende kapitein Jan Lodewijk Uyttenhoven. De reis verloopt voorspoedig. Drie matrozen blijven in Melbourne achter; om hen te vervangen huurt de gezagvoerder in Sidney drie zwarte zeelui in. Maar op de terugweg lijdt de Constant schipbreuk. De bemanning neemt plaats in twee reddingsboten. Na vijfenveertig (!) dagen raken de sloepen van elkaar gescheiden. De eerste, met vijf matrozen aan boord, strandt op een eiland. Daar pikt een Amerikaanse walvisvaarder de mannen na nog eens éénenvijftig dagen op. Zij bereiken Antwerpen op 10 september 1859, zonder nieuws van de andere dertien bemanningsleden. Het lot van de dertien, onder wie de kapitein en de drie zwarten, die in de tweede reddingsboot zitten, wordt pas duidelijk wanneer Uyttenhoven zelf een maand later in de Scheldestad terugkeert.

Kannibalisme

 “Uit zijn verhaal bleek weldra,” vertelt Poffé, “dat de lotgevallen, welke hij en zijne twaalf gezellen hadden doorstaan, schier zoo ijselijk waren geweest, als die van de Medusa ten jare 1816, weshalve het niemand zal verwonderen (…) dat over heel de stad een kreet van afgrijzen opging toen men vernam wat de dertien schipbreukelingen hadden geleden: hoe zij, door den honger gepraamd, gedeeltelijk hunne kleederen verslonden, eindelijk twee van de aangeworven negers hadden opgeëten, hun bloed gedronken, en ten slotte, na nog een half jaar in Nieuw-Guinea, te midden van de wilde Paoea’s, te hebben vertoefd, gelukkiglijk aan boord van een Hollandsch schip geraakten, dat hen veilig overbracht.”

André De Weerdt.

In deze jaren schrijft en zingt alleen protestzanger avant la lettre Dré (Andreas) De Weerdt (1825-1893) over alles wat reilt en zeilt in de Scheldestad, haven inbegrepen – getuige dit enthousiaste Scheldelied: “O dat is toch een pleizier, / Wat gewoel! Wat getier! / Is er hier, aan ’t rivier, / Ziet die schepen varen; / Ziet dat kruisen weg en weer, / Trekken weg, keeren weer, / Op de zachte baren, / Wat pleizier, wat pleizier! / Is er toch alhier.” En nog: “Schoon en rijke Scheldestad, / ‘k Loop zoo geeren langs uw kaaien / Waar ik tusschen dit en dat, / Zie de schepen binnenwaaien; / Waar dat ik de schreeuwen hoor, / Het gezang, de vreemde talen, / Van den blanke en van den moor, / Die verheugd de dok in halen.”

Maar ook De Weerdt behoort tot de “subliteratuur”; zijn publiek bestaat uit het “volk” dat rondhangt in café chantants en op straat. Dat is de reden waarom hij, als productiefste Antwerpse dichter van zijn tijd, in geen enkele literatuurgeschiedenis voorkomt.

Domien Sleeckx

In dezelfde periode schrijft Domien Sleeckx (1818-1901) de roman In ’t Schipperskwartier (1861). In dit populaire boek, dat tot halverwege de 20ste eeuw geregeld herdrukt wordt, vertelt Sleeckx het leven van de straatjongen Jan Savoir uit het Schipperskwartier.

Dankzij zijn grote verstand en doorzettingsvermogen brengt hij het tot scheepskapitein en trouwt met Rozeke, de dochter uit een florissante kaaswinkel aan de Keistraat. Sleeckx blijft niet blind voor de armoede en de ellende in de gangen en op de zolderkamers van de wijk, maar zijn Schipperskwartier is toch burgerlijker en vooral “braver” dan het echt moet zijn geweest.

Domien Sleeckx.

“Waar ik geboren werd, en wie eigenlijk mijn ouders waren,” vertelt Jan Savoir, “zou ik, om de waarheid te zeggen, niet met juistheid kunnen opgeven. Zooveel is zeker, dat ik een jongen ben van het zoogenaamde Schipperskwartier, dat is, van de wijk, nabij de haven en de dokken gelegen, waar sinds eeuwen dat gedeelte der Antwerpsche bevolking huist, dat in de scheepvaart zijn bestaan vindt. Zoover mij heugt, heb ik nooit andere bloedverwanten gehad, dan een oud vrouwtje, dat ik moeitje noemde, en dat, op de Citernebrug, rechtover de Oude-Leeuwenrui, met een kraampje kersen en krieken, appel en peren zat, of met andere lekkernij, al naar ’t seizoen het meebracht.”

“Wij woonden op een zoldertje, in een gang der Oudemanstraat, waar het ’s zomers zeer heet en ’s winters fel koud was. Eten kreeg ik in nogal tamelijke maat, want moeitje had veel vertier, en genoot zekere befaamdheid bij de snoepzieke jeugd van het Schipperskwartier, zoowel voor haar caramellen en babbelaren, als voor haar smoutebollen, die zij, volgens het oordeel zelfs van meer bejaarde personen, zeer smakelijk wist te bakken, en zonder dat zij noodig had Spaansche zeep te gebruiken, om het beslag te doen rijzen.”

Landverhuizers.

Het  nieuwe Carthago

De beschrijving van het huis van Jan Savoirs toekomstige schoonvader leert ons hoe het er uitzag bij de kleine burgerij, niet alleen in het Schipperskwartier, maar allicht in heel de stad:

“Overal heerschte een smaak en een pracht, waaraan ik natuurlijk niet gewend was. Zij (de kamer) bevatte vooreerst een kostelijke commode van mahoniehout, waarop een porceleinen servies stond met gouden bloemen. Voor den schoorsteen hing een grooten spiegel, waarin men zich bijkans van het hoofd tot de voeten kon zien, en verder aan de muren schilderijtjes met de historie van Genoveva in print, met vergulde lijsten. In het midden van de kamer bevond zich een groote ovale tafel, met een rood zwartgebloemd kleed, en de vensters waren behangen met rolgordijnen van wit percal met franjes. Op een hoekkastje prijkten een paar kinkhoren, van de schoonste die ik nog had te zien gekregen, en van de zoldering daalde boven de tafel een nette kleine driemast, voorzien van al zijn takelage en staande want, met volle zeilen. Het was verrukkelijk, zonder te rekenen dat de stoelen en verdere meubels, zorgvuldig geboend, blonken als zoovele zonnen, en dat het gansche vertrek door een zindelijkheid en een rijkdom schitterden, die mij met eerbied vervulden voor de gelukkige bezitters van al die kostbaarheden.”

Georges Eekhoud

Het duurt nog bijna dertig jaar vooraal een belangrijke schrijver de haven in beeld brengt. In La nouvelle Carthage van de Fransschrijvende Georges Eekhoud exploiteert de malafide reder Freddy Béjard, de boze genius van de roman, de ellende van arbeiders en emigranten. Getuige deze passage over het vertrek van Kempense landverhuizers naar Brazilië (ik vertaal):

“Minstens dertig gezinnen uit Willeghem, een gehucht in het uiterste noorden van het land, hadden afgesproken samen hun schrale streek te verlaten. Zij zaten niet op de vrachtwagens, maar verschenen een poos na het gros der Vlaamse landverhuizers. Ze traden ordelijk aan, als in de stoet ter gelegenheid van een of ander feest. Zo hoopten zij een goed figuur te slaan en zich te onderscheiden van de massa, opdat men na de afvaart zou zeggen: ‘die van Willeghem waren toch de flinksten.’”

“Eerst kwamen de jonge mannen, gevolgd door de vrouwen, samen met de kinderen; jonge meisjes en ouden van dagen sloten de rij. Enkele moeders gaven hun jongste de borst. Oude vrouwen die op krukken steunden, schenen te geloven in een nieuw begin, een raadselachtige terugkeer van hun jeugd. Hoevelen zouden onderweg niet bezwijken en in een met zand verzwaarde zak overboord worden gezet om de vissen tot voedsel te dienen? Volwassen mannen, uitgedost in het dikke ribfluwelen plunje van grondwerkers, droegen houweel en hak over hun schouder; aan hun zij hingen boterhammendoos en veldfles. Dakwerkers en steenbakkers maakten aanstalten om te vertrekken naar landen waar men lei- noch baksteen kende.”

Passagier in de eerste klasse op een Red Star Line-schip.

Pastoor

“Een simpel jong meisje, stralend van ondeugd, droeg een kooi met een sijsje bij zich.” “Voorop, achter haar ontrolde vaandel, marcheerde de fanfare van het dorp. Zij emigreerde mee. De muzikanten hoefden hun instrumenten en kenteken niet achter te laten; in Willeghem bleef niemand over om er iets mee te beginnen.”

“Naast de vaandrig zag Laurent een priester met witte haren lopen – de pastoor van het vlek. Zijn hoge leeftijd ten spijt, stond de herder erop zijn kudde aan boord te brengen, zoals hij ze tot dan toe elk jaar vergezeld had op bedevaart naar Scherpenheuvel. (…)”

“Sommige Willegemse emigranten droegen op hun pet een twijgje heide; anderen hadden aan het uiteinde van hun stok of het handvat van hun werktuigen een armvol van dit symbolisch kruid bevestigd. Roerend was de aanhankelijkheid der allergevoeligsten: bij wijze van schapulier namen ze een handvol geboortegrond mee, verstopt in een doos of in een zakje genaaid.”

La nouvelle Carthage.

“Niet uit protest tegen de zelfzucht van een land dat hen weigerde te voeden, maar als laatste, kinderlijk eerbewijs, droegen deze landlieden hun karakteristieke klederdracht. De mannen hadden hoge, poffende petten van zijde op; boven hun katoenen broek hadden zij de typische donkerblauwe kiel aangetrokken. De kleur ervan neigt naar het leigrijs van de Kempenhemel en vergemakkelijkt het onderscheid tussen de boeren van het noorden en die uit het zuiden. De vrouwen droegen kanten mutsen met brede vleugels, aan hun haarwrong vastgemaakt met door ranken versierde linten: een hoofddracht die nergens ter wereld haar gelijke kent. (…)”

“Toen ze de loods bereikte, hield de fanfare halt. Inplaats van zich op de loopplank van het schip te begeven – de ketels werden al warm gestookt voor de afvaart – hielden de jongens halt. Zij draaiden zich om naar de toren van Antwerpen en zetten hun kopers aan de mond. Zij speelden met geheven vaandel; de verkeerde noten en het valse getoeter klonken alsof ook hun instrumenten ingehouden snikten. Zij speelden de Belgische hymne bij uitstek: het zachte, melodieuze Waar kan men beter zijn van de Luikenaar Grétry dat met zijn nobele accent Vlamingen en Walen, zonen toch van eenzelfde land, verenigt – hun verschillende, maar daarom niet vijandige temperamenten ten spijt (wat politici hierover ook denken). Daarom kwamen de mijnwerkers uit de Borinage die al aan dek waren de Flamins met uitgestoken had tegemoet.”

