Column – Leerproces

Toen ik twaalf of dertien was, maakte ik in mijn eentje lange fietstochten in en om de stad. Met grote ogen keek ik om mij heen.

Ik dacht er niet echt over na, maar ik verwachtte in die tijd veel van de toekomst, van het leven dat na de middelbare school beginnen zou. Ik was nog jong. Ook wanneer we ouder en wijzer zijn, vergeten wij dikwijls dat we al met leven bezig zijn en dat wat achter de bocht of aan de overkant van de heuvel ligt niet per se beter, laat staan groener is.

Ik heb intussen geleerd dat het bestaan vooral veel van hetzelfde is en dat uitgerekend bijzondere omstandigheden erg lastig kunnen zijn.

De stad verkennen en van op een afstand mensen en dingen gadeslaan, fascineert mij nog altijd. Alleen doe ik het nu van op de donkerblauwe Vespa die ik mezelf voor mijn vijftigste verjaardag heb cadeau gedaan.

Het was de hoogste tijd om opnieuw kennis te maken met mijn stad. Er is de voorbije jaren veel veranderd. En laat een Hollandse uitgever mij net nu vragen om er een boek over te schrijven. “Kies zelf je benadering maar,” zegt hij, “ik wil een leuk en leerzaam boek over Antwerpen.”

Ik rijd door Zurenborg en over zijn beroemde Cogels-Osylei, eind jaren 1960 van de slopershamer gered door het rumoer van de langharige alternativo’s die in de grote Belle Époquehuizen kwamen wonen. Vandaag is de buurt onbetaalbaar voor een gewone sterveling.

Dat geldt mutatis mutandis ook voor Het Zuid. Het begon zijn geschiedenis in de jaren 1880 als een vastgoedproject van de gemeente Antwerpen en de immobiliëntak van de machtige Société Générale. Om allerlei redenen kende dat decennialang een moeizame geschiedenis. De buurt kwam pas begin 20ste eeuw tot leven en werd eigenlijk nooit wat haar bedenkers hadden gehoopt. Pas na 1980 groeide het uit tot een wijkplaats voor het trendy volkje. Als ik er een uur op een van de vele terrassen zit, geloof ik dat iedereen minstens een Saab heeft.

Het nieuwe Justitiepaleis, vlakbij, heet in de volksmond – bestaat die eigenlijk nog, de volksmond? – het Vlinderpaleis. Mij doet het meer denken aan een ruimteschip, maar ik vind het mooi. Het zet een punt achter de stad of toch achter haar riante boulevards, waar vroeger een rafelig gat gaapte.

Van hier is het een kwartiertje rijden, noordwaarts, naar postcode 2060 met zijn kansarmen, legale en illegale migranten (meer dan 200 nationaliteiten), huisjesmelkers, drugstoeristen en noem maar op. In 1985 zette een reportage in Vrij Nederland (denk ik) de buurt op de kaart. Kort daarop kwamen de electorale successen van het Vlaams Blok. Dit is het soort gebied dat men in de 17de eeuw op de kaart karakteriseerde met het zinnetje “Hic sunt leones” – “hier lopen leeuwen”, lees onbekend, gevaarlijk.

Een veelkleurige en veeltalige wijk. Ik zie er het resultaat van migratiegolven van de jaren 1960 en van na het jaar 2000, van de economische mondialisering en van conflicten en miserie waarvan ik maar een vaag idee heb. Van decennialange verwaarlozing door allerlei overheden ook.

Er wordt vandaag hard gewerkt – door ambtenaren van de stad, Marokkaanse winkeliers, Turkse pitaverkopers, Kaapverdische straatvegers, buurtwerkers en jonge blanke koppels die hun pas verworven huis renoveren. Maar het is allemaal niet gemakkelijk en niet eenvoudig.

Het laboratorium van de 21ste eeuw.

Ik begon mijn beroepsleven dertig jaar geleden met archief inventariseren in het Museum Plantin-Moretus. Daarna was ik twee decennia journalist. En nu houd ik me alweer tien jaar bezig met schrijversarchieven in het Letterenhuis.

Mijn donkerblauwe Vespa, een werkinstrument zoals mijn notitieboekje of mijn computer, is een werkinstrument. Hij  maakt me weer bewust van iets dat ik jaren geleden al leerde, maar een poos uit het oog verloor. Het is voor een historicus goed om af en toe archief en boeken opzij te schuiven en naar het leven te kijken.

Geschiedenis is leven dat voorbijging. Het leven van nu, dat ik gadesla van op de scooter, is geschiedenis in wording. Leven doet geschiedenis beter begrijpen en omgekeerd. Dat is geen paradox. Zo werken leerprocessen.

Verschenen in “Eos Memo” nr. 3.

(Kunst)geschiedenis – Florent (Floris) ridder van Ertborn (1784-1840), een van Europa’s eerste verzamelaars van 15de-eeuwse schilderkunst

 

 Afgietsel van het borstbeeld van Florent van Ertborn door Jozef Geefs (foto Jan Lampo).

In de Hollandse tijd krijgt Antwerpen er in de persoon van Floris ridder van Ertborn (1784-1840) er een collectioneur bij, die de grenzen van de verzamelpraktijk verlegt. Hij is een van de eersten in Europa om zich actief bezig te houden met het verzamelen en bestuderen van laat-middeleeuwse kunst, niet alleen uit Italië, maar ook uit Frankrijk, de Nederlanden en Duitsland.

Als lid van de stedelijke bovenlaag en als burgemeester is Van Ertborn Antwerpen zeer toegedaan. Tegelijk is hij een trouw dienaar van Willem I, die weigert om na 1830 het Belgische kamp te kiezen. Niet toevallig houdt Van Ertborn de jonge, veelbelovende Jan-Frans Willems de hand boven het hoofd en maakt hij gebruik van diens intellectuele inbreng. Beiden zijn grosso modo dezelfde denkbeelden toegedaan, maar zijn status en fortuin geven Van Ertborn de mogelijkheid om consequenter te zijn – Willems zal zich, noodgedwongen, verzoenen met de realiteit van het nieuwe België.

Florent van Ertrborn als jongeman, geportretteerd door de Franse schilder Jean-Baptiste Greuze.

De Van Ertborns zijn een Mechelse juristenfamilie, maar ook in de Scheldestad wonen sinds de 15de eeuw leden van het geslacht. Oorspronkelijk zijn ze, aldus Prims, afkomstig uit Herenthout in de Kempen. De eerste “Mechelse” Van Ertborn die zich in Antwerpen komt vestigen, is Adolf Pieter (°1670). In 1707 en 1713 is hij schepen van de stad. Hij bezit zo’n 80 schilderijen van o.a. Rubens, Van Dyck, Jordaens, Van Balen, Quellin, De Momper en Teniers – een “traditionele” collectie met meesters uit de 17de eeuw [De Schuyter, .

Zijn neef, grootvader Frans-Emmanuel (1716-1791), licentiaat in de beide rechten, komt eveneens naar Antwerpen. Hij maakt carrière als “kassier” en wordt een van de grootste aandeelhouders van de Compagnie van Triëste en Fiume. Die bestaat sinds 1750 en houdt zich bezig met de raffinage van suiker. Kapitaal en bestuur zijn Antwerps, maar het bedrijf – een van de grootste industriële ondernemingen van die tijd – bevindt zich in Fiume.

Frans Emmanuel belegt ook veel kapitaal in de koloniale groothandel. Met vijf andere financiers van diverse nationaliteiten sticht hij de Koninklijke Pruisische Handelsmaatschappij die vanuit Emden opereert. Ze ontvangt van de Pruisische koning Frederik de Grote het monopolie voor de handel op China. Frans-Emmanuel krijgt van keizerin Maria-Theresia de titel van ridder en later die van baron. Bij zijn dood laat hij meer dan een miljoen gulden na.

Neef Jozef Karel Emmanuel baron van Ertborn (1778-1823) studeert aan de universiteit van Munster. Hij wordt secretaris-generaal van het Departement der Twee-Neten. In 1805 wordt hij “raad geheimschrijver honorair” van de heropgerichte Academie, een onbezoldigde erefunctie.

Borstbeeld van Florent van Ertborn door Jozef Geefs  (Foto Lukas – Art in Flanders / Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen).

Jozef Karel Emmanuel is niet alleen beslagen in het recht, maar ontpopt zich tot een bekwaam beoefenaar van de geschiedenis. Als eerste bestudeert hij de archieven van het Sint-Lucasgilde en publiceert Geschiedkundige aenteekeningen aengaende de Ste.-Lucas-Gilde en de Rederykkamers van den Olyftak, de Violieren en de Goudbloem, te Antwerpen die in 1806 van de pers komen. In 1806 wordt hij lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.

In haar Jaarboek van 1824 lezen we o.m. over hem:

“Als Regtsgeleerde, was hij in onze burgerlijke en handelswetgeving, gelijk mede in die van andere volken, zeer bedreven. Ook het Kanonieke Regt en de Kerkelijke Geschiedenis maakten een voornaam voorwerp zijner studien uit […] Het waren echter bovenal de fraaije letteren en kunsten, voor welke hij met eene blakende geestdrift bezield was, en die hij met kunde en smaak beoefende. Aan de kennis der Grieksche en Latijnsche talen paarde hij die van vele talen van het nieuwere Europa […]. Zelve sloeg hij met gelukkig gevolg de hand aan de lier, waarvan verscheidene Fransche dichtstukken, in letterkundige verzamelingen gedrukt, en onder deze ook navolgingen van eenige Oden van Horatius, de duidelijkste bewijzen leveren. Hij vervaardigde ook eenige tooneelstukken, doch van welke slechts één, en wel met toejuiching, ten tooneele gevoerd werd.”

Verder staat: “Doch het geen den Heer van Ertborn […] bovenal tot eer verstrekt […] bijzonder belangrijk maakte, is het loffelijk voorbeeld van eene zorgvuldige beoefening der moedertaal, door hem gegeven in eenen tijd, toen alles de duurzame vestiging en heerschappij der Fransche taal scheen te voorspellen, en het meerendeel zijner aanzienlijke landgenooten op de eerstgenoemde met onbillijke versmading nederzag.”

 Wapen van de familie Van Ertborn.

Na de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden benoemt Willem I hem tot lid van de Algemene Rekenkamer in Den Haag.

Florent van Ertborn wordt geboren in het huis van  zijn grootmoeder op de hoek van de Mutsaertstraat en de Minderbroedersstraat. Bij de komst van de Fransen vluchten zijn ouders naar Bremen. Hij krijgt les van privéleraars en bezoekt met hen verschillende landen. In 1813 woont hij aan de Meir, in een pand waarvan de zijingang uitgeeft in de Grammayestraat. Hij schrijft af en toe voor La Gazette d’Anvers en L’Oracle. In 1816 verkiest men hem tot lid der gedeputeerde staten van de provincie. Willem I benoemt hem het jaar daarop tot burgemeester van de stad. Hij zal het blijven tot 1828.

Van Ertborn saneert de Antwerpse financiën en voltooit de dokken. Hij besteedt veel aandacht aan monumentenzorg. Vanaf ca. 1818 tot 1830 brengt hij geleidelijk een fabelachtige kunstverzameling bijeen met werk van Vlaamse en Hollandse meesters. Volgens Floris Prims krijgt hij daarbij hulp van de schilder, restaurateur en kunsthandelaar Jan Nicolié uit de Pelgrimstraat en later van diens zoon Jean-Chrétien, gevestigd aan de Handschoenmarkt. Van Ertborn publiceert bijdragen over werk van grote meesters als Van Eyck, Memlinc, van der Goes, Dürer in de Messager des sciences historiques de Belgique.

In 1828 benoemt Willem I hem tot gouverneur van de provincie Utrecht. Hij verhuist naar het noorden, maar een groot deel van zijn collectie blijft in het huis aan de Meir. Na 1830 willen de Antwerpenaars hem terug als burgemeester. Hij krijgt 206 stemmen, bijna twee keer zoveel als de andere kandidaat. Maar Van Ertborn bedankt voor de eer uit trouw aan de koning.

De “Madonna met Kind” of “Madonna van Melun” door Jean Fouquet, een van de schilderijen uit de collectie Van Ertborn. 

De collectie-Van Ertborn is intussen vermaard bij kunstliefhebbers in heel Europa. De bekende Duitse romanschrijfster Johanna Schopenhauer (1766-, moeder van de filosoof Arthur Schopenhauer, komt er tijdens haar reis door de Nederlanden met haar dochter Adèle naar kijken. Over dat bezoek schrijft ze in haar Ausflug an den Niederrhein und nach Belgien im Jahre 1828 (1831). Ik citeer de vertaling van Marc Carnier en Anke Gilleir uit 1998.

“De aanbevelingsbrief die we meebrachten voor ridder Florens van Ertborn, de toenmalige burgemeester van Antwerpen, bereikte hem net toen hij op het punt stond naar Utrecht te vertrekken, zijn toekomstige verblijfplaats […*. Ook zijn schilderijen zouden hem daarheen volgen en dus konden we ons gelukkig prijzen ze nog in Antwerpen aan te treffen. Hoewel we de kunstminnende eigenaar zelf niet konden ontmoeten, stond hij ons toch toe om zijn verzameling te bezoeken, zo vaak we het wensten; hij had daarvoor de nodige instructies gegeven aan zijn huispersoneel.”

“De verzameling is niet erg groot, ze vult eigenlijk alleen de muren van een tamelijk grote kamer, maar buiten de voormalige verzamelingen van Boisserée en die van Solly, die zich nu in het museum van Berlijn bevindt, bestaat er geen interessantere voor de geschiedenis van de oude kunst. Men vindt hier heel zeldzame werken van meesters van wie tegenwoordig dikwijls alleen de naam bekend is.” [Carnier en Gilleir, 1998, p. 150].

 Johanna Schopenhauer.

“[…] Dankzij een bijzonder initiatief van de eigenaar konden we op een avond in dit kabinet een uniek schouwspel meemaken, dat begrijpelijkerwijze nauwelijks voor herhaling vatbaar is. We werden uitgenodigd om de schilderijen bij kunstlicht te zien. Enkele kroonluchters, bestaande uit zes of acht lampen onder glazen klokken, verspreidden een verblindend licht dat alle schilderijen met een waarlijk magische glans overgoot. De prachtige kleuren en de gouden achtergronden leken wel transparant, het was een onbeschrijflijk mooi maar ook verwarrend gezicht; men moest er eerst aan wennen vooraleer het mogelijk werd het ene van het andere te onderscheiden. De figuren traden haast uit hun lijsten te voorschijn in hun blauwe, purperen en gouden gewaden en leken als droombeelden door elkaar te vloeien.” [Carnier en Gilleir, 1998, p. 152].

Van Ertborn zal ook tijdens zijn gouverneurschap van Utrecht nog schilderijen kopen. Hij werkt aan een boek over Jacoba van Beieren, maar de oogkwaal die hem tijdens zijn laatste levensjaren kwelt en zijn vroege dood verhinderen de voltooiing van dat project. In 1832 heeft hij in Karlsruhe een beschikking opgesteld die zijn kunstverzameling uit zijn nalatenschap licht en toewijst aan het museum van de Antwerpse Academie.

 Het thans verdwenen kasteel Hof van Brabant in Hoboken (oude prentkaart).

De collectie-Van Ertborn zal in totaal 115 kunstwerken omvatten. Ze zijn van de hand van o.a. Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hans Memling en Jean Fouquet. Diens Madonna is vandaag allicht het bekendste en van de verzameling. Ook verwerft de ridder werk van Antonella da Messina en Simone Martini.

Wanneer Van Ertborn in 1840 sterft, ziet de Nederlandse overheid af van de successierechten die op de schilderijen verschuldigd zijn. Nicolié Jr. reist naar Den Haag en superviseert er de verpakking van de doeken en panelen uit het huis van Van Ertborn in 19 kisten [Prims, 1937, p. 348]. Ook het stoffelijk overschot van de verzamelaar wordt overgebracht. Florent van Ertborn vindt zijn laatste rustplaats in de grafkelder van de familie bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Hoboken, waar de oudere tak van de Van Ertborns van 1773 tot 1808 het buitengoed Hof van Brabant bezit.

Graf van de familie Van Ertborn bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Hoboken. De zerk bovenaan rechts (met schild) is die van Florent van Ertborn (foto Jan Lampo).

 

Geschiedenis – Olympische plantrekkerij. De Antwerpse Spelen van 1920.

“Wij hebben gezien die schaar kortgerokte hemelsch blauwe juffers uit Amerika, Denemarken, Zweden met hun waaiende haren en bloote armen, veel schooner dan de godinnen onzer tafereelen op doek of in marmer.” Dat schrijft de extatische journalist Leon Ramault in Sportwereld na de opening van de Olympische zomerspelen op zaterdag 14 augustus 1920 in het Antwerpse Beerschotstadion.

Ramault vergeet te zeggen dat van de 2.668 atleten – een andere bron gewaagt van 4.353 deelnemers – maar 64 vrouwen zijn. Die mogen alleen schaatsen, tennissen en zwemmen. De journalist besteedt ook geen aandacht aan de bedenkelijke financiële vooruitzichten van de eerste naoorlogse Olympische Spelen. Hij gaat tenslotte niet in op de afwezigheid van atleten uit het overwonnen Duitsland, Oostenrijk – Hongarije en Turkije of op het feit dat sportlui uit de jonge Sovjet-Unie evenmin welkom zijn.

De verwachtingen in Antwerpen zijn hooggespannen. Het Internationaal Olympisch Comité van de Franse baron Pierre de Coubertin heeft de stad gekozen om eer te bewijzen aan het kleine, maar dappere België. Gallant little Belgium heeft in de donkere oorlogsjaren meer dan zijn plicht gedaan. Andere kandidaten voor de Spelen waren Boedapest in het vijandige Oostenrijk – Hongarije en Amsterdam in het neutrale Nederland. Na de geallieerde overwinning kunnen zij geen aanspraak maken op zo’n schouderklopje.

Lobbywerk

Het Antwerpse lobbywerk is overigens lang voor het uitbreken van de oorlog van start gegaan. In 1912 is de kandidatuur van België voor de organisatie van de Spelen van 1920 officieel voorgedragen aan het IOC. Op 9 augustus 1913 richten vooraanstaande figuren uit de havenstad – velen hebben bindingen met de in 1890 opgerichte Royal Beerschot Athletic Club – een Comité provisoire of Voorlopig Comité op. Dat verzoekt het Belgisch Olympisch Comité (BOC) de Antwerpse kandidatuur in te dienen bij het IOC. Een maand later komt De Coubertin in eigen persoon op bezoek in de Scheldestad. Hij bezoekt het stadium van de voetbalploeg van Het Kiel en luistert aandachtig naar de plannen die men ontvouwt. De (financiële) beloften die hij krijgt, hebben alvast voor gevolg dat de Spelen zeker niet in Brussel gehouden worden.

Het Voorlopig Comité publiceert een prestigieuze brochure van meer dan honderd bladzijden met als titel Aurons-nous la VIIe Olympiade à Anvers en 1920? (“Krijgen wij in Antwerpen in 1920 de VIIde Olympische Spelen?”). Het boekwerk bevat de portretten van alle betrokkenen, de plannen voor het stadion en een schaamteloze lofzang op Antwerpen, zijn monumenten en zijn kunstschatten. Er wordt een miljoen (!) exemplaren van gedrukt.

De regering, het gemeentebestuur en de provincie zeggen hun medewerking toe. De Belgische Staat zal vlakbij het stadion een nieuwe weg van Antwerpen naar de hoofdstad aanleggen. En er komen, dat spreekt, een Olympisch zwembad en een roeibaan. Maar wanneer een Belgische delegatie in 1914 vol verwachting arriveert in Parijs, blijkt het IOC de beslissing toch nog voor zich uit te schuiven.

Eerste Wereldoorlog

Theoretisch moeten de zesde moderne Olympische Spelen in 1916 plaatsvinden in Berlijn. Maar dan is de Eerste Wereldoorlog al twee jaar bezig en het feest gaat niet door. Ondanks het wapengekletter is er even sprake van de kandidatuur van het Franse Lyon als inrichter van de eerste naoorlogse spelen, maar Belgen en Fransen beloven uiteindelijk elkaar niet in de wielen te rijden. De Olympische overheden besluiten alvast te doen alsof de Berlijnse Spelen wèel zijn betwist en zullen Antwerpen het rugnummer zeven geven.

Vlak na de wapenstilstand van november 1918 verzoekt De Coubertin de Belgische regering om de spelen van 1920 of 1924 te organiseren. Er zijn nogal wat twijfels aan de haalbaarheid van 1920 – België ligt half in puin, de economie is ontregeld en de inflatie scheert hoge toppen. Maar de eerste minister, gouverneur Gaston van de Werve de Schilde en burgemeester Jan De Vos willen van geen wijken weten. Enige grootheidswaan is de Scheldestad nooit vreemd geweest. Op 5 april 1919, nauwelijks zestien maand voor de openingsceremonie moet plaatsvinden, wordt de Antwerpen officieel aangeduid als gaststad van de Spelen.

Tekort

Men raamt de kosten voor de organisatie op 3.700.000 frank. De staat betaalt daarvan anderhalf miljoen. De stad Antwerpen legt 800.000 frank op tafel en de provincie een kwart van dat laatste bedrag. Ook Brussel doet mee, ongetwijfeld met veel tegenzin omdat het zelf niet de hoofdrol mag spelen. De hoofdstad van het koninkrijk hoest trouwens maar 10.000 frank op. Nog voor de Spelen van start gaan, is er dus een tekort van een miljoen.

Dat miljoen moet van het Voorlopig Comité komen. Precies door dat geld in het vooruitzicht te stellen, heeft het clubje Antwerpse aristocraten, havenbaronnen en diamanthandelaars de laatste weerstanden tegen de organisatie van de Spelen overwonnen. Maar zij blijken opeens weinig of niets van sport te begrijpen en nog minder van de organisatie van een grootschalig evenement als de Spelen en uiteindelijk zijn ze enkel bereid het geld aan het B.O.C. te lenen – tegen vier procent interest, en met de belofte dat ze zullen delen in eventuele winst.

De scheiding van kerk en staat ten spijt, begint het feest op 14 augustus met een plechtige dienst in de kathedraal. Kardinaal Mercier, symbool van het vaderlandslievend verzet tegen de Duitse bezetter, gaat daarin voor. Sport, zegt Mercier, heeft bijdragen tot de prestaties van de soldaten op het slagveld. Voortaan zal ze echter in het teken van de vrede staan.

Beerschotstadion

Architecten Fernand de Montigny en L. Somers hebben het Beerschotstadion voorzien van een monumentale poort voor de entree van de atleten en een toren voor de Olympische vlag. Ze hebben een tribune met 4.000 zitplaatsen gebouwd en een atletiekpiste van 389 meter aangelegd (en geen 400 meter, wat de homologatie van het wereldrecord 400 meter horden zal bemoeilijken). Zeker bij slecht weer blijkt dat de piste van slechte kwaliteit is, ondanks de goede reputatie van de Londense aannemer.

De werken zijn klaar sinds 30 mei. Enkele weken eerder is koning Albert I “incognito” op bezoek geweest om de vorderingen gade te slaan. De Coubertin gewaagt in verband met de snelle voltooiing van de infrastructuur van een mirakel, dat te danken is aan de “plantrekkerij” van de Belgen.

In plaats van het geraamde miljoen, kost de aanpassing van het stadion uiteindelijk meer dan het dubbel. De inhuldiging wordt gevierd met een turndemonstratie door zowat alle Antwerpse gymnastiekverenigingen en de uitvoering van de cantate De Genius des Vaderlands van componist Peter Benoit (1834-1901), de legendarische stichter van het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium.

Een projectontwikkelaar staat de terreinen om het stadion tijdelijk af aan de inrichters. Inderhaast aangeplant groen en allerlei versieringen doen de Olympische zone van 5 hectare groter lijken dan ze eigenlijk is.

Om 13.45 arriveren koning Albert I en koningin Elizabeth met hun zoontjes Leopold en Karel en dochter Marie-José in het stationnetje dat speciaal is gebouwd op de lijn Brussel – Antwerpen. Vandaar lopen zij langs wat later de VIIde Olympiadelaan heet naar het stadion. Mercier is ook hier van de partij. Het weer zit mee: 14 augustus is een van de mooiste dagen van de verder regenachtige zomer.

Meer hoge hoeden dan petten

In het stadion zijn veel hoge hoeden te zien, maar weinig petten. Het volk loopt niet warm voor de mondaine spelen. De tickets zijn duur: drie frank voor een staanplaats en tien frank voor een zitplaats op de tribune. Dat is meer dan arbeiders of bedienden zich kunnen permitteren. Bovendien heeft niemand vrijaf gekregen – op zaterdag wordt in 1920 nog gewerkt – om de plechtigheid bij te wonen. Naar verluidt geeft zelfs de koning lucht aan zijn teleurstelling over de geringe opkomst.

Militairen paraderen; De Coubertin begeleidt de vorsten naar hun loge; een Zweeds koor zingt, begeleid door koperblazers, de Brabançonne. Dan begint het defilé van de delegaties van de 29 deelnemende landen. De Amerikaanse afvaardiging telt dertig vrouwen. Aan een Nederlandse correspondent vallen onder meer de “sluwe oogjes” van de Japanners op. Tot de Belgische ploeg behoort de bekende Antwerpse turner Cuperus die zich in woord en geschrift verdienstelijk maakt als propagandist van de gymnastiek.

De voorzitter van de B.O.I.C., graaf De Baillet-Latour, vraagt de koning – allemaal in het Frans, wel te verstaan – om de Spelen te openen. Wat Albert, de koning ridder, prompt doet, in het Nederlands nota bene. Er weerklinken zeven kanonschoten en soldaten openen manden waaruit witte duiven opvliegen. De Antwerpse dirigent Flor Alpaerts leidt een koor dat het bekende Vlaamse liet Naar wijd en zijd zingt – de tweede toegeving aan de Vlamingen tijdens het openingsfeest.

Olympische vlag

Victor Boin (1886-1974) legt als eerste deelnemer ooit de Olympische eed af: “Wij zweren dat wij ons op de Olympische Spelen aanbieden als loyale tegenstanders, met eerbied voor de uitgevaardigde reglementen en in een geest van ware sportiviteit, tot eer van ons land en tot glorie van de sport”.

Boin is een typische gentleman amateur. Op de vorige edities van de spelen in 1908 en 1912 behoort hij tot het succesrijke Belgische waterpoloteam. In Antwerpen zal hij als schermer een medaille behalen.

Een andere primeur bestaat in het hijsen van de Olympische vlag met vijf ringen. Die is in Antwerpen voor de allereerste keer te zien. De ringen symboliseren de vijf werelddelen. Pierre de Coubertin heeft de vlag zelf ontworpen op basis van een oud-Grieks motief (dat uiteraard een andere betekenis heeft).

“Waar honderden Amerikanen, Zweden, Noren Finnen enz. met hun atleten zijn meegekomen om gestadig door kreten en toejuichingen hun moraal hoog en gezond te houden,” schrijft de Antwerpse liberale krant De Nieuwe Gazet, “moesten wij tegen wil en dank de droeve vaststelling doen dat vlagjes van alle landen van de wereld talrijk in de knoopsgaten prijkten en de Belgische ver in de minderheid waren […]. Die onverschilligheid der anders zo sportminnende Belgische massa is een onvermijdelijk gevolg van de onvoldoende wijze waarop hier aan lichamelijke oefening wordt gedaan.”

Sport staat boven de politiek, daar is iedereen het over eens. Maar Duitsers, Oostenrijkers en Turken mogen niet meedoen. Ook De Coubertin vindt dat ze straf verdienen, maar omdat dit niet zou leiden tot een onherstelbare breuk in zijn IOC laat de Franse baron aan de Belgen over te inviteren wie ze wilden.

In werkelijkheid zijn de Spelen lang vòòr de officiële opening van start gegaan. De eerste Olympische wedstrijd is immers de ijshockeymatch Zweden-België op 23 april, gevolgd door de schaatscompetitie. Als decor hebben ze het Palais de Glace of IJspaleis, een omgebouwde rolschaatspiste aan de Henri Van Heurckstraat.

Ratten

Antwerpen staat zelf in voor de aanleg van een Olympisch zwembad. Het gaat om een zone die is afgebakend in de brede gracht van de versterkingen om de stad, de Brialmontvesting, ter hoogte van de Wezenberg. Het geheel omvat een honderd meter lang bad, een springtoren, een clubhuis en een kleiner bad voor het waterpolo.

