
Na de onverwachte dood van landvoogd Don Juan de Requesens neemt de Raad van State het bewind over. Van de acht raadsleden is alleen de Spanjaard Jeronimo de Roda een onverkort voorstander van de politiek van Filips II. De anderen ijveren voor het vertrek van de Spaanse troepen uit de Nederlanden, de convocatie van de Staten-Generaal en een pragmatische benadering van het religieprobleem.
Intussen nemen de Staten van Brabant soldaten in dienst. Zij willen Brussel verdedigen tegen de muitende Spaanse troepen die Aalst in hun macht hebben. Eens te meer gaat het om militairen die hun soldij niet hebben gekregen. De Antwerpse afgevaardigden in de Staten zijn echter bang om het Spaanse garnizoen in de citadel tegen zich in het harnas te jagen.
De Roda wil de muiterij van de soldaten een halt toeroepen. Hij verlaat Brussel voor de Antwerpse citadel en beveelt alle Spaanse troepen daarheen te komen. Hij knoopt onderhandelingen aan met de muiters in Aalst en krijgt Filips II zover dat die geld stuurt om hen te betalen.
Terwijl De Roda in Antwerpen verblijft, vindt in Brussel een staatsgreep plaats. Tijdens een vergadering slaat men de leden van de Raad van State in de boeien. Wie daar precies achter zit, is niet duidelijk – vermoedelijk aanhangers van Oranje. Lang blijven de raadsleden niet aangehouden. Maar het incident heeft verstrekkende gevolgen.
De Staten van Brabant nemen het initiatief om de Staten van de andere provincies naar Brussel uit te nodigen voor een Staten-Generaal. Dat druist in tegen de herhaaldelijk geformuleerde orders van Filips II en is dus zonder meer een revolutionair initiatief. Vlaanderen en Henegouwen zeggen onmiddellijk toe. De vrijgelaten Raad van State sluit zich bij de politiek van de Staten aan. Alleen Roda blijft zich vanuit het veilige Antwerpen verzetten. Hij krijgt daarbij steun van de Antwerpse afgevaardigden in de Staten van Brabant.
Hoewel nog lang niet alle gewesten een delegatie hebben gestuurd, gaan de Staten-Generaal op 25 september van start. Zij stellen het gezag van de koning niet in vraag, maar willen toch onderhandelen met Oranje en met de opstandige delen van Holland en Zeeland. Dat, denkt men, is de enige manier om tot vrede te komen. Maar Oranje wil niet naar Brussel reizen; hij acht het veiliger om in Gent te onderhandelen.
Daarom vinden de vredesbesprekingen daar en niet in de hoofdstad plaats. De deelnemers raken het snel eens over het vertrek van alle Spaanse troepen en een algemene amnestie voor de opstandelingen. Over de religieuze kwestie is er echter geen consensus. De ketterplakkaten worden geschorst, maar de Staten-Generaal zullen in de toekomst uitmaken of de gereformeerden in Holland en Zeeland mogen blijven of de Zeventien Provinciën moeten verlaten. Oranje wordt gouverneur van Holland en Zeeland. Buiten die twee provincies mag nergens aan de uitoefening van het katholicisme geraakt worden. Een nieuwe landvoogd zullen de Staten-Generaal slechts erkennen indien hij al deze bepalingen onderschrijft.
De ‘Pacificatie van Gent’ wordt op 8 november 1576 plechtig ondertekend in het Gentse stadhuis. Intussen hebben in Antwerpen dramatische gebeurtenissen plaatsgevonden die de bevolking sterk traumatiseren en de politieke toekomst van de stad bepalen.