“Zo verloopt de verzoening van twee wezen die elkaar bij het sterfbed van hun moeder omhelzen. (…)”

Krioelend van ongedierte

“De Gina had meer dan zeshonderd blankhouten veldbedden aan boord, of beter: karkassen van nauwelijks geschaafde planken met een lap stof ertussen, per twaalf ze naast en boven elkaar op de tussendekken geplaatst. Het beddengoed bestond uit een stinkende strozak, krioelend van het ongedierte, waarvoor zelfs een varken bedankt had.”

Albert Wéry, Stoomboot op de Schelde.

“Hoewel de gangen geruime tijd waren gelucht, hing er een moeilijk thuis te brengen geur, die deed denken aan een slecht onderhouden ziekenhuis (…). Hoe zou het later niet zijn, wanneer zoveel ongelukkigen hier opeengehoopt zaten, met lompen en lijven die evenveel reuk afgaven als een kudde wilde dieren – zeker bij zwaar weer, wanneer de scheepsluiken dichtgaan?”

“Het reglement schreef voor dat mannen en vrouwen aan boord gescheiden moesten leven en dat men de volwassenen zover mogelijk bij de kleine kinderen vandaan hield. Maar Béjard en consorten waren er de lieden niet naar om hier rekening mee te houden. Zij respecteerden de voorschriften slechts zolang het schip in het zicht van de haven bleef.”

“Nog voor de Gina zee koos, kwam alles op losse schroeven te staan. Niemand riep de ontucht een halt toe. Bovendien nam men clandestien overtallige passagiers aan boord, die verdachte bootjes ‘s nachts van de oever oppikten. Runners en mensensmokkelaars konden zich geen betere klanten voorstellen dan de heren Béjard en Compagnie.”

Hardnekkige stank

“Volgens de prospectussen waren de kombuizen rijkelijk voorzien van spek, gerookt vlees, zeemansbeschuit, bier, koffie en thee, ‘meer dan genoeg voor een overtocht die dubbel zo lang was’. Deze mooie woorden waren uit de pen van de charlatan Dupoissy gevloeid, de onbetwiste meester van het allerschandelijkst bedrog. In werkelijkheid was het de vraag of het zoet water aan boord zou volstaan! De ongelukkige reizigers stonden op rantsoen als de soldaten van een belegerd garnizoen. Elk van hen kreeg een kleine gamel in wit metaal, die verdraaid goed leek op die van het leger. Twee keer per dag gaf men hen te eten. Het voedsel was tot op de gram na afgewogen; de drank schonk men per boujaron, de speciale inhoudsmaat, wat kleiner dan een liter, die de zeelui bezigen. Uiteraard heerste op de tussendekken een bijtende kou; de wind had er vrij spel en veroorzaakt verkoudheden, zonder de hardnekkige stank te verdrijven. (…)”

Migranten op weg naar Amerika.

“Het dek leek op een vluchtelingenkamp of een verzamelplaats van zigeuners. In hun kleurige plunjes voerden de paria’s die hier verbleven geuren uit de vier windstreken mee. Toen hij in hun nabijheid kwam, merkte Laurent dat ze slechts licht gekleed waren; nu al waren er veel die klappertandden en rilden van de koorts. Eén van Béjards agenten baande zich een weg van groep tot groep. Om de mensen gerust te stellen, beweerde hij dat de kou slechts enkele dagen zou aanhouden. Eens voorbij de Golf van Gasconje begon een eindeloze zomer. Wat hij er niet bij vertelde, was dat het tussen Afrika en Brazilië zo heet was dat de emigranten onmogelijk aan dek konden blijven en dat de tropenkolder ook onder hen, die hun huidige moeraskoorts overleefden, slachtoffers zou maken. Het waren echter niet alleen de verschrikkingen van de overtocht die hij achter zijn kiezen hield; hij verzweeg ook de willekeur, de brutaliteit die de landverhuizers bij hun ontscheping wachtte, en de talloze ontberingen in hun vijandig land van bestemming.”

“Waar kan men beter zijn?”

(…) “Zodra de trossen van de meerpalen waren losgemaakt, haalden de matrozen ze in en rolden de touwen op; de schroef deed het water opstuiven. Van op de brug schreeuwde de kapitein bevelen; zeelui op voor- en achtersteven herhaalden zijn woorden en een scheepsjongen gaf ze met een roephoorn door aan de stokers. De stuurman liet het schip langzaam van de kade wegzwenken; als bij toverslag omgaven talloze schuimgekopte golfjes de flanken van de Gina. (…)” “De vaandrig van Willeghem bewoog zijn fluwelen standaard met de gouden galons en het zware borduursel heen en weer; nogmaals zette de fanfare Waar kan men beter zijn in. De mannen uit de Borinage die zich bij de Kempenzonen hadden gevoegd, zongen in koor de tekst. (…)”

“Aan boord van de Gina zwollen heilwensen en hoerageroep aan tot een geraas, eenstemmenstorm die de fanfare overstemde. De samengepakte menigte op de kade beantwoordde het geschreeuw van harte, en uit volle borst. Schip en rede dienden elkaar van repliek, wedijverden in verve, branie en onverschrokkenheid. Petten vlogen in de lucht; kleurige zakdoeken wapperden als de bonte vlaggen bij een scheepsparade.”

Schip van de Red Star Line.

 “Vrouwen die tegelijk leken te lachen en te huilen, tilden hun kinderen met gestrekte armen boven hun hoofd. Hoe verder het schip zich verwijderde, hoe heftiger de gebaren. Het was alsof toeschouwers en opvarenden wanhopig probeerden elkaar alsnog te omhelzen, over de golven heen.”

“Door zijn enorme diepgang vorderde het overvolle vaartuig traag, zodat het pas na lange tijd uit het gezicht van de kijklustigen verdween.”

Red Star Line

Deze passage uit La nouvelle Carthage speelt circa 1880 – de rectificatie van de kade is al begonnen. Het verschepen van landverhuizers vanuit Antwerpen was toen big business. De emigratie via de Scheldestad begon omstreeks het midden van de 19de eeuw; in 1885 legden al twaalf rederijen zich erop toe. De schepen van de beroemde Red Star Line vertrokken aan de Rijnkaai, waar in vierentwintig huizen vijfentwintig kroegen waren gevestigd.

Red Star Line was niet de naam van de rederij, maar een handelsmerk. De boten waren het eigendom van de Société Anonyme de Navigation Belgo-Américaine, een Belgische dochter van de International Navigation Company uit Philadelphia. Het Amerikaanse bedrijf werd opgericht in 1871 om aardolie van de pas ontdekte velden in Pennsylvania naar Antwerpen te brengen. Dat was toen immers op weg om de belangrijkste petroleumhaven van Europa te worden.

Als retourvracht, dacht men, konden dezelfde (!) schepen immigranten uit de Oude Wereld naar Amerika brengen. Maar dat vond de Amerikaanse overheid toch te gortig: ze verbood reizigers te vervoeren met olieschepen, ook als die leeg waren. Daarom gooide de maatschappij het definitief over een andere boeg.

Na een korte inzinking was Antwerpen vanaf 1871 opnieuw erg in trek bij landverhuizers. Ze kwamen vooral uit Midden-Europa. Dank zij de goede spoorverbinding konden ze gemakkelijk in de Scheldestad komen. In haar topjaar 1912 vervoerde de Red Star Line 121.000 reizigers.

Oost-Europese emigranten

De immigratiewetten die in 1921 in de Verenigde Staten van kracht werden, dwongen de lijn echter een nieuw publiek aan te trekken: toeristen. In 1923 liep de Belgenland II, een pakketboot van bijna dertigduizend ton met drie schoorstenen (waarvan één just for show), van stapel. Het schip kon meer dan 2.500 passagiers aan boord nemen en had 530 bemanningsleden. Maar het mocht niet baten – in 1935 kwam er een eind aan de activiteit van de rederij.

Een “buildrager”.

De Antwerpse schilder en schrijver Edmond Van Offel (1871-1959) noteerde in zijn Antwerpen 1900 de indruk die de Oost-Europese landverhuizers maakten in de stad: “sommige dagen trokken langs de Meir, over de Groenplaats, de miseriestoeten van landverhuizers voorbij, gedreven naar de bijzondere logementshuizen; daar ergens bij de Werf. In hun uitheemse klederdracht, de mannen met mantels van schaapsvel en vreemdsoortige hoofddeksels, de vrouwen met rood en geel gebloemde hoofddoeken, lederen keursjes met bont en laarzen aan de struise benen, de kinderen, kinderen met de macht natuurlijk, als voddebalen meegetrokken en gedragen tussen de armzalige bundels reisgoed; met hun scherp getekende trekken, meestal een Aziatische afkomst verradend – veel van die lieden kwamen van Polen of ergens uit de Balkanstreken, of van Hongarije – al die wezens bijeengetrommeld en als een kudde verder gejaagde dompelaars, zij maakte een schouwspel uit, schilderachtig genoeg, maar deerlijk niet minder.”

Karel Van den Oever.

Een Poolse emigrante inspireert Karel Van den Oever (1879-1926) in zijn expressionistische periode tot het vaak gebloemleesde gedicht Dinska Bronska. Maar ook dichter bij ons blijft Antwerpens rol als vertrekhaven naar Amerika schrijvers inspireren.

Moordpoging

“Toen mijn grootvader achttien jaar was schoot hij op de minnares van zijn vader,” zo luidt de eerste zin van de roman Het Uitzicht op de Wereld (1984) van Alstein (Marc van Alstein, 1947). “Het schot viel niet helemaal onverwacht in de (…) voorkamer van het herenhuis aan de Frankrijklei,” vernemen we, “wat vroeg of laat moest gebeuren was nu inderdaad gebeurd; net goed voor de minnares, net goed voor de oude heer van Alstein, (…) burger en hoofdingenieur van de Antwerpse haven. Want (…) merkwaardig was het dat de oude heer niet in de daarvoor bestemde huizen had toegegeven aan zijn démon de midi, dat hij zijn jonge minnares niet keurig had geïnstalleerd op een flatje met uitzicht op het stadspark, nee, hij had goed en wel in zijn eigen huis de eigen dienstmeid op haar rug gelegd.”

“Hij scheepte in aan boord van de ss Lapland,” schrijft zijn kleinzoon. “Het ticket voor de overtocht had hij, zoals hij steeds trots vermeldde, zonder medeweten van zijn moeder op de kantoren van de Red Star Line gekocht. Voor de afvaart zocht hij op de Scheldekade te midden van de bolhoeden, de strohoeden en de dameskapsels naar de norse blik van zijn vader, naar de indrukwekkende snor die, zoals zijn moeder nooit naliet te preciseren, vooral op diegenen indruk maakte die nog niet wisten wie ingenieur van Alstein werkelijk was.”