De meningen over het “Nautisch Stadion” lopen uiteen. De Amerikaanse en Australische zwemmers zijn niet te spreken over het koude, donkere water. Andere deelnemers klagen over de ratten die “mee zwemmen”. De Antwerpenaars supporteren voor de broers Gérard en Maurice Blitz die deel uitmaken van het nationale waterpoloteam. Ze stromen in grote getale toe voor de finale tussen België en Groot-Brittannië. Luid protest klinkt wanneer de Zweedse scheidsrechter het “opneemt” voor de Britten. Na haar 3-2 overwinning moeten soldaten de Engelsen ploeg beschermen tegen de woede van de ontgoochelde Belgische supporters.

Minder fel gaat het eraan toe op de Garden City Wielerpiste die in Wilrijk is gebouwd. De kritische Belgen, gewend als ze zijn aan de prestaties van beroepsrenners, lopen niet warm voor de wedstrijden van Olympische amateurs. De “velodroom” biedt plaats aan 14.000 toeschouwers, maar tijdens de Olympische wedstrijden dagen er nauwelijks vijfhonderd op. Net vòòr de spelen is daar trouwens het veel spannender wereldkampioenschap gereden.

“Beest-verzorgers”

De worstel- en bokswedstrijden kennen evenmin het verhoopte succes. Plaatselijke beroemdheden als Laurent Garstmans of Jef de Paus mogen niet meedoen omdat het beroepssporters zijn. Bovendien vinden de wedstrijden plaats in de kleine feestzaal van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde aan het Astridplein. Een enkele keer komt er meer publiek opdagen dan verwacht en moeten de “beest-verzorgers” (dixit een krant) van de nabije Dierentuin de menigte tegenhouden.

Roeien gebeurt op de Willebroekse vaart in Brussel. Daar worden in het stadion van St.-Gilles ook voetbalwedstrijden gespeeld (net zoals op dat van AAG Gent in de Arteveldestad). Voor zeilwedstrijden en polo moet het publiek naar Oostende.

Van zoiets als een Olympisch Dorp is in 1920 geen sprake. De Nederlandse voetbalploeg verblijft op de Hollandia, een boot die voor anker ligt in de Schelde. De spelers hebben niet genoeg ruimte. Ze bedrinken zich en schoppen keet, ook wanneer ze op stap gaan in de beruchte havenbuurt. De Amerikaanse atleten krijgen dan weer onderdak in de stadsschool aan de Oudaan (het is zomervakantie en er zijn geen leerlingen). Ze klagen over het gebrek aan privacy en het koude water uit de douches. Ook de harde bedden en de met stro gevulde hoofdkussens moeten het ontgelden.

Formolgeur

Dat een aantal Amerikanen zo fel reageert, heeft ook de maken dat ze de overtocht naar Europa gemaakt hebben aan boord van de Princess Matoika, een schip dat tijdens de oorlog diende om de lichamen van gesneuvelde soldaten te repatriëren. Aan boord hangt een allesdoordringende geur van formol en op alle dekken lopen ratten rond.

De Amerikaanse vrouwen vergaat het gelukkig beter in het huis van de Young Women’s Christian Association (YWCA) aan de Paleisstraat. De Zweden zijn echter zo ontevreden over de leefomstandigheden in de school op Het Kiel waar ze logeren dat sommigen eruit trekken en op eigen kosten een hotelkamer in de stad huren. Omdat hun geld zo veel sneller opraakt dan voorzien, moeten ze voor het einde van de Spelen de terugreis aanvatten. De Noren en de Egyptenaren blijven braaf waar ze zijn.

De atletiekwedstrijden in het Olympisch stadion kunnen maar op een geringe belangstelling rekenen. De Antwerpse sportliefhebber is niet vertrouwd met deze weinig volkse sporttak. Door de band worden op de Spelen ook niet veel buitengewone prestaties neergezet – heel wat mogelijke topsporters zijn tijdens de oorlog gesneuveld.

Het opmerkelijkste Olympisch debuut is dat van de 22-jarige Fin Paavo Nurmi, die op termijn zal uitgroeien tot een van de succesrijkste Olympische atleten aller tijden. Bij de vijfduizend meter moet Nurmi het echter afleggen tegen de Fransman Guillemot. Guillmemot is nog maar pas hersteld van de gasvergiftiging die hij aan het front heeft opgelopen. Hij heeft in de oorlog 43 dagen in de vuurlijn gestaan en zijn hart zit aan de rechterkant.

Belgische medailles

Maar in het veldlopen en op de tienduizend meter behaalt Nurmi goud. Hij gaat uiteindelijk met vier gouden en een zilveren medaille naar huis. Later neemt hij nog deel aan de Spelen in Parijs (1924) en Amsterdam (1928).

Voor het voetbal blijken veel Antwerpenaars tòch bereid om vier frank neer te tellen. Vooral de balfinale tussen België en Tsjecho-Slowakije brengt veel volk op de been. Vijf minuten voor de rust stuurt de scheidsrechter een Tsjechische speler van het veld omdat hij de Belg Coppée heeft doen struikelen. Daarop vertrekken ook zijn verontwaardigde ploegmaats. De tussenstand (2 voor de Belgen, 0 voor de Tsjechoslowaken) wordt meteen de eindstand.

In totaal behaalt België dertien gouden, twaalf zilveren en elf bronzen medailles – een prestatie die het nooit meer overtreft.

Antwerpen gaat prat op zijn zelfbedachte bijnaam “stad der stoeten”. Drie opeenvolgende zondagen in augustus gaat de traditionele Ommegang uit met de Reus, de Reuzin, de walvis en de drie dolfijnen die voor de gelegenheid zijn opgelapt. Tijdens het hevige onweer dat op 22 augustus losbreekt, waait het hoofd van de Reus af.

Rubenskantate

Op 12 september is het feest voorbij. Tijdens de slotplechtigheid spreekt Pierre de Coubertin eens te meer een gloedvolle rede uit. De Olympische vlag wordt gestreken en na de nodige bazuinstoten en kanonschoten volgt een uitvoering van de Rubenskantate van Benoit, eens te meer gedirigeerd door Flor Alpaerts.

De Antwerpse spelen eindigen met een aanzienlijk deficit, dat zelfs tot het failliet van het BOC leidt. Wat echter vooral opvalt, is dat de Olympische kermis weinig sporen nalaat in de collectieve herinnering. De straten die na het einde van de spelen in de omgeving van het Beerschotstadion worden aangelegd, krijgen namen als Polo-, Atletiek-, Schijfwerpers- en Atletenstraat. Maar daar blijft het bij. Op de terreinen van de Garden City Wielerbaan verrijst na enige tijd inderdaad een… tuinwijk. Nadat de vestinggracht plaatsmaakt voor de ringweg, wordt een nieuw zwembad Wezenberg gebouwd, maar weinig Antwerpenaars beseffen dat het om een indirect spoor van “hun” Olympische Spelen van 1920 gaat…

Literatuur – Vuile manieren in Vlaamsche Arbeid. Karel Van den Oever wordt het slachtoffer van een mystificatie.

In het voorjaar van 1910 valt een omslag in de brievenbus van het fraaie art nouveauhuis van advocaat Jozef Muls (1882-1961) aan het Antwerpse Vleminckveld. Muls, die na de Eerste Wereldoorlog zijn praktijk opgeeft om zich aan de kunstgeschiedenis te wijden, is de oprichter van het katholieke en flamingante literaire tijdschrift Vlaamsche Arbeid. Zijn adres is ook dat van de redactie.

Huis van Jozef Muls aan het Vleminckveld (foto Jan Lampo).

Muls vertrouwt  de omslag toe aan redactiesecretaris Karel Van den Oever (1879-1926). De dichter Van den Oever woont enkele honderden meter verder, aan de Steenhouwersvest. Daar runt hij met zijn twee, eveneens ongehuwde zussen, een textielwinkel. Van den Oever, die zich na de oorlog tot het expressionisme zal bekeren, werkt op dat ogenblik aan een bundel die in neo-renaissancistische verzen het Antwerpen van de 16de eeuw oproept. Van den Oever is een militant katholiek.

Karel Van den Oever (foto AMVC-Letterenhuis).

De inhoud van de omslag brengt de ietwat wereldvreemde dichter in verrukking. Het gaat om verzen van een jonge vrouw, Maria Broeckx, uit Nieuwkerken in het Waasland. Een Engels motto, ontleend aan Dante Gabriel Rosetti, gaat de verzen vooraf. Van den Oever kiest twee gedichten en laat ze, met het motto, verschijnen in het 7de nummer van de 5de jaargang 1909-1910 van Vlaamsche Arbeid. Vermoedelijk schrikken de vrienden van Van den Oever wanneer ze de jongste aflevering van hun blad ontvangen. Hun oncomfortabele geheim blijft niet lang geheim.

Huis van Jozef Muls, détail (foto Jan Lampo).

In zijn septembernummer pakt De Blauwvoet, “vrijzinnig letterkundig Orgaan van den Oud-leerlingenbond van School 14”, onder de kop Een schandaal!! uit met de waarheid over Maria Broeckx en haar gedichten. De Blauwvoet is een op veredeld krantenpapier gedrukt maandblad dat nog maar net is opgericht en waarvan de nummers 8 bladzijden beslaan. Het besteedt uitsluitend aandacht aan onderwerpen uit de literatuur en het theater. De samenstellers zijn oud-leerlingen van een Antwerpse stadsschool. Ze noemen zichzelf uitdrukkelijk “vrijzinnig”, d.w.z. niet-katholiek, on- of antikerks.

Medewerker “Sherlock Holmes” publiceert de enthousiaste brief die Van den Oever aan Maria Broeckx heeft gestuurd om de publicatie van haar gedichten aan te kondigen. Met geveinsde ernst meldt hij dat Van den Oever het motto niet begrepen heeft – anders had hij het niet gepubliceerd. De verzen “O, the prick, the prick, the lovely prick / O, I faint, I faint, I close my eyes,” betoogt hij verder, zijn niet van Rosetti.

Huis van Karel Van den Oever aan de Steenhouwersvest (foto Jan Lampo).

“Holmes” brengt ook aan het licht dat de gedichten van Maria Broeckx eigenlijk van de Nederlandse dichters W.G. van Nouhuys en van Marie Metz-Koning zijn – slechts enkele verzen werden van plaats veranderd. Ook dat heeft Van den Oever over het hoofd gezien…

“Wat bewijst dat nu?” vraagt de literaire detective zich af. Hij antwoordt zelf: “Dat geen enkele der redacteuren van Vl. arbeid de Nederlandsche letterkunde kent, geen enkele, zelfs niet de zeer Eerwaarde Heer Jozef De Cock, Hoogleraar en Kritikus.” Erger nog, het voorval bewijst dat “morgen gelijk welke ploert vrij kan plagiëeren en mits geringe wijziging, zijn afschrift kan in de letterwereld brengen, aangemoedigd […] door Vlaamsche Arbeid.” En, voegt hij eraan toe, “dat is een Schandaal, dat ieder rechtgeaard en weldenkend mensch afkeuren moet en tegenwerken.” Om zijn aantijgingen hard te maken, laat hij de gedichten van Maria Broeckx en de originelen van de Nederlandse dichters volgen.

Gedenkplaat voor Karel Van den Oever aan de gevel van zijn huis (foto Jan Lampo).

De geest is uit de fles. Muls en/of Van den Oever zijn, om verschillende redenen, even boos als “Sherlock Holmes”. Ze doen hun beklag bij de katholieke Antwerpse kranten. Het Handelsblad gewaagt op 9 september van “een ploertenstreek”, op het getouw gezet door “verbitterde schrijvelaars, die hunne meesterstukken niet konden geplaatst krijgen”. Vervolgens, aldus nog de krant, heeft een “nietig blaadje” van “overal afgedankte of weggeschopte ploerten” geprobeerd daar garen van te spinnen. Het echte schandaal, aldus “Fides”, is dat “vandaag op zulke rotheid in de letterkundige Vlaamsche wereld moet gewezen worden.”

Enkele dagen later, op 11 september, doet Gazet van Antwerpen er nog een schepje bovenop met een artikel over “Oneerlijke praktijken in de Vlaamsche letterkunde”. Net zoals zijn collega van Het Handelsblad, vindt de journalist dat Van den Oever niets te verwijten valt. Men kan niet alle gedichten van tweederangspoëten kennen, men verwacht zich niet aan soortgelijk bedrog en de verzen getekend “Maria Broeckx” zijn niet geheel onverdienstelijk…

Cover van “Vlaamsche Arbeid”.

Blijkbaar worden in de wandelgangen van de literatuur al snel namen genoemd. De prozaschrijver André De Ridder (1888-1961), redacteur van het literaire tijdschrift De Boomgaard en oud-medewerker van Vlaamsche Arbeid, stuurt een lezersbrief op hoge poten naar Het Handelsblad. “Zekere vermoedens, die ik rond me opduiken zie en zekere geruchten, die mijn oor reikten” nopen hem ertoe te verklaren dat niet hij verantwoordelijk is voor de mystificatie en evenmin voor de berichtgeving daarover in De Blauwvoet. Niet zozeer Vlaamsche Arbeid is de gedupeerde van de grap, zegt De Ridder, “als […] den onbezonnen redacteur” wiens brief aan Maria Broeckx “feitelijk de pittigste en gekste kant van ’t avontuur uitmaakt.”

Blijkbaar vindt de aanstichter van de hele zaak het nu welletjes. In de Franstalige, katholieke krant La Métropole en ook in een lezersbrief aan Het Handelsblad (21 september), maat hij zich bekend. Het blijkt om Leo Van Goethem te gaan. Van Goethem is zelf journalist bij La Métropole. Hij verzekert zijn lezers van zijn katholieke rechtzinnigheid en wijst op het feit dat hijzelf reeds herhaaldelijk in Vlaamsche Arbeid heeft gepubliceerd.

Jozef Muls (foto AMVC-Letterenhuis).

“Ik zie er hoegenaamd geen bezwaar in openlijk te doen kennen dat ik alleen de dader ben der in den grond heel schuldelooze beetnemerij, waarvan M. Karel Van den Oever het beklagenswaardige slachtoffer werd,” schrijft Van Goethem. “Wat mij echter spijt is, dat er van die zaak misbruik gemaakt werd met ze zoo’n tint van politieke harenplukkerij te geven. […] Ik denk dat het nu zal uit zijn met de commentariën (vooral de politiek getinte) over die guitenstreek, die nooit (door wiens toedoen en in wiens voordeel?) zulke uitbreiding hadde moeten nemen.”

Krokodillentranen? Het ziet ernaar uit. Van Goethem zegt niets over de verontwaardiging van “Sherlock Holmes” in De Blauwvoet. Hij zinspeelt evenmin op het uitgebreide (en bijzonder grappige) interview met Maria Broeckx dat ene “Lieven Vogelaer” in een volgend nummer van diezelfde Blauwvoet heeft laten verschijnen. Daarin verklaart de dichteres “Mijnheer ik was Maagd. […] Litteraire en artistieke Maagd. ‘k Had nooit iets gepubliceerd, Mr Van den Oever heeft me ontmaagd (litterarisch!).”

André De Ridder in 1930 (foto Schrijversgewijs).

“Lieven Vogelaer” steekt genadeloos de draak met Van den Oever door o.m. alle verzen van een gedicht van hem in een andere volgorde te plaatsen en zijn prozastijl te pasticheren. Van Goethem maakt een cameo appearance in de tekst wanneer “Vogelaer” Maria Broeckx laat zeggen dat Van Goethem net als Van den Oever “een bries van vleeschelijke liefde zal doen waaien door de stille kamers onze Vl. Poëzie”.

Zijn “Vogelaer” en Van Goethem een en dezelfde? Het lijkt er sterk op. Wie is Leo Van Goethem en wat bezielt hem? Hoewel de biografie van deze auteur vaag blijft, weten we dat hij vanaf 1909 o.m. in De Boomgaard van André De Ridder verhalen, beschouwende stukjes, gedichten en “poëmen in proza” laat verschijnen. In 1920 zal hij meewerken aan Het roode Zeil, het literaire tijdschrift dat gedurende een jaar de lijn van De Boomgaard voorzet. Tot de redactie behoort behalve P.G. Van Hecke en Arthur H. Cornette o.a. André De Ridder.

Uit zijn teksten treedt Van Goethem naar voor als een nog wat voorzichtige, vroege modernist – een melancholisch gestemde, diep-religieuze rebel die af en toe blijk geeft van talent voor bijtende satire.

Van Goethem sterft in 1931. Uit zijn overlijdensbericht, verschenen in de Brusselse krant Le Soir van 7 mei, blijkt dat hij geboren is in 1887 in Beveren-Waas en dat hij sinds elf jaar voor de krant werkt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog dient hij aan het Ijzerfront, voordat hij in Parijs in opdracht van de Belgische overheid de Nederlandstalige soldatenkrant Het Vaderland opricht.  Le Soir herinnert aan Van Goethems werk bij La Métropole, waar hij zich al jong journalist “onderscheidde door zijn kwaliteiten als nieuwsgierige onderzoeker en liefde voor zijn vak.”

Hoewel de liberale Nieuwe Gazet en het weekblad De Gazet van de “Toneelboekhandelaren Gebr. Janssens, Antwerpen” er nog op terugkomen, raakt de Marie Broeckx-mystificatie snel vergeten. Van Goethem zal nooit de bekendheid van Van den Oever genieten, Vlaamsche Arbeid boert rustig verder en De Blauwvoet wiekt weg in de nacht der tijden.

Verschenen in Zuurvrij nr 22 van juni 2021

Geschiedenis – Kroniek van Antwerpen 1500 – 1600

Redezicht 1515 door anoniem meester (MAS).

Omstreeks 1500

De zg. Meester van het Morrisondrieluik, een Antwerps schilder, borstelt De aanbidding der koningen. Op de achtergrond ziet men Antwerpen met zijn onvoltooide O.-L.-Vrouwetoren. Het gaat om de oudste afbeelding van de stad op een schilderij. Het paneel bevindt zich thans in Philadedelphia.

1500

Geboorte, te Gent, van prins Karel, de latere keizer Karel V. Karel is de kleinzoon van keizer Maximiliaan en Maria van Bourgondië en de zoon van Filips de Schone en Johanna van Castilië. Hij zal de Bourgondische Nederlanden erven, en daarna Spanje.

Overbrenging van de waag voor ijzer en koper, de zg. Ijzerenwaag, van de Drijhoek (Comedieplaats) naar de Boeksteeg (thans Nationalestraat).

Men besluit tot de bouw van het achtkantige deel van de O.-L.-Vrouwetoren. Het voorlopige dak van de toren wordt verwijderd.

1501

Antwerpen wordt de exclusieve stapelmarkt voor Portugese koloniale waren. De eerste schepen met specerijen komen aan.

De burgemeester verwelkomt de kapiteins van de eerste Portugese schepen met specerijen. Wandschildering van Piet Verhaert in het trappenhuis van het Stadhuis.

Afbraak van het oude Vleeshuis en begin van de bouw van een nieuw. Het slagersambacht betaalt de bouw zelf dankzij leningen die het uitschrijft.

1502

Opening van de Ambtmanstraat.

1503

Schilder Jan Gossaert van Mabuse (Maubeuge) wordt meester in het Sint-Lucasgilde.

Dood van bouwmeester Herman de Waghemakere, die meewerkte aan de O.-L.-Vrouwekerk en mogelijk ook het Vleeshuis ontwierp. Zijn zoon Dominicus leidt nu de werf van Antwerpens grootste kerk.

Rede van Antwerpen, houtsnede in Benedictus de Opitii’s “Loeflicken Sanck”, 1515. 

1504

Het Vleeshuis is voltooid. Opening van de Blindestraat en de Gratiekapelstraat.

Filips de Schone ontvangt de kapiteins van Venetiaanse galeien.

Antwerpen ronselt soldaten voor de strijd tegen de hertog van Gelderland. Die verzet zich tegen het Habsburgse overwicht in de Nederlanden. Hij zal weldra een verbond sluiten met Frankrijk.

1505

Tijdelijke vrede met Gelderland.

1506

Filips de Schone moet onder Engelse druk enkele ongunstige aanpassingen doorvoeren aan de Magnus Intercursus. In de Nederlanden noemt men het nieuwe verdrag de Malus Intercursus.

25 september

Dood van Filips de Schone in Spanje. Zijn vrouw Johanna wordt krankzinnig. Keizer Maximiliaan opnieuw regent van de Nederlanden, ditkeer voor zijn kleinzoon Karel.

Maximiliaan van Oostenrijk door Albrecht Dürer.

Gelderland schaart zich aan Franse zijde voor de strijd tegen Maximiliaan.

1507

Maximiliaan benoemt zijn dochter, Margaretha van Oostenrijk (of van Savoye), tot landvoogdes van de Nederlanden.

Einde van de malus intercursus. De koning van Engeland schaft de jaarmarkt in Calais af. De Engelse kooplui komen terug naar Antwerpen.

21 juni

Plechtige intrede van de landvoogdes in Antwerpen. Zij vraagt de Staten van Brabant financiële hulp voor de strijd tegen Gelderland.

1508

De Fuggers uit Augsburg openen een filiaal in Antwerpen.

Antwerpen koopt de heerlijkheden Berchem, Wilrijk en Deurne.

Opening van de Jan van Lierstraat, de Eikenstraat en de Kolveniersstraat.

Jacob Fugger voor een kast waarop de namen van alle vestigingen van zijn handelshuis zijn aangebracht, waaronder “Antorff”.

Voltooiïng van het houten “belfroot” in de O.-L.-Vrouwetoren waaraan de klok Carolus komt te hangen.

Bij Adriaan van Bergen verschijnt de anonieme bundel Scone leysen ende veel scone gheestelike liedekens.

7 september

Plechtige intocht van keizer Maximiliaan, prins Karel en landvoogdes Margaretha.

18 september

Maximilaan beleent Karel op de Grote Markt met het markgraafschap Antwerpen.

10 december

Vrede van Kamerijk met Frankrijk.

 

Anoniem Duits kunstenaar, “Die grosz Kirch zu Antorff”, 1514.

1509

Vrede met hertog Karel van Gelderland.

De Welsers uit Neurenberg openen een filiaal in Antwerpen.

1510

De Violieren en de Goudbloem, samen 400 man sterk, nemen in Herentals deel aan een toneelwedstrijd.

De humanist Joannes Custos Brechtanus (Jan de Coster) doceert Latijn aan de kapittelschool. Hij doet dat tot 1515.

Peter Gillis, een tijdlang proeflezer bij de drukker Michiel Hillen van Hoogstraten, publiceert zijn eerste tekstuitgave van een klassiek auteur.

De Habsburgse Nederlanden (Putzger Historischer Weltatlas).

1511

Nieuwe oorlog met Gelderland.

De stad stelt de Portugese “natie” een groot huis ter beschikking aan het Kipdorp (thans brandweerkazerne).

Een aantal schrijnwerkers, lid van de Violieren, stichten een nieuwe kamer. Zij staan o.l.v. de Vlaamse jurist Joris de la Formanteel en noemen zich eerst De Ongeachten, dan De Olijftak. Gaspar van Halmale wordt hun eerste hoofdman.

Joos van Cleve meester in het Sint-Lucasgilde.

26 februari

Scheepskapitein Dirk van Paesschen zeilt met bedevaarders naar Palestina. Van Paesschen woont in het huis Jeruzalem, dat zijn naam heeft gegeven aan de Jeruzalemstraat.

1512

24 maart

Dirk van Paesschen keert terug van het H. Land. De schipper en zijn passagiers worden feestelijk ontvangen.

13 juni

Maximiliaan, Karel en Margaretha komen opnieuw in Antwerpen aan. De dag daarop horen ze de mis in de O.-L.-Vrouwekerk.

 

Kaart van de Schelde van Rupelmonde tot de zee, 1505, detail (Antwerpen, Felixarchief).

1513

Opening van de Augustijnenstraat.

31 juli

Nieuw vredestractaat met Gelderland.

1514

Opening van de Aalmoezeniersstraat.

Cornelis II Floris wordt geboren in het huis De Dondercloot aan de Steenhouwersvest. Zijn vader is de steenhouwer Cornelis I Floris.

De abdij van Averbode koopt bij Jacob van Cothem in de Kammenstraat een retabel, thans bekend als het Retabel van Averbode.

Het Passieretabel van Averbode. 

1515

Prins Karel meerderjarig verklaard op aandringen van de hoge adel. Die is ontevreden over de politiek van Margaretha van Savoye en haar raadgevers.

Schilder Joachim Patinier staat vermeld in de Liggeren (ledenlijst) van het Sint-Lucasgilde.

De Antwerpenaar Daniël van Bomberghen opent in Venetië een drukkerij. Hij specialiseert zich in de publicatie van boeken in het Hebreeuws. Drie jaar later drukt Van Bomberghen de eerste bijbel met rabbijnse commentaar. In totaal zal hij zo’n 200 boeken op de markt brengen, die hun weg vinden tot bij joden in India en in Ethiopië.

De Violieren zijn met 600 te gast bij De Pioen in Mechelen. Hun hoofdman is de organist van de O.-L.-Vrouwekerk, Benedictus sHertogen.

12 februari

Karel ingehuldigd als hertog van Brabant en markgraaf van het H. Roomse Rijk. Aan de grens van de Vrijheid, bij het klooster Ter Zieken, verklaart de prins onder ede dat hij de stedelijke privilegies zal eerbiedigen. Karel is vergezeld van zijn zusters Eleonora en Maria. Ook zijn tante Margaretha, de landvoogdes, is van de partij.

Margaretha van Oostenrijk (Pienternet). 

1516

Karel wordt koning van Aragon en van Castilië.

De duur van de Antwerpse jaarmarkten wordt verlengd om de Engelse lakenhandelaars plezier te doen.

Opening van de Prinsstraat. Burgemeester Aert van Liere laat er het prachtige Hof van Liere bouwen (thans Ufsia). De werken duren tot 1520.

Mei

Dirk van Paesschens derde reis naar Palestina eindigt vroegtijdig met schipbreuk op de Engelse kust.

1517

In het Duitse Wittenberg spijkert de augustijn Martin Luther zijn 95 stellingen aan de deur van de slotkerk. Begin van de Hervorming.

Maarten Luther.

Opening van de Venusstraat, Lange Sint-Annastraat en de Pieter van Hobokenstraat. Afbraak van de oude Kammerpoort en Koepoort omdat ze het verkeer hinderen.

7 september

Koning Karel gaat in Middelburg scheep naar Spanje.

1518

Dirk van Paesschen heeft het grootste schip laten bouwen “dat men in Antwerpen ooit gezien heeft”. Daarmee onderneemt hij zijn vierde tocht naar het H. Land. In Jaffa nemen de Turken de opvarenden gevangen. Pas na betaling van een hoog losgeld mogen ze doorreizen naar Jeruzalem.

Bij Willem Vorsterman verschijnt Die waerachtige ende een seer wonderlijcke historie van Mariken van Nieumeghen. Dit toneelspel in proza en verzen is het werk van een Antwerps rederijker.

1 september

Noordelijke toren van de O.-L.-Vrouwekerk voltooid: “den 1 september doen was den toren van Onse L. Vrouwe volmaect ende alsdoen eerst het cruys op den toren gesett (…) ende men danste om dat cruys op die stellagie die daer rontom gemaect was dat alle mensen dsagen”.

Het 15de-eeuwse stadhuis, reconstructie in de Wereldtentoonstelling van 1895.

1519

Dood van keizer Maximiliaan. Karel erft alle Nederlandse vorstendommen.

Domien de Waghemakere en Rombout Keldermans krijgen de opdracht voor de bouw van het koor van een nieuwe O.-L.-Vrouwekerk, het zg. “nieuw werck”. De geplande kerk moet vier keer groter worden dan de bestaande, die nieteens helemaal af is (!).

Jacob Spreng, proost van de augustijnen, hangt de leer van zijn ordegenoot Luther aan. Vele augustijnen volgen zijn voorbeeld. Ook buiten de kloostermuren wint de Hervorming aanhangers, vooral bij de talrijke Duitse kooplieden.

Geboorte van Gilbert Van Schoonbeke.

7 november

De universiteit van Leuven veroordeelt de ideeën van Maarten Luther.

Vanaf ca. 1520

De onrust in Centraal-Europa fnuikt de aanvoer van ertsen uit Zuid-Duitsland. Omdat via Spanje zoveel goud en zilver uit de Nieuwe Wereld Europa bereikt, hebben de Portugezen ook geen behoefte meer aan Zuid-Duits zilver. Zij brengen meer en meer specerijen naar Italië inplaats van naar Antwerpen. Toch blijft de Scheldestad veel specerijen ontvangen.

