Jef Geeraerts uit de canon.

Gangreen 1 Black Venus was voor mij als twaalfjarige een zeer leerzaam boek. Het deed in Antwerpen zelfs een heuse mop ontstaan (en dat is niet veel romans gegeven): vraag – Wat is een zwarte maagd?; antwoord – een negerin die rapper kan lopen dan Jef Geeraerts. Ik verzin het niet.

Moet die roman in de canon? Kijk, vijf jaar geleden wisten de leden van de canoncommissie van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) ook al dat Black Venus een seksistisch, racistisch, kolonialistisch boek is en dat er nogal wat in voorkomt dat wij vandaag als pedofilie beschouwen. Bovendien is de roman stilistisch epigonenwerk: Henry Miller in het klein.

Dat verzin ik ook niet. Het werd al gezegd door Piet van Aken tijdens de vergadering van de jury die het boek de Driejaarlijkse Staatsprijs toekende. Dat staat allemaal piekfijn uitgelegd in de knipsels in de knipselmappen in de kelder van het Letterenhuis in Antwerpen.

Uitgemolken

En het is waar, natuurlijk. Maar epigonisme wordt bij ons wel vaker als een literaire verdienste beschouwd. Dit is niet het moment om daar dieper op in te gaan.

Terwijl vrijzinnig Vlaanderen anno 1969 geschokt was door de inbeslagname van het bekroonde werk (succesvol uitgemolken door de uitgeverij Manteau), verscheen in Nederland minstens één uitvoerige recensie – ik weet niet uit het hoofd door wie – die alle zogezegd actuele bezwaren tegen Black Venus al bevatte.

Dit alles komt erop neer dat de canoncommissieleden vijf jaar geleden op een andere planeet leefden en nu doodsbang zijn voor de publieke opinie. Die ze tegelijk tegen de haren instrijken, omdat hun ingreep op censuur lijkt.

Ik zie op Facebook meteen iemand Geeraerts de Vlaamse Céline noemt – en laat nu uitgerekend Céline een rabiate antisemiet zijn geweest.

Dit bevestigt mijn hardnekkige vooroordeel dat modernisme vaak helemaal niet hetzelfde is als politiek progressisme. Lig ik daar van wakker? Niet echt, maar ik merk wel dat veel mensen zich daar volstrekt niet van bewust (willen) zijn.

Modernisme

Ben ik tegen het modernisme? Volstrekt niet – maar het zou beter gezien worden als een artistieke methode dan als een soort ideologie.

Ben ik tegen Jef Geeraerts? Ook niet. In de omgang was hij een aardige man en ik heb de beste herinneringen aan onze telefoongesprekken toen ik als redacteur bij Manteau Romeinse Suite superviseerde. Dat was in 1987, geloof ik. Enkele maanden later – dat vroeg meer werk – kreeg ik Jefs vertaling uit het Frans van een roman van de Congolese auteur Sony Labou Tansi onder handen.

Jef, die ongetwijfeld heel goed Frans kende, had dat boek op een drafje vertaald zonder zich ook maar iets aan te trekken van de verschillen tussen de Franse en de Nederlandse zinsbouw. Hij heeft mij nooit scheef bekeken voor mijn, euh… ingrijpende tussenkomsten.

Ik heb Jef graag gelezen – vooral deel 3 van de Gangreen-cyclus, Het Teken van de Hond. En sommige van zijn thrillers (niet allemaal). Ik durf te zeggen dat ik niet weinig heb bijgedragen tot de bekroning van Jef met de Diamanten Kogel.

Als een boek uit de canon wippen (of het er niet in opnemen) censuur is, dan censureert de KANTL zowat vijfennegentig procent van de Vlaamse literaire productie.

Ondoordacht

Wat pijnlijk is, is niet zozeer de verwijdering van Black Venus uit de canon, maar wel de ondoordachte opname ervan, vijf jaar geleden.  

Want ik vind ook – ik vind nogal veel dingen tegelijk – dat bij de opstelling van een canon rekening mag worden gehouden met “politieke” overwegingen. Dat kan ook niet anders. Literatuur bestaat niet in een vacuüm, al zouden de meeste schrijvers dat wel willen.

De KANTL zelf werd trouwens meer dan een eeuw lang op basis van politieke en levensbeschouwelijke criteria samengesteld. Misschien is dat nog altijd zo. Ik weet het niet en ik wil het ook niet weten.   

Maar bij de hantering van zulke criteria moet men dan wel héél voorzichtig zijn, zonder zich onder druk te laten zetten, en er héél open over communiceren.

Zo’n canon is een blijft trouwens een heikel ding. Ook nu Jef zijn boek eruit is, ligt het nog altijd in de winkel en wordt het gekocht en gelezen. Het bestaat, of we dat nu fijn vinden of niet. Het maakt deel uit van de (onze) geschiedenis, en dat in grotere mate dan een heleboel andere, minder problematische boeken.