Voor de afvaart.

“Het werd een avontuurlijke overtocht. Grootvader haalde ze niet boven, de zo bekende foto’s van naar Amerika reizende Balkanemigranten, opeengepakt op de voorplecht en op de tussendekken, van babies, weggedoken in de wollen sjaals van hoopvol kijkende boerinnen. Hij had het slechts heel terloops over de weemoedige zangen ’s avonds aan dek, over het ’s nachts tegen een onbekende aankruipen op zoek naar dat beetje warmte op een winderige, altijd te grote oceaan. En ook over het urenlange wachten in de grote hal van Ellis Island (…) ook over die spanning kon hij niet echt praten.”

Intussen verging het Gustave Van Alstein niet zo slecht als het gros van de emigranten.

“Ik mocht alleen nooit vergeten, dat mijn grootvader de angst had gekend voor mogelijke mislukking in Amerika, dat hij een naamloos deel was geweest van een dek vol verschoppelingen; en toen toonde hij uiteindelijk toch maar een foto van de ss Lapland, dat dierbare schip dat ik aandachtig moest bekijken. (…) Het was slechts veel later, toen Gustave al lang gestorven was, dat mijn vader ook dit verhaal van zijn vader wat aan de werkelijkheid aanpaste: Gustave was eigenlijk heel comfortabel de oceaan overgestoken. Tweede klas, een ruime hut (door zijn vader betaald), elke avond een verzorgde tafel, in keurig wit gestoken kelners die opdienden; na het eten een sigaar in de stijlvolle rookkamer; en tegen de eiken panelen van dat rooksalon hing boven de gemakkelijke fluwelen banken zelfs geen foto van een Balkanemigrant.”

Wrakken

Het werk aan de dokken zelf werd zelden beschreven. Toch geven twee boeken ons er een idee van. Het eerste is Wrakken van Emmanuel De Bom.

Emmanuel De Bom, ca. 1893.

“Met verroesten kiel en beschadigden boeg was de Valdemar de haven binnengelopen, en lag nu sedert drie dagen vastgemeerd in het Groote Dok om zijn lading te lossen. Terwijl manschappen hamerden en klopten op de voorplecht, en twee matrozen op een plank, die zij tegen de verschansing aan boven het water gehangen hadden, den rossen ontverfden wand brandden en afkrabden, om er dan met meterlange borstels een nieuw laag donker groen op te strijken, lag aan ’t ander eind van het schip het groote luik open; als een groote geopende buik gaapte de donkere schipholte, waar koopwaren in gele met blik beslagen kisten ordelijk gerangschikt lagen.”

“De windassen raasden, een sissende dampstraal proestte de lucht in; een ketting bengelde kronkelend omhoog, verdween in het ruim en vischte er ijzeren staven op; struisch geschofte paarden, met breeden, gekromden nek en goedige ogen, sjorden ze dan in heele bundels kletterend voort, terwijl twee dampstralen uit hun wijde neusgaten spoten. Krengen en scheppers vol balen en kisten, werden voortgestouwd, de koopwaren aangehaakt, opgelaten of neergehaald. Het schip lag daar als een willig beest (…).”

Een klipper, ca. 1855.

“De schemering was reeds gedaald en over de ploeg werklieden viel de roode gloedschijn der smokende wieklampen, waartegen de masten helgeel opflakkerden. De omliggende schepen, met hun talrijke masten en hun want als een spinnewebbe begonnen in de violette avondlucht in vage schaduwen weg te kwijnen. In het water spiegelden de gaslantaarns. Eén voor éen blonken in de masten de avondlampjes op. De stapelhuizen, groote massieve donkere brokken, die achter de schepen der overzijde machtig oprezen en het gezicht afsneden, deinsden in den donkere langs om meer weg.”

De doolaar en de weidse stad

Een soort “vervolg” op deze openingsscène vormt de volgende passage uit de korte, sociaal bewonen roman De Doolaar en de weidse Stad (1904) van Lode Baekelmans. De auteur vertelt de lotgevallen van Lieven, die zopas van zijn dorp naar de stad is verhuisd en aan de slag gaat als dokwerker.

“Aan de kaai stonden reeds, in groepjes, de wachtende werkers, verder zaten er op kisten en balen onder het afdak. Terwijl het stoomschip, log aandrijvend, de borstwering hoog boven de wal (…) stillekes bijdraaide, liepen forelieden, de meestergasten, van groep tot groep, aanwijzend de verdeling der dagtaak. Stouwersbazen, – dikke heren met gouden kettingen over het wit geribde gilet (…) -, – riepen in een Engels bargoens tot de loods en het scheepsvolk, daarbij geweldig vloekend.” (…)

“De Waesland lag thans met zware touwtrossen aan de meerpalen vast. – Vlug werden nu bruggen gelegd, gangen, zei het volk; de luiken open gelegd, en hele scharen daalden in de gapende openingen van het duistere scheepsruim.” (…)µ

“Wagens met manslange spiekwielen, rolden af en aan, de stoom siste, sloeg wolkend en klam hem in het gezicht, de kranen haalden de goederen op, en de ketting zakte snel neer. Men herbegon terwijl de man aan het luik en de kraanvoerder krakeelden.” (…)

Lode Baekelmans.

“Zijn aders zwollen”

“Tolbeambten wandelden fluitend en lui, of sloegen een praatje met de politie; natiebazen deden bedrijvig; markeerders schreven de aangevoerde waren op, wogen na en onderzochten de merktekens. Forelieden waakten alom, en de werkers sjouwden in koortsige haast kisten en vaten, balen, zakken en passagiersgepak.” (…)

“Rustig zat een vrouw zakken te verstellen, bestoven met pluisjes; een geneverleurster ging van ploeg tot ploeg en een manke knaap keerde vuilnis en stof tussen de onregelmatige kasseien uit. De atmosfeer was bezwangerd met teer en waterdamp, en de mengelreuk ener stapelplaats onder open lucht.”

“Lieven deed zijn best (…) wrocht uit alle kracht. (…) hij wou de vermoeienis niet voelen die hem in de benen sarde, bleef taai in het geweld van de vreemde arbeid, de rug gebroken, de armen als ontwricht, duizelig door de wemeling. (…) Werktuigelijk, keer op keer, hernieuwde hij de krachtinspanning… Zijn lenden kraakten, het zweet parelde van zijn lijf. Zijn aders zwollen en de slapen klopten opgewonden.”

De Waesland.

De Antwerpenaar begrijpt zijn haven niet al te best, maar gaat graag “naar de boten zien”. Vóór de rectificatie van de kaaien kuierde hij over het Burchtplein en onder de platanen op de Jordaenskaai. Na 1885 kon hij terecht op de nieuwe wandelterrassen boven de loodsen langs de kade.

In Antwerpen 1900 noteerde Van Offel:

“De terrassen hadden hun getrouwe bezoekers. De bedaagde liefhebbers die reeds gedurende vele jaren, schier dag voor dag, de lucht boven hun stroom kwamen opsnuiven, tegen de balustrade aangeleund, met de natuurlijke verrekijkers van hun eigen ogen, nagaande het leven op ’t water, en verkennend de transatlantieker alreeds als die, heel ver, boven de polder van de linkeroever, in de Schelde te voorschijn komt. Zij wisten al de voorname schepen te noemen en onder welke vlag zij voeren. Er waren oude zeelieden onder hen, schipperkens, maar ook gewone burgerkens die de liefde tot al dat zeewezen hier aantrok. Dan de slenteraars (…) tuk op het nooit versmade genot van anderen te zien werken, nagaande ’t bedrijf van lossen en laden, van de dokkers klimmende en dalende, met de zak op de schoft, op en af de planken voerende van de kade aan boord; van de wijzen van vaten en balen of zakken te verporren, in ’t rumoer van motoren, kranen en kettingen, en ’t hees geschreeuw van de foremen, en zo meer.”

Maurice Gilliams

Sinds de jaren 1970 valt er vanop de wandelterrassen maar weinig havenactiviteit meer te bespeuren. Maar de promenade blijft populair, zeker nu in het toeristisch seizoen cruiseschepen aanleggen ter hoogte van het Zuiderterras.

Maurice Gilliams.

Totaal anders van tonaliteit dan het “rode” proza van Baekelmans, zijn de herinneringen van Maurice Gilliams in De Man voor het Venster – een titel die hij ontleende aan het beroemde schilderij van Henri De Braekeleer:

“Als kleine jongen zat ik ’s zomers met mijn vader aan het Loodshuis uit te rusten van onze lange wandeling aan de havenkant; we hadden tot de Kattendijksluis of het Oud Palinghuis gelopen, en verder nog langs de groene Scheldedijk tot aan het dorpje Oosterweel. Lijk fiere monsters uit de voortijd kwamen de stomers de rivier opgevaren. Wij gingen in het gras zitten en tuurden naar het verre Antwerpen, dat op dit uur gedroomd scheen, met een karmijnen schittering van de ondergaande zon in de vensterruiten van de huizen langs de kade. (…)”

De Liège van de rederij Deppe, ca. 1955.

“Meer dan eens werden we door het vallend avonddonker verrast. Van tussen de kruimig riekende houtstapels, uit een doolhof van nauwe gangetjes waar de vaderlandlozen liefst een schuilplaats zochten voor de komende nacht, verscheen de politie met grote hijgende honden. Als op een vergeten zeemansgraf lagen er jaren achtereen, op hetzelfde plekje met onkruid, opgehoopte kettingtrossen en ouderwetse ankers uit de tijd der zeilschepen. Onzichtbare wagons botsten tegen elkaar. Er was ergens de plotse ontsteltenis van een plons in het water. Stilaan begon alles meer en meer te vergrauwen; de stapelhuizen zagen er uit als zwartgebrande resten na een onweer. Het gefluit van een trein trok een pijnlijke draad door de lucht. En zo kwamen we dan over de bruggen, in de Nassaustraat, op het Van Schoonbekeplein, waar de winkelramen reeds waren verlicht. Oliegoed en laarzen voor zeelieden hingen buiten, bewegend in de wind, als reuzezware cadavers van naamloos weergekeerden over gedroomde oceanen.”