De oude beurs aan de Hofstraat. 

1520

Karel wordt, mede dankzij het geld van de Fuggers, verkozen tot keizer van het H. Roomse Rijk.

Albrecht Dürer bezoekt Antwerpen. Dürer is een overtuigd lutheraan. Stadssecretaris Cornelis Grapheus, die hetzelfde denkt, schenkt hem een exemplaar van Luthers Die Babylonische Gefängnis der Kirche. Dürer ontmoet Joannes Spreng.

Hij bezoekt het huis van Quinten Metsijs om er de muurschilderingen te bewonderen. Voorts heeft hij bijna uitsluitend contact met Duitse en Portugese protestanten, onder wie ook marranen, d.w.z. onder dwang tot het katholicisme bekeerde joden.

Dürer op bezoek bij Quinten Metsijs. Een romantische en onjuiste voorstelling uit de late 19de eeuw.

Dürer wordt feestelijk ontvangen in de Schilderskamer, bewondert het Huis van Liere, woont de bruiloft bij bij van Joachim Patinier, beklimt de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, bewondert de Sint-Michielsabdij en woont de grote processie bij op de zondag na 15 augustus.

In het stadhuis ziet Dürer de walvisbeenderen die in het begin van de 16de eeuw zijn opgegraven bij het Steen, en die men voor beenderen Antigoon houdt.

September

Karel komt uit Spanje in Antwerpen aan. Quinten Metsijs en 250 andere kunstenaars versieren de stad met aan weerszijden van de straten een dubbele zuilengalerij. Zij richten een grote triomfboog en 400 kleinere bogen op. Acteurs beelden op podia taferelen uit.

Ontvangst van Quinten Metsijs door het Sint-Lucasgilde.  Wandschildering van Edgard Farasyn in het trappenhuis van het Stadhuis.

Karel neemt zijn intrek in het Hof van Liere aan de Prinsstraat. De Staten Generaal van de Nederlandse gewesten komen bijeen; Karel zit hun vergadering voor. Hij legt de eerste steen van het “nieuw werck”

De Violieren voeren op de Kauwenberg een toneelspel op.

Opening van de Rodestraat.

1521

Oorlog met Frankrijk, die met onderbrekingen duurt tot in 1544.

Uitvaardiging van het eerste plakkaat tegen de ketters. De beul verbrandt op de Grote Markt lutherse boeken. Jacob Spreng en zijn opvolger, Hendrik van Zutphen, gearresteerd.

Dürer tekent Catharina, de 20-jarige zwarte dienares van de Portugese factor Brandan.

1522

Karel V heeft geen vertrouwen in de bisschoppelijke inquisitie. Hij stelt de leek Van der Hulst aan tot algemeen inquisiteur. Die ontdekt dat stadssecretaris Cornelius Grapheus een luthers getinte inleiding heeft geschreven bij een uitgave van een theologisch tractaatje van de in 1475 gestorven Jan Pupper van Goch.

De Antwerpse augustijnen worden opgepakt en naar Brussel gevoerd. Twee van hen, Hendrik Voet en Jan van Essen, weigeren hun overtuiging te herroepen en sterven op de brandstapel. Zij zijn de eerste martelaren van het protestantisme in de Nederlanden.

Koning Christiaan van Denemarken, schoonbroer van keizer Karel, wordt afgezet en komt aan in de Nederlanden. Hij zal zich in Lier vestigen.

Christiaan II van Denemarken.

Stadssecretaris Cornelis Grapheus zweert in de Onze-Lievevrouwekerk alles af wat hij ten gunste van de lutherse leer heeft gezegd. Terzelfdertijd verbrandt de beul lutherse uitgaven van de Antwerpse drukkers Claes de Grave, Hendrik Eckert van Homburch en Michiel Hillen van Hoogstraten.

Dominicus de Waghemakere krijgt een lijfrente uitbetaald “want hij den torre volmaict heeft”, d.w.z. omdat hij de O.-L.-Vrouwetoren heeft voltooid.

Ingebruikname van de Ossenmarkt.

1523

De overheid sluit het augustijnenklooster. De kerk wordt ontwijd. Enkele augustijnen organiseren in de omgeving van Antwerpen lutherse geloofsbijeenkomsten.

1524

Ketterse bijeenkomsten in de Eikenstraat, waaraan 40 personen deelnemen. De “voorzitter” van deze bijeenkomste, een zekere Adriaan “de Schilder” kan op tijd de benen nemen. Nicholaas van Brussel, pastoor van de Sint-Jacobskerk, verdacht van lutherse sympathieën.

Vervaardiging van het Retabel van Oplinter.

Omstreeks 1525

In het Zwitserse Zürich ontstaat de radicale stroming van de doopsgezinden. Zij zijn tegen de doop van kinderen en vóór die van volwassenen. De doopsgezinden willen alleen geestelijke “wapens” hanteren en weigeren eden af te leggen. Zij verwachten de spoedige komst van het Rijk Gods.

Melchior Hoffman.

Via Emden brengt Melchior Hoffman hun leer naar de Nederlanden. Daar ontstaat een extreme “afsplitsing”, de wederdopers of anabaptisten. Zij wiillen met geweld de komst van het Godsrijk bespoedigen.

Het anabaptisme schiet vooral wortel bij kleine ambachtslui en dagloners. Hun radicalisme heeft een uitgesproken sociale dimensie.

Publicatie van de anonieme bundel Refereinen in ’t sot, in ’t amoureus en in ’t wijs.

1525

Nieuwe ordonnantie met verbod tot het drukken en verkopen van ketterse boeken. Eligius Pruystinck, alias Looi de Schaliedekker, verkondigt heterodoxe ideeën. Luther waarschuwt zijn Antwerpse aanhangers voor deze “slang onder de palingen”.

30 juli

De uitgetreden augustijn Niklaas uit Ieper houdt vanop een bootje op de Falconrui een lutherse preek en wordt opgepakt.

31 juli

Eerste executie van een ketter in Antwerpen: Niklaas wordt in een zak gestopt en bij het Steen in de Schelde gegooid.

 

De laatgotische toren van de Sint-Jacobskerk.

1526

Voltooiïng van de toren van de Sint-Jacobskerk.

Keizer Karel sluit vrede met de hertog van Gelderland.

In Antwerpen verblijven meerdere marranen of nieuwe christenen, afkomstig uit Spanje en Portugal. Velen blijven in het geheim hun oude geloof belijden. Tal van Antwerpse marranen zijn actief in de Portugese specerijenhandel.

Februari.

Pruystinck en een tiental aanhangers herroepen hun ketterse denkbeelden.

1527

Geboorte van kroonprins Filips, de latere Filips II.

Opening van de Koningstraat, de Steenbergstraat en de Cellebroedersstraat.

Pieter Coecke van Aalst meester in het Sint-Lucasgilde.

Geboorte te Antwerpen van de rederijker Willem van Haecht en van de geograaf Abraham 0rtelius (Ortels).

1528

Opening van de Sint-Andriesstraat, de Pompstraat en de Waaistraat.

Jacob van Liesvelt brengt de eerste bundel refereinen van Anna Bijns op de markt: Een schoon en Zuiverlijk boeksken subtiellijk en rhetorijkelijk refuteerende al de dolinen en grote abusen komende uit de vermaledijde luthersche secte. Bijns hekelt de lutheranen, maar ook de lakse dienaars van de Kerk.

Karikatuurtje van Anna Bijns in een uitgave van haar refereinen.

1529

Vrede van Kamerijk met Frankrijk, ook genoemd de “Damesvrede”, wegens de grote rol die landvoogdes Margaretha van Oostenrijk en de moeder van de Franse koning Frans I bij de totstandkoming ervan gespeeld hebben.

De vrede wordt gevierd op de Grote Markt.

Eerste arrestatie van een wederdoper. Hij wordt levend verbrand op de Grote Markt.

Het vroegere bedehuis van de augustijnen wordt als St.-Andrieskerk Antwerpens vijfde parochiekerk.

Latijnse vertaling van de eerste bundel van Anna Bijns.

1530

Margaretha van Savoye sterft te Mechelen.

Februari

Arrestatie van de marranen Alfonse Fourco, Diego Lopez, Adam Vaes en Antonio Vaes. Zij worden ervan beschuldigd het joodse geloof te belijden en wapens te leveren aan het Turkse Rijk, waarmee Spanje op voet van oorlog leeft. Hun proces voor de Vierschaar leidt tot een prompte vrijspraak.

5 november

Overstroming in Zeeland en Vlaanderen. De polders ten noorden van Antwerpen en een deel van de stad lopen onder water.

1531

Keizer Karel en zijn zuster Maria van Hongarije bezoeken Antwerpen. Maria aangesteld tot landvoogdes van de Nederlanden. Maria vergadert dagelijks met enkele vertrouwde leden van de drie Raden die haar bijstaan: de Raad van Financien, de Geheime Raad en de Raad van State. Ze verkiest de ambtenaren boven de hoge edelen.

Maria van Hongarije.

Melchior Hoffmann organiseert de Amsterdamse anabaptisten.

Inhuldiging van de Beurs: een open binnenplein, omgeven door galerijen. De Twaalfmaandenstraat en de Borzestraat zijn geopend om het complex toegankelijk te maken.

Jan en Cornelis Metsys vermeld in de Liggeren van het Sint-Lucasgilde.

Tielman Susato speelt trompet in de O.-L.-Vrouwekerk.

Dood van Rombout Keldermans.

De nieuwe beurs. 

1532

De marraan Diego Mendes wordt beschuldigd van handel met en spionage voor de Turken. Zowat alle naties van vreemde kooplieden protesteren; de stad zelf wijst keizer Karel erop hoe nadelig een proces zou zijn. Uiteindelijk stelt men Mendes, na de betaling van een borgsom van 50.000 ducaten op vrije voeten. Mendes zal in 1543 in Antwerpen overlijden.

1533

In de nacht van 5 op 6 oktober zware brand in de O.-L.-Vrouwekerk. Schip en dwarsbeuk zijn nog niet zijn overwelfd. De voorlopige houten daken gaan in de vlammen op.

Erasmus, door Quinten Metsys.

“Het voorteken van de brand van de Antwerpse kerk jaagt mij schrik aan”, zal Erasmus vanuit Freiburg aan de Antwerpse kanunnik Goclenius schrijven.

1534

De anabaptisten komen aan de macht in Munster. Ze krijgen hulp van geloofsgenoten uit de Nederlanden.

Opening van de Pelgrimstraat, zo genoemd naar de afspanning De Pelgrom.

Dominicus de Waghemakere stelt zijn testament op.

1535

Onthoofding van Jeroen Pael, een der “profeten” die zijn uitgestuurd door de Munsterse wederdopers. Weldra arresteert men 7 andere anabaptisten.

De wederdopers proberen zich meester te maken van Amsterdam. Begin van strenge repressie, ook in het Zuiden.

Pruystinck komt in contact met de gevluchte Parijse juwelier Christophe Hérault.

Jan Metsys, Flora. 

1536-1538

Opnieuw oorlog met Frankrijk.

1536

Verkoop van houtsneden die Jan van Leiden voorstellen verboden. Onthoofding van de wederdoper Joost Baeten. Margriet Dregge wordt verdronken in de Schelde.

Keizer Karel geeft de marranen toestemming zich met hun familie en dienstboden in Antwerpen te vestigen.

Jozef Nasi

De marraan Jozef Nasi, die later hertog van Naxos en gunsteling van de Turkse sultan wordt, vestigt zich onder de naam Juan Miguez in Antwerpen. Hij is verwant met de familie Mendes en bevindt zich in het gezelschap van zijn tante, Gracia Mendes, en haar dochter Reyna. Zij zullen in 1546 de stad verlaten om naar Venetië en vervolgens naar Ferrara te gaan. In 1554 treedt Jozef Nasi in Constantinopel in het huwelijk met Reyna. Twaalf jaar later benoemt sultan Selim II hem tot hertog van Naxos en van de Cycladen. Hij sterft in 1579 in de Turkse hoofdstad.

De herstelling van de O.-L.-Vrouwekerk is klaar. De uivormige koepel boven de kruising is voltooid.

1537

Terechtstelling van zeven wederdopers, onder wie twee “bisschoppen”.

Plaatsing van een kruis op de zuidelijke toren van de O.-L.-Vrouwekerk.

1538

Terechtstelling van twee wederdopers.

1539

De Violieren winnen een toneelwedstrijd in Gent. Het deelnemende kamers moeten met hun toneelstuk een antwoord geven op de vraag “wat de mens in het uur van zijn dood de meeste troost biedt”. Volgens de Violieren is dat de verrijzenis van het vlees – een katholiek dogma.

Intocht van de Violieren na hun overwinning te Gent. Wandschildering van Edgard Farasyn in het trappenhuis van het Stadhuis.

Toch brengen andere rederijkers stukken met een lutherse tendens. Daarom zal het 25 jaar duren eer de Violieren in Antwerpen een Landjuweel mogen organiseren.

Publicatie van Een devoot ende profijtelijk boekske inhoudende veel geestelijke liedekens ende leisenen.

Cornelis II Floris, bijgenaamd De Vriendt, wordt meester in het Sint-Lucasgilde.

Pieter Coecke van Aalst publiceert onder de titel Die Inventie der Colommen de eerste Nederlandse vertaling van het werk van de Romeinse architect Vitruvius.

Terechtstelling van één wederdoper.

Vanaf 1540

De invoer van Engels laken neemt toe. Van het Iberisch schiereiland worden nog altijd veel specerijen ingevoerd, die via Antwerpen naar Duitsland gaan. Tegenlijk wordt de Scheldestad de grote uitvoerhaven van luxeproducten, vervaardigd in de steden van Noord-Frankrijk, de Zuidelijke Nederlanden, Holland en Zeeland. Om die nijverheid te bevoorraden, voert Antwerpen Italiaanse zijde, Engelse en Spaanse wol, aluin, cochenille, pastel en andere grondstoffen in.

Jan Sanders van Hemessen, “Judith”. 

1540

De liefdadige instellingen van de verschillende parochies en de gasthuizen komen onder het gezag van de stedelijke aalmoezeniers.

De Stad Antwerpen koopt de heerlijkheid van het Kiel van de karthuizers, die haar totdantoe in hun bezit hebben.

Opening van de Apostelstraat.

Plaatsing van een wijzerplaat op de noordelijke toren van de O.-L.-Vrouwekerk.

Geboorte, te Brecht, van jonker Jan van der Noot.

David Jorisz.

De doperse profeet David Jorizs., zijn vrouw en hun zes kinderen krijgen onderdak van Cornelis van Lier in zijn kasteel Hof ten Broecke in Schilde. Jorisz. oefent ook invloed uit op diverse leden van de familie Van Berchem. In Schilde schrijft hij aan zijn Wonderboeck dat op kosten van Cornelis van Lier gedrukt wordt in Deventer door Dirk van de Borne.

16 december

Edict waarin keizer Karel bepaalt dat marranen die in het geheim de joodse godsdienst belijden en de sabbat vieren, gestraft zullen worden.

1541

Afbraak van de oude Meirpoort. Overwelving van de Meir van aan de Meirbrug tot aan de Clarenstraat.

Men vreest een nieuwe inval van de Geldersen in Brabant. De huurlingenleider Maarten van Rossum wordt tijdens de jaarmarkt in Antwerpen gesignaleerd.

De Violieren en de Goudbloem nemen deel aan een wedstrijd in Diest. De Violieren behalen de eerste prijs.

Een grote brand verwoest de huizen tussen de Grote Markt en de rui. De stad koopt daarop de huizen aan de overkant, tussen de rui en de Handschoenmarkt. Men wil de rui overwelven en op het bouwterrein dat zo ontstaat een nieuw stadhuis bouwen. Dominicus de Waghemakere krijgt de opdracht om het te ontwerpen. Hij tekent plannen voor een gotisch gebouw. Weldra koopt de stad 37 schuiten Boomse baksteen.

1542

Keizer Karel V vecht in Noord-Afrika. Zijn aartsvijand, de Franse koning Frans I, overhaalt hertog Willem van Gulik om de landen van de keizer aan te vallen. Willem stuurt Maarten van Rossum naar de Zuidelijke Nederlanden.

Frans I, koning van Frankrijk.

Juni

Van Rossum trekt met een leger van zo’n 15.000 soldaten over de Maas. Antwerpen heeft geen garnizoen. Burgemeesters Lancelot van Ursel en Nicholaas de Schermere brengen de stad in staat van paraatheid. Poorters en ambachtslieden vatten post op stadsmuren. Zij krijgen versterking van vele vreemde kooplieden, die bovendien huurlingen in dienst nemen.

Keizer Karel V.

24 juli

’s Avonds verschijnen de benden van Maarten van Rossum voor de stad. Hun bevelhebber neemt zijn intrek in het kasteel Vordenstein bij Merksem. Zijn voorhoede slaat haar tenten op aan de Pothoek, bij het Sint-Willibrordsveld. Omdat de Geldersen geen geschut hebben maken ze geen aanstalten tot een echte belegering.

26 juli

Van Rossum eist de stad op. De Antwerpenaars weigeren. ’s Avonds vallen de Geldersen de Rodepoort aan. Enkele kanonschoten volstaan om hen op de vlucht te drijven.

27 juli

Van Rossum blaast de aftocht nadat hij van Berchem tot Merksem alle huizen, buitengoederen en windmolens in brand heeft laten steken. Alleen Vordenstein laat hij ongemoeid, volgens de overlevering omdat hij er zo’n goeie rijnwijn had aangetroffen.

Romantische voorstelling van Maarten van Rossum.

Het stadsbestuur wil dringend “moderne” stadsmuren te bouwen en besluit meteen 25 ha ten noorden van de stad in de nieuwe omwalling te incorporeren. Dit wordt de zg. Nieuwstad. De werken aan het nieuwe stadhuis worden stilgelegd.

De Italiaanse militaire ingenieur Donato Buoni de Pellezuoli ontwerpt de nieuwe stadsmuren. Stadsbouwmeester Pieter Frans heeft de dagelijkse leiding van de werken.

De vestingmuur krijgt tien bastions met holle, naar buiten gerichte flanken. Die laatste bieden ruimte aan geschut dat de stadsgracht en de face van het tegenoverliggende bastion berstrijkt.

Antwerpen en zijn “Spaanse” omwalling. Plattegrond van Virgilius Bononiensis, 1565 (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus).

De wallen zijn 10 meter hoog en hebben een borstwering van 1,30 meter. Muren en bastions zijn van baksteen. De buitenkant is bekleed met natuursteen uit Glabbeek en Nijvel.

Er komen vijf gigantische poorten: van zuid naar noord zijn het de Kronenburgpoort, de Sint-Jorispoort, de Kipdorppoort, de Rodepoort en de Slijkpoort.

1543

Begin van de bouwwerken aan de nieuwe Sint-Jorispoort, Kipdorppoort en aan de Rodepoort.

Opening van de Jodenstraat, de Bogaerdenstraat en de Schoytestraat.

Tielman Susato opent een muziekdrukkerij aan de Twaalfmaandenstraat. Hij publiceert de komende jaren 25 boeken chansons, drie met missen en 19 met motetten. Daarnaast komen van zijn pers 11 delen van het Musyck Boexken.

De koopman en rederijker Cornelis Crul schrijft  Gheestelijken ABC. Dit werk is een lofzang op de armoede. Crul klaagt geldmisbruik en kerkelijke wantoestanden aan.

 

Kasteel Selsaeten in Wommelgem, een van de buitengoederen die door de troepen van Maarten van Rossum werden verwoest.

1544

 

Vrede van Crespy met Frankrijk.

Karel V verblijft geruime tijd in de Nederlanden. Hij organiseert de strijd tegen de protestanten in Duitsland.

Opening van de Beukelaarstraat (later Rijke Beukelaarstraat en Franckenstraat).

Het Hof van Liere komt in handen van de stad, die het ter beschikking stelt van de Engelse kooplui. Het doet dienst als zetel van de zg. Engelse Natie de overkoepelende vereniging van alle Engelsen in de Nederlanden en als verblijfplaats voor Engelse diplomaten.

David Jorisz.’ “Wonderboeck”.

Verspreiding van het Wonderboeck van de doperse profeet David Jorisz. David Jorisz. en Joachim van Berchem overwegen uit te wijken naar het Zwitserse Bazel, een lutherse stad, en reizen ernaartoe om poolshoogte te nemen. In hun gezelschap is Juraen Ketel.

 

Huibrecht Waelrant, zanger en componist, zingt “alle avonden” in het lof in de O.-L.-Vrouwekerk.

 

1 juni

Arrestatie in Deventer van Juriaan Ketel. Hij bekent dat hij een aanhanger is van David Jorisz. en verklikt Antwerpse ketters, onder wie de familie Van Berchem, maar ook Pruystinck en Hérault.

25 juni

Een keizerlijk plakkaat gebiedt Antwerpen een register aan te leggen van alle marranen die er verblijven. Om te beletten dat de “nieuwe christenen” uitwijken naar Turkije, wordt het de Antwerpenaars verboden hen te helpen met vervoer of hun uitgeleide te doen.

14 juli

Arrestatie van Pruystinck en Hérault. Weldra pakt men nog loïsten op, onder wie Dominicus van Oucle, die de opvattingen van de secte heeft te boek gesteld. Kort daarop vertrekken David Jorisz. en de Van Berchems naar Bazel, waar ze op 25 augustus het burgerschap verwerven.

25 oktober

Pruystinck sterft op de brandstapel op het Galgenveld.

 

Het “Antwerps Liedboek”.

Bij drukker Jan Roulans “onder Onser liever Vrouwentoren” verschijnt de tweede druk van Een schoon liedekens boeck in den welcken ghy vinden sult veelderhande liedekens (…) om droefheyt ende melancolie te verdrijven, beter bekend als het Antwerps Liedboek.

 

1545

 

Drie loïsten terechtgesteld; anderen vluchten. De schilder Jan Metsys, zoon van Quinten, verlaat Antwerpen. Mogelijk is ook hij een aanhanger van Pruystinck.

Proces tegen de rederijker en schoolmeester Peter Schuddemate. Hij heeft als lid van de Violieren en van de Olijftak een ketters toneelstuk geschreven. Hij is ook de auteur van het pamflet Het Babel van Vilvorden.

Proces tegen de drukker Jacob van Liesvelt voor de publicatie van een lutherse bijbelvertaling. Hij wordt nog dat jaar geëxecuteerd.

Frontispies van de “Liesveltbijbel” (detail).

Begin van de calvinistische invloed in Vlaanderen.

 

Keizer Karel rijdt Antwerpen binnen langs de pas voltooide Sint-Jorispoort. Daaraan dankt zij haar tweede naam van Keizerspoort. De poort bevindt zich waar nu het standbeeld van Leopold I op het Leopoldplein staat. In 2002 legt men de grondvesten ervan bloot.

 

1546

 

Plaatsing van een tweede, vaste kraan aan de Werf.

Opening van Pruynenstraat, Meistraat, Predikerinnenstraat en Haverstraat. Gilbert van Schoonbeke opent de Korte Clarenstraat en de Lombaardstraat.

De rijke marraan Loys Perez, afkomstig uit Spanje, wordt in de adelstand verheven voor zijn financiële hulp aan de keizer.

Vestiging van een nieuw Begijnhof aan de Rodestraat.

Westzijde van het begijnhof aan de Rodestraat.

Geboorte van de latere “tafereelmaker” en kroniekschrijver Godevaert van Haecht.

 

1547

 

Terechtstelling van Peter Schuddemate.

Gilbert van Schoonbeke ontwikkelt de buurt van de Stadswaag. Hij opent de Korte en de Lange Brilstraat, Hoornstraat en Raapstraat. Van Schoonbeke gaat ook van start met de aanleg van de Vrijdagmarkt en de omliggende straten. Hij legt de Sint-Jorispoortstraat aan.

 

Gilbert van Schoonbeke (Antwerpen, OCMW).

Van Schoonbeke koopt van schout Willem van de Werve het goed Ter Beke ten zuidoosten van de stad. Tot 1551 zal hij nog tal van gronden in de omgeving aankopen om het zg. Leikwartier te realiseren: een buurt met lommerrijke, met bomen beplante wegen en buitenhuizen voor rijke Antwerpenaars. De grondspeculant opent weldra de Markgravelei, de Emmaüslei (Van Schoonbekestraat), de Hinnekenslei (Hof ter Bekestraat en Sint-Laureisstraat), de Sint-Jorislei (Oude Kerkstraat) en de Haantjeslei.

 

De Stadswaag en haar onmiddellijke omgeving. Kaart van Virgilius Bononiensis, 1565 (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus).

De Violieren vieren feest ter ere van keizer Karels overwinning op de Duitse protestanten in Muhlberg.

 

Huibrecht Waelrant leidt jonge zangers op in zijn huis aan de Twaalfmaandenstraat.

 

In particuliere woningen en in het veld prediken gematigde doopsgezinden. Zij hangen de geweldloze leer van de Fries Menno Simons aan. Eén van de doperse leiders is Gillis van Aken.

 Menno Simons.

1548

De Zeventien Provincien vormen voortaan één ondeelbaar geheel, de zg. Bourgondische Kreits, en gaan als zodanig deel uitmaken van het H. Roomse Rijk.

Bouw van een nieuwe Sint-Andrieskerk.

Tweede, uitgebreide editie van het Schoon en zuiverlijk boeksken van Anna Bijns.

Christophe Plantin door Rubens, naar een eigentijds portret (Museum Plantin-Moretus).

Christophe Plantin, omstreeks 1520 te geboren te Saint Avertin bij Tours (Fr.), vestigt zich in Antwerpen als boekbinder en vervaardiger van kostbaar lederwerk.

Bij de graveur en prentenhandelaar Hiëronymus Cock verschijnt een reeks van 20 bladen met modellen voor fantasierijk luxevaatwerk. Ze zijn van de hand van Cornelis II Floris.

 

1549

 

Pragmatieke Sanctie. De Zeventien Provincien zullen samen, als één geheel, overgaan op de opvolgers van keizer Karel.

De dominicanen slopen hun oude kerk bij de Veemarkt en bouwen op dezelfde plaats een nieuwe (de huidige St.-Pauluskerk). De paters breken meteen het oude tapissierspand af, dat eigendom is van hun klooster.

Opening van de Kattenstraat.

Pieter Coecke van Aalst decoreert het huis De Groote Zot aan de Sint-Jacobsmarkt. Het is eigendom van Peter de Moelere.

 Hendrik Niclaes, stichter van het Huis der Liefde.

Christoffel Plantin komt in contact met Hendrik Niclaes en diens secte Het Huis der Liefde.

 

17 juni

 Voortaan mogen marranen zich niet meer in de Nederlanden vestigen. Zij die er al langer verblijven dan zes maand mogen blijven, maar de anderen moeten vertrekken. Antwerpen verzet zich tegen dit edict omdat de marranen een voorname rol spelen in het economisch leven.

 

11 –17 september

 Keizer Karel en zijn zoon, prins Filips, de latere Filips II, bezoeken Antwerpen. De feestelijkheden zijn bedacht door stadssecretaris Cornelis Grapheus; Pieter Coecke van Aalst neemt de versieringen voor zijn rekening.

Aan het Galgenveld (Prins Albertpark) wachten zo’n 4.000 gewapende poorters de keizer en de prins op.  Bij het klooster Ter Zieken (Mechelsesteenweg) krijgt de prins de sleutels van de stad. Bij de Keizerspoort moeten 1.000 kanonnen vuren, maar de regen verhindert dat.

Van aan de Sint-Jorispoort tot aan de Sint-Michielsabdij is een galerij van meer dan 2.000 vierkante zuilen getimmerd. Ze leidt langs het Sint-Elisabethgasthuis, de Huidevettersstraat, St-Katelijnevest en Minderbroedersrui, Koepoortbrug, Koepoortstraat en Kaasrui naar de Grote Markt en van hier via Hoogstraat en Oever naar de Kloosterstraat.

 De Onze-Lieve-Vrouwekerk en omgeving, 1565. Kaart van Virgilius Bononiensis, Antwerpen, Museum Plantin-Moretus). 

Op verscheidene plaatsen staan stellages en triomfbogen met beelden, bekostigd door de stad of door de naties van vreemde kooplui. De laatste hebben voor hun bijdrage 28.000 gulden neergeteld.

Op de Grote Markt prijkt onder een marmeren boog de reus Antigoon. Voor het Schepenhuis staat een houten paleis waar de vorsten het avondmaal gebruiken.