Zowat een maand eerder hebben de Staten een legertje naar Antwerpen gestuurd. Op 2 oktober bereikt het Borgerhout en trekt de stad binnen. Een aantal Spaanse en Italiaanse kooplui vlucht naar de citadel, waar ze onderdak krijgen van het garnizoen.
De bevelhebber van de Staatse troepen besluit om tussen de citadel en de zuidkant van de stad een aarden wal op te werpen. In de nacht van 3 en 4 november krijgen de 4.000 soldaten in de citadel versterking van Spaanse troepen uit Lier, Aalst, Breda en Maastricht. Dat brengt de getalsterkte van de Spanjaarden op zo’n tienduizend.
Om één uur ’s namiddags trekken 5.000 Spanjaarden uit de citadel op tegen de stad. Er zijn achthonderd ruiters bij en een menigte ‘trosboeven’, uitgerust met bussels stro om brand te stichten. Hevig kanonvuur tegen de aarden wal gaat de aanval vooraf. Zesduizend man verdedigen de geïmproviseerde versterking – vergeefs, zoals weldra blijkt.
De Waalse huursoldaten die de Kronenburgpoort verdedigen, worden teruggedreven tot in de Sint-Michielsabdij. Ook aan de Blijden Hoek (thans Nationalestraat-Lepelstraat) en de Begijnenstraat breken de Spanjaarden door. Weldra stormt hun ruiterij over het Sint-Jorisplein voor de Sint-Joriskerk.
De Antwerpse burgerij verdedigt de Grote Markt en het Stadhuis. Vanuit de ramen van de huizen schiet men op de Spaanse ruiters, die zware verliezen lijden. Maar enkele Spanjaarden slagen er in het Stadhuis in brand te steken. Wie naar buiten vlucht, wordt afgemaakt. Onder de slachtoffers zijn enkele schepenen.
Een stuk of wat dapperen slagen er inmiddels in een groot gedeelte van het stedelijk archief te redden. Toch gaat het Stadhuis in vlammen op en het vuur slaat over naar huizen in de omgeving. Zo’n 600 woningen branden af, voornamelijk aan Suikerrui, Kaastraat, Zilversmidstraat, Braderijstraat en een deel van de Hoogstraat.
De Spanjaarden slaan aan het moorden en plunderen. De ‘Spaanse Furie’ zal drie dagen woeden. Hoeveel slachtoffers vallen, is niet duidelijk. Sympathisanten van de Nederlandse opstand overdrijven hun aantal schromelijk – zij gewagen op een bepaald moment van tienduizend doden! ‘Gedurende de wederstand,’ vertelt P.C. Hooft in zijn Nederlandse historiën (1642),
‘die niet voor donkren avond ophield, stelden ’t de Spanjaards niet anders aan, dan bare boze geesten, ter helle uitgebroken. Nocht achtbaarheid van staat, noch eerwaardij van ouderdoom, nocht weerloosheid van sexe, nocht onmondigheid van jeugd, nocht tederheid van jaren, waren in den weg; oft aanzienlijke regeerders, afgeleefde grijzen, zwakke vrouwen, schreumige maagden, baardeloze jongens, onnozele kinderen, bezuurden den gemenen overgank [uitbarsting] der moorddadigheid. Met nare zuchten, deerlijk kermen, bittre tranen, erbarmelijk smeken, was niet te verwerven, dan koude klingen, en hete koegels, vliegende door huizen, straten en kerken. Boven vele deftige poorters, raakten om hals, de markgraaf, schout der stad, Goswin Verreyke; Jan van der Meere, burgermeester, hoewel men hem heel Spaans hield; Jan van der Werve, Lanslot van Ursele […] en andere wethouders. […] Van inwoonders en Staatse krijgsluiden, vond men, bij de wegen, ontrent derdhalfduizend lijken; ’t Getal der drenkelingen hield men niet minder: behalven die door ’t vuur verteerd, en ten volgenden dagen , in koelen bloede werden omgebracht.

‘ […] Als de bloeddorst meest haar zat had, gink ’t er op een ruiten [plunderen] en roven. Men stort er in de huizen; elk daar hij waande de beste kans te zien; smijt inboél, pakken, koopwaren, ’t onderste boven, en den zieltogenden mensen, die ’t scherp niet heel afgemaakt had, op ’t lijf, oft vertreedt hen met voeten. Zommige, om achter ’t geld, kleinodiën en heelbare have, te raken, pijnigden de eigenaars, met koorden, trechter, roeden, en vlamme. Stokoude mannen, aankomende dochters, zwangere buiken, haalde men ijselijk over; en hing er de vrouwen bij den haar op. Geen genadiger lot hadden de klene kindren, moetende de felheid der foltering uitstaan, in ’t aanschijn der ouderen om de stijfte hunner lijdzaamheid [standvastigheid] te weiken in medelijden. Dan nog dikwijls geen eind van martelen. […] Die wereld onlangs van een stad, was nu een naar toneel van afgrijslijkheid. Van treê tot treê, verslage mensen en paarden. De straten geverwd, en plas van hun vermengde bloed. De rokende puinhopen; een akelijke woestheid’ [Hooft, 1978, 201-203].

Bij de Spaanse furie worden alle schilderijen uit het Schilderspand boven de Beurs geroofd. ‘Allen de cramen,’ schrijft totaal ontmoedigde pandmeester De Momper aan het stadsbestuur, ‘zijn ghanschelijck gesaccageert.’