Paul Van Ostaijen

Het is niet één van de dingen waarvoor hij bekendheid geniet, maar ook de poëzie van de modernist Paul Van Ostaijen (1896-1928) weerspiegelt aspecten van het Antwerpse stadsbeeld. In het minder bekende, maar fraaie gedicht Nieuwe Liefde uit de bundel Het sienjaal (1918) roept hij, intenser dan wie ook, de sfeer op van de buurt bij Bonaparte-, Willem- en Kattendijkdok – Het Eilandje, zeg maar – met haar brede, naar exotische oorden genoemde straten en immense pakhuizen:

“Daar gaat mijn nieuwe liefde waar noordwaarts der stad / de straten saamlopen op dokken, stroom, kanalen en stapelhuizen / en zich weer in eindeloze dokken splitsen en verbreden, ’t land in. / Alles is nieuw nu, door deze zomer; de onbekende straten dragen namen van rivieren en van landen, ook van steden; / alles is zo tastbaar wezenlik, spijts het vaag suggestieve van die namerij. / rijpt nu zang om het geluk dat lacht uit stapelhuizen, / speelt over de blinkende rails van de spoorweg, de ijzeren bruggen en de elevators. Mijn nieuwe geluk brandt”

Een minder bekende Antwerpse expressionist is Victor J. Brunclair (1899-1944). Brunclair schreef gedichten à la Van Ostaijen én proza. In Weerspiegeld Antwerpenis een beschrijving opgenomen van Het Eilandje – één van de volledigste die ooit zijn geschreven, compleet met de afvaart van een Red Star-schip.

Victor J. Brunclair. 

“De Montevideostraat, zij suggereert zo volheerlik de landen van de tweede kans – is een cloacum, waar alles doorelkaar wriemelt dat zijn laatste kans heeft gemist. Schorre sjouwerlui, half gekraakt en schier hoorndul door een onmatig gebruik van ersatzporto zingen er dronkemansliedjes voor hun gemelik kroost. Morsige boefjes azen er op kattekwaad, spijts het scheldend vermaan der katijven. (…) Zo belanden wij dan, het is scheepsvertrek, en de flanken van de transatlantieker sidderen van ongeduld naar de kozing van het ruime sop, op de Rijnkaai, die a giorno tintelt in de malve avond. Havenlichtjes knipogen. De janmaten maken goede sier. En versufte landratten proeven een rondeken mee. Dat is namelik een recept, om zonder ongemak de zilte plas over te steken. Een deugdelike dozis zatheid traint je voldoende om het rollen van ’t schip triomfantelik te doorstaan. Bombaymannetjes trippelen voorbij en Orientvizioenen doortinten hun gitogen.”

De SS Lapland.

“Gelegenheidsliefjes staan te wenen om het afscheid, en de bootsgezellen beloven plechtig te zullen schrijven. De waardinnen achter de schenkbank zijn duchtig in de weer en houden hun boekhouding met dubbel krijt. Dan begint de buikspraak van de zeekolos. En de orchestrions moeten het afleggen tegen zijn basgeluid. De laatste koopwaar en de laatste manschappen worden aan boord gehesen. Katrollen krijsen voor het laatst. Aan wal begint het gekrijs over heel de lijn. Als de gangway wordt gelicht vlinderen zakdoekjes. Een geïmproviseerd quatuor op het dek heft een vaarwelzang aan zwaar van weemoed en nostalgie. Op het donkere tussendek groezelen Polakken. Korte kommando’s knallen, en adieu, daar gaat ie. De wimpel in top spant zich strak. De schroef waaiert waterparelen. Het schip vaart als een gratievolle reus sierlikschoon de nacht tegemoet.”

B  i   b   l   i   o   g   r   a   f   i   e

ALSTEIN. Het Uitzicht op de Wereld. Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 1984.

 BAEKELMANS, L. De Doolaar en de weidse Stad. Zele, DAP Reinaert Uitgaven, s.d. (1978), 6de.

BOM, DE, E. Wrakken. Manteau, Antwerpen, 1988 (4de).

Bouwstoffen voor de Geschiedenis van Antwerpen in de XIXde eeuw. Instellingen. Economie. Cultuur. Antwerpen, Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis en Lloyd Anversois, 1954.

DEPREZ, A., GOBBERS, W. en WAUTERS, K. (RED.) Hoofdstukken uit de Geschiedenis van de Vlaamse Letterkunde in de negentiende eeuw. Deel 1 en deel 3. Gent, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal-en Letterkunde, 1999 en 2003.

EEKHOUD, G. La nouvelle Carthage. (Anastatische herdruk van de Parijse editie van 1914). (Collection Ressources nr. 135). Parijs; Genève, Slatkine, s.d. (1982).

GILLIAMS, F. De man voor het venster, 1932-1940. (Vlaamse Bibliotheek nr. 8) Antwerpen, Houtekiet, 2000.

Histoire de la Littérature belge francophone 1830-2000. S.l.n.d. (Parijs, Librairie Arthème Fayard, 2003).

LAMPO, J. Tussen kaai en schip. De Antwerpse havenbuurt voor 1885, Leuven, Davidsfonds, 2002.

LAMPO, J. Verzonnen Stad. Antwerpen in de literatuur – literatuur in Antwerpen, Antwerpen; Amsterdam, Manteau, 1994.

LUCIEN, M. Eekhoud le rauque. S.l.n.d. (Rijsel, Presses universitaires du Septentrion, 1999.

OFFEL, VAN, E. Antwerpen 1900. Antwerpen, De Sikkel, 1950.

OFFEL, E. VAN. Vader vertelt. Antwerpen, De Dageraad, 1982.

OSTAIJEN, VAN, P. Verzameld Werk. Poëzie. 2 delen. Amsterdam, Bert Bakker, 1979.

POFFÉ, E. Plezante Mannen in een plezante Stad. (Antwerpen tusschen 1830 & ’80). Antwerpen, J.-E. Buschmann, 1913.

SLEECKX, D., In ’t Schipperskwartier. Brussel, Uitgeverij Steenlandt, 1943.

Weerspiegeld Antwerpen. Hoe ’t vroeger was: onze Schrijvers over hun Stad. Antwerpen, De Sikkel, 1929.

WILMARS, D., ‘Arm Vlaanderen’ zingt of Het Geluk der Onbewusten, Antwerpen, De Dageraad, s.d. (1975).

Geschiedenis – Brabo

In het midden van de Antwerpse Grote Markt, vóór het Stadhuis, prijkt de Brabofontein van beeldhouwer Jef Lambeaux. De basis bestaat uit blokken basalt. Aan de zuidkant kruipt een monsterachtige hagedis naar boven; onderweg krijgt ze het gezelschap van een zeeleeuw. Aan de noordzijde ligt het onthoofde lijk van de reus Antigoon. Vlakbij zit een schildpad.

De Brabofontein op de Grote Markt

Hoger dragen drie zeemeerminnen twee boten – of zo lijkt het toch, want in werkelijkheid torsen de sirenen drie stevens, waarvan men er echter altijd maar twee ziet. Op de boten rust een model van de Antwerpse burcht, zoals ze staat afgebeeld op het stadswapen (maar in plaats van drie- is ze hier vierhoekig). Het bovenlijf van de meerminnen is naakt. Hoewel hun geschubde staart bij hun middel begint, wordt hun liesstreek nog eens extra zedig bedekt door de staart van een vis.

Bovenop de burcht prijkt Brabo, een forse jongeman, klaar om de afgehakte hand van de reus weg te slingeren. Hij houdt de vingers nog net vast met zijn rechterhand; zijn linkerarm houdt hij gebogen ter hoogte van zijn schouders. Lambeaux beeldde Brabo af alsof hij kwam aangerend: zijn rechtervoet rust op de burcht, maar zijn linker heeft de grond nog niet bereikt. Het afgehakte reuzenhoofd bungelt naast de burcht; bij nader toezien blijkt Brabo’s rechtervoet op Antigoons lange haar te staan, zodat het hoofd niet naar beneden rolt.

Brabofontein, détail

Ooit kende iedere Antwerpenaar het dramatische verhaal dat Lambeaux in brons heeft uitgebeeld. In het Steen woonde de vervaarlijke reus Druoon Antigoon. Van iedere schipper die over de Schelde voorbijvoer, eiste hij tol. Wanneer een schipper niet kon of wilde betalen, nam de reus hem gevangen en hakte zijn rechterhand af, die hij vervolgens in de stroom wierp. Toen verscheen de dappere Romein Salvius Brabo. Hij trad met Antigoon in het strijdperk en overwon hem. Op zijn beurt hakte Brabo de hand van de reus af en mikte ze in de Schelde. Hieraan dankt Antwerpen zijn naam (van “hand-werpen”) en daarom prijken in het wapenschild van de stad twee handen.

In de late middeleeuwen koesterden de hertogen van Brabant grote territoriale ambities. Aan hun hof ontstonden verhalen die de hoge afkomst van het hertogelijke huis moesten illustreren. De schrijvers ervan lieten de hertogen via de (legendarische) stamvader van de Merovingers afstammen van de Trojaanse koning Priamos en van Julius Caesar. Een episode uit een van deze geschiedenissen gaat over de zwaanridder Helias en Elsa van Brabant.

Elsa, dochter van de onlangs overleden hertog, woont in de burcht van Antwerpen. Zij wordt bedreigd door de ridder Telramund, die haar wilde huwen om zelf hertog te worden. Om de zaak te beslechten, organiseerde men een tornooi.

Op dat ogenblik verschijnt, in een bootje dat wordt getrokken door een zwaan, de ridder Helias (de zwaan is in feite zijn betoverde broer). Helias neemt het op voor Elsa en verslaat Telramund. Hij trouwt met haar op voorwaarde dat ze hem nooit naar zijn naam en afkomst zal vragen. De twee krijgen een dochter, Ida, die de moeder van Godfried van Bouillon zal worden. Alles gaat goed, tot Elsa toch naar Helias’ ware identiteit vraagt. Prompt verschijnt de zwaan met het bootje en Helias vertrekt.

Op het einde van de 13de eeuw verwerkte de Duitse dichter Wolfram von Eschenbach het verhaal in zijn graalroman Parzival. Hier is het Parzivals zoon, Lohengrin, die met een bootje, getrokken door een zwaan, naar Antwerpen komt om Elsa te redden. De tragische afloop blijft identiek.

Dankzij Wagners opera Lohengrin kreeg de episode vanaf de 19de eeuw grote bekendheid. Het feit dat het hele werk in Antwerpen speelt, droeg bij tot de plaatselijke Wagnercultus. Nadat men in de Scheldestad al verscheidene aria’s had kunnen horen tijdens concerten, ging de opera in 1889 in première in het Théâtre Royal (beter bekend als de Bourlaschouwburg), waar de Franse opera was gevestigd. Het Nederlandsch Lyrisch Tooneel bracht Lohengrin op zijn beurt in 1896. Wagner zelf, die Antwerpen in 1860 bezocht, was teleurgesteld toen hij de povere resten van de burcht te zien kreeg.