De volgende dag, donderdag 12 september, horen Karel en Filips de mis in de O.-L-Vrouwekerk. Op vrijdag 13 september houdt men op de Oever een steekspel. ’s Zaterdags vindt op de Grote Markt een tornooi plaats waaraan de strijders te voet deelnemen.

Op zondag 15 september is er een groot steekspel tussen twee ruiterbendes, waaraan ook Filips meedoet. Die avond wordt hjet gevolgd door een feestmaal, een danspartij en een vuurwerk.

 

1550

 

Eeuwig Edict van keizer Karel. Zeer streng plakkaat dat voorziet in de medewerking van inquisiteurs aan het proces tegen ketters. Vreemdelingen moeten altijd een getuigschift van de pastoor van hun woonplaats kunnen voorleggen.

Het Antwerpse stadsbestuur voelt niets voor inmenging van de inquisitie. Het wil buitenlandse kooplui uit de wind zetten wat het getuigschrift betreft.

De stad onderhandelt met Maria van Hongarije en krijgt, wat het laatste betreft, haar zin: “Onze kooplieden en ingezetenen zouden blijven bij hun oude vrijheden en voordelen”.

Opening van Bervoetstraat, Engelse Beurs, Happaertstraat, Hoofdkerkstraat, Moriaenstraat, Paradijsstraat, Parochiaanstraat, Rozenstraat en Rozengang en Sleutelstraat.

Christophe Plantin wordt poorter van Antwerpen.

Dood van Pieter Coecke van Aalst.

 

1551-1559

 

Oorlog met Frankrijk, waar nu Hendrik II regeert.

 

1551

 

Illustratie uit Consciences roman “Simon Turchi”.

De Italiaanse koopman Simon Turchi vermoordt zijn landgenoot Geronimo Deodati in een huis aan de Kleine Markt. Turchi is gebeten op Deodati omdat die zijn kwaliteiten als zakenman in twijfel trekt.

Het opgesmukte verhaal van de moord komt in de vierde en laatste bundel Novelle (1573) van de Italiaanse geestelijke Matteo Bandello. De geschiedschrijver Van Meteren heeft het er ook over in zijn Historie der Nederlanden (1623).

Executie van Jan van Oostende, tapijtwever uit Oudenaarde. Volgens sommigen is hij de eerste calvinistische predikant in Antwerpen. Na zijn dood treedt Gaspar van der Heyden uit Mechelen naar voren als gereformeerd voorman.

Negen wederdopers terechtgesteld.

Opening van Sudermanstraat en Haarstraat.

Pieter Breugel de Oude vermeld in de Liggeren van het Sint-Lucasgilde.

De Violieren spelen het stuk Van den wellustigen mensch, geschreven door hun factor Jan van den Berghe.

 

1552

 

Cornelis Floris maakt het tabernakel voor de Sint-Leonarduskerk in Zoutleeuw.

Opening van de Schermersstraat.

Nieuwe oorlog met Frankrijk. Om die te financieren leent Maria van Hongarije bij Antwerpse kooplieden 600.000 ducaten. Antwerpse instellingen en particulieren stellen nog eens, renteloos ditkeer, 250.000 ducaten ter beschikking. Toch volgen weldra nieuwe belastingen.

 Het tabernakel van Zoutleeuw.

20 september

De stedelijke schuttersgilden worden gereorganiseerd en krijgen tot de helft meer manschappen.

 

1553

Gilbert van Schoonbeke voltooit het Tapissierspand als verkoophal voor wandtapijten. In de onmiddellijke nabijheid heeft hij de Arenbergstraat, Arme Duivelstraat, Graanmarkt, Henri Van Heurckstraat, Kelderstraat, Gasthuisbeemden (Leopoldstraat), Orgelstraat en Sint-Martensstraat geopend.

Van Schoonbeke begint aan de bouw van brouwerijen en een Waterhuis in de Nieuwstad.

Opening van Grote en Kleine Koraalberg door Gilbert van Schoonbeke.

Vijf wederdopers terechtgesteld.

Cornelis van Ghistele vertaalt de eerste vier boeken van Virgilius Aeneis.

Frans Floris schildert een Val der Engelen voor het altaar van het Schermersgilde in de O.-L.-Vrouwekerk.

Componist Roland de Lattre, beter bekend als Orlandus Lassus, gewezen kapelmeester van de Sint-Jan-in-Lateranen te Rome, werkt in Antwerpen. Hij vertrekt in 1557 naar München.

Orlandus Lassus.

De Antwerpenaars vergapen zich aan een olifant. Het gaat om een geschenk van de koning van Portugal aan keizer Karel.

Voorjaar en zomer

Om de oorlog tegen Frankrijk te bekostigen komen er nieuwe belastingen op wijn, bier, vlees en graan. Men vreest dat de Fransen zullen oprukken naar Brussel. Daarom roept de landvoogdes alle weerbare mannen op.

11 juli

In Antwerpen breekt oproer uit. Woedende burgers bekogelen het Schepenhuis met stenen. De schuttersgilden slagen er met moeite in de woedende menigte terug te dringen. De oorzaak van de relletjes zijn niet alleen de nieuwe belastingen en de mobilisatie, maar ook de brouwerijen van Gilbert van Schoonbeke in de Nieuwstad, die in werking zijn getreden. De brouwers die elders actief zijn, verspreiden het gerucht dat het bier van Van Schoonbeke niet deugt. De menigte wil hem en zijn beschermer, stadspensionaris Jacob Maes, vermoorden.

1555

De Franse dreiging is afgenomen. In februari krijgt Antwerpen een garnizoen van tien eenheden Duitse lansknechten en een Albanese ruiterbende o.l.v. Lazarus Wendel. De landvoogdes en zelfs de keizer bezoeken de stad. De leiders van de opstandige beweging worden opgepakt; vier worden terechtgesteld.

Augsburgse Confessie. Voortaan is het de vorst die bepaalt welke godsdienst in zijn land beleden wordt. In de Nederlanden is dat het katholicisme.

Karel V doet te Brussel troonsafstand. Filips II volgt hem op als koning van Spanje en souverein van de Nederlanden. Stadspensionaris Jacob Maes antwoordt namens de Staten-Generaal op de afscheidsrede van de keizer. Filips blijft in de Nederlanden om de oorlog tegen Frankrijk te leiden. Maria van Hongarije volgt Karel naar Spanje. Emmanuel Filibert van Savoye wordt de nieuwe landvoogd.

Filips II.

Vijf wederdopers terechtgesteld.

Christophe Plantin opent een drukkerij. Het bedrijfskapitaal krijgt hij van Hendrik Niclaes, op voorwaarde dat hij diens werk drukt. Maar het eerste boek dat bij Plantin van de pers komt, is La Institutione di una fianculla nata nobilmente. L’Institution d’une fille de noble maison. Het gaat om een handleiding voor de opvoeding van meisjes van goeden huize.

Cornelis van Ghistele vertaalt de komedies van Terentius. Hij is factor van de Goudbloem.

17 december

Gaspar van der Heyden meldt aan de kerkenraad te Emden dat in Antwerpen een kleine Nederlandstalige calvinistische gemeenschap bloeit.

Jean Calvin.

1556

Generaal kapittel van de orde van het Gulden Vlies in de O.-L.-Vrouwekerk. Filips II woont de bijeenkomst bij.

David Jorisz. sterft in zijn kasteel te Binningen bij Bazel. Er ontstaat onenigheid onder zijn volgelingen. Een en ander leidt tot een gerechtelijk onderzoek. In 1559 zweren de laatste getrouwen van David Jorisz. hun opvattingen af en gaan vrijuit. Verscheidene Van Berchems blijven in Bazel wonen.

Cornelis van Ghistele vertaalt de Antigonè van Sofokles.

December

Gilbert van Schoonbeke sterft op zijn 37ste in zijn huis De Keyser aan de Minderbroedersrui.

1557

 

De oorlog met Frankrijk laait op. Filips II en zijn voornaamste raadgevers zijn aan het front.

Verkapt Spaans “staatsbankroet”. Filips II bepaalt dat hij nog maar 5% rente meer op zijn schulden zal betalen.

Evrard Erail komt op verzoek van de Waalse kerk van Genève naar Antwerpen en wordt haar eerste vaste predikant.

De Nederlandstalige gereformeerde gemeente telt 16 of 18 secties, waarvan telkens 8 à 12 personen deel uitmaken.

10 juli

Onthoofding van de anabaptistenleider Gillis van Aken op de Grote Markt.

 

De Antwerpse Vierschaar. De rechtbank zetelde in open lucht.

1558

Karel V sterft in het klooster van San Yuste in Spanje.

De gereformeerde Van Haemstede predikt in het openbaar en lokt tot 2.000 toeschouwers, al zijn de meesten volgens de plaatselijke overheid “geen calvinisten”.

De graveur en dichter Willem van Haecht (°1527-vóór 1612) factor van De Violieren.

1559

Vrede van Cateau-Cambrésis met Frankrijk.

Paus Paulus III bepaalt de oprichting van 14 nieuwe bisdommen, waaronder Antwerpen. In de stad vreest men strengere vervolgingen van de protestanten en een grotere Spaanse inmenging in het bestuur van de Nederlanden.

Margaretha van Parma, een natuurlijke dochter van Karel V, aangesteld tot landvoogdes van de Nederlanden.

De Staten-Generaal vragen Filips II om de hoge edelen een grotere inbreng te geven in het bestuur. De koning zegt toe. Hij vertrekt definitief naar Spanje. Willem van Oranje wordt stadhouder (gouverneur) van Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht.

Antwerpen koopt de heerlijkheden Deurne, Wilrijk, Oorderen, Wimarsdonk en Oosterweel.

Jan van de Werve laat Den Schat der Duytscher tale verschijnen. Daarin pleit hij voor een zuiver Nederlands, zonder de bastaardwoorden waar de rederijkers zo’n voorkeur voor aan de dag leggen.

Wapen van de familie Van de Werve.

Plantin drukt La magnifique et somptueuse Pompe funèbre faite aux obsèques de Charles Cinque, célébrées dans la ville de Bruxelles. Dit prachtige plaatwerk beschrijft de rouwstoet die te Brussel is uitgegaan na de dood van Karel V.

1560

Het stadsbestuur beslist tot de bouw van een nieuw Stadhuis. Cornelis Floris de Vriendt ontwerpt het gebouw, misschien geholpen door de Italiaan Scarini. Floris leidt de werken.

 

Opening van de Korte en de lange Pandstraat.

 

1561

Schout Jan van Immerseel legt aan de westzijde van de Grote Markt de eerste steen van het nieuwe Stadhuis.

Inhuldiging van het kanaal van Brussel naar Willebroek. Wie tussen Brussel en Antwerpen reist, kan dat van de hoofdstad per trekschuit tot in Klein-Willebroek en vandaar per zeilboot over Rupel en Schelde tot in de Scheldestad. Ook voor het vrachtvervoer is het kanaal van groot belang.

Inquisiteur Titelmans schrijft dat de Antwerpse doopgsgezinden voor de viering van hun Avondmaal 25 à 30 bijeenkomsten moeten houden. Ze zijn dus zeker met enkele honderden.

Opening van Vleminckstraat en Kriekenstraat.

De familie Van Berchem.

Een Antwerps meester – Frans Floris of Adriazan Thomasz. Key – schildert De Familie van Berchem, een beroemd familieportret, thans in het Museum Wuyts-Van Campen en Baron Caroly te Lier.

3 augustus

Na lang aandringen hebben de Violieren van de regering toelating gekregen  om een Landjuweel te organiseren. Twaalf rederijkerskamers uit het hertogdom Brabant nemen deel.

Het toneel dat tijdens het Landjuweel bespeeld werd op de Grote Markt (3dtheater.be).

Zo’n 1.400 rederijkers te paard doen hun intrede in de stad. In de stoet rijden 23 praalwagens en 200 andere rijtuigen.

De voorstellingen vinden plaats op een fraai versierd houten toneel op de Grote Markt, voor de werf van het nieuwe Stadhuis. Het is ontworpen door Cornelis II Floris.

De inleidende spelen zijn geschreven door Willem van Haecht. Het spel van zinnen moet een antwoord geven op de vraag “wat de mens het meest tot de kunst aanzet”.

Dood van Tielman Susato.

1562

 

Hoge edelen, onder wie Oranje en de graven van Egmond en Hoorne, zijn ontevreden over hun geringe rol in het landsbestuur. Zij vrezen de macht van kardinaal De Granvelle en de invoering van de nieuwe bisdommen. Daarom sluiten zijn een liga.

Willem van Oranje.

De steden van de Duitse Hanze besluiten hun grote kantoor vanuit Brugge naar Antwerpen over te brengen (het kantoor dat sinds 14 is gevestigd in het huis De Cluyse aan de Oude Koornmarkt is slechts een succursaal).

De stad stelt hun een stuk grond van zo’n 5.000 vierkante meter ter beschikking tussen twee vlieten in de Nieuwstad. Antwerpen zal één derde van de bouwkosten, d.w.z. 30.000 gulden, betalen. Het stadsbestuur stelt Cornelis de Vriendt aan om de plannen te tekenen en de werken te leiden.

Eerste calvinistische synode in Antwerpen.

De eerste jezuïeten vestigen zich in Antwerpen. Hun orde is in 1540 gesticht door de Spanjaard Ignatius van Loyola. De paters treden vooral op als biechtvader van de Spaanse, Portugese en Italiaanse kooplui.

Twee arbeiders van de drukkerij van Plantin worden gearresteerd voor het drukken van calvinistische tractaatjes. Plantin zelf heeft daar niets mee te maken, maar neemt toch de wijk naar Parijs, vanwaar hij pas het volgend jaar terugkeert.

Willem Silvius publiceert de spelen van sinne en de haagspelen die zijn vertoond tijdens het Landjuweel van 1561 in twee bundels.

1563

Wijding van een nieuwe kapel op het Kiel. Deze zal verdwijnen bij de bouw van de Citadel.

Opening van de Israëlietenstraat.

Opvoering van de zg. Apostelspelen van Willem van Haecht, waaruit diens lutherse gezindheid blijkt.

 John Dee.

Cornelis II Floris bouwt het huis van zijn broer Frans aan de Arenbergstraat. Het is een klein stadspaleis in renaissancestijl. De voorgevel is versierd met beelden en schilderingen.

Het huis van Frans Floris aan de Arenbergstraat, ontworpen door zijn broer Cornelis.

Plantin gaat een vennootschap aan met Cornelis van Bomberghen en diens neef Karel, met Jacob de Schotti en met de arts en humanist Joannes Goropius Becanus, allen sympathisanten van Het Huis der Liefde. Karel en Cornelis Van Bomberghen zijn resp. de zoon en de neef van de “Venetiaanse” drukker van joodse boeken.

De Engelse geleerde, spion en magiër dr. John Dee bezoekt Antwerpen. Hij logeert in de herberg De Gulden Engel. Dee is gekomen om het handschrift Steganographia van Johannes Trithemius te kopen. Het gaat om een verhandeling over geheimschrift. Dee bezoekt zijn vriend Ortelius, die lid is van het Huis der Liefde.

In de stad is eens te meer een olifant te zien. Het beest heet Emanuel en is op doorreis naar het keizerlijke hof in Praag.

 

1564

Het “nieuwe” stadhuis, 1564.

Vertrek van kardinaal De Granvelle. Toch willen de hoge edelen nog meer macht.

5 mei

Burgemeesters Hendrik van Berchem en Jan van Schoonhoven leggen de eerste steen van het Hansahuis. Men begint aan de bouw van het Hessenhuis.

Omdat Engelse kapers koopvaardijschepen uit de Zuidelijke Nederlanden enteren, komt er een verbod op de import van Engels laken.

De calvinisten laten geregeld van zich horen.

25 november

Filips II schrijft de landvoogdes een brief waarin hij schrijft dat zich te Antwerpen een “oneindig aantal” joden bevindt. Zij belijden openlijk hun geloof, aldus de koning, en verzamelen zich in een synagoog.


1565

Filips II is bang is voor de toenemende invloed van het calvinisme. Hij verbiedt de landvoogdes de regering te hervormen en bezweert haar de vervolging van de hervormden voor te zetten.

Het calvinisme boekt ook succes bij de lage adel, die zich bedreigd voelt door de centrale instellingen te Brussel. Contacten tussen adel en calvinisten om “iets” te doen aan de plakkaten.

Totstandkoming van een Compromis der Edelen om zich te verzetten tegen de Inquisitie.

Afkondiging van de besluiten van het concilie van Trente. Begin van de Contrareformatie in de Nederlanden.

Afbraak van het oude Schepenhuis.

Opening van de Grammeystraat.

Het “Wonderjaar” en de komst van Alva

Ferdinand Alvarez van Toledo, hertog van Alva.

1566

Sinds 1563 zijn Denemarken en Zweden in oorlog. De Nederlanden kunnen geen graan meer invoeren uit de Baltische gebieden. Dit leidt tot prijsstijgingen en sociale onrust.

Antoon Rodriguez, “negro oft moriaen” uit Kaapverdië, krijgt van het stadsbestuur een bewijs van goed gedrag. Hij woont al 24 jaar in Antwerpen en is verwer van zijn vak.

19 tot 30 januari

Het 22ste kapittel van de Orde van het Gulden Vlies vindt plaats in de O.-L.-Vrouwekerk.

5 april

Tweehonderd edelen bieden Margaretha van Parma een smeekschrift aan. Zij vragen de schorsing van de ketterplakkaten en de bijeenroeping van de Staten-Generaal. De hoveling Berlaymont noemt hun spottend “gueux” of bedelaars. Daarom noemen de opstandige edelen zichzelf  weldra “geuzen”.

Hagenpreken in alle steden. Calvinistische kooplui willen geld bijeenbrengen om een leger op te richten.

19 juni

Hagenpreek in het Frans in het Berchembos voor een publiek van 4 à 5.000 toehoorders. Er worden psalmen gezongen. Gewapende calvinisten trekken de wacht op.

Voor zijn “Prediking van Johannes de Doper” inspireerde Pieter Bruegel de Oude zich op een hagenpreek.

29 juni

Hagenpreek voor circa 4.000 toehoorders op het Laar in Borgerhout.

Juni-juli

Hagenpreken voor “nog meer” toehoorders. Het stadsbestuur verbiedt de inwoners Antwerpen te verlaten om ze bij te wonen, maar zonder succes.

13 juli – 18 augustus

Willem van Oranje komt naar Antwerpen om er de orde te handhaven. Hij probeert vergeefs de hagenpreken te verhinderen, maar laat tenslotte betijen.

19 juli

Oranje roept de Brede Raad bijeen. De Raad vraagt de bijeenroeping van de Staten-Generaal.

30 juli

Afgevaardigden van het Eedverbond der Edelen vragen de landvoogdes om godsdienstvrijheid. Oranje, Egmond en Hoorne moeten de leiding van het land krijgen.

10 augustus

In Steenvoorde, in huidig Frans – Vlaanderen, bestormen calvinisten de kerken en slaan de inboedel kapot. Dit is het begin van de Beeldenstorm.

15 augustus

Met instemming van Oranje vinden buiten de stad predicaties plaats, beschermd door talrijke gewapende mannen. De calvinisten beweren immers dat ze een overval van de drossaard van Brabant vanuit Brussel vrezen.

Romantische voorstelling van de Beeldenstorm.

17 augustus

In Antwerpen verneemt men de baldadigheden van de Beeldenstormers in Vlaanderen.

20 augustus

Begin van de Beeldenstorm in Antwerpen. De schout probeert vergeefs 200 mannen uit de O.-L.-Vrouwekerk te zetten.


Herman Modet houdt daarop een preek tegen de “afgoderij” en geeft het startsein. Twintig à 30 die hards slaan aan het vernielen en plunderen. ’s Namiddags en ’s avonds ondergaan andere kerken hetzelfde lot.

De beeldstormers zijn weinig talrijk, maar niemand houdt hen tegen. De schepenen verschansen zich in het Stadhuis terwijl de gewapende gilden de toegangen tot de Grote Markt afsluiten.

21 augustus

Beeldstormers keren terug naar de O.-L.-Vrouwekerk. Een andere groep zakt af naar de Sint-Bernardsabdij in Hemiksem.


Geuzenpenning in verguld zilver, vervaardigd door Jacob Jonghelinck, 1566.

22 augustus

Herman Modet predikt in de O.-L.-Vrouwekerk.

23 augustus

Modet predikt opnieuw in de O.-L.-Vrouwekerk. Het Stadsbestuur heeft moed gevat en vaardigt strenge straffen uit tegen de beeldstormers. ’s Namiddags arresteert de amman zes calvinisten en sluit de O.-L.-Vrouwekerk.

24 augustus

Maria van Hongarije schort de plakkaten tegen de ketters voorlopig op.

Calvinistische preken in de Sint-Walburgiskerk, en in de Nieuwstad, voor het Oosters Huis.

Maquette van de Sint-Walburgiskerk (Antwerpen Miniatuurstad).

26 augustus

Oranje keert terug naar Antwerpen en sluit een compromis met de calvinisten. Zij krijgen drie kerken, maar moeten zich onderwerpen aan het gezag. De prins zal dit compromis later verdedigen bij de landvoogdes. Hij blijft tot 12 oktober in de stad.

Oktober

Rijke calvinistische kooplui brengen geld bijeen. Ze zeggen dat ze van Filips II de vrije beoefening van hun godsdienst willen afkopen, maar in feite nemen ze huurlingen in dienst.

 

1567

 

Opening van de Kronenburgstraat.

Januari

Margaretha eist van alle grote edelen, ambtenaren en soldaten een nieuwe eed van trouw aan Filips II. Oranje, Hoorne e.a. weigeren die eed af te leggen. De calvinisten eisen godsdienstvrijheid; anders komen ze in opstand.

Bij de drukker Gillis Coppens van Diest verschijnt een Traicté de quelques poincts de la sincère religion Chrestienne, een tractaat waarin Dirk Philips de belangrijkse doperse denkbeelden uiteenzet.

Februari

Calvinistische edelen werven in Antwerpen soldaten aan. De magistraat verplicht deze troepen de stad te verlaten. Zij slaan hun kamp op in Dambrugge. Van daar trekken ze naar Oosterweel. Van overal komt versterking. Oranje gebiedt de huurlingen naar Vlaanderen te vertrekken, maar na enkele dagen keren ze terug.

Maart

Het stadsbestuur wijst de landvoogdes op het gevaar. Het calvinistische legertje onderneemt strooptochten naar Ekeren, Merksem, Deurne en het Kiel.

13 maart

De slag bij Oosterweel.

Slag bij Oosterweel. Vier regimenten van het regeringsleger vallen de opstandelingen aan en behalen de overwinning. Toch proberen de Antwerpse calvinisten alsnog de stad te overmeesteren. Ze halen geschut uit de Eekhof en bezetten de Meir. Oranje neemt een verzoenende houding aan. Hij belooft dat regeringstroepen de stad niet binnen mogen en laat de calvinisten de wacht optrekken.

15 maart

Burgemeester Jacob Van der Heyden roept alle burgers, die trouw zijn aan de koning, onder de wapens. Men verzamelt zich bij de Munt aan de Oever.

De schuttersgilden bezetten de Grote Markt. De naties van vreemde kooplui stellen zich op in de omgeving van het Kipdorp.

De calvinisten beseffen dat ze omsingeld zijn en druipen af, met achterlating van hun kanonnen. De rust keert weer.

Oranje vertrekt over Breda naar Duitsland.

 25 maart

Het stadsbestuur vraagt Margaretha verdere “discrete” calvinistische prediking in Antwerpen toe te laten.

April

Margaretha weigert. Calvinistische predikanten moeten Antwerpen verlaten, zegt zij. De magistraat gehoorzaamt en wijst hen uit.

28 april

Bezoek van Margaretha aan Antwerpen. Ze blijft tot 18 juli. Meer dan 3.000 soldaten zijn in de stad gelegerd. Zij staan onder het bevel van Mansfelt. Margaretha stelt aan Filips II voor om de stad van een citadel te voorzien.

Pinksteren

De aartsbisschop van Kamerijk herwijdt de O.-L.-Vrouwekerk.

22 augustus

Intocht van Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva, kapitein-generaal van het leger in de Nederlanden. Op het eind van het jaar neemt Margaretha van Parma ontslag. Alva volgt haar op als landvoogd.

 September

Arrestatie van de graven van Egmond en Hoorne en van de Antwerpse burgemeester Antonie van Straelen.

Vervolging van vier anabaptisten die zijn gearresteerd aan het Scheldeken.

De “Descrittione di tutt i Paesi Bassi” van Lodovico Guiccardini.

5 november

Alva beveelt de afbraak van de wallen aan de zuidkant van Antwerpen om de bouw van een citadel mogelijk te maken.

12 november

Sloop van de Kronenburgtoren.

Publicatie van de Descrittione de tutti i Paesi Bassi van Lodovico Guiccarcini.

Hendrik Pippinck, provinciaal van de minderbroeders, publiceert een nieuwe bundel met 69 refereinen van Anna Bijns.

Jonker Jan van der Noot, gezocht als calvinist, vlucht naar Londen.

De Opstand (1568-1585)

Vanaf 1568

De Opstand van de Nederlanden tegen Spanje ondermijnt langzaam maar zeker de economische bloei van Antwerpen. Dit verval is niet alleen te wijten aan krijgsverrichtingen en blokkades, maar ook aan hogere belastingen.

1568

Willem van Oranje valt de Zuidelijke Nederlanden binnen in de hoop dat er een volksopstand tegen Spanje ontstaat. Zijn acties draaien uit op een mislukking. Van Straelen terechtgesteld in Vilvoorde. Te Brussel sterven Egmond en Hoorne op het schavot.

 Het Oosters Huis of Hanzahuis 

Het Hansahuis voltooid. De twee verdiepingen tellen 300 kamers waar kooplieden kunnen verblijven. Het gelijkvloers fungeert als opslagplaats.

Aan de oostkant staat een vierkante toren met op de spits de adelaar van het Heilig Roomse Rijk.

Naar verluidt, laten de kooplui die in het Oosters Huis verbleven, zich bij hun dagelijkse tocht naar de Predikherenkerk en naar de Beurs voorafgaan door muzikanten. Die bespelen schalmeien, pommers, een bashobo, een kromhoorn en een schuiftrompet. Men vermeldt ook violen.

 

Jan van der Noot publiceert Het Theatre met gedichten, gevolgd door een prozabeschouwing waarin hij de katholieke kerk aanvalt

 

Jonker Jan van der Noot (DBNL).

Plantin begint met het drukken van de vijftalige Biblia Regia of Biblia Polyglotta, een wetenschappelijke editie van de Bijbel in het Latijn, Grieks, Hebreeuws, Syriak en Aramees. Het laatste van de acht delen zal van de pers komen in 1572. Van elk deel worden 1.200 exemplaren gedrukt. De maraan Loys Perez neemt er 400 af.

 

Antwerpen telt 100.259 inwoners. In de stad staan 11.856 huizen.

1569

De hertog van Alva voert nieuwe belastingen in, waaronder de 10de penning, een heffing van 10% bij iedere verkoop van roerend goed. In de praktijk worden de meeste van deze taksen nooit geheven. Vooral de 10de penning stuit op zeer veel verzet, omdat hij nefast is voor de handel.

Franciscus Sonnius aangesteld tot eerste bisschop van Antwerpen.

Joannes Goropius Becanus.

De arts Joannes Goropius Becanus publiceert bij Plantin de Origines Antverpiensis. Becanus situeert het Aards Paradijs op de linker Scheldeoever en beweert dat Adam en Eva Nederlands spraken. Ondanks die rocamboleske theorie is Becanus één van de eersten die pogingen te onderneemt om aan vergelijkende taalkunde te doen.

Plantin wordt “aartsdrukker” van koning Filips II.

Voorlopig laatste calvinistische preek in Wijnegem.

1 mei

Franciscus Sonnius geinstalleerd als eerste bisschop van Antwerpen. Hij neemt zijn intrek in het refugiehuis van de Sint-Bernardsabdij aan de Schoenmarkt. Dit gebouw zal bisschoppelijk paleis blijven tot in ….

In 1571 laat Alva een standbeeld van zichzelf plaatsen in de Antwerpse citadel.

1570

16 juli

Afkondiging van een Generaal Pardon op de Grote Markt in aanwezigheid van Alva. Al wie aan de troebelen van 1566 heeft deelgenomen, krijgt amnestie, behalve beeldenstormers, calvinistische predikanten en leden van het compromis der edelen.

26 augustus

Anna van Oostenrijk, verloofde van Filips II, bezoekt Antwerpen in het gezelschap van Alva en tal van hoge edelen.

Publicatie van Abraham Ortelius’ Theatrum Orbis Terrarum, de eerste wereldatlas.

Abraham Ortelius door Filips Galle.

Jonker Jan van der Noot publiceert Het Bosken met de eerste renaissancegedichten in het Nederlands, geschreven onder invloed van Petrarca en de Franse Pléiade-dichters.

1571

Op initiatief van Alva komt te Antwerpen een commissie bijeen om een Index Expurgatorius of lijst van verboden boeken samen te stellen. Deze index is strenger dan die werd uitgevaardigd door het Concilie van Trente.

Alva vraagt om zijn ontslag als landvoogd.

1572

De Watergeuzen veroveren Den Briel. Weldra vallen ook Vlissingen en Veere. Zeeland komt in opstand tegen Spanje.

In juli begint Willem van Oranje vanuit Duitsland aan zijn opmars richting Brussel. De opstandige steden in Holland erkennen hem als stadhouder.

Na de Sint-Bartholomeusnacht (24 augustus), waarop in Parijs alle protestanten worden uitgemoord, rekent Oranje niet meer op hulp uit Frankrijk en trekt zich terug.

Cornelis Kiliaen stond model voor deze “Proeflezer” (Antwerpen, Museum Plantin-Moretus).

In het Noorden verloopt de strijd tussen opstandelingen en Spanjaarden met wisselend succes.

In december vertrekt Alva naar Spanje. Hij wordt opgevolgd door Don Luis de Requesens.

Kiliaen publiceert zijn Etymologicon. In Keulen verschijnt de bundel Verscheidene Poetixe Werken van Jan van der Noot. Van der Noot zal tot 1578 in het Rijnland blijven.

 

1573-1576

Te Keulen verschijnt Das Buch Extasis van jonker Jan van der Noot. Dit werk is de vroegste poging tot een allegorisch renaissance-epos in het Duits (en in het Nederlands).

 

1573

 

Willem van Haecht keert terug naar Antwerpen.

 

29 november

Alva’s opvolger, don Luis de Requesens, legt te Brussel de eed af als nieuwe landvoogd.

18 december

Alva keert terug naar Spanje.

23 december

Plechtige intocht van Requesens in Antwerpen.

 

Don Luis de Requesens. 19de eeuwde litografie.

1574

Filips II decreteert dat het jaar voortaan op 1 januari begint, en niet meer op Pasen.

3 maart

Ontdekking van een complot, opgezet door Oranje. Doormiddel van omkoping van Spaanse soldaten in de citadel en het binnensmokkelen van eigen soldaten moest Antwerpen in zijn handen vallen.

April

De Spaanse soldaten die Lodewijk van Nassau verslagen hebben op de Mokerheide, slaan aan het muiten omdat ze niet betaald zijn. De troepen verjagen hun officieren en zakken af naar Antwerpen.

Ze krijgen hulp van het garnizoen van de citadel en slagen erin het Kasteelplein in te nemen. Daarop bezetten ze de Meir.

Om plundering van de stad te voorkomen, vraagt Requesens het stadsbestuur mee in te staan voor een lening van 400.000 gulden. Rijke burgers en naties van vreemde kooplui brengen geld bijeen. De stad zelf levert haar zilverwerk in.

27 – 29 mei

De Spaanse soldaten in Antwerpen ontvangen hun achterstallige soldij.

5 juni

Zij vertrekken op veldtocht naar Holland.

28 juni

Negen jezuïeten nemen officieel hun intrek in het Huis van Aken, een woning in een straatje nabij het huidige Conscienceplein. Dankzij steun van de Spaanse kooplieden in Antwerpen hebben ze het pand gekocht van Gaspar Schetz.

13 december

Een Zeeuwse vloot vaart de Schelde op.

Marten Neyen en andere samenzweerders, onder wie ook katholieken, willen Antwerpen uitleveren aan de Zeeuwen. De deken van de schippers, Michiel van de Wiele, die de stroom bewaakt, is op hun hand.

Requesens doet op tijd de poorten sluiten en laat de verraders oppakken.

 

Ignatius van Loyola, stichter van de jezuïetenorde.

1575

Filips II staakt de betaling van alle interesten op de leningen die hij heeft uitstaan, o.m. bij Antwerpse kooplieden. Dit staatsbankroet leidt tot een financiële crisis.

Vergeefse onderhandelingen tussen Requesens en Oranje in Breda. In Zeeland laait de oorlog weer op.

Opening van het college van de jezuïeten in het Huis van Aken. Weldra telt het 300 leerlingen.

Dood van de dichteres Anna Bijns en van de architect en beeldhouwer Cornelis II Floris.

1576

4  maart

Landvoogd Requesens overlijdt te Brussel. Hij laat een verwarde financiële toestand na. De Spaanse garnizoenen zijn al lang niet meer betaald. De ontevreden soldaten beginnen zich opnieuw te roeren.

September

De Staten-Generaal komen in Brussel bijeen. Zij lichten troepen om het land te beschermen tegen de muitende Spanjaarden. Dit gebeurt in weerwil van een verbod vanwege Filips II.

Oktober

Pacificatie van Gent. De Staten-Generaal en de opstandige provincies Holland en Zeeland eisen het vertrek van de Spaanse troepen en schorsen de plakkaten tegen de ketters. Oranje wordt gouverneur van Holland en Zeeland. Buiten die twee provincies mag nergens geraakt worden aan de uitoefening van het katholicisme. Een nieuwe landvoogd zal slechts erkend worden als hij deze bepalingen onderschrijft.

De pacificatie van Gent.

4 november

Spaanse Furie in Antwerpen. Spaanse troepen die in geen maanden soldij hebben gekregen, plunderen de stad. Het garnizoen van de citadel bestaat uit zo’n 4.000 soldaten. In de nacht van 3 en 4 november krijgen zij versterking van troepen uit Lier, Aalst, Breda en Maastricht. Dat brengt de getalsterkte van de Spanjaarden op zo’n tienduizend.

Om één uur ’s namiddags trekken 5.000 Spanjaarden uit de citadel op tegen Antwerpen. Er zijn achthonderd ruiters bij en een menigte “trosboeven”, uitgerust met bussels stro om brand te stichten. Hevig kanonvuur tegen de aarden wal gaat de aanval vooraf. Zesduizend man verdedigen de geïmproviseerde versterking – vergeefs, zoals weldra blijkt.

De Spaanse Furie.

De Walen die de Kronenburgpoort verdedigen, worden teruggedreven tot in de Sint-Michielsabdij. Ook aan de Blijden Hoek en aan de Begijnenstraat breken de Spanjaarden door. Weldra stormt hun ruiterij over het Sint-Jorisplein bij de Sint-Joriskerk.

De Antwerpse burgerij verdedigt de Grote Markt en het Stadhuis. Vanuit de ramen van de huizen schiet men op de Spaanse ruiters, die zware verliezen lijden.

Enkele Spanjaarden slagen er echter in het Stadhuis in brand te steken. Wie naar buiten vlucht, wordt afgemaakt. Onder de sachtoffers zijn enkele schepenen. Een stuk of wat dapperen slagen er inmiddels in een groot gedeelte van het stedelijk archief te redden.

Het Stadhuis gaat in vlammen op. Het vuur slaat over naar de huizen in de omgeving. Zo’n 600 woningen branden af, voornamelijk aan Suikerrui, Kaastraat, Zilversmidstraat, Braderijstraat, een deel van de Hoogstraat enz…

De Spanjaarden slaan aan het moorden en plunderen. Tot hun bekendste slachtoffers behoren burgemeester Jan Vander Meeren, schout Gozewyn van Varick en de schepen en taalkundige jonker Jan van de Werve.

De Spaanse Furie zal drie dagen woeden. Hoeveel slachtoffers vallen, is niet duidelijk. Sympathisanten van de Nederlandse opstand overdrijven hun aantal schromelijk – zij gewagen op een bepaald moment van tienduizend doden!

1577

Don Juan van Oostenrijk.

Don Juan, een bastaard van keizer Karel V, bekrachtigt als nieuwe landvoogd de Pacificatie van Gent. De Spanjaarden ontruimen Antwerpen op 20 maart.

Omdat Oranje Don Juan tegenwerkt, wil de landvoogd een aantal vestingen onder zijn gezag brengen.

Duitse huurlingen hebben de plaats van de Spanjaarden in de Citadel van Antwerpen ingenomen. Hun aanvoerder, Lodewijk van Treslong, wil de versterking overleveren aan Don Juan.

Enkele eenheden komen in opstand en verdrijven de aanhangers van Treslong uit de citadel. De strijd brengt de Antwerpenaren op de been. Gewapende burgers verdrijven de Duitsers naar de Nieuwstad. De soldaten verschansen zich. De Antwerpenaars besluiten hun vertrek af te kopen.

Wanneer op de Schelde onverwacht een Staatse vloot verschijnt, verkeren de huurlingen in de waan dat ze verraden zijn en vluchten uit de stad.

Ook elders delft Don Juan het onderspit. Alleen in Namen en Luxemburg geniet hij nog steun.

September

Intocht van Oranje in Brussel. Hoge edelen, die Oranjes macht vrezen, halen aartshertog Mathias, broer van keizer Rudolf II, naar Brussel als landvoogd. Maar dat doet niets af aan het gezag en de populariteit van Willem de Zwijger.

December

Om de inkwartiering van een Staats leger te voorkomen, voert het stadsbestuur een algemene dienstplicht in.

Intocht van Willem van Oranje te Antwerpen in 1577.

De nieuwe burgerwacht die zo ontstaat, telt in theorie 16.000 manschappen, verdeeld in 80 vendels van telkens 200 man. Aan het hoofd van elke tien vendels staat een kolonel.

De acht “kolonellen”, zoals men ze noemt, staan in voor de verdediging van de stad en voor de ordehandhaving binnen de muren. In de loop van de komende jaren breiden ze hun invloed aanzienlijk uit.

De kolonellen zijn protestanten uit de gegoede koopmansstand en genieten het vertrouwen van de prins van Oranje en zijn omgeving.

In het Duitse Siegen wordt Peter-Paul Rubens geboren. Hij is de zoon van de gevluchte Antwerpse schepen Jan Rubens en Maria Pijpelinckx.

1578

Aartshertog Matthias.

In zowat alle Vlaamse steden komen de calvinisten aan het bewind. In Holland wordt het katholicisme in tal van plaatsen verboden.

Filips II stuurt opnieuw een leger naar de Nederlanden. Het staat o.l.v. Alexander Farnese, hertog van Parma, zoon van de vroegere landvoogdes Margaretha.

Farnese is een bijzonder bekwaam veldheer. Na de dood van Don Juan in oktober neemt hij diens functies over.

April

Het stadsbestuur eist van de katholieke clerus een eed van trouw aan aartshertog Mathias, waarmee ze zich meteen afzetten tegen Don Juan. De jezuïeten en de meeste franciscanen weigeren de eed af te leggen en worden uit de stad gezet.

29 juni

Dood van bisschop Sonnius. De deken van het kapittel en vijf kanunniken nemen voorlopig de leiding van het bisdom over.

18 juli

Advocaten Karel Gabri en Filips Malery krijgen van het stadsbestuur de opdracht om de “costuymen” en gerechtelijke tradities van Antwerpen te onderzoeken en op schrift te stellen. Het werk zal in 1582 klaar zijn.

29 augustus

Aartshertog Mathias verleent de calvinisten de vrijheid om hun eredienst te belijden. Ze krijgen het college van de jezuïeten en de kerk van de Citadel. Later komen daar een deel van de Sint-Andrieskerk en een stuk van de kerk van de Minderbroeders bij.

6 september

Ook de lutheranen mogen diensten organiseren. Ze beschikken daartoe over de kapel van de droogscheerders en een schuur bij de Sint-Michielsabdij. Weldra krijgen ze ook een deel van de Sint-Joriskerk en een zaal in het karmelietenklooster.

Jan van der Noot ontmoet in Parijs zijn idool, de Franse renaissancedichter Ronsard. Daarna keert hij, opnieuw tot het katholicisme bekeerd, terug naar Antwerpen.

1579

12 juni

De katholieken hebben nog maar drie kerken: de kathedraal, de Burchtkerk en de Sint-Jacob.

Willem van Haecht publiceert De CL Psalmen Davids, een psalmberijming die grote invloed zal uitoefenen op het gezangboek van de Nederlandse lutherse kerk.

Jan van der Noot laat Cort Begryp der XII. Boeken Olympiados / Abrégé des douze livres Olympiades verschijnen. Het gaat om een sterk ingekorte versie van Das Buch Extasis.

1 maart

De slag van Borgerhout, gravure van Frans Hogenberg. 

Farnese, onderweg van Gembloux naar Maastricht, onderneemt een korte militaire expeditie tot onder de muren van Antwerpen. Borgerhout gaat in vlammen op.

6 juni

Unie van Atrecht. Artesië en Henegouwen bevestigen de Pacificatie van Gent. Tegelijk eisen ze het behoud van het katholicisme en willen zij trouw blijven aan de koning. Weldra erkennen zij Parma als landvoogd. Mechelen en ’s Hertogenbosch sluiten zich aan bij de Unie van Atrecht.

Unie van Utrecht.

De Unie van Utrecht.

Farnese vervoert Maastricht. Onderhandelingen tussen de Staten-Generaal en de Spanjaarden lopen op niets uit omdat Filips II geen godsdienstvrijheid wil.

Plantin brengt de tweede druk van Ortelius’ Theatrum Orbis Terrarum op de markt.

1580

Alexander Farnese, hertog van Parma.

Farnese verovert Kortrijk.

Opening van de Ulrikstraat.

Jonker Jan van der Noot publiceert zijn gedicht Lofzang van Braband.

In Antwerpen bevinden zich Marokkaanse kooplui, onder wie joden.

15 maart

Filips II verklaart Oranje vogelvrij en stelt een prijs op zijn hoofd.

19 september

Op aansturen van Oranje geven de Staten-Generaal de soevereiniteit over de Nederlanden aan Filips van Anjou.

1581

Aartshertog Matthias verlaat de Nederlanden. Hij gaat scheep aan het Oosters Huis.

Opening van de Lange Gang .

1 juli

Het stadsbestuur schorst de uitoefening van de katholieke eredienst. 

22 juli

Met hun Plakkaat van Verlatinghe zeggen de Staten-Generaal hun gehoorzaamheid aan Filips II op. Anjou wordt landvoogd. Mathias keert terug naar Oostenrijk. Farnese verovert Doornik.

De brouwers vergaderen voortaan in het Waterhuis. Hun natie heeft twee dekens en twee oudermans of oud-dekens.

 

Frans van Anjou.

1582

Farnese verovert Oudenaarde. Anjou krijgt hulp van Franse troepen.

Antwerpen telt nog maar 83.700 inwoners.

Opening van de Geefsstraat.

De intocht van Anjou, prent van Frans Hogenberg.

10 december

Anjou voert de zg. Gregoriaanse kalender in. Dit besluit wordt uitgeroepen vanop de pui van het Stadhuis. Het geldt in alle Nederlandse provincies. Na 14 december 1582 volgt dadelijk 25 december.

18 maart

Jean Jauregui pleegt in de eetkamer van de gouverneurswoning in de citadel een aanslag op Oranje. De kogel treft de prins onder het rechteroor en doorboort ook zijn linkerwang. Oranje zal overleven. Een toegesnelde dienaar doodt Jauregui. Eerst denkt men dat de aanslag is beraamd door de omgeving van Anjou; pas later blijkt de Spaanse “connectie”: Jauregui is in dienst bij een gevluchte Spaanse koopman.

De mislukte aanslag van Jauregui op Willem van Oranje.

 28 maart

De Spanjaard Venero, boekhouder van Jauregui’s werkgever, en de dominicaan Temmerman, bij wie Jauregui voor zijn aanslag gebiecht heeft, worden op de Grote Markt gewurgd en gevierendeeld.

 

Oudst bekende (en postume) druk van de Cluchte van eenen dronckaert en Schoone ende gheneuchlicke historie oft cluchte van Heynken de Luyere van Cornelis Crul.

 

1583

 

De Franse Furie.

Opening van de Beggaardenstraat.

 

Anjou wil, net als voor hem Don Juan, zijn machtsbasis uitbreiden. Hij zal proberen een aantal steden in het Zuiden, waaronder Antwerpen, rechtstreeks onder zijn gezag te brengen. 

Plantin vestigt zich in Leiden als drukker van de onlangs opgerichte protestantse universiteit aldaar. Hij zal in 1585 naar Antwerpen terugkeren.

 

17 januari

Franse Furie. Bij de Kipdorppoort leveren de Antwerpenaars slag met de Franse troepen van Frans van Anjou. Ook in de de Sint-Jacobsmarkt, de Jezusstraat en op de stadswallen wordt hevig gevochten. De Antwerpenaren, van wie er 200 sneuvelen, behalen een klinkende overwinning. De verslagen Fransen vluchten langs de Kipdorppoort de stad uit of springen in de vestinggrachten. Naar verluidt, liggen de lijken bij de Kipdorppoort tot op een hoogte van twee meter. Anjou zelf neemt de wijk.

Oranje brengt een verzoening tot stand tussen Anjou en de Staten-Generaal. Toch is de rol van de Franse prins zo goed als uitgespeeld. Farnese maakt van de onenigheid gebruik om tal van Vlaamse steden te heroveren.

1584

De opstand in de Nederlanden, kaartgewijs (Putzger Historischer Weltatlas).

Ieper en Brugge geven zich over aan Farnese. Antwerpen, Gent en Brussel zijn de laatste grote steden in de Zuidelijke Nederlanden die nog meedoen met de Opstand.

De Franse Furie is noodlottig voor de populariteit van Willem van Oranje. Wanneer hij na zijn huwelijk met Louise de Coligny Antwerpen bezoekt, wordt hij koel ontvangen.

 

Juli

Farnese zendt de bevelhebber van zijn cavalerie, Giorgio Basta, naar Brabant. Zijn Italiaanse en Albanese ruiters sluiten de wegen vanuit het zuiden en het oosten naar Antwerpen af.

Farnese slaat zijn kamp op in Beveren.

De markies van Richebourg voert zijn troepen vanuit Eekloo naar de forten op de linkeroever van de Schelde. Hij verovert Kallo en bouwt daar een fort.

10 juli

Richebourg verovert de schans Liefenshoek.

In Delft wordt Willem van Oranje het slachtoffer van een moordaanslag.

Willem van Oranje wordt vermoord in het Prinsenhof in Delft.

Mansfelt en Mondragon, die de Schelde zijn overgestoken, belegeren Lillo. Drie weken en 2.000 gesneuvelden later geven zij het op en verschansen zich in Stabroek. Weldra laat Farnese ook Berendrecht en Zandvliet bezetten.

17 juli

Velen verlaten Antwerpen. Het stadsbestuur verbiedt burgers te vertrekken, maar dat heeft weinig resultaat.

Intussen groeit de partij van de zg. Peiswillers, die zo snel mogelijk vrede willen met Farnese. Schepen Jan de Pape staat aan hun hoofd.

Omdat het fort Lillo standhoudt, besluit Farnese de Schelde af te sluiten met een scheepsbrug. Die moet de Hollands-Zeeuwse vloot verhinderen om Antwerpen te bevoorraden.

De brug wordt gebouwd waar de stroom smaller en relatief ondiep is, tussen Kallo (linkeroever) en Oordam (rechteroever). Op de linkeroever bouwt Richebourg het fort Sint-Marie, terwijl Mondragon op de rechteroever de schans Sint-Filip opricht.

De scheepsbrug van Farnese.

Terwijl de werken van start gaan, slaat Farnese het beleg voor Dendermonde en verovert de stad. De overgave van Dendermonde jaagt het Gentse stadsbestuur zoveel schrik aan, dat het op zijn beurt onderhandelingen aanknoopt met Farnese.

De Peiswillers sturen een delegatie naar de kanselier van Brabant in Brussel om te pleiten voor verzoening met koning Filips II. Bij haar terugkeer laat Marnix de delegatie arresteren. Hij zet Jan de Pape af als schepen. De andere afgevaardigden krijgen een fikse boete.

Omdat er af en toe een schip met graan vanuit Zeeland tot in Antwerpen kan varen en het stadsbestuur een maximumprijs bepaalt, blijft honger voorlopig uit. Maar de graankooplui zijn boos omdat ze geen winst maken en staken weldra verdere pogingen om nog graan in te voeren.

Om zijn scheepsbrug te bouwen, heeft Parma platbodems nodig. Maar hij kan die schuiten niet langs Vlissingen of Antwerpen laten varen. Daarom worden de 22 boten in Dendermonde gebouwd. Vandaar varen ze over de Schelde naar Burcht. Langs een bres in de dijk gaat het dan de overstroomde polders in en zo, langs een tweede bres, naar de Schelde in Kallo.

17 september

Capitulatie van Gent.

Farnese stelt aan Antwerpen voor het Gentse voorbeeld te volgen. Marnix weigert.

Filips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde (DBNL).

1585

Verdeeldheid onder de gezagsdragers in Antwerpen. Kolonels, kapiteins en gildendekens betwisten elkaars gezag en dat van de schepenen. Marnix heeft moeite om zijn autoriteit te handhaven.

Februari

Farnese doet Antwerpen een nieuw voorstel. Marnix wijst het af.

25 februari

De scheepsbrug van Farnese is af. Ze bestaat uit 32 boten, met elkaar verbonden door een plankier. Aan de voor- en de achtersteven zijn de pleiten van geschut voorzien. Dertig soldaten bemannen ieder vaartig. Aan weerszijden van de brug liggen binnenschepen, eveneens uitgerust met kanonnen.

4 april

De Italiaanse ingenieur Frederico Gianibelli heeft een strategie bedacht om de scheepsbrug op te blazen. Hij heeft daarbij hulp gekregen van de Antwerpenaren Timmermans en Bovy. De laatste is uurwerkmaker van zijn vak.

Gianibelli bevestigt acht keer vier platbodems aan elkaar bevestigen en bestrooit ze met buskruit. Hij laat ze afdrijven naar de scheepsbrug. Ze worden gevolgd door twee grotere schepen, De Fortuin en De Hoop. Hun het ruim is volgestouwd met buskruit.

De brandschepen De Hoop en De Fortuin.

De Fortuin strandt op de linkeroever en ontploft. Daarbij sneuvelen veel Spaanse soldaten; de scheepsbrug is onbeschadigd. Maar De Hoop ramt de brug.

Bij de ontploffing ontsnapt Farnese op het nippertje aan de dood; 500 Spanjaarden laten het leven en 1.000 anderen raken gewond. Drie schepen van de brug zinken; drie andere kantelen. Het plankier is verwoest.

De Antwerpenaren verkeren in het ongewisse over het resultaat van de operatie; bovendien hebben ze geen vloot om Farnese aan te vallen. Hierdoor gaat kostbare tijd verloren.

Het schip Fin de la Guerre.

De ingenieurs Hendrick en Antheunis rusten een groot schip uit met 24 stuks geschut. Het kan 500 musketiers aan boord nemen. Omdat men veronderstelt dat het een einde zal maken aan het belef, krijgt het gevaarte de naam Fin de la Guerre. Maar bij de tewaterlating blijkt het vaartuig allerlei gebreken te hebben. Het maakt meer diepgang dan men verwachtte en is zo goed als onbestuurbaar. Men heeft zes maand werk vooraleer men de Fin de la Guerre bij wijze van proef inzet in de buurt van Oorderen. Het schip dreigt te kapseizen en loopt vast. Op 26 april wordt het door Farnese veroverd. Hij laat het dadelijk slopen.

10 maart

Brussel geeft zich over.

7 mei

De belegerden willen een poging wagen om in samenspraak met het garnizoen van Lillo de Kauwesteinse dijk te veroveren en te doorsteken. Hulp uit Zeeland moet Antwerpen dan kunnen bereiken via de overstroomde polders. Zo wordt de scheepsbrug van Farnese letterlijk omzeild.

Maar omdat de communicatie slecht verloopt, krijgt het garnizoen van Lillo bij zijn uitval naar de dijk geen hulp vanuit de stad. De Spanjaarden slaan de aanval af. Aan beide zijden sneuvelen zo’n honderd soldaten. Farnse laat de Kauwenstijnse dijk versterken.

Het treffen op de Kauwestijnse dijk.

26 mei

Ditkeer bestormen de belegerden uit Antwerpen en uit Lillo tegelijk de Kauwenstijnse dijk en krijgen hem in handen. Maar opnieuw wordt hij door Farneses manschappen heroverd voor men hem kan doorsteken. Aan Staatse zijde vallen zo’n 1.500 doden.

31 mei

De Brede Raad vergadert over het dreigende voedselgebrek in de stad.

8 juli

De Brede Raad besluit onderhandelingen aan te knopen met Farnese. Daartoe zal men een afvaardiging sturen o.l.v. Marnix. Antwerpen zal Farnese vragen vrede te sluiten met de opstandige Staten.

10 juli

Marnix en Farnse voeren in Beveren een lang gesprek onder vier ogen.

12 juli

Farnese deelt de Antwerpse gezanten mee dat de stad onmiddellijk vrede kan sluiten met hem, d.w.z. met de koning, en niet hoeft te wachten op een verdrag met de Staten.

Het thans verdwenen kasteel Singelberg in Beveren waar Parma zijn hoofdkwartier vestigde.

14 juli

Terwijl in de Brede Raad een felle discussie woedt over het antwoord van Farnese, arriveert een boodschapper van de Staten-Generaal. Als Antwerpen het nog drie maand volhoudt, komt een groot Staats leger de stad ontzetten, verzekert  hij. Velen twijfelen aan zijn woorden.

19 juli

Mechelen geeft zich over aan Farnese.

23 juli

De Brede Raad beslist opnieuw te onderhandelen met Farnese en benoemt 17 nieuwe afgevaardigden.

24 juli

Begin van de nieuwe onderhandelingen te Beveren.

9 augustus

De onderhandelaars brengen verslag uit bij de Brede Raad. Marnix beseft dat dat Hollanders noch de Engelsen Antwerpen ter hulp komen. De calvinisten willen de strijd voortzetten. Maar de bevolking betoogt op de Grote Markt. Leden van de Brede Raad roepen door de ramen van het Stadhuis dat men vrede zal sluiten.

17 augustus

Ondertekening van een vredesverdrag van 28 artikels. Antwerpen onderwerpt zich aan Filips II. De niet-katholieken mogen nog vier jaar in de stad blijven. Farnese zal in de stad 2.000 infanteristen en twee compagnieën ruiterij legeren. De stad belooft Farnese 400.000 gulden voor de kosten van het beleg.

De handtekeningen onder het verdrag over de overgave van Antwerpen aan Farnese.

20 augustus

Laatste calvinistische preek in Antwerpen. Predikanten, bevelhebbers en vooraanstaande calvinistisiche families verlaten de stad.

Op de Grote Markt staat een podium, vanwaar men de vrede afkondigt in aanwezigheid van het stadsbestuur en van vertegenwoordigers van Farnese.

27 augustus

Farnese rijdt Antwerpen binnen door de Sint-Jorispoort. Een meisje, gekleed als Maagd van Antwerpen, biedt hem de sleutel van de stad aan. De bevolking onthaalt de veldheer met vreugde.

Eerst bezoekt Farnese de kathedraal. Na het Te Deum gaat het naar de Grote Markt. Daar staan acht koperen standbeelden van de hand van Jacob Jongelincx. Ze stellen Bacchus en de zeven planeten voor. Farnese neemt zijn intrek in de Sint-Michielsabdij.

Intocht van Parma in Antwerpen, prent van Frans Hogenberg.

De Spaanse en Italiaanse troepen blijven buiten de stad en vieren feest op de scheepsbrug.

30 augustus

Farnese hoort de mis in de kapel van de jezuïeten, die inderhaast naar Antwerpen zijn teruggekeerd en opnieuw het Huis van Aken betrekken.

8 september

De calvinistische magistraat treedt af. Farnese benoemt nieuwe burgemeesters en schepenen. Plechtig banket in het Stadhuis, waaraan zowel het oude als nieuwe stadsbestuur deelnemen.

27 september

Heropening van het college van de jezuïeten.

7 november

De protestanten krijgen twee begraafplaatsen toegewezen: één aan de Lepelstraat en één tussen het oude begijnhof en de stadsmuur. Slechts zes personen mogen de uitvaart van een protestant bijwonen.

De lange herfst (1586-1648)

1586

Economische inzinking. De oorlog heeft de Nederlanden zo uitgeput dat er niets is om te verhandelen. De natte zomers van dit en vorig jaar leiden tot teleurstellende oogst. Er heerst hongersnood.