“Tafelmodel”-Brabo

Vanaf de 13de eeuw trokken dichters zoals de Vlaming Jacob van Maerlant fantastische verhalen als dat van de Zwaanridder in twijfel. Na 1300 sprak ook de Antwerpse schepenklerk Jan van Boendale in niet mis te verstane termen zijn ongeloof uit: “Maar zijt des zeker en gewis, / Wat men van den zwane zeggende is, / Is al loghene gheveinsde”.

Auteurs die voortaan een boom wilden opzetten over de hoge afkomst van de Brabantse hertogen, waren gedwongen om een redelijker verhaal op te dissen. Toch putten ze daarbij nog altijd uit bekende stof, zoals de belegering van Troje door de Grieken of de Arthurromans.

De personages Breboen en Druoen duiken voor het eerst samen op in de kroniek van Hennen van Merchtem, die van 1414 dateert. Breboen is een ridder uit het gevolg van Octaviaan, de zoon van de keizer van Griekenland (!). Octaviaan komt naar de Nederlanden om zijn zuster Swane te zoeken, die is geschaakt door Karel van Nijmegen. Breboen ontdekt langs de Schelde een vallei waar zwanen leven – een “Val aux Cygnes”, vanwaar de plaatsnaam Valenciennes. Hij achtervolgt één van de zwanen tot in Nijmegen. Daar vindt hij Swane. Zij geeft Breboen een kistje dat hij aan Octaviaan moet geven.

Op de terugweg verdwaalt Breboen en belandt bij de reus Druoen. Die eist van iedere voorbijganger paard, wapens en één hand als tol. Breboen verslaat de reus en hakt zijn hoofd af. Later zal hij bovendien met Swanes dochter trouwen en zijn naam aan het land Brabant schenken. Hennen van Merchtem haalde de naam van zijn held uit een 13de eeuwse Roman van Caesar waarin Brabo een koning van Tongeren en een verwant van de Romeinse veldheer is.

De Nijmeegse kanunnik Willem van Berchem verhaalde omstreeks 1470 in een kroniek hoe de held Silvius de hand van de reus Antigoon afhakt en weggooit, wat aanleiding geeft tot het toponiem “Hand-Werpen”. De naam “Antigoon” lijkt een uiting van de toegenomen belangstelling voor de klassieke Oudheid. Van een Silvius Braboen die op veldtocht ging met Julius Caesar is echter al sprake in een genealogie van Godfried met de Baard uit 1356.

Jef Lambeaux, “De Kus”, Antwerpen, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten

In 1510 vond men tijdens graafwerken bij het Steen fossielen van een walvis. Men nam aan dat het om het schouderblad en de ribben van Antigoon ging. Daarom staat bij de afbeelding van het zgn. Reuzenhuis op de beroemde houtsnede van de rede van Antwerpen uit 1518 ook te lezen “dit es de borch waer de reus te wonen plach”. De beenderen hing men op in de schepenkamer van het oude schepenhuis. In 1521 toonde men ze aan Albrecht Dürer, die toen in de stad op bezoek was. Hij maakte er een aantekening over in zijn reisdagboek.

In 1512 nam Jean Lemaire de Belges (1473 – ca. 1524) het relaas van Willem van Berchem over in zijn Illustrations de Gaule et singularitez de Troye. Lemaire was een kroniekschrijver die enkele jaren aan het Mechelse hof van landvoogdes Margaretha van Oostenrijk verbonden was.

Marcus van Vaernewijck schreef het verhaal van Jean Lemaire de Belges over in zijn Spieghel der Nederlandscher Oudtheyt van 1568. Hij voegde er aan toe dat Brabo de hand van de reus tot in het midden van de Schelde wierp. Julius Caesar, aldus Van Vaernewijck, benoemde Brabo daarop tot markgraaf, gaf de plaats van Brabo’s overwinning de naam “Antwerpen” en stichtte er een burcht. De auteur noteert dat sommigen van zijn meer sceptische tijdgenoten Antigoon niet voor een reus hielden, maar voor een machtig gezagsdrager, die het vòòr de komst van de Romeinen aan de Schelde voor het zeggen had. Omdat Antigoon van Russische afkomst was, ging men hem later als een reus beschouwen.

De humanistische 16de eeuw met haar belangstelling voor de Oudheid adopteerde de middeleeuwse Brabo. Hij groeide uit tot het symbool van de stedelijke vrijheden van Antwerpen en van de politieke modus vivendi die de Brabanders in de loop der eeuwen met hun hertogen hadden bereikt. Zeker toen de spanningen met de Spaanse koning Filips II hoog opliepen, riep men de held maar al te graag te hulp. Daarom prijkte aan de voorgevel van het nieuwe Stadhuis, voltooid in 1564, een Brabobeeld – dat men na de val van Antwerpen in 1585 op initiatief van de jezuïeten wegens te “heidens” verving door een madonna! Het verhuisde naar het Reuzenhuis in de Burcht.

Maar Brabo kwam terug, al moest hij bijna driehonderd jaar wachten.

Van het Antwerpse stadswapen weten we inmiddels dat het ontstond uit het stadszegel. Het oudste zegel dateert van het einde van de 12de eeuw. We zien een burchttoren of donjon, met daarnaast een arm die een vaandel draagt. Vanaf 1239 gebruikte men een nieuw zegel, met een burcht. Op de burcht prijken vaantjes met de afbeelding van een handschoen, niet van een hand. Pas in de 17de eeuw plaatste men op het stadszegel twee handen boven de burcht (al gebruikte men handjes reeds in de 15de eeuw als keurmerk op de producten van de Antwerpse kunstambachtslui). Deze handschoenen hebben niets te maken met Brabo en Antigoon, maar symboliseren de macht van de vorst, hetzij de Duitse keizer, hetzij de hertog van Brabant.

In de 19de eeuw groeide Antwerpen opnieuw uit tot een belangrijke haven. Nadat de Belgische staat in 1863 de Scheldetol afkocht van Nederland, leek er geen rem meer op de groei te staan. Die heuglijke omstandigheid maakte bij het liberale stadsbestuur de herinnering wakker aan de Romeinse held en de vervaarlijke reus. Ook al omdat het verhaal geen enkel “katholiek” element bevatte, en via de verdwenen Brabo van het Stadhuis verwees naar het protestantse stadsbestuur uit de periode 1578-1585.

Kortom, de notoir vrijzinnige beeldhouwer Jef Lambeaux, vrijmetselaar en van geen schandaaltje vervaard, mocht een Brabofontein bedenken. In 1883 stelde hij “eene groep” voor, “die hij zou wenschen uit te voeren om geplaatst te worden op eene openbare fontein en die de legende van den reus Druon Antigoon voorstelt.”

Lambeaux was zelf aan de Grote Markt geboren, in het huis De Witte Ketel (nr. 41). Zijn vader was koperslager. Lambeaux studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Zijn leermeester daar was Jozef Geefs.

In 1877 maakte Lambeaux het monument voor de protestant Jacob Jordaens in Putte, vlak over de Nederlandse grens. Vier jaar later exposeerde hij in het Salon van Brussel het gipsen model van De Kus, die hij weldra in brons goot en aan het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten verkocht.

De “Appelmansgroep” aan de voet van de O.-L.-Vrouwekathedraal

Van zijn hand prijken in het stadsbeeld de bronzen beelden aan de gevel van het Hansahuis (hoek Suikerrui-Jordaenskaai) en de Appelmansgroep aan de voet van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Die laatste stelde men na Lambeaux’ dood samen met beelden die men aantrof in zijn atelier.

Zijn “slechte” reputatie dankt de beeldhouwer echter vooral aan het bas reliëf De menselijke Driften dat men, om de gevoelens van het publiek te sparen, onderbracht in een gesloten paviljoen bij het Brusselse Jubelpark.

Na enig getouwtrek besloot het College van Burgemeester en Schepenen dat Lambeaux’ Brabo op de plek moest komen waar van 1832, na de Belgische opstand, tot in 1882 een vrijheidsboom had gestaan. Men raamde de kosten voor de fontein op 72.000 frank, waarvan Lambeaux er 20.000 kreeg als honorarium. De Maatschappij der Waterwerken nam de helft van het totale bedrag voor haar rekening. De stad betaalde de rest met geld uit het legaat dat de zakenman Abraham Nottebohm had nagelaten voor de verfraaiing van het stadsbeeld.

Op het salon van 1885 kregen de Antwerpenaars het gipsmodel te zien van wat toen nog de Antigonusgroep heette. De katholieke pers was verontwaardigd over zoveel naaktheid en probeerde stokken in de wielen te steken, maar zonder succes. In 1886 kreeg een Brusselse bronsgieterij opdracht de stukken van de fontein te gieten. Aanvankelijk wilde het stadsbestuur het monument opstellen in de Wereldtentoonstelling te Parijs in 1889, maar daar kwam niets van in huis. Brabo werd op 21 augustus 1887 plechtig onthuld.

Lambeaux schrok niet terug voor seks

In 1901 schreef de Franstalige romancier en journalist Georges Eekhoud in het tijdschrift Mercure de France: “Lambeaux, de beeldhouwer, die haast eer stelt in zijn gebrek aan ontwikkeling en opvoeding, heeft in dit opzicht een erg nadelige invloed uitgeoefend, zowel op jonge schilders als op tal van beeldhouwers. Om authentiek Vlaams te doen, laat hij ons zoveel mogelijk vlees zien – vlees dat hij ons per gewicht onder de neus schuift, zoals in een slagerij.” En na de dood van Lambeaux in 1909 verweet Herman Teirlinck hem dat hij “al te oneerbiedig de ledige virtuositeit” najoeg.

Eekhoud en Teirlinck, geen van beiden katholiek of conservatief, schreven hun bedenkingen neer op een ogenblik dat de kunst van Lambeaux, zowel naar inhoud als naar vorm, voorbijgestreefd was door het symbolisme en de art nouveau. Toch is hun oordeel, achteraf bekeken, niet helemaal rechtvaardig: alle potsierlijke details ten spijt, getuigt de Brabo op de Grote Markt van dynamiek en van een groot ruimtelijk gevoel die de nieuwe kunst reeds aankondigen. Ook daarom is de fontein uitgegroeid tot een icoon van de stad.

Literatuur – “Hete kussen en opwindende handtastelijkheden” – Het Antwerpen van Georges Eekhoud

“De vakantie verliep zoals de vorige. Het enige verschil was dat Laurent in het grote, opnieuw bemeubelde huis meer nog dan voordien aan zijn lot werd overgelaten,” schrijft de Franstalige Antwerpse romancier Georges Eekhoud (1854-1927) in zijn roman La Nouvelle Carthage (1888, definitieve versie 1893).

Georges Eekhoud en zijn vader, ca. 1860.