1587

De aartsbisschop van Mechelen wijdt te Vilvoorde Laevinius Torrentius tot tweede bisschop van Antwerpen.

28 februari

Het Brabobeeld in de nis in het middenrisaliet van het Stadhuis wordt op initiatief van de jezuïeten vervangen door een O.-L.-Vrouwebeeld.

1589

Dood van Christoffel Plantin. Zijn schoonzoon Jan Moretus volgt hem op aan het hoofd van de Plantijnse drukkerij.

1591

 

Antwerpen telt nog maar 46.123 inwoners.

De Staatsen eisen contributies van alle gebieden waar geen Spaanse troepen gelegerd zijn. Deurne en Borgerhout betalen elke maand.

Opening van de Vlaaikensgang.

1592

3 december

Alexander Farnese sterft.

Jan Moretus door Rubens.

1595

25 april

Dood van bisschop Laevinius Torrentius.

 

1596

Aartshertog Albrecht van Oostenrijk benoemd tot landvoogd. Hij komt aan in Brussel. De opmars van de Staatsen wordt op verscheidene plaatsen gestuit.

Filips II benoemt Willen van Bergen (De Berghes) tot derde bisschop van Antwerpen.

1597

 

Antwerpen telt opnieuw 47.000 inwoners.

 

1598

 

Filips II draagt de Nederlanden over aan zijn dochter, de infante Isabella. Hij hoopt dat dit de opstandige gewesten in het Noorden tot inkeer zal brengen.

Isabella huwt in Spanje met aartshertog Albrecht van Oostenrijk. Filips II sterft. Zijn zoon, Filips III, volgt hem op.

 

Carolus Scribani, een neef van bisschop Laevinius Torrentius, wordt rector van het college van de jezuïeten.

 Carolus Scribani s.j. door Antoon van Dyck.

1599

 

Albrecht en Isabella ontschepen in de Nederlanden. De oorlog met het Noorden gaat door, met wisselend succes.

 

De zg. Zwarte Galei, onder het bevel van kapitein Evertsen, en 13 sloepen, varen vanuit Lillo de Schelde op. Zij overvallen het Spaanse admiraalschip van 580 ton dat ter hoogte van de Nieuwstad ligt aangemeerd. De aanval is een succes. Behalve het admiraalschap maken de staatsen zeven andere boten buit.

 

8-10 december

 

Albrecht en Isabella op de Grote Markt.

Blijde Intrede van Albrecht in Isabella in Antwerpen.

 

Geboorte van Antoon van Dijck.

 

1593

Geboorte van Jacob Jordaens.

 

Albrecht en Isabella (Koninklijk Huisarchief).

1598

 

Rubens wordt als meester aanvaard door het Sint-Lucasgilde.

 

Dood van de aardrijkskundige Abraham Ortelius.

 

1600

 

Lucas van Valckenborgh, “Gezicht op Antwerpen in de sneew”, 1579.

Rubens aan het hof van de hertog van Mantua. Hij zal tot 1608 in Italië blijven.

 

Geschiedenis – De barbaar van Onze-Lieve-Heer. Clovis, koning der Franken (ca. 466-511)

“Alhoewel de Heirtog nog jong was, boezemden echter zyne magtige lichaemsvormen, zyne mannelyke schoonheid en zyn ontzettende arendsblik, een diep ontzag in aen al wie hem naderde.” Zo zet de Vlaamse schrijver Hendrik Conscience (1812-1883) de legendarische Frankische aanvoerder Clovis neer in zijn roman Hlodwig en Clothildis (1858). Conscience baseert zich via het werk van eigentijdse geleerden op de Historia Francorum of Geschiedenis der Franken van de 6de-eeuwse bisschop Gregorius van Tours (ca. 538-594). Maar klopt het verhaal van Gregorius wel altijd? Historici, onder wie de Duitser Matthias Becher, plaatsen er in ieder geval kritische voetnoten bij.

Clovis is koning der Franken. Zij behoren tot de Germaanse “barbaren” die in de 4de en de 5de eeuw een eind maken aan het West-Romeinse rijk. Maar zeker in het begin is het niet zo dat hele, tot de tanden gewapende volken opeens de Rijn – sinds eeuwen de grens tussen Romeinen en Germanen – oversteken om de legioenen in de pan hakken. Daar zijn de Germanen niet georganiseerd genoeg voor en de Romeinen te waakzaam.

De Germanen weten dat bij de Romeinen vrede en een relatieve welvaart heersen. Ze kijken op naar de geraffineerde materiële cultuur van hun buren. Geen wonder dus dat de eerste landverhuizers families en kleine groepen gelukzoekers zijn, die het niet moeilijk valt het Romeinse grondgebied binnen te dringen. Nu eens komen ze om verwanten te bezoeken, dan weer om handel te drijven. En ze vergeten terug te keren. Waar ze hun boterham kunnen verdienen, strijken ze neer. Ze verdwijnen tussen de locale bevolking, die zelf vooral uit Germanen bestaat.

Maar de Germaanse maatschappij – sterk beïnvloed door de Romeinen – evolueert. Kleine volken sluiten zich aaneen en gaan grotere gehelen vormen. Die ontwikkelen een eigen identiteitsgevoel. De Franken, wat zoveel betekent als “heldhaftigen”, “dapperen” of ook “vrije mannen” (in het Noord-Nederlandse kennen we nog de uitdrukking “vrank en vrij” en in Vlaanderen betekent “frank” zoveel als vrijpostig), wonen in het gebied over de Rijn, in de buurt van Keulen. Het gaat om een verzamelnaam voor de vroegere Ubiërs, Tencteri, Chamavi, Sigambrii en een stuk of wat andere stammen.

Diocletianus

Gewapende bendes Franken maken gebruik van de burgeroorlogen in het rijk. In 256 steken zij de stroom over. In 258 en 260 volgen nog meer raids. De grootste vindt plaats in 275-276. Er beginnen zich bij de Franken twee groepen af te tekenen: de Ripuariërs, die in de omgeving van Keulen blijven wonen, en de Saliërs.

Wat de Romeinen niet beseffen, is dat ze hun eigen grootste vijand zijn. De Romeinse staat is goed georganiseerd. Maar er is geen uitgewerkte opvolgingsregeling voor het staatshoofd. Het leger bepaalt doorgaans wie de volgende keizer wordt. Dat zet de deur wagenwijd open voor bloedige interne conflicten tussen ambitieuze generaals en op buit beluste legioenen.

Tussen 234 en 284 volgen zo maar eventjes 20 keizers elkaar tegen een hoog tempo op. De meesten sterven een gewelddadige dood. De troepen die hun belangen verdedigen, strijden ver van de grens tegen andere Romeinen. De economie raakt ontwricht, ook omdat het enorme leger en het staatsapparaat meer kosten dan de belastingen opbrengen. De handelsbalans van het rijk met het oosten is chronisch negatief. Om hun schulden de baas te blijven, gaan de keizers over tot drastische devaluaties. In het oosten moeten de Romeinen zich verdedigen tegen de nieuwe, dynamische dynastie der Sassanieden die de oude glorie van het Perzische rijk wil herstellen.

Met Diocletianus (284-305) komt in Rome eindelijk weer een talentrijk staatsman aan de macht. De nieuwe keizer heeft een lange carrière in de ambtenarij achter de rug. Hij beseft wat er schort aan het bestuur en voert een aantal ingrijpende veranderingen door. Diocletianus realiseert zich dat één man onmogelijk in zijn eentje een staat met de omvang van het Romeinse rijk kan runnen. Hij benoemt Maximianus tot mede-augustus en geeft hem en zichzelf een “caesar” of adjunct.  Voorts verdubbelt hij het aantal provincies door hun omvang te halveren. Zo beperkt de keizer de macht van de provinciale bestuurders. Tegelijk maakt hij het militair gezag los van de burgerlijke autoriteit. Uiteindelijk krijgt de infanterie zelfs andere bevelhebbers dan de ruiterij.

Betuwe

Diocletianius herstelt de limes of versterkte grenzen aan de Rijn, de Donau en in het oosten. Zodra blijkt dat zulks niet volstaat om de Germanen of de Perzen buiten te houden, roept hij mobiele legereenheden in het leven. Die worden verder in het binnenland gestationeerd en rukken uit wanneer een inval plaatsvindt. Dit doet de staatsuitgaven pijlsnel stijgen.  Omdat de gewone belastingen nu echt niet meer volstaan, voert Diocletianus het oude systeem van heffingen in natura weer in. De annonae worden op het platteland elk jaar geheven (de inwoners van de steden blijven elke vijf jaar geld storten). Zo betaalt de keizer zijn soldaten en ambtenaren uit met voedsel en kleren. Toch zijn er kleine boeren en handwerkslieden die “naar de barbaren” vluchten om aan de belastingen te ontsnappen…

Diocletianus’ hervormingen komen te laat. Ze verhinderen niet dat de Salische Franken omstreeks 300 neerstrijken in de Betuwe, het gebied tussen de grote rivieren in Nederland. Ze zullen er een halve eeuw de grond bewerken. Zijn het uiteindelijk overstromingen of de opmars van andere volken die hen doen vertrekken? Of komt doordat generaal Magnentius (+353) zich in 350 laat uitroepen tot keizer en met zijn troepen (waarin ook heel wat Franken dienen) naar het zuiden marcheert zodat grote gebieden er plots totaal onbewaakt bij liggen?

In 358 zoekt een Salische afvaardiging de nieuwe keizer Julianus de Afvallige op. Ver hoeven de Franken niet te reizen, want Julianus overwintert in Tongeren. De Saliërs krijgen de toestemming om zich als boeren in het dunbevolkte Toxandrië te vestigen. Dit gebied komt min of meer overeen met de huidige provincie Noord-Brabant en het noorden van de Belgische provincie Antwerpen. Ooit woonde er een volk dat de Romeinen Toxandri noemden en dat voortleeft in de plaatsnaam Tessenderlo. In ruil voor zijn gunst eist Julianus van de Franken militaire steun in geval van nood.

Doornik

In 395 gaan het Oost- en het West-Romeinse rijk definitief uit elkaar. In het westen nemen de economische problemen toe. De rijke senatorenfamilies uit Italië vertikken het om te betalen voor het leger. Er zijn te weinig soldaten en er is veel interne onenigheid. Op Oudejaarsavond 406 trekken Vandalen, Alanen, Boergonden en Sueven over de Rijn. Dit betekent het einde van het Romeinse gezag in onze streken. De Franken in Toxandrië zijn niet in staat om hen tegen te houden. Van het machtsvacuüm dat ontstaat, maken de avontuurlijksten onder hen na van enkele jaren zelf gebruik om naar het zuiden door te stoten.

Onder “hertog” of militair bevelhebber Chlodio – aanvankelijk kennen de Franken geen koningschap – uit het geslacht der Merowingen vestigen ze zich in Doornik (België) en Kamerijk (Cambrai, Noord-Frankrijk). Saliërs strijden in 451 met de Romeinen tegen de Hunnen onder de gevreesde Attila tijdens de slag op de Catalaunische velden. Maar ook de Hunnen krijgen hulp van Franken.

Bisschop Greogorius van Tours noemt Chlodio en “bekwaam en zeer doorluchtig vorst”. Hij zwijgt zedig over de legende die wil dat een zeemonster bij Clodio’s vrouw tijdens het baden een zoon verwekt – Merowech, die zijn naam geeft aan de familie. Gregorius is een vroom man en wil zijn lezers niet herinneren aan het feit dat de eerste Merowingers heidenen zijn en best in hun schik met hun half-goddelijke afkomst. Over Merowech is trouwens verder niets bekend.

De bijen van Childerik

Ook in het levensverhaal van zijn zoon, Childerik, zitten gaten. Childerik is in zijn jonge jaren een losbol die, dixit Gregorius, “de dochters van het land oneervol wilde behandelen” – lees: vrouwen uit de klasse der vrije lieden lastigvalt. Dat soort gedrag tolereren de Franken niet, zelfs van een lid van de regerende familie. Childerik wordt verbannen naar het hof van de koning der Thuringers in wat vandaag Duitsland is. Hij begint er een affaire met koningin Basina. Wanneer hij na acht jaar naar Doornik terugkeert, volgt ze hem. Dat de Franken intussen goed hebben leren opschieten met hun Gallo-Romeinse buren, blijkt uit het feit dat ze de Romein Aegidius als hun leider of tenminste als hun voornaamste bondgenoot hebben erkend. Alles wijst erop dat Childerik en hij een tijdlang de macht delen. Samen verslaan ze de Wisigoten, die zich ophouden in de Loirestreek. Na de dood van Aegidius werkt Childeric samen met een andere Romeinse aanvoerder, Paulus. Childeric sterft in 681.

In 1652 vinden bouwvakkers tijdens werken bij de Sint-Brixiuskerk in Doornik een graf. De geleerde arts Jean-Jacques Chifflet wordt bij de vondst geroepen. Hij zorgt ervoor dat de voorwerpen samen blijven. Een van de belangrijkste is een gouden zegelring, versierd met de beeltenis van een heerser in zijn wapenrusting en omhangen met Romeinse chlamys, een opperkleed dat op de schouder met een fibula of mantelspeld wordt bijeengehouden. Hij draagt zijn haar in vlechten en is gewapend met een lans waarvan de punt de vorm heeft van een lelie. Op de rand van het zegel staat Childerici regis – “dit is de ring van koning Childeric”. Er zijn ook twee dubbel snijdende zwaarden met gouden en zilveren decoraties, zg. scramasaxen, een strijdbijl, een bol van bergkristal, een grote ronde gesp en de schedel van een paard.

Daarnaast komen een gouden armband, een beurs met bijna driehonderd gouden en zilveren munten en een gouden siervoorwerp in de vorm van een stierenkop aan het licht. De oudste munten dateren uit de tijd van de Romeinse republiek; de stierenkop is afkomstig uit het Middellandse Zeegebied.

Driehonderd gouden insecten met vleugels van rode halfedelsteen zaten ooit op de mantel van de overleden. Het zijn boomkrekels. Bij de Franken symboliseren ze de onsterfelijkheid. De vinders denken dat het om bijen gaat. Dat misverstand houdt een paar eeuwen stand. Om zijn keizerlijke macht te linken met het verleden, vervangt Napoleon als vorstelijk sybool de lelie van de afgezette Bourbons door de “bij” van Childeric.

In de 17de eeuw bestaat bij geleerden al volop belangstelling voor vondsten uit de oudheid. Chifflet schrijft over de schat van Childeric een rijkelijk geïllustreerd boek dat in Antwerpen van de pers rolt. Het vormt zowat het allereerste “wetenschappelijke” opgravingverslag. En dat is maar goed ook, want het leeuwendeel van de voorwerpen uit Childerics tombe wordt in 1831 in Parijs gestolen en is nooit teruggevonden.

Langharig

Childeric, weinig meer dan de aanvoerder van een grijpgrage bende barbaren, heeft zich geïntegreerd in wat overblijft van het Romeinse gezag, een territorium veroverd en de status van koning verworven. Net zoals Childeric laat diens zoon Chlodowech zijn lange haar over zijn schouders golven – dat is het symbool van zijn koninklijk bloed. Alleen hij en andere Merowingers mogen het zo dragen. Chlodowech heet in Latijnse teksten Clodovicus; later noemen de Duitsers hem Chlodwig – daarin hoort men al duidelijk “Ludwig” (en “Lodewijk”). De Fransen hebben het over Clovis. Onder die naam geniet de ambitieuze koningszoon ook bij ons bekendheid.

Conscience ziet het in de 19de eeuw zó: “Daer Hlodwig niet boven de vyf-en-twintig jaren oud kon zyn, kleurde nog de frissche verw der jeugd zyne wangen; en de knevels die zyne bovenlip overschaduwden, toonden nog de sierlyke zachtheid van den eerste bloei der mannelyke krachten. Het goudgeel hair droeg hy zeer lang, als een teeken zyner vorstelyke afkomst van de Merwigings; het daelde hem van wederzyds langs het voorhoofd, in zachtkrullende lokken, tot op den schouder en was om het hoofd door eenen platten gouden band bevestigd.”

“Zyne kleeding, overigens zeer eenvoudig, bestond uit eenen vierkanten mantel van donkerblauwe stoffe, welke hem over beide schouders hing en op de borst met eenen gulden doorn was vastgehecht. Onder den mantel droeg hy een kleed van ligtere verwe, dat hem slechts tot azen de knien daelde; zyne beenen waren bedekt met linnen schachten die, by middel van zich kruisende linten, eraen gedrukt waren. Lederen schoenen waren hem met riemen aen de voeten gegespt.”

“Een zweerd, zoo groot dat het Hlodwig zelven tot aen de borst reikte, hing hem aen eenen draegband, welke over zynen eenen schouder geworpen was; een lederen gordelriem met tessche en mes, omsloot zyne lenden.”

Vaas van Soissons

Clovis ontpopt zich tot een voortvarende, onverschrokken aanvoerder – precies wat de krijgers uit zijn gevolg willen. De eerste vijand die hij aanpakt is zijn “buurman” Syagrius. De zoon van Aegidius wordt door de Germanen rex romanorum of “koning der Romeinen” genoemd. Vanuit Soissons zwaait hij de plak over een groot stuk Noord-Frankrijk tussen Somme en Loire. Het West-Romeinse bestaat niet meer en de Oost-Romeinse keizer, ver weg in Byzantium, wil niets met Syagrius te maken hebben. Toch beweert die van zichzelf dat hij een “Romeinse provincie” bestuurt. De overwinning op Syagrius in 486 maakt van Clovis een militair en politiek zwaargewicht. Het Salische koninkje van Doornik is opeens de machtigste der Frankische leiders. Daarom levert de Wisigotische koning Alarik II hem de gevluchte Syagrius na enige dreigementen zonder morren uit.

Uit deze bewogen periode stamt het overbekende verhaal over de vaas van Soissons. Tijdens de oorlog met Syagrius hebben Franken uit een bisschoppelijke kerk een kostbare vaas gestolen. De bisschop beklaagt zich daarover bij Clovis. Die belooft dat hij zal “zien wat hij kan doen”. Maar zelfs als koning is Clovis onderworpen aan de oude Frankische gewoonte die wil dat oorlogsbuit door loting wordt verdeeld onder de soldaten. Daarom protesteert een van zijn manschappen wanneer Clovis de vaas in Soissons voor zichzelf opeist. Om zijn woorden kracht bij te zetten, slaat de anonieme krijger met zijn bijl een deuk in de vaas. Clovis doet of zijn neus bloedt en laat de vaas aan de bisschop terugbezorgen.

Een jaar later herkent de koning de krijger tijdens een wapenschouwing. Clovis’ macht is intussen zo groot geworden dat hij geen tegenspraak meer hoeft te dulden. Hij berispt de soldaat om de gebrekkige staat van zijn wapenrustig en mept hem zijn strijdbijl uit handen. De man bukt zich om het wapen op te rapen waarop Clovis hem met zijn eigen francisca het hoofd inslaat. “Dat heb jij in Soissons met mijn kruik ook gedaan,” zegt hij. Gregorius van Tours: “Met die daad dwong Clovis groot respect af”.

Gregorius vertelt voorts dat Clovis “vele andere [Frankische] koningen en verscheidene dichte familieleden vermoordde” uit schrik dat ze hem zouden “opzijschuiven” of zijn gezag “aantasten”. Omdat de geschiedschrijver de zaak van de kerk erg is toegedaan, besteedt hij veel aandacht aan het huwelijk van Clovis met Chrodechilde of Clothilde, een nicht van Gundobad, koning van het machtige volk der Bourgonden. Volgens Gregorius draagt de katholieke prinses veel bij tot Clovis’ uiteindelijke bekering.

Die krijgt paar beslag wanneer de koning in 498 een grote overwinning behaalt op de Alamanni. Zij controleren het gebied tussen de Vogezen, de Rijn en het meer van Konstanz. Eerst bedreigen ze de Ripuarische Franken in de streek van Keulen, dan keren ze zich tegen de Saliërs. Ze onderschatten Clovis, die hun een verpletterende nederlaag toebrengt, al weten we, raar genoeg, niet waar dat gebeurt. Volgens Gregorius gooit Clovis het tijdens de beslissende slag op een akkoordje met de God van zijn vrouw: als Die hem helpt, zal de koning der Franken zich laten dopen. Het verhaal doet erg denken aan de beroemde gelijkaardige anekdote over de Romeinse keizer Constantinus. Weldra doopt Remigius Clovis “en drieduizend van zijn krijgers”. De plechtigheid in Reims, de zetel Remigius’ aartsbisdom, levert de blauwdruk voor de kroning van alle Franse koningen in later eeuwen.

Doopplechtigheid in Reims

Conscience schrijft daarover, met veel aandacht voor lichtsymsboliek, het volgende:

“Toen Hlodiwg den tempel binnenstapte, bleef hij eensklaps getroffen staan en blikte met verbaasdheid op het schouwspel, dat zich daar voor zijn oog opdeed.”

“De gansche kerk, hoe buitengewoon groot ook, was behangen met kostelijke stoffen, in welker weefsel goud, zilver en veelkleurige gesteenten glinsterden; al de pijlers, die het reusachtige welfsel ondersteunden, waren als verborgen onder de tintelende vlam der waskaarsen, welker getal en menigvuldigheid steeds aangroeide, naarmate men het diepe des tempels bereikte. Hier – rondom en op het altaar, – waren de kaarsen, lampen en luchter zoo ontelbaar, dat hun gloed, alhoewel stil en zacht, het daglicht overwon. De duizenden bewegende vlammen geleken eenen stroom van vloeibaar ghoud, van blikkerend geparelte; hun beeld herspiegelde in al wat glans had, – en zoo schenen zij al de zilveren vaten, de kruisen, de luchters, de beelden, de gesteenten der behangsels met hun eigen leven te bezielen en zich tot het oneindige te vermenigvuldigen. Het was in de gansche basiliek een starrengewemel, een geglinster, dat het oog er op verbijsterde.”

“[…] Diep geraakt door den geheimzinnigen indruk van dit vertoog, bleef Hlodwig eene wijl bij den ingang des tempels staan.”

“Welhaast trad bisschop Remy met eenige andere priesters hem te gemoet. De bisschop droeg een groot kruis; dit teeken voor den koning stellende, sprak hij op plechtigen toon: ‘Kniel, trotsche Saliër,; buig uw hoofd; aanbidt wat gij hebt verbrijzeld, verbrijzel wat gij hebt aangebeden!'”

“Hlodwig knielde neder voor het kruis en hief de handen tot den Christus op.”

Waaruit blijkt dat der 19de-eeuwe romancier zeker niet twijfelde aan de oprechtheid van Clovis’ bekering. Maar hij schreef in een katholiek land, op zoek naar zijn eigen geschiedenis, en voor een katholiek lezerspubliek.

Purperen gewaad

Spreekt Gregorius van Tours de waarheid? Liegen doet hij niet, maar hij vertelt zeker niet alles. Een groot deel van Clovis’ oude én nieuwe onderdanen zijn katholiek – het katholicisme, sinds Constantinus de staatsgodsdienst van het Romeinse rijk, heeft de instorting van dat rijk overleefd. Van alle instellingen is de kerk enige die min of meer intact is gebleven, zeker in gebieden met een hoge “romaniseringsgraad” zoals Midden- en Zuid-Frankrijk. Aartsbisschop Remigius van Reims, beseft de koning, kan bruggen slaan tussen hem en de elite van het veroverde gebied. Remigius heeft dan weer belang bij de steun van de vorst.

Bovendien, betoogt de Duitse historicus Matthias Becher in zijn nieuwe boek Chlodwig I. Der Aufstieg der Merowinger und dat Ende der antiken Wet, denkt Clovis vooruit. Oorlog met de Visigoten in het Zuid-Oosten van Frankrijk, nu zijn voornaamste concurrenten, is onvermijdelijk. De Visigotische elite hangt de Ariaanse “ketterij” aan. Ze erkennen de Drie-eenheid en de goddelijkheid van Jezus niet. Maar een groot deel van de Gallo-Romeinse bevolking waarover ze heersen, zweert nog altijd bij het katholicisme. De kans is reëel dat Clovis verdeeldheid wil zaaien.

In Vouillé, niet ver van Poitiers, verslaat Clovis de Visigoot Alaric in 507. Zo vestigt hij zijn macht tot aan Bordeaux en Toulouse. Zelf gaat Clovis in Tours wonen. De Oost-Romeinse keizer Anastasius schenkt hem de oude Romeinse titel van consul. In de Sint-Martinusbasiliek, vertelt Gregorius, tooit hij zich met een purperen gewaad en kroont zichzelf met een diadeem. Volgens Becher betekent dit niet dat Clovis zichzelf de keizerlijke waardigheid toe-eigent, alleen dat hij zich manifesteert als regeerder van (vroegere West-) Romeinse gebieden waarvan de keizer in Byzantium – zij het enkel in theorie – nog altijd de grote baas is.

Concilie

De volgende jaren verovert Clovis verder het Alamannische rijk – op de linkeroever van de Rijn van Oppenheim tot Bazel en op de rechteroever een groot stuk van Zuid-Duitsland. Hij opent de jacht op de Frankische koninkjes van Kamerijk en Keulen en jaagt hen over de kling. Zo vestigt hij tenslotte zijn alleenheerschappij over alle Franken en de volken die zij domineren. In 511 nodigt Clovis de bisschoppen van zijn rijk uit op een concilie in Orléans, ten zuiden van Parijs. Daar wordt gesproken over de politieke en kerkelijke organisatie. De bisschoppen, betoogt Matthias Becher, luisterden veel meer naar de koning dan naar de paus in het verre Rome. Eeuwenlang zullen zijn opvolgers zich op die oppermacht over de kerk beroepen, wat op termijn tot grote conflicten met de paus leidt. Maar dat doet niets af aan het belang van Clovis’ doop voor de triomf van het katholicisme over het arianisme en het heidendom.

Bij Clovis’ dood in 511 ligt het zwaartepunt van het Frankische rijk al lang ten zuiden van ons. De koning woont in Parijs en wordt er begraven in de crypte van de Sainte-Genevièvebasiliek die hij als zijn eigen grafkerk heeft laten bouwen. De niet-bekeerde Franken in Zuid-Nederland en België leven in een uithoek. Pas in de 7de eeuw proberen missionarissen hen te bekeren. Hoe ver het machtsgebied van de Franken in het noorden reikt, is trouwens niet duidelijk. Tongeren, Maastricht en het gebied tussen Maas en Rijn tot aan Nijmegen maken er in ieder geval deel van uit. Geregeld krijgen Clovis’ nazaten het aan de stok met Radbod (of Redbod), de koning van de Friezen. Hij heerst over grote delen van Nederland, over de Belgische kust en de monding van de Schelde.

Column – Een historicus is ook maar een mens of hoe bespreekbaar is de Tweede Wereldoorlog?

Mijn dagelijkse boterham verdien ik in het Letterenhuis. Daar inventariseer ik schrijversarchieven. In zo’n verzameling papieren gaapt soms een lacune. Van omstreeks 1940 tot 1950, zodat ik mij begin af te vragen hoe fout de “archiefvormer” in de oorlog wel mag geweest zijn.

Een en ander weerspiegelt de dubbele houding van de Vlaamse middenklasse (literatuur is geen aangelegenheid van proletariërs) t.o.v. haar oorlogsverleden. Vele lieden schaamden zich nadien nauwelijks voor hun vriendschap met de nazi’s – die stond in het teken van Vlaanderen en van Onze-Lieve-Heer. Voor hun generatie was “idealisme” – hetwelk hoefde niet gespecificeerd te worden – “onvermijdelijk”. Maar papieren achterlaten waarin een en ander zwart op wit stond, misschien met minder “idealistische” details, was een brug te ver.

Een mens is in ruime mate het product van zijn afkomst. Mijn overgrootvader aan moederskant richtte anno 1885 in Antwerpen mee een socialistisch partijtje op, dat weldra opging in de grote Belgische Werklieden Partij. Zijn portret (“Bompa Dirickx”) hangt nog bij mij aan de muur. Aan het partijtje herinnert de verweerde gedenkplaat op een gevel aan de Sint-Andriesplaats.

Bompa Dirickx was meubelmaker; het adresboek van Ratinckx noemt hem “ébéniste”. Naar verluidt correspondeerde hij met Friedrich Engels. Zijn betrokkenheid bij het socialisme deed zijn zaak de das om. Mijn grootvader, afgeschrikt door het voorbeeld van zijn pa, werd liberaal en las De Nieuwe Gazet. Ook hij was zelfstandig meubelmaker – tot de crisis van 1929 zijn lot beslechtte. Toen al sleurde Wall Street de wereld mee. “Bompa” (zonder meer) werd arbeider bij de stad Antwerpen.

Zijn zoon, “nonkel” Lucien, studeerde aan de Stedelijke Normaalschool voor onderwijzer. Hij raakte in de ban van communisme en Verzet. Als negentienjarige werd hij opgepakt door de Duitsers. Vanuit de gevangenis in de Begijnenstraat en via Breendonk ging het naar – denk ik – het concentratiekamp Dora. Daar werkten dwangarbeiders aan het V-bommenprogramma. Tussen zijn arrestatie en de huiszoeking bij mijn grootouders, werden de brieven van Engels in de kachel verbrand.

Mijn gebrekkige kennis van zijn lot vloeit voort uit de stilte waarmee de familie dit alles toedekte. De herinnering aan het verdriet en de angst was te intens. Misschien worden bepaalde angsten en verdriet gewoon nooit herinnering. We hebben allemaal documentaires over de Tweede Wereldoorlog gezien waarin stokoude mensen, ondanks hun wil om te getuigen, hun verzet tegen de tranen moesten opgeven.

Wat mijn moeder wel vertelde, was hoe zij en mijn grootouders ’s avonds op het binnenplaatsje achter hun huis stonden te luisteren naar de honderden brommende bommenwerpers die door het donker boven de stad koers zetten richting Duitsland. Kippenvel krijg ik daar nog altijd van.

Paradoxaal genoeg kan ik mij daarom inleven in de wrok die collaborateurskinderen of -kleinkinderen nog altijd voelen over de wrede grap die de geschiedenis met hen uithaalde. Al heb ik het daar niet gemakkelijk mee – deel omdat ik niet anders “kan”, deels omdat veel collaborateurs die deel uitmaakten van wat politiek commentator van De Standaard Manu Ruys de Vlaamse “elite” noemde, na de oorlog in bladen, kranten en boeken decennialang toeterden over het hun aangedane onrecht.

Hun overwinnaars sloegen zichzelf minder op te borst, een jaarlijkse officiële dodenherdenking daargelaten. Mijn oom, die bij zijn terugkeer vijfenveertig kilo woog, stierf op zijn vierenveertigste aan kanker. Hij schreef nooit een boek.

Tot de objectiviteit waarvan natuurwetenschappers dromen, zal ik nooit in staat zijn, zeker niet als het over de Führer en zijn Vlaamse volgelingen gaat. Een historicus is ook maar een mens; geschiedenis is bepaald geen natuurwetenschap. Juist daarom moet die historicus zichzelf op tijd tot de orde roepen en de feiten laten spreken, niet zijn (negatieve) emoties. Begrip, inleving en aanvaarding zijn ook bouwstenen van de verwondering en die verwondering houdt de historische interesse gaande.

Het zou voor verheldering, zelfs voor grote opluchting zorgen als de Tweede Wereldoorlog in Vlaanderen bespreekbaar werd. De nieuwsgierigheid van mijn generatie – ik ben twaalf jaar na de oorlog verwekt – en degene die na ons komen, verdient niet alleen aanbeveling, maar ook bevrediging.

Verschenen in Memo nr. 2, februari 2012.

[Geschiedenis] – De Verenigde Nederlandse Staten of de korte onafhankelijkheid van de Belgische gewesten in 1789-1790

10 januari 1790. De Oostenrijke regeringstroepen hebben Brussel hals over kop verlaten. In het gebouw van de Staten van Brabant, het huidige Paleis der Natie, vindt een merkwaardige plechtigheid plaats. Vertegenwoordigers van de verschillende gewesten van de Oostenrijke Nederlanden (Vlaanderen, Brabant, Henegouwen enz.) roepen de Verenigde Nederlandse Staten (in het Frans Etats belgiques unis) uit. Daarmee stichten ze een onafhankelijke, confederale republiek. Dit moment vormt het hoogtepunt van de Brabantse Omwenteling, de opstand tegen de Oostenrijkse keizer Jozef II, die een jaar geleden is uitgebroken.

De opstand in de Zuidelijke Nederlanden maakt deel uit van de golf revolutionaire bewegingen die begint met de Amerikaanse vrijheidsstrijd en eindigt met de Franse revolutie van 1789. Het grote verschil bestaat erin dat de Brabantse Omwenteling een conservatieve opstand is. De leidende groepen in de “Belgische” gewesten gaan in het verweer omdat keizer Jozef II hun eeuwenoude voorrechten en privilegies op de helling zet omdat hij de staat in moderne zin wil hervormen.

Jozef II bestijgt de troon van Oostenrijk in 1780. Zijn rijk is geen gecentraliseerde staat maar een amalgaam van grote en kleine vorstendommen in Midden- en Oost-Europa, Italië, ex-Joegoslavië en de Nederlanden. Geografisch noch politiek vormen ze een eenheid; bovendien is men overal sterk gehecht aan hun eigen gebruiken en gewoonten.

De keizer kan in de meeste streken alleen belastingen heffen als de plaatselijke staten – vertegenwoordigers van de adel, de geestelijkheid en de steden – daarmee akkoord gaan. Zo komt het dat Wenen niet genoeg geld heeft voor een groot staand leger, terwijl Oostenrijk vanuit het noorden bedreigd wordt door het steeds machtiger Pruisen en in het zuidoosten door de Turken.

Maar het gaat Jozef niet alleen om geld. Hij wil het bestuur van het keizerrijk over gelijkschakelen en de economie nieuw leven inblazen. Hij meent ook dat een zekere emancipatie van de kleine man tot een God welgevallige gelijkheid kan leiden. Daarom geeft hij protestanten en joden dezelfde rechten als katholieken en neemt hij maatregelen tegen de zwaarste vormen uitbuiting van de boeren door de landadel in Hongarije.

Grote dingen

Zijn ideeën put de keizer uit de geschriften van de filosofen en politieke denkers van de Verlichting. Maakt dat van hem geen democraat? Niet bepaald. Jozef II vindt dat het zijn taak is hervormingen door te voeren, niet die van zijn onderdanen, en hij duldt geen tegenspraak. De keizer is een intellectueel, maar dan wel één die niet wil inzien dat het niet volstaat de wereld te begrijpen om ze ook te veranderen.

“Grote dingen,” schrijft Jozef, “moeten in één keer volbracht worden. Veranderingen zorgen […] voor meningsverschillen. De zekerste manier om op te schieten is een beslissingen nemen, het publiek er meteen over inlichten en niet naar andere meningen luisteren. Dan moet men de beslissing alleen nog maar op de juiste manier uitvoeren.”

Het Paleis der Natie, vandaag zetel van het Belgische parlement, werd in de 18de eeuw gebouwd voor de Staten van Brabant.

Het Tolerantie Edict over de gelijkberechtiging van religieuze minderheden valt niet in goede aarde in de Oostenrijkse Nederlanden. De katholieke kerk en de clerus zijn er oppermachtig en dulden geen afwijkende opinies. Maar daar blijft het niet bij – weldra schaft de keizer de contemplatieve, d.w.z. in zijn ogen “nutteloze” kloosterorden af. Paters en nonnen hebben alleen bestaansrecht wanneer ze iets nuttigs doen – zieken verzorgen of onderwijs verstrekken. De orden die hij laat blijven, decreteert de keizer, mogen niet langer gehoorzamen aan oversten in het buitenland.

In 1784 verbiedt Jozef II de doden nog langer in de kerk of op een kerkhof in de stad te begraven. Dat is ongezond. Parochiekermissen moeten overal op dezelfde dag plaatsvinden. Anders lopen zijn onderdanen van de ene kermis naar de andere en werken ze niet genoeg. Twee jaar later schaft de keizer de bestaande priesteropleidingen af. Alle aspirant priesters dienen voortaan aan het Seminarie Generaal in Leuven te studeren. Dat wordt niet gecontroleerd door de bisschoppen, maar door de staat.

Tradities

Kort daarop vervangt de keizer de oude vorstendommen van “zijn” Nederlanden door zg. Kreitsen. Dat zijn districten die grote overeenkomsten vertonen met de huidige Belgische provincies. Jozef II is de uitvinder van “Oost-” en “West-“Vlaanderen. Alle instellingen die met de vorstendommen samenhangen, worden afgeschaft. Ook het gerecht moet eraan geloven. De keizer wil rechtbanken met professionele juristen als rechter, geen dorpsheren of amateurs die hun ambt gekocht hebben. Daardoor verliest een groot aantal ambtenaren – vaak gaat het om mensen uit de kleine adel – zijn baan.

De gilden spelen sinds de middeleeuwen een belangrijke rol in het economische leven van de steden. Maar met al hun reglementen en bepalingen over werkwijze, materialen en personeel remmen de ontwikkeling af van moderne productiemethoden, oordeelt de vorst. Daarom schroeft hij hun bevoegdheden terug en legt allerlei beperkingen op. Na adel en clerus jaagt hij zo een groot deel van de middenklasse in de steden tegen zich in het harnas.

Maria-Christina bestuurde samen met haar echtgenoot Albrecht van Saksen-Teschen de Oostenrijke Nederlanden voor keizer Jozef II.

De keizer wil privilegies afschaffen, maar is blind voor het feit dat zijn onderdanen gehecht zijn aan hun eigen tradities, mentaliteit en religieuze beleving. Hij begrijpt ook niet dat de moderne ideeën waarop hij zijn politiek baseert, de meer vooruitstrevenden onder zijn vele onderdanen juist naar meer inspraak doet verlangen, niet naar minder.

Jozef II wordt in Brussel vertegenwoordigd door zijn zus, aartshertogin Maria-Christina en haar man, Albrecht van Saksen-Teschen. Zijn wonen in het kasteel van Laken. Weldra neemt het verzet tegen de hervormingen van de keizer zo’n dreigende vorm aan, dat zij geen kant meer op kunnen. In 1787 weigeren de Staten van Brabant de belastingen goed te keuren. De Brusselse advocaat Hendrik van der Noot, een verstokte conservatief, publiceert een Mémoire sur les Droits du Peuple Brabançon waarin hij zijn bezwaren tegen Jozefs politiek uit de doeken doet.

Officiële woordvoerder

Hendrik van der Noot is in 1731 geboren als zoon van Nikolaas Franciscus van der Noot, heer van Vrechem en andere plaatsen Gobbelschrooy en amman of hoofd van de politie in Brussel. De Van der Noot’s zijn een oud Brabants geslacht waarvan leden in de loop der eeuwen een rol spelen in het bestuur van de hoofdstad of in dat van het hertogdom. Precies die aristocratische achtergrond verklaart Van der Noots fanatieke gehechtheid aan het Ancien Régime en de voorrechten van de adel. Hij wil ook de macht van de kerk onverminderd bewaren.

Van der Noot is in 1757 aan de universiteit van Leuven gepromoveerd tot licentiaat in de rechten en woont in het huis dat hij van zijn vader heeft geërfd aan de Brusselse Nieuwstraat in Brussel, tussen de St.-Michielstraat en de Koolstraat.

Van der Noot groeit uit tot de officiële woordvoerder van de Staten. In 1788 wordt de grond hem te heet onder de voeten en neemt hij de wijk naar Breda, vanwaar hij zijn activiteiten voortzet. Maar behalve de “Brabantsche Washington” (!) en zijn conservatieve vrienden, zijn er ook vooruitstrevende opposanten tegen de politiek van de keizer. Zij ergeren zich minder aan de inhoud van diens hervormingen, dan aan de manier waarop hij ze doorvoert.

Hùn leider is een andere advocaat, Jan-Frans Vonck, in 1743 als (rijke) boerenzoon geboren in Baardegem en sinds 1769 licentiaat in de rechten. In Brussel bouwt Vonck een succesvolle praktijk uit. Hij is goed op de hoogte van de Franse Verlichting en citeert met gemak klassieke auteurs. Eind 1788 gaat hij actief op zoek naar medestanders om de Oostenrijkers te bestrijden. Samen met zijn confrater en vriend Jan-Baptits Verlooij sticht hij het geheime genootschap Pro Aris et Focis (Voor Altaar en Haard) dat anti-Oostenrijkse acties plant.

Vonck wil minder privileges, meer democratie en een scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Hoewel zijn denkbeelden eigenlijk heel gematigd zijn, beschouwt Van der Noot hem als een gevaar. Maar voorlopig zijn de twee verplicht om samen te werken.

Oproer

Hier en daar breken vanaf 1787 relletjes uit. De keizer roept de landvoogden naar Wenen terug voor overleg. Jozef II is niet opgezet met het verzet van zijn Zuid-Nederlandse onderdanen. In juni 1789 schaft hij de Staten van Brabant af en vernietigt de privilegies die zijn voorgangers aan de inwoners van het hertogdom hebben verleend. Daartoe behoort de Blijde Inkomst, een soort contract tussen de vorst en de edelen en steden.

De Brabanders beschouwen de Blijde Inkomst als hun grondwet. In Tienen en Leuven breekt oproer uit. Zelfs in het Vlaamse Kortrijk zijn er rellen. Steeds meer “patriotten” – zo noemen de opposanten zichzelf – steken de grens met de Noordelijke Nederlanden. Ze willen er een leger vormen om de Oostenrijkers te verjagen.

In de pastorij van het Brabantse dorpje Bekkerzeel onderhandelt Vonck met kolonel Van der Mersch. De kolonel, afkomstig uit het West-Vlaamse Menen, is een oud-gediende van het Oostenrijkse leger. Hij blijkt bereid het opstandelingenlegertje aan te voeren.

Wanneer de Oostenrijkers Pro Aris et Focis dreigen op te rollen, vlucht ook Vonck naar Breda. Hij voegt zich bij zijn eigen aanhangers en die van concurrent Van der Noot. Als agent plénipotentiaire du peuple Brabançon zoekt die laatste steun in Engeland, de Verenigde Provinciën en Pruisen. Vooral Pruisen, de aartsvijand van Oostenrijk, ziet daar wel wat in.

De patriotten beseffen dat ze het ijzer moeten smeden terwijl het heet is. Van der Noot wil met een aanval wachten tot de lente van 1790; ook Vonck stelt de actie liever nog wat uit zodat de plaatselijke comités van Pro Aris et Focis zich wat beter kunnen voorbereiden. Maar Vander Mersch geeft het startsein. In de nacht van 23 op 24 oktober 1789 vertrekt zijn legertje naar het zuiden.

Slag van Turnhout

De patriotten namen het fort van Zandvliet in, waar ze een manifest voorlezen dat Jozef II van zijn soevereiniteit vervallen verklaart. Daarna trekt Vander Mersch met zijn troepen naar Turnhout. Hij wil een open veldslag met de sterkere Oostenrijkse troepen vermijden. De bevolking laat de opstandelingen binnen. Op 27 oktober volgt een confrontatie in de stad die in het voordeel van Vander Mersch uitvalt.

Tot veel meer zijn de onervaren, slecht bewapende patriotten generaal niet in staat. Bovendien raakt hun munitie op. In november trekken Vander Mersch zijn manschappen zich terug in de Verenigde Provinciën. Intussen opereren in de Zuidelijke Nederlanden andere patriottische legerbendes. Een kleine troepenmacht o.l.v. de zoon van de prins de Ligne bevrijdt in de nacht van 16 op 17 november Gent. De dag daarop vluchten Albert en Marie-Christine op bevel van de keizer uit Brussel naar Keulen.

Het kasteel van Laken, waar Albrecht en Marie-Christine van Saksen-Teschen resideren.

Eind november rukt Vander Mersch opnieuw Brabant binnen. Hij verovert Diest en Tienen, al is dat vooral te danken aan de gebrekkige motivatie van de Oostenrijkers. Omdat hij beseft dat hij nooit een geregelde veldslag kan winnen, stelt de generaal een staakt-het-vuren van tien dagen voor. Nog voor dat is afgelopen, komt de Brusselse bevolking in opstand. De Oostenrijkse soldaten in de hoofdstad deserteren massaal en de regering vlucht naar Luxemburg. Ook Namen wordt ontruimd.

Van der Noot houdt op 18 december 1789 een triomfantelijke intocht in Brussel. Hij geniet de volle steun van de clerus en is ook erg populair bij het volk. Vonck arriveert pas de dag voor Kerstmis. Men heeft hem eerst naar Gent gestuurd om een betere samenwerking tussen Vlaanderen en Brabant te bepleiten. Zijn afwezigheid maakt het Van der Noot gemakkelijk zichzelf als “echte” leider van de revolutie op te werpen.

Dat gaat des te vlotter omdat Vonck en zijn aanhangers lang in het diepste geheim hebben gewerkt en dus minder bekendheid genieten. Van der Noot laat niet na om het volk tegen hen op te ruien. Vonck krijgt echter wel steun van invloedrijke edellieden zoals de hertog van Ursel.

Confederale staat

Op 10 januari roepen de patriotten de republiek uit. De Verenigde Nederlandse Staten vormen een confederale staat waarin elke provincie bijna volledig zelfstandig blijft. Alleen voor militaire, diplomatieke en monetaire zaken zullen ze een gezamenlijk beleid voeren. Om die “nationale” bevoegdheden uit te oefenen, roept men een congres in het leven. De Staten-Generaal krijgen de wetgevende, het congres de uitvoerende macht. Maar omdat in beide organen dezelfde afgevaardigden zetelen, is van een echte scheiding der machten geen sprake. Van der Noot wordt minister; zijn aartsconservatieve kompaan, kannunik Van Eupen, krijgt een benoeming tot staatssecretaris.

Vonck zet zijn ideeën over de staatsinrichting uiteen in de brochure Considérations impartiales sur l’état actuel du Brabant, later vertaald als Onzeydige Aenmerkingen over den tegenwoordige gesteltenis van Brabant. Schrijver verwerpt een Assemblée Nationale zoals die in Frankrijk tijdens de revolutie is ingevoerd. Hij wil hervormingen binnen de bestaande structuren. Hij wil vooral een “democratischer” samenstelling van de Staten.

De Verenigde Nederlandse Staten (Wikipedia Commons).

Hoe voorzichtig ook, Voncks ideeën gaan te ver voor Van der Noot en de kerk. Kardinaal De Franckenberg, aartsbisschop van Mechelen, kiest stelling tegen de vonckisten. Hij vraagt de gelovigen niet te luisteren “naar woelzieke en arglistige lieden die […] slechts tweedracht zoeken te zaaien en wantrouwen willen inboezemen jegens de vaders des vaderlands” [Van der Noot].

In Brussel breken onlusten uit tussen aanhangers van beide strekkingen. De conservatieven in de Staten versterken zienderogen hun macht, zeker in de hoofdstad.“Men geniet een volledige vrijheid, als men niet schrijft, niet praat en zelfs niet denkt”, schrijft Dotrenge, de Luikse zaakgelastigde en aanhanger van Vonck, al op 15 januari 1790.

Maîtresse

Intussen paradeert Van der Noot met zijn maîtresse in de adellijke salons om het Warandepark.

 “Groot, met een zeer blanke huid en een prachtig gevormd lichaam, indringende zwarte ogen, lange zwarte krullen en schitterende tanden,” kortom, “une beauté troublante”. Zo beschrijft een pamflettist Jeanne Pinaut alias Mademoiselle de Bellem. Ze vormt trouwens het voorwerp van een hele reeks min of meer boosaardige geschriften van vonckisten en keizersgezinden. Die schilderen Jeanne af als de grijze eminentie van Van der Noot.

Een groot deel van haar leven blijft nog altijd duister. Jeanne is in ieder geval de dochter van een sloffenmaker en een naaister. Als jonge vrouw komt ze aan de kost in een bordeel van de Brusselse Bloemenstraat. Daar “ontdekt” burggraaf Alexandre Bertout de Carillo haar. Hij neemt Jeanne mee naar zijn buitengoed in Laken en laat haar een rudimentaire opvoeding geven. Aan zijn kinderen maakt hij wijs dat ze een wees van goeden huize is en Mademoiselle de Bellem heet.

Jan-Frans Vonck.

 Wanneer Jeanne zwanger raakt, installeert de edelman haar in een huis aan de Koolstraat. Ze bevalt er van een kind over wie verder niets bekend is. Rond 1758 ontmoet Jeanne de jonge Hendrik Van der Noot. De twee maken geen geheim van hun verhouding die tientallen jaren zal duren. Na Van der Noots triomfantelijke terugkeer in Brussel wordt Jeanne de first lady van de Verenigde Nederlandse Staten.

Naarmate de tegenstelling tussen “aristo-teokraten” en vonckisten zich scherper aftekent, neemt et aantal pamfletten en spotprenten tegen haar en haar minnaar toe. Men beschuldigt Jeanne ervan dat ze officiersbrevetten en ambten verkoopt en bij alle benoemingen een vinger in de pap heeft. Ze is ook de aanstichtster van de plundering van de huizen van vonckisten in 1790, beweren die.

Hendrik van der Noot, de “Brabantsche Washington”.

 De situatie van Jan-Frans Vonck en zijn medestanders wordt zo precair dat de advocaat in het voorjaar van 1790 onderduikt en Brussel verlaat. Velen van zijn vrienden worden opgepakt. Op 13 april arresteert men zelfs Vander Mersch. Hij wordt opgesloten in de citadel van Antwerpen. In juni volgt een arrestatiebevel voor Vonck zelf. Maar in Gent geeft het volk blijk van democratische sympathieën en in Zuid-Vlaanderen komen de boeren in opstand tegen de Staten.

Lynchpartij

Vonck vlucht samen met Jan Baptist Verlooy en de handelaren Weemaels en Daubremez naar Frankrijk. Via Dinant bereiken ze Givet. Daar krijgen ze op 17 april 1790 een paspoort. Vonck heet volgens dat document Van Nuffel, naar zijn moeder; Verlooy wordt Lebrun. De twee mannen belanden in Rijsel waar ze het geheime genootschap Pro Patria oprichten. Pro Patria verspreidt pamfletten in Brussel die de Statisten, vooral dan Van der Noot en van Eupen, op de korrel nemen.

Op 6 oktober 1790 levert de Brusselse vonckist Van Krieken spottend commentaar op de vele “monnikskappen” tijdens een optocht ter ere van “Heintje” Van der Noot. Van Krieken wordt in elkaar geslagen en aangehouden. Op de Grote Markt moet hij biechten. Daarna probeert de menigte hem aan een straatlantaarn op te knopen. Wanneer het touw breekt, probeert men hem met een sabel dood te steken maar ook dat mislukt – Van Krieken schiet er alleen zijn halve kin bij in. Uiteindelijk haalt een van de omstanders een zaag waarmee hij ’s mans hoofd afzaagt…

Intussen is Jozef II gestorven en opgevolgd door zijn jongere broer, Leopold II. Die blijkt bereid tot onderhandelen. Maar in Brussel heeft men daar voorlopig geen oren naar.

Leopold II, de opvolger van “keizer-koster” Jozef II.

De Oostenrijkers vragen de progressieven onder welke voorwaarden die een eventueel herstel van het keizerlijk gezag zouden aanvaarden. Vonckisten publiceren daarover twee rapporten. Daarin kennen ze de wetgevende macht aan de vorst en de Staten-Generaal toe, maar onder invloed van de Franse revolutie eisen ze getrapte verkiezingen en een stemming per afgevaardigde in de Staten, niet per stand. De Oostenrijkers wijzen dit af.

Op 27 juli 1790 sluiten Engeland, Pruisen en de Verenigde Provinciën de overeenkomst van Reichenbach. Die bepaalt dat de Zuidelijke Nederlanden opnieuw onder Oostenrijks gezag komen en dat de oude privileges en grondwetten worden hersteld worden.

Amnestie

In november 1790 vallen Oostenrijkse soldaten de Verenigde Nederlandse Staten binnen. De ene stad na de andere geeft zich over. Brussel capituleert op 3 december, Antwerpen en Gent op 6 en 7 december. Van der Noot, zijn maîtresse en Van Eupen zijn dan al lang naar Holland gevlucht. Na de overwinning herroept Leopold II de omstreden beslissingen van zijn broer en worden de oude eeuwenoude privileges opnieuw van kracht.

Voor vele democraten betekent de terugkeer van de Oostenrijkers het einde van hun ballingschap. Leopold II belooft al wie zich aan zijn gezag onderwerpt amnestie. Vonck blijft echter Rijsel. Zijn gezondheid laat te wensen over. Hij wil bovendien weten of de keizer democratische hervormingen toelaat. Maar inplaats daarvan proberen de Oostenrijkers vonckisten tegen traditionalisten uit te spelen.

De slag bij Jemappes.

 De ontevredenheid groeit. Velen kijken richting Frankrijk. In Parijs richt de progressieve bankier Walckiers het democratisch Comité des Belges et Liègeois Unis op dat in de Nederlanden een republiek naar Frans voorbeeld wil oprichten. Vonck weigert toe te treden omdat de groep volgens hem té radicaal en té antiklerikaal is.

In april 1792 verklaart Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk. Een eerste expeditie in de Nederlanden mislukt maar op 6 november verslaat het Franse leger de Oostenrijkers bij Jemappes. Na de Franse overwinning denkt Vonck eraan naar Brabant terug te keren om het land te helpen hervormen. Zijn ziekte verhindert dat echter. Hij sterft op 1 december 1792 in de armen van zijn broer. Twee dagen later wordt hij op het kerkhof van Rijsel begraven.

Volgens de laatste wil van de overledene wordt zijn stoffelijk overschot kort daarop opgegraven en overgebracht naar Baardegem. Van der Noot leeft enkele jaren als balling in Engeland en sterft aan de vooravond van de tweede, “echte” Belgische revolutie – die van 1830 – in zijn buitengoed te Strombeek-Bever.

 

Bibliografie

TASSIER, Suzanne, Les Démocrates belges de 1789 Brussel, Hayez, 1989 (2de).

DE CLERCK, Jan C.A. Jean-François Vonck, Juriste et chef démocrate de la Révolution belgique, Brussel, Hayez, Nouvelles Annales de Prince de Ligne (hors série), 1992.

PIRENNE, Henri, Les États Belgiques Unis (hoofdstukken over de Brabantse Omwenteling uit deel 5 van de Histoire de Belgique van Pirenne uit in 1920), Louvain-la-Neuve, Éditions Duculot, 1992.

POLASKY, Janet L., Revolution in Brusels 1787-1793, Brussel, Académie Royale de Belgique, Mémoire de la Classe des Lettres, 2de reeks in 8º, deel LXVI, aflevering 4, 1985.

VANHEMELRYCK, Fernand [RED.] Revolutie in Brabant, 1787-1793,
Brussel, Ufsal, Centrum voor Brabantse Geschiedenis, 1990.

Oostenrijks België. 1713-1794. Brussel, Gemeentekrediet van België, 1987.

Verschenen in Memo nr. 1. Dit artikel is deels gebaseerd op een artikelenreeks die ik in 1992 samen met mijn collega Els Groessens publiceerde in het dagblad De Standaard.

Geschiedenis – Hitlers trouwste vrienden. Jef Van de Wiele en zijn Vlaamse Landsleiding (1944-1945).

Sommige leiders van de Vlaamse collaboratie geloven tot het bittere eind dat Hitler de Endsieg zal behalen. In de septemberdagen van 1944 vluchten zo’n 15.000 “zwarten” met de terugtrekkende Wehrmacht naar Duitsland. Daar stichten Jef Van de Wiele, Cyriel Verschaeve, August Borms en enkele medestanders met goedkeuring van de SS-top de Vlaamsche Landsleiding. Die “regering in ballingschap” tekent in een tochtig kasteel de toekomst van een nationaalsocialistisch Vlaanderen uit, terwijl de lucht vol geallieerde bommenwerpers hangt.

In 1972 al publiceerde historicus Willem C.M. Meyers een baanbrekend artikel over deze episode vol zelfbedrog en ideologische verblinding. Toch blijft het relaas over de Vlaamse Landsleiding een wat onderbelicht deel van de geschiedenis van de collaboratie in België.

Cyriel Verschaeve met kat, 1939.

30 juli 1944. In het Vlaams-Brabantse Meensel-Kiezegem schieten drie weerstanders een leider van de Zwarte Brigade neer. Dat is de paramilitaire arm van het Vlaams Nationaal Verbond (VNV), de grootste collaboratiebeweging in Vlaanderen. Twee dagen later jagen “zwarten” uit wraak vier inwoners van het dorp over de kling en verrichten arrestaties.