Eekhoud was atheïst, homoseksueel en anarchist. Hij toonde sympathie voor de Vlaamse Beweging. Geen wonder dus, dat België het moeilijk met hem had. Maar Eekhoud had invloedrijke medestanders in Brusselse literaire middens. Dat leverde hem op het eind van zijn leven toch nog de nog de nodige eerbewijzen op.

De hoofdpersoon van La nouvelle Carthage is Laurent Paridael, een wees die opgroeit in het huis van zijn oom, de rijke kaarsenfabrikant Dobouziez.

“Hij benijdde de afgedankte meubels die op de halfdonkere, stoffige zolder van een welverdiende rust genoten. Ze vielen niet meer in de smaak, maar de vernederende confrontatie met hun opvolgers bleef ze tenminste bespaard. Terwijl hij, die de familie nooit had bevallen, nog altijd het gevoel had dat zijn aanwezigheid een valse noot was tussen de overdadige snuisterijen en de schrale planten.”

Eekhoud verwerkte feiten uit zijn eigen jeugd. Net als zijn protagonist was hij de zoon van respectabele, maar arme ouders (1). Zoals kleinburgers betaamde, spraken de Eekhouds Frans (de schrijver betreurde later dat hij niet genoeg Nederlands kende om in die taal te schrijven). Eekhouds moeder, Guillemine Oedenkoven, was van Hollands-Duitse afkomst. Zij was een gecultiveerde vrouw die haar zoon liefde voor literatuur en muziek bijbracht. Na haar dood woonde Eekhoud een tijd bij zijn grootmoeder Oedenkoven. Toen in 1865 ook zijn vader stierf – Eekhoud noemde hem, met veel overdrijving “patricien de grande race avec des goûts d’ouvrier et de paysan” – werd de elfjarige aan de zorgen van zijn oom Henri Oedenkoven toevertrouwd. Oedenkoven was mede-eigenaar van de bekende kaarsenfabriek De Roubaix-Oedenkoven in Borgerhout, waar hij later burgemeester werd.

Toch vatte Georges Eekhoud, die zich zou ontpoppen tot een groot bewonderaar van Emile Zola, La Nouvelle Carthage minder op als een autobiografie, dan als de beschrijving van een milieu: Antwerpen. Omdat de roman, de slappe intrige ten spijt, in eerste instantie een portret van de stad is, waarvan ook de zelfkant uitgebreid aan bod komt, kreeg het boek een mythisch statuut: velen hebben ervan gehoord, maar weinigen lazen het. Het feit dat het Franse origineel niet beschikbaar is in de boekhandel (in 1984 verscheen bij de Parijse Editions Slatkine in de Collection Ressources een anastatische herdruk) en dat de enige vertaling al uit de jaren 1920 dateert (de citaten in dit artikel vertaalde ik zelf), is daar niet vreemd aan.

Antwerpen in 1880.

Het Antwerpen in La Nouvelle Carthage is dat van de jaren 1870-1880: een stad in volle ontwikkeling, die op het ogenblik van de publicatie van de roman bijna onherkenbaar was geworden. Het boek is dus ook, maar niet op een naïeve manier, de neerslag van een groot heimwee naar een wereld die in de vergeetput van de geschiedenis viel.

In 1843 was de Ijzeren Rijn, de spoorweg tussen Antwerpen en zijn Duitse hinterland, voltooid. Twee decennia later kocht de staat de tol af die Nederland sinds de afscheuring van België op de Schelde hief. De toenemende trafiek noopte tot de uitbreiding van de haven in het noorden. De afbraak van de 16de-eeuwse omwalling ontsloot de dorpen om de stad, die hun agrarisch karakter verloren. Omdat de steeds grotere zeeschepen dreigden vast te lopen in de modder van de schuin oplopende Schelde-oever voor Antwerpen, besloot men in 1877 hem recht te trekken en nieuwe kaaimuren te bouwen.

Bij die gigantische onderneming werd het oude stadsdeel op en om de Werf afgebroken. De landtong zelf werd volledig weggegraven. Daarbij verdwenen de romantische promenade met platanen langs de stroom, en de schilderachtige, maar ongezonde ruien of stadskanalen. Ook de Riedijk – Eekhoud schreef “Riet-Dijk” – de beruchte rosse buurt, werd van de kaart geveegd.

Het bedrijf van Eekhouds oom Oedenkoven stond aan de ’s Herenstraat, ten noorden van de Herentalse Vaart en de Plantin-en Moretuslei. Die laatste was toen nog een landweg; enkele jaren na de publicatie van de roman bouwde men aan de overkant de wijk Zurenborg. Aan de fabriek, die tot in de jaren vijftig bleef bestaan, wijdde Eekhoud enkele van de scherpste bladzijden in La Nouvelle Carthage:

“De geur van de fabriek bleef in Laurents neus hangen. Vooral de stank van de gracht die langs het immense fabrieksterrein liep. Daar werden de vette bezinksels en giftige zuren geloosd die bij de raffinage van het kaarsvet vrijkwamen. De smerige uitwasemingen vermengden zich tot een vette, zalfachtige geur, die Laurent tot in de gangen van het pensionaat achtervolgde, opdringerig als een vulgair deuntje dat hij niet uit zijn hoofd kon zetten. (…) De dag van Laurents afreis was de bedorven gracht ook de laatste om hem uitgeleide te doen. Ze volgde hem als een verloren, schurftige teef, die een armoedige voorbijganger naloopt.”

Georges Eekhoud omstreeks 1866.

“(…) De mensen die in de nabijheid van de gracht woonden, waren arme stumpers, volkomen afhankelijk van de machtige fabriek. Onder elkaar morden ze wel, maar luidop hun beklag doen, durfden ze niet. Hun gelatenheid sterkte de patroons in het voornemen de hoge kosten die de overwelving van het riool zou meebrengen, uit te stellen. In de loop van die augustusmaand brak echter een cholera-epidemie uit die hen aan het denken zette.”

“Aangelokt en versterkt door de uitwasemingen van de gracht, hield de plaag in de omgeving van de fabriek heviger huis dan in eender welke andere wijk van de stad. De inwoners van het voorgeborchte stierven als vliegen. Hoewel de overlevenden vreesden dat openlijk protest hongersnood over hen zou brengen, meenden de Dobouziez’ dat ze de bevolking die zich in stilte tegen hen keerde, moesten paaien.”

De jonge Eekhoud was ook getuige van society-aangelegenheden als een boottocht met een jacht naar Hemiksem of een bal, opgeluisterd door de aanwezigheid van de hele haut commerce van de stad. Ze kwamen allemaal in zijn boek terecht. Maar zo ver was het nog niet.

Om Eekhoud voor te bereiden op het zakenleven, stuurde zijn oom hem in 1866 naar een chique kostschool in Zwitserland. Naar eigen zeggen werd Eekhoud er verteerd door heimwee. Hij las de klassieken van de wereldliteratuur én Conscience, die hij ook als volwassene bleef bewonderen. Later, in 1881, zou Eekhoud hem zelfs het enige interview afnemen, dat hij in boekvorm liet verschijnen.

Hendrik Conscience.

In 1882 werd Eekhoud leerling aan de Koninklijke Militaire School in Brussel. Hij kreeg er Franse literatuur van Charles de Coster (1827-1879), de schrijver van La Légende d’Ulenspiegel. Eekhouds literaire ambities – zijn eerste gedichten stammen uit zijn Zwitserse tijd – namen stilaan vaste vorm aan, maar zijn prestaties als student lieten te wensen over. Ten slotte werd hij van de school verwijderd na een duel met zijn medeleerling Camille Coquilhat, de latere medewerker van Stanley en vice-gouverneur-generaal van de Congo Vrijstaat.

Oedenkoven wist geen raad meer met zijn pupil en liet hem meerderjarig verklaren, zodat Eekhoud de kleine erfenis van zijn vader kreeg. Inplaats van een betrekking te zoeken, zwierf de jongeman door Antwerpen en door de Kempen. Uit geldnood werd hij ten slotte corrector en later journalist bij het dagblad Le Précurseur. Op kosten van zijn grootmoeder, die ook zijn dichtbundels Myrtes et Cyprès, Zigzags Poétiques (1877) en Les Pittoresques (1879) financierde, bezocht hij in Parijs Zola.

Georges Eekhoud als jongeman.

 In 1879 stierf oma Oedenkoven en erfde Eekhoud van haar. Hij betrok haar huis aan de Antwerpsesteenweg in Kapellen. Later beweerde hij dat drinkgelagen, jachtpartijen en ontvangsten elkaar daar in zo’n tempo opvolgden, dat ze de hem in een mum van tijd ruïneerden. Maar daar is niets van aan: zo bemiddeld was Eekhouds grootmoeder niet. Na twee jaar vertrok de schrijver met stille trom naar Brussel.

Eekhoud werkte er voor de krant L’Etoile belge. Hij produceerde ook Eugène Sue-achtige volksromans, onder meer onder de nom de plume Grabriel d’Estranges. Als zodanig schreef hij Le petit Mendiant ou le Chanteur des Rues bruxellois, gebaseerd op het succesvolle volksstuk De Brusselse Straatzanger van Julius Hoste sr. De Nederlandse versie van de roman vermeldde als auteurs D’Estrange en Hoste.

In 1883 verscheen Kees Doorik, Eekhouds eerste roman. De hoofdpersoon is een door afkomst en milieu gedetermineerde “primitief” uit de Antwerpse polders. Eekhoud bediende zich van een geraffineerde stijl met vele adjectieven, neologismen en archaïsmen. De synesthesie was een van zijn geliefkoosde stijlfiguren. Ondanks zijn grote gehechtheid aan de stad en de streek van zijn jeugd, ademde zijn oeuvre van in het begin een totaal andere sfeer dan de Vlaamse streekliteratuur van die tijd. Dat blijkt duidelijk uit de naturalistische novellen in Kermesses (1884) en Nouvelles Kermesses (1887).

Eekhoud raakte bevriend met Georges Rodenbach, Emile Verhaeren en Camille Lemonnier. Hij werd redacteur van het tijdschrift La Jeune Belgique, dat in de jaren tachtig een belangrijke rol speelde in de vernieuwing van de “Belgische” literatuur. Uit 1886 dateert Eekhouds contact met het socialisme. Zes jaar later werd hij medewerker aan de Entretiens littéraires et politiques, de latere Mercure de France, een anarchistisch blad dat het symbolisme propageerde. Vooral Rémy de Gourmond droeg ertoe bij dat hij met zijn verhalenbundels Cycle patibulaire en Mes Communions in Frankrijk doorbrak. Zodra La nouvelle Carthage begon te verschijnen, werd hij er beschouwd als de voornaamste Belgische schrijver.

Laurent Paridael wordt verliefd op zijn nicht Gina, dochter van de kaarsenfabrikant. Dat is de rode draad van een breed opgezet fresco van het sociale, culturele en politieke leven in Antwerpen. Kleurrijke, soms pathetische tonelen stellen de ellende van arbeiders en landverhuizers tegenover het zwarte egoïsme en de corruptie van een hooghartige burgerij.