Op 11 augustus omsingelen Duitse soldaten en een groep Vlaamse medestanders het dorp. Het bevel tot de actie komt van de beruchte Ss’er Robert Verbelen (1911-1990). Vijfennegentig inwoners worden opgepakt. De meesten worden vlak voor de Bevrijding op transport gesteld naar het concentratiekamp van Neuengamme. Slechts 28 van hen keren terug.

Rond deze tijd breken Amerikaanse en Britse troepen door de Duitse verdediginglinies in Normandië waar ze op 6 juni geland zijn. Gealliëerde tanks rollen weldra over de wegen van Noord-Frankrijk.

17 augustus – acht dagen voor de bevrijding van Parijs, twee weken voor de Engelsen de Belgische grens oversteken. In het bos van Rognac in het Henegouwse Courcelles schieten verzetslui de rexistische burgemeester van Groot-Charleroi, Prosper Teughels, neer. Ook zijn vrouw en zoon komen aan hun eind.

Plaatselijke rexisten en geestesgenoten uit Brussel – Rex is de Duitsgezinde partij in Franstalig België – brengen de volgende dagen vier weerstanders om het leven. Op 19 augustus fusilleren ze bij dageraad in Courcelles 19 onschuldige gijzelaars – onder hen politieagenten, dokters en zelfs de pastoor-deken van Charleroi.

Jef Van de Wiele

De gecensureerde pers laat uitschijnen dat de Duitsers zich enkel “strategisch” terugtrekken en dat de Wehrmacht ieder moment een succesrijk tegenoffensief kan inzetten. Maar de meerderheid van de Belgen wacht vol spanning op de Bevrijding. Het Verzet wordt driester; grote en kleine collaborateurs maken zich zorgen.

In Vlaanderen zijn de trouwste aanhangers van Hitler te vinden bij de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag), een organisatie die deel uitmaakt van de SS. Aan het hoofd ervan staat SS-ObersturmbannführerJef Van de Wiele (1903-1979). Hij ziet de bui hangen en vraagt op 15 augustus of de Duitsers van plan zijn op Belgisch grondgebied weerstand te bieden.

Jef van de Wiele spreekt zijn aanhangers toe.

Hij krijgt geen duidelijk antwoord, maar twee weken later laat de vertegenwoordiger van Reichsführer-SS Heinrich Himmler, Richard Jungclaus, aan Van de Wiele weten dat de kaderleden van de DeVlag samen met de bezetter het land mogen verlaten. Jungclaus heeft dat op 1 september met Himmler bedisseld. Van de Wiele en de zijnen moeten naar Brussel komen waar treinen en vrachtwagens op hen zullen wachten. Vanuit Gent en Antwerpen legt men eveneens speciale transporten in.

Omdat vele havens aan de Franse kust nog in Duitse handen zijn, wil het geallieerde opperbevel zo snel mogelijk doorstoten naar Antwerpen – een grote zeehaven is essentieel voor de bevoorrading van de soldaten. Op 2 september steken Engelse tanks de Belgische grens over. Doornik en Brussel worden de volgende dag bevrijd; Antwerpen zelf volgt op 4 september.

Maaseik

De leiding van de DeVlag, de Vlaamse SS-mannen en hun familie en alle mogelijke andere collaborateurs verzamelen in Maaseik. Limburg ligt ver van het front; de Duitsers denken er bovendien aan zich in te graven langs het Albertkanaal. De meeste vluchtelingen arriveren per trein; anderen komen op de fiets. De drukte in het (eind)station van Maaseik is zo groot dat sommige treinen moeten terugkeren om via Tongeren en Wezet naar Duitsland om te rijden. De vele auto’s die in het stadje aankomen, veroorzaken verkeersopstoppingen. SS-Obersturmführer Jef François en zijn collega Paul Suys trachten een en ander in goede banen te lijden.

Hendrik Elias in gelukkiger tijden, 1926.

Priester Cyriel Verschaeve, de “geestelijke leider van het Vlaamsche volk” is al op 31 augustus uit Brussel naar Duitsland vertrokken. VNV-leider Hendrik Elias en zijn medewerkers houden een tussenstop in Lummen, waar het VNV een kasteel heeft in beslag genomen, maar willen ook via Maaseik naar het Reich. Een ooggetuige vertelt in oktober aan een reporter van de Antwerpse socialistische krant Volksgazet:

“Op zondag 3 september kreeg Maaseik hoog bezoek. Onder de volgens van diverse pluimage bevond zich niemand minder dan… de Leider Elias, in hoogsteigen persoon. De fiere sicamber scheen ditmaal niet gekomen om een van zijn groote redevoeringen uit te brallen. Hij kon in die opstopping niet snel genoeg vooruitkomen, en sakkerde omdat zijn auto versperd geraakte in den warboel van optrekkende vervoermiddelen.”

Josias zu Waldeck-Pyrmont (foto Bundesarchiv)

“Er is toen zelfs een hevig incident ontstaan, toen Elias zich den voorrang wilde doen verschaffen. Midden in de opeengepakte menigte werd hij aangebruld door een jongen SS-man van Maaseik, die aan het Oostfront gestaan heeft, en die hem midden tusschen het volk in het gezicht striemde: Gij hebt ons van de schoolbanken gehaald en naar de hel van het Oostfront gestuurd: maar gij zelf zijt veilig thuisgebleven! En nu op het oogenblik dat ge naast ons zoudt moeten staan, nu laat ge ons in den steek!”

“[…] Ook Jef Van de Wiele en Piet Wijnendaele zijn dien dag toegekomen. Zij zijn natuurlijk ook een tijdje door de verkeersopstopping opgehouden geworden. zij hebben al dien tijd rondgelopen met een mitraillette in de hand. Gelachen mocht er niet worden. Zelfs niet geglimlacht, of er vielen slagen.”

De vluchtelingen maken zich zorgen over het Duitse voornemen om de bruggen over de Maas en het Julianakanaal op te blazen. Gelukkig slagen ze erin hen op andere gedachten brengen. Zo kunnen de Vlamingen op weg gaan naar Nederlands Limburgse Susteren waar een NSB-burgemeester de plak zwaait. Van daar zetten ze hun weg voort naar het Duitsland. Uiteindelijk belanden zo’n 15.000 Vlaamse collaborateurs in het Duizendjarige Rijk. De meesten worden zo goed en zo kwaad als mogelijk ondergebracht in opvangkampen verspreid over de Gau Oost-Hannover.

Kasteel

Van de Wiele logeert in Keulen. Zijn getrouwen mogen een radiozender gebruiken om uitzendingen naar België te maken. Hijzelf probeert het contact met medewerkers en sympathisanten te herstellen. Doordat de DeVlag Duitse afdelingen heeft en Van de Wiele een uitstekende relaties onderhoudt met de SS-top, krijgt hij weldra de beschikking over het kasteel van de familie Zu Waldeck-Pyrmont in het kuuroord Bad Pyrmont. Dat ligt in het Wesenbergerland, zo’n 70 km ten zuidwesten van Hannover.

De eigenaar van het slot, SS-Obergruppenführer und General der Polizei prins Josias zu Waldeck-Pyrmont, stelt het kolossale zomerverblijf van zijn familie al enkele jaren las hospitaal ter beschikking van de SS. Ook elders in de stad verblijven gewonde militairen. Het kasteel is niet comfortabel. De prins heeft het luxueuze meubilair laten weghalen. Het tocht in de hoge slaapzalen er en er is nauwelijks verwarming. Voor het sanitair moeten de bewoners naar de kelder.

Het kasteel van Pyrmont, heden.

In het Oosten rukken de Sovjets op. In het westen stijgt golf na golf van Britse en Amerikaanse bommenwerpers op om de Duitse steden in de as leggen. Zelfbenoemde Vlaamse voormannen krijgen de opdracht zich naar Bad Pyrmont te begeven om hun Landsleider Van de Wiele te helpen.

Van de Wiele heeft carte blanche gekregen om een Landesleitung Flandern – een Vlaamse regering in ballingschap – te vormen. Himmler wil dat hij een statuut uitwerkt voor het Reichsland Flandern dat na de herbezetting van België moet worden opgericht. Met het oog daarop mag de Landsleider “gevolmachtigden” of ministers aanstellen.

Elias en zijn VNV weigeren mee te doen. De partij was altijd voorstander van een min of meer zelfstandig Vlaanderen (of “Dietsland”) binnen het Duitse rijk. Maar wanneer de leiding beseft dat de bezetter de partij voor het lapje houdt door haar alleenheerschappij in Vlaanderen voor te spiegelen, is het te laat om uit de collaboratie te stappen.

Elias beseft dat de oorlog verloren is. In de huidige, benarde omstandigheden, ziet hij er geen graten in dat zijn aanhangers in Duitse fabrieken werken, maar hij wil niet dat ze dienst nemen in de SS of in de Wehrmacht. In januari 1945 zullen de Duitsers Elias zelfs gevangenzetten.

Adviesraad

De eerste “Vlaamsche kop” die in Bad Pyrmont van een trein zonder ruiten stapt, is Cyriel Verschaeve. Achteraf zal hij schrijven dat de Duitsers eerst aan hem hebben aangeboden grote baas van de Vlamingen te worden. De profeet wordt gevolgd door historicus Rob Van Roosbroeck (1898-1988). Die was tijdens de bezetting als Ss’er onderwijsschepen van Groot-Antwerpen en hoogleraar aan de universiteit van Gent.

Zij krijgen het gezelschap van de econoom Edgard Delvo (1905-1999), gewezen leider van de collaborerende eenheidsvakbond Unie van Hand- en Geestesarbeiders, en overloper van het VNV naar de DeVlag. Nog meer vreugd is er bij de aankomst van August Borms (1878-1946), een van de propagandistische boegbeelden van de collaboratie. Antoon Jacob (1889-1947), jurist en literatuurhistoricus, heeft jarenlang aan de universiteit van Hamburg gedoceerd, waar hij in de ban van het nazisme geraakt. In 1941 geven de Duitsers hem de leerstoel van de socialist August Vermeylen aan de Rijksuniversiteit Gent.

August Borms, reliëf van Albert Poels.

Verschaeve, Borms en Jacob zijn geen politici in de strikte zin des woords. Maar in collaboratiemiddens genieten ze een enorm aanzien wegens hun rol in het Activisme en de Vlaamse Beweging. Hoewel ze geen lid van de DeVlag zijn, weet iedereen dat hun sympathieën die kant uitgaan. Ideologisch zijn ze, ook in Duitse ogen, volkomen betrouwbaar. Daarom vormen ze ideale kandidaten voor de Adviesraad die de Landsleiding bijstaat en er op termijn moet voor zorgen dat alle gevluchte Vlaamse neuzen in dezelfde richting wijzen. Verschaeve krijgt de voorzittersstoel.

Van Roosbroeck wordt door Van de Wiele tot gevolmachtigde voor Kunst en Onderwijs benoemd. Delvo zal zich buigen over Sociale Zaken; ingenieur J. Haesaerts krijgt Techniek en Wederopbouw. De jurist René Lagrou (1904-1969) wordt gevolmachtigde voor Binnenlandse Zaken. SS’er Robert Verbelen leidt het departement Politie.

Propaganda wordt toegewezen aan de dichter en SS-man Pol Le Roy (1905-1983), wiens literaire werk merkwaardig genoeg beïnvloed is door het surrealisme.  Voorts zijn er kleinere “ministeries” zoals Arbeidsdienst, Gezondheidszorg en Jeugdzaken. Dat laatste wordt de job van Hauptsturmführer Raf Van Hulse (1903-1977), tot voor kort leider van de Hitlerjeugd Vlaanderen (waar ook de jonge Hugo Claus lid van is geweest).

Er worden plannen gesmeed om het Reichsland Flandern te verdelen in 12 gouwen, waaronder “Zeeland” en “Noord-Brabant” die moeten losgemaakt worden van Nederland, en “Westland” en “Zuid-Vlaanderen” die de Fransen zullen afstaan. Gent krijgt het statuut van Vlaamse hoofdstad. Het Vlaamse leger zal deel uitmaken van de Wehrmacht, maar er een eigen opperbevel op nahouden.

Antoon Jacob.

Van Roosbroeck wil voorgoed een einde maken aan de strijd tussen de verschillende onderwijsnetten. Hij besluit het katholiek onderwijs af te schaffen, op de universiteit van Leuven na. Hij vindt ook dat het studievak Folklore meer aandacht moet krijgen in het academische curriculum. Voorts wil de Landsleiding af van de typisch Belgische lintbebouwing en neemt zich voor de ontwikkeling van de dorpskernen te stimuleren.

Een waarnemer van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken kan niet nalaten in een rapport het “professorale” karakter van zulke plannen te bekritiseren. De Vlamingen gaan degelijk te werk, maar erg realistisch zijn ze niet…

Divisie Langemarck

De Russen komen dichter; de geallieerde bommenwerpers blijven overvliegen.

Wie dat laatste aan den lijve ondervindt, is Pol Le Roy. Hij  verblijft hoofdzakelijk in Berlijn. Daar vertegenwoordigt hij de Vlaamsche Landsleiding bij het Europäisches Propagandabüro waar Noorse, Deense, Franse, Nederlandse, Waalse en andere Hitlerianen samenwerken om de “Europese” gedachte uit te dragen.

Ook Lagrou, die Van de Wiele “president” van de Landsleiding noemt en zichzelf “voorzitter”, verblijft in de hoofdstad. Hij neemt er als factotum de piepjonge André Leysen in dienst. De latere captain of industry vertelt dat zelf in zijn boek Achter de Spiegel. Terugblik op de Oorlogsjaren (1995).

André Leysen (foto DBNL)

Leysen beschrijft hoe Lagrou hem naar Zittau aan de Tsjechische grens stuurt om de ex-directeur van een Vlaamse verzekeringsmaatschappij te ronselen als minister voor de Landsleiding. Maar de man staat aan het hoofd van een bedrijfskeuken en verkiest warm eten boven een onzekere politieke toekomst.

Inmiddels tobt de Landsleiding over manieren om het lot van de Vlamingen in Duitsland te verbeteren. Ze wil scholen openen voor de kinderen en probeert jongen mannen over te halen om te werken in de oorlogsindustrie of dienst nemen in de Vlaamse SS-Volkgrenadierdivisie Langemarck.

Jef François.

 Op 1 november moeten de Vlamingen het kasteel Waldeck-Pyrmont ontruimen. De leden van de Landsleiding raken verspreid. Borms vertrekt naar het kuuroord Teplitz. Verschaeve logeert in het kasteel Gross-Priessen bij de adellijke familie Chotek. Anderen verkassen richting Hildesheim.

Tijdens een bijeenkomst in Potsdam spreekt Verschaeve zich namens de Landsleiding uit tegen het bestoken van Antwerpen met V-bommen. Maar de Duitsers zijn niet echt onder de indruk. Vanuit Aussig, waar de volgende vergadering plaatsvindt, stuurt Van de Wiele een telegram aan Himmler. Hij spreekt zijn geloof in de Endsieg uit. Le Roy houdt een toespraak waarin hij de hautaine houding van de Duitsers jegens de Vlamingen laakt. Ook uit artikels in het blad Vlaamsche Post blijkt dat het Herrenvolk nogal neerkijkt op de Ausländer en hen discrimineert.

Toch krijgt de Landsleiding – behoorlijk laat, vinden velen – een min of meer officiële erkenning van de Duitse overheid. Het ministerie van Buitenlandse Zaken belooft zelfs geld – al moet dat na de “bevrijding” van België worden terugbetaald. Op 15 december 1944 tenslotte, ontvangt Hitlers buitenlandminister minister Joachim von Ribbentrop (1893-1946) Van de Wiele. Die laatste mag zich voortaan “Leider van het Vlaamse Bevrijdingscomité” noemen.

Ardennenoffensief

De Vlaamse Wacht is inmiddels ingelijfd bij de SS-Sturmbrigade Langemarck. SS’er Jef François wordt adjudant van Standartenführer Müller en Van de Wiele – hij is ooit nog leraar geweest – organiseert lessen Nederlands voor de Duitse officieren. Ex-leden van de Vlaamse SS worden intussen opgeroepen om dienst te nemen bij de Waffen-SS. Maar nogal wat Vlamingen behoren tot andere militaire eenheden en willen niet van een overstap horen.

Foto uit een naoorlogse Amerikaanse speelfilm over het Ardennenoffensief.

Van de Wiele denkt dat Elias de weigerachtige manschappen  manipuleert. Verschaeve beklaagt zich in een Duitse brief aan Himmler over de tegenwerking door de VNV-leider: “Dr. Elias begint weer met zijn spelletjes. Hij verbiedt zijn mensen iedere medewerking. Erger nog, hij saboteert een van de belangrijkste taken van de Landsleider: de uitbouw van de Volksgrenadierdivisie Langemarck. Hij raadt de leden van het VNV af zich daarvoor te melden.” Toch telt de divisie in december zo’n 6.000 manschappen.

Met het oog op de herovering van Antwerpen, lanceren de Duitsers op 16 december 1944 het Ardennen- of Von Rundstedt-offensief. Vierentwintig divisies vallen aan tussen Trier en Monschau. De opmars komt onverwacht. De Amerikanen krijgen zware klappen. Het slechte weer belet hun luchtmacht in te grijpen.

Heinrich Himmler.

 De Duitsers hijsen de actieve leden van de Landsleiding in een nieuw uniform en brengen hen per trein naar Wahn bij Keulen. François krijgt de leiding over een “kampgroep” – zo’n 3000 manschappen die als reservetroepen kunnen fungeren. De Duitsers beloven de macht in Vlaanderen zo snel mogelijk aan Van de Wiele over te dragen en in Wallonië aan Rex-leider Degrelle. Die laatste is voorlopig in Bonn gestationeerd. Zodra België is veroverd, krijgt Lagrou te horen, moet hij Radio-Brussel weer opstarten.

Een laatste poging om Elias te dwingen lid te worden van de Landsleiding, loopt op een sisser uit. Van de Wiele hoopt op verzoening, zegt hij, zelfs met “attentisten” en andere niet-collaborateurs in België. Maar het “nieuwe” Vlaanderen zal geleid worden door een eenheidspartij. Eén met weinig leden – “om de zuiverheid van de idee te waarborgen” – en met hemzelf aan het roer.

Strovuur

Het Ardennenoffensief jaagt de Belgische bevolking de stuipen op het lijf. Even lijkt het alsof de bezetter terugkeert. Maar op 22 december verwerpt generaal McAuliffe met het gevleugelde woord “Nuts!” een Duits verzoek tot overgave. Dankzij beter weer kan de Amerikaanse luchtmacht het belegerde Bastogne van munitie voorzien. Op Kerstdag vertrekken Amerikaanse tanks op vanuit Martelange. De val van La Roche op Oudejaar vormt het begin van het einde van de Battle of the Bulge. Vanaf 13 januari trekken de Duitsers zich terug.

De Vlaamsche Landsleiding komt een laatste keer in februari plaats bijeen in Aussig. Verschaeve noteert: “Al de hoop om Vlaanderen terug te zien, zo hel opgeflakkerd in ’t Ardennenoffensief van Kerstdag, zonk als een strovuur neer, uitgedoofd, en Vlaanderen zelf verdween uit het zicht, werd ten minste ver weg achteruitgedreven op een schemerende achtergrond door dit uitbreken van de moderne Hunnen.”

Pol le Roy in 1965.

De instorting van Duitsland belet het verder functioneren van de Landsleiding. De eenheden van de brigade Langemarck worden her en der in de pan gehakt. De Sovjets vernietigen het jeugdregiment omstreeks 25 april 1945 in de omgeving van Prenzlau.

Doodvonnissen

Na de Duitse nederlaag veroordelen Belgische krijgraden alle protagonisten van de Landsleiding ter dood. Maar alleen Borms wordt ook terechtgesteld. Soldaten executeren hem in april 1946 op het oefenterrein van de kazerne in Etterbeek (vandaag campus van de VUB). Van de Wiele zit tot 1963 in de gevangenis. Na zijn vrijlating gaat hij in Duitsland wonen. Hij sterft in 1979 in Brugge zonder nog een politieke rol te hebben gespeeld.

Verschaeve vlucht naar Oostenrijk en woont tot zijn dood in 1949 hij in Solbad Hall. In 1973 graven leden van de extreemrechtse Vlaamse Militanten Orde zijn lijk op en smokkelen het naar België. Ze nodigen journalisten uit om het te komen bekijken in de kelder van een café in het Oost-Vlaamse Bazel. Uiteindelijk wordt Verschaeve opnieuw begraven in Alveringem waar hij kapelaan was – het gemeentebestuur zorgt voor zes ton beton om een herhaling van het groteske ontgravingsavontuur te voorkomen.

Graf van Cyriel Verschave in Alveringem. 

De Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging vertelt anno 1998 niets over het naoorlogse leven van Edgard Delvo. De website Blokwatch signaleert dat hij gratie krijgt en in de jaren 1980 uit Duitsland terugkeert. Hij publiceert Sociale collaboratie: pleidooi voor een volksnationale socia­le poli­tiek met een voorwoord van prof. Karel van Isacker.

Het boek, dat al van 1944 dateert, is volgens de historicus geschreven voor Delvo’s  “gees­tesver­wanten en […] de hele arbeiderswereld” als “een uitvoerige belijdenis van zijn geloof in de volksstaat, ge­bouwd op de organische, solidaris­tische volksge­meenschap, een ge­zindheid die alle groepen en standen solidair tot een volksge­meenschap verbindt en op elkaar richt.” Later vindt Delvo steun bij het Vlaams Blok dat hem na zijn dood in 1999 bedenkt met een paginagroot in memoriam in het partijblad.

Robert Verbelen spreekt bij een uitvaart (foto Tony Van Dyck).

Van Roosbroeck leeft ondergedoken in Antwerpen tot in 1947 en ontkomt dan naar Nederland. Onder talrijke pseudoniemen publiceert hij in Vlaamse dag- en weekbladen. Hij schrijft  verscheidene historische studies waaronder een Willem van Oranje die bij de Antwerpse uitgeverij Mercatorfonds uitkomt. Van Roosbroeck overlijdt in 1988 in het Noord-Brabantse Oosterhout.

 Tweede leven voor Verbelen

Jef François komt in juli 1952 vrij. Op het einde van de jaren 1960 werkt hij voor de Volksunie in Antwerpen. In 1977 sluit hij zich aan bij de Vlaams-Nationale Partij van Karel Dillen. Hij treedt op als raadgever van de VMO van kroegbaas Bert Eriksson. François overlijdt in 1996 in Gent.

In 1945 pakt de Staatsveiligheid Pol Le Roy op in Lüneburg. Drie jaar later wordt zijn doodvonnis omgezet in levenslang. Door bemiddeling van vroegere Dinaso-vrienden, intussen christendemocraat, komt de dichter in 1951 vrij. Hij verdient de kost als vertaler en reiziger in boeken en verdiept zich in filosofie en esoterie. Na de oorlog publiceert hij een vijftiental dichtbundels. Hij sterft in 1983 in Bornem.

Rob van Roosbroeck in de jaren 1970.

 De Amerikaanse militaire counter intelligence ontfermt zich over de fervent anticommunistische Robert Verbelen, die uit Duitsland naar Oostenrijk is gevlucht. Zo ontloopt de ex-Ss’er uitlevering aan België. Tijdens de Koude Oorlog werkt Verbelen tien jaar voor de Amerikanen. Later treedt hij op als informant van de Oostenrijkse federale politie. In 1959 krijgt hij zelfs de Oostenrijkse nationaliteit.

De beroemde nazi-jager Simon Wiesenthal komt Verbelen op het spoor en dat leidt tot een aanklacht wegens oorlogsmisdaden. Maar in 1965 spreekt een Weense rechtbank hem vrij, al erkent ze dat hij twee moorden heeft gepleegd (!). Later zal het Oostenrijkse Hooggerechtshof dat vonnis nietig verklaren, maar tot een nieuw proces komt het nooit.

Een parlementaire onderzoekscommissie brengt aan het licht dat België nalatig is geweest in het doorspelen van informatie over Verbelens oorlogsverleden aan Wenen. Verbelen verkeert intussen openlijk in Oostenrijkse neonazikringen. Hij publiceert ook detective- en spionageromans. Robert Verbelen overlijdt in 1990 in de Oostenrijkse hoofdstad.

Hendrik Elias, de man die niet wilde meedoen met de Landsleiding, krijgt in 1951 gratie van de Belgische regent, prins Karel. Hij moet levenslang zitten, maar komt om gezondheidsredenen vrij in 1959. Van 1963 tot ’65 verschijnt zijn Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte. Na zijn dood in 1973 ziet men af van de uitgave van het manuscript Het Vlaams-nationalisme tijden de Tweede Wereldoorlog. De historicus Albert De Jonghe heeft immers na een voorpublicatie aangetoond dat Elias soms een loopje neemt met de realiteit.

Verschenen in Memo, nr. 1.

Column – Onbekend en onbemind. Geschiedenis is een nukkige wetenschap.

Portret door Dilys Klitsée.

Af en toe brengen de media musea of archieven ter sprake. Ze  gebruiken dan altijd het adjectief “stoffig”, dat daarna enigszins hypocriet wordt gerelativeerd. Vervolgens mag de conservator in de krant zijn nieuwe tentoonstelling toelichten of de archivaris op de televisie over een bij voorkeur bloedige gebeurtenis uit het verleden vertellen.

Mediatypes verslijten historici voor betweterige lui die zich vermeien in zouteloze anekdotes over de gulzigheid en geilheid van middeleeuwse paters of die gebukt gaan onder een minderwaardigheidscomplex en daarom dwepen met Napoleon.

Bestaan zulke historici? Nou en of.

Maar journalisten, vaak te slecht opgeleid om iets te weten en te jong om het zich te herinneren, zijn vooral bang van geschiedenis omdat ze er niets van afweten. Onbekend maakt onbemind, etc. Al in de jaren 1970 wilde de Belgische onderwijsminister komaf maken met het vak. En wie zich vandaag inschrijft aan de universiteit, moet “vaardigheden” en “attitudes” in huis hebben, geen kennis.

Als dinosaurus mag ik dat zeggen. Dertig jaar geleden schreef ik mijn eerste artikels op een mechanische schrijfmachine. Corrigeren deed ik met de vulpen.

Wanneer ik door een boekhandel loop, zie ik daar nog altijd hoge stapels historische boeken liggen. Onze kennis is misschien niet meer wat ze geweest is, de dorst ernaar blijkt niet gelest. (Ik ga voorbij aan de historische sites op het Web en het succes van kitcherige maar uitputtend gedocumenteerde televisieserie als The Tudors).

De politiek correcte tijdsgeest wil dat iedereen een identiteit heeft, behalve wijzelf. De absurditeit daarvan is zo evident dat er geen tekeningetje bij hoeft. En eigenlijk beseffen we dat ook wel – waar komen anders discussies vandaan over een “historische canon” met essentiële feiten en ideeën uit onze geschiedenis?

Iets afweten van geschiedenis levert geen gewin op, maar wel historisch bewustzijn. Laat nu net dàt zijn wat ons slim genoeg maakt om mensen met een ander verleden, een andere identiteit, NIET het hoofd in te slaan of te deporteren.

Wie zijn we? Waar komen we vandaan? Waarom zien we onszelf zo en niet anders? Zijn de verhalen over ons verleden (de Slag der Gulden Sporen, het Beleg van Leiden, “wit” en “zwart” of “goed” en fout” in de oorlog) juist? Of juist niet?

De antwoorden op zulke vragen zijn nooit ondubbelzinnig of definitief. Daarom moeten we er voor onszelf naar op zoek gaan en dat vooral niet overlaten aan fanatici, aan fundamentalisten met een bord voor hun kop of utopisten met een geëxalteerde blik.

Historisch bewustzijn is een collectief zelfbewustzijn – dat laatste is niet hetzelfde als zelfoverschatting. Elk van ons is een minderheid; samen kunnen we proberen een gemeenschap te vormen. Het is – jawel – een attitude. Het besef dat niets in de samenleving uit de lucht komt vallen en onveranderlijk is. Dat alles het resultaat is van groei, van botsende belangen, en daarom geen eindpunt.

Iedereen heeft recht op historisch bewustzijn, niet alleen vaklui. Geschiedenis laat zien dat de wereld ingewikkelder in elkaar zit dan wij denken. Ze maakt het leven moeilijker, want ze drukt ons met onze neus op onze mogelijkheden en dus op onze verantwoordelijkheid.

Dat leer ik uit dertig jaar nukkig artikels schrijven over geschiedenis. Mezelf heb ik overtuigd. Ik hoop van u hetzelfde.

Verschenen in Memo nr. 1.