Gina trouwt met de gewetenloze reder Béjard, ook al houdt ze van de jonge, links-liberale politicus Bergmans. Wanneer oom Dobouziez Laurent aan de deur zet, vindt deze in de stad een onderkomen bij Tilbak, een ontslagen arbeider van de fabriek. Laurent gaat werken bij een “natie” of veembedrijf. Hij komt onder de indruk van Bergmans. Na een felle campagne tegen de partij van Béjard en andere magnaten, lijdt diens partij bij de gemeenteraadsverkiezingen een nederlaag. Eekhoud gaat er niet diep op in, maar verwerkte hier herinneringen aan de strijd tussen de liberalen, die bijna de hele 19de eeuw in de stad aan de macht waren, en de Meetingpartij.

De Meetingpartij ontstond in de jaren zestig uit protest tegen de plannen van de regering voor een nieuwe fortengordel om Antwerpen. Reders en handelaren vonden dat funest voor de havenuitbreiding; de man in de straat vreesde dat zijn stad in geval van oorlog het doelwit van de vijand werd. Velen herinnerden zich het bombardement door Chassé. Ook het lot van Sebastopol tijdens de Krimoorlog lag nog vers in het geheugen.

De Meetingpartij verenigde katholieken, linkse liberalen en flaminganten. In 1862 won zij de gemeenteraadsverkiezingen. Het duurde tien jaar voor de liberalen het opnieuw in het stadhuis voor het zeggen kregen. De Meetinpgartij stootte ook door naar het parlement, waar haar afgevaardigden aan de basis lagen van de eerste taalwetten.

Via Bergmans maakt Laurent kennis met de componist Rombout De Vyvéloy – naar verluidt een portret van Peter Benoit – en de schilder Marbol. Béjard stort zich intussen in het zeer winstgevende transport van arme emigranten naar Zuid-Amerika. Agenten ronselen hen op het platteland en hij verscheept ze op nauwelijks zeewaardige boten. Eén van de aangrijpendste hoofdstukken van La Nouvelle Carthage is dat waarin een heel dorp, fanfare op kop, scheep gaat naar onbekende verten – ik citeer het in een van de volgende hoofdstukken.

Eekhoud wijdde ook uitstekende bladzijden aan het marginale volkje van de havenkant, zoals de runners die binnenvarende schepen tegemoet roeiden om hun waar aan de man te brengen en de matrozen mee te tronen naar een bordeel. Uit zijn werk en zijn vele contacten met socialisten en anarchisten blijkt dat Eekhoud een sociaalvoelend man was. Maar zijn voorliefde voor de bas fonds van de samenleving was toch vooral van esthetisch-persoonlijke aard. De beschrijving van het subproletariaat liet hem toe zijn eigen fantasmen en obsessies uit te schrijven.

Uiteraard kwam de roemruchte Riedijk uitgebreid aan bod.

“Tot de buurten die op het punt stonden te verdwijnen,” schreef Eekhoud, “behoorde de Riet-Dijk, een steegje dat achter de huizen aan de kade kronkelde. Aan de ene kant kwam het uit bij een kanaal, gebruikt als dok voor binnenschepen en kerkhof voor oude boten en aan de andere kant bij de langere en ook bredere Burchtgacht.”

“Hier klonterden de bordelen aaneen. Samen vormden Riet-Dijk en Burchtgracht de Blijden Hoek uit oude kronieken. In de steeg stonden de panden waar de liefde veel geld kostte; in de brede straat vond men de gelegenheden waar de prijs binnen het bereik van bescheiden en onzekere fortuinen lag. Rijken, marineofficieren, matrozen, soldaten – iedere klasse, iedere categorie van vaste klant vond hier de geschikte hoerenkast.”

Ger Schmook ontdekte in 1971 dat de naam Riedijk voor het steegje én voor de Burchtgracht werd gebruikt, en dus eerder op de rosse buurt in haar geheel sloeg, dan op één straat. Het steegje dat Eekhoud Riet-Dijk noemt, was de Haringvliet. Het kwam uit aan de Koolvliet – daaraan herinnert de naam van wat nu een pleintje is – en vormde het verlengde van de verdwenen Mattenstraat. Van de Burchtgracht staat nog een deel overeind.

Emile Zola, een van Eekhouds grote literaire voorbeelden.

“De gesloten huizen aan de Riet-Dijk paarden modern comfort en elegantie aan de luxe van de oude stoven en badhuizen. Men bedreef er ontucht op ingewikkelde, geraffineerde en langdurige wijze. In de goedkope tenten om de hoek kwamen de bezoekers eerder voor opluchting dan voor genot. Sterke soldaten of matrozen – hun bloed kookte na lange nachten van onthouding, doorgebracht in een slaapzaal of benedendeks – kwamen er hun moeizaam opgespaarde soldij over de balk gooien.”

“Zij hadden geen boodschap aan de amoureuze liflafjes en het gekir van de bewoonsters dat in de chique huizen aan de feiten vooraf ging. Ze behoefden geen sprankelende wijn, geen afrodiscia. De roes die zij verlangden, was die van de dronkaard die staande aan de tapkast van de slijterij zijn glas vitriool achterover slaat. De clientèle van de Riet-Dijk daarentegen, gedroeg zich als de epicuristen die in keurige cafés eindeloos van geparfumeerde likeurtjes lebberen.”

“La nouvelle Carthage”, anastatische herdruk, Parijs, Slatkine, 1982.

“’s Avonds jammerden en reutelden harpen, accordeons en violen er om het hardst. Hun gejank was van op grote afstand te horen; straten ver maakte het de voorbijgangers en reizigers nieuwsgierig naar dit begijnhof der liefde. Snelle melodieën, vulgaire ritmes, verknoopt met het geschetter van kopers en het gegil van fluiten – er viel niet aan te ontsnappen.”

“Op straat, aan de verlichte vensters, temidden van de kermisdrukte, probeerden geile wandelaars met geveinsde onverschilligheid hun hete interesse te verbergen.”

“Binnen scheen een concert of bal aan de gang te zijn; tussen de rode gordijnen zag men op het matglas het silhouet van mannen en vrouwen. Op de meeste drempels stond een vrouw in het wit op de loer. Zij speurde in beide richtingen de straat af en noodde potentiële klanten met aandrang binnen. Groepjes aangeschoten matrozen of soldaten zwierven gearmd rond en hielden bij wijlen stil om te overleggen of hun geld bijeen te leggen. Gaan ze naar binnen? Ze tasten hun zakken af, op zoek naar geld, tot de grollen van de leurster in liefde enkelen zo opwinden dat ze naar binnen stappen. De een na de ander volgt. De dapperen duwen de bangeriken vooruit.”

“Het zijn rekruten van de laatste lichting, pas verloofde groentjes die zich nog levendig de waarschuwingen van meneer pastoor tegen de wulpse sirenen van de grote stad herinneren. Ze lopen gebogen, lachen te hard en blozen tot achter hun oren. Hun dapperder kameraden, oudgedienden die zichzelf verkopen om in de plaats van een ander naar het leger te gaan, zetten een grote bek op – stoppen sommige nachtschonen hun geen geld toe, inplaats van omgekeerd? – en stoten resoluut de deur open. Het gropeje wordt opgeslokt door een helverlichte salon, waar men kussen, oorvegen en boze woorden hoort en rauwe stemmen volksliedjes en soldatenrefreinen ten beste geven.”

Antwerpse prostituée, door Félicien Rops.

“Anderen, die geen geld hebben, maar wel een broek vol verlangen, blijven rondslenteren. Om hun pech te compenseren, maken ze grappen met de loksters en doen hun obscene voorstellen.”

Eekhoud was niet de enige 19de-eeuwse schrijver die de Rietdijk bezocht. Voor hem waren Gérard de Nerval en Charles Baudelaire er geweest. Baudelaire bracht Félicien Rops mee en die trommelde de zoon van Victor Hugo op.

Volgens Schmook publiceerde ene Oscar Uzanne in 1900 in Parijs een boek waarin hij herinneringen ophaalde aan de Riedijk. Hij had het over het atelier van “la maman Van der Mijn” waar men sprekende (!) poppen in gummi maakte, “die de eenzaamheid van de varende gezellen hielpen dragen” en bekend stonden als mannequins d’Anvers.

Bij Eekhoud staat daar niets over te lezen. “Bij de hoek van de Riet-Dijk,” schreef hij, “is het zo druk dat men er slechts met moeite vooruitkomt. De groepen schuinsmarcheerders en nachtrabauwen vermenigvuldigen zich. Meisjes van plezier, zwaar opgemaakt maar in maagdelijk wit, heupwiegen voorbij aan de arm van de heer en meester die het toeval hun vanavond toewees.”

“De bordelen aan weerszijden worden groter en luxueuzer – kathedralen in plaats van kapellen. Ook de clientèle stijgt in rang. Aan de Riet-Dijk ziet men geen zeelui meer; de wijze Odysseus van de handel laat er zich samen met de vroegrijpe Telemachus bedienen door sirenen en Calypso’s die wel degelijk te troosten zijn. Dat gebeurt in gereputeerde huizen, bekend over de hele wereld, met namen en reputaties die sindsdien legendarisch werden.”

“Bij Madame Jamar ging men prat op de Grot, het weinig orthodoxe meesterwerk van een aannemer, gespecialiseerd in Lourdes-grotten. De klanten van Madame Schmidt apprecieerden vooral de discretie, gewaarborgd door de aparte ingangen tot haar kleine salons, ingericht als de triclinia van Romeinse woningen. Madame Charles gaf hoog op van haar werkneemsters uit de vier windstreken en hun onberispelijke dienstverlening. Bovendien liet zij haar bezoekers de rekening vereffenen hoe en wanneer het hun uitkwam.”

“Alleen in het Palais de Cristal vond men beminnelijke en kersverse Engelse dames, terwijl het Palais de Fleurs zijn naam alle eer aandeed met vurige zuidersen, ja zelfs tempeldanseressen uit het Verre Oosten, wulpse Kreoolsen, vulkanische mulatinnen, betoverende quadronen en wispelturige negerinnen.”

Men zou de laatste paragraaf met enige slechte wil racistisch kunnen noemen, maar Eekhoud deed niets meer dan de vooroordelen van zijn tijd herhalen.

19de-eeuws bordeeltafereel uit de film ‘L’Apollonide. Souvenirs de la maison close” van Bertrand Bonello.

“Bordelen met kazernehoge gevels bestookten elkaar met het licht dat uit hun ramen naar buiten scheen. Vestibules zoals die in Pompei, met mozaïekvloeren, klaterende fonteinen en standbeelden, gaven een idee van wat binnen te verwachten viel. Achter spiegelglas, gedecoreerd met symbolen en emblemen, tussen veelkleurige muurbekledingen als die in een Byzantijnse huiskapel, in kamers waar vlakken vermiljoen, sinopel of goud schetterden in het schitterende schijnsel van kandelaars, vermoedde men alle stadia van de ontucht – van hete kussen en opwindende handtastelijkheden op roodfluwelen sofa’s tot het allerintiemst bezit, bedreven in bovenkamertjes met getraliede ramen als die van cellen in een slotklooster.”

“De lucht in de wijk was vervuld van nauwelijks definieerbare geuren. Doorheen de havenstank van wier, watervogels en teer werd men muskus en het parfum van schoonheidszalven gewaar. Doorheen de tralies voor de open ramen der alkoven baande de zware, bedwelmende reuk van bronst zich een weg.”

“Naarmate de nacht verliep, gedroegen de vrouwen zich vrijpostiger. Het scheelde niet veel of ze sleurden de weerbarstigen en de talmers met geweld mee. Gejoel overstemde bijwijlen het geroezemoes van de menigte. Maar nog altijd klonk boven alles uit het gehark van mishandelde gitaren, het prikkelende pizzicato van de mandolines en de vette, vierkante dansmuziek uit de musico’s, af en toe afgewisseld door het klinken van glazen, schor gelach en het knallen van champagnekurken.”

Eekhouds vriend en minnaar, de schrijver en criticus Sander Pierron, door Frans Van Holder

“Tot elf uur mochten de bewoonsters volgens een ploegensysteem rondhangen in de buurt en zelfs gaan dansen in de Waux-Hall en de Frascati, twee danszalen aan de Burchtgracht. Na elven heerste voor hen echter een uitgaansverbod. Zodra deze bedrieglijke rust intrad, zag men op straat nog slechts ernstige habitués. Maar ook achter hen gingen weldra de deuren van de ontuchthuizen dicht. Zelfs het gejammer van de muziek verstomde Weldra hoorde was nog enkel de klaagzang van de bij hoog tij gezwollen stroom te horen, en de golven die tegen de palen van de aanlegplaatsen sloegen. Bij tussenpozen werden ze overstemd door de jammerklacht van de stoom in een ketel, waarvan de stoker de druk opvoerde met het oog op de afvaart in alle vroegte.”

“Dan brak het uur aan van de heimelijke feesten, de clandestiene priapeeën en het beschamend samentreffen. Met hoog opgezette kraag en de hoed diep over de ogen slopen nachtelijke wandelaars langs de gevels van de bordelen en roffelden maçonnieke signalen op geheime deuren in donkere steegjes. Iedere bijeenkomst eindigde met een bedevaart naar de Riet-Dijk. Vreemdelingen, die in de loop van de dag de woonst van het drukkersgeslacht Plantin-Moretus bezochten en naar de Rubens’en in de kathedraal gingen kijken, lieten er zich naartoe brengen. Wie zopas nog het woord had gevoerd op een banket, bracht er zijn laatste toast uit.”

“Goede en slechte tijden vielen in deze bijzondere wijk samen met de fluctuaties van de handel in de metropool. De Frans-Duitse oorlog luidde een ongekende bloei in Nooit tevoren waren zoveel fortuinen bijeengegaard en verschenen zoveel parvenus ten tonele, die gehaast waren om te genieten.”

Editie van de brieven van Georges Eekhoud en Sander Pierron door Mirande Lucien

“Nog voor de legende ze onsterfelijk maakte, herhaalden de tijdgenoten tegen elkaar het relaas van de lupercaliën die geniepige nabobs met een respectabel uiterlijk in deze tempels van de lust organiseerden.”

“Bij sommige gelegenheden riepen de vaste klanten – speculanten als zij waren, hielden zij er de gewoonte op na alle voorraden op de markt ineens op te kopen – alle hens aan dek en legden beslag op het voltallige personeel. Zij hielden van veelsoortige opwindende taferelen, tableaux vivants, sadistische toneelstukjes en uiterst scabreuze mimevoorstellingen; ook vergaapten zij zich aan lesbisch minnespel en schepten genoegen in het gedoe van de olifantdikke Pâquerette en de spichtige teringlijdster Lucie.”

La Nouvelle Carthage is een roman vol beschrijvingen. Zelfs de geforceerde ontknoping, waarbij Laurent en Béjard om het leven komen, vindt plaats tegen de achtergrond van een reële gebeurtenis: de ontploffing van de buskruitfabriek Corvilain, in de roman eigendom van de reder (Eekhoud wekte Laurent Pariadel later opnieuw tot leven in Voyous de Velours, dat in de Brusselse Marollen speelt).

Georges Eekhoud in 1922.

Toch gaat het niet om een louter descriptief boek, zoals de volgelingen van Zola produceerden. Onder invloed van het symbolisme gaf Eekhoud banale elementen uit de realiteit een centrale rol als symbool of metafoor. Hun wisselwerking verleent de roman zijn dynamiek; soms lijken ze zelfs aan de controle van de auteur te ontsnappen om, ingebed in het relaas over de stad, een eigen leven te leiden. Zij compenseren de geringe geloofwaardigheid van Laurents kuise liefde voor de onbereikbare Gina als psychologische “motor” van het verhaal.

Dit blijkt o.m. uit het hoofdstuk Le Fossé, opgebouwd rond één centrale metafoor, de gracht waarin het afval van de fabriek wordt geloosd. Zij symboliseert de smerige rijkdom van de fabrikant, de ellende van zijn arbeiders, blootgesteld aan de giftige uitwasemingen, en staat voor de exploitatie en vernietiging van de natuur. Tenslotte is ze – voor Laurent met zijn kinderlijke gevoelens voor de Madonna-achtige Gina, een symbool van een als dreiging ervaren (vrouwelijke) seksualiteit.

Wanneer onder de arbeiders weer eens een besmettelijke ziekte uitbreekt, is Laurent er in een hallucinante passage getuige van hoe de vrouwen bidden voor een O.-L.-Vrouwbeeldje; het schijnt hem toe dat het de trekken van zijn nicht heeft. Bijwoorden en adjectieven maken van het zien en ruiken van de gracht een intens-lichamelijke ervaring. Laurents walging en verlangen – gevoelens die verband houden met ontwakende, maar meteen vedrongen sexualiteit – vloeien in elkaar over.

De homseksueel Eekhoud vereenzelvigde zich sterk met Laurent Paridael. Misschien is de gracht daarom ook een door angst geïnspireerde metafoor van zijn geaardheid – in de toenmalige samenleving onaanvaardbaar en onbespreekbaar. Dat hij daar niet expliciet over kon schrijven (later deed hij het wel) verklaart misschien de wat krampachtige gevoelens van Laurent en het alomtegenwoordige gemis waarvan de roman is doortrokken, zonder dat de oorzaak duidelijk wordt.

Frontispies van “Escal-Vigor”.

In 1900 zou Eekhouds Escal-Vigor, een van de eerste romans die openlijk het onderwerp homoseksualiteit behandelden, voor een groot schandaal zorgen. Samen met Camille Lemonnier, vervolgd voor L’Homme en Amour, moest de schrijver zich “verantwoorden” voor het Hof van Assisen. De linkse Brusselse advocaat en auteur Edmond Picard – hij ontpopte zich later tot rabiaat antisemiet en schreef een anti-joods pamflet waarvan de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog dankbaar gebruik maakten! – verkreeg hun vrijspraak. Escal-Vigor kende succes; Colette verwijst ernaar in haar Claudine à Paris en Jacques Brenner herinnert zich in zijn inleiding tot de herdruk van 1982 hoe hij in 1930 een exemplaar van de elfde druk op de kop tikte.

Eekhouds grote eruditie blijkt uit Les Libertins d’Anvers (1912) dat het midden houdt tussen een roman en een historische studie. Het boek draait om Eligius Pruystinck, de Antwerpse ketter en sekteleider uit de 16de eeuw. Daarin legde Eekhoud – ten onrechte – een verband tussen Tanchelm, Guillielmus Cornelis en zijn protagonist.

Het ging Eekhoud voor de wind. In 1893 was La nouvelle Carthage bekroond met de Vijfjaarlijkse Staatsprijs voor Franse literatuur. Het jaar daarop werd de schrijver docent aan de Université Nouvelle, een anarchistische afsplitsing van de Université libre de Bruxelles. Hij was ook leraar aan de Brusselse normaalschool. Maar dat bleef niet duren: zijn begrip voor het activisme kostten hem na de wapenstilstand in 1918 al zijn functies.

In 1919 kwam een steuncomité tot stand om hem te helpen. Daartoe behoorden o.a. August Van Cauwelaert, James Ensor, Henri Barbusse, Henry Van de Velde, Emile Vandervelde en Romain Rolland. En in 1920 benoemde Albert I Eekhoud op voorstel van de Waalse politicus Jules Destrée tot lid van de pas opgerichte Académie Royale de Langue et de Littérature françaises.

Georges Eekhoud stierf op 29 mei 1927 – hij was volop bezig met de correctie van zijn laatste roman Magrice en Flandre – aan zijn schrijftafel in zijn huis in Schaarbeek.

Na de Tweede Wereldoorlog raakte zijn werk in de vergeethoek. Hoewel sinds enkele jaren ook in Vlaanderen een hernieuwde belangstelling bestaat voor de Frans-Belgische letteren (en voor de Vlaamse auteurs die daartoe bijdroegen) kwam er nog maar één Eekhoud-vertaling op de markt, nl. Bloedige Kermis met verhalen uit Kermesses, Nouvelle Kermesses en Le Cycle Patibulaire door Jan H. Mysjkin (1992).

En dat is jammer, want zoals Mysjkin in zijn nawoord Een Vlaamse Gorki schrijft: “Wanneer men het in Nederland over de Tachtigers heeft, dan denkt men aan schrijvers als Willem Kloos, Lodewijk van Deyssel of Herman Gorter. Wanneer men het in Vlaanderen over de beweging van Tachtig wil hebben, doet men er beter aan namen als Georges Eekhoud, Maurice Maeterlinck, Georges Rodenbach en Emile Verhaeren in herinnering te brengen, dan illustere ongelezenen als Prosper van Langendonck of Pol de Mont.”

Het Georgers Eekhoud-kabinet in de Antwerpse Stadsbibliotheek, ca. 1950.

Voetnoten

(1) De eerste volwaardige biografie van Eekhoud vindt men in de studie van Mirande Lucien, Eekhoud le rauque, die in 1999 verscheen bij de Presses universitaires du Septentrion in rijsel. Ze is essentieel omdat vroegere biografen zich lieten misleiden door foutieve informatie die Eekhoud zelf over zijn leven verschafte.